Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2020, 190AMvB

Besluit van 10 juni 2020, houdende regels over de onderzoeken die kunnen worden ingezet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter vaststelling van het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden (Besluit rijden onder invloed BES)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2803524;

Gelet op artikel 5a, derde lid, van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 maart 2020, nr. W16.20.0013/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 4 juni 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2921250;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. blaastest:

een blaastest als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de wet;

b. bloedonderzoek:

een onderzoek van bloed als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de wet;

c. eilandsverordening:

de verordening van Bonaire, Sint Eustatius of Saba op grond waarvan het een persoon niet is toegestaan een motorrijtuig te besturen of onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen boven de voor alcohol vastgestelde grenswaarde;

d. opsporingsambtenaar:

een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES;

e. wet:

de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES.

§ 2. Blaastest

Artikel 2

  • 1. Een blaastest bestaat uit:

    • a. een voorlopig ademonderzoek met een ademtester; en

    • b. een nader ademonderzoek met een ademanalyseapparaat.

  • 2. Een blaastest wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

Artikel 3

  • 1. Het voorlopig ademonderzoek geschiedt door het laten blazen van ademlucht in een bij ministeriële regeling aangewezen ademtester.

  • 2. Indien het voorlopig ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan het onderzoek eenmaal opnieuw worden verricht.

  • 3. Indien het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal en wordt een nader ademonderzoek uitgevoerd.

  • 4. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het voorlopig ademonderzoek direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

Artikel 4

  • 1. Het nader ademonderzoek geschiedt door het zo nodig viermaal laten blazen van ademlucht in een bij ministeriële regeling aangewezen ademanalyseapparaat. Het blazen kan worden beëindigd zodra het twee meetresultaten heeft opgeleverd.

  • 2. Het nader ademonderzoek wordt niet eerder verricht dan twintig minuten nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig ademonderzoek of, indien die vordering niet is gedaan, binnen twintig minuten na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte.

  • 3. Het alcoholgehalte van de meetresultaten wordt vastgesteld op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze.

  • 4. Indien het nader ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan het onderzoek eenmaal opnieuw worden verricht.

Artikel 5

  • 1. Indien het nader ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in de adem hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het nader ademonderzoek direct mede aan de verdachte. In het geval, bedoeld in het eerste lid, wijst de opsporingsambtenaar de verdachte op het recht op tegenonderzoek.

  • 3. Het tegenonderzoek geschiedt door middel van een bloedonderzoek. De artikelen 6, eerste en tweede lid, 7 tot en met 10 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. de verdachte direct aan de opsporingsambtenaar kenbaar dient te maken of hij gebruik maakt van het recht op tegenonderzoek, en het bloed van de verdachte direct daarna wordt afgenomen;

    • b. de bloedafname voor rekening van de verdachte geschiedt en niet wordt gedaan dan nadat daarvoor een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag is betaald; en

    • c. er kan worden volstaan met het afnemen van één buisje bloed.

§ 3. Bloedonderzoek

Artikel 6

  • 1. Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed af van de verdachte. Indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, geschiedt afname door middel van een infuus. De arts of verpleegkundige mag ook één buisje bloed afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is twee buisjes bloed af te nemen. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje dient te bevatten, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 2. De bloedafname geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.

  • 3. De arts of verpleegkundige ontvangt voor de bloedafname een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt. De hoogte van de vergoeding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 7

  • 1. Bij de bloedafname is een opsporingsambtenaar aanwezig die:

    • a. een proces-verbaal opmaakt, voorzien van een sporenidentificatienummer en de naam, het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland en het paspoort- of sedulanummer van de verdachte, of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van de verdachte kan worden vastgesteld;

    • b. een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte als bijlage bij het proces-verbaal voegt;

    • c. ervoor zorgt dat ieder buisje met bloed is voorzien van een sporenidentificatienummer; en

    • d. ervoor zorgt dat de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij een laboratorium als bedoeld in artikel 8, tweede lid, in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking en voorzien van een fraudebestendige afsluiting.

  • 2. De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft indien het verslag van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 10, tweede lid, het vermoeden bevestigt dat de eilandsverordening is overtreden, tenzij de bloedafname geschiedt in het kader van een tegenonderzoek.

Artikel 8

  • 1. De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht. De onderzoeker is verbonden aan een laboratorium.

  • 2. Als laboratorium komt alleen in aanmerking:

    • a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of van criteria die daarmee vergelijkbaar zijn, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse; of

    • b. een laboratorium dat in het buitenland is gevestigd en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse.

  • 3. Indien de accreditatie van een laboratorium is ingetrokken, geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dat laboratorium geen bloedonderzoek meer worden verricht.

Artikel 9

Het laboratorium legt in een bestand de volgende gegevens vast:

  • a. de datum van ontvangst van de buisjes;

  • b. de sporenidentificatienummers, bedoeld in artikel 7, onder a en c;

  • c. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het paspoort- of sedulanummer van de verdachte; en

  • d. de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 10

  • 1. Het bloedonderzoek wordt verricht binnen vier weken na ontvangst van de buisjes met bloed. De methode van onderzoek voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 2. De onderzoeker stelt een in de Nederlandse taal gesteld schriftelijk verslag op van het resultaat van het bloedonderzoek en ondertekent dat verslag.

  • 3. In afwijking van het tweede lid mag het verslag in de Engelse taal zijn gesteld indien de onderzoeker verbonden is aan een laboratorium als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b.

  • 4. Het verslag bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het paspoort- of sedulanummer van de verdachte;

    • b. het sporenidentificatienummer van het buisje met bloed met behulp waarvan het bloedonderzoek is verricht;

    • c. de methode van onderzoek, en

    • d. het resultaat van het bloedonderzoek.

  • 5. De onderzoeker stuurt het verslag zo spoedig mogelijk aan de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 11

  • 1. De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek.

  • 2. Indien het verslag het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte van het bloed hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, wijst de opsporingsambtenaar de verdachte op het recht op tegenonderzoek, onder vermelding van het sporenidentificatienummer, tenzij de bloedafname heeft plaatsgevonden in het kader van een tegenonderzoek.

