Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2017, 485Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 6 december 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2018

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2017, nr. 2017-0000192076;

Gelet op artikel XXXVI van de Verzamelwet SZW 2018;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. De artikelen van de Verzamelwet SZW 2018 treden, met uitzondering van de artikelen I, onderdeel Aa, IV, onderdeel B, V, onderdelen C, D en E, VII, VIII, onderdelen A, B, D, E, H en I, X, XII, XIV, onderdelen E, F en G, XVI, XIX, onderdelen 0A en A, XXIII, XXVI, onderdeel A, XXIX tot en met XXX, XXXI, onderdelen B en E tot en met H, XXXII, onderdelen Na en S, en XXXIII, in werking met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat artikel XX in werking treedt voordat artikel I, onderdeel L, van de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en enkele andere wetten in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) (Stb. 2017, 252) in werking treedt.

  • 2. De artikelen I, onderdeel Aa, V, onderdelen C, D en E, VII, VIII, onderdelen B, onder 1 en 3, onderdelen a en b, D, E en I, XII, XVI, XIX, onderdelen 0A en A, XXIII, XXVI, onderdeel A, XXXI, onderdelen B en E tot en met H, en XXXIII van de Verzamelwet SZW 2018 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, met dien verstande dat:

    • a. de artikelen I, onderdeel Aa, VII, XII, XVI en XIX, onderdeel A, terugwerken tot en met 1 oktober 2017;

    • b. artikel V, onderdeel C, terugwerkt tot en met 4 juli 2016;

    • c. de artikelen V, onderdeel D, en XIX, onderdeel 0A, terugwerken tot en met 1 januari 2016;

    • d. artikel VIII, onderdeel I, terugwerkt tot en met 19 juli 2017;

    • e. artikel XXIII terugwerkt tot en met 10 oktober 2017;

    • f. artikel XXVI, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2017;

    • g. artikel XXXIII terugwerkt tot en met 1 januari 2015.

  • 3. Artikel IV, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VI van de Wet aanpak schijnconstructies in werking treedt.

  • 4. Artikel VIII, onderdelen A, B, onder 2 en 3, onderdeel c, en H van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 april 2018.

  • 5. Artikel X van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 april 2018.

  • 6. Artikel XIV, onderdelen E, F en G, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop artikel 8 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie in werking treedt.

  • 7. Artikel XXXII, onderdelen Na en S, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 juli 2018.

  • 8. Artikel 12 van de Wet raadgevend referendum is van toepassing.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 6 december 2017

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de vijftiende december 2017

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel XXXVI van de Verzamelwet SZW 2018 voorziet in de mogelijkheid dat de artikelen van die wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en tevens dat die artikelen of onderdelen daarvan kunnen terugwerken tot en met in dat besluit te bepalen tijdstippen, die voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kunnen worden vastgesteld. In dit besluit wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

De volgende artikelen kennen een afwijkende beoogde datum van inwerkingtreding:

  • Artikel I, onderdeel Aa, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt in verband met de kwartaalsystematiek van de kinderbijslag terug tot en met 1 oktober 2017;

  • Artikel IV, onderdeel B, treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VI van de Wet aanpak schijnconstructies in werking treedt. De bepaling over de openbaarmaking van door toezicht op de naleving verkregen gegevens in de Arbeidstijdenwet is nog niet in werking getreden.

  • Artikel V, onderdeel C, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 4 juli 2016. Deze datum vloeit voort uit de samenhang met artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet waarin is geregeld dat het college de loonwaarde van de betrokken persoon vaststelt. Dit artikellid is in werking getreden met ingang van 1 februari 2017, maar gemeenten konden op de nieuwe maatregel anticiperen vanaf 4 juli 2016. Voor de sindsdien in deze situaties al toegekende loonkostensubsidies wordt voorgesteld aan dit onderdeel van het voorliggende wetsvoorstel terugwerkende kracht te verlenen tot en met 4 juli 2016;

  • Artikel V, onderdeel D, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Bij de aanpassing van artikel 38, derde lid, Participatiewet in de Verzamelwet SZW 2017 is per abuis onderdeel r weggevallen. Derhalve wordt dit nu met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van de vorige verzamelwet hersteld;

  • Artikel V, onderdeel E, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. De afwijkende inwerkingtreding houdt verband met de aansluiting aan de uitvoeringspraktijk;

  • Artikelen VII en XVI treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2017. Dit is de datum waarop de Wet van 23 juni 2017 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding (Stb. 2017, 285) in werking is getreden;

  • Artikel VIII, onderdelen A en B, onder 2 en 3, onderdeel c, treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Dat is het moment waarop het voor UWV uitvoerbaar is om WW-gerechtigden onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid te bieden om (het restant van) de WW-uitkering stop te zetten;

  • Artikel VIII, onderdeel B, onder 1 en 3, onderdelen a en b, betreft technische wijzigingen en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst;

  • Artikelen VIII, onderdelen D en E, en XXXI, onderdeel B, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, zodat zo spoedig mogelijk enkele onjuiste verwijzingen vervallen;

  • Artikel VIII, onderdeel H, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Deze inwerkintreding wordt gekoppeld aan de inwerkingtreding van het Besluit eindconversie WW, dat eveneens in werking treedt op 1 april 2018;

  • Artikel VIII, onderdeel I, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juli 2017. De afwijkende inwerkingtreding houdt verband met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2406;1

