Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2018, 193AMvB

Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW- en ZW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 april 2018, nr. 2018-0000061113;

Gelet op de artikelen 1b, zesde lid, van de Werkloosheidswet, 3:13, vierde lid, van de Wet arbeid en zorg en 15, tweede lid, van de Ziektewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 april 2018, W12.18.0083/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 juni 2018, nr. 2018-0000081756;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, derde lid, vervalt «of de dag waarop de dienstbetrekking is geëindigd».

B

In artikel 3, eerste lid, onderdeel b, vervalt «op de uitkeringen die niet onder loon worden begrepen genoemd in onderdeel a».

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «of indien artikel 2, vierde lid, van toepassing is».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit ziekengeld, is voor de toepassing van het eerste lid het ziekengeld de som van de uitkomst van de volgende berekening per aangiftetijdvak:

    (100 x G) / H

    waarbij:

    G staat voor het ziekengeld; en

    H staat voor:

    • a. 70; of

    • b. indien het uitkeringspercentage hoger is dan 70%, het uitkeringspercentage waarnaar het ziekengeld is berekend.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «verlof» vervangen door «verlof, ziekte».

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «in verband met verlof of werkstaking» wordt vervangen door «in verband met verlof, ziekte of werkstaking».

b. «aan dat verlof of die werkstaking» wordt vervangen door «aan dat verlof, die werkstaking of die ziekte».

3. In het tweede lid wordt «dat verlof of die werkstaking» vervangen door «dat verlof, die werkstaking of die ziekte».

E

Artikel 12c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt «op de uitkeringen die niet onder loon worden begrepen genoemd in onderdeel a».

2. In het tweede lid vervalt de laatste zin.

3. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien het tweede lid van toepassing is, geldt tevens als loon het ziekengeld dat is uitgekeerd gedurende de tussen de elkaar opvolgende dienstbetrekkingen liggende dagen. Het ziekengeld wordt gesteld op de uitkomst van de berekening, bedoeld in artikel 5, achtste lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «eerste en tweede lid» vervangen door «eerste, tweede en derde lid».

F

In artikel 12d, tweede lid, wordt «artikel 12c, tweede en derde lid» vervangen door «artikel 12c, tweede, derde en vierde lid».

G

Artikel 12e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «artikel 12c, tweede en derde lid» vervangen door «artikel 12c, tweede, derde en vierde lid».

2. In het zesde lid wordt «tweede of derde lid» telkens vervangen door «tweede, derde of vierde lid».

H

Artikel 12f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «artikel 12c, derde lid» vervangen door «artikel 12c, tweede, derde en vierde lid».

2. In het tweede lid wordt «als bedoel» vervangen door «als bedoeld».

I

Na artikel 27a worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 27b. Overgangsbepaling in verband met het beperken van het toepassingsbereik van het met het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 193) gewijzigde artikel 5, eerste lid

Artikel 5, eerste lid, zoals dat luidt na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, onder 1, van het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193) is niet van toepassing op de werknemer wiens WW-recht is ontstaan voor die dag van inwerkingtreding.

Artikel 27c. Overgangsbepaling in verband met het beperken van het toepassingsbereik van wijzigingen in verband met ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon

  • 1. De artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 5, achtste lid, en 6, eerste en tweede lid, zoals deze luiden na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, C, onder 2, en D, van het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193), zijn niet van toepassing op de werknemer:

    • a. die recht heeft of heeft gehad op een reguliere WW-uitkering, dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2017; en

    • b. die in de referteperiode minder loon heeft genoten in verband met ziekte in één of meer kalendermaanden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 5, achtste lid, en 6, eerste en tweede lid, wel van toepassing, indien de in het eerste lid bedoelde werknemer een melding of aanvraag doet om herziening van het dagloon. Hierbij geldt dat:

    • a. indien de melding of aanvraag is gedaan voor 1 juli 2018, het dagloon met inachtneming van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 5, achtste lid, en 6, eerste en tweede lid, zoals deze luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, C, onder 2, en D, van het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193) wordt berekend of herberekend met ingang van:

      • 1°. 1 januari 2018, indien er geen recht bestaat op een eenmalige tegemoetkoming op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen; of

      • 2°. 1 juli 2018, indien er recht bestaat op een eenmalige tegemoetkoming op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen; of

    • b. indien de aanvraag is gedaan op of na 1 juli 2018, het dagloon met inachtneming van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 5, achtste lid, en 6, eerste en tweede lid, zoals deze luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, C, onder 2, en D, van het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193), wordt berekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

  • 3. Met een melding of aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld een melding of aanvraag om een eenmalige tegemoetkoming op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, indien er na 1 januari 2018 nog recht is op de betreffende WW-uitkering.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op de werknemer wiens recht op een WW-uitkering is ontstaan voor 15 november 2017, maar waarvan de datum van de beschikking omtrent het ontstaan van dat recht op of na 15 november 2017 ligt.