Artikel 12

  • 1. In geval van een tegenonderzoek stelt het laboratorium dat het bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan het laboratorium dat het tegenonderzoek verricht.

  • 2. De artikelen 7, onder d, en 8 tot en met 10 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Tegenonderzoek geschiedt in opdracht van en voor rekening van de verdachte en wordt niet verricht dan nadat de verdachte het daarvoor verschuldigde bedrag heeft betaald aan het laboratorium dat het tegenonderzoek verricht. In dat bedrag zijn begrepen de verzendkosten van het voor het tegenonderzoek bestemde buisje met bloed door het laboratorium dat het bloedonderzoek heeft verricht. De hoogte van de verzendkosten wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Het bedrag voor de verzendkosten verrekent het laboratorium, bedoeld in de eerste volzin, met het laboratorium, bedoeld in de tweede volzin.

  • 4. De verdachte vermeldt bij de opdracht zijn naam, geslacht, geboortedatum en zijn paspoort- of sedulanummer, alsmede het sporenidentificatienummer dat is vermeld op de kennisgeving, bedoeld in artikel 11.

  • 5. Indien de verdachte de kosten van het tegenonderzoek niet binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in artikel 11, heeft betaald, vervalt het recht op het tegenonderzoek.

  • 6. De verdachte ontvangt de kosten van het tegenonderzoek uit ’s Rijks kas terug indien het resultaat van het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat het alcoholgehalte in zijn bloed hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan.

Artikel 13

  • 1. Het laboratorium dat het bloedonderzoek of het tegenonderzoek heeft verricht, vernietigt het bloed dat na dat onderzoek resteert een half jaar na de datum van dagtekening van het verslag.

  • 2. Indien het resultaat van het bloedonderzoek of het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, vernietigt het laboratorium het afschrift van het verslag en de daarbij behorende gegevens een half jaar na de datum van dagtekening van het verslag.

  • 3. Indien het resultaat van het bloedonderzoek of het tegenonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, vernietigt het laboratorium het afschrift van het verslag en de daarbij behorende gegevens vijf jaar na de datum van dagtekening van het verslag.

  • 4. Het laboratorium houdt aantekening van iedere vernietiging.

Artikel 14

Indien een laboratorium, niet zijnde het laboratorium van het Nederlands Forensisch Instituut, voornemens is zijn werkzaamheden op het terrein van bloedonderzoek te beëindigen, zorgt dat laboratorium ervoor dat het bloed en de afschriften van de verslagen die bij dat laboratorium worden bewaard, alsmede de daarbij behorende gegevens, worden overgedragen aan het bij ministeriële regeling aangewezen laboratorium. Het vorengaande vindt geen toepassing als het laboratorium fuseert met een ander laboratorium als bedoeld in artikel 8, tweede lid. In dat geval worden het bloed, de afschriften van de verslagen en de daarbij behorende gegevens bewaard in dat andere laboratorium.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rijden onder invloed BES.

Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 juni 2020

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de drieëntwintigste juni 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Dit besluit geeft uitwerking aan artikel 5a van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES. Op grond van dat artikel kan een bestuurder van een motorrijtuig het bevel worden gegeven mee te werken aan een blaastest of speekseltest of een onderzoek van bloed of urine bij verdenking van deelname aan het verkeer in strijd met de bij eilandsverordening vastgestelde bepalingen omtrent het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen. Dit besluit voorziet in uitvoeringsregels voor een deel van de genoemde onderzoeken, te weten de blaastest en het onderzoek van bloed. Deze onderzoeken zijn van belang om te kunnen vaststellen of de bestuurder meer alcohol heeft gebruikt dan is toegestaan op grond van een eilandsverordening van Bonaire, Sint Eustatius of Saba (BES-eilanden).

Voor Bonaire is thans een verbod op het gebruik van alcohol in het verkeer opgenomen in artikel 28 van de Wegenverkeersverordening Bonaire. Volgens dat artikel ligt de grenswaarde waarboven het gebruik van alcohol verboden is, bij een ademalcoholgehalte dat hoger is dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of een bloedalcoholgehalte dat hoger is dan 0,5 promille. Op Sint Eustatius en Saba is vooralsnog geen eilandsverordening tot stand gekomen waarin een alcoholverbod in het verkeer is opgenomen, maar de bedoeling is wel dat een dergelijke verordening binnen afzienbare tijd wordt vastgesteld.

Bij de vormgeving van dit besluit heeft het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Stb. 2016, 529) model gestaan. Het gaat om de onderdelen uit dat besluit die betrekking hebben op de blaastest en het onderzoek van bloed. De uitvoeringsregels die nodig zijn om te kunnen bepalen of een bestuurder onder invloed is van andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen, zoals drugs, zullen op een later moment aan dit besluit worden toegevoegd. Die aanvulling is eerst aan de orde als de BES-eilanden voorzien in een verbod op dergelijke stoffen. Voorts moet artikel 5a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES worden aangevuld met de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar en de (hulp)officier van justitie om een bestuurder aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties te kunnen onderwerpen, en met de verplichting voor de bestuurder om aan dat onderzoek mee te werken. Het creëren van een wettelijke grondslag voor dat onderzoek is noodzakelijk, omdat met behulp van een speekseltest slechts het gebruik van een deel van de andere rijgevaarlijke stoffen kan worden gemeten. De speekseltest kan bijvoorbeeld niet het gebruik van de drug GHB detecteren en ook niet van geneesmiddelen, met uitzondering van enkele benzodiazepines. De bestuurder bij wie niet met behulp van de speekseltester het gebruik van drugs kan worden aangetoond, maar bij wie op basis van rijgedrag of uiterlijke kenmerken wel aanleiding bestaat om te veronderstellen dat hij onder invloed is van een rijgevaarlijke stof, moet kunnen worden verplicht een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties te ondergaan om de verdenking van het gebruik van die stof te verkrijgen. Dat geldt ook indien bij een verkeerscontrole geen speekseltesters meer voorradig zijn. De opsporingsambtenaar dient in die situaties niet afhankelijk te zijn van de vrijwillige medewerking van de bestuurder.

