Besluit van 23 juni 2023 tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 27 december 2021, nummer BS/2021025091;

Gelet op Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PbEU 2019, L 305); de artikelen 12quater, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ambtenaren defensie en artikel 12o, derde lid, van de Wet ambtenaren defensie jo artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de Ambtenarenwet 2017;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 10 februari 2022, No. W07.22.00001/II;

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 23 mei 2023, nr. BS2023004066;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen militair ambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van hoofdstuk 11c komt te luiden:

Hoofdstuk 11c Het melden van een vermoeden van een misstand

B

Artikel 153b komt te luiden:

Artikel 153b

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

betrokken derde:

betrokken derde als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

COID:

Centrale Organisatie Integriteit Defensie;

degene die een melder bijstaat:

degene die een melder bijstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

melder:

melder als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

melding:

melding als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

vermoeden van een misstand:

vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.

C

Artikel 153c vervalt.

D

In het opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk 11c wordt «misstand» vervangen door «vermoeden van een misstand».

E

Artikel 153d, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand.

F

Artikel 153e komt te luiden:

Artikel 153e

  • 1. Een melder doet een melding bij zijn direct leidinggevende, bij een hogere leidinggevende of bij het Meldpunt Integriteit Defensie. De melder kan ook rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

  • 2. Een melding over een andere organisatie dan het defensieonderdeel waar hij is tewerkgesteld, doet een melder bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

G

Artikel 153f komt te luiden:

Artikel 153f

Een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde kan een krachtens artikel 153d, eerste lid, aangewezen vertrouwenspersoon integriteit in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.

H

Artikel 153g vervalt.

I

In artikel 153h wordt «het hoofd defensieonderdeel, de Secretaris-Generaal en de COID» vervangen door «de Secretaris-Generaal door tussenkomst van de COID».

J

Artikel 153i vervalt.

K

In artikel 153j wordt «Het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «De Secretaris-Generaal» en wordt na «de ontvangst van de melding» ingevoegd «binnen zeven dagen».

L

Artikel 153k komt te luiden:

Artikel 153k

  • 1. De Secretaris-Generaal stelt onverwijld een onderzoek in naar de melding, tenzij:

    • a. de melding kennelijk ongegrond is;

    • b. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.

  • 2. De Secretaris-Generaal stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, doorlopend en in ieder geval binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 153j, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van informatie over de verdere behandeling van de melding en, in voorkomend geval, de mededeling van het achterwege laten van een onderzoek dan wel de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.

  • 4. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

  • 5. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.

M

Artikel 153l vervalt.

N

Artikel 153m wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Wet Huis voor klokkenluiders» vervangen door «Wet bescherming klokkenluiders».

2. In het tweede lid wordt «de commandant» vervangen door «de Secretaris-Generaal».

O

Artikel 153n wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «tegen een gestelde benadeling als gevolg van een melding» vervangen door «tegen een melding en gestelde benadeling».

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Wet Huis voor klokkenluiders» vervangen door «Wet bescherming klokkenluiders».

3. In het tweede lid, aanhef, wordt «als gevolg van een melding of van» vervangen door «in verband met een melding of».

4. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «het gevolg is van de melding of van» vervangen door «verband houdt met een melding of het gevolg is van».

5. In het derde lid wordt «het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «de Secretaris-Generaal».

P

In artikel 153p wordt telkenmale «Het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «De Secretaris-Generaal».

Q

In artikel 153q wordt «de commandant» vervangen door «het bevoegd gezag».

R

In het eerste lid van artikel 153r wordt «de commandant of het hoofd defensieonderdeel »vervangen door het bevoegd gezag».

S

Artikel 153s komt te luiden:

Artikel 153s

Op meldingen van militairen die zijn gedaan voor 17 december 2021 blijft hoofdstuk 11c van het Algemeen militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 23 juni 2023, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) van toepassing.

