Besluit van 23 januari 2019 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met het invoeren van een regeling voor zij-instromers in de voorschoolse educatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 2 januari 2019, nr. WJZ/1461882(9314), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 1.50b, aanhef en onder a, van de Wet kinderopvang;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 januari 2019, nr. W05.19.0002/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 21 januari 2019, nr. WJZ/1468964(9314), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De bezitter van een getuigschrift als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, die aantoonbaar is ingeschreven voor de scholing, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel b, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een beroepskracht voorschoolse educatie, met dien verstande dat dit slechts geldt:

    • a. indien hij niet eerder is ingeschreven voor dergelijke scholing;

    • b. gedurende de inschrijving voor de scholing, met dien verstande dat deze periode maximaal drie maanden voor de aanvang van de scholing begint en in ieder geval twee jaar na aanvang van de scholing eindigt;

    • c. indien hij voldoet aan de taaleis, bedoeld in artikel 4, lid 3a; en

    • d. indien bij het aanbieden van voorschoolse educatie ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4, ook op de groep aanwezig is, met dien verstande dat indien de groep uit meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen bestaat, dit geen beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, betreft.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel e, wordt «vormgegeven» vervangen door «vormgeven».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het keuzedeel, bedoeld in het tweede lid, is niet vereist indien:

    • a. de in het tweede lid genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarop de kwalificatie is gericht; of

    • b. de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aantoonbaar met gunstig gevolg scholing heeft afgerond die betrekking heeft op de kennis en vaardigheden, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, en die ten minste twaalf dagdelen omvat.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel A, en onderdeel B, subonderdeel 2, terug tot en met 1 januari 2018.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 23 januari 2019

Willem-Alexander

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

Uitgegeven de achtste februari 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit strekt ertoe het mogelijk te maken om een pedagogisch medewerker die is ingeschreven voor aanvullende scholing tot beroepskracht in de voorschoolse educatie, onder voorwaarden al in de voorschoolse educatie in te zetten. Tevens wordt het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het Besluit) verduidelijkt door middel van een aantal technische wijzigingen. Zie daarover de artikelsgewijze toelichting.

Voorschoolse educatie (hierna ook: «ve») maakt deel uit van het onderwijsachterstandenbeleid in gemeenten. Een kind kan door omgevingskenmerken het risico lopen op een onderwijsachterstand. Dat wil zeggen dat het minder goed presteert in het onderwijs dan een kind met hetzelfde leerpotentieel, maar met andere omgevingskenmerken. Het onderwijsachterstandenbeleid is gericht op het voorkomen en verkleinen van onderwijsachterstanden. Gemeenten en basisscholen ontvangen middelen van het Rijk om een extra aanbod te doen aan kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Gemeenten hebben de wettelijke taak om voorschoolse educatie te bieden aan peuters met een risico op een onderwijsachterstand. Door middel van voorschoolse educatie krijgen deze kinderen spelenderwijs een educatief aanbod waarmee hun ontwikkeling op het gebied van taal, rekenen, motoriek en op sociaal-emotioneel vlak op gestructureerde en samenhangende wijze wordt gestimuleerd. Hierdoor kunnen deze kinderen een betere start op de basisschool maken.

In het Besluit zijn waarborgen opgenomen die de kwaliteit van de voorschoolse educatie beogen te verzekeren. Deze zijn aanvullend ten opzichte van de eisen die gelden voor de kinderopvang. Zo moeten beroepskrachten die in de voorschoolse educatie werken niet alleen gekwalificeerd zijn om als pedagogisch medewerker in de kinderopvang te werken, maar ook scholing hebben gevolgd gericht op voorschoolse educatie. Tot nu toe moesten nieuwe pedagogisch medewerkers in de voorschoolse educatie deze scholing volledig hebben afgerond wanneer ze in de voorschoolse educatie wilden starten. Gebleken is dat er in de praktijk behoefte is aan de mogelijkheid om de zogenoemde «zij-instromers» (medewerkers die al wel gekwalificeerd zijn om in de kinderopvang te werken, maar de aanvullende opleiding gericht op voorschoolse educatie nog niet hebben afgerond) op een groep te kunnen inzetten. Om dit mogelijk te maken is een heldere zij-instroomregeling van belang waarin ruimte is voor gedegen scholingsprogramma’s voor voorschoolse educatie, waarin theorie, praktijkervaring en reflectieopdrachten verspreid over een langere periode aan bod komen.