Hoewel artikel 5a van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES voorziet in de mogelijkheid van een onderzoek van urine, is ervan afgezien om hierover nadere regels te stellen. De redenen hiervoor zijn dezelfde als bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (zie Stb. 2016, 529, p. 28). Een urineonderzoek is weliswaar geschikt om te bepalen of het drugsgebruik van de verdachte hoger is dan een bij eilandsverordening vast te stellen grenswaarde, maar met een dergelijk onderzoek kan niet worden vastgesteld welke gevolgen dit heeft op de rijvaardigheid. Dat is bewijsrechtelijk wel van belang, omdat bijvoorbeeld voor strafbaarheid op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wegenverkeersverordening Bonaire de relatie tussen het drugsgebruik van de verdachte en de negatieve gevolgen daarvan voor de rijvaardigheid dienen te worden aangetoond. Deze relatie kan slechts worden gelegd als bekend is wat het gehalte is in het bloed van de verdachte. Ook voor het vaststellen van het alcoholgehalte is een urineonderzoek op zichzelf wel een goed middel, maar de toepassing van een dergelijk onderzoek is in de praktijk niet aan de orde omdat er geen medische gronden zijn op grond waarvan bij de verdachte geen bloed kan worden afgenomen. Dat uitvoering van urineonderzoek niet mogelijk is bij personen van wie wordt vermoed dat zij onder invloed van rijgevaarlijke stoffen verkeren, zal dan ook geen problemen opleveren met de bewijslast van het gebruik van die stoffen.

2. Grondwettelijke en mensenrechtelijke aspecten

De toepassing van een blaastest of een bloedonderzoek vormt een beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, zoals dat is neergelegd in artikel 11 van de Grondwet en besloten ligt in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast vormt het bloedonderzoek een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. Deze beperkingen vloeien voort uit artikel 5a van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES en zijn reeds besproken bij de totstandkoming van dat wetsartikel. Omdat dit besluit slechts voorziet in een juiste toepassing van de genoemde onderzoeksbevoegdheden, wordt er in deze nota van toelichting niet afzonderlijk ingegaan op de grondwettelijke en mensenrechtelijke aspecten.

3. Adviezen bij dit besluit

Over het concept van dit besluit is advies gevraagd aan de gezaghebbers van de BES-eilanden, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, het parket BES van het openbaar ministerie (OM), het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) en de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES). Ook heeft internetconsultatie plaatsgevonden. Er zijn reacties ontvangen van het OM, de Raad voor Accreditatie en de CBP BES. Het OM heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het besluit en onderschrijft de totstandkoming daarvan. De Raad voor Accreditatie maakt een meer technische opmerking over de wijze waarop accreditatie wordt voorgeschreven. Hierop wordt ingegaan in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.

De CBP BES maakt allereerst een opmerking over de uniforme toepassing van dit besluit. Aangegeven wordt dat Bonaire reeds beschikt over een eilandsverordening waarin een alcoholverbod met grenswaarden is opgenomen, terwijl Sint Eustatius en Saba (vooralsnog) geen alcoholverbod kennen. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid wordt gevraagd waarop de toepassing van de onderzoeksbevoegdheden in Sint Eustatius en Saba kan worden gebaseerd bij afwezigheid van een duidelijk alcoholverbod.

Benadrukt wordt dat de onderzoeksbevoegdheden van artikel 5a van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES pas kunnen worden toegepast wanneer een openbaar lichaam daadwerkelijk beschikt over een in een eilandsverordening vastgelegd alcoholverbod. De openbare lichamen kunnen hierin hun eigen beleid bepalen. De wettelijke systematiek is dus zo dat zolang Sint Eustatius en Saba niet beschikken over een alcoholverbod, op die eilanden geen toepassing kan worden gegeven aan de wettelijke onderzoeksbevoegdheden, en daarmee evenmin aan de uitvoeringsregels die in dit besluit zijn neergelegd.

De CBP BES besteedt voorts aandacht aan het bloedonderzoek. Gesteld wordt dat het bloedonderzoek thans te open en onzeker is geformuleerd. In dat verband wordt gevraagd naar de precieze invulling van het bloedonderzoek, in het bijzonder wanneer dit plaatsvindt in de vorm van een tegenonderzoek, en de noodzaak om een bloedonderzoek te laten uitvoeren.

Voor het antwoord op het laatste deel van die vraag wordt verwezen naar hetgeen hierover is gezegd bij de introductie van de wettelijke onderzoeksbevoegdheden in de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES (zie Kamerstukken II 2009/10, 32 428, nr. 3, p. 30–32). De wijze waarop een bloedonderzoek plaatsvindt wordt verderop in deze nota van toelichting uiteengezet. De daar beschreven procedure is ook van toepassing wanneer de verdachte zich beroept op zijn recht op tegenonderzoek. De stelling van de CBP BES dat het bloedonderzoek te open en onzeker is geformuleerd, wordt niet gedeeld. De wettelijke bevoegdheid tot het verrichten van een bloedonderzoek wordt met dit besluit juist nader ingevuld en voorzien van de nodige procedurevoorschriften en rechtswaarborgen. Die uitvoeringsregels zijn inhoudelijk gelijk aan de thans geldende uitvoeringsregels in Europees Nederland.

Tot slot vraagt de CBP BES aandacht voor de uitwisseling van gegevens tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland, gelet op het verschil in gegevensbeschermingsniveau. Uitwisseling van gegevens kan zich bijvoorbeeld voordoen bij het versturen van onderzoeksmateriaal van en naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Voor Europees Nederland zijn waarborgen opgenomen in de Algemene verordening gegevensbescherming en de Wet politiegegevens. Daarmee is sprake van een passend beschermingsniveau bij de verstrekking van persoonsgegevens van Caribisch Nederland naar Europees Nederland. Op Caribisch Nederland gelden de Wet bescherming persoonsgegevens BES en (een deel van) de Wet politiegegevens. Deze wetten bevatten de nodige waarborgen voor de verwerking van persoonsgegevens op de BES-eilanden. De werkprocessen van het KPCN en het OM zijn zo ingericht dat ze voldoen aan de eisen voor uitwisseling van gegevens met Europees Nederland. Aldus kan ook bij de verstrekking van persoonsgegevens van Europees Nederland naar Caribisch Nederland worden uitgegaan van een passend gegevensbeschermingsniveau. Voorts wordt gewezen op de aanvullende waarborg in artikel 13 van dit besluit, waarin vernietigingstermijnen zijn opgenomen voor het onderzoeksmateriaal en de verslaglegging door de laboratoria.

