Besluit van 22 juni 2026, houdende wijziging van het Besluit innovatie strafvordering [KetenID WGK027566]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 mei 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7525518;

Gelet op artikel 575 van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2026, nr. W16.26.00130/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 juni 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7667548;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit innovatie strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 vervalt.

B

Artikel 3 vervalt.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 22 juni 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen

Uitgegeven de drieëntwintigste juni 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit innovatie strafvordering (Stb. 2022, 352). Dat besluit houdt verband met de Innovatiewet Strafvordering (Stb. 2022, 276), waarmee vooruitlopend op het nieuwe Wetboek van Strafvordering ervaring wordt opgedaan met enkele voor de strafrechtspraktijk relevante vernieuwingen. In de praktijk bestond de wens om met de onderwerpen uit die wet, vooruitlopend op het nieuwe wetboek, al te kunnen werken. De Innovatiewet Strafvordering heeft daartoe een nieuwe Titel X (Innovatie van verschillende onderwerpen) toegevoegd aan het huidige Wetboek van Strafvordering. De Innovatiewet Strafvordering is op 1 oktober 2022 in werking getreden (Stb. 2022, 362). De toepassing van de verschillende bepalingen heeft plaatsgevonden in pilotprojecten, die inmiddels zijn afgerond en geëvalueerd (zie Kamerstukken II 2024/25, 35 869, nr. 32 en de twee evaluatierapporten; B. de Wilde, M. Boiten, M. Hanswijk, S. Stone, T. van der Vorst, Evaluatie Innovatiewet Strafvordering. Pilots Gegevens na beslag, Audiovisuele registratie en Hulpofficier van Justitie, september 2024 en F.G.H. Kristen, M.J. Dubelaar, J. Bijlsma, R.S.T. Gaarthuis, M.A. Simon Thomas, M.A.P. Timmerman, B.T. Huijnen, Evaluatie pilots Innovatiewet Strafvordering – Prejudiciële vragen en Mediation in Strafzaken, september 2024).

Het wetsvoorstel waarmee de werkingsduur van een groot deel van de bepalingen uit de Innovatiewet Strafvordering wordt verlengd tot het moment van inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is op 24 februari 2026 als hamerstuk door de Eerste Kamer aanvaard (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 2; de «Verlengingswet», Stb. 2026, 49).

Voor de vijf onderwerpen uit de Innovatiewet Strafvordering geldt dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat zij slechts worden toegepast in een of meerdere arrondissementen en ressorten (artikel 575 van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv). Ook kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de aanwijzing van een hulpofficier van justitie (artikel 570, tweede lid, Sv). Het Besluit innovatie strafvordering voorziet in dergelijke regels. Dat besluit bevat bepalingen ten aanzien van drie van de vijf onderwerpen uit de Innovatiewet Strafvordering: I) opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging (artikel 1), II) bevoegdheden van de hulpofficier van justitie (artikel 2) en III) mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting (artikel 3). De artikelen 1 en 3 van het Besluit innovatie strafvordering bevatten regionale beperkingen, zodat de bepalingen uit de Innovatiewet Strafvordering alvast op een kleine schaal, in een beperkt aantal arrondissementen, konden worden ingezet en daarmee in de pilotprojecten ervaring kon worden opgedaan. Artikel 2 is van een andere aard en bevat een voorschrift over de aanwijzing van hulpofficieren van justitie voor de uitoefening van enkele strafvorderlijke bevoegdheden. De in de pilotprojecten opgedane ervaringen hebben geleid tot de wens om het Besluit innovatie strafvordering op een aantal punten te wijzigen. Het onderhavige besluit bevat deze wijzigingen.

De bepalingen waarin regionale beperkingen zijn opgenomen, komen met dit besluit te vervallen. Deze beperkingen hingen − zoals hiervoor is toegelicht − samen met de pilotprojecten die zijn uitgevoerd. De artikelsgewijze toelichting gaat hier nader op in.