In dit wijzigingsbesluit wordt geregeld onder welke voorwaarden pedagogisch medewerkers kunnen worden ingezet in de voorschoolse educatie1, wanneer zij volledig gekwalificeerd zijn voor de kinderopvang, maar nog niet de scholing voor de voorschoolse educatie hebben afgerond. Het doel is om daarmee de kwaliteit van de pedagogisch medewerkers en het aanbod van voorschoolse educatie beter te borgen en zo kinderen een betere start op de basisschool te geven. Tevens worden daarmee de regels voor de voorschoolse educatie meer in lijn gebracht met de regels die gelden voor zij-instroom in het beroep van leerkracht in het primair en voortgezet onderwijs.

2. Aanleiding

2.1 Aanscherping opleidingseisen beroepskrachten voorschoolse educatie

Om als beroepskracht ve werkzaam te kunnen zijn, geldt een aantal opleidingseisen. De beroepskracht ve moet een opleiding op ten minste mbo-niveau hebben afgerond die is gericht op het opdoen van pedagogische vaardigheden. Deze opleiding moet een onderdeel omvatten dat specifiek is gericht op het opdoen van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie. Dit is geregeld in artikel 4, eerste lid, tweede lid en derde lid, onderdeel a, van het Besluit.

Degene die wel een opleiding op ten minste mbo-niveau heeft afgerond gericht op het opdoen van pedagogische vaardigheden, maar in dat verband geen ve-opleiding heeft genoten, dient zich aanvullend te scholen om als beroepskracht ve werkzaam te zijn. Die mogelijkheid biedt artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het Besluit.

Voor deze aanvullende ve-scholing voor zij-instromers gelden sinds 1 januari 2018 strengere eisen.2 Zo dient de aanvullende scholing ten minste 12 dagdelen te omvatten en moet de scholing gericht zijn op het opdoen van de specifieke kennis en vaardigheden die nodig zijn voor een goede uitvoering van voorschoolse educatie.

2.2 Tekortkoming in huidige zij-instroomregeling zet kwaliteit van het aanbod ve onder druk

Gebleken is echter dat de aanscherping van de kwalificatie-eisen van de beroepskrachten ve tot uitvoeringsproblemen heeft geleid. In de voorschoolse educatie bestond tot nu toe geen regeling om zij-instromers onder voorwaarden al gedurende hun scholing in te zetten, zoals deze wel voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs bestaat. Verschillende gemeenten hebben aangegeven dat door het ontbreken van een dergelijke regeling voor voorschoolse educatie in combinatie met krapte op de arbeidsmarkt een ongewenste prikkel tot korte opleidingen is ontstaan en dat daarmee de kwaliteit van de zij-instromende beroepskracht ve onder druk kan komen te staan.

a. Ongewenste prikkel korte opleidingen

Als gevolg van de aanscherping is er een prikkel bij houders van een kindercentrum3 ontstaan om zij-instromers een kortdurende, sterk gecomprimeerde ve-scholing te laten volgen in plaats van langere ve-scholing, waarin ruimte is voor het opdoen van praktijkervaring. Voor 1 januari 2018 was er sprake van een uitvoeringspraktijk waarin zij-instromers bij de start van hun ve-opleiding al een scholingsbewijs ontvingen. Dit was mogelijk, omdat er geen nadere eisen aan het scholingsbewijs werden gesteld. Voor houders van een kinderopvangcentrum was er zodoende geen belemmering om te kiezen voor een gedegen, langere opleiding in plaats van een kortdurende ve-scholing, omdat zij-instromers al tijdens hun ve-opleiding als beroepskracht ve konden worden ingezet. Door de aangescherpte regels was dit niet langer mogelijk: het scholingsbewijs kan pas worden afgegeven wanneer er aan de volledige scholingseisen is voldaan en de deelnemer ten minste 12 dagdelen scholing heeft gevolgd. Door beroepskrachten ve kortdurende opleidingen te laten volgen, zijn zij snel inzetbaar op de werkvloer, maar ontbreekt de tijd om gedurende de opleiding praktijkervaring op te doen.

