Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2015, 152AMvB

Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met het wijzigen van de Werkloosheidswet door de Wet werk en zekerheid

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2014, nr. 2014-0000082111;

Gelet op de artikelen 1b, zesde lid, van de Werkloosheidswet, 15, tweede lid, van de Ziektewet, 13, derde lid, 58, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 14, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en 3:13, vierde lid, van de Wet arbeid en zorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2014, No. W12.14.0192/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2015, 2015-000001390;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. gebroken aangiftetijdvak:

een aangiftetijdvak dat deels binnen en deels buiten de referteperiode, bedoeld in de artikelen 2, 12b en 13, valt;

2. In het eerste lid wordt, onder lettering van de onderdelen i tot en met w tot onderdelen j tot en met x, een onderdeel ingevoegd, luidende:

i. reguliere WW-uitkering:

een uitkering op grond van de WW, niet zijnde een uitkering op grond van artikel 18 of op grond van hoofdstuk IV van die wet;

B

In het opschrift van hoofdstuk 2 vervalt «ZW en».

C

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2. Referteperiode voor WW

  • 1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, wordt onder referteperiode verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de dienstbetrekking is geëindigd, indien de dienstbetrekking eindigt door wederzijds goedvinden van partijen of opzegging, zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn, en:

    • a. de werknemer een vergoeding wegens de beëindiging van de dienstbetrekking of een vergoeding op grond van artikel 672, negende lid, of artikel 677, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft ontvangen waardoor het arbeidsurenverlies, bedoeld in het eerste lid, op een later moment intreedt dan het moment waarop de dienstbetrekking eindigt; en

    • b. de datum van eindiging van die dienstbetrekking is gelegen voor het einde van de referteperiode, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, is de referteperiode voor een reguliere WW-uitkering korter dan een jaar, indien er in de referteperiode, bedoeld in het eerste en tweede lid, een eerder recht op een reguliere WW-uitkering is ontstaan. De referteperiode begint dan op de eerste werkloosheidsdag van dat eerdere recht en eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden als bedoeld in het eerste lid of waarin de dienstbetrekking is geëindigd als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. In afwijking van het derde lid, eindigt de referteperiode op de dag voorafgaand aan het arbeidsurenverlies of de dag waarop de dienstbetrekking is geëindigd, indien de eerste werkloosheidsdag van het eerdere recht is gelegen na afloop van de referteperiode als bedoeld in het derde lid.

  • 5. In afwijking van het eerste en tweede lid is de referteperiode voor een reguliere WW-uitkering korter dan een jaar, indien er in de referteperiode, bedoeld in het eerste en tweede lid, geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. In dat geval is de referteperiode de periode vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden of tot en met de dag waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

  • 6. In afwijking van het eerste lid begint de referteperiode voor het dagloon van een uitkering op grond van artikel 18 van de WW op de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, is aangevangen na het begin van de referteperiode als bedoeld in het eerste lid. De referteperiode eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

  • 7. In afwijking van het eerste lid eindigt de referteperiode voor het dagloon van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de werkgever kwam te verkeren in een omstandigheid als bedoeld in artikel 61 van die wet. De referteperiode begint één jaar daarvoor of indien de dienstbetrekking waarin de betalingsonmacht van de werkgever, bedoeld in artikel 61 van de WW, is ingetreden, daarna is aangevangen, op de dag waarop die dienstbetrekking is aangevangen.

  • 8. In afwijking van het zesde en zevende lid, eindigt de referteperiode op de dag voorafgaand aan het arbeidsurenverlies of de dag dat de werkgever kwam te verkeren in een omstandigheid als bedoeld in artikel 61 van de WW, indien de desbetreffende dienstbetrekking is aangevangen na afloop van de referteperiode als bedoeld in het zesde of zevende lid.

  • 9. Bij het vaststellen van het WW-dagloon van de werknemer, op wie in verband met opeenvolgende verliezen van arbeidsuren artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren van toepassing is, eindigt de referteperiode, in afwijking van het eerste en derde lid, op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin het eerste verlies van arbeidsuren is ingetreden.

D

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt «ZW en».

2. De aanhef van het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «het refertejaar» wordt vervangen door: de referteperiode.

b. De zinsnede «uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden» vervalt.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien artikel 18 of hoofdstuk IV van de WW van toepassing is, onder loon verstaan het in het eerste lid bedoelde loon dat is genoten in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden of de dienstbetrekking waarin de betalingsonmacht van de werkgever, bedoeld in artikel 61 van die wet, is in getreden.

4. Het derde lid vervalt.

E

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt «ZW en».

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onder loon als bedoeld in artikel 3 wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.

F

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Dagloon voor WW

  • 1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de WW is de uitkomst van de volgende berekening:

    [(A-B) x 108/100 + C] / D

    waarbij:

    A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die vakantiebijslag reserveren;

    B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

    C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die geen vakantiebijslag reserveren; en

    D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft of indien artikel 2, vijfde lid, van toepassing is. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode.

  • 2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon of de vakantiebijslag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z. Waarbij:

    Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; en

    Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert een werkgever verstaan die:

    • a. de vakantiebijslag periodiek bij iedere loonbetaling uitbetaalt;

    • b. de vakantiebijslag als onderdeel van het periodieke loon betaalt; of

    • c. de vakantiebijslag voldoet overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de WML.

  • 4. Indien het aantal dagloondagen nul is, dan is het dagloon, in afwijking van het eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:

    E/F

    waarbij:

    E staat voor het overeengekomen loon in het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden; en

    F staat voor het aantal dagloondagen in het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden dan wel, indien het een aangiftetijdvak van een maand betreft, voor 21,75.

G

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 6. Loon in geval van verlof tijdens dienstbetrekking.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof tijdens de dienstbetrekking, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan dat verlof voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.

3. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt «of die ziekte».

b. In onderdeel a wordt «het refertejaar» vervangen door: de referteperiode.

4. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «het refertejaar» wordt vervangen door: de referteperiode.

b. «omstandigheden» wordt vervangen door: omstandigheid.

5. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon.

H

Artikel 7 vervalt.

I

Artikel 10 vervalt.

J

Artikel 11 vervalt.

K

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12. Algemene dagloongarantie WW

  • 1. Het WW-dagloon van de werknemer die aansluitend op de beëindiging van een eerdere dienstbetrekking van ten minste één jaar, één of meerdere dienstbetrekkingen is aangegaan, waardoor geen recht op een WW-uitkering is ontstaan, wordt, bij beëindiging van deze nieuwe dienstbetrekkingen binnen 54 weken na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon dat zou hebben gegolden vanwege beëindiging van die eerdere dienstbetrekking.

  • 2. Het WW-dagloon wordt, indien een werknemer, na beëindiging van een dienstbetrekking die ten minste één jaar heeft geduurd, een recht heeft gehad op een reguliere WW-uitkering dat is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet en niet herleeft vanwege artikel 21, tweede lid, onderdeel a, niet lager vastgesteld dan op het WW-dagloon van het geëindigde recht, mits het recht is ontstaan binnen twaalf maanden na de eerste werkloosheidsdag van het geëindigde recht.

L

Na hoofdstuk 2 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 2a. Bepalingen voor vaststelling van dagloon ZW en Wazo

Artikel 12a. Werknemer

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder werknemer:

  • a. de werknemer, bedoeld in de eerste afdeling, paragraaf 2, van de ZW; en

  • b. de werknemer en de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel a en b, en tweede lid, van de Wazo.

Artikel 12b. Referteperiode voor ZW en Wazo
  • 1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden of waarin het recht op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 van de Wazo is ontstaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid eindigt de referteperiode op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de dienstbetrekking is geëindigd, indien de dienstbetrekking eindigt door wederzijds goedvinden van partijen of opzegging, zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn, en:

    • a. de werknemer een vergoeding wegens de beëindiging van de dienstbetrekking of vergoeding op grond van artikel 672, negende lid of artikel 677, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft ontvangen waardoor het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, op een later moment intreedt dan het moment waarop de dienstbetrekking eindigt; en

    • b. de datum van eindiging van die dienstbetrekking is gelegen voor het einde van de referteperiode, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Bij het vaststellen van het ZW-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op ziekengeld berust op artikel 46 van de ZW eindigt de referteperiode, in afwijking van het eerste lid, op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd.

  • 4. Bij het vaststellen van het Wazo-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op uitkering berust op artikel 3:10 van de Wazo eindigt de referteperiode, in afwijking van het eerste lid, op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd.

Artikel 12c. Loonbegrip voor ZW en Wazo
  • 1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan, met dien verstande dat niet onder loon worden begrepen:

    • a. uitkeringen op grond van de Wet WIA, de WAO, de WW en de uitkeringen die naar aard en strekking met deze uitkeringen overeenkomen, met uitzondering van een uitkering op grond van artikel 18 van de WW;

    • b. de aanvullingen en de toeslagen op grond van de Toeslagenwet, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de Wfsv op de uitkeringen die niet onder loon worden begrepen genoemd in onderdeel a;

    • c. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en

    • d. een uitkering die de werknemer heeft genoten op grond van de aanspraak, bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964, zonder dat er sprake is van onbetaald extra verlof.

  • 2. In dit hoofdstuk wordt onder loon tevens verstaan de som van het loon, bedoeld in het eerste lid, genoten in de referteperiode uit elkaar opvolgende dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever indien:

    • a. ten aanzien van al deze dienstbetrekkingen een schriftelijk beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek was opgenomen;

    • b. al deze dienstbetrekkingen van rechtswege zijn geëindigd door inroeping van dat beding; en

    • c. de werknemer gedurende de tussen de elkaar opvolgende dienstbetrekkingen liggende dagen recht op ziekengeld had.

    Indien de vorige zin van toepassing is dan geldt tevens als loon het ziekengeld dat is uitgekeerd gedurende de tussen elkaar opvolgende dienstbetrekkingen liggende dagen.

  • 3. In dit hoofdstuk wordt onder loon tevens verstaan de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de werknemer bij één werkgever als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, meer elkaar opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 691 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gehad en deze dienstbetrekkingen in de loonaangifte vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking worden aangemerkt als één inkomstenverhouding.

Artikel 12d. Algemene bepalingen over het loon voor ZW en Wazo
  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

  • 2. Onder loon als bedoeld in artikel 12c wordt mede begrepen loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan, en uit de daaraan voorafgaande dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 12c, tweede en derde lid, waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.

Artikel 12e. Dagloon voor ZW en de Wazo
  • 1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW en de Wazo is de uitkomst van de volgende berekening:

    [(A-B) x 108/100 + C] / D

    waarbij:

    A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

    B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

    C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

    D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan, is aangevangen na aanvang van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

  • 2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon of de vakantiebijslag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z. Waarbij:

    Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; en

    Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert een werkgever verstaan die:

    • a. de vakantiebijslag periodiek bij iedere loonbetaling uitbetaalt;

    • b. de vakantiebijslag als onderdeel van het periodieke loon betaalt; of

    • c. de vakantiebijslag voldoet overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de WML.

  • 4. D staat, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan, één of meer aangiftetijdvakken kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, arbeidsongeschiktheid of ziekte, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken waarin wel loon is genoten.

  • 5. D staat, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan, is aangevangen na afloop van de referteperiode, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop de ziekte is ingetreden of de dag waarop het recht op een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan en A, B en C staan in dat geval, in zoverre in afwijking van artikel 12c, voor het loon respectievelijk de vakantiebijslag genoten in deze dienstbetrekking. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op de situatie, bedoeld in artikel 12c, tweede en derde lid.

  • 6. Indien artikel 12c, tweede of derde lid, van toepassing is, staat C tevens voor het ziekengeld uitgekeerd tussen de elkaar opvolgende dienstbetrekkingen, bedoeld in dat tweede of derde lid, en staat D voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de eerste van de elkaar opvolgende dienstbetrekkingen, bedoeld in dat tweede of derde lid, is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

  • 7. Indien het aantal dagloondagen nul is, dan is het dagloon, in afwijking van het eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:

    E/F

    waarbij:

    E staat voor het overeengekomen loon in het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden of waarin het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan; en

    F staat voor het aantal dagloondagen in het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden of waarin het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo is ontstaan dan wel, indien het een aangiftetijdvak van een maand betreft, voor 21,75.

Artikel 12f. Loon in geval van ziekte of verlof tijdens een dienstbetrekking
  • 1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met ziekte, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in 12e, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking of in de opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 12c, derde lid, in het laatste aan dat verlof of die ziekte, voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan.

  • 2. Indien er geen voorafgaand aangiftetijdvak als bedoeld in het eerste lid is, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 12e, eerste lid, het loon in aanmerking genomen uit dezelfde dienstbetrekking of uit de opvolgende dienstbetrekkingen als bedoel in artikel 12c, derde lid, over het aangiftetijdvak direct na afloop van dat verlof of die ziekte, indien:

    • a. dat aangiftetijdvak geheel is gelegen in de referteperiode; en

    • b. de werknemer gedurende het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.

  • 3. Indien er geen aangiftetijdvak is als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voor ieder in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak waarin door de werknemer geen of minder loon is genoten in verband met de in het eerste lid genoemde omstandigheden, bij de berekening van het dagloon het per aangiftetijdvak geldende overeengekomen loon in aanmerking genomen.

  • 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien:

    • a. de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon; of

    • b. gedurende het aangiftetijdvak, bedoeld in het eerste lid, het te vervangen loon mede bestaat uit een uitkering op grond van de ZW, vanwege de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 12g. ZW-dagloon na eerder recht op uitkering
  • 1. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f wordt het ZW-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op ziekengeld berust op artikel 46 van de ZW, die tevens laatstelijk verzekerd was op grond van artikel 7 van die wet, vastgesteld op het vastgestelde en herziene WW-dagloon.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt het ZW-dagloon vastgesteld op 100/70 keer de gemiddelde WW-uitkering per werkdag waarop recht bestond in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin de dag na de dag waarop het recht op een uitkering op grond van de WW is geëindigd, ligt, indien met de WW-uitkering in die voorafgaande kalendermaand inkomen als bedoeld in artikel 1b van die wet is verrekend.

  • 3. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f wordt het ZW-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op ziekengeld berust op artikel 46 van de ZW, die tevens laatstelijk op grond van artikel 8c van de ZW verzekerd was, vastgesteld op het Wazo-dagloon.

  • 4. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f wordt het ZW-dagloon van de persoon, wiens aanspraak op ziekengeld berust op artikel 46 van de ZW, die tevens laatstelijk verzekerd was op grond van artikel 8 van de ZW, vastgesteld op het voorgaande ZW-dagloon.

  • 5. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f wordt het ZW-dagloon van de persoon die laatstelijk op grond van artikel 8c van de ZW verzekerd was, vastgesteld op het Wazo-dagloon.