Artikel 27d. Overgangsbepaling in verband met het beperken van het toepassingsbereik van wijzigingen in verband met ziekte in de referteperiode van het ZW-dagloon

De artikelen 12c tot en met 12f, zoals deze luiden na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen E tot en met H, van het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193), zijn niet van toepassing op de werknemer wiens recht op ziekengeld is ontstaan voor die dag van inwerkingtreding.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdelen E tot en met H en I, voor zover dat onderdeel ziet op artikel 27d, dat in werking treedt met ingang van 15 november 2018. Artikel I, onderdelen B, C en D, werkt terug tot en met 1 december 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 20 juni 2018

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de achtentwintigste juni 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding en probleemschets

De wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: Dagloonbesluit) per 1 juli 20151 (hierna: Dagloonbesluit 2015) heeft voor enkele groepen WW-gerechtigden nadelige inkomensgevolgen gehad. Voor de zogenoemde starters, herintreders, flexwerkers, werknemers die na de wachttijd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) minder dan 35% arbeidsongeschikt waren en de zogenoemde herlevers is het Dagloonbesluit al aangepast.2 Een andere groep die nadelige inkomensgevolgen heeft ondervonden is de groep werknemers die in de referteperiode voor de dagloonvaststelling minder loon hebben ontvangen vanwege ziekte, dan wel een Ziektewet-uitkering (hierna: ZW-uitkering) hebben ontvangen tegen een lager uitkeringspercentage dan 100%. De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft geoordeeld dat bij de totstandkoming van het Dagloonbesluit 2015 er bij de besluitgever onvoldoende zicht bestond op de financiële gevolgen voor de groep werknemers met ziekte in de dagloonreferteperiode en dat de besluitgever in redelijkheid niet tot vaststelling van artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 heeft kunnen komen zonder een regeling op te nemen die rekening houdt met de belangen van de werknemers die tijdens de referteperiode minder loon hebben genoten wegens ziekte.3 De CRvB stelt dat ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon geen dagloonverlagend effect mag hebben. Met onderhavig besluit wordt het Dagloonbesluit zodanig aangepast dat mogelijke negatieve inkomensgevolgen door ziekte in de referteperiode voor de dagloonvaststelling teniet worden gedaan. Met ingang van 1 december 2017 geeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) uitvoering aan de bepalingen zoals opgenomen in onderhavig besluit. Werkloze werknemers uit deze specifieke groep die tussen 1 juli 2015 en 1 december 2017 een uitkering hebben gekregen en geconfronteerd zijn met negatieve inkomensgevolgen komen onder voorwaarden in aanmerking voor een eenmalige tegemoetkoming. Dit is nader uitgewerkt in een regeling tot wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met het verstrekken van een eenmalige tegemoetkoming in verband met ziekte in de referteperiode.

Naast de wijzigingen in verband met ziekte in de referteperiode van het WW-loon bevat dit besluit ook enkele andere wijzigingen. Zo wordt ook de wijze waarop ziekte in de referteperiode van invloed is op het ZW-dagloon van uitzendkrachten gewijzigd.

2. Doel, gekozen instrumenten en gevolgen

2.1 Dagloon in geval van ziekte in de referteperiode

Het doel van onderhavig besluit is om te voorkomen dat werknemers door ziekte4 in de referteperiode voor de dagloonvaststelling een lager dagloon zouden krijgen dan als zij niet ziek zouden zijn geweest. Met andere woorden wordt geregeld dat ziekte niet nadelig van invloed is op de hoogte van het dagloon. Hierbij wordt aangesloten bij de bepalingen zoals deze waren opgenomen in het Dagloonbesluit zoals dat voor 1 juli 2015 luidde.

Dit komt erop neer dat in geval er in de referteperiode aangiftetijdvakken zijn gelegen waarin er sprake is van een lagere loonbetaling door de werkgever wegens ziekte, er rekening wordt gehouden met het loon in dezelfde dienstbetrekking in het daaraan voorafgaande tijdvak (waarin dus geen sprake is geweest van lager loon wegens ziekte5). Op deze manier wordt voorkomen dat een te laag loon wordt gehanteerd voor de dagloonvaststelling. Bij de loonaangifte maakt de werkgever door middel van «code Z» (incidentele loonvermindering vanwege ziekte) kenbaar dat hij wegens ziekte het loon niet of niet volledig heeft (door)betaald. Als er in de referteperiode geen vervangend aangiftetijdvak is dat aan de vereisten voldoet, wordt uitgegaan van het overeengekomen loon.

In geval er in de referteperiode kalendermaanden zijn gelegen waarin een ZW-uitkering van 70% van het dagloon is ontvangen, dan wordt de ontvangen uitkering opgehoogd naar 100%. Op deze manier wordt voorkomen dat een ZW-uitkering met een lager uitkeringspercentage dan 100% in de dagloonreferteperiode leidt tot een lager dagloon.