Langere ve-opleidingen worden door deskundigen als waardevol gezien, omdat daarin theorie, praktijkervaring en reflectieopdrachten over een langere periode aan bod kunnen komen. Juist die combinatie zorgt ervoor dat een beroepskracht ve het geleerde beter in de praktijk kan brengen en beter in staat zal zijn om peuters effectief te stimuleren in hun ontwikkeling. Dit komt de kwaliteit van ve ten goede. Hieruit moet echter niet worden afgeleid dat langere ve-opleidingen altijd een meerwaarde hebben ten opzichte van kortere ve-opleidingen. Voor sommige zij-instromers geldt bijvoorbeeld dat zij al over ruime praktijkervaring beschikken. In dat geval volstaat mogelijk scholing zonder praktijkcomponent. Het is belangrijk dat houders de mogelijkheid behouden om voor die ve-scholing te kiezen, die het beste past bij de lokale praktijk en bij de individuele pedagogisch medewerker die in de voorschoolse educatie aan de slag wil gaan. Het Besluit maakt het mogelijk dat houders van kindercentra dergelijk maatwerk kunnen blijven leveren.

Bovengenoemde uitvoeringsproblemen zijn besproken met betrokken veldpartijen.4 Op basis daarvan is de verwachting dat een belangrijke belemmering om te kiezen voor een langere en mogelijk kwalitatief betere ve-opleiding zal zijn weggenomen door het mogelijk te maken om gedurende de aanvullende scholing en een korte periode voorafgaand aan de start van de scholing in de voorschoolse educatie ingezet te kunnen worden.

b. Flexibiliteit bij de inzet van personeel

De personeelsvraag in de kinderopvang en ve is sterk conjunctuurgevoelig. Het is daarom van belang om werkgevers enige ruimte te bieden bij het inzetten van personeel zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit. Door de mogelijkheid te bieden om zij-instromers die hun scholing nog niet hebben voltooid als beroepskracht ve werkzaam te laten zijn op een ve-groep, kunnen zij op relatief eenvoudige manier (en verantwoorde wijze) ingezet worden en tegelijkertijd het geleerde in de praktijk brengen. Een houder die de zij-instromer een tweejarige ve-scholing wil laten volgen, hoeft deze dan niet meer twee jaar lang bovenformatief in te zetten. Het Besluit biedt houders van kindercentra daarom meer mogelijkheden om de bezetting rond te krijgen, zeker in tijden van krapte op de arbeidsmarkt. Deze flexibiliteit is ook van belang met het oog op de urenuitbreiding en kwaliteitsverbetering van de voorschoolse educatie die in het Regeerakkoord 2017–2021 «Vertrouwen in de toekomst» zijn aangekondigd.5

2.3 Aanpassing Besluit met terugwerkende kracht

Aan onderhavig besluit wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2018. Die terugwerkende kracht is nodig, omdat kort na de aanscherping van de scholingseisen werd geconstateerd dat er een ongewenste prikkel was ontstaan om gebruik te maken van korte opleidingen. Om die prikkel per direct weg te nemen kondigde de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media onderhavig besluit met terugwerkende kracht aan in een Kamerbrief van 7 maart 2018.6Aan die aankondiging wordt met dit besluit uitvoering gegeven.

3. Noodzaak van dit besluit

Om een voldoende kwalitatief aanbod voorschoolse educatie te kunnen realiseren zijn voldoende kwalitatief goed opgeleide beroepskrachten ve nodig. De kwalificatie-eisen om als beroepskracht ve te mogen werken op een ve-groep zijn vastgelegd in het Besluit. Het creëren van de mogelijkheid dat zij-instromers al gedurende hun inschrijving voor de vereiste ve-opleiding als beroepskracht ve op een ve-groep mogen werken, kan alleen door het wijzigen van het Besluit. Daarmee wordt de prikkel tot het volgen van kortere opleidingen weggenomen, wordt aan werkgevers meer flexibiliteit bij de inzet van personeel geboden en wordt een combinatie van leren en werken mogelijk gemaakt.

