Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 4

Gepubliceerd op 17 januari 2018 09:00
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier



Besluit van 9 januari 2018 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege wijziging van het inkooptarief voor nettopensioen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 2017, nr. 2017-0000171962;

Gelet op artikel 117a, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 115a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2017, no.W12.17.0355/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2017, nr. 2017-0000188679;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt artikel 41 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «een kostendekkend tarief» vervangen door: een dekkingsgraadneutraal tarief.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt het dekkingsgraadneutraal tarief gebaseerd op de dekkingsgraad van het fonds met als minimum de dekkingsgraad benodigd om te voldoen aan de vereisten van het minimaal vereist eigen vermogen, bedoeld in artikel 131 van de Pensioenwet dan wel artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de risicovrije rente gehanteerd en wordt rekening gehouden met tariefgrondslagen passend bij de groep deelnemers aan het nettopensioen. Indien de feitelijke premie voor de basispensioenregeling van het fonds gedeeld door de daarmee ingekochte jaarlijkse pensioenaanspraken leidt tot een hoger tarief dan bedoeld in de eerste zin, wordt dit hogere tarief gebruikt.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2016.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 9 januari 2018

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de zeventiende januari 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het kabinet heeft naar aanleiding van vragen van enkele leden van de Tweede Kamer toegezegd twee maatregelen te treffen om deelnemers aan een nettopensioenregeling bij pensioenfondsen tegemoet te komen.1 Deze maatregelen vormen tezamen een adequate oplossing voor de problematiek rondom het nettopensioen bij pensioenfondsen en doen ook recht aan de deelnemers in de basispensioenregeling. Het betreft in de eerste plaats een aanpassing van de inkooptarieven voor het nettopensioen bij pensioenfondsen en in de tweede plaats het introduceren van de wettelijke keuzemogelijkheid voor een andere aanbieder in de uitkeringsfase. De eerste maatregel wordt geregeld in het onderhavige besluit.

De maatregel werkt terug tot en met 1 september 2016 om deelnemers die reeds een nettopensioen bij een pensioenfonds hebben ingekocht of tot de inwerkingtredingsdatum van dit besluit gaan inkopen, zoveel mogelijk tegemoet te komen. Het dekkingsgraadneutraal inkooptarief geldt daarmee alsnog over de periode tussen het moment waarop inkoop van een netto-uitkering bij een verzekeraar met het bij een pensioenfonds opgebouwde kapitaal op basis van een nettopensioenregeling niet meer was toegestaan en de inwerkingtredingsdatum van dit besluit.

Het nettopensioen is een vrijwillige pensioenregeling die kan worden uitgevoerd door een pensioenfonds voor werknemers met een pensioengevend loon boven de zogenoemde aftoppingsgrens. Deelname aan deze nettoregeling is alleen mogelijk indien ook wordt deelgenomen aan de verplichte basispensioenregeling van een pensioenfonds. Het vermogen in de nettoregeling vormt op grond van artikel 123 van de Pensioenwet veelal één financieel geheel met het vermogen in de andere regelingen die een pensioenfonds uitvoert (verbod op ringfencing).

Om de middelen voor de basispensioenregeling voldoende te scheiden van de middelen voor de nettoregeling (fiscale hygiëne) zijn in artikel 41 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling voorwaarden gesteld aan de uitvoering voor een regeling voor nettopensioen. Deze voorwaarden beogen te voorkomen dat deelnemers aan de basispensioenregeling eventuele tekorten in de nettoregeling voor hun rekening moeten nemen.

Eén van deze voorwaarden betreft het voorschrift dat bij de omzetting van het opgebouwde kapitaal in een pensioenaanspraak- of recht een kostendekkend tarief moet worden gehanteerd conform artikel 128, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 123, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Consequentie van dit voorschrift is dat bij de bovengenoemde omzetting een opslag moet worden betaald om bij te dragen aan de financiering van de collectieve zekerheidsbuffer van een pensioenfonds ter hoogte van het vereist eigen vermogen, ongeacht de feitelijke vermogenspositie van het fonds. In voorkomende gevallen betaalt de deelnemer aan een nettopensioen hiermee voor een mate van zekerheid die hij op dit moment, gegeven de actuele stand van de dekkingsgraden bij veel pensioenfondsen, feitelijk niet krijgt. Hierdoor kunnen de huidige voorwaarden voor deelnemers aan een nettoregeling onevenwichtig uitvallen. In het onderhavige besluit wordt het inkooptarief zodanig aangepast dat deelnemers vaak tegen een gunstiger tarief nettopensioen in kunnen kopen bij hun eigen pensioenfonds, waarbij het voldoende scheiden van de middelen voor de verplichte basispensioenregeling en het nettopensioen het uitgangspunt blijft.