Artikel 12h. Wazo-dagloon in geval van een voorafgaande reguliere WW, ZW of WIA uitkering
  • 1. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f, wordt het dagloon van de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wazo, die op de dag voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een uitkering op grond van de Wazo als werknemer wordt aangemerkt op grond van artikel 7, onderdeel a, van de ZW, vastgesteld op:

    • a. het vastgestelde en herziene WW-dagloon, indien met de uitkering op grond van die wet in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op uitkering op grond van de Wazo is ontstaan, geen inkomen als bedoeld in artikel 1b van de WW is verrekend; of

    • b. 100/70 keer de gemiddelde uitkering op grond van de WW per werkdag, waarop recht bestond, in de laatste kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op uitkering op grond van de Wazo is ontstaan, indien met de uitkering op grond van de WW in die laatste kalendermaand inkomen als bedoeld in artikel 1b van die wet is verrekend.

  • 2. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f, wordt het dagloon van de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wazo, die op grond van artikel 8, onderdeel a, van de ZW voorafgaand aan een uitkering op grond van de Wazo ziekengeld ontving, vastgesteld op:

    • a. het vastgestelde en herziene ZW-dagloon, indien met de uitkering op grond van die wet in de vier kalenderweken voorafgaande aan de uitkering op grond van de Wazo, geen inkomen op grond van artikel 31 van de ZW is verrekend; of

    • b. 100/A van het ziekengeld per dag over de vier kalenderweken voorafgaande aan de Wazo-uitkering, indien er met de uitkering op grond van die wet in de vier kalenderweken voorafgaand aan een uitkering op grond van de Wazo inkomen is verrekend op grond van artikel 31 van de ZW. Daarbij staat A voor het uitkeringpercentage van de uitkering op grond van de ZW.

  • 3. Indien de gelijkgestelde, bedoeld in het tweede lid, recht had op ziekengeld, omdat hij op de eerste dag dat hij zijn arbeid niet kon verrichten vanwege ziekte op grond van artikel 7, onderdeel a, van de ZW als werknemer werd aangemerkt, wordt, in afwijking van het tweede lid, het dagloon vastgesteld op:

    • a. het vastgestelde en herziene WW-dagloon, indien met de uitkering op grond van de ZW in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op uitkering op grond van de Wazo is ontstaan, geen inkomen als bedoeld in artikel 1b van de WW is verrekend; of

    • b. 100/70 keer de gemiddelde uitkering op grond van de ZW per dag, waarop recht bestond, in de laatste kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op uitkering op grond van de Wazo is ontstaan, indien met de uitkering op grond van de ZW in die laatste kalendermaand inkomen als bedoeld in artikel 1b van de WW is verrekend.

  • 4. Voor de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wazo, is het dagloon, in afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f, gelijk aan het reeds vastgestelde en herziene WIA-dagloon. Indien voor de gelijkgestelde, bedoeld in de eerste zin, bij het vaststellen van de hoogte van de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van artikel 61 van de Wet WIA rekening werd gehouden met inkomen, wordt het Wazo-dagloon, vastgesteld op 100/70 keer de gemiddelde uitkering per dag in de laatste kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op uitkering op grond van de Wazo is ontstaan.

  • 5. In afwijking van de artikelen 12b tot en met 12f, wordt het dagloon voor de werknemer en de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, van de Wazo vastgesteld overeenkomstig artikel 68 van de ZW en de regels op grond van artikel 71, onderdeel c, van die wet.

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de persoon die recht heeft op een Wazo-uitkering op grond van artikel 3:10 van de Wazo.

M

Artikel 12f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 12f. Loon in geval van verlof tijdens een dienstbetrekking.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 12e, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking of in opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 12c, derde lid, in het laatste aan dat verlof voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan.

3. In het tweede lid vervalt «of die ziekte».

4. In het derde lid wordt «omstandigheden» vervangen door: omstandigheid.

5. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon.

N

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «Refertejaar» vervangen door: Referteperiode.

2. In het eerste lid wordt «refertejaar» vervangen door: referteperiode.

3. In het derde lid wordt «Het refertejaar» vervangen door: De referteperiode.

O

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel b, vervalt «en».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door «; en», wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

P

In artikel 15, tweede lid, wordt «het refertejaar» telkens vervangen door: de referteperiode.

Q

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het refertejaar» telkens vervangen door: de referteperiode.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon of de vakantiebijslag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z waarbij:

    Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; en

    Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.

3. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «het refertejaar» vervangen door: de referteperiode.

b. De zinsnede «hoofdstuk IV van de WW,» vervalt.

4. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Indien een dienstbetrekking is geëindigd door wederzijds goedvinden van partijen, of opzegging, zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn, en de werknemer een vergoeding wegens beëindiging van een dienstbetrekking of een vergoeding op grond van artikel 672, negende lid, of artikel 677, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft ontvangen waardoor het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, op een later moment intreedt dan het moment waarop de dienstbetrekking eindigt, wordt voor de toepassing van het eerste lid factor D verminderd met het aantal dagloondagen gedurende de periode tussen het einde van de dienstbetrekking en het intreden van het arbeidsurenverlies, voor zover die periode in de referteperiode ligt en worden de factoren A, B en C verminderd met al het loon genoten in de aangiftetijdvakken die volledig liggen binnen die periode.

R

Artikel 16, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «Indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering» wordt ingevoegd: , met uitzondering van een uitkering op grond van de ZW,.

2. In onderdeel b vervalt «de ZW,».

S

In artikel 17 wordt «het refertejaar» telkens vervangen door: de referteperiode.

T

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 17. Loon in geval van verlof tijdens dienstbetrekking.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.

3. In het tweede lid vervalt «of die ziekte».

4. In het derde lid wordt « omstandigheden» vervangen door: omstandigheid.

5. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon.

U

In artikel 18 wordt «het refertejaar» telkens vervangen door: de referteperiode.

V

Artikel 22 vervalt.

W

In artikel 23 wordt «het refertejaar» vervangen door: de referteperiode.

X

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «refertejaar» vervangen door: de referteperiode.

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «het refertejaar» wordt vervangen door: de referteperiode.

b. Na «artikel 2» wordt ingevoegd: , artikel 12b.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien bij het vaststellen van het dagloon artikel 18 van toepassing is of indien de dienstbetrekking is aangevangen na aanvang van de referteperiode, wordt bij toepassing van het eerste lid voor «bij aanvang van de referteperiode» gelezen: bij aanvang van de dienstbetrekking.

ARTIKEL II

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 9 april 2015

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Uitgegeven de drieëntwintigste april 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Aanleiding en probleemschets

Door de Wet werk en zekerheid (Wwz) is de Werkloosheidswet (WW) op een aantal onderdelen gewijzigd. Dit brengt mee dat het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) hierop moet worden aangepast. In dit verband is van belang dat in de definitie van het dagloon voor een reguliere WW-uitkering, dat wil zeggen de uitkering die niet is gebaseerd op artikel 18 van de WW (calamiteitenregeling) of hoofdstuk IV van de WW (overname loonbetaling e.d. bij betalingsonmacht van de werkgever), de zinsnede «verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden» is geschrapt. Daarnaast wordt de dagloongarantie heringevoerd voor de werknemer die een lager beloonde baan heeft aanvaard en binnen twaalf maanden alsnog werkloos wordt (van-werk-naar-werk).