ARTIKEL II

Het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van hoofdstuk 7c komt te luiden:

Hoofdstuk 7c Het melden van een vermoeden van een misstand

B

Artikel 98a komt te luiden:

Artikel 98a

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

betrokken derde:

betrokken derde als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

COID:

Centrale Organisatie Integriteit Defensie;

degene die een melder bijstaat:

degene die een melder bijstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

melder:

melder als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

melding:

melding als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;

vermoeden van een misstand:

vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.

C

Artikel 98b vervalt.

D

In het opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk 7c wordt «misstand» vervangen door «vermoeden van een misstand».

E

Artikel 98c, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand.

F

Artikel 98d komt te luiden:

Artikel 98d

  • 1. Een melder doet een melding bij zijn direct leidinggevende, bij een hogere leidinggevende of bij het Meldpunt Integriteit Defensie. De melder kan ook rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

  • 2. Een melding over een andere organisatie dan het defensieonderdeel waar hij is tewerkgesteld, doet een melder bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

G

Artikel 98e komt te luiden:

Artikel 98e

Een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde kan een krachtens artikel 98c, eerste lid, aangewezen vertrouwenspersoon integriteit in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.

H

Artikel 98f vervalt.

I

In artikel 98g wordt «het hoofd defensieonderdeel, de Secretaris-Generaal en de COID» vervangen door «de Secretaris-Generaal door tussenkomst van de COID».

J

Artikel 98h vervalt.

K

In artikel 98i wordt «Het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «De Secretaris-Generaal» en wordt na «de ontvangst van de melding» ingevoegd «binnen zeven dagen».

L

Artikel 98j komt te luiden:

Artikel 98j

  • 1. De Secretaris-Generaal stelt onverwijld een onderzoek in naar de melding, tenzij:

    • a. de melding kennelijk ongegrond is;

    • b. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.

  • 2. De Secretaris-Generaal stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, doorlopend en in ieder geval binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 98i, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van informatie over de verdere behandeling van de melding en, in voorkomend geval, de mededeling van het achterwege laten van een onderzoek dan wel de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.

  • 4. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

  • 5. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.

M

Artikel 98k vervalt.

N

Artikel 98l wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Wet Huis voor klokkenluiders» vervangen door «Wet bescherming klokkenluiders».

2. In het tweede lid wordt «de commandant» vervangen door «de Secretaris-Generaal».

O

Artikel 98m wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «tegen een gestelde benadeling als gevolg van een melding» vervangen door «tegen een melding en gestelde benadeling».

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Wet Huis voor klokkenluiders» vervangen door «Wet bescherming klokkenluiders».

3. In het tweede lid, aanhef, wordt «als gevolg van een melding of van» vervangen door «in verband met een melding of».

4. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «het gevolg is van de melding of van» vervangen door «verband houdt met een melding of het gevolg is van».

5. In het derde lid wordt »het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «de Secretaris-Generaal».

P

In artikel 98o wordt telkenmale «het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «de Secretaris-Generaal».

Q

In artikel 98p wordt «de commandant» vervangen door «het bevoegd gezag».

R

In het eerste lid van artikel 98q wordt «de commandant of het hoofd defensieonderdeel» vervangen door «het bevoegd gezag».

S

Artikel 98r komt te luiden:

Artikel 98r

Op meldingen van ambtenaren die zijn gedaan voor 17 december 2021 blijft hoofdstuk 7c van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 23 juni 2023, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) van toepassing.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de datum waarop de Wet van 25 januari 2023 tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen (Stb. 2023, 29) gedeeltelijk in werking is getreden.1

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 23 juni 2023

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Defensie, C.A. van der Maat

Uitgegeven de twaalfde juli 2023

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

NOTA VAN TOELICHTING

A. Algemeen deel

Richtlijn

Dit besluit strekt tot implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (verder: de richtlijn). De richtlijn is op 7 december 2019 in werking getreden en dient op 17 december 2021 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd. Voor de volledige transponeringstabel van de richtlijn wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders.2 Deze nota van toelichting bevat als bijlage een verkorte versie daarvan met de artikelen uit de richtlijn die hebben geleid tot aanpassingen in het Algemeen militair ambtenaren reglement (AMAR) en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD).

