Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2018, 107AMvB

Besluit van 9 april 2018 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en enige andere besluiten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 7 november 2017, nr. 2145087, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 2a, tweede lid, 3, tweede lid, 12, tweede lid, 14, derde lid, 16, tweede lid, 18, tweede lid, 54, eerste en tweede lid, 66, eerste lid, en 112 van de Vreemdelingenwet 2000, 3, eerste lid, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen, 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 2.1.1, vierde lid, van de Wet langdurige zorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, no. W16.17.0365/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 4 april 2018, nr. 2230589, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen van dit besluit wordt «wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG» telkens vervangen door: onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

B

In artikel 1.1 vervalt de definitie van richtlijn 2005/71/EG en wordt na de definitie van richtlijn 2014/66/EU een definitie ingevoegd, luidende:

richtlijn (EU) 2016/801:

richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132);

C

Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2005/71/EG» vervangen door: een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801.

2. In onderdeel d wordt «artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen» vervangen door: artikel 1, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

D

In artikel 1.12 wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: of een stageovereenkomst met de elementen, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, onder i tot en met v, van richtlijn (EU) 2016/801.

E

Artikel 2.1a, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt voor de puntkomma aan het slot ingevoegd: , of onder de beperking «onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. houder of voormalig houder van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «studie».

F

Aan artikel 3.3 worden de volgende leden toegevoegd:

  • 4. De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt 180 dagen binnen een periode van 360 dagen voor de categorie van:

    • a. onderzoekers die houder zijn van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 die een deel van het onderzoek in Nederland uitvoeren aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderzoeksinstelling;

    • b. de hen vergezellende familieleden die houder zijn van een door die andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor verblijf als partner of minderjarig kind bij die onderzoeker.

  • 5. De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt 360 dagen voor de categorie van studenten die houder zijn van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor studenten die onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs vallen, die een deel van de studie in Nederland volgen aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling.

  • 6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde termijn verstrijkt onmiddellijk indien Onze Minister bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan die bedoeld in het vierde en vijfde lid.

G

In artikel 3.30b, tweede lid, onder b, wordt «een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG» vervangen door: een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 heeft ingediend.

H

Artikel 3.33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «aan de vreemdeling» vervangen door «aan de onderzoeker in de zin van artikel 3, onder 2, van die richtlijn» en wordt «een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2005/71/EG» vervangen door: een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van die richtlijn met de bij ministeriële regeling genoemde gegevens,.

2. In het tweede lid worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma de volgende onderdelen toegevoegd:

  • f. van de te vervullen arbeidsplaats de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden ten minste liggen op het niveau dat wettelijk is vereist en in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is;

  • g. de vreemdeling duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a;

  • h. Onze Minister geen bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De aanvraag wordt afgewezen indien gelijktijdig de aanmelding, bedoeld in artikel 4.47, is gedaan.

I

Aan artikel 3.39 worden de volgende onderdelen toegevoegd onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma:

  • c. bij wie Onze Minister geen bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf andere doelen dient of zou dienen dan lerend werken, en

  • d. die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde nadere voorwaarden.

J

Artikel 3.41, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De verblijfsvergunning wordt slechts verleend indien Onze Minister geen bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan studie in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

K

Aan artikel 3.43 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De aanvraag wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, indien de vreemdeling Europees Vrijwilligerswerk gaat verrichten op grond van de overeenkomst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van richtlijn (EU) 2016/801. De verblijfsvergunning wordt slechts verleend indien Onze Minister geen bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan Europees Vrijwilligerswerk.

L

In artikel 3.71, tweede lid, onder i, wordt «richtlijn 2005/71/EG» vervangen door: richtlijn (EU) 2016/801.

M

Artikel 3.73, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. in geval van verblijf voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk: financiële ondersteuning van de referent, een subsidie, een beurs of een toelage.

N

Artikel 3.87a, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wet wordt geen verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland aangenomen als een onderzoeker of student tijdelijk verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en de gastovereenkomst dan wel de inschrijving als student geldig blijft.

O

Artikel 3.91b, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Voor de toepassing van artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wet wordt geen verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland aangenomen als een onderzoeker of student tijdelijk verblijft in een andere lidstaat van de Europese Unie in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en de gastovereenkomst dan wel de inschrijving als student geldig blijft.

P

Aan artikel 3.103a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien Onze Minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 verleent in het kader van langetermijnmobiliteit in de zin van artikel 29 van richtlijn (EU) 2016/801, doet hij daarvan mededeling bij de bevoegde instanties van de lidstaat die als eerste een verblijfsvergunning heeft afgegeven voor de vreemdeling.

Q

Aan artikel 3.103aa wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 of studie, doet Onze Minister in voorkomende gevallen van die intrekking onmiddellijk mededeling bij de bevoegde instanties van de lidstaat waar de vreemdeling verblijfsrecht geniet in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

R

Aan artikel 4.42, tweede lid, wordt onder vervanging van «, of» aan het slot van onderdeel b door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door «, of», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. naar Nederland is gekomen voor een verblijf op grond van artikel 3.3, vierde of vijfde lid.

S

Aan artikel 4.47 worden de volgende leden toegevoegd:

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan de aanmelding door een onderzoeker of student die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste 180 binnen 360 dagen onderscheidenlijk ten hoogste 360 dagen op grond van artikel 3.3, vierde of vijfde lid, namens de vreemdeling geschieden door de erkende referent waar hij het deel van zijn onderzoek of studie gaat verrichten. In dat geval kan de aanmelding in afwijking van het eerste lid geschieden zodra de erkende referent het voornemen tot een dergelijk verblijf kent.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het al dan niet in persoon verstrekken van gegevens of bescheiden bij de aanmelding.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin de aanmelding schriftelijk kan geschieden.

T

Artikel 6.4, vierde lid, wordt «een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2005/71/EG heeft gesloten» vervangen door «een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801 of een leer-werkovereenkomst of stageovereenkomst als bedoeld in artikel 1.12 heeft gesloten» en wordt «die gastovereenkomst» vervangen door «die overeenkomst».

ARTIKEL II

In artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit inburgering wordt «wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG» vervangen door: onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

ARTIKEL III

Het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1d, eerste lid, wordt «of als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289)» vervangen door: of voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132).

B

Artikel 1h wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 (PbEU L 289)» vervangen door: onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132).

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen is eveneens niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in Nederland verblijft op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en onderwijs geeft of onderzoek verricht aan een krachtens artikel 2c van de Vreemdelingenwet 2000 als referent erkende onderzoeksinstelling die geen universiteit, hogeschool of gelieerde instelling is, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor onderzoek in de zin van de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, en tevens houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van die richtlijn.

C

In artikel 2, onderdeel c, vervalt «wetenschappelijk».

ARTIKEL IV

In artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 wordt na «verband houdende met studie,» ingevoegd: tenzij hij in Nederland arbeid verricht dan wel arbeid heeft verricht gedurende een periode van zes maanden of langer en als werkzoekende staat geregistreerd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van 23 mei 2018.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 9 april 2018

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers

Uitgegeven de negentiende april 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit implementeert richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132) (hierna: de richtlijn). De richtlijn moet uiterlijk op 23 mei 2018 geïmplementeerd zijn. De implementatie vereist wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb), het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (hierna: BuWav), het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB volksverzekeringen), het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV) en de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 (hierna: RuWav). De richtlijn is een samenvoeging en uitbreiding van twee eerdere richtlijnen over de toelating van onderzoekers, studenten, stagiairs, scholieren en vrijwilligers (richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG).

Voor diverse onderwerpen zijn de wijzigingen ten opzichte van de huidige wetgeving van geringe betekenis. Zo blijven de voorwaarden voor verblijfsvergunningen voor derdelands studenten en onderzoekers grotendeels gelijk. Dat geldt ook voor de regels over langetermijnmobiliteit van onderzoekers, dat wil zeggen het recht om langer dan 180 dagen in een andere lidstaat te verblijven voor onderzoek. De richtlijn bevat verder enkele tientallen facultatieve bepalingen. Zoals in de transponeringstabel uitvoerig is gemotiveerd, zijn deze bepalingen niet gebruikt, tenzij een bepaling aansluit bij de bestaande regelgeving.

2. Samenvatting van het implementatiebesluit

Van betekenis zijn met name de twee nieuwe vormen van mobiliteit.

Nieuwe vormen van mobiliteit binnen de EU

Om het voor onderzoekers, hun familieleden en studenten gemakkelijker te maken van de ene naar de andere lidstaat te gaan om een deel van hun onderzoek- of studie te verrichten, introduceert de richtlijn twee nieuwe vormen van mobiliteit waarbij in de tweede lidstaat géén tweede verblijfsvergunning mag worden vereist. Het gaat om de volgende twee soorten mobiliteit:

  • «Kortetermijnmobiliteit van onderzoekers» (artikel 28 van de richtlijn):

    Dit houdt in dat een derdelander op basis van zijn door de eerste lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor onderzoek, recht heeft op een verblijf van hoogstens 180 dagen in elke periode van 360 dagen in een of meerdere andere lidstaten, om daar een deel van zijn onderzoek te verrichten. Gezinsleden van onderzoekers hebben het recht de onderzoeker tijdens zijn mobiliteit te vergezellen.

