Besluit van 15 september 2023, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de technische eenmaking van enkele artikelen in enige algemene maatregelen van bestuur (Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 7 juli 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4764665;

Gelet op de artikelen 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie, 2, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet, 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 37, vijfde lid, 39 en 41, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand en 16 van de Uitvoeringswet grondkamers;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023, nr. W16.23.00178/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 12 september 2023, nr. 4858063;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit orde van dienst gerechten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

De dagen waarop de gewone zittingen worden gehouden en de tijdstippen waarop de zittingen aanvangen, worden door het bestuur van een gerecht vastgesteld bij reglement. Voor burgerlijke zaken die met een dagvaarding worden ingeleid, worden in dat reglement de dag en het uur van de rolbehandeling opgenomen.

B

De artikelen 13 en 14 komen te luiden:

Artikel 13

  • 1. Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor een deugdelijke administratie van de bij het gerecht aanhangige zaken, met dien verstande dat deze administratie tenminste voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de rol maakt deel uit van de administratie en inschrijving ter rolle gebeurt door inschrijving in de administratie;

    • b. zaken worden ingeschreven in de volgorde waarin zij worden aangebracht;

    • c. aan elke zaak wordt een afzonderlijk nummer toegekend;

    • d. bij elke zaak worden tenminste de namen van de partijen vermeld en, indien van toepassing, van de advocaten of gemachtigden; en

    • e. bij elke zaak wordt aantekening gehouden van het verloop van de procedure en van hetgeen verder dienstig wordt geacht.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, worden bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte zaken ingeschreven in het digitale systeem voor gegevensverwerking, bedoeld in artikel 2 van het Besluit elektronisch procederen, dat deel uit maakt van de administratie van de Hoge Raad.

  • 3. Een kamer kan, met instemming van het bestuur van het gerecht, bij haar aanhangige zaken verwijzen naar een andere kamer van gelijk getal.

Artikel 14

  • 1. Het bestuur van een rechtbank of gerechtshof geeft voor burgerlijke zaken die met een dagvaarding worden ingeleid in het bestuursreglement, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aan in welke zittingsplaats de rolbehandeling plaatsvindt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op zaken die door de kantonrechter worden behandeld.

C

Artikel 15 komt te luiden:

Artikel 15

  • 1. Het bestuur van een rechtbank of een gerechtshof draagt er zorg voor dat tijdig voor elke openbare zitting een overzicht van de te behandelen zaken beschikbaar is, onder vermelding van:

    • a. de zaken die ter zitting zullen worden behandeld; en

    • b. de namen van de behandelende rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde overzicht kan ook elektronisch beschikbaar worden gesteld.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan het bestuur ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geen of een beperkt overzicht ter beschikking stellen.

  • 4. Indien de zaken gereed zijn voor voordracht, gebeurt dit in de volgorde waarin zij op de rol voorkomen.

  • 5. Indien de behandelend rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dit noodzakelijk acht in verband met de spoedeisendheid van een zaak, kan deze zaak worden voorgedragen in afwijking van de volgorde op de rol.

D

Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 15a

  • 1. Het bestuur van de Hoge Raad draagt er zorg voor dat steeds een overzicht van de bij de Hoge Raad te behandelen zaken elektronisch beschikbaar is, onder vermelding van:

    • a. het zaaknummer; en

    • b. de stand waarin de procedure zich bevindt.

  • 2. Het bestuur van de Hoge Raad draagt er tevens zorg voor dat tijdig voor elke openbare zitting een overzicht van de te behandelen zaken beschikbaar is waarop de namen staan vermeld van de behandelende rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. Dit overzicht kan elektronisch beschikbaar worden gesteld.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bestuur ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geen of een beperkte vermelding van de te behandelen zaak ter beschikking stellen.

E

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

  • 1. Een vonnis, arrest of beschikking in burgerlijke zaken wordt uitgesproken door:

    • a. de voorzitter of een lid van de meervoudige kamer die dit vonnis of arrest heeft gewezen of de beschikking heeft gegeven;

    • b. het lid van de enkelvoudige kamer dat dit vonnis of arrest heeft gewezen of de beschikking heeft gegeven; of

    • c. een andere daartoe aangewezen rechter onderscheidenlijk raadsheer.

  • 2. Een vonnis, arrest of beschikking in strafzaken wordt zo mogelijk uitgesproken door de voorzitter of één der rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast die over de zaak hebben geoordeeld.