De richtlijn beoogt een minimumbeschermingsniveau te bieden aan personen die door hun werk in aanraking komen met inbreuken op in de richtlijn genoemde Europese wetgeving en die inbreuken melden. Aanleiding voor de richtlijn is dat personen die voor een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie werken in het kader van hun werkzaamheden voor die organisatie als eerste op de hoogte zijn van gedragingen of activiteiten van die organisatie die inbreuk maken op het Unierecht en daarmee het algemeen belang kunnen schaden of bedreigen. Door deze inbreuken te melden dragen zij bij aan het onthullen of voorkomen van dergelijke inbreuken, waardoor zij bijdragen aan het maatschappelijk welzijn. De richtlijn introduceert de verplichting van een interne meldprocedure voor meldingen over inbreuken op het Unierecht en geeft enkele aanvullende eisen voor de inrichting van de interne meldprocedure. Tot slot strekken de maatregelen in de richtlijn verder dan het huidige recht. Onder de richtlijn geldt een hoger beschermingsniveau voor een bredere kring van personen.

Wet bescherming klokkenluiders (voorheen: Wet Huis voor klokkenluiders) en Wet ambtenaren defensie

Sinds 1 juli 2016 werden voorzieningen getroffen voor klokkenluiders in de Wet Huis voor klokkenluiders (verder: de Wet Huis). De Wet Huis voorzag in een verplichte interne meldingsprocedure voor werkgevers bij wie in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn en schreef voor welke onderwerpen daarin in ieder geval moeten worden geregeld. Met die wet is ook het Huis voor klokkenluiders ingesteld. Het Huis voor klokkenluiders adviseert klokkenluiders bij het doen van een melding en informeert hen over hun rechtsbescherming. Daarnaast doet het Huis voor klokkenluiders onderzoek naar misstanden voor zover andere instanties daar niet toe bevoegd zijn en voert het bejegeningsonderzoeken naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand uit.

Artikel 2 van de Wet Huis verplichtte Defensie een interne procedure voor het melden van vermoedens van misstanden te hebben. Ter invulling hiervan regelen de artikelen 12quater, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ambtenaren defensie en artikel 12o, derde lid, van de Wet ambtenaren defensie jo artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de Ambtenarenwet 2017 dat Defensie moet zorgdragen voor een procedure voor het omgaan met meldingen van vermoedens van misstanden binnen de organisatie. De uitwerkingen van deze bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 11c van het AMAR en hoofdstuk 7c van het BARD. Verder was ter bescherming van de klokkenluiders een benadelingsverbod opgenomen in de artikelen 12quater, tweede lid en 120, vijfde lid van de Wet ambtenaren defensie.

Ter implementatie van de richtlijn is met de Wet van 25 januari 2023 de Wet Huis gewijzigd waarbij de citeertitel van deze wet is gewijzigd in Wet bescherming klokkenluiders.3 Die wet is bij Koninklijke Boodschap op 10 februari 2023 gedeeltelijk in werking getreden4 De wijzigingen zien met name op het vergroten van het materieel toepassingsgebied, zodat ook klokkenluiders die inbreuken op het Unierecht melden op grond van deze wet worden beschermd en de kring der beschermde personen uitgebreid. Tevens is een integrale definitie van misstand opgenomen, zodat door de gehele wet heen alleen wordt gesproken van misstand. Hiermee wordt duidelijk dat er geen enkel onderscheid is of kan worden gemaakt bij een melding van een misstand of een inbreuk op het Unierecht en de bescherming die daarbij aan de melder wordt geboden. Dit geldt ook voor interne meldprocedures. Ook is het benadelingsverbod in deze wet opgenomen, wat ertoe heeft geleid dat het benadelingsverbod in de Wet ambtenaren defensie is komen te vervallen. In die nieuwe bepaling is verduidelijkt wat onder benadeling kan worden verstaan en wordt de bepaling waarin het verbod op benadeling wordt geregeld opgesplitst in meerdere artikelen, zodat duidelijker is onder welke voorwaarden openbaarmaking van misstanden mogelijk is en beschermd wordt. Tevens worden de beschermingsmaatregelen ook op degenen die een melder bijstaan, betrokken derden en interne onderzoekers van misstanden van toepassing.