  • Artikel X treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Dit betreft het verlof bij de zwangerschap van een meerling in de Wet arbeid en zorg. Het is voor het UWV mogelijk om de aanpassingen in het meerlingenverlof vanaf 1 april 2018 uit te voeren. Alle vrouwen die op 1 april 2018 zwangerschap- of bevallingsverlof hebben in verband met een meerling profiteren van de uitbreiding van het meerlingenverlof;

  • De artikelen XII en XIX, onderdeel A, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2017. Vooruitlopend op deze wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is met ingang van 1 oktober 2017 al een wijziging van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht tot stand gekomen, op grond waarvan verschillende gegevens zijn uitgezonderd van de spontane inlichtingenplicht, waaronder die op grond van deze wetten. Deze wetten zijn hiermee in overeenstemming gebracht met de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen;

  • Artikel XIV, onderdelen E, F en G, treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop artikel 8 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie in werking treedt;

  • Artikel XIX, onderdeel 0A, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Gezien het duidelijke doel van artikel 3a (en het derde lid daarvan) van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen wordt voorgesteld terugwerkende kracht te verlenen aan dit wijzigingsonderdeel, waardoor deze kennelijke misslag ook voor het verleden wordt hersteld;

  • Artikel XXIII treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2017. De Richtlijn (EU) 2015/1794 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot wijziging van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG en 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 98/59/EG en 2001/23/EG van de Raad is voor zover het zeevarenden betreft op 9 oktober 2015 in werking getreden en diende op 10 oktober 2017 te zijn geïmplementeerd. Het is daarom van belang om dit artikel terugwerkende kracht te geven tot en met 10 oktober 2017;

  • Artikel XXVI, onderdeel A, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017, omdat daarmee wordt verduidelijkt dat het jaarloonbegrip in de Wet tegemoetkomingen loondomein voor het jaar 2017 niet anders dient te worden toegepast dan het jaarloonbegrip voor 2018;

  • Artikel XXXI, onderdelen E tot en met H, voorziet met name in een vereenvoudiging en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst;

  • Artikel XXXII, onderdelen Na en S, treedt in werking met ingang van 1 juli 2018 om uitvoeringstechnische redenen;

  • Artikel XXXIII treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Deze terugwerkende kracht is nodig om aan te sluiten bij het moment waarop feitelijk is begonnen met de werkgeversondersteuning in het kader zowel de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en de Wet langdurige zorg per 1 januari 2015 als ook met de ondersteuning van de persoongebonden budgetten op grond van de Zorgverzekeringswet die vanaf dat moment worden verleend.

Het eerste lid van het enig artikel van dit inwerkingtredingsbesluit bevat een voorbehoud ten aanzien van de inwerkingtreding van artikel XX van de Verzamelwet SZW 2018. Artikel XX wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Aangezien met artikel I, onderdeel L, van de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk de citeertitel van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen met ingang van 1 januari 2018 wordt gewijzigd in Wet kinderopvang, treedt artikel XX van de Verzamelwet SZW 2018 in werking met ingang van 1 januari 2018, voordat artikel I, onderdeel L, van de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking treedt.

De volgende artikelen zullen bij een afzonderlijk koninklijk besluit in werking treden:

  • Artikel XXIXA: dit artikel wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat komt te luiden nadat de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking is getreden. De inwerkingtreding van die laatste wet zal geschieden bij koninklijk besluit als de uitvoeringsregelgeving en de voorbereidingen voor de implementatie van de beslagvrije voet zijn afgerond.

  • De artikelen XXIX en XXX: deze artikelen wijzigen de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang en de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk zodanig dat niet de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, maar de Wet kinderopvang (zoals deze wet met ingang van 1 januari 2018 heet) wordt gewijzigd. De wijzigingen zijn van belang omdat onderdelen van de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang en de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk pas in werking zullen treden wanneer het personenregister kinderopvang in werking treedt (te weten 1 maart 2018). De inwerkingtreding van de artikelen XXIX en XXX zal worden geregeld in het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het personenregister kinderopvang regelt.

Met betrekking tot de inwerkingtreding is in artikel XXXVI van de Verzamelwet SZW 2018 geregeld dat zo nodig in het koninklijk besluit toepassing gegeven kan worden aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum (Wrr). Dit doet overigens niets af aan de referendabiliteit van dit wetsvoorstel. Aangezien het in de Verzamelwet SZW 2018 grotendeels gaat om noodzakelijke reparatiewetgeving is er voor gekozen om in dit inwerkingtredingsbesluit toepassing te geven aan artikel 12 van de Wrr. Voor het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2018 geldt dat de inwerkingtreding zodanig spoedeisend is dat niet kan worden gewacht op het tijdstip waarop komt vast te staan dat er geen referendum zal worden gehouden of op de uitslag van een eventueel referendum. Het wetsvoorstel bevat noodzakelijke reparatiewetgeving en het doel en de strekking van enkele voorgestelde wijzigingen staan er in beginsel aan in de weg dat de inwerkingtreding met terugwerkende kracht geschiedt. Daarbij gaat het met name om de wijzigingen met betrekking tot de artikelen 3.1 en 3.3 van de Wet tegemoetkomingen loondomein en artikel 120 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Voor een nadere toelichting op deze wijzigingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2018 onder de paragrafen 2.9, 2.10, 2.13 en 2.16.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2017/18, 34 766, nr. 6, blz. 16.