2.2 Uitspraak Centrale Raad van Beroep

Van belang is de uitspraak van de CRvB op 19 juli 2017. In die uitspraak stelt de CRvB dat ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon geen dagloonverlagend effect mag hebben. De CRvB geeft daarbij aan dat het in de betreffende zaak voor de hand zou liggen om de referteperiode te verleggen naar het jaar voorafgaande aan de eerste ziektedag, net zoals wordt gedaan met de referteperiode in geval iemand 104 weken ziek is geweest, maar minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beoordeeld in het kader van de Wet WIA. In de ogen van de regering is er geen sprake van vergelijkbare gevallen. Weliswaar is er in beide gevallen sprake van ziekte in de (reguliere) referteperiode, maar in de situatie dat iemand minder dan 104 weken ziek is geweest, is er nog sprake van verrichte werkzaamheden met bijbehorend actueel loon in de dagloonreferteperiode. In geval van 104 weken ziekte is er geen sprake van actueel loon in de dagloonreferteperiode. Als er in die situatie sprake is geweest van het ontvangen van een ZW-uitkering, wordt voor de Werkloosheidswet (hierna: WW) een zelfstandig dagloon berekend. De grondslag van het dagloon voor de WW is immers een andere dan de grondslag voor de ZW (hierna: Ziektewet). Voor de WW wordt rekening gehouden met het loon van alle werkgevers in de dagloonreferteperiode, terwijl voor de ZW alleen de laatste werkgever relevant is. Dit kan tot verschillende uitkomsten leiden. Dit heeft geleid tot de keuze om de dagloonreferteperiode te verleggen naar de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de eerste ziektedag is gelegen.

De keuze die is gemaakt om bij 104 weken ziekte de dagloonreferteperiode standaard te verleggen tot het jaar voorafgaand aan de eerste ziektedag is erin gelegen om te komen tot een gelijke behandeling van de situatie waarin er sprake is van het ontvangen van een ZW-uitkering en de situatie waarbij de werkgever het loon doorbetaald.

De regering vindt het voorstel van de CRvB om ook in de situatie dat er sprake is van minder dan 104 weken ziekte de dagloonreferteperiode te verleggen tot een jaar voor de eerste ziektedag geen sluitende oplossing omdat er ook in de verschoven referteperiode sprake zou kunnen zijn van periode(s) van ziekte. Als ook dan de referteperiode verschoven moet worden zou dit ertoe kunnen leiden dat het dagloon berekend wordt op basis van loongegevens van een aantal jaren geleden, terwijl er mogelijk recente(re) loongegevens beschikbaar zijn. Daarom kiest de regering ervoor om het dagloonverlagend effect teniet te doen door een vervangend aangiftetijdvak te hanteren (indien er sprake is van minder loon als gevolg van ziekte waardoor de werknemer de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten) dan wel de ZW-uitkering op te hogen (indien dit betaald is met een uitkeringspercentage lager dan 100%). Op deze manier wordt het dagloonverlagende effect teniet gedaan en kan worden uitgegaan van de meest recente loongegevens.

De uitspraak van de CRvB had vanaf de dag van de uitspraak gevolgen voor de wijze waarop het UWV voor nieuwe WW-uitkeringen het dagloon vast moest stellen. Het was voor het UWV niet mogelijk om hun uitvoeringspraktijk hier direct na datum uitspraak op aan te passen. Dit was pas uitvoerbaar voor het UWV per 1 december 2017.6 Vanaf die datum stelt het UWV het dagloon voor WW-uitkeringen met een eerste WW-dag vanaf 1 december 2017 vast conform het hierboven vermelde.

In de situatie dat een WW-gerechtigde na genoemde uitspraak van de CRvB een herzieningsverzoek heeft gedaan voor een lopende WW-uitkering, is het dagloon van deze uitkering herzien. Voor de wijze waarop het dagloon is herberekend, is aansluiting gezocht bij de bij onderhavig besluit voorgestelde regels.

Een WW-uitkering met een eerste WW-dag voor 1 december 2017 van een werknemer waarbij sprake is van een dagloonverlagend effect door ziekte kan niet automatisch door het UWV uit de betreffende systemen worden gehaald. Zodra een situatie wel bekend is, kan het UWV ambtshalve onderkennen of er sprake is van een dagloon dat herzien moet worden en die herberekening uitvoeren. Het is voor het UWV niet mogelijk om voor alle WW-uitkeringen met een eerste WW-dag tussen 1 juli 2015 en 1 december 2017 alsnog te beoordelen of er sprake is van een dagloonverlagend effect door ziekte. Daarom kan de WW-gerechtigde wiens uitkering niet is geëindigd een verzoek indienen bij het UWV om herziening van zijn dagloon. Tevens kan de WW-gerechtigde zich melden (en na 1 juli 2018 kan er tevens een aanvraag worden gedaan) voor een eenmalige tegemoetkoming om het geleden nadeel door het te lage dagloon te compenseren. Dit is uitgewerkt in de hiervoor genoemde Regeling tot wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

2.3 Uitvoeringsproces UWV

Voor WW-gerechtigden van wie het recht op uitkering is ontstaan op of na 1 december 2017 is het UWV in staat om bij de beoordeling van de aanvraag om WW-uitkering vast te stellen of er sprake is van een periode van ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon. Anders dan voor de groepen werknemers waarop hoofdstuk 3a van het Dagloonbesluit ziet, is het voor het UWV niet mogelijk om voor WW-gerechtigden van wie het recht is ontstaan voor 1 december 2017 – behalve een hierna te noemen groep – en er sprake is van een periode van ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon, geautomatiseerd te selecteren en te beoordelen. Dit betekent dat WW-gerechtigden zich zelf moeten melden bij het UWV wanneer zij menen dat zij voldoen aan de voorwaarden voor herziening van hun dagloon. Het UWV heeft op zijn website een registratiesysteem opengesteld zodat WW-gerechtigden zich kunnen melden als ze menen in aanmerking te komen voor een eenmalige tegemoetkoming. Op die website staat ook informatie over wanneer de betrokkene in aanmerking komt voor een eenmalige tegemoetkoming. Betrokkenen kunnen zich gedurende een afgebakende periode (vanaf 1 januari 2018 tot en met 1 juli 2018) op de website melden. Na de sluitingsdatum van deze registratieperiode zal het UWV starten met de beoordeling van de melding. Indien er naast het recht op een eenmalige tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen eveneens recht is op herziening van het dagloon, zal de eenmalige tegemoetkoming worden toegekend en het dagloon worden herzien. Na 1 juli 2018, de sluitingsdatum van de registratieperiode, kunnen WW-gerechtigden een aanvraag bij het UWV indienen om in aanmerking te komen voor een eenmalige tegemoetkoming.

