Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2016, 98AMvB

Besluit van 18 februari 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2016)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 september 2015, FM/2015/1319 M, directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen 1:80, tweede lid, 1:81, 2:3.0d, derde lid, 2:3.0i, derde lid, 2:3.0m, derde lid, 2:3b, tweede lid, 2:3c, eerste lid, 2:5, tweede lid, 2:7, tweede lid, 2:10b, tweede lid, 2:10c, eerste lid, 2:12, vierde lid, 2:17, tweede lid, 2:21, tweede lid, 2:26b, derde lid, 2:26e, tweede lid, 2:26f, tweede lid, 2:31, derde lid, 2:37, tweede lid, 2:41, tweede lid, 2:45, tweede lid, 2:49, tweede lid, 2:51, tweede lid, 2:54b, derde lid, 2:54e, tweede lid, 2:54h, derde lid, 2:54j, tweede lid, 2:54m, tweede lid, 2:58, tweede lid, 2:63, tweede lid, 2:69d, vierde lid, 2:78, tweede lid, 2:83, tweede lid, 2:89, tweede lid, 2:94, tweede lid, 2:97, achtste lid, 2:99, derde lid, 2:115, tweede lid, 2:120, tweede lid, 2:121, tweede lid, 3:5, vierde lid, 3:9, derde lid, 4:3, vierde lid, 4:9, 4:10, derde lid, 4:25a, 4:37o, 4:37p van de Wet op het financieel toezicht en artikel 3:5 van de Wet financiële markten BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2015, nr. W06.15.0327/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 16 februari 2016, 2016-0000010934, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1 wordt in alfabetische rangschikking een definitie ingevoegd, luidende:

EVC-procedure:

methodiek waarbij een voor deze procedure erkend exameninstituut beoordeelt of een kandidaat op grond van diens (werk)ervaring of opleidingen voldoet aan de eindtermen en toetstermen van een Wft-module op basis van een samengesteld portfolio en een individueel assessment;.

B

Na artikel 2 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

  • 1. Het dagelijks beleid van de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet voor het als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een publiekslening, wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de houder. Indien binnen de houder van de ontheffing een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn voor de uitoefening van dit toezicht.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder publiekslening verstaan: het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank en anders dan door het aanbieden van effecten aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het publiek is medegedeeld.

Artikel 2b

  • 1. De houder van een ontheffing, bedoeld in artikel 2a:

    • a. voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt;

    • b. is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de houder;

    • c. richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt; en

    • d. draagt zorg voor een adequate behandeling van klachten van personen, waarvoor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, van de wet worden verricht.

  • 2. Het beleid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a:

    • a. is erop gericht dat wordt tegengegaan dat de houder of zijn werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de houder of in de financiële markten kunnen schaden; en

    • b. waarborgt dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder de verantwoordelijkheid van de houder rechtstreeks bezighouden met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2a, eerste lid buiten twijfel staat, waarbij een persoon als betrouwbaar wordt gezien indien die persoon een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan overleggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.

  • 3. Als onderdeel van de beheerste en integere uitoefening van zijn bedrijf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stelt de houder:

    • a. de Autoriteit Financiële Markten onverwijld in kennis omtrent incidenten; en

    • b. procedures en maatregelen vast met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten die in ieder geval waarborgen dat naar aanleiding van een incident passende maatregelen worden genomen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

  • 4. Als onderdeel van de adequate behandeling van klachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikt de houder over een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten.

Artikel 2c

De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 2a toont aan dat zal worden voldaan aan de artikelen 2a en 2b. Artikel 38 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft is van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het eerste lid, onderdelen e, h, voor zover betrekking hebbend op de vakbekwaamheid van de werknemers, i en m, het tweede lid, onderdeel b, het derde lid, vierde en zesde lid van dat artikel.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen» vervangen door: het van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden.

b. In onderdeel b wordt «de wet» vervangen door «artikel 2» en vervalt na de puntkomma: en.

c. Onder vervanging van de punt door aan het slot van onderdeel c door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. meldt, indien artikel 2a op de houder van toepassing is, aan de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:

    • 1°. zijn naam en adres;

    • 2°. zijn rechtsvorm;

    • 3°. indien hij een rechtspersoon is: zijn statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;

    • 4°. indien hij is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van de inschrijving.