Algemeen militair ambtenarenreglement en Burgerlijk ambtenarenreglement defensie

Uit het bovenstaande vloeit voort dat ook de onderliggende interne procedures bij Defensie moeten worden aangepast. Met onderhavig besluit worden daarom het AMAR ten aanzien van het militair personeel en het BARD ten aanzien van het burgerpersoneel gewijzigd.

B. Artikelsgewijs deel

Artikelen I en II

De wijzigingen in het AMAR (artikel I) en in het BARD (artikel II) zijn inhoudelijk hetzelfde. Om die reden worden de wijzigingen hieronder tezamen nader toegelicht.

Onderdelen A en D

De interne meldprocedure voor Defensie is opgenomen in hoofdstuk 11c van het AMAR ten aanzien van militair personeel en in hoofdstuk 7c van het BARD ten aanzien van het burgerpersoneel. De opschriften van deze hoofdstukken en de daarin opgenomen paragrafen zijn aangepast en in lijn gebracht met de nieuwe definities uit de Wet bescherming klokkenluiders.

Onderdeel B

In de artikelen 153b AMAR en 98a BARD, waarin de begripsbepalingen voor hoofdstuk 11c van het AMAR en hoofdstuk 7c van het BARD zijn opgenomen, zijn definities opgenomen in verband met de introductie of wijziging van deze begrippen in of vanwege de richtlijn. Teneinde geen ruimte te laten wat onder de nieuwe dan wel uitgebreide definitiebepalingen moet worden verstaan zijn alle definities van deze begrippen direct ontleend aan artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.

Onderdeel C

In de artikelen 153c AMAR en 98b BARD was het benadelingsverbod geregeld bij het melden van een vermoeden van een misstand voor de vertrouwenspersoon. Dat betreft het verbod om in het kader van een melding van een vermoeden van een misstand ten aanzien van de vertrouwenspersoon, beslissingen te nemen of handelingen te verrichten met nadelige gevolgen voor hun rechtspositie.

In artikel 17ec van de Wet bescherming klokkenluiders is bepaald dat het benadelingsverbod ook van toepassing is op vertrouwenspersonen. Om die reden zijn de artikelen 153c AMAR en 98b BARD vervallen.5

Onderdelen E en G

Artikel 153d, tweede lid en artikel 153f AMAR en artikel 98c, tweede lid en artikel 98e BARD zijn om twee redenen aangepast. In de eerste plaats verplicht de richtlijn tot het bieden van ondersteuningsmaatregelen aan (potentiële) melders van inbreuken op het Unierecht, zoals de toegang tot volledig onafhankelijke informatie en kosteloze en gemakkelijk toegankelijke adviezen. Daarom is de taak van de vertrouwenspersoon integriteit uitgebreid naar advisering over het omgaan met informatie over inbreuken op het Unierecht. Ten tweede moet deze voorziening niet alleen toegankelijk zijn voor alle (potentiële) melders maar ook betrokken derden en personen die een (potentiële) melder bijstaan. De taak van de vertrouwenspersoon integriteit beperkt zich hierdoor niet tot (potentiële) melders. Informatie en adviezen door de vertrouwenspersoon integriteit kunnen ook gegeven worden aan degene die een (potentiële) melder bijstaat – bijvoorbeeld een vakbondsvertegenwoordiger – en een betrokken derde.