4. Inhoud regeling zij-instroom voorschoolse educatie

Met dit besluit wordt voorzien in een regeling om zij-instromers in het beroep onder heldere voorwaarden in te zetten op een ve-groep. Uitgangspunt blijft dat per acht kinderen ten minste één volledig gekwalificeerde beroepskracht ve ingezet moet worden (de beroepskracht-kind-ratio). De pedagogisch medewerker die is ingeschreven voor een aanvullende ve-opleiding wordt als gevolg van dit besluit gelijkgesteld met een beroepskracht ve en telt dus mee voor de beroepskracht-kind-ratio, mits deze pedagogisch medewerker wordt begeleid door een gekwalificeerde beroepskracht ve. Groepen tot en met acht kinderen worden in deze situatie dus begeleid door (minstens) één gekwalificeerde beroepskracht ve. De pedagogisch medewerker die de scholing voor ve nog moet afronden kan slechts bij die groep worden ingezet indien de beroepskracht ve daarbij aanwezig blijft. Voor groepen van meer dan acht kinderen geldt dat hieraan voorschoolse educatie kan worden aangeboden door een pedagogisch medewerker die nog ve-opleiding volgt en een gekwalificeerde beroepskracht ve (die begeleiding biedt). Zij tellen immers beiden mee voor de beroepskracht-kind-ratio. Bij deze grotere groepen geldt wel dat de beroepskracht ve niet een beroepskracht ve in de zin van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit mag zijn. Zie hierover nader de artikelsgewijze toelichting.

Naast de eis dat er steeds een gekwalificeerde beroepskracht ve op de groep aanwezig moet zijn, gelden voor de inzetbaarheid van de pedagogisch medewerker in de voorschoolse educatie de volgende eisen:

  • a. deze pedagogisch medewerker is niet eerder ingeschreven voor ve-scholing;

  • b. de inzetbaarheid beperkt zich tot een bepaalde periode: de duur van de inschrijving voor de scholing. Deze periode kan op zijn vroegst drie maanden voor de start van de scholing beginnen en loopt maximaal door tot twee jaar na start van de scholing; en

  • c. deze pedagogisch medewerker voldoet aan de overige kwalificatie-eisen die gelden op grond van het Besluit.

Over deze vereisten dient nog het volgende te worden opgemerkt.

Het inzetten van een pedagogisch medewerker die nog scholing voor ve volgt, maakt het mogelijk dat de tijdens de scholing opgedane kennis direct in de praktijk kan worden gebracht. Er is voor gekozen om de inzetbaarheid van deze pedagogisch medewerker zich uit te laten strekken over de periode waarin deze is ingeschreven voor de scholing, mits de scholing binnen drie maanden een aanvang neemt. Daarmee is het mogelijk om vooruitlopend op de scholing relevante praktijkkennis op te doen en is het voor houders van kindercentra gemakkelijker om fluctuaties in het personeelsbestand op te vangen.

In de brief waarin de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan de Tweede Kamer heeft bekendgemaakt dat hij het Besluit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018 wil aanpassen, was het voornemen opgenomen dat de inzet van een zij-instromer die in opleiding is waarschijnlijk niet langer zou mogen duren dan een jaar.7 Op grond van signalen uit het veld is gebleken dat verschillende opleidingen echter langer duren dan een jaar. De keuze voor een maximumduur van twee jaar maakt het mogelijk dat ook deelnemers van langere opleidingen gedurende hun gehele opleiding (mits deze niet langer dan twee jaar duurt) in de voorschoolse educatie kunnen worden ingezet.

De overige kwalificatie-eisen, met name de taaleis voor de voorschoolse educatie en de eisen die samenhangen met het werken als pedagogisch medewerker, blijven van toepassing, zodat de kwaliteit van de voorschoolse educatie geborgd blijft.

Deze regeling zorgt ervoor dat de voorschoolse sector op dit punt meer in lijn wordt gebracht met het funderend onderwijs, waarin zij-instromers die nog in opleiding zijn onder voorwaarden kunnen worden ingezet in het onderwijs. In de voorschoolse educatie wordt geen bekwaamheidsonderzoek naar een zij-instromer verplicht, zoals dat in het funderend onderwijs wel het geval is. De pedagogisch medewerker die is ingeschreven voor een opleiding gericht op voorschoolse educatie, is immers al volledig gekwalificeerd om in de kinderopvang te werken. Een onderzoek naar de geschiktheid voor het beroep is dan ook niet nodig. Bovendien mag een zij-instromer in de voorschoolse educatie nooit alleen op een groep staan. De zij-instromer werkt altijd onder begeleiding van een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve.

