Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2019, 385Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 24 oktober 2019, houdende vaststelling van het tijdstip waarop de artikelen I tot en met V, VIII, VIIIA, IXA en IXB van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, de Aanpassingswet Wnra, het Aanpassingsbesluit Wnra en het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 in werking treden

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 15 oktober 2019, nr. 2019-0000529322;

Gelet op artikel XI, tweede lid, van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, artikel 11.5, eerste lid, van de Aanpassingswet Wnra, artikel 8.4 van het Aanpassingsbesluit Wnra en artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Met ingang van 1 januari 2020 treden in de hieronder aangegeven volgorde in werking:

  • a. artikel 2.18 van de Aanpassingswet Wnra;

  • b. artikel I, met uitzondering van de artikelen 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017, de artikelen II tot en met V, de artikelen VIII, VIIIA, IXA en IXB van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren;

  • c. de Aanpassingswet Wnra, met uitzondering van de artikelen 2.18 en 6.18, onderdelen A en B, het Aanpassingsbesluit Wnra en het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017;

  • d. de artikelen 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 oktober 2019

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Uitgegeven de zesde november 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De overgang van een bestuursrechtelijke naar een privaatrechtelijke rechtspositie voor ambtenaren is met ingang van 1 januari 2020 een feit. Met ingang van die datum treden de meeste artikelen van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra), de meeste bepalingen van de Aanpassingswet Wnra en alle overige aanpassingswet- en regelgeving in werking.

Artikel X van de Wnra is op grond van artikel XI, eerste lid, van die wet reeds met ingang van 10 maart 2017 in werking getreden.1

Artikel VI van de Wnra is met ingang van 1 november 2019 in werking getreden.2 Artikel 2.18, onderdeel D, van de Aanpassingswet Wnra voorzag in een technisch reparatie van artikel VI. Dat onderdeel kon echter niet op 1 november 2019 in werking treden omdat de Aanpassingswet Wnra niet gedifferentieerd in werking kan treden. Bovendien zou dan vanaf 1 november 2019 worden verwezen naar artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017, terwijl die bepaling pas vanaf 1 januari 2020 van kracht wordt. Artikel 2.18, onderdeel D, van de Aanpassingswet Wnra wordt met het oog daarop via artikel I, onderdeel Cb, onder 2, van het voorstel voor een Verzamelwet SZW 20203 ingetrokken.

Artikel XVIIE van het voorstel voor een Verzamelwet SZW 20204 stelt artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonvorming met ingang van 1 januari 2020 opnieuw vast, zodat de met artikel 2.18, onderdeel D, van de Aanpassingswet Wnra beoogde wijziging alsnog wordt doorgevoerd.

Artikel XVIIB van het voorstel voor een Verzamelwet SZW 20205 trekt artikel VII Wnra in. Die bepaling regelde dat artikel 2, derde lid, van de Wet minimumloon minimumvakantiebijslag vervalt. Bedoeld was om de bepaling die regelde dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing was op arbeidsovereenkomsten met de Staat, provincies, gemeenten en waterschappen, te schrappen.6 Die bepaling is sinds 1 januari 2018 echter opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wet minimumloon en mimimumvakantiebijslag.7 Artikel 2, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag moet als delegatiebevoegdheid blijven bestaan. Artikel VII van de Wnra was daarmee achterhaald. In plaats daarvan dient artikel 3, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag te vervallen, zodat ambtenaren met een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2020 onder de reikwijdte van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag gaan vallen. Deze wijziging is opgenomen in artikel XVIIA, onderdeel A, van het voorstel voor een Verzamelwet SZW 2020; artikel XVIIB van die wet laat artikel VII Wnra vervallen.8

De onderdelen A en B van artikel 6.18 van de Aanpassingswet Wnra treden op grond van artikel 11.5, tweede lid, van die wet op een later moment in werking. De inwerkingtreding van die onderdelen wordt apart geregeld. De overige Nederlandse wetten en algemene maatregelen van bestuur, die in verband met de normalisering van de ambtelijke rechtspositie tot stand zijn gebracht, treden op grond van dit koninklijk besluit in werking met ingang van 1 januari 2020. De inwerkingtreding van rijkswet- en regelgeving wordt niet in dit koninklijk besluit geregeld.

Onderdeel a

Artikel 2.18 van de Aanpassingswet Wnra wijzigt de Wnra. Deze wijzigingen dienen dan ook te worden verwerkt alvorens de Wnra zelf in werking treedt. Artikel 2.18 van de Aanpassingswet Wnra komt daarom als eerste in de volgorde van inwerkingtreding. Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat het gehele artikel 2.18 in deze stap dient te worden verwerkt. Dit geldt dus ook voor de door deze bepaling aangebrachte wijzigingen in de artikelen 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017, zoals vastgesteld door artikel I van de Wnra.

Onderdeel b

De volgende stap is de inwerkingtreding van de Wnra zelf. Dit is, zoals eerder beschreven, met uitzondering van de artikelen VI en X, die eerder al in werking zijn getreden en artikel VII, dat niet in werking treedt.

Daarnaast komen de artikelen 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017 zoals vastgesteld door artikel I van de Wnra aan het eind van de volgorde. Artikel 14 van de Ambtenarenwet 2017 regelt de omzetting van ambtelijke aanstelling in arbeidsovereenkomsten en andere overeenkomsten naar burgerlijk recht. Artikel 17 van de Ambtenarenwet 2017 regelt het vervallen van bestaande rechtspositieregelingen en de doorwerking daarvan als ware het een collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao), voor zover er geen cao is. Deze bepalingen treden als laatste in de volgorde in werking.

Dat deze bepalingen als laatste in de volgorde komen is ten eerste nodig vanwege het in artikel 11.1, 11.2 en 11.2a van de Aanpassingswet Wnra geregelde overgangsrecht. Artikel 11.1 regelt overgangsrecht voor leden van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges. Dat overgangsrecht houdt in dat de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet van toepassing blijven voor zover die reeds van toepassing waren. Hetzelfde geldt voor daarop gebaseerde regelgeving die op deze leden van (overeenkomstige) toepassing is. Om onduidelijkheden te voorkomen over of deze besluiten desondanks op grond van artikel 17, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 vervallen, wordt geregeld dat in de volgorde van inwerkingtreding artikel 17 van de Ambtenarenwet 2017 als laatste komt.

De artikelen 11.2 en 11.2a van de Aanpassingswet Wnra bevatten overgangsrecht ten aanzien van veiligheidsregio’s en andere openbare lichamen die taken uitoefenen in het kader van de brandweerzorg. Voor het personeel van deze openbare lichamen, met uitzondering van ambulancepersoneel, wordt de overgang naar het private arbeidsrecht uitgesteld. Dit betekent dat ambtelijke aanstellingen en rechtspositieregelingen moeten blijven bestaan. Om onduidelijkheden hierover te voorkomen wordt geregeld dat in de volgorde van inwerkingtreding de artikelen 11.2 en 11.2a van de Aanpassingswet Wnra eerder komen dan artikel 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017.

Ten tweede dienen een aantal algemene maatregelen van bestuur, die (mede) gebaseerd zijn op de Ambtenarenwet en op grond van artikel 17, eerste lid, van artikel I van de Wnra zouden vervallen, te blijven bestaan. Dit geldt voor rechtspositiebesluiten betreffende ambtenaren van politie en defensiepersoneel. Hiervoor heeft de wetgever reeds in een nieuwe grondslag voorzien via een wijziging van artikel 47 van de Politiewet 2012 (artikel IIA Wnra) en het nieuw ingevoegde artikel 12o in de Wet ambtenaren defensie (artikel IIB Wnra en artikel 2.18, onderdeel C, Aanpassingswet Wnra). Het Aanpassingsbesluit Wnra voorziet erin dat die rechtspositiebesluiten voortaan op de nieuwe grondslagen zijn gebaseerd. Om onduidelijkheden te voorkomen over of deze besluiten desondanks op grond van artikel 17, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 vervallen, wordt geregeld dat in de volgorde van inwerkingtreding artikel 17 van de Ambtenarenwet 2017 als laatste komt.

Onderdeel c

Bij deze stap treden de Aanpassingswet Wnra, met uitzondering van de artikelen 2.18 en 6.18, onderdelen A en B, het Aanpassingsbesluit Wnra en het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 in werking.

Voor artikel 6.18, onderdelen A en B, bevat artikel 11.5, tweede lid, van de Aanpassingswet Wnra een aparte voorziening omtrent het tijdstip van inwerkingtreding. Dit hangt samen met de uitgestelde invoering van het private arbeidsrecht voor veiligheidsregio’s. Dit uitstel wordt geregeld door artikel 11.2 van de Aanpassingswet Wnra. Zie hierover ook de toelichting op onderdeel b. Artikel 6.18, onderdelen A en B, past de Wet veiligheidsregio’s aan de Wnra aan. Deze aanpassingen dienen dan ook pas in werking te treden wanneer het private arbeidsrecht ook voor de veiligheidsregio’s gaat gelden. Dit is op het op grond van artikel 11.2, eerste lid, bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Artikel 11.5, tweede lid, van de Aanpassingswet Wnra regelt dat op dat tijdstip eveneens artikel 6.18, onderdelen A en B, in werking treedt. Dit koninklijk besluit regelt daarom niet de inwerkingtreding van die onderdelen.

Onderdeel d

Bij onderdeel b is reeds beschreven waarom de inwerkingtreding van de artikelen 14 en 17 van de Ambtenarenwet 2017 als laatste in de volgorde van inwerkingtreding komt.

De wet van 24 april 2019 tot aanpassing van wetten betreffende geldelijke voorzieningen van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden in verband met invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Stb. 2019, 177) treedt op grond van artikel IV van die wet als gevolg van dit besluit eveneens in werking met ingang van 1 januari 2020.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Stb. 2017, 123.

X Noot
2

Stb. 2019, 312.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2018/19, 35 275, nr. 5.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2018/19, 35 275, nr. 5.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2018/19, 35 275, nr. 5.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2010/11, 32 550, nr. 3, p. 36.

X Noot
7

Wet van 29 maart 2017 tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (Stb. 2017, 290).

X Noot
8

Kamerstukken II, 2018/19, 35 275, nr. 5.