Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2017, 30Wet

Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Crisis- en herstelwet in verband met de uitvoering van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124) (implementatie herziening mer-richtlijn)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat het noodzakelijk is wettelijke voorzieningen te treffen ter implementatie van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124);

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I (WIJZIGING CRISIS- EN HERSTELWET)

Artikel 1.11 van de Crisis- en herstelwet komt te luiden:

  • 1. Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet niet van toepassing voor zover het de locatie of het tracé van de activiteit betreft als er aan dat besluit een plan als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer ten grondslag ligt waarin een locatie of een tracé is aangewezen en voor dat plan een milieueffectrapport is gemaakt waarin alternatieven voor die locatie of dat tracé zijn onderzocht.

  • 2. In afwijking van artikel 7.32, vijfde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17 van die wet, in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het milieueffectrapport.

ARTIKEL II (WIJZIGING WET MILIEUBEHEER)

De Wet milieubeheer wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. De begripsbepaling voor EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling vervalt.

2. In de alfabetische volgorde van begripsomschrijvingen wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

mer-richtlijn:

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26);.

B

Aan artikel 7.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van artikel 1.1, tweede lid, onder a, worden in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen onder gevolgen voor het milieu verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, waaronder de kwetsbaarheid voor risico’s op zware ongevallen of rampen, gezien vanuit het belang van de bescherming van:

    • a. de bevolking en de menselijke gezondheid;

    • b. de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor op grond van de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 beschermde habitats en soorten;

    • c. land, bodem, water, lucht en klimaat;

    • d. materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;

    • e. de samenhang tussen de onder a tot en met d genoemde factoren.

C

Na artikel 7.3 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7.4

Het bevoegd gezag kan op verzoek of ambtshalve ontheffing verlenen van de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk voor een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde of vierde lid, voor een activiteit of deelactiviteit die uitsluitend bestemd is voor defensiedoeleinden, of voor een activiteit die uitsluitend noodzakelijk is vanwege een noodtoestand als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, als naar zijn oordeel toepassing van die verplichtingen in dat geval nadelige gevolgen heeft voor de defensiedoeleinden of het bestrijden van de noodtoestand.

Artikel 7.5

  • 1. Onze Minister kan voor een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde of vierde lid, op verzoek van degene die de activiteit wil ondernemen, ontheffing verlenen voor de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 7.16 tot en met 7.27 en artikel 7.32, vijfde lid, indien de toepassing van die artikelen nadelige gevolgen heeft voor het doel van de activiteit, tenzij de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor een ander land kan hebben.

  • 2. Als toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bepaalt Onze Minister bij de ontheffing of degene die de betrokken activiteit wil ondernemen een rapport met een andere beoordeling van de milieueffecten moet opstellen. Als Onze Minister beslist dat een rapport moet worden opgesteld wordt in de artikelen 7.28 tot en met 7.38 en de artikelen 7.39 tot en met 7.42 voor «het milieueffectrapport» telkens gelezen: het rapport, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, eerste zin.

  • 3. Onze Minister geeft kennis van de ontheffing met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4. Onze Minister zendt tegelijk met de kennisgeving een afschrift van de ontheffing met de daarbij behorende stukken aan de Europese Commissie en doet mededeling van de verzending aan degene die de activiteit wil ondernemen.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het verzoek om ontheffing geschiedt en de bescheiden die door de verzoeker worden verstrekt met het oog op beslissing op het verzoek.

D

Artikel 7.16 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval de volgende informatie verstrekt:

    • a. een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder:

      • 1°. een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken;

      • 2°. een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;

    • b. een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

    • c. een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van:

      • 1°. indien van toepassing, de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen;

      • 2°. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

2. Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid, houdt degene die de activiteit wil ondernemen rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu.

  • 4. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan degene die de activiteit wil ondernemen een beschrijving verstrekken van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.

E

Artikel 7.17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «artikel 7.16, derde lid» vervangen door: artikel 7.16, vijfde lid.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met:

    • a. voor zover relevant de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu;

    • b. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

3. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. In de motivering van zijn beslissing verwijst het bevoegd gezag in ieder geval:

    • a. naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

    • b. indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

F

In artikel 7.18, onder b, wordt «artikel 7.16, derde lid» vervangen door: artikel 7.16, vijfde lid.

G

In artikel 7.19, eerste lid, wordt «artikel 7.17, tweede en derde lid» vervangen door: artikel 7.17, tweede tot en met vierde lid.

H

Na artikel 7.20 wordt in paragraaf 7.6 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.20a

  • 1. Indien het bevoegd gezag heeft beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt en daarbij de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 7.16, vierde lid, van belang zijn geweest, worden, voor zover nodig in afwijking van andere wettelijke voorschriften, in ieder geval een beschrijving van de kenmerken in het besluit opgenomen en de verplichting tot het uitvoeren van bedoelde maatregelen en het tijdstip waarop die maatregelen gerealiseerd dienen te zijn als voorschrift aan het besluit, bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, verbonden.

  • 2. Een krachtens een andere wettelijke regeling genomen besluit geldt, ook voor zover het eerste lid daarbij wordt toegepast, geheel als krachtens die andere regeling te zijn genomen.

I

Artikel 7.21 vervalt.

J

Artikel 7.23 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een milieueffectrapport bevat ten minste:

    • a. een beschrijving van de activiteit met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van de activiteit;

    • b. een beschrijving van de, zonder de onder c bedoelde maatregelen, waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

    • c. een beschrijving van de kenmerken van de activiteit en, voor zover van toepassing, de geplande maatregelen om de waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren;

    • d. een beschrijving van de redelijke alternatieven, die relevant zijn voor de activiteit en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de activiteit;

    • e. een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld onder a tot en met d; en

    • f. alle aanvullende informatie, bedoeld in bijlage IV van de mer-richtlijn, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaalde activiteit of activiteittype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het vierde en vijfde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor zover een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 7.24, tweede of derde lid, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie te komen over de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.

  • 3. Om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen wordt bij het opstellen van het milieueffectrapport rekening gehouden met andere relevante uitgevoerde beoordelingen.

K

Na artikel 7.26 wordt in paragraaf 7.8 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.26a

Het bevoegd gezag kan de commissie in de gelegenheid stellen over het milieueffectrapport te adviseren.

L

Na artikel 7.27, vierde lid, wordt onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot zesde tot en met achtste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De kennisgeving, bedoeld in het derde lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Als het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van de stukken, bedoeld in het vierde lid, onder a, vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

M

Artikel 7.28 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onder a, wordt «op grond van artikel 7.21 ontheffing is verleend» vervangen door: op grond van artikel 7.5, eerste lid, ontheffing is verleend en er geen rapport met een andere beoordeling als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, hoeft te worden opgesteld.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. er een ontheffing op grond van artikel 7.5, eerste lid, is verleend, een afschrift van de mededeling, bedoeld in artikel 7.5, vierde lid, ontbreekt;.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het bevoegd gezag wijst een aanvraag om een besluit af indien het overgelegde milieueffectrapport, mede gelet op het advies wanneer dat daarover op grond van artikel 7.26 onderscheidenlijk artikel 7.27 is gegeven, niet voldoet aan artikel 7.23, dan wel onjuistheden bevat. Voordat een aanvraag wordt afgewezen, wordt de aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn het milieueffectrapport aan te vullen.

N

Na artikel 7.28 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.28a

  • 1. Als het bevoegd gezag zelf de activiteit wil ondernemen waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit.

  • 2. Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding als bedoeld in het eerste lid vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt er zorg voor dat deze werkprocessen en procedures worden nageleefd.

O

Aan artikel 7.29 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De kennisgeving, bedoeld in respectievelijk het eerste en tweede lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad, of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Indien het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van de aanvraag en het milieueffectrapport vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

P

Aan artikel 7.30 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De kennisgeving, bedoeld in respectievelijk het eerste, tweede en derde lid, vindt in ieder geval plaats in het door het bevoegd gezag uitgegeven provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad, of publicatieblad van een gemeenschappelijke regeling. Indien het bevoegd gezag tot de centrale overheid behoort of geen eigen publicatieblad uitgeeft, vindt de kennisgeving plaats in de Staatscourant. De openbaarmaking van het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, vindt plaats in hetzelfde blad of op een andere geschikte elektronische wijze.

Q

In artikel 7.35, derde lid, onder a, wordt na «die nodig zijn ter bescherming van het milieu» ingevoegd: , waaronder monitoringsmaatregelen.