5. Gevoerd overleg; draagvlak regeling zij-instroom ve

Onderhavig besluit is tot stand gekomen na overleg met de Brancheorganisatie kinderopvang, de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, Sociaal Werk Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), enkele gemeenten, de Inspectie van het Onderwijs, GGD GHOR Nederland, het Nederlands Jeugd Instituut en diverse aanbieders van trainingen en scholingen. Het draagvlak voor de wijziging is groot. Zie ook paragrafen 7 en 8 van deze toelichting.

6. Toepassing Caribisch Nederland

Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie geldt niet voor het Caribisch deel van Nederland. Deze wijziging van het Besluit heeft dan ook geen consequenties voor Caribisch Nederland.

7. Uitvoeringsgevolgen en handhaafbaarheid

Het ontwerpbesluit is ter toetsing op uitvoeringsgevolgen en handhaafbaarheid voorgelegd aan GGD GHOR Nederland, de VNG en de Dienst Uitvoering Onderwijs (die mede heeft getoetst namens de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk). Met de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen is in dit besluit rekening gehouden. Daarmee is het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar.

Over de uitvoering van toezicht en handhaving wordt meer specifiek nog het volgende opgemerkt.

Naar aanleiding van de uitvoeringstoetsen zijn de eisen over de inzetbaarheid van een medewerker die nog ve-scholing volgt losgekoppeld van de scholingseisen die gesteld worden aan de beroepskracht ve. Hiermee wordt onduidelijkheid weggenomen over het meetellen van de medewerker die nog in opleiding is voor de beroepskracht-kind-ratio.

Ook is verduidelijkt dat een beroepskracht waarop artikel 4, vijfde lid, van het Besluit van toepassing is, in groepen van meer dan 8 kinderen niet als tweede beroepskracht werkzaam mag zijn, naast een medewerker die nog ve-scholing volgt. Zie nader de artikelsgewijze toelichting.

De eisen ten aanzien van de start scholing zijn aangepast, mede opdat duidelijker is welk moment als start van de scholing geldt; de beroepskracht moet zijn ingeschreven voor ve-scholing, die binnen 3 maanden na inschrijving een aanvang neemt.

Wat betreft de inhoud van door houders van kindercentra te leveren bewijsstukken geldt op grond van artikel 11 van de Regeling Wet kinderopvang dat kindercentra een administratie dienen te voeren waarmee tijdig gegevens kunnen worden verstrekt waaruit blijkt dat aan de geldende wettelijke eisen wordt voldaan. Op basis van die bepaling mag de toezichthouder verlangen dat voldoende concrete bewijsstukken omtrent de inschrijving voor de scholing aanwezig zijn.

Ten slotte is gevraagd naar nut en noodzaak van de aan dit besluit verleende terugwerkende kracht. Zie daarover paragraaf 2.3 van deze toelichting en de artikelsgewijze toelichting.

8. Internetconsultatie

In de periode van 30 augustus 2018 tot en met 25 september 2018 is het voorstel tot wijziging van het Besluit ter consultatie aangeboden via www.internetconsultatie.nl. Het doel van de consultatie was om een reactie te verkrijgen van belanghebbenden op de wijziging. Ook is gevraagd een reactie te geven op de vraag of de voorgestelde voorwaarden aan de uitzonderingstermijn van maximaal twee jaar de kwaliteit van ve voldoende borgen.

In totaal zijn tijdens de consultatieperiode 32 reacties binnengekomen. Daarvan is één reactie afkomstig vanuit een gemeente, twee vanuit brancheorganisaties en 24 vanuit kinderopvangorganisaties. Bij vijf reacties is geen bedrijfsnaam of organisatie ingevuld.