Onderdelen E, F, I, K, L, N, O, P, Q en R

In de desbetreffende artikelen is de benaming van het bevoegd gezag in lijn gebracht met de huidige uitvoeringspraktijk.

Onderdeel F

In de artikelen 153e AMAR en 98d BARD zijn de begrippen «militair» en «ambtenaar» gewijzigd in «melder», omdat conform de richtlijn de reikwijdte van de personen die een melding kunnen doen is verbreed.

Ook is in de richtlijn bepaald dat, hoewel melden via de interne meldingskanalen als uitgangspunt geldt en aangemoedigd zal worden, een interne melding voorafgaand aan een externe melding bij een bevoegde autoriteit niet is verplicht. De melder kan rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie. In verband hiermee is het redelijkheidsvereiste in de artikelen 153e AMAR en 98d BARD geschrapt op grond waarvan een melder eerst een vermoeden van een misstand diende te melden aan een leidinggevende of bij het Meldpunt Integriteit Defensie, tenzij dat van degene niet in redelijkheid gevraagd kon worden.

Onderdelen H en J

In artikel 1a van de Wet bescherming klokkenluiders is de geheimhoudingsplicht opgenomen die geldt voor interne meldingen van een vermoeden van een misstand. Deze bepaling geldt ook voor interne meldingen van misstanden bij Defensie. In verband hiermee zijn de artikelen 153g en 153i AMAR en de artikelen 98f en 98h BARD geschrapt.

Onderdeel K

Een nieuwe eis in de richtlijn voor de interne meldprocedures is dat de melder binnen zeven dagen een ontvangstbevestiging van zijn melding dient te krijgen. Hiertoe zijn de artikelen 153j AMAR en 98i BARD aangepast.

Onderdeel L

In de artikelen 153k AMAR en 98j BARD is de reikwijdte van de opvolging van de melding uitgebreid naar schendingen van het Unierecht. Daarnaast schrijft de richtlijn voor dat de melder doorlopend en in ieder geval binnen een termijn van maximaal drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging van de melding, dient te worden geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek, de ondernomen of te nemen acties naar aanleiding van de melding (bijvoorbeeld doorverwijzing naar een andere autoriteit, beëindiging van de procedure wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken), alsmede over de gronden voor de keuze van die opvolging en eventuele verdere feedback betreffende de procedure die mag worden verwacht. De vastlegging van deze nieuwe kennisgevingstermijn is in artikel 153k, tweede lid, AMAR en artikel 98j, tweede lid, BARD ingevoegd. Het onderzoek hoeft niet te zijn afgerond binnen die termijn. Ook hoeven er binnen die termijn geen maatregelen te zijn genomen. De melder dient vanaf het eerste moment van kennisgeving binnen ten minste drie maanden tot aan het moment dat vaststaat welke beoordeling of opvolging wordt gegeven aan de melding schriftelijk en gemotiveerd te worden geïnformeerd.

Onderdeel M

De opvolging van de melding met de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden, is een onderdeel van de kennisgeving over de voortgang van het onderzoek en de ondernomen of te nemen acties naar aanleiding van de melding. Daarom is dit in artikel 153k, tweede lid, AMAR en in artikel 98j, tweede lid, BARD opgenomen. De overige leden van artikel 153l AMAR en artikel 98k BARD vallen vervolgens samen met de procedure in artikel 153k AMAR en artikel 98j BARD en zijn in die bepaling opgenomen. Daarom vervallen de artikelen 153l AMAR en 98k BARD.

Onderdeel N

In artikel 153m, eerste lid, AMAR en in artikel 98l, eerste lid, BARD is de citeertitel van de Wet Huis voor klokkenluiders gewijzigd naar Wet bescherming klokkenluiders.

