Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 maart 2018
In deze brief informeer ik uw Kamer over mijn voornemen om met terugwerkende kracht
het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het Besluit) aan te passen op het gebied van het inzetten
van beroepskrachten in de voorschoolse educatie (hierna: ve). Hierdoor wordt het mogelijk
om onder voorwaarden een pedagogisch medewerker die nog bezig is met een training
of opleiding om als beroepskracht ve werkzaam te mogen zijn, formatief in te zetten
op een ve-groep. Dit voornemen licht ik hieronder nader toe. Ook roep ik gemeenten
op om met deze voorgenomen aanpassing rekening te houden bij de uitvoering van hun
toezicht- en handhavingstaken.
De eisen aan de ve-scholing zijn aangescherpt
Het Besluit bevat de kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie. Deze zijn aanvullend
ten opzichte van de eisen die gelden voor de kinderdagopvang. Zo moeten beroepskrachten
die in ve werken niet alleen gekwalificeerd zijn om als pedagogisch medewerker in
de kinderopvang te werken, maar ook aanvullende scholing hebben gevolgd gericht op
voorschoolse educatie. Deze aanvullende scholing kan onderdeel zijn van de initiële
opleiding, maar kan ook daarbuiten zijn gevolgd. In dat geval dient men een bewijs
te kunnen overleggen dat deze opleiding met goed gevolg is afgerond.
Per 1 januari 2018 zijn de eisen in het Besluit die gelden voor het verplichte bewijs
van aanvullende scholing op het gebied van voorschoolse educatie aangescherpt om de kwaliteit ervan beter te borgen. Medewerkers
dienen nu met goed gevolg een scholing van minimaal 12 dagdelen en gericht op ve te
hebben afgerond alvorens ze een scholingsbewijs ontvangen.
Uit het veld heb ik signalen ontvangen dat bovengenoemde nieuwe eisen leiden tot uitvoeringsproblemen,
waaronder een ongewenste vraag naar sterk gecomprimeerde opleidingen («crash courses»)
zonder praktijkcomponent, zodat pedagogisch medewerkers snel formatief kunnen worden
ingezet in de ve.
Voornemen tot wijziging van het Besluit
Gezien bovenstaande problematiek ben ik voornemens om het Besluit te wijzigen zodat
het onder voorwaarden mogelijk wordt om een tweede beroepskracht die nog bezig is
met aanvullende scholing formatief in te zetten. De mogelijkheid hiertoe is analoog
aan de bestaande mogelijkheid in het funderend onderwijs voor zij-instromers die al
voor de klas mogen staan terwijl zij nog in opleiding zijn. Concreet wil ik het Besluit
als volgt aanpassen:
-
– Uitgangspunt blijft dat de beroepskrachten ve volledig zijn gekwalificeerd om op een
ve groep te mogen staan.
-
– In afwijking hiervan kan op een ve-groep waar twee beroepskrachten ve worden ingezet,
worden volstaan met één voor ve gekwalificeerde beroepskracht, indien:
-
° de houder een bewijsstuk kan overleggen dat de tweede beroepskracht met de ve kwalificerende
opleiding is gestart, met daarin de startdatum van de opleiding, de einddatum en de
duur van de opleiding, en;
-
° deze persoon voldoet aan de overige kwalificatie-eisen die gelden vanuit het Besluit1; en
-
° deze afwijking niet langer duurt dan de duur van de ve-opleiding, met een bepaalde
maximumduur (waarschijnlijk 1 jaar).
De precieze invulling van de voorwaarden zal zo snel mogelijk nader worden uitgewerkt
en afgestemd met het veld.
Aanpassing met terugwerkende kracht
Mijn voornemen is om deze wijziging met terugwerkende kracht in werking te laten treden
met ingang van 1 januari 2018. De ruimte voor de toekenning van terugwerkende kracht
is er (1) omdat het een begunstigende maatregel betreft die een verruiming oplevert
voor kinderopvangcentra die ve aanbieden en pedagogisch medewerkers die als beroepskracht
ve werkzaam willen zijn en (2) omdat die tegelijkertijd waarborgt dat de aangescherpte
kwaliteitseisen in het Besluit geen ongunstige effecten voor de kwaliteit van de ve-opleiding
sorteren. Vanzelfsprekend zal de aanpassing van het Besluit voortvarend ter hand worden
genomen. Ook zal ik alle relevante partijen hierover zo snel mogelijk nader informeren.
Specifiek zal ik gemeenten oproepen om in hun toezicht en handhaving rekening te houden met de aankomende wijziging.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
A. Slob