Het UWV heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven dat de wijziging in het kader van de vaststelling van het WW-dagloon in geval van ziekte in de referteperiode aangepast is in de zogeheten dagloonmodule vanaf 15 november 2017. Dat houdt in dat aanvragen die na die datum zijn behandeld – ongeacht of het daadwerkelijke WW-recht ontstaat of is ontstaan ná respectievelijk vóór die datum – conform de met onderhavig besluit geïntroduceerde nieuwe regels zijn afgehandeld. In het onderhavige besluit en deze nota van toelichting is echter veelal de grens van 1 december 2017 (van belang voor de datum van inwerkingtreding en de eventuele herziening van het dagloon) aangehouden, aangezien uitkeringsrechten met een eerste rechtdag op of na die datum zeker zijn behandeld met inachtneming van de gewijzigde artikelen 5 en 6 van het Dagloonbesluit.

Bij het berekenen van het herziene dagloon (voor de groep WW-gerechtigden die een melding of aanvraag hebben gedaan voor een dagloonherziening) kan, anders dan voor de berekening van het herziene dagloon voor de werknemers, bedoeld in hoofdstuk 3a van het Dagloonbesluit, worden uitgegaan van de «reguliere» bepalingen van het Dagloonbesluit. Omdat het UWV automatisch de werknemers, bedoeld in hoofdstuk 3a, selecteerde, was het noodzakelijk om enkele aanpassingen te doen om dat automatische proces te ondersteunen (zie artikel 22a en de voorwaarde dat het ongemaximeerde herziene dagloon meer dan 7% hoger is dan het ongemaximeerde niet-herziene dagloon). Voor de onderhavige groep van dit besluit is dat niet noodzakelijk, nu het een veelal handmatig (voor het UWV) proces zal zijn om het dagloon te herzien.

3. Financiële gevolgen

De aanpassing van de vaststelling van het WW-dagloon heeft tot gevolg dat circa 35.000 mensen jaarlijks – afhankelijk van de instroom in de WW – een hogere uitkering krijgen. De verhoging van de uitkering bedraagt gemiddeld ongeveer € 300 per jaar, waarmee de totale extra uitkeringslasten naar verwachting structureel € 10 miljoen per jaar bedragen. De financiële gevolgen als gevolg van de overige wijzigingen waarop dit ontwerpbesluit ziet zijn zeer gering en worden op € 0,1 miljoen per jaar geschat.

De uitvoeringskosten bedragen € 1,0 miljoen in 2018, € 0,9 miljoen in 2019 en vanaf 2020 structureel € 0,8 miljoen per jaar. De incidentele kosten in 2018 en 2019 worden op jaarlijks € 0,1 miljoen begroot.

4. Regeldruk

De wijziging van de dagloonregels in verband met ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van burgers of bedrijven. Met ingang van 15 november 2017 berekent het UWV het dagloon conform de in dit besluit opgenomen regels, voor zover die zien op de vaststelling van het WW-dagloon met een periode van ziekte in de referteperiode. WW-gerechtigden hoeven hiervoor geen andere informatie aan te leveren. De gegevens over verminderde loondoorbetaling en gegevens over ontvangen ZW-uitkering haalt het UWV uit de polisadministratie en uit de eigen administratie.

De regeldruk die gemoeid is met de meldingsprocedure heeft met name betrekking op de wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en zal daar door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden behandeld.

Voor de overige wijzigingen waarop dit ontwerpbesluit ziet zijn er (ook) geen gevolgen voor de regeldruk.

5. Uitvoeringstoets, toets regeldruk en internetconsultatie

5.1 Uitvoeringstoets UWV

Het UWV heeft op 22 februari 2018 een uitvoeringstoets uitgebracht op de onderhavige wijziging van het Dagloonbesluit en op de wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Het UWV concludeert dat de voorgenomen wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

De aanpassing van het Dagloonbesluit wordt voor beschikkingen, genomen na 15 november 2017, al toegepast. Zie hiervoor paragraaf 2.3 van deze nota van toelichting.

De voorgenomen wijziging met betrekking tot de berekening van het ZW/WAZO-dagloon kan het UWV met ingang van 15 november 2018 uitvoeren.

5.2 Toets regeldruk door het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR)

Op 13 februari 2018 heeft het ATR haar advies uitgebracht. Het ATR onderschrijft nut en noodzaak van de voorgenomen wijzigingen en is van mening dat de gevraagde gegevens voor de tegemoetkoming tot een minimum beperkt zijn.