De reacties uit de internetconsultaties laten zien dat de voorgestelde wijziging als positief wordt gewaardeerd. Eén reactie was negatief over het Wijzigingsbesluit omdat het hierdoor te eenvoudig zou worden voor kinderopvangorganisaties om ve te kunnen aanbieden. In enkele reacties werd een verruiming van de reikwijdte van de uitzonderingsgrond bepleit. In dat verband werd aangegeven dat deze zich ook zou moeten uitstrekken over de inzet BBL’ers (deelnemers aan de Beroeps Begeleidende Leerweg), over de taaleis 3F, en over de periode tussen inschrijving voor de ve-scholing en de daadwerkelijke start van de scholing. In een paar reacties werd aangegeven dat een uitzonderingstermijn van één of anderhalf jaar volstaat, gezien de opleidingsduur van de ve-scholing. Uit de overige reacties bleek geen bezwaar tegen de termijn van twee jaar. Meerdere malen werd aangegeven dat twee jaar nodig is om ve ook in praktijk goed te kunnen leren uitvoeren en past bij de duur van de huidige scholing. Tot slot laten de reacties zien dat men overwegend van mening is dat de kwaliteit door de gestelde voorwaarden aan de uitzonderingstermijn van twee jaar voldoende wordt geborgd. In het bijzonder wordt hierbij verwezen naar de voorwaarde dat de zij-instromer altijd naast een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve op de groep dient te staan. Bovendien kan hierdoor ook coaching on the job plaatsvinden. Hieronder wordt nader ingegaan op de uitkomst van de consultatie.

Er werd in twee reacties gevraagd om ook ruimte te creëren ten aanzien van de taaleis 3F door naar analogie van de ve-scholing een termijn op te nemen waarbinnen de taaltraining en – toetsing na datum indiensttreding met goed gevolg moet zijn afgerond. Deze eis zou leiden tot knelpunten in de praktijk met betrekking tot het aannemen van personeel, zeker met de voorgenomen uitbreiding van het ve-aanbod van 10 naar 16 uur per week. Omdat bij de taaleis 3F het nut van het opdoen van praktijkervaring op de ve-groep in veel mindere mate geldt dan in het geval van de ve-scholing, en omdat voldoende taalbeheersing van de beroepskrachten op de groep juist bij peuters met een achterstand in de taalontwikkeling van cruciaal belang is, is hiervoor geen ruimte gecreëerd in het Besluit.

Er werd in een reactie op gewezen dat de in de consultatieversie voorgestelde wijziging van het Besluit zou kunnen betekenen dat de bezitter van een getuigschrift niet aangemerkt wordt als een beroepskracht voorschoolse educatie in de zin van de Wet kinderopvang en het Besluit, waardoor diegene niet zou mogen meetellen in het kader van de voorgeschreven beroepskracht-kind-ratio (BKR) van artikel 3 Besluit. De bezitter van een getuigschrift en een beroepskracht voorschoolse educatie die volledig voldoet aan alle scholingsvereisten zouden dan niet samen voorschoolse educatie mogen aanbieden aan een groep van meer dan 8 kinderen. Met onderhavige wijziging is juist beoogd dat dit wel is toegestaan. Mede naar aanleiding van deze reactie is onderhavig wijzigingsbesluit zo aangepast dat duidelijk is dat de bezitter van een getuigschrift die in scholing is voor voorschoolse educatie, meetelt voor de BKR.

In een reactie werd gevraagd om ook ruimte in het Besluit te creëren zodat BBL’ers, onder voorwaarden, kunnen worden ingezet op een groep met voorschoolse educatie. Dit vanwege onder meer de huidige en te verwachten krapte op de arbeidsmarkt, het hoge aandeel voorscholen binnen de totale kinderopvang in de desbetreffende gemeente, en het mogelijk tekort aan stageplekken om te kunnen voorzien in de vraag. De gevraagde aanpassing is verstrekkend, aangezien daarmee een dubbele uitzondering op opleidingsvereisten zou worden bewerkstelligd: de BBL’er is immers nog niet gekwalificeerd als pedagogisch medewerker én nog niet gekwalificeerd als beroepskracht ve. Bovendien valt de gevraagde aanpassing buiten de reikwijdte van dit wijzigingsbesluit. Daarom heeft deze reactie niet tot aanpassingen geleid.

In meerdere reacties, waaronder van twee brancheorganisaties, is gepleit voor een aanpassing van het wijzigingsbesluit, zodat de betreffende medewerker bij indiensttreding in plaats van aantoonbaar gestart te zijn met de opleiding, aantoonbaar moet zijn ingeschreven voor een ve-opleiding, waarbij deze opleiding binnen maximaal twee jaar na indiensttreding of na aanvang van de opleiding moet zijn afgerond. De reden hiervoor is dat opleidingen meestal op een aantal vaste momenten in het jaar starten, waardoor aanbieders van voorschoolse educatie beperkt flexibel zijn om zij-instromers te laten starten met de gewenste opleiding. Overwegende dat er al een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve op de groep staat die coaching on the job kan geven – waardoor het praktijkleren al direct start bij indiensttreding – is het wijzigingsbesluit aangepast zodat een bewijs van inschrijving voor een opleiding volstaat. Om te borgen dat de desbetreffende beroepskracht ook daadwerkelijk de opleiding start binnen afzienbare tijd, wordt aanvullend als eis gesteld dat de desbetreffende beroepskracht binnen drie maanden na indiensttreding moet zijn begonnen met de opleiding. Binnen twee jaar na aanvang daarvan moet deze opleiding zijn afgerond.

Eén reactie was negatief over het wijzigingsbesluit. Daarin werd gesteld dat het ve-programma alleen goed werkt wanneer het door goed gekwalificeerde krachten wordt uitgevoerd. Door de voorgestelde wijziging van het Besluit zouden deze ve-medewerkers niet voldoen aan de vereiste opleidings- en vaardigheidseisen waardoor het programma niet het gewenste effect zou hebben. De kwaliteit van ve op een groep wordt voldoende gewaarborgd doordat altijd een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve naast de medewerker in opleiding werkzaam moet zijn. Ook gaat het om een medewerker die al volledig gekwalificeerd is om als pedagogisch medewerker te mogen werken. Daarnaast dient deze medewerker ook daadwerkelijk scholing ve te volgen en is hier een maximumperiode aan gesteld. Hiermee wordt de kwaliteit op de ve-groep voldoende gegarandeerd en tegelijkertijd de gewenste combinatie van theorie en praktijk beter mogelijk gemaakt. Uit de overige reacties blijkt dat men overwegend van mening is dat de voorgestelde voorwaarden aan de uitzonderingstermijn de kwaliteit van ve voldoende borgen.

9. Administratieve lasten en regeldruk

De houder van een kindercentrum zal zorg moeten dragen voor een bewijsstuk dat de pedagogisch medewerker is ingeschreven voor de opleiding voor de ve-kwalificatie. Dit levert geen extra administratieve handeling op, omdat ook nu de houder met een bewijsstuk moet kunnen aantonen dat individuele beroepskrachten aan de kwalificatie-eisen voldoen.

10. Financiële gevolgen

De mogelijkheid tot zij-instroom zal naar verwachting niet leiden tot een toename van inhoudelijke nalevingskosten. Door dit Besluit worden extra salariskosten door boventallige inzet van pedagogisch medewerkers die nog bezig zijn met de aanvullende ve-opleiding voorkomen.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

In artikel 3, derde lid, van het Besluit wordt een regeling getroffen voor pedagogisch medewerkers die reeds gekwalificeerd zijn om in de kinderopvang te werken, maar de aanvullende scholing met betrekking tot voorschoolse educatie nog niet hebben afgerond: de zogenoemde «zij-instromers». Onder voorwaarden is het mogelijk om zij-instromers die in opleiding zijn in te zetten op een ve-groep. De inzetbaarheid van de zij-instromer beperkt zich tot de periode van inschrijving voor de scholing. Wel geldt dat deze periode op zijn vroegst drie maanden voor de start van de scholing kan beginnen en ten hoogste kan doorlopen tot twee jaar na start van de scholing. Daarnaast dient het te gaan om de eerste inschrijving voor dergelijke scholing. Het is derhalve niet mogelijk om onder deze uitzondering te blijven vallen door middel van herhaaldelijk inschrijven. Tot slot is vereist dat, naast de zij-instromer, altijd een volledig gekwalificeerde beroepskracht voorschoolse educatie bij een groep werkzaam is. De zij-instromer staat dus nooit alleen op een groep. Wordt aan deze eisen voldaan, dan wordt zij-instromer voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, beschouwd als beroepskracht ve. Het is mitsdien mogelijk dat een zij-instromer samen met een volledig gekwalificeerde beroepskracht ve aan een groep van meer 8 kinderen voorschoolse educatie aanbiedt. Zij tellen immers beiden mee voor de beroepskracht-kind-ratio. Voor groepen van meer dan 8 kinderen geldt wel dat deze beroepskracht ve niet een beroepskracht ve in de zin van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit mag betreffen. Bij het aanbieden van ve aan groepen van dergelijke grootte moet immers, gelet op het zesde lid, altijd een beroepskracht ve aanwezig zijn die de in artikel 4, eerste tot en met derde lid, omschreven opleiding heeft voltooid. Dat uitgangspunt blijft gehandhaafd. Zie voor een verdere toelichting paragraaf 4 van het algemene deel.