  • «Mobiliteit van studenten» (artikel 31 van de richtlijn):

    Een derdelander met een verblijfsvergunning die door de eerste lidstaat is afgegeven voor een studie die onder EU- of multilaterale programma’s of een overeenkomst tussen twee of meer hoger onderwijsinstellingen valt, mag op basis van die vergunning in een of meerdere andere lidstaten verblijven voor ten hoogste 360 dagen per lidstaat.

Volgens artikel 21 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst hebben vreemdelingen met een verblijfsvergunning van een EU-lidstaat in beginsel het recht om op basis van die verblijfsvergunning, indien zij beschikken over geldig reisdocument en middelen, ten hoogste 90 binnen 180 dagen te verblijven in een andere lidstaat. In artikel 3.3, eerste lid, onder d, Vb is deze termijn van 90 dagen geïmplementeerd.

In het onderhavige besluit is deze termijn verruimd voor de nieuwe vormen van mobiliteit. Om te regelen dat de termijn voor onderzoekers die gebruikmaken van kortetermijnmobiliteit 180 dagen bedraagt, is artikel 3.3, vierde lid, Vb opgenomen. Dat de termijn voor studenten die gebruikmaken van studentenmobiliteit 360 dagen bedraagt, is in artikel 3.3, vijfde lid, Vb geregeld.

De vreemdeling heeft dan rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Artikel 12 Vw bevat de voorwaarden voor de vrije termijn, te weten (a.) het in acht nemen van de bij of krachtens de Vw gestelde regels, (b.) de middeleneis, (c.) het niet verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen en (d.) geen gevaar opleveren voor de openbare orde.

Tijdens de vrije termijn verschaft de IND desgevraagd aan de vreemdeling een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt of een schriftelijke verklaring (volgens artikel 9, derde lid, Vw). Dit sluit aan bij de artikelen 28, tiende lid, en 31, tiende lid, van de richtlijn. Een verblijfsvergunning kan volgens deze artikelen niet worden afgegeven.

In plaats van de aanvraag van een verblijfsvergunning is vereist dat de onderzoeker, zijn familielid of de student zich aanmeldt op grond van artikel 4.47 Vb. De vreemdeling kan zijn erkende referent machtigen om zich te laten aanmelden. Dat is geregeld in het nieuwe artikel 4.47, vierde lid. Laat de vreemdeling na om zich aan te (laten) melden, dan voldoet hij niet aan één van de voorwaarden voor de vrije termijn, te weten artikel 12, eerste lid, onder a, Vw. Dit volgt ook uit artikel 32, vierde lid, van de richtlijn.

Wordt niet of niet langer voldaan aan de voorwaarden van de vrije termijn, dan geldt artikel 62a, derde lid, Vw, op basis waarvan de vreemdeling wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven die een verblijfsvergunning heeft afgegeven.

In artikel 1h, tweede en derde lid, van het BuWav is bovendien een tweetal nieuwe vrijstellingen op het verbod uit artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen, namelijk voor kortetermijnmobiliteit van onderzoekers en voor onderzoekers tijdens de aanvraagprocedure voor langetermijnmobiliteit.

Daarnaast bevat dit implementatiebesluit een wijziging van het BUB volksverzekeringen in verband met de implementatie van artikel 22, derde lid, van de richtlijn. Deze wijziging betreft een beperking van de uitsluiting van bepaalde sociale zekerheidsrechten van studenten met een verblijfsvergunning. Hiermee wordt de richtlijn sec geïmplementeerd. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel IV.

3. Uitvoering, toezicht en handhaving

Er heeft een uitvoeringstoets plaatsgevonden door de IND, die zal worden gepubliceerd op de website van de IND («Rapport EAUT richtlijn onderzoek, studie, stages en Europees vrijwilligerswerk»). Het onderhavige besluit is uitvoerbaar en handhaafbaar, mits de onderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen tijdig, uitvoerig en eenduidig voorgelicht worden, mits duidelijk is met welke uitwisselings- en opleidingsprogramma’s een student gebruik kan maken van de intra EU-mobiliteit zoals genoemd in de richtlijn, en mits de ICT-systemen van de IND, INDiGO en Metis, tijdig aangepast kunnen worden.

Er heeft een handhavingstoets plaatsgevonden door de Inspectie SZW, waaruit blijkt dat de voorgestelde wijzigingen de handhaafbaarheid van de Wet arbeid vreemdelingen niet beïnvloeden.

Het onderhavige artikel IV (dat het BUB volksverzekeringen wijzigt) is voorgelegd aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB acht het uitvoerbaar. De SVB merkt op dat in het onderhavige artikel omschreven staat welke categorie van studenten níet verzekerd zijn. De SVB adviseert het artikel positief te formuleren en te benoemen welke categorie van studenten wél verzekerd is. Hieraan is gevolg gegeven.

Verder vraagt de SVB om nader toe te lichten wat onder het geregistreerd staan als werkloze wordt verstaan. In het aan de SVB verstuurde concept was opgenomen dat een student eveneens niet was verzekerd voor de AOW, ANW, AKW en de Wlz als hij korter dan zes maanden arbeid had verricht en hij niet als werkloos stond geregistreerd. Dit was conform hetgeen is bepaald in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343). Naar aanleiding van deze opmerking van SVB is in het conceptbesluit «geregistreerd als werkloos» verwijderd en daarvoor in de plaats «geregistreerd als werkzoekende» opgenomen. Met deze wijziging wordt aangesloten bij artikel 30b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

4. Adviezen

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en Nuffic hebben advies uitgebracht. De opmerkingen van Nuffic zijn overgenomen en betroffen het verbeteren van de formulering van artikel 3.3, vierde lid, Vb en het vergemakkelijken van de wijze waarop aangetoond moet worden dat een student valt onder een mobiliteitsprogramma of een overeenkomst (zie de aanvulling in de voorlaatste alinea van de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.47 Vb).

De ACVZ heeft geadviseerd om afdoende te motiveren waarom er een onderscheid wordt gemaakt tussen MBO-stages en stages op het niveau van hoger onderwijs, aangezien in de nota van toelichting staat dat het beleidsmatig niet gewenst is dat voor MBO-stages een verblijfsvergunning kan worden verleend. Het kabinet heeft geen overwegende redenen gevonden om de nota van toelichting te wijzigen, daar van een uitsluiting van MBO-stages geen sprake is. Hierbij zij in herinnering gebracht hetgeen in de nota van toelichting wegens dit onderwerp is gezegd, te weten dat het beleidsmatig niet gewenst is dat voor MBO-stages in geen geval meer een verblijfsvergunning kan worden verleend. Vermeld is dat daarom artikel 3.39 Vb voor toelating van MBO-stagiairs ruimte openlaat, in lijn met overweging 29 van de richtlijn. Het onderhavige besluit laat het voortbestaan van de bestaande MBO-stageregeling uit de RuWav onverlet.

De ACVZ heeft voorts geadviseerd om te motiveren waarom facultatieve bepalingen niet zijn geïmplementeerd. Het betreft met name artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van de richtlijn op grond waarvan lidstaten mogen besluiten om deze richtlijn te laten gelden voor scholieren, vrijwilligers (anders dan in het kader van Europees Vrijwilligerswerk) en au pairs, alsmede de bijbehorende richtlijnartikelen 12, 14 en 16 die specifieke toelatingsvoorwaarden bevatten. Zoals uitvoerig toegelicht in het BNC-fiche wordt voor deze categorieën een verplichte EU-regeling niet wenselijk geacht, omdat een lidstaatoverstijgende dimensie bij deze categorieën ontbreekt en lidstaten hier hun eigen toelatingsbeleid moeten kunnen voeren (Kamerstukken 2012/13, 22 112, nr. 1626). De subsidiariteitstoets viel daarom in dit opzicht negatief uit. Dit heeft mutatis mutandis zijn weerspiegeling in de keuze om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van de richtlijn deze ook te laten gelden voor de voornoemde categorieën.

De ACVZ heeft ook geadviseerd in het Vb op te nemen dat bij kortetermijnmobiliteit van onderzoekers en bij studentenmobiliteit na het verstrijken van de bezwaartermijn (in de zin artikel 28, zevende lid, en artikel 31, zevende lid, van de richtlijn) aan de vreemdeling een document wordt afgegeven waaruit de rechten van betrokkene blijken. Dit zou echter een doublure zijn ten opzichte van artikel 9, derde lid, Vw en artikel 3.4 VV, waaruit reeds de aanspraak op de «sticker verblijfsaantekening algemeen» voortvloeit, waarin tevens wordt ingevuld in hoeverre arbeid is toegestaan.

Tot slot is het advies van de ACVZ overgenomen om in de transponeringstabel de motivering met betrekking tot het vierde lid van artikel 22 van de richtlijn te verbeteren.

5. Financiële gevolgen en regeldruk

De kosten die gepaard gaan met invoering van de richtlijn worden opgevangen binnen het voor de IND beschikbare budget. De incidentele kosten in verband met aanpassing van systemen en het opleiden van medewerkers zijn circa € 0,8 miljoen. Deze kosten worden opgevangen door herprioritering. Structurele kosten zijn lastig in te schatten, omdat deze mede afhankelijk zijn van gedragseffecten. Het is mogelijk dat meer mensen gebruik gaan maken van de kennisgevingsprocedure in plaats van een TEV-aanvraag (TEV = toelating en verblijf). Voor de kennisgevingsprocedure worden vooralsnog geen leges gevraagd, maar anderzijds zijn de kosten van dergelijke procedures ook aanmerkelijk lager dan die voor een TEV-aanvraag.

Het onderhavige besluit heeft geen gevolgen voor de regeldruk.

Voor wat betreft artikel IV (wijziging BUB volksverzekeringen) geldt het volgende. De extra uitgaven aan volksverzekeringen als gevolg van artikel IV nemen, op de lange termijn, zeer beperkt toe. Tegenover deze uitgaven op lange termijn staan premie-inkomsten volksverzekeringen. Momenteel zijn er naar schatting ruim 2.000 studenten uit derde landen die werken of minimaal 6 maanden gewerkt hebben en nu als werkzoekende ingeschreven staan. Als gevolg van dit besluit zijn deze studenten verzekerd voor de volksverzekeringen. De verwachte extra uitgaven doen zich met name voor bij de AOW. Deze studenten gaan namelijk 2% AOW opbouwen per jaar dat zij in Nederland verblijven. De uitgaven aan AOW zullen zich, gegeven de leeftijd van de studenten, echter pas over enkele tientallen jaren voordoen. Daarbij moeten in-buitenland-wonenden zelf AOW aanvragen. Bij een lage AOW opbouw, zoals bij deze groep het geval zal zijn, is er naar verwachting sprake van een zeer hoog niet-gebruik.

De benodigde extra activiteiten voor de voorbereiding, invoering en structurele uitvoering zullen binnen de bestaande formatie gerealiseerd worden.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De voormalige beperking «wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG» heet voortaan «onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801». Richtlijn (EU) 2016/801 kent niet langer het begrip «wetenschappelijk onderzoek». De richtlijn spreekt slechts van «onderzoek». Om aan te sluiten bij de richtlijn heet de beperking «onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801». De richtlijn definieert onderzoek als: het stelselmatig verrichten van creatief werk ter vergroting van het kennisbestand, waaronder de kennis van mens, cultuur en samenleving, alsmede de aanwending van dit kennisbestand voor nieuwe toepassingen.

Omdat de term «onderzoek» ook in andere betekenissen voorkomt in het Vb, is ervoor gekozen om de beperking niet kortheidshalve «onderzoek» te noemen, maar om te blijven verwijzen naar de naam van de actuele EU-richtlijn die de toelating van onderzoekers regelt.

Onderdeel B (Artikel 1.1)

In de definitiebepaling in artikel 1.1 van het Vb is de definitie van de voormalige onderzoekersrichtlijn 2005/71 vervangen door een verwijzing naar de nieuwe richtlijn (EU) 2016/801. De voormalige studierichtlijn 2004/114 was niet gedefinieerd.

Onderdelen C, G en L

Dit zijn technische wijzigingen in verband met het vervangen van de richtlijnen.

Onderdeel D (Artikel 1.12)

De term «leer-werkovereenkomst» is aangevuld met de term «stageovereenkomst» om deze bepaling in lijn te brengen met de terminologie van artikel 13 van de richtlijn.

Onderdeel E (Artikel 2.1a, tweede lid)

Indien de Nederlandse autoriteiten een verblijfsvergunning hebben afgegeven voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, aan zijn gezinslid, of aan een student, en indien de betrokken persoon in een tweede lidstaat verblijft in het kader van intra EU-mobiliteit maar niet langer voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden, dan moet Nederland de betrokkene op grond van artikel 32, vierde lid, van de richtlijn onmiddellijk en zonder formaliteiten terugnemen. Artikel 2.1a, tweede lid, regelt dit ter implementatie van artikel 32, vierde lid, van de richtlijn.

Onderdeel F (Artikel 3.3)

Deze wijziging regelt kortetermijnmobiliteit voor onderzoekers en hun gezinsleden (180 dagen) en mobiliteit voor studenten (360 dagen). Het betreft hier de vrije termijn. De vreemdeling heeft dan rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder i, Vw. Artikel 12 Vw bevat de voorwaarden voor de vrije termijn, waarvan met name van belang is de middeleneis, het niet verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen en ontbreken van een gevaar voor de openbare orde, in lijn met artikel 28, 30 en 31 van de richtlijn.

Artikel 3.3, vierde lid (kortetermijnmobiliteit onderzoekers)

Voor onderzoekers en hun gezinsleden is de kortetermijnmobiliteit geregeld in artikel 3.3, vierde lid, Vb, ter implementatie van artikel 28, eerste lid, en 30, eerste, tweede en vierde lid, van de richtlijn. Een onderzoeker en zijn gezinslid kunnen gedurende een vrije termijn van 180 dagen binnen een periode van 360 dagen in Nederland verblijven zolang de onderzoeker een geldige verblijfsvergunning op grond van de richtlijn heeft in een andere EU-lidstaat. De periode van 180 dagen geldt alleen bij degenen die onderzoek verrichten aan een krachtens artikel 2c Vw erkende onderzoeksinstelling (implementatie van artikel 28, zevende lid, onder b, en 20, eerste lid, onder c, van de richtlijn). Dat is het geval omwille van consistentie met de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor onderzoek (artikel 3.33 Vb).

De richtlijn kent overigens ook langetermijnmobiliteit toe aan onderzoekers en hun gezinsleden (meer dan 180 dagen). Een verblijfsvergunning blijft daarvoor vereist (zie nader de transponeringstabel bij artikel 29 en 30, derde en vierde lid).

Artikel 3.3, vijfde lid (mobiliteit studenten)

Voor studenten is er slechts één soort mobiliteit en deze is geregeld in artikel 3.3, vijfde lid, Vb, ter implementatie van artikel 31, eerste lid, van de richtlijn. Het gaat hierbij eveneens om de vrije termijn, maar dan van 360 dagen. Een dergelijke periode wijkt af van artikel 12, tweede lid, Vw, maar dit is toegelaten op grond van artikel 112 Vw en vereist door de richtlijn. Bij studentenmobiliteit geldt de periode van 360 dagen alleen bij degenen die studeren aan een krachtens artikel 2c Vw erkende onderwijsinstelling (implementatie van artikel 31, zevende lid, onder b, en artikel 20, eerste lid, onder c, van de richtlijn). Dat is het geval omwille van consistentie met de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor studie (artikel 3.41 Vb).

Artikel 3.3, zesde lid (verblijf voor andere doelen)

Hiermee is geregeld dat het verblijfsrecht op grond van kortetermijnmobiliteit van onderzoekers en hun gezinsleden en studentenmobiliteit onmiddellijk eindigt indien Onze Minister bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan verblijf in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, dat wil in dit geval zeggen anders dan voor onderzoek, gezinshereniging of studie. Deze bepaling implementeert artikel 20, tweede lid, onder f, van de richtlijn, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard door de artikelen 28, zevende lid, onder b, en 31, zevende lid, onder b, van de richtlijn.

Onderdeel H (Artikel 3.33: toelatingsvoorwaarden onderzoekers)

Artikel 3.33, dat de toelatingsvoorwaarden voor onderzoekers bevat, is aangepast aan de richtlijn. In het tweede lid, onder f, is artikel 20, tweede lid, onder b, geïmplementeerd, waarin is geëxpliciteerd dat de onderzoeksinstelling moet voldoen aan arbeidsvoorwaarden zoals voorzien in het nationale recht of collectieve overeenkomsten of gebruiken in de betrokken lidstaat.

In het tweede lid, onder g, is duidelijkheidshalve verwezen naar de bestaansmiddeleneis uit art. 3.74, eerste lid, onder a, Vb in verband met artikel 7, eerste lid, onder e, van de richtlijn.

In het tweede lid, onder h, is geregeld dat een aanvraag slechts wordt ingewilligd indien er geen sprake is van bewijs of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. Deze bepaling implementeert artikel 20, tweede lid, onder f, van de richtlijn.

In het vierde lid is artikel 29, tweede lid, onder e, van de richtlijn geïmplementeerd: een aanvraag voor een verblijfsvergunning (voor langetermijnmobiliteit) mag niet tegelijk met een kennisgeving voor kortetermijnmobiliteit worden ingediend.

Onderdeel I (Artikel 3.39: toelatingsvoorwaarden stagiairs)

Het bestaande artikel 3.39 biedt de mogelijkheid om de verblijfsvergunning regulier onder de beperking lerend werken te verlenen aan een stagiair in de zin van artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn. Die definitie van stagiair is beperkt tot hoger onderwijs-stages. Het is beleidsmatig niet gewenst dat voor MBO-stages in geen geval meer een verblijfsvergunning kan worden verleend. Daarom laat artikel 3.39 Vb hiervoor ruimte open, in lijn met overweging 29 van de richtlijn.

In de RuWav zijn ten aanzien van stagiairs enkele afwijzingsgronden uit artikel 8 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) uitgezonderd krachtens artikel 8, derde lid, Wav.

Met het nieuwe onderdeel c van artikel 3.39 is toegevoegd dat een aanvraag slechts wordt ingewilligd indien er geen sprake is van bewijs of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan lerend werken. Het doel kan bijvoorbeeld een stage zijn in de zin van de richtlijn, of andere stages, voor zover de RuWav andere stages (MBO) mogelijk maakt. Deze bepaling implementeert artikel 20, tweede lid, onder f, van de richtlijn.

Met het nieuwe artikel 3.39, onderdeel d, is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld. Het gaat dan om de RuWav. Dit kan nodig zijn voor de implementatie van artikel 13, eerste lid, onder b, en derde lid, van de richtlijn. Het gaat dan om nadere voorwaarden, die nog niet in artikel 8 of 9 Wav of artikel 16 Vw zijn opgenomen.

Onderdeel J (Artikel 3.41: toelatingsvoorwaarden studenten)

De toelatingsvoorwaarden voor studenten zijn ongewijzigd, maar de theoretische mogelijkheid uit het voormalige artikel 3.41, tweede lid, Vb om aan een niet als referent erkende onderwijsinstelling te studeren, is geschrapt, want de richtlijn staat verplichte erkenning toe (artikelen 15 en 20, eerste lid). In het nieuwe tweede lid is geregeld dat een aanvraag slechts wordt ingewilligd indien er geen sprake is van bewijs of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan studie in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. Deze bepaling implementeert artikel 20, tweede lid, onder f, van de richtlijn.

Onderdeel K (Artikel 3.43, vierde lid: toelatingsvoorwaarden Europees vrijwilligerswerk)

Artikel 3.43, vierde lid, expliciteert dat een verblijfsvergunning voor uitwisseling kan worden verleend in het kader van Europees Vrijwilligerswerk (European Voluntary Service/EVS). Dit kon voorheen ook al blijkens artikel 1j, onder c, van het BuWav, waarin is opgenomen dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor uitwisseling werkzaamheden mag verrichten in het kader van een door het Nederlands Jeugdinstituut goedgekeurd European Voluntary Service-programme. Artikel 3.43, vierde lid, Vb regelt een vrijstelling van de afwijzingsgronden die niet in de richtlijn staan (dat de verblijfsvergunning reeds eerder verleend is en dat het tijdige vertrek uit Nederland niet is gewaarborgd). Nieuw is het vereiste van een overeenkomst met de referent.

In het vierde lid is tevens geregeld dat een aanvraag slechts wordt ingewilligd indien er geen sprake is van bewijs of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan Europees Vrijwilligerswerk. Deze bepaling implementeert artikel 20, tweede lid, onder f, van de richtlijn.

Onderdeel M (Artikel 3.73: zelfstandige bestaansmiddelen)

Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen in het kader onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk wordt ook rekening gehouden met de financiële ondersteuning door de referent of een subsidie, een beurs of een toelage. Hiermee wordt de slotpassage van artikel 7, eerste lid, onder e, van de richtlijn geïmplementeerd (vergelijk overweging 24).

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat in artikel 3.73, anders dan in de richtlijn, een bindend aanbod van een baan niet als een inkomstenbron wordt genoemd. De Afdeling adviseert in de toelichting hierop in te gaan en het artikel zo nodig aan te passen. De reden dat een bindend aanbod van een baan niet wordt genoemd in het Vb, is dat naar Nederlands arbeidsrecht pas sprake kan zijn van aanspraak op loon als sprake is van een arbeidsovereenkomst en arbeid wordt verricht. Wanneer geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld omdat er slechts sprake is van een nog niet aanvaard onherroepelijk aanbod van een baan, is er dus ook nog geen aanspraak op loon. Overigens staat het voorgaande los van de vraag welke documenten moeten worden overgelegd bij een aanvraag om toelating en verblijf (zoals een gastovereenkomst in geval van een onderzoeker en een stageovereenkomst in geval van een stagiair).

Onderdelen N en O (artikelen 3.87a, tweede lid, en 3.91b, tweede lid)

Deze artikelen regelen dat er geen verplaatsing van hoofdverblijf wordt aangenomen bij studie- of onderzoeksmobiliteit naar een andere lidstaat, zolang de student ingeschreven blijft bij de Nederlandse onderwijsinstelling of de onderzoeker via een gastovereenkomst verbonden verblijft aan de Nederlandse onderzoeksinstelling. De bepalingen uit het Vb die zijn overschreven, zijn overbodig geworden wegens de richtlijn om de reden, hierboven genoemd bij artikel 3.41 Vb.

Onderdeel P (Artikel 3.103a, zesde lid)

Deze bepaling implementeert artikel 29, vijfde lid, tweede volzin, van de richtlijn. Geregeld is dat Nederland als tweede lidstaat de eerste lidstaat ervan in kennis stelt dat een vergunning voor langetermijnmobiliteit wordt afgegeven aan een onderzoeker. Via het aanvraagformulier voor de verblijfsvergunning moet de IND dus hebben achterhaald of het gaat om langetermijnmobiliteit of eerste toelating, anders is onbekend dat er een eerste lidstaat is, die moet worden geïnformeerd.

Onderdeel Q (Artikel 3.103aa, vijfde lid)

Deze bepaling implementeert artikel 32, tweede lid, van de richtlijn. Wanneer de IND een vergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 of studie intrekt, informeert zij de tweede lidstaat (dat wil zeggen de lidstaat waar de vreemdeling verblijft voor mobiliteit) daarover in voorkomende gevallen onmiddellijk.

Onderdeel R (Artikel 4.42, tweede lid)

Deze technische wijziging voorkomt dat er op grond van het Vb een dubbele meldplicht zou gelden indien arbeid wordt gezocht of verricht tijdens kortetermijnmobiliteit van onderzoekers (of diens gezinsleden) of mobiliteit van studenten. Artikel 4.47 regelt immers al een algemenere meldplicht.

Onderdeel S (Artikel 4.47)

Artikel 4.47, eerste lid, verplicht vreemdelingen met verblijf op basis van de vrije termijn om zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de IND te melden indien zij naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van langer dan 90 dagen. De vrije termijn is immers bedoeld voor in principe ten hoogste 90 dagen. Is langer verblijf beoogd, dan moet een verblijfsvergunning worden aangevraagd. Daarom is de meldplicht ingevoerd (zie Stb. 1966, 387, blz. 924, artikel 66). Bij kortetermijnmobiliteit van onderzoekers (of diens gezinsleden) en mobiliteit van studenten is de vrije termijn juist langer dan 90 dagen, namelijk 180 onderscheidenlijk 360 dagen (artikel 3.3 Vb). De vreemdeling is verplicht om de IND in kennis te stellen van zijn voornemen om gebruik te maken van zijn recht op kortetermijnmobiliteit van onderzoekers (of diens gezinsleden) of mobiliteit van studenten. De vreemdeling kan zijn erkende referent machtigen, dit is geregeld in het nieuwe vierde lid. De verplichting tot kennisgeving implementeert de artikelen 28, tweede lid, en 31, tweede lid, van de richtlijn. Bij ministeriële regeling kan dit worden uitgewerkt voor wat betreft over te leggen gegevens en bescheiden.

Concreet betekent het voorgaande dat de student of onderzoeker zijn instelling kan machtigen voor het doen van de aanmelding. Bij de aanmelding worden de gegevens en bescheiden overgelegd die in het VV zijn aangewezen op grond van art. 4.47, vijfde lid, Vb. Het is ook mogelijk om in het VV te regelen dat eigen verklaringen kunnen worden overgelegd als middel om aan te tonen dat aan een bepaalde verblijfsvoorwaarde is voldaan, zoals de voorwaarde dat een student valt onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs. Het streven is om in het VV te regelen dat het voldoende is als de ontvangende onderwijsinstelling dit gegeven opneemt in de melding op grond van artikel 4.47 Vb.

Artikel 4.47, zesde lid, dient om flexibiliteit te regelen. In de uitvoeringstoets van de IND is aanbevolen om het mogelijk te maken dat onderwijs- en onderzoeksinstellingen (als gemachtigde) digitaal de melding kunnen doen. Artikel 4.47, eerste lid, bepaalt echter dat melding in persoon dient te geschieden. Om digitale meldingen mogelijk te maken is daarom in het zesde lid geregeld dat daarvan kan worden afgeweken in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen.

Onderdeel T (Artikel 6.4, vierde lid)

Deze bepaling implementeert artikel 13, vierde lid, tweede volzin. De financiële aansprakelijkheid voor terugkeerkosten verstrijkt voor een werkgever bij lerend werken reeds zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst of leer-werkovereenkomst. Deze termijn is een afwijking van de gebruikelijke termijn van één jaar (artikel 6.4, derde lid, onder b). Een dergelijke afwijking bestond al bij onderzoekers.

Artikel II (Besluit inburgering)

Dit is een technische wijziging in verband met het vervangen van de richtlijnen.

Artikel III (BuWav)

Dit zijn technische wijzigingen in verband met het vervangen van de richtlijnen, met uitzondering van het nieuwe tweede en derde lid van artikel 1h BuWav.

Het nieuwe artikel 1h, tweede lid, BuWav is nodig ter implementatie van artikel 27 en 28, eerste lid, van de richtlijn waarin is bepaald dat onderzoekers tijdens kortetermijnmobiliteit onderzoek mogen doen en mogen doceren. Het bestaande artikel 1, eerste lid, onder l, BuWav regelt weliswaar dat er geen tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid nodig is als een vreemdeling onderzoek verricht of doceert bij een universiteit, hogeschool of daaraan gelieerde instelling. Dat is echter niet voldoende, want er zijn ook andere krachtens artikel 2c Vw erkende onderzoeksinstellingen, die geen universiteit, hogeschool of daaraan gelieerde instelling zijn.

Het nieuwe artikel 1h, derde lid, BuWav is nodig ter implementatie van artikel 29, tweede lid, onder d, en regelt dat onderwijs of onderzoek mag worden gegeven c.q. verricht tijdens de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning in het kader van langetermijnmobiliteit van een onderzoeker. Het gaat hierbij net als bij het tweede lid om een aanvulling op artikel 1, eerste lid, onder l, BuWav, welke aanvulling nodig is voor het werken bij krachtens artikel 2c Vw erkende onderzoeksinstellingen, die geen universiteit, hogeschool of daaraan gelieerde instelling zijn.

Artikel IV (BUB volksverzekeringen)

Het huidige artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van het BUB volksverzekeringen bepaalt dat tijdelijk in Nederland studerenden, die verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking verband houdende met studie, niet verzekerd zijn voor de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (ANW), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Artikel 20 is geformuleerd als een beperking op de kring van verzekerden voor de AOW, ANW, AKW en de Wlz. Gelet op artikel 22, derde lid, van de richtlijn is deze beperking te ruim geformuleerd.

Uit de artikelen 22, derde lid, van richtlijn 2016/801 en 12, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn 2011/98/EU, blijkt dat als een student werkt dan wel ten minste zes maanden heeft gewerkt en als werkloos staat geregistreerd, hij gelijk moet worden behandeld voor de sociale zekerheid als onderdanen van de lidstaat waar hij verblijft. Met de onderhavige wijziging is dit geregeld voor deze gevallen. Voor de overige gevallen (zie het schema hierna) blijft de bestaande regel ongewijzigd dat tijdelijk in Nederland studerenden niet verzekerd zijn voor de AOW, ANW, AKW en Wlz.

In de onderhavige wijziging van artikel 20 is voor wat betreft «als werkloos geregistreerd» aangesloten bij artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI), waar wordt gesproken over «geregistreerd staan als werkzoekende». In artikel 30b, eerste lid, van de Wet SUWI is bepaald dat een persoon zelf moet verzoeken om zijn registratie als werkzoekende. Ook is bepaald welke personen hiervoor in aanmerking komen.

In schemavorm kan de nieuwe regelgeving als volgt worden samengevat:

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers

Transponeringstabel

Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten

Artikel van de richtlijn

Bestaande implementatiewetgeving

Nieuwe implementatiewetgeving

Beleidsruimte?

artikel 1 (doel)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

 

artikel 2 (werkingssfeer)

     

artikel 2, eerste lid (verplichte en facultatieve werkingssfeer)

 

Facultatieve mogelijkheid om de richtlijn toe te passen op scholieren, op ander vrijwilligerswerk dan Europees vrijwilligerswerk en op au pairs wordt niet gebruikt (zie nader hieronder bij art. 12, 14 en 16).

artikel 2, tweede lid (uitzonderingen op toepassingsgebied)

Geen implementatie nodig; hiervoor zijn andere verblijfsgronden van toepassing

 

artikel 3 (definities)

«derdelander»: artikel 2, punt 6, Schengengrenscode, «student»: art. 3.41, eerste lid, Vb, «stagiair»: art. 3.39 Vb en Paragraaf 30 bijlage I Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, «onderzoeksinstelling»: art. 1.11 Vb, «instelling voor hoger onderwijs»: art. 1.13, onder a, Vb, «gastentiteit»: art. 1.11–1.14 Vb, «(verblijfs)vergunning»: Verordening (EG) nr. 1030/2002, «visum voor verblijf van langere duur»: artikel 1a, onder b, Vw, «gezinsleden»: art. 3.14 Vb

«onderzoek»: het Vb gebruikt telkens de term «onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801», «onderzoeker»: art. 3.33, eerste lid, Vb, «Uniale of multilaterale programma’s met mobiliteitsmaatregelen»: definitie verwerkt in art. 3.3, vijfde lid, Vb, «eerste lidstaat» en «tweede lidstaat»: art. 3.3, vierde en vijfde lid, Vb.

 

artikel 4 (gunstiger bepalingen)

     

eerste lid (gunstiger bepalingen uit internationale verdragen)

art. 3.33, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

 

tweede lid (bepalingen die gunstiger zijn dan enkele richtlijnartt.)

Geen implementatie nodig

Facultatieve mogelijkheid om t.o.v. enkele richtlijnartikelen gunstigere nationale bepalingen te stellen. Deze is onder meer benut bij de (reeds bestaande) omzetting van artikel 25 (verblijf onderzoekers en studenten i.v.m. ondernemerschap of zoeken naar werk).

artikel 5 (beginselen)

     

eerste lid (inleidende bepaling)

zie art. 7 – 16 richtlijn (exclusief 9, 10, 15)

 

tweede lid (taaleis aanvraag)

art. 4:5, tweede lid, Awb

 

artikel 5, derde lid (visum)

art. 2p en 16, eerste lid, onder a Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

 

artikel 6 (aantal toelatingen)

Geen implementatie nodig

Facultatieve mogelijkheid tot het instellen van quota; deze bepaling is niet omgezet.

artikel 7 (algemene voorwaarden)

     

eerste lid, onderdeel a (geldig reisdocument)

art. 3.102, eerste en tweede lid, Vb, art. 16, eerste lid, onder b en b, Vw

 

eerste lid, onderdeel b (toestemming ouders/voogd)

art. 1:234 BW

 

eerste lid, onderdeel c (zorgverzekering)

art. 3.7 Vb

 

eerste lid, onderdeel d (leges)

art. 3.34 Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV), art. 2l en 24, tweede lid, Vw

 

eerste lid, onder e (bestaansmiddeleneis)

art. 3.73, 3.74 Vb, 3.19, derde lid, en 3.22 VV

Wijziging art. 3.73 om uit te werken dat bij stagiairs en vrijwilligers de financiële ondersteuning van de referent ook meetelt voor de inkomenseis en om B3/2.4 en B6/2.4 VC deels te regelen in 3.73 Vb

 

tweede lid (doorgifte adres)

Artikel 4:2 Awb en artikel 2.38 Wet basisregistratie personen, art. 4.37 Vb

 

derde lid (referentiebedrag bestaansmiddeleneis)

art. 3.73, 3.74 Vb, 3.19, derde lid, en 3.22 VV

 

vierde lid (plaats aanvraag)

art. 16, eerste lid, onder a, en 17 lid 1 onder f Vw en 3.71 Vb

 

vijfde lid (aanvraag door vreemdeling of gastentiteit)

art. 3.99 Vb

 

zesde lid (openbare orde / volksgezondheid)

art. 16, eerste lid, onder d en e Vw

 

artikel 8 (specifieke voorwaarden voor onderzoekers)

     

eerste lid (gastovereenkomst)

art. 3.33, eerste lid, Vb

 

tweede lid (financiële aansprakelijkheid bij illegaal verblijf)

art. 6.4 Vb (met name lid 4)

 

derde lid (vereenvoudigde procedure wanneer de onderzoeksinstelling erkend moet zijn)

art. 24a, eerste lid, onder b, Vw: mogelijkheid van eigen verklaringen i.p.v. gegevens en bescheiden.

 

artikel 9 (erkenning van onderzoeksinstellingen)

     

eerste lid (verplichting tot erkenning)

art. 1.11, 3.99 Vb, 3.26 VV

 

tweede lid (procedure)

art. 1.11 Vb, art. 2c en volgende Vw

 

derde lid (beëindiging van de erkenning)

art. 2f / 2g Vw

 

artikel 10 (gastovereenkomst)

     

eerste lid (verplichte gastovereenkomst)

art. 3.33, eerste lid, Vb

 

tweede lid (inhoud gastovereenkomst)

Nieuw artikel 3.20d VV

 

derde lid (rechtsbetrekking en arbeidsvoorwaarden in gastovereenkomst)

 

Nieuw artikel 3.20d VV

Facultatieve bepaling om te vereisen dat de gastovereenkomst informatie bevat over de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden. Deze wordt benut door overheveling van deze eisen uit paragraaf B6/2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 naar het VV.

vierde lid, onder a (doel, duur en bestaansmiddelen)

art. 4.37 VV, art. 3.73 e.v. Vb

 

vierde lid, onder b (passend diploma)

art. 4.36, onder b, VV

 

vijfde lid (einde gastovereenkomst)

art. 18, eerste lid, onder f, Vw

 

zesde lid (verhindering nakoming gastovereenkomst melden)

art. 4.44a, eerste lid, Vb en 4.24 VV

 

zevende lid (achteraf melding dat onderzoeksactiviteit is verricht)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling om te vereisen dat de onderzoeksinstelling na afloop meldt dat het onderzoek is verricht, is niet omgezet.

achtste lid (gevolgen beëindiging intrekking)

Art. 3.89a en 3.91a Vb

 

artikel 11 (specifieke voorwaarden voor studenten)

     

eerste lid, onder a (instelling hoger onderwijs)

Art. 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, Vb

 

eerste lid, onder b (collegegeld betaald)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling om het betalen van collegegeld als toelatingseis te stellen, is niet omgezet nu dit vereiste tot op heden ook niet wordt gesteld.

eerste lid, onder c (voldoende kennis van de taal van het studieprogramma)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling om als toelatingsvoorwaarde te stellen dat de student beschikt over voldoende kennis van de taal van zijn studie, is niet omgezet; er vindt zelfregulering plaats via Gedragscode internationale student hoger onderwijs

eerste lid, onder d (bestaansmiddeleneis)

art. 3.73, 3.74 Vb, 3.19, derde lid, en 3.22 VV

 

tweede lid (koppeling studie-inschrijving en ziektekostenverzekering)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling waarin een koppeling tussen de inschrijving bij een instelling en de ziektekostenverzekering wordt gelegd, wordt niet geïmplementeerd, nu Nederland dit systeem niet kent.

derde lid (vereenvoudigde procedure wanneer de onderzoeksinstelling erkend moet zijn)

art. 24a, eerste lid, onder b, Vw: mogelijkheid van eigen verklaringen i.p.v. gegevens en bescheiden.

 

artikel 12 (specifieke voorwaarden voor scholieren)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling met toelatingsvoorwaarden voor scholieren (zie art. 2, eerste lid). Het is wenselijk dat de nationale voorwaarden blijven gelden.

artikel 13 (specifieke voorwaarden voor stagiairs)

Art. 3.39 Vb

Paragraaf 30 bijlage I Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen afstemmen op wijzigingen art. 3.39 Vb en op art. 13 richtlijn

 

eerste lid, onder a (stageovereenkomst)

 

opnemen in VV en wijzigen art. 1.12 Vb

 

eerste lid, onder b (diploma of studie)

 

opnemen in RuWav (Paragraaf 30 bijlage I)

 

eerste lid, onder c (middelen die kosten stage dekken)

art. 3.74 Vb

   

eerste lid, onder d (taalcursus)

Geen implementatie nodig

Facultatief taalcursusvereiste als toelatingsvoorwaarde voor stagiairs. Deze bepaling is niet omgezet omdat dit vereiste tot op heden ook niet geldt en de uitvoeringslasten zou verhogen.

eerste lid, onder e (gastentiteit neemt kosten van het verblijf op zich, in het bijzonder voor levensonderhoud en accommodatie)

Geen implementatie nodig

Facultatieve toelatingseis dat de gastentiteit de verblijfskosten op zich neemt van de stagiair. Deze bepaling is niet omgezet, want dit is een drempel voor stages, een lastigere toets en op grond van het algemene inkomensvereiste is al getoetst of de stagiair voldoende middelen van bestaan heeft.

eerste lid, onder f (passende huisvesting)

art. 9, eerste lid, onder d, Wet arbeid vreemdelingen (Wav)

Facultatieve toelatingseis dat de stagiair geschikte woonruimte heeft. Deze bepaling is reeds omgezet.

tweede lid (stage op zelfde niveau als diploma of studie)

art. 3.39, onder a, Vb

 

Facultatieve eis dat de stage hetzelfde gebied bestrijkt en zich op hetzelfde kwalificatieniveau bevindt als de hoger-onderwijsgraad of de studie. Bepaling was reeds en blijft omgezet.

derde lid (stage komt niet in plaats van baan)

 

Opnemen in RuWav (Paragraaf 30 bijlage I)

 

vierde lid (financiële aansprakelijkheid bij illegaal verblijf)

art. 6.4 Vb

Wijzigen art. 6.4 Vb: periode van 6 maanden waarna kostenverhaal niet meer kan, ook laten gelden voor stagiairs (art. 6.4, vierde lid, Vb)

 

artikel 14 (Specifieke voorwaarden voor vrijwilligers)

 

Nieuw art. 3.43, vierde lid, Vb

Facultatieve bepaling die inhoudt dat lidstaten een toelatingsregeling kunnen maken voor ander vrijwilligerswerk dan Europees vrijwilligerswerk (zie ook art. 2). Voor vrijwilligers die Europees vrijwilligerswerk doen, is een toelatingsregeling verplicht. De omzetting is beperkt tot het verplichte deel.

eerste lid, onder a (overeenkomst met gastentiteit)

 

Nieuw art. 3.43, vierde lid, Vb

 

eerste lid, onder b (passende huisvesting)

Geen implementatie nodig

Facultatieve toelatingseis dat de vrijwilliger geschikte woonruimte heeft. Deze bepaling is niet omgezet om aan te sluiten bij de huidige regelgeving.

eerste lid, onder c (aansprakelijkheidsverzekering)

N.v.t. bij Europees vrijwilligerswerk

   

eerste lid, onder d (taalcursus)

N.v.t. bij Europees vrijwilligerswerk

   

tweede lid (leeftijdgrenzen)

art. 3.24 VV

 

derde lid

Eerste lid, onder c en d zijn n.v.t. op Europees vrijwilligerswerk

   

artikel 15 (erkenning van instellingen)

     

eerste lid (verplichting tot erkenning)

Deels geïmplementeerd: verplicht erkend referentschap geldt op grond van art. 1.14 Vb voor uitwisseling (dus ook een uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk) en studie (art. 1.13 Vb), in samenhang met art. 3.99 Vb en 3.26 VV.

Facultatieve bepaling om een verplichte erkenningsprocedure op te zetten, zodat alleen erkende referenten een verblijfsvergunning kunnen aanvragen. Deze bepaling wordt benut t.a.v. studenten.

tweede lid (procedures)

art. 1.13 en 1.14 Vb, art. 2c en volgende Vw

 

derde lid (voorlichting)

Betreft feitelijk handelen

   

artikel 16 (specifieke voorwaarden voor au pairs)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling met toelatingsvoorwaarden voor au pairs (zie art. 2, eerste lid). Het is wenselijk dat de nationale voorwaarden blijven gelden.

artikel 17 (vergunningen)

     

eerste lid (vermelding van termen «onderzoeker», «student», scholier, «stagiair», «vrijwilliger» of «au pair» op verblijfsvergunning

Betreft feitelijk handelen

 

tweede lid (vermelding van termen «onderzoeker», «student», scholier, «stagiair», «vrijwilliger» of «au pair» op MVV

Betreft feitelijk handelen

 

derde lid (vermelding van mobiliteitsprogramma)

Betreft feitelijk handelen

 

vierde lid (vermelding van langetermijnmobiliteit)

Betreft feitelijk handelen

 

artikel 18 (vergunningduur)

     

eerste lid (geldigheidsduur vergunning onderzoekers)

art. 3.58, eerste lid, onder j, Vb

 

tweede lid (geldigheidsduur vergunning studenten)

art. 3.58, eerste lid, onder m, Vb

 

derde lid (maximale verblijfsduur gelijkstellen aan maximale duur van studie)

Geen implementatie nodig.

Facultatieve bepaling die de mogelijkheid biedt te regelen dat de totale verblijfsduur voor studie niet langer mag zijn dan de maximale studieduur volgens het nationale recht. Deze bepaling is niet als zodanig omgezet. Wel is reeds geregeld dat de geldigheidsduur maximaal vijf jaar is (art. 3.58, eerste lid, onder m, Vb).

vierde lid (geldigheidsduur vergunning scholieren)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling (zie hierboven bij art. 12)

vijfde lid (geldigheidsduur vergunning au pairs)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling (zie hierboven bij art. 16)

zesde lid (geldigheidsduur vergunning stagiairs)

art. 3.58, eerste lid, onder k, Vb

 

zevende lid (geldigheidsduur vergunning vrijwilligers)

art. 3.58, eerste lid, onder o, Vb

 

achtste lid (vergunning niet langer geldig dan reisdocument)

Geen implementatie nodig. Wel: art. 18, eerste lid, onder b, Vw (is gunstiger bepaling in de zin van artikel 4 van de richtlijn)

 

Facultatieve bepaling om te verlangen dat reisdocument geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf is niet geïmplementeerd, omdat hieraan geen behoefte bestaat. (zie ook artikel 7(1)(a) richtlijn

negende lid (eerste jaar op basis van visum voor lang verblijf)

Nederland kent geen systeem waarbij verblijf de eerste twaalf maanden op visumbasis plaatsvindt

   

artikel 19 (aanvullende informatie)

Geen implementatie nodig

De facultatieve bepaling inzake de mogelijkheid om aanvullende informatie te verstrekken is niet omgezet wegens gebrek aan noodzaak.

artikel 20 (redenen voor weigering)

     

eerste lid, onder a (niet voldaan aan toelatingsvoorwaarden)

art. 16, eerste lid, in het bijzonder onderdeel g, Vw

 

eerste lid, onder b (fraude)

In deze gevallen wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de verlening en kan de vergunning niet worden verleend.

   

eerste lid, onder c (gastentiteit niet erkend, terwijl die erkend moet zijn)

art. 16, eerste lid, onderdeel g, Vw jo. art. 3.99 Vb jo. 3.26 VV. Is de referent niet erkend, dan voldoet de vreemdeling niet aan de beperking.

 

tweede lid, onder a (gastentiteit voldeed niet aan plichten m.b.t. sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of arbeidsomstandigheden)

art. 2g, onder b, jo. art. 2e Vw jo. art. 1.19 Vb jo. art. 16, eerste lid, onder g, art. 9, eerste lid, onder i en j, Wav

 

tweede lid, onder b (gastentiteit voldoet niet aan arbeidsvoorwaarden)

art. 8, eerste lid onder d, Wav jo. art. 3.39 Vb (stagiairs)

nieuw art. 3.33, tweede lid, onder f Vb (onderzoekers)

 

tweede lid, onder c (zwartwerk of illegale arbeid)

art. 1.19 Vb

art. 9, eerste lid, onder c, i en j, Wav

 

tweede lid, onder d (gastentiteit opgericht voor vergemakkelijken toelating)

art. 2e, eerste lid, onder c, Vw jo. art. 1.19 Vb jo. art. 16, eerste lid, onder g, Vw

 

tweede lid, onder e (faillissement of geen economische activiteit)

art. 1.18 en 1.19 Vb, art. 2e, eerste lid, onder b en c, jo. art. 16, eerste lid, onder g, Vw

 

tweede lid, onder f (verblijf van de derdelander dient andere doelen)

art. 16, eerste lid, onder g, Vw

Nieuw art. 3.33, tweede lid, onder h (onderzoekers), art. 3.39, onder c (stagiairs), art. 3.41, tweede lid (studenten), art. 3.43, vierde lid, Vb (uitwisseling)

 

derde lid (arbeidsmarkttoets/ prioriteitstoets)

   

Facultatieve bepaling die het mogelijk maakt om een vergunningaanvraag van een stagiair, onderzoeker of vrijwilliger af te wijzen indien (prioriteitgenietend) arbeidsaanbod aanwezig is van binnen de EU. Deze bepaling is en blijft niet omgezet, omdat voor deze groepen tot op heden geen arbeidsmarkttoets geldt.

vierde lid (evenredigheidsbeginsel)

art. 3:4 Awb

 

artikel 21 (redenen voor intrekking of niet-verlenging van een vergunning)

     

eerste lid, onder a (niet langer voldoen aan de voorwaarden)

artikel 18, eerste lid, in het bijzonder onderdeel f, jo. art. 19 Vw. Bij niet voldoen aan de voorwaarden wordt niet voldaan aan de beperking, en dat is een grond voor intrekking of niet-verlenging

 

eerste lid, onder b (fraude)

art. 18, eerste lid, onder c, en 19 Vw

 

eerste lid, onder c (gastentiteit is niet erkend, terwijl erkenning verplicht is)

art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw jo. art. 3.99 Vb jo. art. 3.26 VV. Is de referent niet (langer) erkend, dan voldoet de vreemdeling niet (meer) aan de beperking. In art. 3.89a en 3.91a Vb is een overgangsperiode van 3 maanden opgenomen krachtens art. 21, zesde en zevende lid, en artikel 10, achtste lid, van de richtlijn.

 

eerste lid, onder d (verblijf van de derdelander dient andere doelen)

art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

Zie hierboven bij art. 20, tweede lid, onder f

 

tweede lid, onder a (gastentiteit voldeed niet aan plichten m.b.t. sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of arbeidsomstandigheden)

art. 2g, onder b, jo. art. 2e Vw jo. art. 1.19 Vb jo. art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

art. 9, eerste lid, onder i en j, en 12b Wav

 

tweede lid, onder b (gastentiteit voldoet niet aan arbeidsvoorwaarden)

art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

Zie hierboven bij art. 20, tweede lid, onder b

 

tweede lid, onder c (zwartwerk of illegale arbeid)

art. 1.19 Vb jo. art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

art. 9, eerste lid, onder c, i en j en 12b Wav

 

tweede lid, onder d (gastentiteit opgericht voor vergemakkelijken toelating)

art. 2g, onder b, jo. 2e, eerste lid, onder c, Vw jo. art. 1.19 Vb jo. art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

 

tweede lid, onder e (faillissement of geen economische activiteit)

art. 1.18 en 1.19 Vb, art. 2g, onder b, jo. art. 2e, eerste lid, onder b en c, jo. art. 18, eerste lid, onder f, en 19 Vw

 

tweede lid, onder f (student houdt zich niet aan tijdsbeperking voor economische activiteiten of boekt onvoldoende studievoortgang)

art. 18, eerste lid, onder g, jo. art. 19 Vw art. 3.87a, eerste lid, onder b, en 3.91b, eerste lid, onder b, Vb en Regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning.

Facultatieve bepaling om verblijfsbeëindiging te regelen bij onvoldoende studievoortgang is reeds omgezet. De student dient elk jaar 50% van de te behalen ECTS te behalen.

derde lid (informatieverstrekking over onvoldoende studievoortgang)

art. 4.20, eerste lid, onder e, VV

 

vierde lid (openbare orde)

art. 18, eerste lid, onder e, en 19 Vw

 

vijfde lid (arbeidsmarkttoets/ prioriteitstoets)

N.v.t.: vergunning van een stagiair of voor Europees vrijwilligerswerk is niet verlengbaar na één jaar (artikel 3.58 Vb).

Bij onderzoekers geldt geen toets op prioriteitgenietend aanbod.

 

Facultatieve bepaling, zie hierboven bij artikel 20, derde lid

zesde lid (nieuwe aanvraag student na intrekking)

art. 3.89a en 3.91a Vb

 

zevende lid (evenredigheidsbeginsel)

art. 3:4 Awb

 

artikel 22 (gelijke behandeling)

     

eerste lid (gelijke behandeling voor onderzoekers conform artikel 12, eerste en vierde lid, van richtlijn 2011/98/EU)

Art. 22, eerste lid, bevestigt artikel 12, eerste en vierde lid, van richtlijn 2011/98/EU. De relevante delen uit de transponeringstabel staan in Kamerstukken II 2013/14, 33 749, nr. 3, blz. 16–17

 

tweede lid (beperkingen)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling om beperkingen op gelijke behandeling te regelen; hiertoe wordt geen aanleiding gezien.

derde lid (gelijke behandeling stagiairs, vrijwilligers, au pairs in arbeidsverhouding en studenten)

Hiervoor geldt dezelfde wetgeving als hierboven bedoeld bij het eerste lid

Wijziging artikel 20 BUB volksverzekeringen

 

vierde lid (gelijke behandeling stagiairs, vrijwilligers en au pairs niet zijnde in arbeidsverhouding)

Hiervoor geldt dezelfde wetgeving als hierboven bedoeld, voor zover het betreft artikel 12, eerste lid, onder d en g, van richtlijn 2011/98/EU

   

artikel 23 (onderzoekers mogen naast hun onderzoeksactiviteiten lesgeven)

art. 1, onder l, en art. 1h Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav)

 

artikel 24 (economische activiteiten van studenten)

     

eerste lid (arbeid door studenten)

Wet arbeid vreemdelingen en artikel 1f, eerste lid, onder b, BuWav (als zelfstandige)

   

tweede lid (toestemming)

Wet arbeid vreemdelingen

 

derde lid (verhoging aantal uur per week)

 

Wijziging paragraaf 33 Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

 

artikel 25 (verblijf onderzoekers en studenten ivm ondernemerschap of zoeken naar werk)

     

eerste lid (ten minste 9 maanden verblijf na voltooiing onderzoek of studie)

art. 3.42 Vb en art. 2, onder f, BuWav; zijn gunstigere bepalingen in de zin van artikel 4 van de richtlijn

 

tweede lid (minimumniveau diploma)

art. 3.42, eerste lid, onder a, Vb; is gunstiger bepaling in de zin van artikel 4 van de richtlijn

 

derde en vierde lid (voorwaarden)

art. 16 Vw en art. 3.42, eerste lid, Vb

 

vijfde lid (aanvraag ten minste 30 dagen voor einde verblijfsvergunning)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling om te verlangen dat een verlengingsaanvraag 30 dagen voor verstrijken van de verblijfsvergunning wordt ingediend; invulling van deze bepaling past niet goed in het systeem van art. 3.80 Vb (de dag voor het verstrijken van de vergunning is uiterste datum).

zesde lid (redelijke termijn om bewijs te overleggen)

art. 4:5, eerste lid, slotalinea, Awb

art. 8, eerste lid, onder g, Vw jo. art 3.1 Vb

 

zevende lid (gerede kans op werk; werk op hetzelfde niveau als de afgeronde studie of het voltooide onderzoek)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepalingen om te vereisen dat de vreemdeling gerede kans maakt op werk wanneer de zoekperiode al drie maanden duurt en om te eisen dat het gezochte werk overeenstemt met het niveau van de afgeronde studie of onderzoek. Deze bepalingen worden niet omgezet. Na het zoekjaar komt de persoon in aanmerking voor kennismigrantenregeling (met een lager salariscriterium). Indirect wordt dan het niveau in acht genomen.

achtste lid (verblijfsbeëindiging indien niet meer wordt voldaan aan voorwaarden)

art. 18, eerste lid, onder f, jo. art. 19 Vw

 

negende lid (mogelijkheid om artikel toe te passen op onderzoekers of studenten uit tweede lidstaat)

   

Facultatieve bepaling om het artikel ook toe te passen op onderzoekers (en hun gezinsleden) en studenten die gebruikmaken van mobiliteit. Wanneer wordt voldaan aan artikel 3.42, komen ook zij in aanmerking voor het zoekjaar.

artikel 26 (gezinsleden van onderzoekers)

     

eerste lid (gezinshereniging met onderzoeker)

3.13 t/m 3.22a Vb

 

tweede lid (geen voorwaarde dat er uitzicht is op permanent verblijfsrecht en geen wachttermijn voor gezinsmigratie)

In artikel 2.1 Besluit inburgering is verblijf voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 aangemerkt als tijdelijk verblijfsdoel. Door artikel 3.15, derde lid, Vb geldt er dan geen wachttermijn voor gezinsmigratie.

 

derde lid (vrijstellen van het basisexamen inburgering)

In artikel 2.1 Besluit inburgering is verblijf voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 aangemerkt als tijdelijk verblijfsdoel. Door artikel 16, eerste lid, onder h, Vw jo. artikel 3, eerste lid, onder a, Wet inburgering, is het basisexamen inburgering dan niet verplicht.

 

vierde lid (beslistermijn 90 dagen)

Artikelen 2u en 25 Vw (er wordt niet afgeweken van art. 5, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2003/86/EG, zodat verlenging niet als zodanig is uitgesloten). Verder: feitelijk handelen in uitvoeringspraktijk dat de verblijfsvergunningaanvraag van het gezinslid tegelijk wordt behandeld met die van de onderzoeker, als de aanvragen tegelijk worden ingediend.

 

vijfde lid (geldigheidsduur vergunning; mogelijkheid om te verlangen dat reisdocument van gezinslid geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf)

art. 3.58, eerste lid, onder a, Vb.

 

Facultatief element: de mogelijkheid om te verlangen dat reisdocument van gezinslid geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf, is niet geïmplementeerd. Zie ook art. 18, achtste lid.

zesde lid (toegang tot arbeidsmarkt of om te werken als zelfstandige)

art. 2, onder c, Buwav: gezinslid is vrij op de arbeidsmarkt; is gunstiger bepaling in de zin van artikel 4 van de richtlijn. Vrijstelling is automatisch ook van toepassing op gezinsleden bij langetermijnmobiliteit

 

art. 27 (mobiliteit binnen de EU)

     

eerste & derde lid (inleidende bepalingen + vereiste van geldig reisdocument)

zie art. 28–32 van de richtlijn.

Wat betreft vereiste van geldig reisdocument: dit staat in art. 21 Schengenuitvoeringsovereenkomst en in art. 16, eerste lid, onder b, Vw

   

tweede lid (tijdens mobiliteit recht op doceren naast onderzoeksactiviteit en recht op werken naast studie)

Recht op doceren: art. 1, eerste lid, onder l, Buwav

Recht op doceren bij onderzoeksinstellingen, niet zijnde een universiteit, hogeschool of gelieerde instelling: nieuw artikel 1h, tweede lid, Buwav

Recht op werken naast studie: Wijziging paragraaf 33 Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

 

art. 28 (kortetermijnmobiliteit van onderzoekers)

     

eerste lid (180 dagen recht op verblijf + arbeid)

Recht om onderzoek uit te voeren tijdens kortetermijnmobiliteit: art. 1, eerste lid, onder l, BuWav

Nieuw art. 3.3, vierde lid, Vb

Recht om onderzoek uit te voeren tijdens kortetermijnmobiliteit bij erkende onderzoeksinstellingen die geen universiteit, hogeschool of gelieerde instelling zijn: nieuw art. 1h, tweede lid, BuWav

 

lid 2 t/m 7, 9 en 10 (kennisgeving van mobiliteit)

artikel 9, derde lid, Vw

art. 4.47, eerste lid, Vb

Artikel 4.47, vierde en vijfde lid Vb

 

achtste lid (openbare orde)

art. 12, eerste lid, onder d, Vw jo. art. 3.2 Vb

 

art. 29 (langetermijnmobiliteit van onderzoekers)

     

eerste lid (meer dan 180 dagen verblijf en arbeid; lidstaat kan maximumgrens aan mobiliteit stellen van 360 dagen of meer)

De voorwaarden voor langetermijnmobiliteit zijn identiek aan de voorwaarden voor eerste toelating (m.u.v. visumeis). Art. 3.33 Vb voldoet en kent geen maximumgrens.

Facultatieve bepaling om een maximumduur op te nemen voor langetermijnmobiliteit toe te passen wordt niet omgezet wegens gebrek aan noodzaak.

tweede lid, onder a (voorwaarden gelijk aan voorwaarden bij eerste toelating volgens art. 7 en 8, maar niet alle afwijzingsgronden uit art. 20 zijn van toepassing

art. 3.33 Vb

De facultatieve bepalingen die het mogelijk maken om de toelatingsvoorwaarden hetzelfde te laten zijn als bij eerste toelating, blijven benut worden t.b.v. eenvoud van het systeem.

tweede lid, onder b (beslistermijn)

artikelen 2u en 25 Vw

 

tweede lid, onder c (geen visumvereiste)

art. 3.71, tweede lid, onder i, Vb

 

tweede lid, onder d (werken tijdens de procedure)

art. 1, eerste lid, onder l, BuWav

Nieuw art. 1h, derde lid, BuWav bevat aanvulling voor erkende onderzoeksinstellingen die geen universiteit, hogeschool of gelieerde instelling zijn

 

tweede lid, onder e (aanvraag langetermijnmobiliteit niet tegelijk met kennisgeving kortetermijnmobiliteit)

 

Toevoegen lid aan art. 3.33 Vb

 

derde lid, onder a (afwijzing als niet aan voorwaarden is voldaan)

art. 3.33 Vb

 

derde lid, onder b (afwijzing als afwijzingsgrond opgaat)

art. 3.33 Vb

 

derde lid, onder c (afwijzing indien geldigheidsduur van de onderzoeker in de eerste lidstaat verstrijkt)

De aanvraag kan dan worden beschouwd als een aanvraag om eerste toelating. Art. 3.33 Vb geldt hoe dan ook.

 

derde lid, onder d (afwijzing indien maximumduur van lange termijnmobiliteit is bereikt)

Geen implementatie nodig

Facultatieve bepaling. Zie hierboven bij het eerste lid.

vierde lid (openbare orde / volksgezondheid)

art. 3.33, tweede lid, onder d/c, Vb

 

vijfde lid (vermelding «onderzoekersmobiliteit» op verblijfspasje; tweede lidstaat informeert eerste lidstaat over afgifte vergunning)

Betreft feitelijk handelen.

Toevoegen lid 6 aan art. 3.103a Vb

 

zesde lid (intrekkingsgronden)

art. 19 jo. art. 18 Vw

 

zevende lid (procedurele waarborgen van art. 34 lid 2–5)

zie hieronder bij art. 34 lid 2 tot en met 5

   

art. 30 (mobiliteit van gezinsleden van onderzoekers)

     

eerste lid (gezinshereniging)

Bij langetermijnmobiliteit: art. 3.13 tot en met 3.22a Vb

Kortetermijnmobiliteit: nieuw art. 3.3, vierde lid, Vb

 

tweede lid (vereiste documenten bij kortetermijnmobiliteit van gezinsleden)

art. 12 Vw

Nieuw art. 3.3, eerste lid, vierde lid, en 4.47, vijfde lid Vb

 

derde lid (vereiste documenten bij langetermijnmobiliteit van gezinsleden)

art. 3.13 tot en met 3.22a, 3.58, eerste lid, onder a, en 3.71, tweede lid, onder i, Vb

   

vierde lid (openbare orde)

Kortetermijnmobiliteit: art. 12, eerste lid, onder d, Vw jo. art. 3.2 Vb.

Langetermijnmobiliteit: art. 3.20 Vb

Voor volksgezondheid: art. 3.21 Vb

 

art. 31 (mobiliteit van studenten)

     

eerste lid (360 dagen mobiliteit bij uitwisselingsprogramma of contract hoger onderwijsinstellingen)

 

Nieuw art. 3.3, vijfde lid, Vb

 

lid 2 t/m 7, 9 en 10 (kennisgeving van mobiliteit)

artikel 9, derde lid, Vw

Artikel 4.47, vierde en vijfde lid, Vb

Facultatieve bepaling om een notificatieplicht in te voeren bij mobiliteit studenten. Deze bepaling wordt omgezet.

achtste lid (openbare orde)

art. 12, eerste lid, onder d, Vw jo. art. 3.2 Vb.

 

art. 32 (waarborgen en sancties bij mobiliteit)

     

eerste lid (overschrijding buitengrens)

   

tweede lid (eerste lidstaat informeert tweede lidstaat bij intrekking)

 

Toevoegen nieuw art. 3.103aa, vijfde lid, Vb

 

derde lid (informatieplicht over niet meer voldoen aan voorwaarden voor mobiliteit)

Art. 4.44a / 4.38 Vb

   

vierde lid (consequenties van niet langer voldoen aan voorwaarden voor mobiliteit)

Artikel 8, 27 en 62 Vw

Wijziging van artikel 2.1a, tweede lid, Vb.

 

vijfde lid (overschrijding buitengrens)

Uitvoering Schengenacquis

 

art. 33 (sancties tegen gastentiteiten)

Art. 2g, 55a en 108 Vw en Wav

 

art. 34 (procedurele waarborgen)

     

Eerste lid (beslistermijn + schriftelijke kennisgeving)

artikelen 2u en 25 Vw; art. 3:41 Awb

 

Tweede lid (beslistermijn 60 dagen bij toelatingsprocedure via goedgekeurde gastentiteit)

artikelen 2u en 25 Vw

 

Derde lid (niet-ontvankelijkverklaring)

art. 4:5 en 4:15 Awb

 

Vierde lid (motivering)

art. 3:41, 3:46 en 3:47 Awb

 

Vijfde lid (rechtsbescherming)

1:3 Awb; hoofdstuk 6 en 7 Awb; hoofdstuk 7 Vw; 3:45 Awb;

 

artikel 35 (transparantie en toegang tot informatie)

Betreft feitelijk handelen. Informatieverstrekking zal gaan geschieden via gebruikelijke kanalen.

 

artikel 36 (leges)

Art. 3.34 VV

 

artikel 37 (samenwerking tussen contactpunten)

Betreft feitelijk handelen

 

artikel 38 (statistieken)

Betreft feitelijk handelen

 

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.