R

Artikel 7.37 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan het eerste lid worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • d. elke aan het besluit verbonden milieuvoorwaarde;

  • e. voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van de activiteit en de geplande maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn;

  • f. in voorkomend geval, elke monitoringsmaatregel, procedure voor de monitoring en wijze van monitoring van die gevolgen waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn met de aard, de locatie en de omvang van de activiteit en met het belang van de gevolgen voor het milieu.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Om overlapping van monitoring te vermijden kan het bevoegd gezag bepalen dat voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring, bedoeld in het eerste lid, onder f, degene die de activiteit wil ondernemen, gebruik kan maken van bestaande wettelijk voorgeschreven monitoringsregelingen.

3. Het vierde lid vervalt.

S

Artikel 7.39 komt te luiden:

Artikel 7.39

  • 1. Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan heeft voor het milieu, wanneer de in het plan voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt van het onderzoek een verslag op. Het bevoegd gezag zendt het verslag aan de adviseurs, de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.8, en aan de commissie. Het geeft van het verslag gelijktijdig kennis met toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

T

Artikel 7.41 komt te luiden:

Artikel 7.41

  • 1. Voor een besluit stelt het bevoegd gezag een verslag op over de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 7.37, eerste lid, onder f.

  • 2. Het bevoegd gezag zendt het verslag aan degene die de activiteit onderneemt, aan de bestuursorganen en aan de adviseurs. Het geeft van het verslag gelijktijdig kennis met toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Als de commissie overeenkomstig artikel 7.26a, artikel 7.32, vijfde lid, in samenhang met artikel 7.12, of artikel 1.11, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet advies heeft uitgebracht, zendt het bevoegd gezag haar het verslag.

U

In artikel 7.42 wordt na «Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek» ingevoegd: of het in artikel 7.41, eerste lid, bedoelde verslag.

V

Na artikel 14.4c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14.4d

Indien voor een besluit voor een activiteit een milieueffectrapport gemaakt moet worden en op grond van artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 ook een passende beoordeling gemaakt moet worden, worden het milieueffectrapport en de passende beoordeling tegelijkertijd door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport gemaakt wordt, ter inzage gelegd.

W

In artikel 19.5, tweede lid, wordt «artikel 7.21, vijfde lid, en 13.8» vervangen door: artikel 13.8.

X

Na artikel 21.2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 21.3

Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt Onze Minister, telkens vóór een door hem te bepalen tijdstip, de bij dat gezag beschikbare gegevens, die van belang zijn voor het naleven van de in artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn opgenomen verplichtingen tot informatieverstrekking.

ARTIKEL III (OVERGANGSRECHT)

De hoofdstukken 7 en 14 van de Wet milieubeheer en artikel 1.11 van de Crisis- en herstelwet, zoals die luidden voor 16 mei 2017, blijven van toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de Wet milieubeheer totdat het besluit onherroepelijk is geworden, waarvoor voor 16 mei 2017:

  • a. de procedure voor een mer-beoordeling is gestart op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer zoals dat artikel luidde voor die datum;

  • b. een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 7.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer zoals dat artikel luidde voor die datum;

  • c. voor de reikwijdte en het detailniveau:

    • 1°. een verzoek is gedaan op grond van artikel 7.24, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

    • 2°. een advies is uitgebracht op grond van artikel 7.24, derde lid, van de Wet milieubeheer; of

    • 3°. door het bevoegd gezag een kennisgeving, als bedoeld in artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer is gedaan; of

  • d. een milieueffectrapport ter inzage is gelegd.

ARTIKEL IV (OVERGANGSRECHT)

  • 1. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verzoek om ontheffing is ingediend als bedoeld in artikel 7.21 van de Wet milieubeheer, zoals dat toen luidde, blijft daarop het recht van toepassing, zoals het luidde op het tijdstip van indiening van dat verzoek, totdat de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.

  • 2. Een ontheffing, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verleend krachtens artikel 7.21, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat toen luidde, dan wel met toepassing van het eerste lid is verleend na dat tijdstip, wordt gelijkgesteld met een ontheffing verleend krachtens artikel 7.4 van de Wet milieubeheer, zoals dat is komen te luiden na inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL V (SAMENLOOPBEPALING)

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 augustus 2012 ingediende voorstel van wet houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming, Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 2) tot wet is of wordt verheven en artikel 2.8 van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel II, onderdeel B, in artikel 7.1, zesde lid, onder b, «op grond van de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998» vervangen door «op grond van de Wet natuurbescherming» en wordt in artikel II, onderdeel V, in artikel 14.4d «artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998» vervangen door: artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming.

ARTIKEL VI (INWERKINGTREDING)

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 25 januari 2017

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de dertiende februari 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 34 287