  • 3. Een uitspraak in bestuursrechtelijke zaken en in belastingzaken wordt zo mogelijk door de voorzitter of één der rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast die over de zaak hebben geoordeeld ter zitting meegedeeld.

  • 4. Wanneer een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of griffier buiten staat is een uitspraak of een proces-verbaal te ondertekenen wordt daarvan in het betreffende stuk melding gemaakt.

F

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18

Voor andere zaken dan strafzaken waarin recht op inzage van stukken bestaat, worden door het bestuur van een gerecht de tijden en de wijze waarop inzage kan plaatsvinden, vastgesteld bij reglement.

ARTIKEL II

Artikel 2 van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. Onverminderd de artikelen 5 tot en met 11 en 14, bedragen de kosten, bedoeld in de artikelen 240 en 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor het exploot van:

    • a. dagvaarding, oproeping, oproepingsbericht of aanzegging die het geding inleidt: € 106,73;

    • b. betekening van een titel: € 116,20;

    • c. betekening van een verzoekschrift of procesinleiding met oproeping om in rechte te verschijnen of van een aanzegging, anders dan bedoeld in dit artikel: € 84,85;

    • d. betekening, anders dan bedoeld in dit artikel: € 76,59;

    • e. beslag op roerende zaken, niet zijnde registergoederen, anders dan bedoeld in een van de volgende onderdelen, of van nadere aanduiding van de in beslag genomen roerende zaken: € 140,13;

    • f. beslag op roerende zaken, niet zijnde registergoederen, die zich bevinden op een zodanige plaats dat voor de toegang daartoe de medewerking van een derde nodig is: € 186,61;

    • g. beslag op rechten aan toonder of order, op effecten op naam of op overige rechten, anders dan bedoeld in dit artikel: € 274,84;

    • h. beslag op aandelen op naam in Nederlandse naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid: € 302,86;

    • i. beslag op aandelen aan toonder of van beslag onder derden, anders dan beslag op periodieke betalingen: € 221,57;

    • j. beslag onder derden op periodieke betalingen, anders dan beslag als bedoeld onder k: € 157,17;

    • k. beslag als bedoeld in artikel 479b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: € 135,75;

    • l. beslag onder de schuldeiser zelf, ongeacht het beslagobject: € 185,59;

    • m. executie tot afgifte van roerende zaken, niet zijnde registergoederen: € 321,55;

    • n. beslag tot verkrijging van afgifte of levering van roerende zaken, niet zijnde registergoederen: € 139,10;

    • o. beslag op onroerende zaken of op in Nederland te boek gestelde luchtvaartuigen: € 192,33;

    • p. opheffing van beslag op onroerende zaken of de verklaring, bedoeld in artikel 575, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: € 69,77;

    • q. beslag op schepen of niet in Nederland te boek gestelde luchtvaartuigen: € 421,81;

    • r. gerechtelijke inbewaringgeving: € 285,80;

    • s. het aanslaan van biljetten houdende aankondiging van openbare verkoop: € 104,37;

    • t. executoriale openbare verkoop van roerende zaken: € 365,10;

    • u. aanzegging van de overname van de executie van onroerende zaken: € 98,38;

    • v. gedwongen ontruiming van onroerende zaken: € 274,19;

    • w. tenuitvoerlegging van lijfsdwang: € 318,46;

    • x. een informatieverzoek als bedoeld in artikel 475aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen: € 89,36;

    • y. een bezichtiging als bedoeld in artikel 550 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: € 161,75.

  • 2. Het eerste lid, onderdelen d en i, is van overeenkomstige toepassing op de vergoeding voor de tenuitvoerlegging van een Europees bevel tot conservatoir beslag, bedoeld in artikel 11 van de Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen.

ARTIKEL III

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

  • 1. De rechtsbijstandverlener brengt aan de rechtzoekende de eigen bijdrage die deze overeenkomstig artikel 35 van de wet verschuldigd is, in rekening.

  • 2. De rechtsbijstandverlener mag voorts aan de rechtzoekende geen andere kosten in rekening brengen dan die ter zake van:

    • a. griffierechten;

    • b. getuigen en deskundigen;

    • c. uittreksels uit de openbare registers;

    • d. telegrammen, internationale telex, internationale telefax en internationale telefoongesprekken;

    • e. rolverrichtingen in zaken die door de kantonrechter van de rechtbank worden behandeld.

  • 3. De kosten, bedoeld in het tweede lid, worden steeds aan de rechtzoekende gespecificeerd.