Doel, gekozen instrumenten en gevolgen

Met dit besluit is het Dagloonbesluit aangepast aan de wijzigingen in de WW. Op grond van de WW, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de Wwz, werd het dagloon bepaald op grond van het loon dat een werknemer had verdiend in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos was geworden. Dat kon echter niet representatief zijn voor hetgeen een werknemer gemiddeld per dag had verdiend in het laatste jaar voordat hij werkloos werd, bijvoorbeeld omdat hij slechts kort in de betreffende dienstbetrekking had gewerkt. Dit kon tot onrechtvaardige uitkomsten leiden. Zo bedroeg het dagloon € 75 als iemand in het jaar voor zijn ontslag eerst zes maanden had gewerkt tegen een loon van € 50 per dag en vervolgens (in dezelfde dienstbetrekking) zes maanden tegen een loon van € 100 per dag. Het dagloon bedroeg echter € 100 als iemand in het jaar voor zijn ontslag slechts zes maanden had gewerkt tegen een loon van € 100 per dag. De eerste persoon had dus langer gewerkt dan de tweede persoon en daardoor meer verdiend (zodat ook meer premie voor hem was betaald), maar zijn dagloon was lager. Daarom is besloten dat het dagloon voor de reguliere WW-uitkering voortaan zal worden berekend door het loon dat genoten is in alle dienstbetrekkingen gedurende de referteperiode van een jaar voorafgaande aan (de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voor) het intreden van de werkloosheid, te delen door 261 dagen. Dit heeft tot gevolg dat degenen die in de referteperiode in totaal hetzelfde loon hebben verdiend, hetzelfde dagloon hebben. Zo bedraagt het dagloon € 100 als een werknemer in het jaar voor ontslag € 26.100 heeft verdiend, ongeacht hoeveel dagen hij heeft gewerkt in die periode en ongeacht in hoeveel dienstbetrekkingen hij dat loon heeft verdiend. Op het voorgaande bestaat een uitzondering als in het jaar voorafgaande aan het intreden van werkloosheid, een eerder recht op een WW-uitkering is ontstaan. In dat geval begint de referteperiode op de eerste werkloosheidsdag van dat eerdere recht. Hiermee wordt voorkomen dat het loon dat is meegeteld bij het dagloon van een eerder WW-recht, ook wordt meegeteld bij het dagloon voor een daaropvolgend WW-recht. Het dagloon wordt in dit geval berekend door het loon in de afwijkende, kortere referteperiode te delen door het aantal dagloondagen in die periode.

Het dagloon van de uitkering op grond van artikel 18 van de WW en Hoofdstuk IV van de WW, wordt gebaseerd op het loon uit de dienstbetrekking waarin de calamiteit of de betalingsonmacht zich heeft voorgedaan. Hierin is geen wijziging aangebracht, omdat de WW-uitkering in deze gevallen is bedoeld als compensatie voor het loonverlies dat een werknemer lijdt in de betreffende dienstbetrekking.

Tevens wordt een dagloongarantie ingevoerd ingeval een werknemer na beëindiging van een dienstbetrekking van ten minste één jaar aansluitend een andere, lager beloonde baan aanvaardt waardoor geen recht op een WW-uitkering ontstaat. Als de betreffende werknemer binnen 54 weken na beëindiging van de eerdere dienstbetrekking werkloos wordt, dan wordt het dagloon van de WW-uitkering gebaseerd op het loon dat de werknemer gemiddeld per dag verdiende in de voorlaatste dienstbetrekking. Deze dagloongarantie stimuleert dat werknemers een lager beloonde baan kunnen aanvaarden, omdat het hun aanspraken op grond van de WW niet vermindert.

Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de wijze waarop het dagloon voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) moet worden vastgesteld, in dit besluit te regelen. Tot de inwerkingtreding van de Wwz was in artikel 3:13, tweede lid, van de Wazo bepaald dat het Wazo-dagloon in beginsel moest worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van de Ziektewet (ZW). De tekst van deze bepalingen is nu in artikel 3:13, tweede lid, van de Wazo zelf opgenomen, dat wil zeggen dat het Wazo-dagloon wordt bepaald door het loon dat de betrokkene in de laatste dienstbetrekking heeft verdiend in het jaar voorafgaande aan (de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voor) het ontstaan van een recht op Wazo-uitkering. Voorts is nu in artikel 3:13, vierde lid, van de Wazo bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels worden vastgesteld. Met dit besluit wordt daaraan voldaan. Daarbij vindt geen inhoudelijke wijziging plaats met betrekking tot de wijze waarop het Wazo-dagloon moet worden vastgesteld, met dien verstande dat er bijzondere regels gelden voor degene die voorafgaande aan de Wazo-uitkering een WW-uitkering ontving. Dit wordt in de artikelsgewijze toelichting nader toegelicht. Voorts was tot de inwerkingtreding van de Wwz in artikel 3:13, derde en vierde lid, van de Wazo geregeld hoe het Wazo-dagloon moest worden vastgesteld van degene die respectievelijk een ZW- en een loongerelateerde WGA-uitkering ontving. Deze bepalingen worden door dit besluit overgeheveld naar het . Op één wijziging na (vaststelling na WIA-uitkering bij ontvangen inkomsten) betreft ook dit geen inhoudelijke wijziging met betrekking tot de wijze waarop het Wazo-dagloon moet worden vastgesteld, met dien verstande dat in dit geval bijzondere regels gelden voor degene die voorafgaande aan de ZW-uitkering een WW-uitkering ontving. Dit hangt samen met het feit dat de ZW-uitkering van degene die vanuit de WW instroomt op dezelfde wijze wordt berekend als de daaraan voorafgaande WW-uitkering. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Uitvoeringstoets UWV

Het UWV acht het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar met ingang van de beoogde invoeringsdatum 1 juli 2015. In het onderhavige besluit is geregeld op welke wijze de hoogte van het dagloon wordt vastgesteld voor de verschillende werknemersverzekeringen. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestaande Dagloonbesluit en als uitgangspunt gehanteerd dat het dagloon geautomatiseerd kan worden vastgesteld.

Regeldruk

Onderhavige wijziging leidt niet tot een wijziging in de administratieve lasten van burgers of werkgevers. Op grond van de huidige regelgeving wordt de hoogte van het dagloon bepaald op grond van het loon dat een werknemer heeft verdiend in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden. Het UWV baseert zich hierbij op de informatie uit de polisadministratie. Met onderhavig besluit is geregeld dat het dagloon voortaan zal worden berekend door het loon dat is genoten in alle dienstbetrekkingen gedurende de referteperiode van een jaar voorafgaande aan (de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voor) het intreden van de werkloosheid, te delen door 261. Ook na deze wijziging van de dagloonregels zal het UWV hiervoor de informatie uit de polisadministratie gebruiken. De regeldruk blijft hiermee gelijk.

Artikelsgewijs

Wijziging van de term refertejaar in referteperiode (Artikel I, onderdelen D, G, N, P, Q, S, U, W en X)

In dit besluit is overgestapt van de term refertejaar naar de term referteperiode. De hoofdregel is dat de referteperiode een jaar duurt, maar er bestaan uitzonderingen, zodat het duidelijker is om te spreken van een referteperiode. Daarom zijn er in het besluit meerdere wijzigingen die hierop zien.

Artikel I, onderdeel A

De begrippenlijst wordt aangepast vanwege de voorgestelde wijzigingen.

Artikel I, onderdeel B

Voorheen waren de artikelen over de vaststelling van het WW- en ZW-dagloon samen in één hoofdstuk opgenomen. Er is voor gekozen om deze te splitsen. In hoofdstuk 2 zijn nu de bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de dagloonvaststelling voor de WW en in hoofdstuk 2a de bepalingen voor de dagloonvaststelling voor de ZW en de Wazo.

Artikel I, onderdeel C (artikel 2. Referteperiode voor WW)

Eerste lid

Het dagloon voor de uitkering wordt gebaseerd op loon dat is genoten in de referteperiode. De hoofdregel is dat de referteperiode een jaar duurt en eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies intreedt. Als een werkgever bijvoorbeeld per kalendermaand aangifte doet en het arbeidsurenverlies treedt in op 15 mei, dan eindigt de referteperiode op 31 maart.

Tweede lid

Dit lid is van belang wanneer de dienstbetrekking wordt beëindigd, zonder dat de wettelijke opzegtermijn in acht wordt genomen. In dat geval kan een toegekende vergoeding, geheel of gedeeltelijk, worden omgerekend naar arbeidsuren, waardoor het arbeidsurenverlies later intreedt. Dit heeft tot gevolg dat het recht op een WW-uitkering op een later moment ontstaat. In dit lid wordt geregeld dat, als de dienstbetrekking eindigt voor het einde van de referteperiode bedoeld in het eerste lid, de referteperiode eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de dienstbetrekking is geëindigd. De duur is wel gelijk en de referteperiode begint in dit geval ook één jaar voor het hierboven genoemde eindmoment.

In het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, kon deze bepaling worden toegepast in drie gevallen: bij ontbinding door de rechter, bij opzegging en bij wederzijds goedvinden van de partijen. In het eerstgenoemde geval is dat niet meer nodig omdat – vanwege de wijzigingen in het ontslagrecht – de rechter bij de ontbinding rekening houdt met de geldende opzegtermijn.

Bij opzegging door één van de partijen zal nog alleen gekeken worden naar vergoedingen vanwege het einde van de dienstbetrekking die worden toegekend op grond van de artikelen 7:672, negende lid of 7:677, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Deze leden zien op vergoedingen bij onverwijlde beëindiging vanwege een dringende reden en beëindiging op een onjuist moment.

Ten slotte heeft er geen verandering plaats gevonden ten opzichte van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, in de situatie waarin partijen met wederzijds goedvinden de dienstbetrekking beëindigen, maar daarbij niet de juiste opzegtermijn in acht nemen.

Derde lid

Dit lid bevat een uitzondering op de hoofdregel dat de referteperiode één jaar duurt. De referteperiode is korter dan één jaar als er in de referteperiode als bedoeld in het eerste lid een eerste werkloosheidsdag van een eerder WW-recht ligt. De referteperiode vangt dan aan op de eerste werkloosheidsdag van dat eerdere recht en eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het tijdvak waarin het arbeidsurenverlies van het tweede recht intreedt. Hiermee wordt bereikt dat het loon uit de dienstbetrekking waaruit een eerder WW-recht is ontstaan, niet een tweede keer in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het dagloon voor een volgend WW-recht.

Vierde lid

Indien de eerste werkloosheidsdag van het eerdere recht in de situatie als omschreven in het derde lid is gelegen na afloop van de referteperiode voor het dagloon van het tweede recht, dan eindigt de laatstgenoemde referteperiode, in afwijking van het derde lid, op de dag voorafgaand aan het arbeidsurenverlies of het einde van de dienstbetrekking.

Vijfde lid

Dit lid is van toepassing indien een WIA-gerechtigde het werk hervat en binnen korte tijd werkloos wordt. Door de voorverlenging van de referteperiode voor de referte-eis (artikel 17a WW), kan de betrokkene recht hebben op een WW-uitkering, ondanks dat hij maar korte tijd heeft gewerkt. In dit geval kan het werk zijn hervat na afloop van de referteperiode als bedoeld in het eerste of tweede lid. Daarom begint de referteperiode in dit geval op de dag waarop de werknemer de werkzaamheden heeft hervat en eindigt de referteperiode op de dag voorafgaand aan het arbeidsurenverlies of op de laatste dag van de dienstbetrekking.

Zesde lid

Ook bij toepassing van artikel 18 van de WW is de hoofdregel dat de referteperiode één jaar duurt. Indien de dienstbetrekking waarin de werknemer arbeidsurenverlies lijdt, echter is aangevangen na het begin van de referteperiode als bedoeld in het eerste lid, dan begint de referteperiode op de dag dat die dienstbetrekking is aangevangen.

Zevende lid

Bij betalingsonmacht van de werkgever, omschreven in artikel 61 van de WW, kan een werknemer een beroep doen op de WW om 13 weken achterstallig loon en 6 weken loon over het opzegtermijn uitgekeerd te krijgen. Ook hierbij is de hoofdregel dat de referteperiode een jaar duur. Deze eindigt echter, in afwijking van het eerste lid, op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de werkgever in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling is verleend, of waarin één van de overige genoemde situaties genoemd in artikel 61 van de WW zich voordoet. Voorts geldt hier een uitzondering op het begin van de referteperiode die overeenkomt met hetgeen in het zesde lid is geregeld. Indien, de hiervoor bedoelde dienstbetrekking van de werknemer, is aangevangen in het jaar voorafgaande aan de dag waarop de referteperiode eindigt, dan begint de referteperiode op de dag dat die dienstbetrekking is aangevangen.

Achtste lid

In geval de dienstbetrekking als bedoeld in het zesde of zevende lid is aangevangen na afloop van de referteperiode dan eindigt de referteperiode op de dag voorafgaand aan de dag waarop de omstandigheid genoemd in die leden zich heeft voorgedaan.

Negende lid

In dit lid wordt geregeld wat in het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden,werd geregeld in het vierde lid van artikel 2. Indien een niet-relevant arbeidsurenverlies binnen een jaar wordt gevolgd door één of meer volgende arbeidsurenverliezen, waardoor in totaal sprake is van een relevant arbeidsurenverlies, dan worden die arbeidsurenverliezen op verzoek van de werknemer bij elkaar opgeteld. Dit is geregeld in artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren. In dit lid is geregeld dat de referteperiode dan eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin het eerste arbeidsurenverlies is ingetreden.

Artikel I, onderdeel D (Artikel 3. Loonbegrip voor WW)

Eerste lid

In dit lid wordt bepaald wat onder loon wordt verstaan. Daarbij is van belang dat, als iemand verschillende dienstbetrekkingen had in de referteperiode, het loon in al die dienstbetrekkingen bij elkaar wordt opgeteld voor de vaststelling van het dagloon voor de reguliere WW-uitkering. Dit is een verschil met het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, want op grond daarvan werd enkel in aanmerking genomen het loon in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos was geworden. In de algemene toelichting wordt de achtergrond van deze wijziging toegelicht. Voor het begrip loon wordt aangesloten bij artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, behoudens enkele uitzonderingen.

Tweede lid

De hoofdregel bij de berekening van het dagloon is dat het loon genoten in alle dienstbetrekkingen gedurende de referteperiode, bij elkaar wordt opgeteld. Dit lid regelt dat, in afwijking daarvan, bij de berekening van het dagloon voor een uitkering op grond artikel 18 of hoofdstuk IV van de WW, enkel in aanmerking wordt genomen het loon in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden of waarin de betalingsonmacht van de werkgever zich heeft voorgedaan.

