Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2021, 176Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 1 april 2021 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet elektronische publicaties en het Besluit elektronische publicaties

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 maart 2021, nr. 2021-0000122325;

Gelet op artikel 13.2 van de Wet elektronische publicaties en artikel 11.2 van het Besluit elektronische publicaties;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Met ingang van 1 juli 2021 treden in werking:

  • a. de Wet elektronische publicaties, met uitzondering van de artikelen 4.4, 4.8, 4.22 en 13.1;

  • b. het Besluit elektronische publicaties, met uitzondering van de artikelen 9.12 en 11.1, tweede lid.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 1 april 2021

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

Uitgegeven de negende april 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

De Wet elektronische publicaties (hierna: wet) en het Besluit elektronische publicaties (hierna: besluit), die tot doel hebben de toegankelijkheid van (voorgenomen) overheidsbesluiten te vergroten, bepalen dat de artikelen van de wet onderscheidenlijk het besluit in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld (artikel 13.2 van de wet respectievelijk artikel 11.2 van het besluit).

Met dit koninklijke besluit wordt, in overeenstemming met het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten, voorzien in de inwerkingtreding van het leeuwendeel van de wet en het besluit per 1 juli 2021. De artikelen 4.4 (wijziging Invoeringswet Omgevingswet), 4.8 (wijziging Omgevingswet) en 4.22 (wijziging Wet kwaliteitsborging voor het bouwen) van de wet en de artikelen 9.12 (wijziging Omgevingsbesluit) en 11.1, tweede lid (tijdelijke regeling voor besluiten op grond van de Omgevingswet) van het besluit zijn van inwerkintreding uitgezonderd; in inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet en de wijziging van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen wordt later separaat voorzien.1

Artikel 13.1 van de wet is eveneens van inwerkingtreding uitgezonderd. De achtergrond daarvan is als volgt. Artikel 23 van de Bekendmakingswet bepaalt dat – in afwijking van artikel 13, eerste lid, van de Bekendmakingswet – een bestuursorgaan de elektronische terinzagelegging achterwege kan laten, voor zover de terinzagelegging voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 13 van de Bekendmakingswet niet elektronisch plaatsvond. Met de opschorting van de verplichting om stukken elektronisch ter inzage te leggen voor de gevallen waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 13 van de Bekendmakingswet nog niet elektronisch ter inzage werd gelegd, is tegemoetgekomen aan de wens van de decentrale overheden om de elektronische terinzagelegging zorgvuldig voor te kunnen bereiden. Wanneer die voorbereiding is voltooid, komt met de inwerkingtreding van artikel 13.1 van de wet («Artikel 23 van de Bekendmakingswet vervalt.») artikel 23 van de Bekendmakingswet te vervallen en geldt artikel 13 van de Bekendmakingswet daarmee dus onverkort.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Zie voor de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (artikel 4.22 van de wet) de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 29 juni 2020 (Kamerstukken I 2019/20, 35 218, nr. G): artikel 4.22 van de wet zal in werking treden wanneer de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking treedt; beoogd wordt die wet gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te laten treden.