4. Financiële en administratieve consequenties

Dit besluit brengt beperkte financiële en administratieve consequenties met zich. Op basis van de oude wegenverkeersverordening(en) vonden immers reeds controles plaats op het gebruik van alcohol in het verkeer, maar dan onder de meer algemene noemer van het tegengaan van gevaarlijk rijgedrag. Gemiddeld genomen voert het KPCN eens per maand een alcoholcontrole uit op de eilanden. Met dit besluit worden de mogelijkheden voor alcoholcontrole aangepast aan de maatstaven van de huidige tijd. Hieraan zijn beperkt extra kosten verbonden die voornamelijk voortvloeien uit de aanschaf van apparatuur voor de ademanalyse, de (marginale) aanpassingen binnen het politiegebouw en de kosten voor het doen uitvoeren van de bloedonderzoeken. De opleiding van het personeel is reeds meegenomen in het reguliere opleidingsplan. Vooralsnog zullen de alcoholcontroles conform de nieuwe maatstaven alleen op Bonaire worden uitgevoerd. Op Sint Eustatius en Saba zijn de wegenverkeersverordeningen immers nog niet aangepast. Het KPCN heeft de inschatting gemaakt dat per maandelijkse controle twee bloedonderzoeken (van ongeveer USD 300,– per stuk) nodig zullen zijn. Deze en de andere genoemde kosten kunnen worden opgevangen binnen de huidige begroting van het KPCN. Zodra Sint Eustatius en Saba hun verordeningen hebben aangepast, wordt een lichte stijging van het aantal bloedonderzoeken verwacht. Deze zal – gelet op het substantieel lager aantal inwoners van die eilanden – lager zijn dan de thans verwachte aantallen op Bonaire. Ook deze kosten kunnen op termijn binnen de begroting van het KPCN worden opgevangen.

Artikelsgewijs deel

Artikelen 2 tot en met 5 (blaastest)

Deze artikelen bevatten de regels en waarborgen die in acht moeten worden genomen bij de uitvoering van een blaastest. De blaastest bestaat uit twee onderdelen, te weten een voorlopig ademonderzoek met een ademtester en – zo nodig – een nader ademonderzoek met een ademanalyseapparaat. De blaastest wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

Artikel 3

Het voorlopig ademonderzoek geschiedt door de betrokken bestuurder ademlucht te laten blazen in een daarvoor bestemde ademtester (eerste lid). Dit onderzoek dient ter vaststelling van mogelijk strafbaar alcoholgebruik en vervult de functie van voorselectiemiddel. Met behulp van dit onderzoek kan aannemelijk worden gemaakt of betrokkene onder invloed is van alcohol. Aanleiding voor het verrichten van het onderzoek kan zijn gelegen in de constatering dat betrokkene vreemd rijgedrag vertoont of naar alcohol ruikt.

Indien het resultaat van het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem hoger is dan de bij eilandsverordening vastgestelde grenswaarde, dient de opsporingsambtenaar dit resultaat in het proces-verbaal op te nemen (derde lid). In dat proces-verbaal kan ook melding worden gedaan van andere aanwijzingen die duiden op strafbaar gebruik van alcohol. Die aanwijzingen kunnen dienen ter ondersteuning van het bewijs van overtreding van het alcoholverbod.

Het resultaat van het voorlopig ademonderzoek wordt direct met betrokkene gedeeld (vierde lid). Op die manier is betrokkene snel op de hoogte als er een vermoeden van alcoholgebruik is gerezen. Daarna zal een nader ademonderzoek (artikelen 4 en 5) of bloedonderzoek (artikelen 6 tot en met 12) worden uitgevoerd.

Artikel 4

Het nader ademonderzoek betreft een onderzoek met het ademanalyseapparaat. Dit onderzoek wordt verricht als het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem van betrokkene hoger is dan de bij eilandsverordening vastgestelde grenswaarde. Anders dan het voorlopig ademonderzoek fungeert dit onderzoek niet als voorselectiemiddel, maar als wettig bewijsmiddel voor strafbaar gebruik van alcohol in het verkeer. Vandaar dat in dit artikel de term «verdachte» wordt gehanteerd. Met het nader ademonderzoek kan de verdenking worden bevestigd of ontkracht die door het voorlopig ademonderzoek is ontstaan.

Het nader ademonderzoek geschiedt door de verdachte ademlucht in een bij ministeriële regeling aangewezen ademanalyseapparaat te laten blazen. De verdachte moet binnen één onderzoek viermaal ononderbroken blazen, met dien verstande dat het blazen kan worden beëindigd zodra twee meetresultaten zijn verkregen (eerste lid). Het alcoholgehalte van de twee meetresultaten zal op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze worden vastgesteld (derde lid). De uitslag van de ademanalyse wordt verkregen door het rekenkundig gemiddelde van beide meetresultaten te voorzien van een correctie voor eventuele fouten die inherent zijn aan de toegepaste methodiek en anders in het nadeel van de verdachte zouden kunnen werken.

Artikel 5

Een positief resultaat van het nader ademonderzoek wordt door de opsporingsambtenaar genoteerd in het proces-verbaal (eerste lid). Van belang is dat daarbij ook wordt gevoegd het «ticket» dat door de ademanalyseapparatuur wordt uitgeprint. Dat ticket maakt onder andere inzichtelijk of er sprake was van geijkte apparatuur, een aangewezen apparaat, het aantal geldige resultaten (en correctie daarvan), et cetera. Dergelijke aspecten zijn relevant voor de toets op een betrouwbaar resultaat. In het proces-verbaal kan de opsporingsambtenaar voorts melding doen van andere aanwijzingen die duiden op strafbaar gebruik van alcohol. Die aanwijzingen kunnen dienen ter ondersteuning van het bewijs van overtreding van het alcoholverbod. Bij een positief resultaat kan aan de verdachte bovendien een rijverbod van ten hoogste vierentwintig uur worden opgelegd (artikel 5a, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES). Bij een negatieve uitslag is het, behoudens andere aanwijzingen die duiden op strafbaar alcoholgebruik, niet nodig om daarvan proces-verbaal op te maken, omdat de bestuurder in dat geval geen verdachte is en zijn weg kan vervolgen.

