Besluit van 9 december 2024 tot wijziging van het Besluit elektronische publicaties in verband met verlenging van het overgangsrecht voor tijdelijke alternatieve maatregelen in relatie tot de Omgevingswet

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 2 oktober 2024, nr. 2024-0000777348;

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 19, eerste en tweede lid, van de Bekendmakingswet;

Gelet op artikel 16.139, eerste lid, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2024, nr. W04.24.00273/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 december 2024, nr. 2024-0000874867;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit elektronische publicaties wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.5, tweede lid, vervalt «daaromtrent».

B

Artikel 11.1 komt te luiden:

Artikel 11.1. Tijdelijke voorziening omgevingsbesluiten

  • 1. Van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 kan een bestuursorgaan in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden toepassing geven aan een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, geldt de uitzondering, bedoeld in het eerste lid, tot 1 januari 2026 voor besluiten op grond van de artikelen 2.4, 2.6, 2.33, 4.14 en 16.21 van de Omgevingswet, en voor besluiten genomen door gedeputeerde staten op grond van 5.44 van de Omgevingswet.

  • 3. Als voor het einde van de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, kan een bestuursorgaan bij de publicatie van het besluit in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden toepassing geven aan een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024.

  • 4. Totdat een besluit, gepubliceerd met toepassing van de uitzonderingen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, onherroepelijk is geworden, kan dit besluit worden gewijzigd met toepassing van een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024, in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden.

  • 5. Als een bestuursorgaan toepassing geeft aan het eerste, tweede, derde of vierde lid, zijn de artikelen 5.5a, 10.3c en 10.7a van het Omgevingsbesluit niet van toepassing.

  • 6. Op de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, zoals dat luidde onmiddellijk voor 1 januari 2024, blijft het recht van overeenkomstige toepassing zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2024, voor zover dat nodig is voor het beschikbaar stellen van de ontwerpbesluiten en besluiten met gebruik van een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

  • 7. Artikel 5.1, eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a. besluiten, gepubliceerd met toepassing van de uitzonderingen bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, en

    • b. algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht:

      • 1°. waarvan de grondslag is opgenomen in de Omgevingswet; en

      • 2°. die zijn gepubliceerd voor 1 januari 2024.

  • 8. Dit artikel vervalt met ingang van het tijdstip, bepaald in het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de Omgevingswet.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

’s-Gravenhage, 9 december 2024

Willem-Alexander

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer

Uitgegeven de negentiende december 2024

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is ook het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO) operationeel geworden. Het DSO ondersteunt de uitvoering van de wet en bestaat uit een landelijke voorziening (DSO-LV) en lokale systemen bij bevoegde gezagen.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding zijn in april 2021 in opvolging van het advies van het Bureau ICT-toetsing1, Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (hierna: TAM) bedacht en ontwikkeld.2 De TAM zijn bedoeld voor bevoegde gezagen die op het moment van inwerkingtreding nog niet over alle onderdelen van het DSO kunnen beschikken. Met de TAM beschikken deze bevoegde gezagen over een terugvaloptie om op die manier de (eigen) dienstverlening te kunnen continueren. De TAM vormen daarmee een vangnet en zijn dan ook slechts voor een beperkte tijd inzetbaar én nadrukkelijk niet ter vervanging van de hoofdroute onder de Omgevingswet (STOP/TPOD3).

Om de dienstverlening te garanderen op de kritieke onderdelen, zijn in totaal negen TAM bedacht en ontwikkeld. Zes daarvan zijn ontwikkeld op basis van de geldende standaarden onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening (hierna: de RO Standaarden).4 Met deze zes TAM kunnen bevoegde gezagen met toepassing van RO Standaarden (IMRO)5 en DROP6 werken met een aantal (kern)instrumenten uit de Omgevingswet7 en deze via een alternatieve route ontsluiten in het DSO-LV.