Het ATR adviseert wel te onderzoeken of een minder belastend alternatief dan melding mogelijk is ten behoeve van de eenmalige tegemoetkoming. Die opmerking zal daarom door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden behandeld bij de wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

5.3 Internetconsultatie

De voorgenomen wijzigingen (namelijk het onderhavige besluit en een wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen) hebben in de periode van 22 januari 2018 tot en met 19 februari 2018 opengestaan voor internetconsultatie. In totaal zijn 7 reacties ontvangen (inclusief het advies van het ATR).

De ontvangen reacties, voor zover deze zien op dit besluit, zien op het verschil in gekozen oplossing tussen mensen die 104 weken ziek zijn geweest (verleggen van de referteperiode) en mensen die korter ziek zijn geweest.

Het verschil in gekozen oplossing is nader toegelicht in paragraaf 2.2.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Het derde lid van artikel 2 is aangepast om zo een overbodig zinsdeel te laten vervallen. Op 1 januari 2016 is het Dagloonbesluit aangepast7 aan de wijziging in de WW8 waardoor het recht op een WW-uitkering pas kan ontstaan na het verstrijken van de rechtens geldende opzegtermijn. Abusievelijk is een zinsdeel niet verwijderd. Het vervallen van het zinsdeel heeft geen inhoudelijke gevolgen. De wijziging treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt gepubliceerd.

Onderdelen C, onderdeel 1, en I, voor zover dat onderdeel ziet op artikel 27b (nieuw)

In artikel 2, vierde lid, wordt bepaald wat de referteperiode is indien de situatie zich voordoet waarin in de reguliere referteperiode, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. Dit speelt indien een werknemer een uitkering op grond van de Wet WIA heeft ontvangen en het werk hervat en binnen zeer korte tijd werkloos wordt.9 In die situatie begint de referteperiode op de dag dat de dienstbetrekking aanvangt en eindigt op de dag dat het arbeidsurenverlies intreedt. In artikel 5, eerste lid, is bepaald dat in die situatie het verdiende loon in de (verkorte) referteperiode alsnog wordt gedeeld door 261 voor de berekening van het WW-dagloon. Dit heeft als achtergrond dat hiermee niet de Wet WIA-gerechtigde die voor (wat) langere tijd heeft gewerkt en vervolgens werkloos is geworden een veel lager dagloon krijgt ten opzichte van de Wet WIA-gerechtigde die kortere tijd heeft gewerkt.10

Deze motivering gaat vanaf 1 december 2016 niet meer op.11 Vanaf dat moment is in artikel 5, zesde lid, opgenomen dat, indien er in de referteperiode kalendermaanden liggen waarin geen loon is genoten, het verdiende loon wordt gedeeld door het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin wel loon is genoten. Aangesloten wordt bij de gedachte achter die wijziging.

UWV geeft reeds sinds 1 december 201712 toepassing aan deze wijziging, aangezien het vanaf die datum voor het UWV mogelijk was om deze wijziging door te voeren in de uitvoeringspraktijk. De wijziging treedt dan ook in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, en zal terugwerken tot 1 december 2017. Aan de wijziging wordt eerbiedigende werking gegeven, WW-uitkeringen die zijn ontstaan voor 1 december 2017 worden niet opgehoogd.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat het zeer waarschijnlijk is dat deze bepaling op zeer weinig werknemers van toepassing is.

Onderdelen B, C, onder 2, en D

Indien een werknemer ziek is, komt deze in de regel in aanmerking voor loondoorbetaling bij ziekte door zijn werkgever of voor een ZW-uitkering. In de situatie dat het recht op een ZW-uitkering tot uitkering moet komen, bedraagt de uitkering behoudens twee uitzonderingen 70% van het (ZW-)dagloon.13 14 Het voorgestelde artikel 5, achtste lid (onderdeel C, onder 2), bewerkstelligt dat de ontvangen uitkering in de referteperiode van het WW-dagloon wordt opgehoogd. Dit wordt gedaan door de ZW-uitkering, verkregen in de referteperiode, te vermenigvuldigen met 100/70. Hierdoor wordt het nadeel van de ziekte in de referteperiode voor de te verkrijgen WW-uitkering ongedaan gemaakt.

Het kan voorkomen dat het ziekengeld is gebaseerd op een hoger percentage dan 70%. Dat is het geval indien iemand ziekengeld ontvangt als gevolg van orgaandonatie.15 Daarnaast is dat het geval indien de ZW-uitkering wordt ontvangen omdat de vrouw als gevolg van zwangerschap of aansluitend op het bevallingsverlof ongeschikt is geworden tot het verrichten van haar arbeid.16 Als in dit geval de vermenigvuldiging 100/70 wordt toegepast, wordt de betrokkene onnodig bevoordeeld, omdat de uitkering al op 100% is gebaseerd. De hoogte van het WW-dagloon is namelijk in deze situatie niet lager door de periode van ziekte in de referteperiode. Door in deze situatie te vermenigvuldigen met de factor 1 (100/100), vindt geen ophoging van de uitkering plaats en vindt geen onnodige bevoordeling plaats.

Het kan voorkomen dat er zowel een periode van het verkrijgen van een ZW-uitkering in de referteperiode van het WW-dagloon ligt waarvoor een uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon wordt verstrekt, als een periode waarvoor 100% van het dagloon wordt verstrekt. In dat geval wordt de uitkering vermenigvuldigd met een factor die recht doet aan beide verstrekkingen; het ziekengeld wordt per aangiftetijdvak verhoogd – en vervolgens opgeteld – met de hiervoor genoemde vermenigvuldiging (enerzijds 100/70 als anderzijds 100/100).17 Hierdoor wordt aangesloten bij het principe dat ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon niet mag leiden tot een lager dagloon, maar ook niet tot een hoger dagloon.