De opsporingsambtenaar is verplicht het resultaat van het nader ademonderzoek direct aan de verdachte mede te delen (tweede lid). Zo weet deze direct of het alcoholgehalte van zijn adem hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan. Is er inderdaad sprake van strafbaar alcoholgebruik, dan is de opsporingsambtenaar tevens verplicht de verdachte te wijzen op het recht op tegenonderzoek. Als de verdachte gebruik wenst te maken van het recht op tegenonderzoek, dient hij dit direct aan de opsporingsambtenaar kenbaar te maken. De reden daarvoor is dat het tegenonderzoek geschiedt in de vorm van een bloedonderzoek (derde lid) en het bloed zo snel mogelijk van hem dient te worden afgenomen omdat, indien dat pas na verloop van tijd gebeurt, de hoeveelheid alcohol in zijn bloed is afgenomen of verdwenen. Directe bloedafname is bovendien van belang om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid alcohol in zijn bloed gelijk is aan de hoeveelheid alcohol in de eerder – in het kader van de blaastest – onderzochte adem. Als de hoeveelheden door het tijdsverloop zouden verschillen, zou het bloedonderzoek ten onrechte een voor de verdachte gunstiger uitslag kunnen opleveren dan de blaastest. Dat het bloed direct van de verdachte dient te worden afgenomen, betekent overigens niet dat er geen tijd is om een arts of verpleegkundige op te roepen om het bloed af te nemen. Die tijd is er wel. Met directe bloedafname wordt bedoeld dat er geen uren of dagen overheen mogen gaan voordat bij de verdachte bloed wordt afgenomen. De bloedafname dient voorts binnen een redelijke termijn te gebeuren opdat de verdachte niet onnodig van zijn vrijheid wordt beroofd.

Artikelen 6 tot en met 12 (bloedonderzoek)

Deze artikelen voorzien in de regels en waarborgen die in acht moeten worden genomen bij de uitvoering van een bloedonderzoek. Zij hebben betrekking op de wijze van afname van het bloed, de laboratoria die het bloedonderzoek mogen verrichten, de verslaglegging en de bewaringstermijnen. Het bloedonderzoek geldt, net als het nader ademonderzoek, als wettig bewijs voor overtreding van het bij eilandsverordening gestelde verbod om boven een bepaald alcoholpromillage aan het verkeer deel te nemen. Vandaar dat steeds de term «verdachte» wordt gehanteerd.

Een bloedonderzoek volgt zodra de blaastest buiten toedoen van de bestuurder niet tot een geldig resultaat heeft geleid of indien aannemelijk is dat de uitvoering van de blaastest ten aanzien van de bestuurder om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een bloedonderzoek vindt ook plaats indien het nader ademonderzoek de verdenking heeft bevestigd dat meer alcohol is gebruikt dan toegestaan en de verdachte dat onderzoeksresultaat wenst te bestrijden met behulp van een tegenonderzoek.

Artikel 6

Dit artikel regelt de wijze van bloedafname. Bepaald is dat een arts of verpleegkundige bij de verdachte bloed afneemt om te kunnen vaststellen of deze met een te hoog alcoholpromillage aan het verkeer heeft deelgenomen. Het eerste lid schrijft voor dat de arts of verpleegkundige de bloedafname primair uitvoert met behulp van een venapunctie. Indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om door middel van een venapunctie bloed af te nemen, bijvoorbeeld omdat de verdachte in het ziekenhuis is opgenomen, kan bloedafname ook via een infuus plaatsvinden.

Het eerste lid bepaalt verder dat voor het bloedonderzoek twee buisjes bloed worden afgenomen. Het ene buisje is bestemd voor het bloedonderzoek en het andere buisje voor een eventueel tegenonderzoek. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje moet bevatten en dus bij de verdachte moet worden afgenomen, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Ingevolge het tweede lid zal in die regeling eveneens worden voorgeschreven met welke hulpmiddelen het bloed dient te worden afgenomen.

Indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om twee buisjes bloed van de verdachte af te nemen, kan worden volstaan met de afname van één buisje bloed. Het laboratorium zorgt er in dat geval voor – voor zover dat mogelijk is – dat er na het bloedonderzoek genoeg bloed overblijft voor een eventueel tegenonderzoek. Als er alleen een tegenonderzoek zal worden verricht, kan worden volstaan met de afname van één buisje bloed (artikel 5, derde lid). Zodoende blijft de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte beperkt tot het hoogst noodzakelijke.

Voor de bloedafname ontvangt de arts of verpleegkundige een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is die voor de bloedafname zorgdraagt (derde lid). De hoogte van die vergoeding vormt onderdeel van de afspraken die door middel van een aanbestedingsprocedure zullen worden gemaakt over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van artsen en verpleegkundigen voor het afnemen van bloed van verdachten en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

De vergoeding voor bloedafname dient door de verdachte te worden betaald indien het een tegenonderzoek is dat plaatsvindt na een positief resultaat van een blaastest (artikel 5, derde lid). Dat is niet het geval indien het tegenonderzoek plaatsvindt na een eerder bloedonderzoek. Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat bij een tegenonderzoek na een blaastest afzonderlijk een arts of verpleegkundige moet worden ingeschakeld om bij de verdachte bloed af te nemen, terwijl bij de tweede vorm van tegenonderzoek het bloed al is afgenomen in het kader van het eerste bloedonderzoek. Als gevolg daarvan worden bij de eerste vorm van tegenonderzoek wel extra kosten gemaakt en bij de tweede vorm niet en is het ook logisch dat die kosten, nu het een onderzoek is dat op initiatief van de verdachte geschiedt, voor zijn rekening komen.

Artikel 7

Bij de bloedafname dient een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn (eerste lid). Hij dient de gang van zaken vast te leggen in een proces-verbaal van bevindingen (onderdeel a). Voorts moet hij ervoor zorgen dat het bloed, voordat het wordt verstuurd naar het laboratorium waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie het is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. In dat proces-verbaal worden daarom de naam, het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland en het paspoort- of sedulanummer van de verdachte genoteerd, alsmede een sporenidentificatienummer (SIN) met bijbehorende barcode. Wanneer het SIN op het proces-verbaal ontbreekt, hoeft dat niet te betekenen dat het onderzoek gebrekkig is geweest, mits maar op enigerlei wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat vergissing over de herkomst van het bloed is uitgesloten.

De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogeheten «bloedblok», en dat zij worden gestuurd naar een laboratorium als bedoeld in artikel 8, tweede lid (onderdeel d). Op of in deze verpakking brengt hij hetzelfde SIN aan dat hij op het proces-verbaal heeft geplaatst. Die handeling verricht hij ook ten aanzien van de twee buisjes met bloed dat de arts of verpleegkundige heeft afgenomen. Op ieder buisje bloed brengt hij een SIN aan dat qua nummer opvolgend is aan het SIN op het proces-verbaal. Indien een verdachte voor een tweede keer op dezelfde dag betrokken raakt bij een alcoholonderzoek in het verkeer en bij hem wederom bloed wordt afgenomen, kent de opsporingsambtenaar nieuwe SIN’s toe aan het bijbehorende proces-verbaal, alsmede aan de buisjes van die nieuwe bloedafname en de verpakking daarvan.

De opsporingsambtenaar voegt een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte, als bijlage bij het proces-verbaal (onderdeel b). Die waarnemingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit de constatering dat de verdachte uiterlijke kenmerken vertoonde waarvan hem beroepshalve bekend is dat deze kenmerken voorkomen bij gebruik van alcohol of dat de verdachte een alcoholgeur bij zich droeg. Door het voegen van deze verklaring als bijlage bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar wordt voorkomen dat de verklaring van de arts of verpleegkundige als «de auditu»-verklaring van de opsporingsambtenaar in het proces-verbaal wordt opgenomen.

De opsporingsambtenaar is op grond van het tweede lid verplicht de verdachte bij de bloedafname te wijzen op het recht op tegenonderzoek, tenzij de bloedafname geschiedt in het kader van een tegenonderzoek na een ademonderzoek. In dat geval is het wijzen op dat recht immers overbodig, omdat het bloedonderzoek dan het tegenonderzoek is en de verdachte geen tweede keer een beroep op dat recht kan doen. Bovendien rust op grond van artikel 5, tweede lid, al de verplichting op de opsporingsambtenaar om de verdachte op het recht op tegenonderzoek te wijzen na een positief resultaat van het ademonderzoek.

Artikel 8

In dit artikel wordt een omschrijving gegeven van de laboratoria die bloedonderzoeken mogen verrichten. Het artikel is zo opgesteld dat ieder laboratorium dat aan de vermelde kwaliteitseisen voldoet, een bloedonderzoek op grond van dit besluit kan verrichten. In de praktijk zullen de meeste bloedonderzoeken naar verwachting worden uitgevoerd door het laboratorium van Fundashon Mariadal, de gezondheidsinstelling waaronder het enige ziekenhuis op Bonaire ressorteert. Dat laboratorium is reeds geaccrediteerd. Op Curaçao is het Analytisch Diagnostisch Centrum geaccrediteerd. Eventuele tegenonderzoeken kunnen bij dit laboratorium worden uitgevoerd. Het medisch laboratorium Bon Lab op Bonaire en het ziekenhuis op Sint Maarten bevinden zich thans in het proces van accreditatie en zouden daarmee in de toekomst als alternatief kunnen dienen. Het ziekenhuis op Sint Maarten zal, zodra geaccrediteerd, bij vaststelling van de eilandsverordeningen inzake het alcoholverbod in het verkeer voor de eilanden Sint Eustatius en Saba primair als onderzoekslaboratorium kunnen functioneren, zo wordt mede opgemerkt in reactie op het advies van de CBP BES. Zo nodig kunnen bloedonderzoeken ook bij andere (buitenlandse) laboratoria worden verricht, mits deze laboratoria voldoen aan de eisen van onderhavig artikel.

Een laboratorium komt in aanmerking voor het verrichten van een bloedonderzoek als het volgens de NEN-EN ISO/IEC 17025 is geaccrediteerd en deskundig is op het gebied van bio-analyse. Indien een laboratorium aan deze eisen voldoet, heeft het onderzoekers in dienst die voor het verrichten van bloedonderzoek de benodigde opleidingen hebben afgerond en het bloedonderzoek op een betrouwbare en zorgvuldige wijze kunnen doen. Vergelijkbare kwaliteitseisen gelden voor buitenlandse laboratoria. De accreditatie wordt, voor zover een laboratorium in (Caribisch) Nederland is gevestigd, verleend door de Raad voor Accreditatie.

De Raad voor Accreditatie heeft in zijn consultatieadvies opgemerkt dat de wijze waarop thans accreditatie wordt voorgeschreven, niet zorgt voor de betrouwbaarheid die wordt nagestreefd. De Raad geeft aan dat een accreditatie alleen betrekking heeft op de verrichtingen zoals die op de «scope» van de accreditatie staan vermeld. Als onderhavig besluit en de onderliggende ministeriële regeling niet op de scope staan vermeld, dan controleert de Raad voor Accreditatie dus niet of de uitvoering van het bloedonderzoek plaatsvindt conform de wettelijke eisen, zo wordt gesteld.

In reactie op dit advies wordt opgemerkt dat de accreditatie uitdrukkelijk alleen betrekking heeft op het laboratorium zelf. De accreditatie beoogt daarmee te verzekeren dat aspecten als onderzoeksmethodieken, kwaliteitsnormen en opleidingsniveau van personeel van een zeker wetenschappelijk-technisch niveau zijn. Het wordt aan de professionaliteit van de onderzoeker overgelaten om zelf te bepalen welke onderzoeksmethode wordt gehanteerd en daarover verantwoording af te leggen in het onderzoeksrapport.

Indien een geaccrediteerd laboratorium een bloedonderzoek verricht op basis van dit besluit, dan zal dat laboratorium dat onderzoek vanzelfsprekend onder accreditatie moeten verrichten. Voorts moet het laboratorium aan de overige verplichtingen van dit besluit voldoen. Denk aan de termijn waarbinnen het onderzoek wordt verricht, de verslaglegging van de onderzoeksresultaten en de (uiteindelijke) vernietiging van onderzoeksmateriaal. Dat de laboratoria aan die overige verplichtingen moeten voldoen, vloeit evenwel niet voort uit de accreditatie, maar uit het feit dat deze verplichtingen zijn vastgelegd in algemeen verbindende voorschriften. Op de correcte naleving daarvan ziet de rechter toe, niet de Raad voor Accreditatie.

Het verdient opmerking dat als de Raad voor Accreditatie niet tijdig beslist op de aanvraag om accreditatie, niet van rechtswege een accreditatie wordt geacht te zijn verleend. De zogeheten lex silencio positivo, die in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd, is niet van toepassing, nu de Awb niet van toepassing is op besluiten aangaande de BES-eilanden van bestuursorganen met een zetel in het Europees deel van Nederland (artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Een laboratorium mag dus alleen een bloedonderzoek uitvoeren als het daadwerkelijk is geaccrediteerd. De betrouwbaarheid van het resultaat van een dergelijk onderzoek moet immers groot zijn, omdat dat een rol kan spelen in het bewijs dat een verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het in een eilandsverordening neergelegde verbod op het rijden onder invloed.

In het derde lid is bepaald dat het een laboratorium niet langer is toegestaan een bloedonderzoek te verrichten als de in het tweede lid bedoelde accreditatie is ingetrokken of geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd. De reden daarvoor is dat buiten kijf moet staan dat het laboratorium in staat is om de onderzoeker het bloedonderzoek op een deugdelijke en zorgvuldige wijze te laten verrichten. De accreditatie is vier jaar geldig. Na die periode vindt een geheel nieuwe beoordeling plaats van het laboratorium die even omvangrijk is als de beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan de destijds verleende accreditatie. Als een laboratorium eenmaal is geaccrediteerd, wordt periodiek – doorgaans jaarlijks – gecontroleerd of het voldoet aan de noodzakelijke eisen en of nog steeds wordt gewerkt volgens de juiste procedures. Indien de Raad voor Accreditatie vaststelt dat dit niet langer het geval is, stelt hij het desbetreffende laboratorium in de gelegenheid de geconstateerde tekortkomingen te herstellen. Als het laboratorium hieraan niet binnen de gestelde termijn voldoet, kan de Raad voor Accreditatie het laboratorium schorsen. Wanneer het geschorste laboratorium niet binnen zes maanden voldoende maatregelen neemt, kan de Raad voor Accreditatie de accreditatie intrekken. Verder kan de Raad voor Accreditatie na vier jaar weigeren de accreditatie opnieuw te verlenen omdat het laboratorium niet meer aan de eisen voldoet.

Artikel 9

Dit artikel legt het laboratorium waar het bloedonderzoek wordt verricht de verplichting op om na ontvangst van de buisjes met het afgenomen bloed een aantal gegevens in een bestand vast te leggen. In de meeste gevallen zal dat naar verwachting het laboratorium van Fundashion Mariadal zijn (zie ook de toelichting op artikel 8). Het vastleggen van de gegevens is onder meer van belang om te voorkomen dat onduidelijkheid kan ontstaan over de verblijfplaats van het bloed en om te waarborgen dat het bloed en de daarbij behorende gegevens beschikbaar zijn op het moment dat zij nodig zijn voor een tegenonderzoek.

Artikel 10

Dit artikel bevat verplichtingen voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht. Zo moet de onderzoeker binnen vier weken het bloedonderzoek uitvoeren (eerste lid) en van de resultaten van het onderzoek een met redenen omkleed schriftelijk verslag opmaken en ondertekenen (tweede lid). Onder «ondertekenen» kan niet alleen een «natte» handtekening, maar ook een elektronische handtekening worden begrepen.

Het vierde lid bepaalt welke onderdelen het schriftelijk verslag in ieder geval dient te bevatten. De verplichting om deze informatie op te nemen, dient onder meer voor eenduidigheid te zorgen in de door de onderzoekers op te maken verslagen. Het verslag moet in ieder geval de methode bevatten met behulp waarvan het onderzoek is verricht (onder c) en de uitslag van het onderzoek (onder d). Aan de methode van onderzoek zullen eisen worden gesteld die bij ministeriële regeling zullen worden bepaald.

Artikel 11

Dit artikel bepaalt dat de opsporingsambtenaar die de opdracht heeft gegeven tot het bloedonderzoek, binnen een week na ontvangst van het verslag van het bloedonderzoek schriftelijk de uitslag van het onderzoek mededeelt aan de verdachte. Op die wijze komt de verdachte te weten of hij wel of niet het alcoholverbod uit de eilandsverordening heeft overtreden. Uiteraard staat met de schriftelijke mededeling van een negatieve uitslag van het bloedonderzoek voor de verdachte vast dat hij geen strafbaar feit heeft gepleegd en dat hij niet verder betrokken zal worden in een strafrechtelijke procedure. Het verzenden van een schriftelijke mededeling naar het adres dat de verdachte zelf heeft opgegeven, is voldoende.

Indien het verslag het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte van het bloed hoger is dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, is de opsporingsambtenaar verplicht de verdachte te wijzen op het recht op tegenonderzoek, tenzij de bloedafname reeds heeft plaatsgevonden in het kader van een tegenonderzoek. In dat geval zou het wijzen op dat recht overbodig zijn nu de verdachte daarop geen tweede keer een beroep kan doen. Op grond van artikel 5, tweede lid, rust op de opsporingsambtenaar ook de verplichting de verdachte te attenderen op het recht op tegenonderzoek na een positief resultaat van de blaastest.

Artikel 12

Nadat het resultaat van het bloedonderzoek aan de verdachte is medegedeeld, heeft de verdachte het recht om binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek een tegenonderzoek te laten verrichten. Het is aan de verdachte zelf of hij van dat recht gebruik wenst te maken. Indien de verdachte een tegenonderzoek wenst, dient hij een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag te betalen aan het laboratorium dat het onderzoek voor hem zal uitvoeren (derde lid). Indien de verdachte die verplichting niet binnen twee weken nakomt, vervalt het recht op tegenonderzoek (vierde lid).

De verdachte bepaalt zelf of hij het resultaat van het tegenonderzoek inbrengt in zijn strafzaak. Indien het resultaat van het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat hij meer alcohol heeft gebruikt dan op grond van de eilandsverordening is toegestaan, ontvangt hij het bedrag terug dat hij voor dat onderzoek heeft betaald (zesde lid).

De onderzoeker die het tegenonderzoek verricht, moet dat onderzoek op gelijkwaardige wijze verrichten als de onderzoeker die het eerste onderzoek heeft uitgevoerd. Dat betekent onder meer dat de methode van onderzoek gelijkwaardig dient te zijn aan de methode met behulp waarvan het eerste onderzoek is verricht en dat hij verbonden moet zijn aan een geaccrediteerd laboratorium. Om de onderzoeker in staat te stellen het tegenonderzoek goed te verrichten, is in het eerste lid bepaald dat hij de beschikking krijgt over het onderzoeksmateriaal – dat wil zeggen het tweede buisje bloed dat is bewaard ten behoeve van het verrichten van tegenonderzoek – en de bijbehorende gegevens uit het eerste onderzoek.

Artikel 13

In dit artikel zijn de termijnen opgenomen die gelden voor het vernietigen en bewaren van het bloed dat overblijft na een bloedonderzoek. De noodzaak van het bewaren van het bloed wordt bepaald door het recht van de verdachte op een tegenonderzoek.

De bewaartermijn voor zowel het resterende bloed waarmee het bloedonderzoek is verricht als het bloed dat bestemd is voor tegenonderzoek, is zes maanden na dagtekening van het verslag van het bloedonderzoek indien het resultaat van het bloedonderzoek negatief is (eerste lid). Die termijn biedt de verdachte voldoende tijd om een tegenonderzoek te laten doen.

Voor het vernietigen van het afschrift van het verslag van het onderzoek en de daarbij behorende gegevens, zijn twee verschillende bewaartermijnen bepaald die afhankelijk zijn van het resultaat van het bloedonderzoek.

In het geval van een negatief resultaat van het bloedonderzoek of het tegenonderzoek vernietigt het laboratorium het verslag zes maanden na dagtekening (tweede lid). Bij een negatieve uitslag zal er immers geen strafzaak volgen waarin de onderzoeker het afschrift van het verslag nodig zou kunnen hebben ten behoeve van een verhoor ter terechtzitting. Met een negatieve uitslag van het bloedonderzoek wordt namelijk bedoeld dat bij het bloedonderzoek geen alcohol in het bloed van de verdachte is aangetroffen of dat in dat kader wel sporen van alcohol zijn gevonden, maar de concentratie niet de toegestane grenswaarde overstijgt.

Bij een positief resultaat geldt voor het vernietigen van het afschrift van het verslag en de daarbij behorende gegevens een langere termijn, te weten vijf jaar na dagtekening (derde lid). Die termijn is nodig voor het geval de rechter ter terechtzitting de onderzoeker wil horen die het onderzoek heeft verricht. Om in die situatie beslagen ten ijs te komen, dient de onderzoeker te beschikken over de achterliggende informatie van het verrichte bloedonderzoek. Gelet op de praktijkervaringen bij het Nederlands Forensisch Instituut, is een termijn van vijf jaar daarvoor toereikend.

De hierboven aangegeven vernietigingstermijnen verhouden zich met artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Artikel 8, eerste lid, EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van – onder andere – zijn privéleven. De persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, omvat wat in artikel 8, eerste lid, EVRM is omschreven als privéleven. Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bij of krachtens de wet moeten zijn geregeld. Ingevolge artikel 8, tweede lid, EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is op grond van een aantal nader aangegeven gronden. Tot die gronden behoort onder meer het voorkomen van strafbare feiten.

Gezien het feit dat artikel 8, tweede lid, EVRM rechtstreeks van toepassing is, dienen de bepalingen over het bewaren en vernietigen van bloed, de afschriften van de verslagen van het onderzoek en de daarbij behorende gegevens, aan de vereisten van die bepaling te voldoen. Dit betekent dat deze gegevens in ieder geval niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten, en in overeenstemming is met de beginselen van proportionaliteit (de inmenging staat in verhouding tot het beoogde doel) en subsidiariteit (de verplichting om binnen redelijke grenzen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te vermijden dan wel zo beperkt mogelijk te houden). Door de gedifferentieerde termijnen wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan deze beginselen. Door het differentiëren van de bewaartermijnen van het onderzoeksmateriaal en de daarbij behorende gegevens wordt ook voldaan aan de eisen die in de artikelen 10 en 11 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES zijn neergelegd. Die persoonsgegevens zullen namelijk niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Voorts zullen zij moeten worden vernietigd op het moment waarop zij niet meer ter zake dienend en bovenmatig zijn.

Artikel 14

Dit artikel bevat een voorziening voor het geval een particulier laboratorium gedurende de periode waarbinnen het bloedonderzoeken verricht en de termijnen die in artikel 13 zijn gesteld, van plan is zijn werkzaamheden op dat terrein te beëindigen of beëindigt. In die situatie zorgt het laboratorium ervoor dat het bloed, de afschriften van de verslagen van de bloedonderzoeken en de bij die verslagen behorende gegevens worden overgedragen aan het bij ministeriële regeling aangewezen laboratorium, tenzij het fuseert met een ander geaccrediteerd laboratorium. In het laatste geval worden het bloed, de afschriften van de verslagen van de bloedonderzoeken en de daarbij behorende gegevens bewaard in het laboratorium waarmee wordt gefuseerd.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus