Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2017, 190AMvB

Besluit van 4 mei 2017 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES en het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft (Wijzigingsbesluit financiële markten 2017)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 28 februari 2017, 2017-0000032122, directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen 3:57, tweede lid, 4:9, derde lid, 4:14, tweede lid, 4:15, tweede lid, 4:25a, 4:37o, zesde lid, 5:38, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 2, eerste lid, en 3 van de Sanctiewet 1977, en de artikelen 5.11, tweede lid en 5.12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 april 2017, nr. W06.17.0060/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 26 april 2017, 2017-0000086171, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 5 komt de definitie van pensioen te luiden:

pensioen:

een pensioenverzekering of premiepensioenvordering of een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet tussen een werkgever en een uitvoerder van een algemeen pensioenfonds of een vrijwillige aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds;

B

In artikel 10 wordt aan tabel 2 een regel toegevoegd, luidende:

Adviseur pensioen

Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, werkloosheidsverzekeringen of overlijdensrisicoverzekeringen indien gecombineerd met pensioen

C

In artikel 49a, tweede lid, wordt «de artikelen 58a tot en met 58e en 59a» vervangen door: de artikelen 58a tot en met 58e en 59.

D

In artikel 59c, tweede lid, wordt «artikel 59d» vervangen door: artikel 59e.

E

In artikel 59d, eerste en vierde lid, wordt «artikel 59d» telkens vervangen door: artikel 59e.

F

In artikel 59f, eerste lid, wordt «de artikelen 59c en 59d» vervangen door «de artikelen 59d en 59e» en wordt «artikel 59d» vervangen door: artikel 59e.

G

In artikel 59g, eerste lid, wordt «de artikelen 59a tot en met 59e» vervangen door: de artikelen 59b tot en met 59f.

H

Artikel 71c, aanhef en onderdeel d, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt «artikel 59a, eerste tot en met derde lid» vervangen door: artikel 59b, eerste tot en met derde lid.

2. In onderdeel d wordt «artikel 59b, eerste lid, onderdeel d» wordt vervangen door: artikel 59c, eerste lid, onderdeel d.

I

In artikel 71d, aanhef, wordt «artikel 59a, eerste tot en met derde lid» vervangen door: artikel 59b, eerste tot en met derde lid.

J

In artikel 71f, eerste lid, aanhef, wordt «artikel 59c, eerste en tweede lid» vervangen door: artikel 59d, eerste en tweede lid.

K

In artikel 71g, eerste lid, aanhef, wordt «artikel 59c, eerste en tweede lid» vervangen door: artikel 59d, eerste en tweede lid.

L

In artikel 71k wordt «Artikel 59f» vervangen door: Artikel 59g.

M

In paragraaf 10.2.2 wordt artikel 115aa vernummerd tot artikel 115ab.

N

Artikel 115m wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Het bestuursverslag, bedoeld in artikel 4:37o, eerste en tweede lid, van de wet, bevat» vervangen door: Het bestuursverslag en de jaarrekening, bedoeld in artikel 4:37o, eerste en tweede lid, van de wet, bevatten.

2. In het tweede lid wordt «Het bestuursverslag voldoet» vervangen door: Het bestuursverslag en de jaarrekening voldoen.

O

Artikel 115x, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervallen «3.1,» en «3.5,» en wordt na «7.4,» ingevoegd: 10.2.

2. In onderdeel b wordt na «3.2,» ingevoegd «3.3,» en wordt «5.12» vervangen door: 10.2.

P

Artikel 168a, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef en onderdeel b vervalt telkens «opvorderbare».

2. In onderdeel a wordt «ingevolgde» vervangen door: ingevolge.

Q

In bijlage I, onder 3.3, wordt «wijziging van de voorwaarden, die» vervangen door: wijziging van de voorwaarden, voor zover deze wijziging afwijkt van het voorstel als bedoeld in onderdeel 3.2, welke.

R

Het opschrift van bijlage J komt te luiden:

Bijlage J. behorend bij de artikelen 147b, vijfde lid, 147c en 147ll.

ARTIKEL II

Het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In het opschrift van hoofdstuk 6 wordt «Berekening van het aantal stemmen» vervangen door: Berekening van het aantal aandelen of het aantal stemmen.

B

Artikel 12 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

1°. De zinsnede «Ten behoeve van een melding als bedoeld in de artikelen 5:38, tweede lid, en 5:39, eerste lid, van de wet wordt het aantal stemmen» wordt vervangen door: Ten behoeve van een melding als bedoeld in de artikelen 5:38, eerste en tweede lid, en 5:39, eerste lid, van de wet wordt het aantal aandelen of het aantal stemmen.

2°. De zinsnede «in welk geval het aantal stemmen» wordt vervangen door: in welk geval het aantal aandelen of het aantal stemmen.

2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De berekening van het aantal aandelen, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op overeenkomstige wijze.

ARTIKEL III

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 34, eerste lid, en 35, eerste lid, wordt «kredietunie, verzekeraar» telkens vervangen door: kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar.

B

In artikel 59, eerste lid, wordt na «artikelen 60a, 61, 63, 63a» ingevoegd: , 63b.

C

In artikel 63b, eerste lid en tweede lid, wordt «bijkomend eigen vermogen» telkens vervangen door: bijkomend toetsingsvermogen.

ARTIKEL IV

In artikel IV, derde lid, van het Besluit van 30 juni 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60) (Stb. 2016, 266) wordt na «overeenkomsten inzake hypothecair krediet die» ingevoegd het woord: voor.

ARTIKEL V

Het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1 vervalt «artikel 22, tweede lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren,».

B

In artikel 6 wordt «eerste categorie» vervangen door: tweede categorie.

ARTIKEL VI

In de opsomming van artikelen in de bijlage bij het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES worden in de numerieke volgorde de volgende artikelen en bijbehorende boetecategorieën ingevoegd:

2.10

4

2.19

4

3.10

4

3.13

4

4.2

4

4.3

4

ARTIKEL VII

Artikel 1 van het Besluit melding transacties financiering terrorisme wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel c, onder 8°, wordt «een instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: een wisselinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet financieel toezicht.

2. In onderdeel d, onder 5°, wordt «verlenen van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren» vervangen door: het verrichten van een wisseltransactie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet financieel toezicht.

ARTIKEL VIII

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2017, met uitzondering van artikel I, onderdeel B, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 april 2016.

ARTIKEL IX

Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit financiële markten 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 4 mei 2017

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Uitgegeven de zeventiende mei 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Het Wijzigingsbesluit financiële markten 2017 bevat een aantal wijzigingen van algemene maatregelen van bestuur die betrekking hebben op de financiële sector.

Het onderhavige besluit bevat allereerst een wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo). Medewerkers van financiële dienstverleners die adviseren over financiële producten dienen in het bezit te zijn van een geldig Wft-diploma. Deze diplomaplicht wordt uitgebreid, zodat ook medewerkers die adviseren over een algemeen pensioenfonds (APF) en het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds over een diploma dienen te beschikken. In paragraaf 2 wordt op deze wijziging nader ingegaan.

Daarnaast voorziet het besluit in aanpassing van het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft. Hiermee wordt – op hetzelfde niveau van een algemene maatregel van bestuur – geëxpliciteerd dat voor de berekening van het aantal aandelen in een uitgevende instelling waarover een meldingsplichtige beschikt of wordt geacht te beschikken dezelfde methodiek geldt als voor de berekening van het aantal stemmen waarover deze meldingsplichtige beschikt of wordt geacht te beschikken.

Het besluit bevat verder wijzigingen van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES met betrekking tot de hoogte van de boetes. Overtreding van artikel 10b van de Sanctiewet 1977 wordt nu bestraft met een boete van de tweede categorie. Daarnaast wordt voor overtreding van de artikelen 2.10, 2.19, 3.10, 3.13, 4.2 en 4.3 een boetecategorie aangewezen.

Tot slot bevat dit besluit een aantal technische wijzigingen.

§ 2. Uitbreiding diplomaplicht adviseur pensioen

In dit besluit wordt voorgesteld om de diplomaplicht uit te breiden door ook voor het adviseren over een APF en het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioen een diploma te eisen. Hiertoe wordt de definitie van «pensioen» gewijzigd. Hiervoor wordt gekozen omdat een pensioenadviseur op grond van de Wft dient te beschikken over de benodigde kennis en vaardigheden om de verschillende pensioenproducten waarover geadviseerd kan worden met elkaar te vergelijken en te komen tot een passend advies. De kennis en vaardigheden dienen daarom niet alleen te zien op advies over een pensioenverzekering of een premiepensioenvordering, die nu al onder de diplomaplicht vallen, maar ook op andere pensioenproducten waarover een klant advies kan vragen zoals een (recent geïntroduceerde) APF of het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds.

Tijdens de behandeling van de wijziging van de Pensioenwet in verband met de invoering van een algemeen pensioenfonds in de Eerste Kamer heeft het lid Rinnooy Kan hier ook aandacht voor gevraagd. Er is toen aangegeven door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat er werd bezien of de wet hierop moest worden aangepast en dat de Minister van Financiën hierover met marktpartijen in gesprek zou gaan. Uit gesprekken met onder andere het Verbond van Verzekeraars, Adfiz, de Pensioenfederatie en de AFM kwam naar voren dat zij het van belang vinden dat advies over een algemeen pensioenfonds of het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds onder de reikwijdte van de vakbekwaamheidseisen en daarmee de diplomaplicht wordt gebracht.1

De verplichting om te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen, opgenomen in artikel 4:9, tweede lid, van de Wft, wordt met deze wijziging niet uitgebreid. De normadressant blijft de financiëledienstverlener in de zin van de Wft. Een onderneming kwalificeert als financiëledienstverlener indien deze bijvoorbeeld adviseert over een ander financieel product dan een financieel instrument, zoals een pensioenproduct. Omdat APF’s en bedrijfstakpensioenfondsen doorgaans niet zelf adviseren zullen zij in de regel niet vallen onder deze verplichting. Medewerkers van deze ondernemingen hoeven in dat geval dan ook niet te beschikken over Wft-diploma’s.

§ 3. Administratieve lasten

De voorgestelde wijzigingen van de verschillende besluiten brengen geen administratieve lasten en nalevingskosten met zich.

§ 4. Consultatiereacties

Een voorontwerp van dit besluit is ter consultatie voorgelegd via www.internetconsultatie.nl. Daarbij zijn openbare reacties ontvangen van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB), de Nederlandse Vereniging voor Banken (NVB), de Organisatie van Financiële Dienstverleners (OvFD), Pritle Holding B.V. (Pritle), DUFAS, het Verbond van Verzekeraars, Adfiz, de Vereniging van Vermogensbeheerders, de Federatie Financieel Planners, PMT Groep en de Vereniging Federatie Vermogensplanners. Hierna zal worden ingegaan op de voornaamste algemene thema’s die aan de orde zijn gekomen in de reacties op het voorontwerp. Het meer technische commentaar in de consultatiereacties is zoveel mogelijk betrokken bij de uiteindelijke redactie van de verschillende onderdelen van het besluit, alsmede bij de daarbij behorende toelichting

Uitbreiding diplomaplicht adviseur pensioen

PMT Groep, het Verbond van Verzekeraars en Dufas hebben gereageerd op de voorstellen omtrent het onderbrengen van advies over een algemeen pensioenfonds (APF) en het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds onder de reikwijdte van de vakbekwaamheidseisen. Dufas heeft aangegeven dat zij de voorstellen onderschrijft.

PMT Groep merkt op dat zij het opmerkelijk vindt dat advies over vrijwillige aansluitingen onder de reikwijdte van de vakbekwaamheidseisen wordt gebracht nu deze aansluitingen in de praktijk geen problemen opleveren. Naar aanleiding van deze consultatiereactie is in de algemene toelichting aangegeven dat deze producten onder de reikwijdte van de definitie van pensioen worden gebracht omdat pensioenadviseurs ook over kennis en vaardigheden moeten beschikken ten aanzien van andere (nieuwe) pensioenproducten.

Naar aanleiding van opmerkingen van PMT Groep en het Verbond van Verzekeraars wordt de definitie van pensioen in artikel 5 van het Bgfo aangepast. Hierin is verduidelijkt dat het ten aanzien van advies over een bedrijfstakpensioenfonds dient te gaan om een vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds. De mogelijke verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds, zoals in de consultatieversie opgenomen in de definitie, is hierbij niet van belang.

Voorts heeft PMT Groep opgemerkt dat deze wijziging waarschijnlijk weinig gevolgen heeft voor het APF omdat de meeste APF’s zijn of worden opgericht door een verzekeraar, en de verzekeraar reeds voldoet aan de vakbekwaamheidseisen, maar dat dit niet het geval zal zijn voor een bedrijfstakpensioenfonds. De normadressant van de verplichting om te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen, opgenomen in artikel 4:9, tweede lid, van de Wft, blijft de financiëledienstverlener. Een onderneming kwalificeert als financiëledienstverlener indien deze adviseert over een ander financieel product dan een financieel instrument, zoals een pensioenproduct. Omdat APF’s en bedrijfstakpensioenfondsen doorgaans niet zelf adviseren over pensioenproducten vallen zij niet onder deze verplichting.

Verder heeft PMT Groep gevraagd of de toetstermen en het lesmateriaal worden gewijzigd naar aanleiding van deze wijziging. De eind- en toetstermen zullen naar aanleiding van deze wijziging worden aangepast. Het is de verantwoordelijkheid van de opleidingsinstituten om het lesmateriaal in lijn te brengen met deze wijziging en aan te laten sluiten bij de geldende eind- en toetstermen.

Overige onderwerpen

In het ter consultatie voorgelegde besluit werden eveneens nadere eisen gesteld ten aanzien van het geautomatiseerd advies en het verschaffen van provisies vanaf een beleggingsregeling. Naar aanleiding van reacties van Adfiz, Dufas, NVB, OvFD, Pritle, VEB, het Verbond van Verzekeraars en de AFM is ervoor gekozen om ten aanzien van het adviseren zonder tussenkomt van een natuurlijk persoon (geautomatiseerd advies) op dit moment geen nadere eisen te stellen. Reacties van Adfiz, Dufas, de Federatie Financieel Planners, de NVB, Pritle, de Vereniging van Vermogensbeheerders & Adviseurs en de Vereniging Federatie Vermogensplanners ten aanzien van het verbieden van provisies die (middellijk) door de aanbieder aan de adviseur of bemiddelaar worden betaald hebben er eveneens toe geleid dat de wijzigingen met betrekking tot het provisieverbod op dit moment niet worden doorgevoerd. Meer informatie hierover kunt u vinden in het consultatieverslag.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

In artikel 5 van het BGfo wordt de definitie van pensioen gewijzigd. Om advies over een algemeen pensioenfonds en het vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds onder de reikwijdte van de vakbekwaamheidseisen en de diplomaplicht te brengen zijn uitvoeringsovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet tussen een werkgever en een uitvoerder van een algemeen pensioenfonds of een niet-verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds aan de definitie van pensioen toegevoegd. Indien een adviseur over deze producten adviseert dient hij te beschikken over het Wft-diploma Adviseur pensioen.

B

In artikel 10 van het BGfo is geregeld dat bepaalde adviseurs tevens vakbekwaam zijn te adviseren over bepaalde onderwerpen indien gecombineerd met het onderwerp waarop het diploma betrekking heeft. Dit is nader uitgewerkt in tabel 2 van dit artikel. Aan deze tabel wordt de adviseur pensioen toegevoegd. Bij de ontwikkeling van de Wft-module Pensioen is reeds rekening gehouden met het feit dat een pensioenadviseur advies zou moeten kunnen geven over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, werkloosheidsverzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen. De eind- en toetstermen die hierop betrekking hebben zijn om die reden in de Wft-module Pensioen opgenomen. Omdat de pensioenadviseur niet in tabel 2 was opgenomen mocht de pensioenadviseur echter enkel over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, werkloosheidsverzekeringen of overlijdensrisicoverzekeringen adviseren indien gecombineerd met een advies over vermogen (in zijn hoedanigheid als adviseur vermogen).

In het Wijzigingsbesluit financiële markten 2016 is het adviseren over bijkomende onderwerpen voor de adviseur vermogen gewijzigd. De adviseur vermogen mag per 1 april 2016 alleen nog maar adviseren over bepaalde bijkomende onderwerpen indien dit wordt gecombineerd met een advies over vermogen in plaats van een levensverzekering. Deze wijziging heeft er onbedoeld toe geleid dat de adviseur pensioen vanaf 1 april 2016 niet meer mocht adviseren over bijkomende onderwerpen. Daarom is aan deze wijziging terugwerkende kracht verleend tot en met 1 april 2016. Hiermee wordt bewerkstelligd dat er geen lacune is waarin de pensioenadviseur niet mocht adviseren over bijkomende onderwerpen indien gecombineerd met pensioen.

C

In artikel 49a, tweede lid, wordt verwezen naar artikel 59a Bgfo, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling is geweest om te verwijzen naar artikel 59 Bgfo. Deze omissie wordt hersteld.

D tot en met L

Bij het Wijzigingsbesluit financiële markten 2010 heeft een vernummering plaatsgevonden van de artikelen 59b tot en met 59f tot 59c tot en met 59g van het BGfo. Deze vernummering is niet overal meegenomen, waardoor de verwijzingen niet juist meer zijn. Deze wijziging lost dat op.

M

Het BGfo kent zowel na artikel 115a in paragraaf 10.2.2 als na artikel 115z in paragraaf 10.3.1.1 een artikel 115aa. Het artikel 115aa in paragraaf 10.2.2 wordt derhalve vernummerd tot 115ab.

N

Artikel 115m regelt welke informatie ingevolge de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen2 dient te worden opgenomen in financiële verslaggeving. In artikel 115m werd enkel de term bestuursverslag genoemd, zoals deze ook gebruikt wordt in artikel 22 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. De informatie die ingevolge het betreffende artikel 22 vereist is, komt in het Nederlandse jaarrekeningenrecht echter deels terecht in het bestuursverslag en deels in de jaarrekening. Artikel 4:37o verwijst daarom ook al naar het bestuursverslag en de jaarrekening. Gelet op het voorgaande wordt het begrip jaarrekening toegevoegd in artikel 115m.

O

Artikel 115x betreft de vereisten aan het prospectus aangaande rechten van deelneming die een beheerder van een beleggingsinstelling aanbiedt aan niet-professionele beleggers in Nederland. In het eerste lid van artikel 115x is in onderdeel a bepaald dat het prospectus verschillende gegevens dient te bevatten. Dit onderdeel is ontleend aan artikel 118 BGfo en bijlage I. Het prospectus dient de gegevens uit bijlage I te bevatten, met uitzondering van de onderdelen waarvoor de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen al een informatieverplichting bevat en de onderdelen die zien op het beleggingsbeleid van icbe’s. Ingevolge bijlage I, onder 3, dient het prospectus gegevens te bevatten over wijzigingen van de voorwaarden en de rechten die de belegger in dit verband heeft. Deze rechten gelden ingevolge artikel 115w BGfo juncto 4:47 Wft ook voor beheerders van beleggingsinstellingen die rechten van deelneming aanbieden aan niet-professionele beleggers. De niet-professionele belegger dient op het bestaan van deze rechten gewezen te worden. Gelet hierop dient de niet-professionele belegger door middel van het prospectus geïnformeerd te worden over deze rechten en vervallen in de opsomming van artikel 115x, eerste lid, onderdeel a, de verwijzingen naar bijlage I, onderdelen 3.1 en 3.5.

Ook bevat bijlage I in de onderdelen 3.3 en 10.2 verplichtingen om informatie aan de deelnemers bekend te maken of te publiceren in een landelijk verspreid Nederlands dagblad en de informatie op de website te publiceren. Ingevolge artikel 115x, eerste lid, onderdeel b, is het voldoende dat de beheerder in het prospectus van de beleggingsinstelling opneemt dat deze informatie zal worden gepubliceerd op de website. Gelet hierop worden de onderdelen 3.3 en 10.2 toegevoegd aan de opsomming in onderdeel b.

In het besluit staat onderdeel 10.2 zowel in onderdeel a als in onderdeel b. De desbetreffende gegevens moeten weliswaar opgenomen worden in het prospectus, maar niet zowel op de website als in een landelijk dagblad gepubliceerd worden. Daarom is het nodig om 10.2 uit te zonderen van onderdeel a en op te nemen in onderdeel b.

Onderdeel 5.12 vervalt in onderdeel b, aangezien in dit onderdeel geen verplichting is opgenomen om informatie bekend te maken in een advertentie of een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer. Dergelijke informatie hoeft ook niet op de website van de beheerder bekend gemaakt worden.

P

Artikel 168a betreft het provisieverbod voor beleggingsondernemingen. In 2016 is een uitzondering op het provisieverbod geïntroduceerd ten behoeve van crowdfunding, omdat het provisieverbod een mogelijke belemmering was voor de ontwikkeling van crowdfunding in Nederland. Crowdfundingplatformen die als beleggingsonderneming kwalificeren konden door het provisieverbod namelijk niet eenzelfde verdienmodel ontwikkelen als andere crowdfundingplatformen.

Aan de uitzondering is een aantal voorwaarden verbonden. Zo is de uitzondering alleen van toepassing indien het crowdfundingplatform de beleggingsdienst «in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten» verleent ten aanzien van effecten die zijn uitgegeven in het kader van een zogenaamde publieksinvestering. Een publieksinvestering is in het derde lid van artikel 168a omschreven als een variatie op het aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek. Er is echter gebleken dat dit onduidelijkheid oplevert over de toepassing van de uitzondering indien een geldvrager via een crowdfundingplatform aandelen uitgeeft. Bij het uitgeven van aandelen worden uiteraard gelden van het publiek aan getrokken, maar deze kwalificeren niet als opvorderbare gelden. De gelden hoeven namelijk niet op enig moment terugbetaald te worden; door het uitgeven van aandelen wordt immers eigen vermogen aangetrokken. In de definitie van publieksinvestering wordt daarom de term «opvorderbare» steeds geschrapt in de uitdrukking «opvorderbare gelden». Op deze manier wordt duidelijk gemaakt dat een publieksinvestering zowel eigen vermogen (aandelen) als vreemd vermogen (obligatielening) kan betreffen. De uitzondering op het provisieverbod kan daarmee in beide gevallen van toepassing zijn. Dit laat echter onverlet dat indien de financiering als obligatielening is vormgegeven, de geldgever opvorderbare gelden van het publiek aantrekt. Dit is op grond van artikel 3:5, tweede lid, onderdeel d, van de Wft toegestaan.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een verschrijving in onderdeel a van het derde lid van artikel 168a te verbeteren.

Q

Conform artikel 4:47, derde lid, Wft wordt in bijlage I, onderdeel 3.3, verduidelijkt dat de desbetreffende publicatieplicht alleen geldt voor zover de wijziging van de voorwaarden die gelden tussen de icbe en de deelnemers, afwijkt van een eerder gepubliceerd voorstel tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in onderdeel 3.2.

R

Het opschrift van bijlage J wordt aangepast. Artikel 147dl is vervangen door artikel 147ll in het opschrift van bijlage J aangezien dit een verkeerde verwijzing was. Artikel 147b, vijfde lid, verwijst naar bijlage J zodat ook dit artikel is opgenomen in het opschrift van bijlage J.

Artikel II

In dit artikel wordt het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft aangepast. In het gewijzigde artikel 12 (onderdeel B) wordt geëxpliciteerd dat de reeds in het artikel opgenomen berekeningsmethode voor het aantal stemmen in een uitgevende instelling waarover een meldingsplichtige beschikt of wordt geacht te beschikken eveneens geldt voor het aantal aandelen waarover deze meldingsplichtige beschikt of wordt geacht te beschikken.

Op 17 december 2014 heeft de Europese Commissie technische reguleringsnormen vastgesteld voor de berekeningsmethode van het aantal stemmen.3 De beleidsregel van de AFM aangaande de methodiek voor het berekenen van aandelen waarop financiële instrumenten betrekking hebben en de meldingsplicht bij indices en mandjes schreef een vrijwel gelijkluidende berekeningsmethode voor het aantal aandelen voor en week hiervan slechts op mineure punten af. Het naast elkaar bestaan van enerzijds de technische reguleringsnormen voor de berekening van het aantal stemmen en anderzijds de licht afwijkende beleidsregel van de AFM voor de berekening van het aantal aandelen werd onwenselijk geacht. Om die reden heeft de AFM op 25 mei 2016 de beleidsregel ingetrokken. Het ligt echter voor de hand dat voor de berekening van het aantal aandelen dezelfde methodiek geldt als voor de berekening van het aantal stemmen. Analoge toepassing van de technische reguleringsnormen voor melding van het aantal aandelen en het aantal stemmen is voor meldingsplichtigen immers overzichtelijker en eenvoudiger. Beide meldingen zullen doorgaans samenlopen en worden doorgaans gelijktijdig in één meldingsbericht aan de toezichthouder verzonden. Ten behoeve van de inzichtelijkheid worden met onderhavige aanpassingen de berekeningsmethode van zowel het aantal stemmen als het aantal aandelen op hetzelfde niveau van een algemene maatregel van bestuur geregeld.

In onderdeel A wordt het opschrift van het hoofdstuk overeenkomstig deze wijziging aangepast naar «berekening van het aantal aandelen of het aantal stemmen», zodat het opschrift van het hoofdstuk weer consistent is met de inhoud hiervan.

Artikel III

A

Dit artikel wijzigt het eerste lid van artikel 34 en 35 van het Besluit prudentiële regels Wft. Destijds is in het Besluit introductie premiepensioeninstellingen nagelaten voor premiepensioeninstellingen eveneens voor te schrijven dat ook wijzigingen in aan DNB aangeleverde informatie moeten worden doorgegeven.

B

Artikel 59, eerste lid betreft de vereisten aan de solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling. In artikel 59, eerste lid, werd ten onrechte niet verwezen naar artikel 63b, deze verwijzing wordt alsnog toegevoegd.

C

Door deze wijzigingen wordt de terminologie in lijn gebracht met de gebruikelijke terminologie in paragraaf 10.1 van het Besluit prudentiële regels Wft.

Artikel IV

In artikel IV, derde lid, van het besluit ter implementatie van de richtlijn hypothecair krediet is overgangsrecht opgenomen dat regelt dat aanbieders van hypothecair krediet met betrekking tot reeds bestaande hypotheken vanaf de inwerkingtreding op 14 juli 2016 een jaar de tijd kregen om aan de in het nieuwe artikel 33 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen opgenomen verplichtingen te voldoen om gedurende een periode van vijf jaar de waardebepaling van de woning en de indexen die gebruikt zijn om de variabele rente vast te stellen te bewaren. In artikel IV, derde lid, ontbrak voorafgaand aan het woord «inwerkingtreding» het woord «voor». Hoewel uit de tekst voldoende duidelijk blijkt dat het gaat om bestaande overeenkomsten die voor inwerkingtreding van het implementatiebesluit zijn afgesloten, is met de onderhavige wijzigingsopdracht de fout hersteld.

Artikel V

A

De wijziging van artikel 1 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector houdt verband met het vervallen van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. In dit besluit werd nog naar deze wet verwezen. Dit wordt met deze wijziging hersteld.

B

Artikel 6 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector regelt de categorie waarin overtreding van artikel 10b van de Sanctiewet 1977, beboetbaar is. Op grond van artikel 10b dienen instellingen in de zin van artikel 10, tweede lid, onderdelen a tot en met j, van de Sanctiewet 1977, te voldoen aan eisen met betrekking tot hun administratieve organisatie en interne controle en aan eisen met betrekking tot het verstrekken van gegevens. In de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 zijn die regels uitgewerkt. De uitwerking betreft onder meer een meldplicht wanneer een relatie onder de sanctieregelgeving valt en een verplichting om bepaalde informatie over een bij een gemelde relatie te bewaren. Beide verplichtingen vormen een belangrijk onderdeel van het goed functioneren van de Sanctiewet 1977 en bijbehorende lagere regelgeving. Instellingen zijn verplicht onverwijld alle middelen te bevriezen van een relatie die onder de sanctieregelgeving valt. Om hier effectief uitvoering aan te kunnen geven, dienen zij hun administratieve organisatie en interne controle zo in te richten dat zij te alle tijden hun relatiebestand kunnen vergelijken met de bestaande sanctielijsten. Vertraging hierin heeft ernstige gevolgen voor de effectiviteit van de sanctieregelgeving, een gesanctioneerde persoon of entiteit kan dan immers zijn tegoeden en andere middelen verplaatsen voordat een bevriezing van deze tegoeden en middelen heeft plaatsgevonden. De meldplicht ziet erop dat instellingen ook daadwerkelijk tijdig de middelen van hun gesanctioneerde relaties bevriezen. De verplichting tot het bewaren van bepaalde informatie is nodig zodat de toezichthouder hierop kan toezien.

Tot nu toe was aan niet-naleving van artikel 10b van de wet de eerste boetecategorie gekoppeld. Deze eerste boetecategorie leent zich hier echter niet voor omdat deze bedoeld is voor minder ernstige overtredingen, te weten relatief lichte, vaak veel voorkomende overtredingen. Daarnaast is de hoogte van een boete van de eerste categorie niet afschrikwekkend voor de groep instellingen waarop dit besluit zich richt. De tweede categorie is bedoeld voor ernstiger overtredingen, onder meer voor «het niet voldoen aan een meldplicht inzake incidenten».4 Deze categorie staat beter in verhouding tot de ernst van overtreding van artikel 10b van de Sanctiewet. Om die reden wordt in artikel 6 nu gekozen voor de tweede boetecategorie. Hierbij wordt opgemerkt dat de toezichthouder bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete rekening houdt met alle omstandigheden van het geval. Ernst en duur van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreder worden daarbij betrokken. De toezichthouder vergewist zich er tevens van of er, gelet op de draagkracht van de overtreder, redenen zijn om het bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete te matigen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de op te leggen boete evenredig is aan de ernst van de overtreding, en de verwijtbaarheid en draagkracht van de overtreder.

Artikel VI

In artikel 5.11, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES zijn de artikelen van de wet opgesomd bij overtreding waarvan de toezichtautoriteit een bestuurlijke boete kan opleggen. In die opsomming zijn de artikelen 2.10, 2.19, 3.10 en 3.13 van de wet opgenomen. Per 1 april 2016 zijn ook de artikelen 4.2 en 4.3 van de wet aan die opsomming toegevoegd.5 In de boetetabel bij artikel 7, eerste lid, van het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES is evenwel nog niet geregeld met welke categorie bestuurlijke boete een overtreding van deze zes artikelen beboetbaar is.

Artikel 2.10 van de wet heeft betrekking op het doen van verscherpt cliëntenonderzoek. Dit is een essentieel onderdeel van de regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en financieren van terrorisme. Naar analogie met de boetecategorie die van toepassing is op overtreding van het artikel dat betrekking heeft op het doen van regulier cliëntenonderzoek (artikel 2.2 van de wet) welk beboet wordt met een boete uit de vierde categorie , wordt overtreding van artikel 2.10 van de wet eveneens beboet met een boete uit de vierde categorie. De vierde boetecategorie is bedoeld voor overtredingen van voorschriften die behoren tot de kern van de wet, zo is uitgelegd in de nota van toelichting bij het besluit. Overtreding van artikel 2.10 behoort daartoe.6 Bij een boete van de vierde categorie is er om die reden sprake van een proportionele verhouding tussen de zwaarte van het delict en de potentiële maximale leedtoevoeging.