Artikel I, onderdeel B

Naast een tekstuele verbetering, wordt een aantal technische aanpassingen doorgevoerd, die ertoe dienen de overzichtelijkheid van het Besluit te verbeteren. Artikel 4, derde lid, is in zijn geheel geformuleerd als een uitzondering op het tweede lid. Bovendien is duidelijk gemaakt dat deze uitzondering enkel ziet op bezitters van een getuigschrift (eerste lid, onderdeel a), niet op bezitters van een erkenning van een beroepskwalificatie (eerste lid, onderdeel b). Het derde lid, onder a (nieuw) regelt immers een uitzondering op het tweede lid, waarin een regeling wordt getroffen voor beroepsopleidingen (bedoeld in het eerste lid, onderdeel a) waarvan een module over het verzorgen van voorschoolse educatie geen deel uitmaakt. Voorts is vervallen de passage in het derde lid dat de daar bedoelde scholing specifiek betrekking dient te hebben op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie. Die passage is immers overbodig, aangezien in het derde lid ook wordt verwezen naar de kennis en vaardigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e. Daarmee is voldoende duidelijk dat deze kennis en vaardigheden specifiek zien op voorschoolse educatie. Ten slotte is verduidelijkt dat de in het derde lid, onderdeel b (nieuw) vervatte eisen betrekking hebben op scholing. Die verduidelijking was nodig, omdat het derde lid voorheen (ten onrechte) kon worden opgevat alsof de daarin vervatte eisen slechts zagen op de inhoud van het bewijsstuk, niet mede op de inhoud van de scholing zelf. De houder van het kindercentrum blijft uiteraard verplicht om aan de toezichthouder bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat de werkzame beroepskrachten ve de vereiste scholing hebben afgerond, mede op grond van artikel 11 Regeling wet kinderopvang.

Artikel II

Dit besluit werkt terug tot het moment waarop de aangescherpte kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie in werking zijn getreden (Stb. 2017, 184), voor zover het betreft de onderdelen die zien op het inzetten van zij-instromers die zijn ingeschreven voor scholing. Zo wordt voorkomen dat de aangescherpte kwaliteitseisen een ongewenste prikkel tot het volgen van korte opleidingen tot gevolg hebben. De zij-instroomregeling van dit besluit is begunstigend: zij biedt meer ruimte voor kindercentrumhouders bij de inzet van zij-instromers in de voorschoolse educatie die nog in opleiding. Voor terugwerkende kracht is derhalve ruimte. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting. Met dit besluit wordt overigens afgeweken van de vaste verandermomenten, zodat genoemde ongewenste prikkel – en het nadelige effect daarvan op de kwaliteit van voorschoolse educatie – zo snel mogelijk wordt weggenomen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Dit besluit wijzigt het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, waarin de eisen die gelden voor voorschoolse educatie zijn vastgelegd. Voorschoolse educatie is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang gedefinieerd als «uitvoering van een door het college [van burgemeester en wethouders] gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten».

X Noot
2

Stb. 2017, 184.

X Noot
3

Voorschoolse educatie wordt aangeboden op een ve-locatie binnen een kindercentrum. Zie artikel 6 van het Besluit.

X Noot
4

Onderhavig besluit is tot stand gekomen na overleg met Brancheorganisatie kinderopvang, de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, Sociaal Werk Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), enkele gemeenten, de Inspectie van het Onderwijs, GGD GHOR Nederland, het Nederlands Jeugd Instituut en diverse aanbieders van trainingen en scholingen.

X Noot
5

In het Regeerakkoord is een investering van € 170 miljoen in voorschoolse educatie opgenomen om het aantal uren uit te breiden van 10 naar 16 uur per week. In de Kamerbrief Investeren in onderwijskansen (Kamerstukken II 2017/18, 27 020, nr. 78) van 31 januari 2018 is aangekondigd dat het kabinet met de € 170 miljoen ook in de verbetering van de kwaliteit wil investeren door meer medewerkers op hbo-niveau in te zetten in de ve.

X Noot
6

Kamerstukken II 2017/18, 31 322, nr. 349.

X Noot
7

Kamerstukken II 2017/18, 31 322, nr. 349.

Naar boven