Voorheen stond er in het tweede lid een regeling die van toepassing was op uitzendkrachten die elkaar opvolgende dienstbetrekkingen hadden, met daartussen perioden met ziekengeld. Voor de berekening van het dagloon werd het loon in deze dienstbetrekkingen en het ontvangen ziekengeld bij elkaar opgeteld. Dit is nu niet meer nodig, omdat naar alle dienstbetrekkingen in de referteperiode wordt gekeken en ziekengeld ook als loon wordt aangemerkt. In verband hiermee is ook artikel 5, zesde lid, van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, komen te vervallen. Deze wijziging geldt alleen voor het WW-dagloon, voor de ZW blijft bovenstaande gelden en wordt opgenomen in artikel 12c.

Artikel I, onderdeel E (Artikel 4. Algemene bepalingen over het loon voor WW)

Aan de ratio van dit artikel is niet gesleuteld, maar net als in het eerste lid van artikel 3 wordt er gekeken naar al het inkomen in de referteperiode, als er dus een vorderbaar maar niet inbaar recht bestaat in een andere dienstbetrekking of uitkering dan wordt dat meegerekend in de dagloonberekening.

Artikel I, onderdeel F (Artikel 5. Dagloon voor WW)

Eerste en derde lid

Bij een referteperiode van één jaar wordt het dagloon berekend door de uitkomst van [(A-B) x 108/100 + C] te delen door 261 (dagen). In het geval artikel 2, derde, vierde, zesde, zevende of achtste lid van toepassing is, en de referteperiode korter is dan een jaar, wordt voornoemde uitkomst gedeeld door het aantal dagloondagen in de (verkorte) referteperiode.

Wanneer de situatie genoemd in artikel 2, vijfde lid zich voordoet, wordt het loon, ondanks de kortere referteperiode, door 261 gedeeld. Wanneer D wel zou worden gedeeld door het aantal dagloondagen, dan zou het dagloon (veel) hoger kunnen zijn dan van een WIA-gerechtigde die gedurende langere tijd heeft gewerkt voordat hij werkloos wordt. Omdat in dat laatste geval artikel 2, vijfde lid, niet van toepassing is, wordt het loon immers gedeeld door 261.

Tweede lid

Het is mogelijk dat de aanvang of het einde van de referteperiode niet samenvalt met de aanvang of het einde van een aangiftetijdvak. In dit geval wordt gesproken van een «gebroken aangiftetijdvak». Door middel van de herleidingsformule in dit lid wordt van het loon over het gebroken tijdvak een bedrag afgesplitst dat wordt meegenomen bij de dagloonvaststelling. De formule geeft de verhouding weer tussen het aantal in de referteperiode gelegen dagloondagen in dat tijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding en het totale aantal dagloondagen in dat tijdvak.

Vierde lid

In dit lid wordt geregeld wat in het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, werd geregeld in het zevende lid van artikel 5. Het kan voorkomen dat het aantal dagloondagen nul is. Bijvoorbeeld doordat er alleen in één weekend is gewerkt. In dat geval wordt het dagloon bepaald op basis van het overeengekomen loon per maand of per vier weken. Dat overeengekomen loon wordt gedeeld door het aantal dagloondagen van het aangiftetijdvak om te komen tot een loon per dag of door 21,75 als het loon per maand is overeengekomen.

Artikel I, onderdeel G (Artikel 6. Loon in geval van verlof tijdens dienstbetrekking)

In artikel 6 van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, werd bepaald dat voor de dagloonvaststelling van een werknemer die in een aangiftetijdvak minder loon had genoten vanwege ziekte of verlof, als loon in dat aangiftetijdvak werd aangemerkt het loon dat deze werknemer verdiende in het aangiftetijdvak daaraan voorafgaand of nakomend. Met deze methode werd beoogd dat bij de dagloonvaststelling werd uitgegaan van het loon dat een werknemer zou hebben verdiend als hij niet ziek was geweest of geen verlof had gehad.

Bij ziekte ging het hier om een werknemer waarvoor de werkgever een loondoorbetalingsplicht bij ziekte had.

Dit levert echter ongelijkheid op tussen deze werknemer en:

  • een werknemer die recht heeft op ziekengeld. Artikel 6 kan dan namelijk niet worden toegepast: de werknemer die rechtstreeks ziekengeld van UWV ontvangt en geen dienstbetrekking meer heeft, voldoet niet aan de voorwaarden.

  • een werknemer die ziekengeld ontvangt via de werkgever. De voornoemde methode is met behulp van de polisadministratie niet goed uit te voeren.

Daarom is besloten om de methode zoals geregeld in artikel 6 niet meer toe te passen bij ziekte van een werknemer. Dit leidt ertoe dat het dagloon van een werknemer met een werkgever wordt gebaseerd op het loon zoals de werkgever dat heeft doorbetaald. Dat kan -net als bij een ZW-uitkering- minder zijn dan 100% van het loon.

Artikel I, onderdeel H (artikel 7 vervalt)

De inhoud van dit artikel is verplaatst naar artikel 12g in hoofdstuk 2a vanwege de splitsing van de ZW en de WW in het Dagloonbesluit.

Artikel I, onderdeel I (artikel 10 vervalt)

Dit artikel was van toepassing bij elkaar opvolgende relevante arbeidsurenverliezen in dezelfde dienstbetrekking. Vanwege het nieuwe artikel 2, negende lid, is dit artikel niet meer nodig.

Artikel I, onderdeel J (artikel 11 vervalt)

Er is voor gekozen om dit artikel, waarin wordt geregeld wat het loonbegrip inhoud indien een 55-plusser met zijn werkgever een vermindering van loon overeen is gekomen, te laten vervallen vanwege het geringe aantal gevallen waarin dit artikel wordt toegepast.

Artikel I, onderdeel K (Artikel 12. Algemene dagloongarantie WW)

Eerste lid

In dit lid is de nieuwe algemene dagloongarantie voor de WW geregeld voor werknemers die na een dienstbetrekking van ten minste een jaar, aansluitend een lager beloonde dienstbetrekking hebben aanvaard waardoor geen recht op een reguliere WW-uitkering is ontstaan, en vervolgens na korte tijd werkloos worden uit die nieuwe dienstbetrekking. Zonder nadere voorziening zou de lager beloonde arbeid tot gevolg kunnen hebben dat het dagloon lager is dan ingeval de betrokkene recht op een WW-uitkering zou hebben gehad direct na afloop van de hoger beloonde arbeid. Daarom wordt geregeld dat in dit geval het dagloon wordt gebaseerd op de hoger beloonde arbeid. Voorwaarden voor deze garantie zijn:

  • de eerdere dienstbetrekking heeft minimaal één jaar geduurd,

  • er is geen recht op een reguliere WW-uitkering ontstaan, ontstaan na beëindiging van die eerdere dienstbetrekking, omdat aansluitend een andere dienstbetrekking is aangevangen en

  • de werkloosheid treedt in binnen 54 weken na beëindiging van deze eerdere dienstbetrekking.

Een voorbeeld ter illustratie.

  • A werkt 2 jaar bij werkgever Z

  • De dienstbetrekking van A eindigt op 31 maart 2015.

  • Het loon dat A in het laatste jaar in deze dienstbetrekking verdiende, bedroeg € 100 per dag.

  • Op 1 april 2015 ontstaat geen recht op WW-uitkering (met een dagloon van € 100), omdat A op die dag bij werkgever X in dienst treedt.