Deze wijziging is enkel van belang voor ziekte die de duur, bedoeld in artikel 2, achtste lid, niet te boven gaat. Voor dergelijke lange perioden van ziekte is een verlegging van de referteperiode meer op zijn plaats, aangezien die verlegging een betrouwbaarder afspiegeling geeft van het ontvangen loon in het dienstverband.

Opgemerkt wordt dat het loonbegrip voor de WW (artikel 3 van het Dagloonbesluit) hiervoor wordt aangepast. In artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Dagloonbesluit worden alleen aanvullingen en toeslagen op grond van de Toeslagenwet uitgezonderd op de uitkeringen die niet onder loon worden begrepen in onderdeel a. Anders dan voor het loonbegrip van de Wet WIA (artikel 14 van het Dagloonbesluit) is een ZW-uitkering geen uitkering die niet onder loon wordt begrepen. Dat houdt tevens in dat aanvullingen van de werkgever op die ZW-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet op een ZW-uitkering zouden worden gezien als loon. Onderdeel B strekt ertoe dat alle aanvullingen en toeslagen op grond van de Toeslagenwet op de werknemersverzekeringen worden uitgesloten van het loonbegrip voor de bepaling van het WW-dagloon.

Met de wijziging van artikel 6 wordt bewerkstelligd dat, indien er een periode waarin de werknemer als gevolg van ziekte de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten in het betreffende aangiftetijdvak in de referteperiode zit waardoor er minder loon is ontvangen, er gekeken wordt naar een vervangend aangiftetijdvak binnen die referteperiode waarin er geen sprake is van die omstandigheid. Hierdoor wordt het dagloonverlagende effect van ziekte tenietgedaan. Er wordt in dit geval gekozen voor een vervangend aangiftetijdvak, omdat anders dan bij de ZW-uitkering, niet bekend is hoeveel procent minder loon is betaald. Hierdoor kan het loon niet worden opgehoogd naar 100%. Net zoals geregeld was in het Dagloonbesluit zoals dat luidde voor 1 juli 2015 wordt daarom geregeld dat een vervangend aangiftetijdvak in aanmerking wordt genomen waarin geen sprake was van verminderde loonbetaling wegens ziekte.

Ook hierbij wordt aangetekend dat zeer langdurige ziekte als bedoeld in artikel 2, achtste lid, met zich meebrengt dat de referteperiode wordt verlegd. Als er geen sprake is van ziekte in die (nieuwe) referteperiode, wordt er niet toegekomen aan de toepassing van de met deze wijzigingsopdrachten gewijzigde artikelen.

Het kan zich voordoen dat een betrokkene wel ziek is, maar er niet minder loon wordt verstrekt, aangezien er afspraken (in collectieve arbeidsovereenkomsten) zijn gemaakt over volledige loondoorbetaling – gedurende een periode – in geval van ziekte. In dat geval zal de werkgever bij de loonaangifte niet vermelden dat er sprake is van verminderde loonbetaling en wordt er in die situatie niet gekeken naar een vervangend aangiftetijdvak.

Het kan voorkomen dat er in de referteperiode zowel sprake is van ziekte waarvoor een ZW-uitkering wordt toegekend, als ziekte waardoor de werknemer de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten en waarvoor de loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geldt. Voor elke afzonderlijke periode wordt bekeken of het nieuwe achtste lid van artikel 5 van toepassing is, of artikel 6. Het kan echter ook voorkomen dat er in één aangiftetijdvak zowel sprake is van loondoorbetaling, als van een ZW-uitkering. In die situatie wordt toepassing gegeven aan artikel 6, aangezien de gebruikmaking van een vervangend aangiftetijdvak niet nadelig kan uitpakken voor de WW-gerechtigde.

Onderdelen B, C, onder 2, en D treden in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van onderhavig besluit in het Staatsblad, en werken terug tot en met 1 december 2017. Vanaf die datum heeft het UWV de uitspraak van de CRvB voor nieuwe WW-uitkeringen in acht genomen, voor zover die uitspraak ziet op het teniet doen van het dagloonverlagende effect van ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon.18 Hierbij wordt ook een juridische grondslag gelegd onder de beslissingen die het UWV heeft genomen vanaf 1 december 2017; er zijn namelijk meer manieren om om te gaan met een periode van ziekte in de referteperiode. Zo heeft de CRvB aangegeven in de bij hem concrete voorliggende zaak dat het in de rede ligt om bij een kortdurende periode van ziekte de referteperiode te verleggen. De regering heeft echter gekozen voor het ophogen van de ZW-uitkering (indien dat recht tot uitkering komt) onderscheidenlijk het vinden van een vervangend aangiftetijdvak (indien er sprake is van minder loon als gevolg van ziekte waardoor de werknemer de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten) om een oplossing te vinden voor het dagloonverlagende effect van ziekte.