Het tijdelijk kunnen terugvallen op de RO Standaarden is voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geborgd in het Besluit elektronische publicaties. Daarbij is – in lijn met het uitgangspunt dat de TAM slechts een beperkte tijd inzetbaar zijn na inwerkingtreding – bepaald dat deze terugvaloptie een maximale duur van een jaar heeft. In die periode moeten alle betrokken bevoegde gezagen zijn overgegaan op het werken via de hoofdroute.8

In oktober 2023 zijn er met de bestuurlijke partners (Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW), Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Rijkspartijen) diverse interbestuurlijke afspraken gemaakt over de inzet van de TAM. Deze afspraken zijn vastgelegd in de zogenoemde exitstrategie Tijdelijke Alternatieve Maatregelen.9 Kern van deze afspraken is dat ten aanzien van de zes TAM:

  • Een halfjaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2024) wordt bekeken en besloten of een langere inzet van de TAM noodzakelijk is; en

  • Wanneer een ontwerpbesluit – voor zover van toepassing – ter inzage is gelegd voordat de termijn waarin het overgangsrecht (de TAM) toegepast kan worden is afgelopen, kan het besluit tot vaststelling ook gepubliceerd met behulp van de TAM.

In lijn met de afspraken uit oktober 2023 is met de bestuurlijke partners (VNG, UvW, IPO en Rijkspartijen) verder gesproken over het maken van nadere interbestuurlijke afspraken. Deze afspraken zijn begin juli 2024 bekrachtigd en vastgelegd in de zogenoemde geüpdatete exitstrategie Tijdelijke Alternatieve Maatregelen.

Tot slot is er voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook onafhankelijk onderzoek gedaan naar mogelijke juridische risico’s bij het werken met of het toepassen van de TAM, waarbij de focus lag op de TAM-Omgevingsplan. In dit onderzoek zijn diverse suggesties naar voren gebracht om bepaalde aspecten rondom de inzet van de TAM (verder) te verduidelijken. In dit besluit is een aantal van deze suggesties meegenomen.

2. Doelstelling

Onderhavig besluit is noodzakelijk om de gemaakte interbestuurlijke afspraken, van oktober 2023 en juli 2024, ten aanzien van het werken met de TAM, daar waar nodig juridisch te borgen. Ook worden via dit besluit een aantal suggesties uit het onderzoek naar de TAM overgenomen, zodat voor bestuursorganen – op onderdelen – meer duidelijkheid ontstaat over de toepassing van én het werken met de TAM.

Tot slot wordt met onderhavig besluit (deels) invulling gegeven aan een tweetal toezeggingen richting de Eerste Kamer.10 Beide toezeggingen gingen onder andere over het in samenspraak met de bestuurlijke partners bezien wanneer de TAM uitgefaseerd kunnen worden en om de inzet van de TAM – indien noodzakelijk – te verlengen.

3. Inhoud van het wijzigingsbesluit

Dit besluit wijzigt het Besluit elektronische publicaties. Het tijdelijk kunnen terugvallen op de RO Standaarden was al geborgd in het Besluit elektronische publicaties, door het overgangsrecht van artikel 11.1. Het overgangsrecht bevat een tijdelijke regeling voor besluiten op grond van de Omgevingswet en is bedoeld om het mogelijk te maken dat een bevoegd gezag dat nog niet over alle functionaliteiten van het DSO beschikt nog een beperkte tijd gebruik kan maken van de software die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) werd gebruikt overeenkomstig de zogenoemde RO Standaarden. Onderhavig besluit regelt een aantal belangrijke aanpassingen rondom het overgangsrecht en daarmee de inzet van de RO Standaarden en zodoende het gebruik van de TAM. Het viertal aspecten van het Besluit elektronische publicaties dat via onderhavig besluit wordt gewijzigd wordt hieronder nader toegelicht. Als laatst bevat onderhavig besluit ook een technische correctie van een ander onderdeel van het Besluit elektronische publicaties. Deze wordt in de artikelsgewijze toelichting onder artikel I, onderdeel A toegelicht.

3.1 Verlenging tot 1 januari 2026

Het oude artikel 11.1, derde lid, van het Besluit elektronische publicaties, faciliteerde het gebruik van de RO Standaarden en daarmee de TAM voor maximaal een jaar, vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet en maakte het daarnaast mogelijk dat deze periode van een jaar verkort kon worden via een koninklijk besluit. Vanuit de gesprekken die gevoerd zijn met en tussen de bestuurlijke partners is begin juli interbestuurlijk de afspraak gemaakt dat de periode waarin de TAM toegepast kunnen worden met een jaar verlengd moet worden. Om deze interbestuurlijke afspraak juridisch te borgen is de periode waarin kan worden teruggevallen op de RO Standaarden in het Besluit elektronische publicaties verlengd tot twee jaar, vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet, tot 1 januari 2026. Deze verlenging geldt slechts voor de besluiten waar een TAM voor is ontwikkeld, en wat betreft het projectbesluit alleen als dat wordt gedaan door gedeputeerde staten. De motivering voor deze aanscherping wordt hieronder (in paragraaf 3.2 Aanscherping overgangsrecht) nader toegelicht.

3.2 Aanscherping overgangsrecht

Het oude artikel 11.1, tweede lid, faciliteert het gebruik van de RO Standaarden in de breedste zin van het woord. Gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding kunnen bevoegde gezagen dan ook in alle gevallen terugvallen op het gebruik van de RO Standaarden. In de gesprekken die gevoerd zijn met en tussen de bestuurlijke partners is interbestuurlijk afgesproken het gebruik van het overgangsrecht per 1 januari 2025 te specificeren. Op deze manier kan het overgangsrecht in 2025 enkel nog worden toegepast door de bestuurslagen waarvoor de TAM nog daadwerkelijk noodzakelijk is en een terugvaloptie beschikbaar moet blijven.

Interbestuurlijk is afgesproken dat gemeenten voor wat betreft het omgevingsplan en het voorbereidingsbesluit in 2025 nog kunnen terugvallen op de RO Standaarden. Voor provincies geldt dat zij voor wat betreft de omgevingsverordening, het projectbesluit en de reactieve interventie en instructie in 2025 nog kunnen terugvallen op de RO Standaarden. Voor alle andere bestuurslagen of in andere gevallen geldt dat bij nieuwe procedures vanaf 1 januari 2025 de onder de Omgevingswet voorgeschreven standaarden (STOP/TPOD) toegepast moeten worden.

3.3 Afronden lopende procedures

Het Besluit elektronische publicaties wordt ook gewijzigd zodat besluitvorming, die is opgestart met behulp van de RO Standaarden en derhalve het gebruik van de TAM, ook – onder voorwaarden – afgemaakt kan worden met de RO Standaarden. Wanneer het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd vóór het moment dat de RO Standaarden niet meer mogen worden gebruikt, blijft dit overgangsrecht van toepassing op dat besluit totdat het onherroepelijk is.

Dit besluit en deze regeling zijn in lijn met het algemene overgangsrecht onder de Omgevingswet (artikel 4.6, tweede en derde lid, Invoeringswet Omgevingswet). Dit artikel stelt dat bijvoorbeeld bestemmingsplannen – op grond van de Wet ruimtelijke ordening – waarvan het ontwerp voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage was gelegd, na inwerkingtreding onder het oude recht afgemaakt kunnen worden.

3.4 Consolidatieverplichting

Artikel 5.1, eerste lid, van het Besluit elektronische publicaties bepaalt dat bevoegde gezagen – voor zover van toepassing – hun besluiten in geconsolideerde vorm beschikbaar moeten stellen. Deze verplichting is in het licht van het overgangsrecht van artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties relevant voor het omgevingsplan van gemeenten en de omgevingsverordening van provincies. Een plan, vastgesteld met de RO Standaarden, kan namelijk vanwege technische redenen niet worden geconsolideerd. Daarvoor moet het plan opnieuw worden vastgesteld volgens de STOP/TPOD standaard. Het oude artikel 11.1 zorgde ervoor dat de consolidatieplicht tot 1 januari 2025 niet gold voor omgevingsplannen en omgevingsverordeningen gemaakt met de RO Standaarden. Onderhavig besluit verlengt deze uitzondering op de consolidatieplicht tot het moment dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan moet zijn omgezet in het niet-tijdelijke deel, dus tot 1 januari 2032.11 Dat betekent dat vóór die datum plannen die zijn opgesteld met toepassing van het overgangsrecht, moeten zijn omgezet in STOP/TPOD-plannen. Bij deze eindtermijn is de verwachting dat veel besluiten al eerder omgezet zullen zijn. Er wordt onderzocht of wettelijk kan worden geborgd dat omzettingen van plannen, vastgesteld met de RO Standaarden, kunnen worden vastgesteld volgens de STOP/TPOD standaard zonder dat opnieuw zienswijzen kunnen worden ingediend of beroep tegen deze omzetting openstaat.