  • Het loon dat A verdient bedraagt € 80 per dag.

  • Na een halfjaar, op 31 september 2015 wordt A ontslagen

Vanaf 1 oktober 2015 heeft A recht op een WW-uitkering. Zonder dagloongarantie wordt het dagloon als volgt berekend (daarbij wordt ervan geabstraheerd dat de referteperiode eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voor de werkloosheid). A heeft in de referteperiode zes maanden lang € 100 per dag heeft verdiend en zes maanden lang € 80 per dag, zodat het dagloon € 90 zou bedragen. Omdat dit lager is dan het dagloon dat A zou hebben gehad als hij op 1 april 2015 recht zou hebben gehad op een WW-uitkering, wordt zijn dagloon op € 100 gesteld.

Tweede lid

Met de wijzigingen in de WW door de Wwz eindigt bij werkhervatting het recht op WW-uitkering, als het loon uit een (nieuwe) baan per kalendermaand meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon van het WW-recht. Als de betrokkene werkloos wordt uit die nieuwe baan, dan ontstaat er geen nieuw recht op WW-uitkering als de betrokkene niet aan de referte-eis voldoet. Het eerder beëindigde recht herleeft dan. De hoogte van die uitkering is gerelateerd aan het oorspronkelijke dagloon. Als de betrokkene daarentegen wel aan de referte-eis voldoet, dan kan er een nieuw recht ontstaan met een dagloon dat hoger is dan 87,5% maar lager dan 100% van het oorspronkelijke dagloon. De hoogte van de uitkering is dan, althans na twee maanden, lager dan ingeval het eerdere recht zou zijn herleefd. Dat kan iemand ontmoedigen om meer dan 26 weken te gaan werken. Daarom wordt geregeld dat in dit geval het dagloon van het nieuwe WW-recht gelijk is aan het dagloon van het eerder beëindigde WW-recht.

Artikel I, onderdeel L (Hoofdstuk 2a. Bepalingen voor vaststelling van dagloon ZW en Wazo)

In de artikelen over de ZW is inhoudelijk weinig veranderd. Daarom is aangesloten bij de toelichting van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, en de wijzigingen die sindsdien doorgevoerd zijn. Wel wordt de dagloonvaststelling van de Wazo toegevoegd. Het gaat om een technische wijziging. Immers het Wazo-dagloon wordt nu al voor de meeste uitkeringsgerechtigden, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van de ZW en de daarop berustende bepalingen. Hieronder staat een tabel met een overzicht van de nieuwe en oude artikelnummering en eventuele wijzigingen. Er is één nieuw artikel toegevoegd dat uitsluitend van toepassing is op de dagloonvaststelling van de Wazo. Deze zal nader worden toegelicht.

Artikel in Dagloonbesluit 2015

Artikel in Dagloonbesluit 2013

Wijzigingen

12a

Nieuw

Nieuw artikel. Onder het begrip werknemer in dit hoofdstuk wordt zowel de werknemer in de zin van de ZW als de werknemer en gelijkgestelde in de zin van de Wazo, verstaan.

12b

2

Leden die niet relevant zijn voor de ZW, maar wel voor de WW zijn uit het artikel gehaald (lid 4). Daarnaast is het artikel ook van toepassing op het Wazo-dagloon.

12c

3

Geen inhoudelijke wijzigingen. Wel is het artikel ook van toepassing op het Wazo-dagloon.

12d

4

Geen inhoudelijke wijzigingen. Wel is het artikel ook van toepassing op het Wazo-dagloon.

12e

5

Het tweede lid is conform het tweede lid van artikel 5 aangepast. Daarnaast is het artikel ook van toepassing op het Wazo-dagloon.

12f

6

Geen inhoudelijke wijzigingen. Wel is het artikel ook van toepassing op het Wazo-dagloon.

12g

7

Artikel 12g is aangepast aan de Wwz en de daaruit volgende wijzigingen.

12h

Nieuw

Wazo-dagloon volgend op een voorafgaande WW, ZW of WIA uitkering

Artikel 12g. ZW-dagloon na eerder recht op uitkering

De inhoud van dit artikel sluit grotendeels aan op de inhoud van artikel 7 van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden. Het artikel is aangepast aan de wijzigingen opgenomen in de Wwz, waardoor de dagloonvaststelling voor de zieke werkloze niet meer in dit besluit is opgenomen, maar in de ZW zelf is geregeld. Dit geldt voor de zieke werkloze wiens voorafgaande werkloosheidsuitkering is vastgesteld conform de WW, zoals deze luidt na de inwerkingtreding van de Wwz, omdat de eerste werkloosheidsdag op of na 1 juli 2015 ligt. Datzelfde geldt voor de zieke werkloze wiens voorafgaande werkloosheidsuitkering is geconverteerd conform het Besluit conversie WW ofschoon de eerste werkloosheidsdag voor 1 juli 2015 ligt. Het tweede lid ziet op de situatie dat er sprake is van nawerking na een WW-uitkering, de ziekte ontstaat dus binnen vier weken (in sommige situaties binnen 10 weken o.g.v. artikel 46 vierde lid ZW) na het beëindigen van die uitkering, en op die WW-uitkering werd inkomen gekort. Voorheen was dat niet geregeld en werd de ZW-uitkering gebaseerd op het WW-dagloon. Nu wordt dat aangepast en wordt gekeken naar de gemiddelde WW-uitkering per dag in de voorgaande kalendermaand. Om precies te zijn: er wordt uitgegaan van de gemiddelde WW-uitkering per dag in de kalendermaand voor de kalendermaand waarin de eerste dag na de dag waarop de WW-uitkering is geëindigd, ligt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer de WW-uitkering op 31 maart is geëindigd, de eerst volgende dag 1 april is, welke ligt in een nieuwe kalendermaand. Er wordt dus gekeken naar de gemiddelde uitkering per dag in maart. Deze wordt vermenigvuldigd met 100/70 om de uitkering van 70% terug te berekenen naar 100%.

Artikel 12h. Wazo-dagloon in geval van een voorafgaande WW-, ZW- of WIA-uitkering
Eerste lid

Het Wazo-dagloon is gelijk aan het voorafgaande WW-dagloon indien er geen inkomensverrekening heeft plaatsgevonden op de WW-uitkering in de laatste kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op Wazo-uitkering is ontstaan. Als er wel inkomensverrekening heeft plaatsgevonden, dan bedraagt het dagloon 100/70 maal de gemiddelde WW-uitkering per werkdag in die voorafgaande kalendermaand waarover recht op uitkering heeft bestaan.

Tweede lid

In het tweede lid wordt geregeld hoe het Wazo-dagloon voor een ZW-gerechtigde moet worden vastgesteld. In dit geval wordt het Wazo-dagloon afgeleid van het ZW-dagloon. In het geval er sprake is van inkomensverrekening, wordt het dagloon vastgesteld op 100/A van het gemiddelde ziekengeld per dag over de vier kalenderweken direct voorafgaande aan de uitkering op grond van de Wazo. A staat in dit geval voor het uitkeringspercentage van uitkering op grond van de ZW.

Derde lid

Voor WW-gerechtigden die recht krijgen op een ZW-uitkering wordt, als gezegd, het ziekengeld vastgesteld op dezelfde wijze als waarop de WW-uitkering werd vastgesteld. Dit brengt mee dat, als zij tijdens een ZW-uitkering, vervolgens recht krijgen op een Wazo-uitkering, het Wazo-dagloon op een andere manier moet worden vastgesteld dan waarin het tweede lid voorziet. Dit wordt in het derde lid geregeld. Indien er geen inkomen is verrekend met de aan de Wazo-uitkering voorafgaande ZW-uitkering in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op Wazo is ontstaan, is het Wazo-dagloon gelijk aan het aan de ZW-uitkering voorafgaande WW-dagloon. Indien er wel inkomensverrekening heeft plaatsgevonden, wordt het Wazo-dagloon vastgesteld op 100/70 maal het gemiddelde van deze ZW-uitkering per dag in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op een Wazo-uitkering is ontstaan.

Vierde lid

Voor de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wazo, te weten degene die voor het recht op een Wazo-uitkering recht had op een loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet WIA, is het dagloon gelijk aan het op grond van artikel 13 van die wet en de daarop berustende bepalingen (onder andere hoofdstuk 3 van dit besluit) reeds vastgestelde en herziene WIA-dagloon. In het geval dat bij de vaststelling van het WIA-dagloon op grond van artikel 61 van de Wet WIA rekening is gehouden met inkomen, wordt het dagloon vastgesteld op 100/70 maal de gemiddelde WIA-uitkering per dag in de kalendermaand voorafgaande aan de kalendermaand waarin het recht op Wazo is ontstaan. Dit laatste is een wijziging ten opzichte van de tekst zoals deze was opgenomen in artikel 3:13 Wazo voor 1 juli 2015. De uitkeringsgegevens van het aangiftetijdvak voor het tijdvak waarin het Wazo-recht ontstaat, zijn bekend bij het UWV, hierdoor kan een betere vaststelling plaatsvinden.

Vijfde lid

Voor de vrijwillig ZW-verzekerden wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig de vaststelling van het dagloon voor het ziekengeld van vrijwillig verzekerden, zoals opgenomen in de artikelen 68 en 71, onderdeel c, van de ZW.

Zesde lid

Voor de persoon die op grond van artikel 3:10 van de Wazo (nawerking), recht heeft op een Wazo-uitkering en die voorafgaande aan dat recht, recht had op een uitkering op grond van de WW, ZW of Wet WIA, geldt dit artikel ook. Bij nawerking zijn er maximaal tien weken verstreken sinds het einde van de voorgaande uitkering, maar voor de toepassing van dit artikel wordt gedaan of het recht op Wazo-uitkering op de dag direct na de uitkering is ontstaan.

Artikel I, onderdeel M (artikel 12f)

Deze wijziging overschrijft de wijziging van artikel 12f in onderdeel L. In laatstgenoemde bepaling wordt geregeld hoe het loon moet worden vastgesteld als een werknemer in een aangiftetijdvak geen of minder loon heeft ontvangen vanwege verlof of ziekte. De bedoeling was om deze uitzondering te beperken tot verlof. Bij ziekte zou deze uitzondering dus niet meer gelden. Omdat het UWV meer tijd nodig heeft om zich op deze wijziging voor te bereiden is er voor gekozen om de tekst van artikel 6 van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, in stand te laten tot het moment dat onderhavige wijziging kan intreden. De reden waarom de uitzondering wordt beperkt tot verlof wordt nader uitgelegd in de toelichting van artikel 6 (onderdeel G). Het gehele artikel is hierop aangepast, dat is ook de reden dat het vierde lid, onderdeel b, komt te vervallen, het te vervangen loon dat mede bestaat uit een ZW-uitkering zal alleen voorkomen in de situatie van ziekte, nu deze eruit wordt gehaald, is onderdeel b ook niet langer nodig.

Artikel I, onderdeel O (artikel 14)

Een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW wordt niet als loon gezien voor de dagloonvaststelling van een WIA-uitkering omdat het loon, waarvoor de uitkering in de plaats is gekomen, op grond van artikel 15 van het Dagloonbesluit wordt meegeteld als loon dat vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden. Het is ongewenst dat dit dubbel wordt meegeteld voor de dagloonvaststelling.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 16)

Zie voor de wijziging van de bepaling omtrent gebroken aangiftetijdvakken de toelichting van artikel I, onderdeel F, tweede lid. In het vierde lid is geregeld hoe met uitkeringen in de referteperiode moet worden omgegaan, de uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW werd daar ook genoemd. Door de wijziging van artikel 14, kan, wanneer er sprake is van faillissement of een andere situatie zoals benoemd in artikel 61 van de WW, worden uitgegaan van loon als vorderbaar maar niet inbaar. Dit is een betere weergave voor de vaststelling van het dagloon. Omdat het echter ongewenst is om zowel het vorderbare maar niet inbare loon als een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW mee te nemen bij de vaststelling van het dagloon, wordt deze uitkering niet langer benoemd in artikel 16.

Daarnaast wordt het zesde lid, waarin wordt geregeld hoe moet worden omgegaan met het niet in acht nemen van geldende opzegtermijnen, aangepast naar de situatie die ontstaat op het moment dat de wijzingen van de Wwz inwerking treden.

Artikel I, onderdeel R (artikel 16, vierde lid)

Deze wijziging zal op hetzelfde moment als de wijziging in onderdeel T in werking treden. In het vierde lid van artikel 16 is geregeld hoe moet worden omgegaan met een uitkering in de referteperiode. Omdat een uitkering vaak een percentage bedraagt van het vastgestelde dagloon, wordt de uitkering herleid naar een loonbedrag door het te vermenigvuldigen met een bepaalde factor. Tot deze wijziging ingaat, gebeurt dit ook met een uitkering op grond van de ZW. Echter zoals uitgelegd in de toelichting van artikel I, onderdeel G, de wijziging van artikel 6, leidt ziekte in dat artikel maar ook in artikel 17 tot ongelijke behandeling van zieke werknemers die een ZW-uitkering ontvangen ten opzichte van werknemers van wie de werkgever het loon doorbetaalt. Door nu ook een uitkering op grond van de ZW, die rechtstreeks aan de uitkeringsgerechtigde wordt betaald door het UWV, op dezelfde wijze te behandelen als het door de werkgever doorbetaalde loon of ziekengeld, bestaat er geen ongelijke behandeling meer tussen de verschillende situaties met ziekte. In alle gevallen wordt uitgegaan van het genoten SV-loon. Om bovenstaande te bereiken wordt een uitkering op grond van ZW uitgezonderd in dit artikel, waardoor deze uitkering niet langer herleid wordt tot een loonbedrag.

Artikel I, onderdeel T (artikel 17)

Zie toelichting artikel I, onderdeel M. Dit onderdeel zal tevens op een later tijdstip inwerkingtreden.

Artikel I, onderdeel V (artikel 22)

Er is voor gekozen om dit artikel, waarin wordt geregeld wat het loonbegrip inhoud indien een 55-plusser met zijn werkgever een vermindering van loon overeen is gekomen, te laten vervallen vanwege het geringe aantal gevallen waarin dit artikel wordt toegepast.

Artikel I, onderdeel X (artikel 24)

In dit artikel is een speciale regeling opgenomen voor aanvragers jonger dan 23 jaar. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 24 in het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden. Door middel van deze wijziging is aangesloten op de overige wijzigingen in dit besluit.

Artikel II

De wijzigingen voor de reguliere WW-uitkering treden per 1 juli 2015 in werking, vandaar dat ook de bepalingen in dit besluit, met uitzondering van artikel I, onderdelen M, R en T, per 1 juli 2015 in werking zullen treden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.