Bij de gekozen oplossingen is het niet mogelijk dat het dagloon lager wordt. Bij de ZW-uitkering is er enkel de mogelijkheid dat de uitkering als ware het loon hoger wordt vastgesteld. Bij de loondoorbetalingsverplichting geldt dat – zelfs indien er in het gekozen vervangende aangiftetijdvak minder loon is genoten, anders dan door verlof, ziekte of werkstaking, dan het te vervangen aangiftetijdvak – artikel 6 niet wordt toegepast indien dat leidt tot een lager dagloon (artikel 6, vierde lid). Hierdoor is het verlenen van terugwerkende kracht aan deze onderdelen niet belastend voor werknemers en daarmee te rechtvaardigen.

Onderdelen E tot en met H en I, voor zover dat ziet op artikel 27d

Met bovengenoemde onderdelen wordt bewerkstelligd dat een periode van ziekte in de referteperiode van het ZW-dagloon niet leidt tot een lager ZW-dagloon. Aangesloten wordt bij de wijziging ten behoeve van het teniet doen van het dagloonverlagende effect van ziekte voor het WW-dagloon. De wijziging treedt in werking met ingang van 15 november 2018. Dit is de dag waarop het voor UWV uitvoerbaar is om deze wijziging uit te voeren. Artikel 27d voorziet in overgangsrecht; aan de wijziging wordt eerbiedigende werking gegeven, ZW-uitkeringen die zijn ontstaan voor 15 november 2018 worden niet opgehoogd.

Onderdeel I, voor zover dat ziet op artikel 27c

In de onderdelen B, C, onder 2, en D is geregeld hoe het dagloon, indien er sprake is van ziekte19 in de referteperiode van het recht, moet worden berekend indien een uitkering ontstaat na 1 december 2017. Onderdeel I (artikel 27c) regelt het overgangsrecht. Dat overgangsrecht is noodzakelijk voor de groep waarvoor reeds een WW-uitkering wordt verstrekt, met een dagloon berekend op grond van het Dagloonbesluit zoals dat luidde voor inwerkingtreding van onderhavig besluit. Hierbij wordt opgemerkt dat voor de WW-gerechtigde waarvan het recht voor 1 juli 2015 is ontstaan geen overgangsrecht noodzakelijk is; voor die datum golden gelijksoortige bepalingen in verband met het tenietdoen van het dagloonverlagende effect van ziekte. Het overgangsrecht is voor de WW-gerechtigde wiens WW-uitkering is ontstaan tussen 1 juli 2015 en 1 december 2017 om twee redenen nodig.

Ten eerste kan het UWV niet automatisch – ambtshalve – onderkennen of er sprake is van een periode van ziekte in de referteperiode van het WW-recht, dat heeft geleid tot een lager WW-dagloon. Daarom zal de werkloze werknemer een melding of aanvraag voor herziening van het dagloon moeten doen. Een aanvraag als bedoeld in onderhavig artikel is gelijk aan de definitie van een aanvraag op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Op het door UWV vormgegeven registratiesysteem is het mogelijk om een melding te doen zonder het UWV te verzoeken om een besluit te nemen20, welke niet wordt gezien als aanvraag op grond van de Algemene wet bestuursrecht, wat als consequentie heeft dat het UWV niet gehouden is binnen de daarvoor geldende termijnen te beschikken. Voor deze constructie is gekozen omdat het niet voor UWV uitvoerbaar is om, als alle mogelijke verzoeken voor herziening van het dagloon én verzoeken om in aanmerking te komen voor een eenmalige tegemoetkoming voor 1 juli 2018 binnen komen, binnen de redelijke termijn voor aanvragen te beschikken. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor de betrokkene, nu er ook een eenmalige tegemoetkoming wordt verstrekt tot de feitelijke herziening van het dagloon.

Ten tweede is de ingangsdatum van de (her)berekening van het WW-dagloon van belang na een succesvolle aanvraag. Indien het UWV de aanvraag ontvangt voor 1 juli 2018, zal de herberekening van het dagloon terugwerken tot en met 1 januari 2018, indien er geen sprake is van recht op een eenmalige tegemoetkoming in verband met ziekte in de referteperiode van het WW-dagloon (zie het tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°). Indien er wel sprake is van een recht op een eenmalige tegemoetkoming in verband met ziekte in de referteperiode, zal de herziening plaatsvinden met ingang van 1 juli 2018 (zie het tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°). Hiermee wordt het verlenen van terugwerkende kracht aan beschikkingen zoveel mogelijk beperkt (anders dan tot de eerste van de kalendermaand waarin de aanvraag is ingediend). Dat is uitvoeringstechnisch te prefereren, terwijl het niet, dan wel nauwelijks, van invloed is op de totale verstrekte gelden aan uitkering en eenmalige tegemoetkoming, bezien over dezelfde periode.

Indien de aanvraag op of na 1 juli 2018 is ontvangen, zal het dagloon worden herzien met ingang van de eerste dag van de maand waarin de succesvolle aanvraag is ingediend (zie het tweede lid, aanhef en onderdeel b). Hiermee kan eenvoudig zowel het dagloon worden herzien, alsook een eventuele eenmalige tegemoetkoming worden berekend.