Overigens kan artikel 2 ongewijzigd blijven. De Verlengingswet wijzigt wel het bijbehorende artikel 570, eerste lid, Sv (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 2, onderdeel C). Daardoor heeft het aanwijzingsvereiste waaraan artikel 2 uitvoering geeft, bij inwerkingtreding van de Verlengingswet alleen nog betrekking op de bevoegdheden die verband houden met de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen (artikel 116, derde en vierde lid, Sv). Voor de uitoefening van deze bevoegdheden blijft het aanwijzingsvereiste onverminderd wenselijk.

2. Consultatieadviezen

Dit besluit is ter formele consultatie voorgelegd. Consultatieadviezen zijn ontvangen van het College van procureurs-generaal (OM), de politie, de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten (BOD-en). Een reactie is ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De Nederlandse Orde van Advocaten, Slachtofferhulp Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, de Koninklijke Marechaussee, de Hoge Raad en Reclassering Nederland hebben te kennen gegeven geen inhoudelijk advies uit te zullen brengen. Het Nederlands Forensisch Instituut ziet ook af van het geven van een inhoudelijke reactie.

De wijzigingen in het besluit leiden bij de politie niet tot opmerkingen en de BOD-en hebben tegen de wijzigingen geen bezwaren.

Het OM ziet geen aanleiding tot het maken van opmerkingen over de wijzigingen in dit besluit maar acht het wenselijk te benadrukken dat zodra zich technische ontwikkelingen voordoen die een snelle en gerichte zoekslag in opnames mogelijk zouden maken, dan eerst in een beperkt aantal arrondissementen ervaring opgedaan dient te worden met de inzet van deze nieuwe technieken (waarbij aldus opnieuw, door een volgende wijziging van het Besluit innovatie strafvordering, invulling wordt gegeven aan de mogelijkheid die artikel 575 Sv biedt). Als in de toekomst sprake is van een nieuwe pilot waarbij ervaring kan worden opgedaan met nieuwe technieken, dan zullen inderdaad opnieuw afspraken kunnen worden gemaakt tussen de betrokken ketenpartners over welke regionale beperkingen dan aangebracht dienen te worden, door middel van een volgende wijziging van het Besluit innovatie strafvordering. Zie daarvoor nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel A, van dit besluit.

De Rvdr verzoekt aandacht te besteden aan de algemene verbaliseringsplicht van opsporingsambtenaren, omdat het volgens de Rvdr noodzakelijk is dat opsporingsambtenaren ook een proces-verbaal opmaken indien er opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid zijn met betrekking tot dat wat door hen tot opsporing is verricht of bevonden. In reactie daarop wordt erop gewezen dat de waarborg dat relevante opsporingsbevindingen schriftelijk worden vastgelegd, inderdaad rust op de algemene verbaliseringsplicht. Deze is verankerd in artikel 152, eerste lid, Sv. Die algemene verplichting tot schriftelijke verslaglegging van bevindingen blijft onverkort van kracht.

In het verlengde daarvan wordt opgemerkt dat uiteraard ook de mogelijkheid blijft bestaan om een proces-verbaal waarin de inhoud van de opname is beschreven, als bewijsmiddel te gebruiken (artikel 339, eerste lid, onder 5, Sv). Wel is het zo, zoals de Rvdr terecht opmerkt, dat door de wijzigingen in het besluit tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering een opname van beeld, geluid of beeld en geluid uitsluitend via de artikelen 567 jo. 339, eerste lid, Sv tot het bewijs kan worden gebezigd en niet meer via het wettige bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter (artikel 339, eerste lid, onder 1, Sv). Doordat de opname in de Innovatiewet Strafvordering een zelfstandig bewijsmiddel is, kan deze niet meer via het wettige bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter tot het bewijs worden gebruikt. De aanvullende plaats en functie van de eigen waarneming van de rechter binnen het stelsel van bewijsmiddelen als «restbewijsmiddel» verandert namelijk niet. Informatie die een ander bewijsmiddel oplevert, kan niet via de eigen waarneming van de rechter tot het bewijs meewerken (Kamerstukken II 2020/21, 35 869, nr. 3, p. 65).

Het CJIB merkt op dat de wijzigingen in dit besluit de taken van het CJIB momenteel niet raken, maar dat dit in de toekomst, onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering, mogelijk anders is ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de eindezaakverklaring en vraagt daarbij aandacht voor mogelijke uitvoeringsconsequenties.

3. Uitvoeringsconsequenties

In de memorie van toelichting bij de Verlengingswet is in paragraaf 5 van het algemeen deel aandacht besteed aan de uitvoeringsconsequenties van die wet (Kamerstukken II, 2024/25, 36 784, nr. 3, p. 24–26). Die paragraaf zag met name op de ervaringen die waren opgedaan met de toepassing van de mogelijkheden uit de Innovatiewet in de periode na inwerkingtreding van die wet op 1 oktober 2022.

Aan dit wijzigingsbesluit zijn geen financiële consequenties verbonden. Met de wijzigingen in dit besluit vervallen allereerst de regionale beperkingen ten aanzien van de mogelijkheden om opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid onderdeel te laten uitmaken van de verslaglegging (artikel 1). Uit de memorie van toelichting bij de Verlengingswet blijkt echter ook dat de betrokken ketenpartners verwachten dat de komende periode niet direct gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheden. Mocht een nieuwe pilot met betrekking tot dit onderdeel worden gestart, dan zouden daar indien gewenst door een volgende wijziging van het Besluit innovatie strafvordering opnieuw regionale beperkingen aan kunnen worden verbonden, op grond van artikel 575 Sv. De schrapping van artikel 1 in het besluit heeft dan ook geen structurele uitvoeringsconsequenties.

Daarnaast komen met dit besluit de regionale beperkingen ten aanzien van de mogelijkheden voor mediation na aanvang van de berechting uit de Innovatiewet Strafvordering te vervallen. Dit betekent dat de bijbehorende eindezaakverklaring in meer gevallen kan worden uitgesproken en dat komt de snelle afhandeling van rechtszaken dus ten goede. De verwachting is dat de schrapping van artikel 3 geen structurele kosten oplevert.

Deze inschatting van de structurele effecten wordt bevestigd in het advies van de Rvdr. Het CJIB ziet in de toekomst mogelijke uitvoeringsconsequenties ontstaan als het, onder de werking van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, een rol krijgt bij het toezicht op de bijzondere voorwaarden bij een eindezaakverklaring in het kader van mediation. De mogelijkheid om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een eindezaakverklaring is in de Verlengingswet juist komen te vervallen. Dus ook dat onderdeel van dit besluit levert geen structurele kosten op. De overige adviesorganen hebben zich niet uitgelaten over eventuele structurele uitvoeringsconsequenties.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

In dit onderdeel vervalt artikel 1 van het Besluit innovatie strafvordering.

Artikel 1 ziet op de regionale beperkingen ten aanzien van de wettelijke bepalingen over opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging en als wettig bewijsmiddel. In de praktijk wordt dit onderwerp met de term audiovisuele registratie (afgekort tot AVR) aangeduid. In de Derde Afdeling van Titel X van het Wetboek van Strafvordering zijn met de inwerkingtreding van de Innovatiewet Strafvordering elf artikelen opgenomen die gaan over AVR. Onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de verslaglegging van hetgeen door opsporingsambtenaren ter opsporing is verricht of bevonden (als bedoeld in artikel 560 Sv) en anderzijds de verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting (als bedoeld in artikel 566 Sv). Het eerste lid van artikel 1 ziet op de verslaglegging door opsporingsambtenaren. Daarin is voor de pilotprojecten een regionale beperking aangebracht. De regionale beperkingen die zijn opgenomen in het eerste lid van artikel 1 kunnen komen te vervallen, nu de pilotprojecten zijn afgerond.

Ook het tweede lid van artikel 1 (dat betrekking heeft op het onderzoek op de terechtzitting) vervalt. Met de Verlengingswet vervallen verschillende AVR-bepalingen die verband houden met het onderzoek op de terechtzitting. Het betreft de artikelen 559, 562, 564, 566 en 568 Sv die betrekking hebben op de mogelijkheid om het proces-verbaal van de terechtzitting te vervangen door een combinatie van een opname van de terechtzitting met een verkort proces-verbaal. Door het vervallen van deze artikelen vervalt ook de grondslag om daarover bij algemene maatregel van bestuur te kunnen bepalen dat deze alleen in een of meerdere arrondissementen of ressorten kunnen worden toegepast. Artikel 567 (dat ziet op AVR als zelfstandig bewijsmiddel) blijft wel gehandhaafd. Door het zodanig aanpassen van het Besluit innovatie strafvordering dat het toepassingsbereik van dat artikel niet langer regionaal wordt beperkt, wordt bij opnames tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek landelijk gebruik gemaakt van het zelfstandige bewijsmiddel van een opname van beeld, geluid of beeld en geluid in plaats van de eigen waarneming van de rechter (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 3, p. 28). Voor artikel 565 (waaruit voortvloeit dat de bepaling over het op de terechtzitting voorhouden van stukken ook geldt voor het op de terechtzitting aan de orde stellen van opnames) en voor artikel 569 (toepassing van deze bepalingen in hoger beroep) geldt ook dat de regionale beperkingen komen te vervallen. Alles bij elkaar is het tweede lid van artikel 1 niet langer relevant en kan artikel 1 aldus in zijn geheel komen te vervallen.

Overigens wijst de memorie van toelichting bij de Verlengingswet op de mogelijkheid van een eventuele vervolgpilot ten aanzien van het onderwerp AVR, voor zover het betreft de verslaglegging door opsporingsambtenaren (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 3, p. 20). Mocht een dergelijke nieuwe pilot worden gestart, dan zouden daar indien gewenst door een volgende wijziging van het Besluit innovatie strafvordering opnieuw regionale beperkingen aan kunnen worden verbonden, op grond van artikel 575 Sv.

B

Ook artikel 3 van het Besluit innovatie strafvordering vervalt. Dat artikel ziet op het onderwerp mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, dat is opgenomen in de Vijfde Afdeling van Titel X van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 3 bepaalt dat toepassing van de artikelen 571 tot en met 574 van het Wetboek van Strafvordering slechts plaatsvindt in een drietal arrondissementen. Het wordt wenselijk geacht de toepassing van mediation in strafzaken niet langer regionaal te beperken maar van deze bepalingen landelijk gebruik te kunnen maken. Hierdoor kan de toepassing van mediation in het strafrecht worden vergroot en kan bovendien tegemoet worden gekomen aan het in de consultatie van de Verlengingswet geuite bezwaar van rechtsongelijkheid (zie nader Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 3, p. 30–31).

Door de Verlengingswet wordt mediation tijdens het onderzoek op de terechtzitting ook in hoger beroep mogelijk gemaakt (zie onderdeel E van de Verlengingswet, dat daartoe het nieuwe artikel 574a Sv invoegt). Deze in de wet voorziene uitbreiding naar mediation in hoger beroep past bij het streven om de inzet van mediation in strafzaken te bevorderen (Kamerstukken II 2024/25, 36 784, nr. 3, p. 23–24). Ook voor de gerechtshoven is landelijke toepassing van de mediationbepalingen wenselijk, om dezelfde redenen als die gelden voor de rechtbanken, en dus is ook geen beperking tot een of meer ressorten aangebracht.

Artikel II

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het voorliggende besluit. Het ligt voor de hand om dit besluit op hetzelfde moment als de Verlengingswet in werking te laten treden. Dit was ook het geval bij de Innovatiewet Strafvordering en het Besluit innovatie strafvordering.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen

Naar boven