Artikel 2.19 van de wet regelt dat een trustkantoor cliëntenonderzoeksgegevens bewaart op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie. Artikel 2.13, tweede lid, van de wet bevat diezelfde verplichting, maar dan voor de andere dienstverleners waarop de wet van toepassing is. Overtreding van artikel 2.13 van de wet is beboetbaar met een bestuurlijke boete van de vierde categorie. Naar analogie zal overtreding van artikel 2.19 van de wet eveneens met een boete van de vierde categorie beboetbaar zijn. Het bewaren van cliëntgegevens is noodzakelijk om effectief toezicht te kunnen houden op de wijze waarop cliëntenonderzoek is verricht. Deze gegevens kunnen in bepaalde gevallen onderdeel vormen van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen of financieren van terrorisme. Om die reden is een boete van de vierde categorie evenredig met de overtreding.

Artikel 3.10 van de wet heeft betrekking op het zogenoemde tipping off verbod: een dienstverlener die een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie heeft gemeld of die nadere informatie heeft verstrekt aan het meldpunt, is verplicht tot geheimhouding hiervan, alsmede van het gegeven dat deze melding of verstrekking aanleiding kan geven tot nader onderzoek. Ook wanneer een dienstverlener bericht heeft ontvangen van het meldpunt over de afdoening van een melding, is hij verplicht tot geheimhouding daarvan. Het geheimhouden van deze informatie door de dienstverlener is essentieel om eventueel lopend strafrechtelijk onderzoek niet te doorkruisen. De vierde boetecategorie is bedoeld voor overtredingen van voorschriften die behoren tot de kern van de wet, zo is uitgelegd in de nota van toelichting bij het besluit.7 Nu het tipping off verbod een essentieel onderdeel van de wet is, is besloten om hieraan de hoogste boetecategorie te verbinden.

Artikel 3.13 betreft de meldplicht op grond van de Sanctiewet 1977. Zoals hierboven bij de toelichting op artikel V al is weergegeven vormt de meldplicht een belangrijk onderdeel van de Sanctiewet 1977 en bijbehorende lagere regelgeving. Artikel 3.13 behoort daarmee tot de kern van de wet en overtreding van deze bepaling wordt gezien als dermate ernstig dat daaraan een boete uit de vierde categorie dient te worden gekoppeld.8

Artikel 4.2 schrijft voor dat personen die een openbaar lichaam binnenkomen of uitgaan verplicht zijn om geld ter waarde van USD 10000 of meer, dat zij met zich meevoeren, aan te melden bij de douaneambtenaren. Ook schrijft het artikel voor wanneer deze aanmelding uiterlijk moet zijn gedaan. Artikel 4.3 schrijft voor dat bij de aanmelding juiste gegevens moeten worden verstrekt, onder meer met betrekking tot de omvang, herkomst en bestemming van het geld. Beide artikelen vormen de kern van de meldplicht bij grensoverschrijdende geldtransporten. Om die reden is ook hier gekozen om overtreding van deze artikelen beboetbaar te maken met een bestuurlijke boete van de vierde categorie. Net als het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector kent het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES een boetesystematiek waarbij de toezichtautoriteit bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening houdt met de ernst of de duur van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreder. Deze afwegingen bij boeteoplegging dragen bij aan de evenredigheid van de boete.

Artikel VII

De wijziging van artikel 1 van het Besluit melding transacties financiering terrorisme houdt verband met het vervallen van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. In dit besluit werd nog naar deze wet verwezen. Dit wordt met deze wijziging hersteld.

Artikel VIII

Het besluit treedt in werking op 1 juli 2017 met uitzondering van de wijziging die ziet op de wijziging van artikel 10 van het BGfo die regelt dat de adviseur pensioen mag adviseren over bijkomende onderwerpen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 32 545 nr. 54.

X Noot
2

richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174).

X Noot
3

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/761 van de Commissie van 17 december 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad met bepaalde technische reguleringsnormen voor belangrijke deelnemingen (PbEU 2015, L 120).

X Noot
4

Zie in dit verband ook de nota van toelichting bij het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Stb. 2009, 329).

X Noot
5

Wijzigingswet financiële markten 2016 (Stb. 2015, 428).

X Noot
6

Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Stb. 2012, 239).

X Noot
7

Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Stb. 2012, 239).

X Noot
8

In de nota van toelichting bij het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Stb. 2012, 239) wordt de meldplicht als voorbeeld genoemd van verplichtingen die tot de kern van de wet gerekend worden.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.