Onderdeel O

De richtlijn versterkt de rechtsbescherming ten opzichte van het huidige benadelingsverbod. In artikel 17eb van de Wet bescherming klokkenluiders is vastgelegd dat bij benadeling van een melder tijdens en na de behandeling van een melding, wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding. Door deze verschuiving van de bewijslast kan worden volstaan met het aantonen dat een melding is gedaan en dat er sprake is van benadeling. Hierdoor hoeft ook voor de aanspraak op financiële bijstand in het kader van gerechtelijke procedures niet meer te worden aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen de melding en de benadeling. Daarnaast is de citeertitel van de Wet Huis voor klokkenluiders gewijzigd naar Wet bescherming klokkenluiders. Hiertoe zijn het eerste en tweede lid van de artikelen 153n AMAR en 98m BARD aangepast.

Onderdeel S

In de artikelen 153s AMAR en 98r BARD wordt het overgangsrecht bepaald voor de meldingen van een vermoeden van een misstand die zijn gedaan voor de datum waarop de richtlijn had moeten zijn geïmplementeerd, zijnde 17 december 2021. Op deze wijze voorzien deze artikelen in overgangsrecht ten aanzien van meldingen van voor de inwerkingtreding van de richtlijn, zodat die meldingen onder het oude beschermingsrecht vallen.

Artikel III

Met dit artikel wordt voor de inwerkingtreding van dit besluit aangesloten bij de inwerkingtreding van de Wet van 25 januari 2023 tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen (Stb. 2023, 29). In terugwerkende kracht wordt voorzien, omdat de Wijzigingswet eerder in werking is getreden dan dit besluit.

De Staatssecretaris van Defensie, C.A. van der Maat

Bijlage: Transponeringstabel

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling:

Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

AMAR

BARD

   

Artikel 2

Materieel toepassingsgebied

Lid 1: definitie inbreuk op het Unierecht.

Zie: artikel I, onderdeel B (artikel 153b AMAR).

Lid 1: definitie inbreuk op het Unierecht.

Zie: artikel II, onderdeel B (artikel 98a BARD).

Lid 2: mogelijkheid om de bescherming van melders uit te breiden naar andere dan in artikel 2 opgesomde gebieden of handelingen.

In het geval van interne meldprocedures worden dezelfde eisen opgelegd voor meldingen van een vermoeden van een misstand als voor meldingen van informatie over inbreuken op het Unierecht, zie paragraaf 3.4.2 van de memorie van toelichting bij de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders1.

Artikel 4

Persoonlijk toepassingsgebied

Leden 1, 2 en 3: Zie artikel I, onderdelen B en F, artikelen 153b en 153e AMAR (definitie melder).

Lid 4: Zie artikel 17ec Wet bescherming klokkenluiders en artikel I, onderdelen C, E, G, O en S, artikelen 153c (vervallen), 153d, 153f en 153n AMAR; artikel I, onderdeel B, artikel 153b AMAR (definities betrokken derde en degene die een melder bijstaat).

Leden 1, 2 en 3: Zie artikel II, onderdelen B en F, artikelen 98a en 98d BARD (definitie melder).

Lid 4: Zie artikel 17ec Wet bescherming klokkenluiders en artikel II, onderdelen C, E, G, O en S, artikelen 98b (vervallen), 98c, 98e en 98m BARD; artikel II, onderdeel B, artikel 98a BARD (definities betrokken derde en degene die een melder bijstaat).

   

Artikel 5

Definities

Zie artikel I, onderdeel B, artikel 153b AMAR.

Zie artikel II, onderdeel B, artikel 98a BARD.

   

Artikel 7

Melding via interne kanalen

Lid 1: Zie artikel I, onderdeel F, artikel 153e AMAR.

Lid 2: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 3: Zie artikelen 153b tot en met 153s AMAR.

Lid 1: Zie artikel II, onderdeel F, artikel 98d BARD.

Lid 2: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 3: Zie artikelen 98a tot en met 98r BARD.