4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

Een gevolg van dit besluit is dat de bestuursorganen waarvoor dat nodig is bij het op- en vaststellen van bepaalde besluiten ook in 2025 kunnen terugvallen op de RO Standaarden. Dit borgt het beleidsdoel dat bevoegde gezagen ook in het tweede jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in staat blijven om (indien noodzakelijk) de belangrijkste uitvoeringsprocessen te kunnen blijven uitvoeren – met behulp van de RO Standaarden (IMRO) – totdat ze het DSO volledig kunnen gebruiken. Hiermee samenhangend wordt ook de mogelijkheid om terug te vallen op de RO Standaarden in 2025 door bestuursorganen waarvoor dit niet meer noodzakelijk is ingeperkt. Dit borgt het beleidsdoel om bevoegde gezagen zo snel mogelijk met elkaar in het hoofdspoor te laten werken.

Een ander gevolg houdt verband met het regelen dat het moment van publiceren van een ontwerpbesluit leidend wordt voor het verdere gebruik van de TAM. Wanneer een ontwerpbesluit met gebruik van de TAM is gepubliceerd, gedurende de looptijd van het overgangsrecht, dan kan de procedure ook met behulp van de TAM worden afgemaakt, totdat dit besluit onherroepelijk is. Hiermee ontstaat voor bevoegde gezagen duidelijkheid tot wanneer zij gebruik kunnen blijven maken van de TAM en daarmee de RO Standaarden. Deze duidelijkheid is noodzakelijk zodat bevoegde gezagen tijdig helderheid hebben over welke procedure en bijbehorende techniek zij (nog) kunnen toepassen in hun besluitvorming. Het laatste gevolg van het besluit is dat (meer) duidelijkheid wordt gecreëerd ten aanzien van de consolidatieplicht, wanneer bij besluiten op grond van de Omgevingswet gebruik is gemaakt van de RO Standaarden.

Het besluit heeft dus concreet tot gevolg dat bevoegde gezagen – indien noodzakelijk – langer en op een juridisch correct geborgde manier, gebruik kunnen blijven maken van de RO Standaarden en daarmee de TAM om zo hun belangrijkste uitvoeringsprocessen te blijven continueren. Daarmee biedt dit besluit (meer) duidelijkheid over de inzet van het overgangsrecht en de TAM, welke met name van belang is om te bepalen welke procedure en bijbehorende techniek wordt ingezet door het bevoegd gezag.

5. Financiële gevolgen

Het besluit om het gebruik van de TAM met een jaar te verlengen heeft financiële gevolgen en zorgt voor extra kosten. Deze extra kosten komen voornamelijk voort uit het feit dat bepaalde technische functionaliteiten een jaar langer in de lucht moeten blijven om het gebruik van de TAM ook in 2025 te ondersteunen. Het betreft hier met name functionaliteiten in Ruimtelijkeplannen.nl en het Informatiehuis Ruimte. Beide zijn noodzakelijk om het werken met de RO Standaarden en derhalve de TAM technisch te faciliteren. Over de manier waarop deze extra kosten in 2025 gedekt worden zijn met de bestuurlijke partners (aanvullende) interbestuurlijke afspraken gemaakt. Met het maken van deze afspraken is er vanuit het interbestuurlijke programma Aan de Slag dekking voor de financiële gevolgen die het verlengen van de TAM met zich meebrengt.

Het daadwerkelijk toepassen van de TAM heeft financiële gevolgen voor de bevoegde gezagen. Het gebruik van de TAM zorgt namelijk in veel gevallen voor extra werk. Dit extra werk komt voort uit de noodzaak om besluiten te zijner tijd om te zetten in het hoofdspoor (zie ook: 3.4 Consolidatieverplichting). Dit extra werk is gelijktijdig een argument om juist niet te lang door te gaan met de inzet en toepassing van de TAM, maar het is evident dat de TAM niet uitgefaseerd kan worden voordat bevoegde gezagen in staat zijn om via het hoofdspoor (STOP/TPOD) te werken in het DSO. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat via dit besluit enkel de (juridische) mogelijkheid wordt geboden om – indien noodzakelijk – ook in 2025 terug te kunnen vallen op de RO Standaarden (IMRO). Dit is uiteraard niet verplicht en de gezamenlijke inzet van de bestuurlijke partijen is er ook op gericht dat zo weinig mogelijk bevoegde gezagen hier ook daadwerkelijk gebruik van hoeven te maken.

Met de bestuurlijke partners is afgesproken dat de kosten die voortvloeien uit het daadwerkelijk gebruik van de TAM door bestuursorganen mee worden genomen in de financiële monitoring en evaluatie, behorende bij de implementatie van de Omgevingswet. Eind 2024 zal het onderzoek naar de transitiekosten beschikbaar komen en vervolgens zal na het eerste en vijfde volle jaar na inwerkingtreding (2025 en 2029) een financiële evaluatie plaatsvinden. Op basis van deze uitkomsten zullen partijen met elkaar in gesprek gaan.

6. Consultatie en advies

Een voorstel voor dit besluit is op 26 juli 2024 in internetconsultatie gegeven. De periode van internetconsultatie liep tot 23 augustus 2024. Gedurende deze periode is 1 anonieme reactie ontvangen. Deze reactie bestond deels uit (verduidelijkende) vragen en deels op de gevolgen voor bevoegd gezagen. Omdat de wijzigingen geen plicht opleggen om het overgangsrecht te gebruiken, maar enkel de mogelijkheid bieden wordt hier in het besluit geen aandacht aanbesteed. Over de gevolgen wordt via andere wegen gecommuniceerd richting bevoegd gezagen. De overige punten zijn meegenomen.

Voorts is het voorstel voor advies voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UVW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). De VNG heeft aangegeven in haar reactie aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgenomen wijziging van het besluit, maar wel een aantal punten aangegeven waarop nog verduidelijking kan worden aangebracht. De UvW heeft aangegeven geen inhoudelijke punten te hebben en het IPO heeft aangegeven niet met een reactie te komen.

Op basis van de binnengekomen reacties gedurende de internetconsultatie zijn – op hoofdlijnen – de onderstaande wijzigingen doorgevoerd.

Er is een extra lid toegevoegd (nieuw vijfde lid), waarin de artikelen 5.5a, 10.3c en 10.7a van het Omgevingsbesluit niet van toepassing worden verklaard. Deze artikelen verplichten om – indien afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een besluit – van het ontwerpbesluit een mededeling te doen in het publicatieblad, via een volledige publicatie. Het doen van een volledige publicatie is echter, wanneer wordt teruggevallen op de RO Standaarden technisch gezien complex. Ook is de Nota van Toelichting op dit onderdeel aangevuld en aangepast.

In het derde lid van de regeling en de daarbij behorende onderdelen van de toelichting (algemeen en artikelsgewijs) is verduidelijkt welk moment leidend is, om – indien noodzakelijk – bij de publicatie van het besluit vanaf 1 januari 2026 ook nog gebruik te kunnen maken van het overgangsrecht (TAM/RO Standaarden). In de regeling is verduidelijkt dat dit – indien van toepassing – het ter inzageleggen betreft. In de artikelsgewijze toelichting is verder uitgewerkt wat hiermee bedoeld wordt en wat bevoegd gezagen moeten doen om hieraan te voldoen.

In het zesde lid van de regeling en de daarbij behorende onderdelen van de toelichting (algemeen en artikelsgewijs) is verduidelijkt dat bij het toepassen van de RO standaarden enkel het oude recht van toepassing is op de onderdelen die noodzakelijk zijn voor het beschikbaar stellen van (ontwerp)besluiten. Hierdoor wordt (nog) explicieter aangegeven dat bijvoorbeeld niet aan de inhoudelijke vereisten in het oude recht, bijvoorbeeld de SVBP2012 bij omgevingsplannen voldaan hoeft te worden.

Daarnaast is in de algemene toelichting verder verduidelijkt voor welke besluiten het overgangsrecht van toepassing blijft (vanaf 1 januari 2025) tot 1 januari 2026. Tot slot zijn er in de Nota van Toelichting enkel grammaticale verbeteringen doorgevoerd en zijn enkele passages voor een betere leesbaarheid en begrijpelijkheid herschreven of aangevuld.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. Procedure

Op onderdelen wordt afgeweken van bepalingen in het Omgevingsbesluit die hun grondslag vinden in de Omgevingswet. Aangezien slechts wordt afgeweken van een op grond van de Omgevingswet genomen besluit en inhoudelijk geen nieuwe zaken worden geregeld op grond van de Omgevingswet, is de voorhangprocedure van artikel 23.5 van de Omgevingswet niet van toepassing. De voorgestelde wijzigingen zijn bovendien technisch van aard, van ondergeschikte betekenis en leiden niet tot grote nadelige voor de fysieke leefomgeving, waardoor ook op grond van artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet zou kunnen worden afgezien van een voordracht aan beide Kamers.

Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A (Artikel 3.5. Opneming)

Via deze wetstechnische wijziging wordt een doublure («daaromtrent» vs. «omtrent andere publicaties als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b») in het onderhavige artikel van het Besluit elektronische publicaties weggenomen.

Artikel I, onderdeel B (Artikel 11.1. Tijdelijke voorziening omgevingsbesluiten)

Het overgangsrecht van artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties wordt met dit wijzigingsonderdeel opnieuw vastgesteld. In paragraaf 3 van het algemeen deel wordt toegelicht wat daarbij de drijfveren zijn. Hieronder wordt per lid van artikel 11.1 aangegeven wat er wordt geregeld.

Het eerste lid bevat een uitzondering om het mogelijk te maken ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet bij publicatie gebruik te maken van de RO Standaarden. Dit zijn zoals gezegd de oudere technische standaarden waarmee bepaalde besluiten ook onder de Omgevingswet nog kunnen worden opgesteld en gepubliceerd. In de oude versie van het artikel bevond deze uitzondering zich in het tweede lid. Sommige elementen van het oude tweede lid zijn echter niet in het nieuwe eerste lid terecht gekomen, maar verplaatst naar andere leden van artikel 11.1.

Het eerste lid verwijst naar artikel 3.8 van het Besluit elektronische publicaties. Op grond van dat artikel worden de nieuwe standaarden onder de Omgevingswet (STOP/TPOD) verplicht gesteld voor de publicatie van bepaalde instrumenten van de Omgevingswet. In het eerste lid staat dat toepassing kan worden gegeven aan een technische standaard uit de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Hiermee wordt beoogd onder andere mogelijk te maken dat voor bepaalde besluiten nog van de IMRO-standaard gebruik kan worden gemaakt. In de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals die gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van de Wet ruimtelijke ordening, 1 januari 2024, werden juist de oude RO Standaarden aangewezen.

Het is niet beoogd dat omgevingsplannen die gebruik maken van de IMRO-standaard ook aan de inhoudelijke normen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) moeten voldoen. De SVBP2012 is leidend voor bestemmingsplannen onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening, maar artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties ziet juist op wijzigingen van het omgevingsplan en betreft dus besluiten op grond van de Omgevingswet. Aan de SVBP2012 dient slechts voldaan te worden voor zover dit technisch gezien nodig is om een TAM-IMRO plan te kunnen publiceren via de overbruggingsfunctie in het DSO-LV. Hierbij wordt ook verwezen naar de werkafspraken en bijbehorende technische handreikingen van Geonovum.12 Deze afspraken en handreikingen zijn onderdeel van de interbestuurlijk ontwikkelde en vastgestelde TAM.

In artikel 11.1 wordt steeds aangegeven dat bij publicatie toepassing kan worden gegeven aan de RO Standaarden. De nieuwe standaarden onder de Omgevingswet, geregeld in de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet, zijn namelijk juist standaarden die in acht moeten worden genomen bij de publicatie van het besluit. In artikel 3.8 van het Besluit elektronische publicaties komt dit uitgangspunt ook tot uitdrukking. Het woord publicatie slaat in het Besluit elektronische publicaties niet alleen op de publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van een besluit in een publicatieblad, maar ook op de terinzagelegging waarvan kennis wordt gegeven ingevolge artikel 12 van de Bekendmakingswet.

De RO standaarden zijn in tegenstelling tot de nieuwe standaarden onder de Omgevingswet niet gekoppeld aan het moment van publicatie. Ze zijn vormgegeven als standaarden voor de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling van verschillende ruimtelijke besluiten. Het zesde lid van artikel 11.1 maakt expliciet dat deze standaarden kunnen worden toegepast bij het gebruik van de TAM, aangezien het recht van vóór 1 januari 2024 daar van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de beschikbaarstelling van besluiten met gebruik van de RO standaarden.

Het tweede lid regelt dat de uitzondering van het eerste lid langer geldt voor bepaalde typen besluiten op basis van de Omgevingswet. Het gaat hier respectievelijk om het omgevingsplan, de omgevingsverordening, de instructie door gedeputeerde staten, het voorbereidingsbesluit omgevingsplan, de reactieve interventie en het projectbesluit. In het geval van het projectbesluit wordt bepaald dat alleen gedeputeerde staten van deze verlengde toepassingstermijn gebruik kunnen maken.

Het derde lid voorziet erin dat als een ontwerpbesluit van beleid- en planvorming voor het eind van de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, met toepassing van de RO Standaarden ter inzage is gelegd, de procedure ook kan worden afgemaakt met toepassing van de RO Standaarden. Voor het type besluiten genoemd in het tweede lid, geldt de termijn van het tweede lid en voor de overige besluiten geldt de termijn in het eerste lid.

Onder ter inzage leggen wordt verstaan het ontwerp van het besluit ter inzage leggen op grond van artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht. Daarbij geldt dat voorafgaand aan de ter inzagelegging het ontwerpbesluit voor kennisgeving moet zijn gepubliceerd in het door het bestuursorgaan uitgegeven publicatieblad (artikel 3:12 Algemene wet bestuursrecht). Ook wordt vóór ter inzagelegging het ontwerpbesluit op de landelijke voorziening beschikbaar gesteld. Het aangrijpen van de ter inzagelegging als ijkmoment sluit aan bij artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, waar het ter inzageleggen ook het ijkmoment is.

Ter illustratie: als een gemeente ervoor kiest om het omgevingsplan te wijzigen met behulp van in dit geval de specifieke TAM-omgevingsplan en daarmee terugvalt op de RO Standaarden, en het ontwerp van deze wijziging uiterlijk 31 december 2025 ter inzage heeft gelegd, kan de betreffende gemeente deze procedure na die datum (nog) afronden met de TAM-Omgevingsplan en dus ook de RO Standaarden.

Het vierde lid maakt mogelijk dat herstelbesluiten in het kader van de bestuurlijke lus door toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht die gebreken in het oorspronkelijke besluit corrigeren, of andere besluiten om het besluit te wijzigen voor het geheel onherroepelijk wordt ook met toepassing van de RO Standaarden kunnen worden gepubliceerd.

Het vijfde lid regelt dat de artikelen 5.5a, 10.3c en 10.7a van het Omgevingsbesluit niet van toepassing zijn. Deze artikelen zien op het mededelen van het ontwerp, in het geval afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een besluit. Artikel 12 van de Bekendmakingswet stelt dat een mededeling een volledige publicatie betreft in het door het bestuursorgaan uitgegeven publicatieblad. Onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening werd een ontwerpbesluit bekend gemaakt (ter kennis gegeven) en ook ter inzage gelegd. Onder de Omgevingswet zijn deze twee handelingen samengevoegd, en wordt het ontwerpbesluit volledig gepubliceerd (medegedeeld) in het publicatieblad. Omdat met de TAM wordt teruggevallen op de RO Standaarden kan in technische zin het ontwerpbesluit niet volledig in het publicatieblad worden geplaatst. De artikelen die verplichten tot een volledige publicatie worden daarom buiten toepassing verklaard. Bij het ontsluiten van ontwerpbesluiten waarbij toepassing wordt gegeven aan de uitzonderingen bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, en die vallen onder de artikelen die in lid vijf worden genoemd, wordt dan ook teruggevallen op de handelwijze van de voormalige Wet ruimtelijke ordening.

De publicatie van het definitieve besluit moet wel volledig in het publicatieblad plaatsvinden, hier kan geen uitzondering op worden gemaakt. Dat lijkt gezien het hiervoor vermelde proces van publicatie onder de RO standaarden onmogelijk. Hier is echter een technische oplossing voor gevonden, aangezien artikel 8.2 van de Regeling elektronische publicaties Externe link: www.ruimtelijkeplannen.nl aanwijst als website waarop delen van het publicatieblad kunnen worden uitgegeven. In juridische zin is een publicatie van een deel van het besluit op Externe link: www.ruimtelijkeplannen.nl daarom ook onderdeel van de publicatie van het besluit in het publicatieblad. Strikt genomen kan deze oplossing ook voor ontwerpbesluiten worden toegepast, maar dat zou kunnen zorgen voor verwarring over wanneer de zienswijzetermijn of de termijn, bedoeld in het derde lid van artikel 11.1, precies begint te lopen. Daarom is gekozen de uitzondering toe te passen die te vinden is in artikel 11.1, vijfde lid.

Het zesde lid regelt kortgezegd dat de landelijke voorziening Ruimtelijkeplannen.nl nog blijft functioneren volgens het oude recht tot dit overgangsrechtelijke artikel vervalt, dus tot 1 januari 2032. Het recht dat van toepassing is op deze landelijke voorziening blijft op grond van dit lid slechts van overeenkomstige toepassing voor zover dat nodig is voor het beschikbaar stellen van de ontwerpbesluiten en besluiten met gebruik van een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het recht blijft zoals genoemd van overeenkomstige toepassing. Zo wordt in plaats van bestemmingsplannen, omgevingsplannen gelezen, voor wat betreft het gebruik van de landelijke voorziening voor het beschikbaar stellen van omgevingsplannen. Het zinsdeel «voor zover dat nodig is» heeft met name als consequentie dat het mogelijk is de IMRO-standaard toe te passen bij een besluit maar niet de volledige SVBP2012-standaard.

Het zevende lid regelt twee dingen. Het regelt in de aanhef en onderdeel a dat besluiten, genomen met gebruik van de uitzonderingen in het eerste, tweede, derde of vierde lid van artikel 11.1 niet in geconsolideerde vorm hoeven te worden gepubliceerd voor dit overgangsrechtelijke artikel vervalt, dus voor 1 januari 2032. Artikel 5.1 van het Besluit elektronische publicaties bevat namelijk een verplichting om regelgeving in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen. Aan deze plicht kan in het geval van omgevingsplannen en omgevingsverordeningen die met behulp van de RO Standaarden worden gepubliceerd niet worden voldaan. Dit kan slechts als deze regelgeving opnieuw wordt gepubliceerd aan de hand van de krachtens artikel 3.8 aangewezen nieuwere technische standaarden. Vóór dit overgangsrechtelijke artikel vervalt zullen dus alle plannen die zijn gepubliceerd met gebruik van de RO Standaarden moeten zijn overgezet naar publicaties aan de hand van de nieuwe technische standaarden.

Het zevende lid, aanhef en onderdeel b regelt dat de uitzondering op de consolidatieplicht ook van toepassing blijft op besluiten die zijn genomen op grond van de uitzondering die voorheen in 11.1, eerste lid van het Besluit elektronische publicaties was vervat. Dat eerste lid bevatte de mogelijkheid om vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet besluiten te nemen die niet geconsolideerd konden worden. Hierbij kan worden gedacht aan omgevingsplannen gemaakt met de RO Standaarden. Deze uitzondering was alleen relevant vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. De besluiten die genomen zijn op grond van deze uitzondering kunnen echter nog bestaan en daarom is geregeld dat de uitzondering op de consolidatieplicht ook voor deze besluiten van kracht blijft.

Het achtste lid regelt dat het gehele artikel op de datum vervalt waarop het tijdelijke deel van het omgevingsplan moet zijn omgezet in het niet-tijdelijke deel. Deze datum is volgens het reeds genomen koninklijk besluit 1 januari 2032.13 Zoals hierboven is aangegeven, heeft dat tot gevolg dat het bepaalde in het zesde en zevende lid tot 1 januari 2032 geldt. Voor de andere leden heeft dit geen gevolgen, aangezien die op 1 januari 2032 in de praktijk al geen werking meer hebben.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Definitief BIT-advies voor het programma Digitaal Stelsel Omgevingswet, Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 98

X Noot
2

Kamerstukken I 2020/21, 33 118/34 986, CC en Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 188.

X Noot
3

STOP: Standaard officiële publicaties en TPOD: Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten.

X Noot
4

Er zijn drie TAM gericht op de dienstverlening (TAM Instellen Behandeldiensten, TAM Gerelateerde Verzoeken en TAM Instellen Conceptverzoek. Deze drie TAM vallen buiten de reikwijdte van dit besluit.

X Noot
5

Informatiemodel Ruimtelijke Ordening.

X Noot
6

Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties.

X Noot
7

Omgevingsplan, Omgevingsverordening, Voorbereidingsbesluit, Projectbesluit, Reactieve Interventie en Instructie.

X Noot
8

Stb. 2021, 175, Nota van Toelichting, blz. 27.

X Noot
9

Kamerstukken I 2023/24, 33 118/34 986, GA, Kamerstukken II 2023/24, 33 118, nr. 281.

X Noot
10

T03557 en T03746.

X Noot
11

Stb. 2023, 267.

X Noot
13

Stb. 2023, 267.

Naar boven