De werknemer wiens dagloon te laag is vastgesteld zal naar alle waarschijnlijkheid een melding of aanvraag doen voor een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling. Voor een succesvol beroep op een dergelijke tegemoetkoming zal de werkloze werknemer aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen (behalve de voorwaarden dat het herziene dagloon meer dan 7% hoger moet zijn dan het nog niet herziene dagloon en er sprake moet zijn van meer dan twaalf weken minder loon wegens ziekte in de referteperiode). Indien er een melding of aanvraag wordt gedaan voor een eenmalige tegemoetkoming, zal dit ook worden beschouwd als een melding of aanvraag om een herziening van het dagloon. Dit speelt enkel indien er nog sprake is van een recht dat na 1 januari 2018 doorloopt. Voor die datum is de bepaling niet van waarde nu in dat geval de eenmalige tegemoetkoming tot 1 januari 2018 wordt berekend.

Het vierde lid ziet op de uitzondering dat ook voor 1 december 2017 een recht is behandeld met inachtneming van het gewijzigde artikel 5 of 6 van het Dagloonbesluit. Bij WW-aanvragen die zijn behandeld na 15 november, ongeacht of de eerste rechtdag van het recht voor of na 1 december 2017 ligt, is dat het geval. In die situaties voorziet het vierde lid dat niet de eerste rechtdag leidend is voor het antwoord op de vraag welk rechtsregime van toepassing is, maar de datum van beschikking op de aanvraag.

Voor zover onderdeel I ziet op het nieuwe artikel 27c treedt het onderdeel in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin onderhavig besluit wordt gepubliceerd.

Artikel II

In artikel II is de inwerkingtreding van dit besluit geregeld. In de artikelsgewijze toelichting bij de specifieke artikelonderdelen van artikel I van dit besluit is reeds op de inwerkingtreding ingegaan. Er zijn echter nog twee algemene noties. Ten eerste is dat de afwijking van de vaste verandermomenten (1 januari en 1 juli) voor besluiten, nu enkele artikelonderdelen van dit besluit op de dag na de datum van uitgifte in werking treden en andere artikelonderdelen op 15 november 2018 (met betrekking tot ziekte in de referteperiode van het ZW-dagloon). Het met ingang van de dag na datum van uitgifte in werking treden heeft verband met het toekennen van terugwerkende kracht. Door de afwijkende inwerkingtreding wordt de periode waarover terugwerkende kracht wordt toegekend zoveel mogelijk in de tijd beperkt. De tweede notie heeft ook met de terugwerkende kracht te maken. Normaliter wordt afgezien van het verlenen van terugwerkende kracht, tenzij er een dringende reden is om terugwerkende kracht aan een wijziging te verlenen. Gelet op hetgeen is opgemerkt in de artikelsgewijze toelichting bij de verschillende onderdelen is die dringende reden aanwezig. Hierbij wordt opgemerkt dat het verlenen van terugwerkende kracht enkel positief kan uitvallen voor de betrokkenen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met het wijzigen van de Werkloosheidswet door de Wet werk en zekerheid (Stb. 2015, 152).

X Noot
3

ECLI:NL:CRVB:2017:2406.

X Noot
4

Meer specifiek ziekte met een kortere duur dan 104 weken. Voor ziekte met een langere duur wordt de referteperiode verlegd naar de periode voordat de ziekte intrad.

X Noot
5

Of verlof of werkstaking.

X Noot
6

Voor een aantal gevallen, hierna toegelicht onder paragraaf 2.3, was het ook eerder mogelijk.

X Noot
7

Stb. 2015, 533.

X Noot
8

Zie artikel X, onderdelen Aa en Ab, van de Verzamelwet SZW 2016.

X Noot
9

Deze betrokkene kan toch recht op een WW-uitkering hebben verkregen door toepassing van artikel 17a van de Werkloosheidswet.

X Noot
10

Zie Stb. 2015, 152, blz. 20.

X Noot
11

Sinds de inwerkingtreding van het Besluit van 24 oktober 2016 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met starters, stakingsdagen en 104 weken wachttijd Wet WIA (Stb. 2016, 390).

X Noot
12

Zie voor de uitzondering paragraaf 2.3 van deze nota van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel I, voor zover dat ziet op artikel 27c.

X Noot
13

Vgl. de artikelen 29, zevende lid, eerste zin, 29b, vijfde lid, en 29d, tweede lid, van de ZW.

X Noot
14

Met inachtneming van het maximum dagloon, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

X Noot
15

Vgl. artikel 29, achtste lid, van de ZW.

X Noot
16

Vgl. artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

X Noot
17

In de uitzonderlijke situatie dat er sprake is van twee verschillende verstrekkingen zijn in één loonaangiftetijdvak, vindt vermenigvuldiging plaats met de voor de WW-gerechtigde meest begunstigende factor.

X Noot
18

Zie voor de uitzondering paragraaf 2.3 van deze nota van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel I, voor zover dat ziet op artikel 27c.

X Noot
19

Hierbij wordt opgemerkt dat de overkoepelende terminologie van «minder loon heeft genoten in verband met ziekte» zowel ziet op de situatie waarin er sprake is van een loondoorbetalingsverplichting in verband met ziekte, als waarin er sprake is van een ZW-uitkering.

X Noot
20

Hierbij wordt opgemerkt dat indien de betrokkene wel het UWV verzoekt om een besluit te nemen er geen sprake is van een melding, maar een aanvraag. Daarnaast wordt opgemerkt dat UWV met een melding ambtshalve kan onderkennen of de betrokkene in aanmerking komt voor herziening van een dagloon.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.