   

Artikel 8

Verplichting tot het opzetten van interne meldkanalen

Leden 1 en 3: Zie artikelen 153b tot en met 153s AMAR en artikel 2, eerste lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 4: Zie artikel 2, derde lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Leden 6 en 9 (3e alinea): Zie artikel 2, vierde lid, onderdeel a, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 8: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Leden 1 en 3: Zie artikelen 98a tot en met 98r BARD en artikel 2, eerste lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 4: Zie artikel 2, derde lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Leden 6 en 9, 3e alinea: Zie artikel 2, vierde lid, onderdeel a, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 8: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Mogelijkheid om:

– ook anderen dan in de artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c en d, en artikel 4, tweede lid, bedoelde personen de mogelijkheid te bieden om intern te melden (lid 2);

– meldkanalen intern te laten beheren door een daartoe aangewezen persoon of afdeling, of extern ter beschikking te stellen door derden (lid 5);

– na een risico-beoordeling kunnen privaatrechtelijke juridische entiteiten met < 50 werknemers worden verplicht tot het instellen van een intern meldkanaal (lid 7);

– overheidsinstanties met < 50 werknemers uit te sluiten van verplichting tot het instellen van een intern meldkanaal (lid 9, 2e alinea);

– meldkanalen tussen gemeenten te delen of gezamenlijk te beheren (lid 9, 3e alinea).

Van de mogelijkheden om:

– ook anderen dan in de in artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c en d, en artikel 4, tweede lid, bedoelde personen de mogelijkheid te bieden om intern te melden (lid 2);

– na een risico-beoordeling privaatrechtelijke juridische entiteiten met < 50 werknemers te verplichten tot het instellen van een intern meldkanaal (lid 7); wordt geen gebruik gemaakt.

Van de mogelijkheden om:

– meldkanalen intern te laten beheren door een daartoe aangewezen persoon of afdeling, of extern ter beschikking te stellen door derden (lid 5);

– overheidsinstanties met < 50 werknemers uit te sluiten van de verplichting tot het instellen van een intern meldkanaal (lid 9, 2e alinea); en

– meldkanalen tussen gemeenten te delen (lid 9, 3e alinea)2; wordt wel gebruik gemaakt:

– zie toelichting op artikel 2 Wet bescherming klokkenluiders voor machtiging van beheer aan anderen, en

– artikel 2, vierde lid, onderdeel b, Wet bescherming klokkenluiders.

Zie onderdeel C van de artikelsgewijze toelichting in de memorie van toelichting bij de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders. 3

Artikel 9

Procedures voor interne melding

Lid 1, onderdeel a: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie artikel 5, eerste lid, onderdeel f, AVG.

Lid 1, onderdeel b: Zie artikel I, onderdeel K, artikel 153j AMAR en artikel 2, tweede lid, onderdeel e, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel c: Zie artikel I, onderdeel F, artikel 153e AMAR en artikel 2, tweede lid, onderdeel c, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel d: Zie artikelen 153h en 153j tot en met 153m AMAR en artikel 2, tweede lid, onderdeel c, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel e: behoeft naar zijn aard geen implementatie4.

Lid 1, onderdeel f: Zie artikel I, onderdeel L, artikel 153k, tweede lid (nieuw), AMAR en artikel 2, tweede lid, onderdeel h, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel g: Zie artikel I, onderdeel L, artikel 153k, vijfde lid (nieuw), AMAR en artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel a: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie artikel 5, eerste lid, onderdeel f, AVG.

Lid 1, onderdeel b: Zie artikel II, onderdeel K, artikel 98i BARD en artikel 2, tweede lid, onderdeel e, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel c: Zie artikel II, onderdeel F, artikel 98d BARD en artikel 2, tweede lid, onderdeel c, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel d: Zie artikelen 98g en 98i tot en met 98l BARD en artikel 2, tweede lid, onderdeel c, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel e: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 1, onderdeel f: Zie artikel II, onderdeel L, artikel 98j, tweede lid (nieuw), BARD en artikel 2, tweede lid, onderdeel h, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel g: Zie artikel II, onderdeel L, artikel 98j, vijfde lid (nieuw), BARD en artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, Wet bescherming klokkenluiders.

   

Artikel 20

Ondersteuningsmaatregelen

Lid 1, onderdeel a: Zie artikel I, onderdelen E en G, artikelen 153d en 153f AMAR.

Lid 1, onderdeel b: Zie artikel 17g Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel c: Zie artikel 12, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand.

Lid 2: Zie artikelen 153n tot en met 153r AMAR.

Lid 1, onderdeel a: Zie artikel II, onderdelen E en G, artikelen 98c en 98e BARD.

Lid 1, onderdeel b: Zie artikel 17g Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1, onderdeel c: Zie artikel 12, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand.

Lid 2: Zie artikelen 98m tot en met 98q BARD.

Lid 3: mogelijkheid voor financiële bijstand en ondersteuningsmaatregelen in het kader van gerechtelijke procedures.

In artikelen 153n tot en met 153r AMAR en 98m tot en met 98q BARD is reeds voorzien in de mogelijkheid voor financiële bijstand in het kader van gerechtelijke procedures. Deze voorziening wordt gehandhaafd.

Artikel 21

Maatregelen tegen benadeling/ vrijwaring

Lid 1: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 2: Zie artikel 17f, eerste lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 3: Zie artikel 17f, tweede lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 4: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 5: Zie artikel I, onderdeel O, artikel 153n, eerste en tweede lid, AMAR en artikel 17e, tweede lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 6: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie transponeringstabel in de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 7: Zie artikel 17f Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 8: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie transponeringstabel in de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 2: Zie artikel 17f, eerste lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 3: Zie artikel 17f, tweede lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 4: behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Lid 5: Zie artikel II, onderdeel O, artikel 98m, eerste en tweede lid, BARD en artikel 17e, tweede lid, Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 6: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie transponeringstabel in de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 7: Zie artikel 17f Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 8: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie transponeringstabel in de implementatiewet van de Wet bescherming klokkenluiders.

   

Artikel 22

Maatregelen ter bescherming van betrokkenen

Lid 1: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie artikel 17 Grondwet, Wetboek van strafvordering

Leden 2 en 3: Zie artikel 1a Wet bescherming klokkenluiders.

Lid 1: Reeds geïmplementeerd in bestaand recht, zie artikel 17 Grondwet, Wetboek van strafvordering.

Leden 2 en 3: Zie artikel 1a Wet bescherming klokkenluiders.

   

Artikel 26

Omzetting en overgangsperiode

Artikel 153s AMAR

Artikel 98r BARD

   
X Noot
1

Kamerstukken II 2020/21, 35 851, nr. 3

X Noot
2

Meldkanalen kunnen eveneens worden gedeeld tussen gemeenten en openbare lichamen die op grond van een gemeenschappelijke regeling door gemeenten zijn ingesteld.

X Noot
3

Kamerstukken II 2020/21, 35 851, nr. 3

X Noot
4

Het nationale recht voorziet niet in de mogelijkheid van anonieme meldingen.


X Noot
2

Kamerstukken II 2020/21, 35 851, nr. 3

X Noot
5

Het benadelingsverbod ten aanzien van de melder was voor defensiepersoneel geregeld in de artikelen 12quater, tweede lid, en 12o, vijfde lid, van de Wet ambtenaren defensie. Gelet op het feit dat het benadelingsverbod in artikel 17e Wet bescherming klokkenluiders ook ziet op de melder, is bij de Wet van 25 januari 2023 (Stb. 2023, 29) bepaald dat de artikelen 12quater, tweede lid, en 12o, vijfde lid, van de Wet ambtenaren defensie komen te vervallen.

Naar boven