B

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Als zitting wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt elk optreden van een instantie bij welke de procedure wordt gevoerd die dient ter behandeling van de zaak en waarbij de rechtsbijstandverlener aanwezig kan zijn, met uitzondering van rolzittingen.

  • 2. Indien de rechtsbijstandverlener meer dan één zitting heeft bijgewoond, wordt voor de tweede en elke daaropvolgende bijgewoonde zitting het aantal toe te kennen punten telkens met twee en een half verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing in zaken als bedoeld in de rijen A58, A59, A60, A61, A62, A65 en A66 van de bijlage.

ARTIKEL IV

Artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit pacht komt te luiden:

Artikel 32

  • 1. De voorzitter van de grondkamer en de voorzitter van de Centrale Grondkamer stellen vast welke zaken op de zitting zullen worden behandeld alsmede haar volgorde. Zij doen de oproepingen ter zitting ten minste vijf dagen tevoren uitgaan.

  • 2. De secretaris van de grondkamer en de griffier van de Centrale Grondkamer brengen de zaken op een rol.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023.

ARTIKEL VI

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 september 2023

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind

Uitgegeven de zevenentwintigste september 2023

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Aanleiding

Dit besluit bevat een technische vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht die volgt op de Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Stb. 2023, 41). Het zorgt ervoor dat ook van enkele artikelen in vier algemene maatregelen van bestuur, waarvan twee verschillende versies waren ontstaan, nu weer één versie bestaat die zowel geldt voor de civiele cassatieprocedure bij Hoge Raad als voor de civiele procedures bij alle andere gerechten. Dit besluit bevat geen inhoudelijke wijzigingen.

Net als voor bepaalde artikelen in verschillende wetten is in 2017 van enkele artikelen in vier algemene maatregelen van bestuur een terminologisch andere versie in werking getreden voor het verplicht elektronisch procederen op basis van een procesinleiding bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. Sinds het stopzetten van het verplicht elektronisch procederen bij deze twee rechtbanken per 1 oktober 2019 heeft deze terminologisch andere versie van de artikelen geen betekenis meer. Door de Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is deze andere versie van de artikelen in verschillende wetten komen te vervallen en is de enige juiste versie van deze artikelen opnieuw vastgesteld. Voor de artikelen in de vier algemene maatregelen van bestuur wordt de juiste versie bij deze algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

Achtergrond

In 2016 zijn enkele wetten en besluiten tot stand gekomen tot vereenvoudiging en digitalisering van het civiele procesrecht (Stb. 2016, 288–294, hierna: de wetgeving uit 2016). Deze wetgeving maakte digitaal procederen in civiele zaken verplicht. Het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2016, 293) in de wetgeving uit 2016 zag op de aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de nieuwe terminologie voor het digitaal procederen en, met de invoering van het nieuwe digitale systeem, op het vervallen van de rol als volgsysteem van de te behandelen zaken bij de gerechten.

In 2017 is gestart met de gefaseerde inwerkingtreding van de wetgeving uit 2016 voor civiele vorderingsprocedures bij de Hoge Raad (Stb. 2017, 16) en voor vorderingsprocedures met verplichte procesvertegenwoordiging bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland (Stb. 2017, 174) en in 2021 voor verzoekprocedures bij de Hoge Raad (Stb. 2021, 81).

De wetgeving uit 2016 is voor de Hoge Raad nog steeds van toepassing. Bij de Hoge Raad wordt op basis van deze wetgeving in vorderings- en in verzoekprocedures verplicht elektronisch geprocedeerd. Het verplicht elektronisch procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland is met ingang van 1 oktober 2019 stopgezet vanwege het besluit om de digitalisering bij de rechtspraak anders vorm te geven (de «reset» van de digitalisering). Bij de wet waarbij het verplicht elektronisch procederen is stopgezet1, is het procesrecht zoals dat op dat moment bij de andere rechtbanken gold, weer van toepassing verklaard op de vorderingsprocedures bij de twee genoemde rechtbanken. Hiermee was echter nog geen einde gebracht aan het bestaan van twee versies van bepaalde artikelen: één met de terminologie van de wetgeving uit 2016 waarbij verwijzingen naar de rol zijn vervallen en één met de terminologie van vóór die wetgeving. Deze situatie was onwenselijk. Voor de rechtspraktijk was het lastig om zich steeds de vraag te moeten stellen welke versie van de artikelen gebruikt moest worden. Bovendien leidde het tot ingewikkelde wijzigingen van wetten en besluiten, waarin steeds expliciet moest worden gemaakt welke versie werd gewijzigd.

Technische eenmaking

In navolging van de Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zorgt dit besluit ervoor dat de verschillende versies van enkele artikelen in vier algemene maatregelen van bestuur zijn teruggebracht tot één versie. Hiermee bestaat weer eenheid en duidelijkheid in de algemene maatregelen van bestuur die betrekking hebben op gerechtelijke civiele procedures. Daartoe is de tekst van de desbetreffende artikelen opnieuw vastgesteld in de terminologisch juiste versie, zonder gebruik van termen van de wetgeving uit 2016. Op die manier zijn de twee versies van de desbetreffende artikelen vervangen door één versie en is de versie van de artikelen die met de wetgeving uit 2016 tot stand is gekomen, automatisch vervallen. Die is «overgeschreven» door de in dit besluit vastgestelde versie. De wetgeving uit 2016 kan nu verder, ook voor zover zij niet in werking is getreden, terzijde worden geschoven. Voor enkele artikel(onderdelen) geldt dat de versie die alleen voor procedures bij de Hoge Raad geldt, als afzonderlijk artikel(onderdeel) is toegevoegd aan de versie zoals die luidt voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op het Besluit orde van dienst gerechten.

Adviezen

Het is kabinetsbesluit om in principe alle wetgeving in internetconsultatie te brengen, tenzij het bijvoorbeeld om puur technische wijzigingen gaat. Dan is internetconsultatie optioneel (zie Kamerstukken II, 2016/17, 29 515, nr. 397). Omdat dit besluit enkel wetstechnische wijzigingen bevat zonder inhoudelijke aanpassingen, is dit besluit niet in internetconsultatie gegeven. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft laten weten het dossier niet te selecteren voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.

Een voorontwerp van dit ontwerpbesluit is voorgelegd aan de Hoge Raad en vervolgens met enige aanpassingen aan een aantal organisaties uit de rechtspraktijk. Het ontwerpbesluit gaf de organisaties geen aanleiding tot opmerkingen. Daarnaast is het ontwerpbesluit besproken met de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht. Deze bespreking heeft geleid tot enkele tekstuele wijzigingen in enkele artikelen in het Besluit orde van dienst gerechten.

Artikelen

Artikel I (Besluit orde van dienst gerechten)

Artikel I stelt een aantal artikelen van het Besluit orde van dienst gerechten opnieuw vast overeenkomstig de versie zoals die luidt voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad. De artikelen 2 en 14 waren in de versie die geldt voor procedures bij de Hoge Raad met de wetgeving uit 2016 vervallen vanwege het vervallen van de rolzittingen in civiele vorderingsprocedures. Met het opnieuw vaststellen is duidelijk dat de versie mét artikel 2 en artikel 13 de enige versie van het Besluit orde van dienst gerechten is.

Ook het bestaan van twee versies van de artikelen 13, 15 en 16 had te maken met het vervallen van de rol als volgsysteem van de gerechten en het niet langer gebruiken van aan de rol verwante termen in procedures waarin gebruik werd gemaakt van het nieuwe digitale systeem. De tekst van die artikelen is opnieuw vastgesteld in de versie van vóór inwerkingtreding van de wetgeving uit 2016, die steeds is blijven gelden voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad.

Voor het verplicht elektronisch procederen bij de Hoge Raad is in artikel 13 een nieuw tweede lid ingevoegd dat verduidelijkt dat door het verplicht gebruik van het digitale systeem de rol geen onderdeel meer uitmaakt van de administratie bij de Hoge Raad. Aanhangig gemaakte zaken bij de Hoge Raad worden ingeschreven in het digitale systeem voor gegevensverwerking, bedoeld in artikel 2 van het Besluit elektronisch procederen. Verder is in artikel 13 de aanhef in combinatie met de opsomming in taalkundige zin verbeterd.

Voorts is na artikel 15 in de versie zoals die luidt voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad, een nieuw artikel 15a toegevoegd dat uitsluitend geldt voor civiele procedures bij de Hoge Raad. Dit artikel sluit beter aan op het verplicht elektronisch procederen in civiele procedures bij de Hoge Raad en is daarom als afzonderlijk artikel voor procedures bij de Hoge Raad behouden. Ter onderscheiding van de artikelen 15 en 15a is in het eerste lid van artikel 15 verduidelijkt dat dat artikel alleen geldt voor de rechtbanken en gerechtshoven.

In artikel 16, eerste lid, is onderdeel c, zoals dat luidde in de versie die is blijven gelden voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad, vervangen door onderdeel c in de versie die alleen gold voor de Hoge Raad. De Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht merkte op dat onder «een andere daartoe aangewezen rechter onderscheidenlijk raadsheer» ook de door de gerechten aangewezen rolrechter onderscheidenlijk rolraadsheer valt en dat de term «rolrechter» of «rolraadsheer» nergens anders in de wet of in besluiten voorkomt. Bovendien, zo merkte de Hoge Raad eerder op, biedt de formulering in onderdeel c de rechtbanken en gerechtshoven de gelegenheid om desgewenst een andere rechter dan de rolrechter onderscheidenlijk de rolraadsheer of een van de in de onderdelen a en b genoemde leden van een gerecht de beslissing te laten uitspreken.

Artikel 18 betreft tot slot een regeling voor het verlenen van inzage van stukken bij een gerecht en biedt ruimte voor zowel elektronische als niet-elektronische inzage. Het artikel is opnieuw vastgesteld in de versie van vóór inwerkingtreding van de wetgeving uit 2016, die steeds is blijven gelden voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad. Een afzonderlijke bepaling voor de Hoge Raad is voor deze bepaling niet nodig, omdat de formulering van «de wijze waarop inzage kan plaatsvinden» ruimte biedt voor zowel elektronische als niet-elektronische inzage. De wijze waarop (niet-elektronische) inzage kan plaatsvinden bij de Hoge Raad is overigens nader geregeld in art. 1.3.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad.

Artikel II (Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders)

In dit artikel wordt artikel 2 van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders integraal opnieuw vastgesteld. De onderdelen a en c in het eerste lid waren in de wetgeving uit 2016 in terminologische zin aangepast vanwege het vervangen van de dagvaarding en het verzoekschrift door de procesinleiding. Door het stopzetten van de wetgeving uit 2016 blijven procedures bij de rechtbanken en gerechtshoven ingeleid worden met een dagvaarding of een verzoekschrift. Alleen procedures bij de Hoge Raad worden in vorderingsprocedures ingeleid met een procesinleiding en een oproepingsbericht en in verzoekprocedures met een procesinleiding. Voor procedures bij de Hoge Raad is daarom in onderdeel a van het eerste lid aan de dagvaarding, oproeping en aanzegging die het geding inleidt «het oproepingsbericht» toegevoegd. Voor verzoekprocedures in cassatie is aan de betekening van een verzoekschrift in onderdeel c «de procesinleiding» toegevoegd voor die gevallen waarin de procesinleiding waarmee het beroep in cassatie wordt ingesteld, betekend moet worden door de deurwaarder.

Dit besluit brengt geen wijziging aan in de in artikel 2 genoemde tarieven of in de indexering hiervan krachtens artikel 14 van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.

Artikelen III en IV (Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en Uitvoeringsbesluit pacht)

De artikelen 4, tweede lid, onder e, en 7, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 zijn in de versie zoals die geldt voor de Hoge Raad met de wetgeving uit 2016 aangepast in verband met terminologische verwijzingen naar de rol en de rolzitting. In artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit pacht in de versie zoals die geldt voor de Hoge Raad is het tweede lid met de wetgeving uit 2016 in verband hiermee komen te vervallen. De desbetreffende artikelen zijn opnieuw vastgesteld in de versie van vóór inwerkingtreding van de wetgeving uit 2016, die steeds is blijven gelden voor alle gerechten met uitzondering van de Hoge Raad.

Artikel V

Dit artikel regelt dat het besluit op 1 oktober 2023 in werking treedt. Hiermee wordt een uitzondering gemaakt op de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn voor wetten en algemene maatregelen van bestuur. Deze uitzondering is gerechtvaardigd, omdat de wijzigingen in dit besluit vergelijkbaar zijn met reparatiewetgeving (aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Bovendien is het voor de rechtspraktijk wenselijk dat er zo snel mogelijk weer eenheid en duidelijkheid bestaat in de algemene maatregelen van bestuur over gerechtelijke civiele procedures.

Artikel VI

Dit artikel bevat de citeertitel van het ontwerp.

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind


X Noot
1

Wet van 3 juni 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Stb. 2019. 241).

Naar boven