Gegeven dit uitgangspunt is in dit besluit opgenomen dat pensioenfondsen bij de omzetting van het opgebouwde nettokapitaal in een pensioenaanspraak- of recht een dekkingsgraadneutraal inkooptarief op basis van de risicovrije rente moeten hanteren. Dat wil zeggen dat de omzetting van het kapitaal in een pensioenaanspraak of -recht moet plaatsvinden op basis van een procentueel inkooptarief dat gelijk is aan de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds. Daarbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • 1) bij dekkingsgraadneutrale inkoop van nettopensioen wordt een ondergrens gehanteerd op basis van het minimaal vereist eigen vermogen conform artikel 131 van de Pensioenwet en artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

  • 2) bij dekkingsgraadneutrale inkoop van nettopensioen wordt geen bovengrens gehanteerd (dekkingsgraadneutraal tarief, ook als dekkingsgraad van een pensioenfonds boven het niveau van het vereist eigen vermogen ligt) en

  • 3) indien de feitelijke premie voor de basispensioenregeling van het fonds, gedeeld door de daarmee ingekochte jaarlijkse pensioenaanspraken, leidt tot een hoger tarief dan het dekkingsgraadneutrale inkooptarief moet dit hogere tarief gebruikt worden.

De eerste voorwaarde waarborgt dat deelnemers aan een nettopensioenregeling bijdragen aan de dekkingsgraad van een fonds tot in ieder geval het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen. Ook kunnen hiermee de beheerskosten voor uitvoering van de nettoregeling worden gedekt.

De tweede voorwaarde voorkomt dat de inkoop van een nettopensioen bij fondsen met hoge dekkingsgraden zou leiden tot subsidiëring vanuit het vermogen dat is gevormd ter financiering van de basispensioenregeling. Een begrenzing van het inkooptarief zou immers tot gevolg hebben dat het nettopensioen tegen een lager inkooptarief kan worden verkregen dan de actuele dekkingsgraad van het fonds.

Ten slotte wordt met de derde voorwaarde geborgd dat vanuit de basispensioenregeling niet in hogere mate wordt bijgedragen aan het herstel van de dekkingsgraad van een pensioenfonds dan vanuit de nettopensioenregeling op het moment van omzetting in een netto pensioenaanspraak of -uitkering.

Met deze voorwaarden is sprake van een evenwichtig pakket dat tegemoetkomt aan het belang van de deelnemers aan een nettopensioenregeling die een aantrekkelijker inkooptarief bij pensioenfondsen met relatief lage dekkingsgraden wordt geboden. Tegelijkertijd wordt door de gestelde voorwaarden recht gedaan aan de belangen van de deelnemers in de basispensioenregeling en wordt het uitgangspunt van fiscale hygiëne nog steeds in voldoende mate geborgd.

Voor dit besluit geldt een voorhangprocedure op grond van artikel 117a, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 115a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. In het kader van deze voorhangprocedure zijn schriftelijke vragen gesteld die met een brief van 12 oktober jl. zijn beantwoord (Kamerstukken II 2017/18, 32 043, nr. 387).

Administratieve lasten

Dit besluit leidt niet tot aanvullende gevolgen voor de regeldruk voor burgers of bedrijven ten opzichte van de gevolgen die al in de boeken zijn gezet op grond van artikel 41 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikelsgewijs

In artikel 41, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is een regeling opgenomen voor het inkooptarief dat een pensioenfonds moet hanteren in de situatie dat het kapitaal dat is opgebouwd in een regeling voor nettopensioen wordt omgezet in een (aanspraak op) een periodieke uitkering bij dit pensioenfonds. Omzetting kan op een aantal momenten: bij einde deelneming, bij overlijden van de deelnemer, gedurende de periode van tien jaar voorafgaand aan de pensioendatum of bij pensionering.

Er is geregeld dat het inkooptarief dekkingsgraadneutraal is en dus gebaseerd op de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds op het moment van omzetting. Daarbij geldt als minimum de dekkingsgraad waarbij voldaan wordt aan de vereisten voor het minimaal vereist eigen vermogen. Indien de feitelijke premie voor de basispensioenregeling aanleiding is tot een hoger tarief, dan wordt dit hogere inkooptarief gebruikt.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2016/17, 34 674, nr. 22.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl