Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2019, 500AMvB

Besluit van 18 december 2019 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het Besluit politiegegevens in verband met diverse technische aanpassingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2019, nr. 2019-0000152348;

Gelet op artikel 10, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 12a van de Algemene Ouderdomswet, artikel 628a, tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 69, derde lid, van de Participatiewet, artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet, de artikelen 1:4, tweede lid, en 2:39, zevende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 3, aanhef en onderdeel e, van de Wet arbeid vreemdelingen BES, artikel 27, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, de artikelen 8, eerste lid, onderdeel g, en 16, eerste, vijfde en zesde lid, van de Wet inburgering, artikel 10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, artikel 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 8, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 1, onderdelen c, onder 1°, en f, van de Wet ongevallenverzekering BES, artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens, de artikelen 33, elfde lid, en 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 15, tweede lid, van de Ziektewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 december 2019, No. W12.19.0385/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000177562;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. BESLUIT AANWIJZING GEVAARLIJKE STOFFEN, BEROEPSZIEKTES EN LETSELS WET ONGEVALLENVERZEKERING BES

Het Besluit aanwijzing gevaarlijke stoffen, beroepsziektes en letsels Wet ongevallenverzekering BES wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt «artikel 1, onderdeel c, onder 4°» vervangen door «artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°».

B

In de aanhef van de artikelen 2, eerste lid, en 4 wordt «artikel 1, onderdeel f» vervangen door «artikel 1, eerste lid, onderdeel f».

C

In artikel 5 wordt «artikel 1, onderdelen c, onder 1° en f» vervangen door «artikel 1, eerste lid, onderdelen c, onder 1°, en f».

ARTIKEL II. BESLUIT INBURGERING

Het Besluit inburgering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1, onderdeel b, wordt «artikel 7, vierde lid, onderdeel g» vervangen door «artikel 8, eerste lid, onderdeel g».

B

Artikel 4.1a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet» vervangen door «artikel 16, tweede lid, van de wet».

b. In onderdeel a vervalt «bij een cursusinstelling» en wordt «het inburgeringsexamen en» vervangen door «het inburgeringsexamen of».

2. In het vierde lid vervalt telkens «als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,».

3. In het zesde lid wordt «, derde en vijfde lid» vervangen door « en vierde lid».

C

Artikel 4.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet» vervangen door «artikel 17, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet».

2. In het derde lid wordt «artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet» vervangen door «artikel 17, eerste lid, aanhef, van de wet».

3. Het vijfde lid vervalt.

D

In artikel 4.15 vervalt «artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet en».

ARTIKEL III. BESLUIT ONTHEFFING VERPLICHTINGEN SOCIALE ZEKERHEIDSWETTEN

Het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, eerste lid, wordt «artikel 2:39, derde lid, onderdelen e en f, van de Wajong» vervangen door «artikel 2:39, derde lid, onderdeel d, van de Wajong».

B

In de artikelen 4, eerste lid, en 4a, eerste lid, aanhef, wordt «2:39, derde lid, onderdelen e, f en g, van de Wajong» vervangen door «2:39, derde lid, onderdelen d en e, van de Wajong».

ARTIKEL IV. BESLUIT PARTICIPATIEWET

Het Besluit Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Termijnen verantwoordingsinformatie

2. Onder vernummering van het eerste en het tweede lid tot het derde en het vierde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 1. Bij de toepassing van artikel 69, eerste lid, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 15 augustus van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 48 van het Bbz 2004, zoals dat luidde op 31 december 2019, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door «het derde lid».

B

In artikel 7, tweede lid, wordt «artikel 48 van het Bbz 2004, zoals dat luidde op 31 december 2019,» vervangen door «artikel 50 van het Bbz 2004».

C

In de bijlage behorende bij artikel 6 vervalt in tabel 1 de rij beginnend met «Aandeel laagst opgeleiden in gemeente».

ARTIKEL V. BESLUIT POLITIEGEGEVENS

In artikel 4:3, achtste lid, onderdeel j, van het Besluit politiegegevens wordt «1a:6, eerste lid, aanhef en onderdeel g» vervangen door «1a:6, eerste lid, aanhef en onderdeel f» en wordt «3:19, tiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten» vervangen door «3:19, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten».

ARTIKEL VI. BESLUIT SUWI

Het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.1, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. In de polisadministratie worden van de werknemer of de persoon die vrijwillig verzekerd is voor de ZW, de Wet WIA, de WW en de WAO de volgende gegevens verwerkt:

    • a. basisregistratie gegevens:

      • 1°. adresgegevens: straatnaam, huisnummer, huisnummertoevoeging, postcode, woonplaatsnaam, gemeentenaam, woonobjectverwijzing en locatieomschrijving; en

      • 2°. buitenlandse adresgegevens: straatnaam, huisnummer, huisnummertoevoeging, postcode, woonplaats, locatieomschrijving, regionaam en landcode ISO;

    • b. postbusadresgegevens: postbusnummer, postcode, woonplaats, gemeentenaam en locatieomschrijving;

    • c. sociaal verzekeringsnummer buitenland: verzekeringsnummer en landcode ISO;

    • d. persoonsgegevens: namen, burgerservicenummer, het administratienummer, bedoeld in artikel 4.9 van de Wet basisregistratie personen (A-nummer), geboortedatum, overlijdensdatum, geslacht, burgerlijke staat, leefvorm, nationaliteit, verblijfstitel, datum vertrek uit Nederland, indicatie curatelestelling en indicatie voor informatiebeveiliging;

    • e. ontheffing wegens gemoedsbezwaren;

    • f. verzekeringsplicht werknemersverzekeringen: gegevens inzake de vaststelling verzekeringsplicht, indicaties verzekerd en premies voor de werknemersverzekeringen;

    • g. gegevens over de werkgever in de zin van de Wfsv en de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964: naam en loonheffingennummer;

    • h. gegevens over de inkomstenverhouding: personeelsnummer, soort inkomstenverhouding, collectieve arbeidsovereenkomst, sector, datum begin en einde van inkomstenverhouding, reden einde arbeidsovereenkomst en code invloed verzekeringsplicht;

    • i. loongerelateerde gegevens: lonen, aantal verloonde uren, ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de ZVW, verzekeringssituatie ZVW, andere gegevens van belang voor de heffing van inkomstenbelasting en heffing van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen en het aanvragen tegemoetkomingen loondomein.

B

Artikel 5.12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c vervallen «risicopremiegroep, » en «contract (on)bepaalde tijd, » en wordt «reden einde dienstbetrekking van een flexwerker» vervangen door «reden einde arbeidsovereenkomst, indicatie arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indicatie schriftelijke overeenkomst, indicatie oproepovereenkomst, indicatie jaarurennorm».

2. In onderdeel d vervalt «aantal SV-dagen, ».

C

Artikel 5.14, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «datum eerste ziektedag, » ingevoegd «bedrijfsgrootte werkgever, ».

2. In onderdeel b wordt na «code uitzendkracht, » ingevoegd «code payrolling, ».

D

In artikel 6.1 wordt « en artikel 34, vijfde lid, van de IOAZ» vervangen door «, artikel 34, vijfde lid, van de IOAZ en artikel 33, elfde lid, van de Wet SUWI».

E

De tabel in bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. De rijen beginnend met de volgende gegevens vervallen:

  • Code reden einde inkomstenverhouding;

  • Risicopremiegroep;

  • Aanwas in het cumulatieve premieloon sectorfonds;

  • Premie sectorfonds.

2. In de rijen beginnend met «Datum aanvang sectorrisicogroep» en «Datum einde sectorrisicogroep» wordt «sectorrisicogroep» vervangen door «sector».

3. De rij beginnend met «Code reden einde inkomstenverhouding flexwerker» wordt vervangen door de volgende rij:

Code reden einde arbeidsovereenkomst

X

X

X

X

4.a.4°

4. Voor de rij beginnend met «Aanwas in het cumulatieve premieloon Ufo» worden de volgende rijen ingevoegd:

Aanwas in het cumulatieve premieloon AWf laag

X

X

X

X

4.f.3°

Aanwas in het cumulatieve premieloon AWf hoog

X

X

X

X

4.f.4°

Aanwas in het cumulatieve premieloon AWf herzien

X

X

X

X

4.f.5°

5. De rij beginnend met «Premie WW Awf» wordt vervangen door de volgende rijen:

Premie AWf laag

X

X

X

4.f.19°

Premie AWf hoog

X

X

X

4.f.20°

Premie AWf herzien

X

X

X

4.f.21°

6. De rij beginnend met «Aantal contracturen per week» wordt vervangen door de volgende rij:

Aantal contracturen per week

X

X

X

X

4.f.28°

7. De rij beginnend met «Code contract onbepaalde/bepaalde tijd» wordt vervangen door de volgende rijen:

Indicatie arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

X

X

X

X

4.e.8°

Indicatie schriftelijke arbeidsovereenkomst

X

X

X

X

4.e.9°

Indicatie oproepovereenkomst

X

X

X

X

4.e.10°

Indicatie jaarurennorm

X

X

X

X

4.e.11°

8. Na de rij beginnend met «Code cao» wordt een rij ingevoegd, luidende:

Code cao inlener

X

X

X

X

4.e.7°

ARTIKEL VII. BESLUIT UITBREIDING KRING STUDERENDEN WAJONG

Artikel 1 van het Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als studerende aangemerkt degene die een levenlanglerenkrediet ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

ARTIKEL VIII. BESLUIT UITVOERING WET ARBEID VREEMDELINGEN BES

In artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES wordt «gevestigd het buiten» vervangen door «gevestigd buiten».

ARTIKEL IX. BESLUIT VAN 18 JUNI 2015, HOUDENDE WIJZIGING VAN ENIGE ALGEMENE MAATREGELEN VAN BESTUUR IN VERBAND MET DE WET WERK EN ZEKERHEID, HET INVOEREN VAN EEN ONTHEFFING IN VERBAND MET DE ZORG VOOR EEN PASGEBOREN KIND BIJ OVERLIJDEN VAN DE MOEDER, EEN WIJZIGING VAN HET REMIGRATIEBESLUIT IN VERBAND MET DE BEREKENWIJZE VAN DE JAARLIJKSE INDEXATIE VAN DE REMIGRATIE-UITKERINGEN, HET VRIJLATEN VAN DE AFKOOPSOM KLEIN PENSIOEN VOOR VERSCHILLENDE UITKERINGEN IN HET ALGEMEEN INKOMENSBESLUIT SOCIALEZEKERHEIDSWETTEN ALSMEDE ENKELE TECHNISCHE WIJZIGINGEN IN ENKELE BESLUITEN

In artikel XI, onderdeel a, van het Besluit van 18 juni 2015, houdende wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet werk en zekerheid, het invoeren van een ontheffing in verband met de zorg voor een pasgeboren kind bij overlijden van de moeder, een wijziging van het Remigratiebesluit in verband met de berekenwijze van de jaarlijkse indexatie van de remigratie-uitkeringen, het vrijlaten van de afkoopsom klein pensioen voor verschillende uitkeringen in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten alsmede enkele technische wijzigingen in enkele besluiten (Stb 2015, 242) wordt «op het tijdstip dat artikel I, onderdeel Ca, van de Wet werk en zekerheid in werking treedt» vervangen door «op het tijdstip waarop artikel 8 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 bij Koninklijk Besluit wordt ingetrokken op grond van artikel III van de Wet werk en zekerheid».

ARTIKEL X. BESLUIT VAN 19 JUNI 2019, HOUDENDE NADERE REGELS OVER OPROEPOVEREENKOMSTEN

In artikel 1, onderdelen a en b, van het Besluit van 19 juni 2019, houdende nadere regels over oproepovereenkomsten (Stb. 2019, 233) vervalt «per uur».

ARTIKEL XI. BESLUIT VAN 24 JUNI 2019 TOT WIJZIGING VAN HET BESLUIT WFSV IN VERBAND MET AANPASSING VAN DE PREMIEDIFFERENTIATIE VOOR DE WW EN AFSCHAFFING VAN DE SECTORFONDSEN

In artikel I, onderdelen E1 en F, van het Besluit van 24 juni 2019 tot wijziging van het Besluit Wfsv in verband met aanpassing van de premiedifferentiatie voor de WW en afschaffing van de sectorfondsen (Stb. 2019, 236) komt artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv te luiden:

  • a. van wie de dienstbetrekking uiterlijk twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking is geëindigd;

ARTIKEL XII. DAGLOONBESLUIT WERKNEMERSVERZEKERINGEN

Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 12b, eerste lid, wordt «de ziekte is ingetreden» vervangen door «de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de ZW, is ingetreden».

B

In artikel 12e, vijfde lid, wordt «de dag waarop de ziekte is ingetreden» vervangen door «de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de ZW».

ARTIKEL XIII. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met uitzondering van de in de volgende leden genoemde onderdelen.

  • 2. Artikel II, onderdeel B, onder 2, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2017.

  • 3. De artikelen III, V en VII treden in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdelen C, R, U en FF, van die wet inwerking treedt.

  • 4. Artikel IV, onderdeel B en C, treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

  • 5. De artikelen XI en XII treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 december 2019

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de vierentwintigste december 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemene toelichting

Dit verzamelbesluit omvat een aantal wijzigingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en een wijziging van het Besluit politiegegevens van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het betreft vooral technische en redactionele wijzingen. Deze dienen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies.

De wijzigingen van het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten, het Besluit politiegegevens en Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong houden verband met het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (hierna: wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong). Met de wijzigingen worden de genoemde besluiten in overeenstemming gebracht met enkele aanpassingen in de Wajong.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

2. Regeldrukgevolgen en financiële effecten

De wijzigingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk. Er zijn ook geen financiële effecten. Wat betreft de wijzigingen die verband houden met het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong geldt dat beide aspecten zijn meegenomen in dat wetsvoorstel waaruit de genoemde wijzigingen voortvloeien.

3. Ontvangen commentaren

3.1 Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

Aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is gevraagd de artikelen III (Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten), V (Besluit politiegegevens), VI (Besluit SUWI), VII (Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong) en XII (Dagloonbesluit werknemersverzekeringen) te beoordelen op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid per 1 januari 2020. Het UWV acht de wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar per beoogde invoeringsdatum. Er is geen effect op de uitvoeringskosten. Naar aanleiding van de toets door UWV zijn enkele wetstechnische opmerkingen verwerkt en is op enkele punten de inhoud van het voorstel nader toegelicht.

3.2 Belastingdienst (BD)

Aan de Belastingdienst (BD) is gevraagd artikel VI (Besluit SUWI) te beoordelen op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid per 1 januari 2020. De BD acht de wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar per beoogde invoeringsdatum. Er is geen effect op de uitvoeringskosten.

3.3 Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)

Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft ambtelijk aangegeven de analyse en de conclusie ten aanzien van de regeldruk te delen.

4. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I. Besluit aanwijzing gevaarlijke stoffen, beroepsziektes en letsels Wet ongevallenverzekering BES

Deze wijzigingen betreft het corrigeren van onjuiste verwijzingen.

Artikel II. Besluit inburgering

A

De wijziging van artikel 1.1, onderdeel b, van het Besluit inburgering hangt samen met de Wet van 23 juni 2017 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding (Stb. 2017, 285). De verwijzing in artikel 1.1, onderdeel b, is per abuis niet aangepast. Dit wordt nu hersteld.

B

Dit onderdeel wijzigt artikel 4.1a van het Besluit inburgering op vier onderdelen.

In de aanhef van het eerste lid wordt de verwijzing naar artikel 16 aangepast. Met de Verzamelwet SZW 2020 wordt artikel 16 van de Wet inburgering namelijk gewijzigd. De onderhavige aanpassing brengt de verwijzingen in lijn met de nieuwe wettekst.

In het eerste lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede «bij een cursusinstelling». Deze zinsnede is overbodig en komt bovendien de leesbaarheid niet ten goede. Dat de lening alleen wordt verstrekt als de cursus wordt gevolgd bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat of keurmerk volgt uit het vierde lid. Daarnaast wordt «het inburgeringsexamen en» vervangen door «het inburgeringsexamen of». Het is voor het verstrekken van de lening immers niet noodzakelijk dat de cursus opleidt tot zowel het inburgeringsexamen als het staatsexamen Nederlands als tweede taal. Het is daarbij wel mogelijk dat een inburgeringsplichtige beide examens aflegt.

In het vierde lid vervalt twee keer de zinsnede «als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a». Deze zinsnede is toegevoegd met het Besluit van 26 juni 2017 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding (Stb. 2017, 286). Het doel van de toevoeging was om te verduidelijken dat het gaat om een cursus als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Per abuis is daarbij niet verwezen naar de alfabetiseringscursus, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het vereiste van een certificaat of keurmerk geldt sinds de inwerkingtreding van het stelsel per 1 januari 2013 echter ook voor de alfabetiseringscursus. Uit de toelichting blijkt niet dat een beleidsmatige aanpassing beoogd was en in de praktijk is de genoemde voorwaarde altijd gehanteerd voor het vaststellen van het recht op de lening. Deze evidente omissie wordt hersteld met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2017. Dat is de datum waarop voornoemd wijzigingsbesluit in werking is getreden.

Gezien aanwijzing 3.27, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving is er voor gekozen om de zinsnede te laten vervallen en niet een verwijzing naar het eerste lid, onderdelen a én c, op te nemen. Het is immers voldoende duidelijk dat met een cursus in het vierde lid één van de cursussen genoemd in het eerste lid wordt bedoeld.

De wijziging van het zesde lid hangt samen met Besluit van 2 juli 2015, houdende wijziging van het Besluit inburgering in verband met het verhogen van het maximale leenbedrag voor inburgeringsplichtigen en het voorzien in de mogelijkheid van kwijtschelding van het leenbedrag van houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als familie- of gezinslid bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd of voor verblijf bij een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met een aantekening inzake internationale bescherming (Stb. 2015, 288). De verwijzing in het zesde lid naar de voorgaande leden is per abuis niet aangepast. Dit wordt nu hersteld.

C en D

Met de Verzamelwet SZW 2020 worden de artikelen 16 en 17 van de Wet inburgering gewijzigd. De aanpassingen in deze onderdelen brengen de verwijzingen naar die artikelen in lijn met de nieuwe wettekst. Daarnaast vervalt in artikel 4.6 het vijfde lid. Dat lid bepaalt de start van de terugbetalingsperiode voor een persoon van wie de lening is stopgezet vanwege het niet ondertekenen van de participatieverklaring. Door de voornoemde aanpassing is nu echter in artikel 16 en 17 van de Wet inburgering geregeld wanneer de terugbetalingsperiode voor die doelgroep start. In artikel 4.15 vervalt de bepaling dat de periode wordt verlengd als er sprake is geweest van een tijdelijke onderbreking van de inburgeringsplicht. Deze verlening is niet meer nodig, aangezien de start van de terugbetalingsperiode nu afhankelijk is van de dag waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan. De onderhavige wijzigingen betreffen technische aanpassingen zonder materieel gevolg.

Artikel III. Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten

Dit betreft een wetstechnische aanpassing van een verwijzing, die voortvloeit uit artikel I, onderdeel R, van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong. Deze aanpassing heeft geen materieel gevolg.

Artikel IV. Besluit Participatiewet

A en B

In het nieuwe eerste en tweede lid van artikel 7 van het Besluit Participatiewet wordt een al lang bestaande uitvoeringspraktijk vastgelegd. Uit oogpunt van rechtszekerheid voor zowel de gemeenten als het Rijk is dat wenselijk. De nieuwe leden bepalen op welke beschikbare informatie de minister van SZW de verstrekking van de uitkering als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Participatiewet, en de vaststelling van de vergoeding van de ten laste van de gemeente gebleven kosten als bedoeld in artikel 50 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) baseert. Dit onderscheidt zich van het derde lid (nieuw), dat betrekking heeft op de situatie waarin de minister van SZW van de gemeente in het geheel geen verantwoordingsinformatie heeft ontvangen.

Voor de verstrekking respectievelijk vaststelling van voornoemde uitkeringen, maakt de minister van SZW gebruik van de verantwoordingsinformatie die de gemeente aan het Rijk verstrekt via de systematiek van «Single information-Single audit» (SiSa). Deze systematiek veronderstelt dat de gemeente haar verantwoordingsinformatie juist, volledig en vóór 15 juli volgend op het verantwoordingsjaar zendt aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en dat de minister van SZW mag vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de ontvangen informatie.

Uit artikel 69, vierde lid, van de Participatiewet, volgt dat de minister van SZW de uitkering aan het college ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft per beschikking bekend maakt. Hieraan gaat een zorgvuldig voorbereidingstraject vooraf, waarbij de ontvangen gecertificeerde verantwoordingsinformatie wordt beoordeeld op inhoudelijke juistheid en waarbij per afzonderlijke gemeente wordt vastgesteld welk aandeel zij in het landelijk beschikbare budget krijgt. Toepassing van dit relatieve aandeel op het totaal beschikbare budget bepaalt de toe te kennen uitkering per gemeente. Wijziging van de verantwoordingsinformatie van een gemeente heeft niet alleen gevolgen voor haar eigen budgetaandeel maar ook voor dat van alle andere gemeenten. Om te voorkomen dat het proces van budgetberekening en toekenning ernstig wordt verstoord, is de uiterste termijn van 15 augustus vastgelegd. Uit de bepaling volgt dat de minister van SZW geen rekening houdt met wijzigingen van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie waarvan hij eerst na voornoemde datum kennis kan nemen, ook indien die gegevens onderdeel vormen van een bezwaarprocedure. Hierop wordt alleen uitzondering gemaakt indien uit een inhoudelijke beoordeling van de – op zich tijdig – ontvangen verantwoordingsinformatie blijkt dat die informatie niet toereikend is voor budgetberekening en toekenning. De minister van SZW kan een gemeente in dat geval een redelijke termijn gunnen om nadere gegevens te verstrekken. In deze uitzonderingssituatie is de overschrijding van de termijn beperkt, behoudt de minister van SZW de regie en wordt het proces niet verstoord. Met de termijn van 15 augustus krijgt de gemeente feitelijk een maand gelegenheid om plausibel verklaarde verantwoordingsinformatie te corrigeren of aan te vullen, zoals bedoeld in de «Nota procedure aanlevering SiSa-verantwoordingsinformatie» van de minister van BZK.

Het feit dat de vaststelling achteraf van de vergoeding als bedoeld in artikel 50 van het Bbz 2004 voor de ene gemeente geen invloed heeft op de vaststelling ervan voor andere gemeenten, laat onverlet dat het wenselijk is te waarborgen dat de vaststellingen ordelijk, zorgvuldig en binnen de wettelijke termijn kunnen plaatsvinden. Daarvoor is een identieke regeling nodig als bij de toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Participatiewet. Vanwege de wijze waarop de verschillende processen zijn ingericht binnen SZW, is het mogelijk om bij de toepassing van artikel 50 van het Bbz 2004 de uiterste datum te bepalen op 30 september. Onder verwijzing naar hetgeen hierover eerder is toegelicht, betekent de datum van 30 september dat de gemeente feitelijk twee en een halve maand gelegenheid krijgt om haar plausibel verklaarde verantwoordingsinformatie te corrigeren of aan te vullen. Ook voor deze datum geldt de uitzondering dat de minister van SZW een gemeente een redelijke hersteltermijn kan gunnen indien uit een inhoudelijke beoordeling van de uiterlijk op 30 september ontvangen verantwoordingsinformatie blijkt dat deze informatie niet toereikend is voor de budgetvaststelling.

C

In tabel 1 in de bijlage behorende bij artikel 6 van het Besluit Participatiewet wordt de indicator «Aandeel laagst opgeleiden in gemeente» geschrapt. In de Regeling van Onze Minister van SZW van 24 september 2019, 2019-0000152404, tot Verzamelbesluit SZW 2020 in verband met de vernieuwing van de financieringssystematiek Bbz 2004 en wijzigingen in het verdeelmodel (Stcrt. 2019, 55169) is het gewicht van de indicator voor het bijstandsverdeelmodel 2020 op nul gesteld. De reden hiertoe is dat het gewicht van de indicator reeds enkele jaren insignificant is en bovendien het verkeerde teken heeft. Het op nul stellen van het gewicht in de regeling is slechts een tijdelijk oplossing. Met het vervallen van de indicator in het besluit wordt de indicator vanaf het jaar 2021 definitief geschrapt.

Artikel V. Besluit politiegegevens

Dit betreft een wetstechnische aanpassing van twee verwijzingen, die voortvloeit uit artikel I, onderdelen C en FF, van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong. Deze aanpassing heeft geen materieel gevolg.

Artikel VI. Besluit SUWI

A

In artikel 5.1, eerste lid, van het Besluit SUWI wordt de aanduiding van de soort gegevens die behoren tot de gegevensset van de polisadministratie aangepast aan de inhoud van de gegevensset, die is opgenomen in de tabel van bijlage I van het Besluit SUWI. Dit betreft vooral aanpassingen aan wijziging van wetten die wel verwerkt zijn in bijlage I maar niet in deze algemene aanduiding in artikel 5.1. De genoemde gegevens zijn niet altijd even relevant voor personen die vrijwillig verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. In welke mate dit het geval is blijkt uit de kruisjes in bijlage I in de kolom «UWV 33.2d». Soms is de bron iets aangepast. Zo is rekening gehouden met de totstandkoming van de Wet basisregistratie personen en de daarin opgenomen basisregistratie gegevens. De landcode ISO zijn de codes die in de aangifte loonheffingen zijn opgenomen. Voorts is bij de loongerelateerde gegevens in algemene zin aangegeven dat het ook gegevens betreft die van belang zijn voor de heffing van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen en aanvragen van tegemoetkomingen loondomein. Dit omdat veel gegevens in de gegevensset bepalen wat de hoogte van de verschillende premies werknemersverzekeringen zijn. Voorts dient de polisadministratie als bron voor de tegemoetkomingen loondomein en zijn de gegevens bepalend om vast te stellen welk loonkostenvoordeel door de werkgever is aangevraagd. Tot slot is bij loongerelateerde gegevens het aantal SV-dagen geschrapt, maar wel bij lonen vermeld, dat dit ook het SV-loon betreft. Dat neemt niet weg dat de lonen, die genoemd worden in onderdeel i, zowel het loon voor de loonbelasting (LB) en de premieheffing volksverzekeringen (PV) als het loon voor de premieheffing en uitkeringsverstrekking werknemersverzekeringen (loon SV) betreft.

C

Verzekeraars kunnen het WGA-risico voor vast en flexibel personeel alleen verzekeren wanneer zij in staat worden gesteld om een goede inschatting te maken van het risico. Er moeten dan juiste en actuele statistische gegevens beschikbaar zijn, op basis waarvan verzekeraars een risico-inschatting kunnen maken en daarmee een premie kunnen bepalen.

In artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit SUWI is een limitatieve lijst opgesteld met gegevens die het UWV aan levens- en schadeverzekeraars mag verstrekken. Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven behoefte te hebben aan een wijziging van artikel 5.14 ten behoeve van een betere risico-inschatting waarmee verzekeraars de premie kunnen bepalen. Met de wijziging van dit artikel wordt verduidelijkt dat de bedrijfsgrootte mag worden verstrekt, en wordt toegevoegd «code payrolling» als bedoeld in de Codes voor de aangifte loonheffingen van de Belastingdienst.

B en E

De wijzigingen in de tabel van bijlage I van het Besluit SUWI houden verband met de inwerkingtreding van de in de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) opgenomen WW-premiedifferentiatie per 1 januari 2020 en het per die datum in de Wab geregelde recht van werknemers die op payrollbasis werken op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever. Vergelijkbare wijzigingen worden per 1 januari 2020 aangebracht in de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. In bijlage I bij het Besluit SUWI wordt een overzicht gegeven van de in de polisadministratie opgenomen gegevens, voor welk doel die gegevens worden verwerkt, en hoe die gegevens worden verkregen.

De aanwas in het cumulatieve premieloon sectorfonds, de sectorpremie en de AWf-premie worden vervangen door de aanwas in de respectievelijke cumulatieve premielonen AWf hoog, laag en herzien en de bijbehorende premies. Welke twee van de zes gegevens worden gevuld, is afhankelijk van welke premie de werkgever afdraagt op grond van artikel 27 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Van herzien is sprake als de lage premie met terugwerkende kracht wordt herzien op basis van artikel 2.3 van het Besluit Wfsv. De vier niet van toepassing zijnde velden worden gevuld met nul. (Onderdeel D, onder 4 en 5)

De bestaande code contract onbepaalde/bepaalde tijd wordt vervangen door vier nieuwe indicatierubrieken. De indicatierubrieken arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, schriftelijke arbeidsovereenkomst en oproepovereenkomst corresponderen met de voorwaarden die in artikel 27, eerste lid, van de Wfsv worden gesteld aan het afdragen van de lage premie. Deze rubrieken zijn noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de juiste premie is afgedragen. De indicatie jaarurennorm wordt toegevoegd om te kunnen onderkennen of de lage WW-premie wordt afgedragen op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wfsv jo. artikel 628a, negende lid, onderdeel a, onder 2°, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. (Onderdeel D, onder 7)

De code cao inlener wordt toegevoegd in verband met het in de Wab geregelde recht van werknemers die op payrollbasis werken op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever. De informatie uit deze code is onder meer relevant voor het recht van een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen. (Onderdeel D, onder 8)

De code reden einde inkomstenverhouding flexwerker wordt vervangen door de code reden einde arbeidsovereenkomst. De reden van het einde van een arbeidsovereenkomst is immers ook relevant voor niet-flexwerkers, onder andere voor het vaststellen van het recht op WW. (Onderdeel D, onder 3)

In bijlage I bij het Besluit SUWI wordt aangegeven met een kruisje of en voor welke taak het gegeven noodzakelijk is voor het UWV, de Belastingdienst of het CBS. In onderdeel D, onder 6, wordt geregeld dat het gegeven «aantal contracturen per week» ook door het UWV wordt gebruikt voor de werknemersverzekeringen en besluiten over recht op uitkering of verstrekking. Dit gegeven wordt relevant voor het UWV omdat de lage WW-premie zal worden herzien indien de werknemer binnen een kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan contractueel voor dat jaar overeengekomen. Het UWV zal het aantal contracturen vergelijken met het aantal verloonde uren en in het geval van overschrijding van deze 30% een signaal hierover doorgeven aan de Belastingdienst.

De gegevens uit de gegevensset van de polisadministratie zoals opgenomen in Bijlage I bij het Besluit SUWI kunnen door het UWV ook verstrekt worden op grond van artikel 73, eerste tot en met vierde lid, Wet SUWI, aan instanties zoals pensioenuitvoerders, cao-partijen of financiële instellingen, voor zover dit is bepaald in artikel 5.12, eerste lid, Besluit SUWI. In onderdeel B wordt artikel 5.12, eerste lid, van het Besluit SUWI aan de wijzigingen in dit verzamelbesluit aangepast.

D

Aan artikel 6.1 wordt toegevoegd dat het Besluit SUWI mede berust op artikel 33, elfde lid, van de Wet SUWI.

Artikel VII. Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong

In artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) is met ingang van 1 januari 2019 bepaald, dat niet als studerende wordt aangemerkt degene die studiefinanciering in de vorm van een levenlanglerenkrediet ontvangt.

Artikel 1:4, is, na het vervallen van de uitsluitingsgrond «studerende zijn» in het huidige artikel 1a:6, onderdeel a, van de Wajong (zie artikel I, onderdeel C van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong) en het vervallen van de studieregeling in de Wajong 2010 (zie artikel I, onderdeel U), nog van belang voor de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Wajong op grond van artikel 1a:1, eerste lid, onderdeel b, jo. tweede lid, van die wet. In theorie kan ook nog sprake zijn van instroom in de Wajong 2010 (art. 2:3, eerste lid, onderdeel b, jo tweede lid) en de oWajong (art. 3:2, onderdeel b) «als studerende». Door in het Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong een uitzondering te maken voor de persoon die een levenlanglerenkrediet ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000, wordt diegene uitgesloten van het begrip studerende, als bedoeld in artikel 1:4 van de Wajong. Dit om te voorkomen dat deze personen via het Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong alsnog kunnen instromen in de Wajong.

Artikel VIII. Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES

Dit betreft het herstel van een foutieve zinsopbouw.

Artikel IX. Besluit van 18 juni 2015, houdende wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet werk en zekerheid, het invoeren van een ontheffing in verband met de zorg voor een pasgeboren kind bij overlijden van de moeder, een wijziging van het Remigratiebesluit in verband met de berekenwijze van de jaarlijkse indexatie van de remigratie-uitkeringen, het vrijlaten van de afkoopsom klein pensioen voor verschillende uitkeringen in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten alsmede enkele technische wijzigingen in enkele besluiten

In dit artikel wordt de inwerkingtredingsbepaling van een nog niet in werking getreden wijziging van artikel 2.3, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten aangepast, waarin een verwijzing naar het Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) wordt geschrapt in onderdeel c van laatstgenoemd artikellid. De inwerkingtreding daarvan was bepaald op het moment waarop artikel I, onderdeel Ca, van de Wet werk en zekerheid in werking (WWZ) treedt. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet arbeidsmarkt in balans is de regering in de motie Bruins/ Heerma1 verzocht een uniforme wachttijd in te voeren. Mogelijk zal in verband daarmee een ministeriële regeling worden ingevoerd die daarin voorziet, en tevens in een uitzondering op de loondoorbetalingsplicht bij buitengewone natuurlijke omstandigheden. Bij invoering van een dergelijke regeling is het nodig dat artikel I, onderdeel Ca, van de WWZ als grondslag voor die regeling in werking treedt. Anders dan eerder beoogd zal bij invoering van een dergelijke regeling artikel 8 van het BBA nog niet vervallen. Daarom ligt het in de rede om de verwijzing naar het BBA in artikel 2.3, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten nog niet te schrappen op het moment waarop artikel I, onderdeel Ca, van de WWZ in werking treedt, maar op het moment waarop (artikel 8 van) het BBA vervalt.

Hetzelfde geldt voor de inwerkingtreding van artikel 5:1b, die een overgangsbepaling bevat in verband met het vaststellen van het inkomen in verband met het vervallen van artikel 8 van het BBA. Ook die bepaling dient nog niet in werking te treden zo lang artikel 8 van het BBA nog niet is vervallen. Om die reden wordt voor de inwerkingtreding ervan niet langer gerefereerd aan het moment waarop artikel I, onderdeel Ca, van de WWZ in werking treedt, maar wordt gerefereerd aan het moment waarop artikel 8 van het BBA vervalt.

Met het oog op deze beide punten wordt artikel XI, onderdeel a, van het Besluit van 18 juni 2015, houdende wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet werk en zekerheid, het invoeren van een ontheffing in verband met de zorg voor een pasgeboren kind bij overlijden van de moeder, een wijziging van het Remigratiebesluit in verband met de berekenwijze van de jaarlijkse indexatie van de remigratie-uitkeringen, het vrijlaten van de afkoopsom klein pensioen voor verschillende uitkeringen in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten alsmede enkele technische wijzigingen in enkele besluiten (Stb 2015, 242) aangepast.

Artikel X. Besluit van 19 juni 2019, houdende nadere regels over oproepovereenkomsten

In het Besluit van 19 juni 2019, houdende nadere regels over oproepovereenkomsten (Stb. 2019, 233) (hierna: Besluit oproepovereenkomsten) is geregeld dat bepaalde arbeidsovereenkomsten niet als oproepovereenkomsten kwalificeren. Dit is van belang voor de toepassing van de oproepmaatregelen en WW-premiedifferentiatie naar de aard van het contract, beide onderdeel van de Wet arbeidsmarkt in balans op grond van artikel 27 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 7: 628a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook is dit van belang voor de juiste toepassing van de vastlegging op de loonstrook. In het Besluit oproepovereenkomsten is geregeld dat een arbeidsovereenkomst niet wordt beschouwd als een oproepovereenkomst in de zin van artikel 7:628a BW indien – naast de vastgelegde omvang van de arbeid als één aantal uren per tijdseenheid als bedoeld in artikel 7:628a, negende lid, BW – bereikbaarheidsdiensten in de zorg of consignatiediensten zijn overeengekomen die worden vergoed of gecompenseerd in vrije tijd. Hieraan was, omwille van de zichtbaarheid van deze diensten in de loonaangifte, toegevoegd dat er sprake moet zijn van een vergoeding of compensatie in vrije tijd per uur. Gevolg daarvan zou tevens zijn dat, indien vergoeding per uur plaatsvindt en deze diensten meer dan 30% van de overeengekomen arbeidsomvang omvatten, de werkgever de premie zou moeten herzien naar de hoge WW-premie.

Voorwaarde voor de uitvoerbaarheid van deze bepaling door werkgevers is dat deze verloningsvormen worden toegestaan in collectieve arbeidsovereenkomsten. Nu blijkt dat veel cao’s alleen verloning of compensatie in vrije tijd per dienst mogelijk maken. Het vereiste dat er sprake moet zijn van een verloning of compensatie per uur zou dus problemen opleveren voor de implementatie van de oproepmaatregelen én WW-premiedifferentiatie in de sectoren waarbij consignatie- en beschikbaarheidsdiensten niet per uur, maar per dienst verloond of gecompenseerd worden. Zulke diensten zouden ertoe leiden dat de hele arbeidsovereenkomst als oproepovereenkomst gekwalificeerd wordt en dat de hoge WW-premie van toepassing zou zijn. Dat is niet beoogd en ongewenst.

Omwille van de uitvoerbaarheid voor werkgevers per 2020 zonder noodzaak tot snelle aanpassing van cao’s, wordt met dit besluit geregeld dat het vereiste per uur vervalt. Zoals eerder aangekondigd zal de regering wel actief inzetten op het monitoren van omzeiling van de hoge WW-premie.2 In 2021 zal dit onderzoek worden verricht, met het oog op mogelijke omzeiling in 2020. Ontwijking van de hoge WW-premie via het (buitensporig) gebruik van consignatie- en beschikbaarheidsdiensten zal in dit onderzoek worden meegenomen.

Gevolg van deze wijziging is dat de uren in de hiervoor bedoelde bereikbaarheids- en consignatiediensten in veel gevallen niet zullen meetellen voor de vraag of herziening van de lage WW-premie aan de orde is op basis van de 30%-regel. Echter, ook mét het vereiste per uur leidt compensatie in vrije tijd (tijd-voor-tijd) al niet tot extra verloonde uren die relevant zijn voor de 30%-regel. Het ligt voor de hand dat veel werkgevers deze wijze van beloning zouden zijn gaan hanteren per 1 januari 2020. Dat vermindert nu al de effectiviteit van het per-uurvereiste. Daarom zal het vervallen van dit vereiste naar verwachting een beperkt effect hebben op de toepasselijkheid van de hoge WW-premie.

Artikel XI. Besluit van 24 juni 2019 tot wijziging van het Besluit Wfsv in verband met aanpassing van de premiedifferentiatie voor de WW en afschaffing van de sectorfondsen

Met het Besluit van 24 juni 2019 tot wijziging van het Besluit Wfsv in verband met aanpassing van de premiedifferentiatie voor de WW en afschaffing van de sectorfondsen (Stb. 2019, 236) wordt het Besluit Wfsv gewijzigd in verband met de introductie van WW-premiedifferentiatie naar de aard van het contract, onderdeel van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab). Gebleken is dat er verschil van inzicht kan bestaan over de interpretatie van het nieuwe artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van dat besluit. Uit de bestaande formulering blijkt niet ondubbelzinnig dat ook herziening van de lage WW-premie dient plaats te vinden als de dienstbetrekking precies twee maanden heeft geduurd (bijvoorbeeld als de eerste dag van de dienstbetrekking op 1 april 2020 is en de laatste dag op 31 mei 2020). Dit is wel de beoogde uitleg van deze herzieningssituatie, aangezien deze bedoeld is om misbruik van de proeftijd te voorkomen. Om mogelijke onduidelijkheid weg te nemen, is de formulering van de betreffende onderdelen in het hiervoor genoemde wijzigingsbesluit verduidelijkt.

Artikel XII. Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

De artikelen 12b, eerste lid, en 12e, vijfde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen worden gewijzigd ter verduidelijking van de referteperiode en de vaststelling van het dagloon voor uitkeringen op grond van de Ziektewet. De wijzigingen betreffen redactionele verduidelijkingen en hebben geen gevolgen voor de uitvoering.

A

Artikel 12b, eerste lid, wordt gewijzigd ter verduidelijking van de wijze waarop de referteperiode voor de Ziektewet wordt vastgesteld. De zinsnede «de ziekte is ingetreden» geeft in de praktijk onduidelijkheid, omdat de dag waarop de ziekte is ingetreden niet altijd overeenkomt met de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Bij de vaststelling van de referteperiode is het echter de bedoeling dat de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet in aanmerking wordt genomen.

B

Artikel 12e, vijfde lid, wordt gewijzigd ter verduidelijking van de wijze waarop het dagloon voor uitkeringen op grond van de Ziektewet wordt vastgesteld. Het gaat om de situatie waarin de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden is aangevangen na afloop van de referteperiode. Het dagloon wordt in dat geval berekend door het loon en de vakantiebijslag (factoren A, B en C) genoten in de dienstbetrekking te delen door het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop de ziekte is ingetreden (factor D). De zinsnede «de dag waarop de ziekte is ingetreden» geeft in de praktijk echter onduidelijkheid, omdat de dag waarop de ziekte is ingetreden niet altijd overeenkomt met de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Het is echter de bedoeling dat de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van het aantal dagloondagen. Deze datum wordt ook gebruikt als peildatum voor de vaststelling van de referteperiode (artikel 12b, eerste lid).

Artikel XIII. Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit.

Daar artikel II, onderdeel B, onder 2, een reparatie betreft, treedt dat onderdeel – in afwijking van de vaste verandermomenten – in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Hierdoor blijft de terugwerkende kracht zo kort als mogelijk. Voor de reden voor de terugwerkende kracht van het betreffende onderdeel wordt verwezen naar de bijbehorende artikelsgewijze toelichting.

De artikelen III, V en VII treden in werking op hetzelfde moment waarop artikel I, onderdeel C, R, U en FF van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong in werking treden. Deze wijzigingen houden immers met elkaar verband.

Artikel IV, onderdelen B en C, treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. De tijdige publicatie van deze aanpassing maakt het mogelijk om de uitkering aan het college (conform artikel 69, vierde lid) ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft bekend te maken.

Daar artikel XI de aanpassing is van een wijzigingsbesluit dat in werking treedt op 1 januari 2020 moet dit artikel voor die tijd inwerkingtreden. Daarom treedt het – in afwijking van de vaste verandermomenten – in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Daar artikel XII een reparatie betreft, treedt dat artikel – in afwijking van de vaste verandermomenten – in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 52.

X Noot
2

Zie ook Staatsblad 2019, 236.