2. In het tweede lid wordt aan het slot van de eerste volzin de zinsnede «en indien artikel 2a op de houder van toepassing is, deze persoon geschikt is» ingevoegd en wordt in de tweede volzin «de betrouwbaarheid» vervangen door: de betrouwbaarheid en geschiktheid.

3. In het vierde lid, onderdeel a, wordt na «het telefoon- en faxnummer» de volgende zinsnede ingevoegd: , curriculum vitae, een opgave van de relevante geldige diploma's.

4. In het vijfde lid vervalt «tweede en», wordt «zijn» vervangen door «is» en wordt «de wet» vervangen door: artikel 2.

D

In artikel 10 wordt in tabel 2 «Betalingsbeschermers indien gecombineerd met een levensverzekering» vervangen door: Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen of werkloosheidsverzekeringen indien gecombineerd met vermogen.

E

Het eerste en tweede lid van artikel 11 komen te luiden:

  • 1. De houder van een diploma of erkenning als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, is uitsluitend bevoegd werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 te verrichten, indien hij in elke PE-periode, niet zijnde de PE-periode waarin het diploma of de erkenning is behaald, met goed gevolg een examen aflegt in het kader van permanente educatie. De eerste PE-periode loopt van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2019. De daaropvolgende PE-perioden bedragen telkens drie jaar, waarvan de eerstvolgende PE-periode aanvangt op 1 april 2019.

  • 2. In afwijking van het eerste lid behoeft de houder van een diploma of erkenning die beschikt over een door Onze Minister afgegeven certificaat waaruit blijkt dat hij gedurende een bepaalde PE-periode vakinhoudelijk betrokken is geweest bij de ontwikkeling van examenvragen met betrekking tot de voor zijn beroepskwalificatie relevante eindtermen en toetstermen ten behoeve van permanente educatie, in die PE-periode geen examen in het kader van permanente educatie af te leggen.

F

Artikel 11d, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

G

In artikel 11e wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de examinering van de examens van de modules plaatsvindt door middel van een EVC-procedure.

H

Artikel 11k wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid komt de tweede volzin te luiden: Voorts kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid genoemde kosten in rekening worden gebracht of worden verrekend.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De aanvrager van een erkenning als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor de erkenning van het exameninstituut of voor de aanmelding van een additionele examenlocatie een bij ministeriële regeling vastgesteld tarief verschuldigd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij ministeriële regeling kan een tarief worden gesteld voor de controle van een exameninstituut dat erkend is voor het uitvoeren van een EVC-procedure.

I

Aan artikel 58d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Een beleggingsonderneming die een beleggingsdienst aanbiedt met betrekking tot een financieel instrument als bedoeld in de onderdelen d tot en met j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet geeft, voor zover van toepassing, op voorhand aan of zij al dan niet optreedt als tussenpersoon in de zin van hoofdstuk 3b van de Wet giraal effectenverkeer, en wat daarvan de goederenrechtelijke gevolgen zijn voor de cliënt. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken informatie.

J

Artikel 58f, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. De artikelen 58c, zesde lid, en 58d, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

K

Artikel 86c wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «overlijdensrisicoverzekering,» ingevoegd: premiepensioenvordering.

2. In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen b tot en met e tot c tot en met f een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. provisies die rechtstreeks worden verschaft door de bijdragende onderneming voor zover het een premiepensioenvordering betreft, tenzij de hoogte van deze provisies kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening;.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op overeenkomsten inzake premiepensioenvorderingen die zijn afgesloten vóór 1 januari 2016, met dien verstande dat de niet-toepasselijkheid voor die overeenkomsten op 31 december 2020 eindigt.

L

Na artikel 86e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 86ea

  • 1. Een verzekeraar ontvangt, rechtstreeks of middellijk, geen beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe voor het aanbieden van een levensverzekering waarvan de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op relatiegeschenken, voor zover de gezamenlijke waarde daarvan op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 100.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. overeenkomsten inzake een levensverzekering, niet zijnde een pensioenverzekering, die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten;

    • b. overeenkomsten inzake een pensioenverzekering die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten, met dien verstande dat de niet-toepasselijkheid voor die overeenkomsten op 31 december 2020 eindigt.

M

Artikel 115m wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «Het jaarverslag, bedoeld in artikel 4:37o, eerste en tweede lid, van de wet, bevat» vervangen door: Het jaarverslag en de jaarrekening, bedoeld in artikel 4:37o, eerste en tweede lid, van de wet, bevatten.

2. In het tweede lid wordt «Het jaarverslag voldoet» vervangen door: Het jaarverslag en de jaarrekening voldoen.

N

In artikel 115v, vierde lid, wordt na «artikel 50, eerste» ingevoegd: lid, met uitzondering van onderdeel b,.

O

Artikel 115x wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt «artikel 4:37l, eerste tot en met derde lid, van de wet en».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming verhandelbaar zijn en niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

P

In artikel 115y, achtste lid, wordt «het tweede, derde en zesde lid» vervangen door: het derde, vierde en zevende lid.

Q

In artikel 115bb, vijfde lid, wordt na «van overeenkomstige toepassing» ingevoegd: op de essentiële beleggersinformatie, bedoeld in dit artikel.

R

Artikel 168a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt gewijzigd als volgt:

a. In onderdeel d vervalt «en».

b. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel e wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. provisies voor het verlenen van een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, indien:

    • 1°. de beleggingsdienst betrekking heeft op een effect als bedoeld in de onderdelen a of b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, dat is uitgegeven in het kader van een publieksinvestering;

    • 2°. het effect, bedoeld in onderdeel f, onder 1°, door een uitgevende instelling wordt aangeboden aan het publiek;

    • 3°. wordt voldaan aan hetgeen is bepaald onder 1° en 2° van onderdeel c;

    • 4°. er met betrekking tot het effect, bedoeld onder 1°, geen beleggingsdiensten worden verleend als bedoeld in de onderdelen b, c, en d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet; en

    • 5°. de beleggingsonderneming de Autoriteit Financiële Markten in kennis heeft gesteld van het voornemen om beleggingsdiensten als bedoeld in dit onderdeel te verlenen.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder publieksinvestering verstaan: het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het publiek is medegedeeld, waarbij:

    • a. de gelden worden aangetrokken of ter beschikking worden gekregen in overeenstemming met het ingevolgde hoofdstuk 5.1 van de wet bepaalde; en

    • b. het bestedingsdoel niet de financiering van lopende bedrijfsactiviteiten betreft indien de opvorderbare gelden worden aangetrokken door andere ondernemingen dan kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel f, van de wet.

S

In het eerste en derde lid van artikel 171 wordt «24 maanden» telkens vervangen door: 36 maanden.

T

Bijlage C wordt gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1.1 wordt na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr);.

2. In subonderdeel 2.1 wordt onder de kop Wetboek van Strafrecht: na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421);.

ARTIKEL II

Artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.»geplaatst.

2. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Algemeen deel vervalt:

1:28, tweede en derde lid

3.

3. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen vervalt de tweede vermelding van 3:131, eerste lid, met bijbehorende boetecategorie.

4. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

3:33c

2.

5. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

4:87a

2.

6. In de opsomming van artikelen uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt «32, eerste tot en met derde en vijfde lid» vervangen door «32a, eerste tot en met derde en vijfde lid» en worden in de numerieke volgorde de volgende artikelnummers met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

2a, eerste lid

2

2b

2

3a

2

86ea, eerste lid

2.

7. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1:28, tweede of derde lid, van de Wet op het financieel toezicht is beboetbaar met categorie 3.

ARTIKEL III

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

De paragraaf met het opschrift «§4.4 Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer» wordt genummerd: 4.5.

B

Bijlage A wordt gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1.1 wordt na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr);.

2. In subonderdeel 2.1 wordt onder de kop Wetboek van Strafrecht: na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421);.

ARTIKEL IV

De bijlage bij het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In subonderdeel 1.1 wordt na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr);.

B

In subonderdeel 2.1 wordt onder de kop Wetboek van Strafrecht: na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421);.

ARTIKEL V

Het Besluit reikwijdtebepalingen Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 27, eerste lid, onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, wordt «buiten besloten kring aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen» vervangen door: van het publiek opvorderbare gelden aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben.

B

De bijlage wordt gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1.1 wordt na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr);.

2. Subonderdeel 2.1 wordt gewijzigd als volgt:

a. In de aanhef wordt «uitlokking van» vervangen door: mislukte uitlokking van.

b. Onder de kop Wetboek van Strafrecht wordt na «– witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);» ingevoegd:

  • financieren van terrorisme (artikel 421);.

ARTIKEL VI

In artikel 3:4 van het Besluit financiële markten BES wordt «Deskundigheid» vervangen door «Geschiktheid» en wordt na «Onze Minister» ingevoegd: , zo nodig onder voorwaarden,.

ARTIKEL VII

In hoofdstuk 6 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft wordt artikel 7a vernummerd tot artikel 7k.

ARTIKEL VIII

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten wordt «n. voor verordening (EU) nr. 2015/35 (Solvabiliteit II): de Nederlandsche Bank» vervangen door:

  • o. voor verordening (EU) nr. 2015/35 (Solvabiliteit II): de Nederlandsche Bank.

ARTIKEL IX

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2016, met uitzondering van artikel I, onderdeel S, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2016.

ARTIKEL X

Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit financiële markten 2016.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 18 februari 2016

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Uitgegeven de zestiende maart 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Het Wijzigingsbesluit financiële markten 2016 bevat als onderdeel van de jaarlijkse wijzigingscyclus van nationale regelgeving op het terrein van de financiële markten een aantal wijzigingen van algemene maatregelen van bestuur die hun grondslag hebben in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet financiële markten BES (Wfm BES).

Dit besluit voorziet in nadere regels ten aanzien van het provisieverbod met betrekking tot premiepensioenvorderingen en een verbod voor verzekeraars op het ontvangen van beloningen of vergoedingen van beheerder van beleggingsinstellingen of instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s) voor het aanbieden van beleggingsverzekeringen. Daarnaast worden er met betrekking tot crowdfunding enkele wijzigingen in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) aangebracht. In het onderzoeksrapport Crowdfunding – Naar een duurzame sector; Onderzoek naar (toezicht op) de crowdfundingsector1 dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in december 2014 heeft gepubliceerd, worden enkele knelpunten in de regelgeving geïdentificeerd die een duurzame ontwikkeling van crowdfunding belemmeren. Twee van deze knelpunten zien op het BGfo en worden in dit wijzigingsbesluit aangepakt. Verder wordt het BGfo aangepast in verband met de verkrijging en afgifte van vakbekwaamheidsdiploma’s en -certificaten. Ook wordt het financieren van terrorisme opgenomen als relevant antecedent voor de betrouwbaarheidstoetsing. Daarnaast bevat dit wijzigingsbesluit een aantal wijzigingen dat betrekking heeft op bestuurlijke boetes. Tot slot bevat dit besluit een aantal wijzigingen met betrekking tot Caribisch Nederland.

§ 2. Crowdfunding

Crowdfunding – een vorm van financiering, waarbij de onderneming al dan niet met behulp van een bemiddelend platform rechtstreeks financiering verkrijgt van het publiek – is een waardevolle toevoeging aan de mogelijkheden voor bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf om financiering te verkrijgen. De relatief laagdrempelige toegang maakt dat ondernemers via crowdfunding investeerders kunnen bereiken die bij meer traditionele financieringsvormen minder eenvoudig bereikt kunnen worden. Crowdfunding voorziet duidelijk in een behoefte van investeerders en bedrijfsleven en wint dan ook de laatste jaren aan belang; in 2014 is de omvang van crowdfunding ten opzichte van 2013 verdubbeld naar € 37 mln. en zijn er 21 platformen bijgeschreven in het register van de AFM. Met deze transitie van opstartfase naar groeifase groeit ook het belang van goed en passend toezicht op de sector. Dat betekent enerzijds dat wet- en regelgeving geen onnodige belemmering mogen vormen voor de activiteiten die crowdfundingplatformen ontplooien, terwijl anderzijds de belangen van geldvragers (ondernemingen) en geldgevers (het publiek) ook voldoende beschermd moeten worden. Wet- en regelgeving dienen derhalve bij te dragen aan een verantwoorde groei van crowdfunding. Tegen die achtergrond is, mede naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamerleden Lucas en De Vries, onderzocht of het huidige toezichtsysteem beter kon worden toegesneden op de snelle groei van crowdfunding.2

De Tweede Kamer is eind 2014 ingelicht over de resultaten van dit onderzoek dat door de AFM is uitgevoerd.3 In het onderzoek werden enkele knelpunten in de wet- en regelgeving geïdentificeerd, waarvan het wenselijk zou zijn om deze op korte termijn aan te pakken. In de kabinetsreactie is toegezegd deze knelpunten nader te bestuderen en waar nodig weg te nemen. Voor dit wijzigingsbesluit zijn twee knelpunten van belang, namelijk het provisieverbod voor beleggingsondernemingen en het ontheffingsregime voor bemiddelen bij het verkrijgen van opvorderbare gelden.

Provisieverbod voor beleggingsondernemingen

Crowdfundingplatformen kunnen op verschillende manieren hun activiteiten vormgegeven. Wanneer de gevraagde financiering bijvoorbeeld als obligatielening wordt vormgegeven dan voert het platform bemiddelende werkzaamheden uit ten aanzien van een financieel instrument (in dit voorbeeld een effect) en zal het platform zeer waarschijnlijk als beleggingsonderneming kwalificeren. Afhankelijk van de precieze dienstverlening van het platform kan het provisieverbod voor beleggingsondernemingen van toepassing zijn (artikel 168a van het BGfo). Dit brengt met zich mee dat een platform dat als beleggingsonderneming kwalificeert geen vergoeding mag ontvangen van de geldvrager. De vergoeding die het platform (bij een succesvol project) van de geldvrager ontvangt, is voor crowdfundingplatformen in het algemeen echter de belangrijkste bron van inkomsten. Uiteraard kunnen platformen een vergoeding van de geldgevers vragen. Bij crowdfundingplatformen die niet als beleggingsonderneming kwalificeren kan echter wel een vergoeding van de geldvrager worden gevraagd, aangezien voor dergelijke platformen het provisieverbod van artikel 168a van het BGfo niet geldt. Vanwege concurrentieoverwegingen zal er daarom een limiet zitten aan de hoogte van de vergoeding die het platform dat als beleggingsonderneming kwalificeert aan geldgevers in rekening kan brengen. Het is daarom zeer de vraag of een platform dat kwalificeert als beleggingsonderneming op die manier een duurzaam verdienmodel kan ontwikkelen. Het provisieverbod voor beleggingsondernemingen is daarmee potentieel een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van deze vorm van crowdfunding. Daarmee wordt ook de keuze van geldvragers en geldgevers voor bepaalde vormen van financiering onnodig beperkt. De meest geschikte vorm van financiering – zij het een onderhandse lening, een obligatielening of een participatie in het eigen vermogen – hangt af van de omstandigheden van het geval. Geldvragers en geldgevers dienen daarom zoveel mogelijk zelf de voor hen meest geëigende vorm te kunnen kiezen, gegeven de specifieke omstandigheden. Doordat crowdfunding in de vorm van effecten onnodig hinder zou kunnen ondervinden van het provisieverbod, kiezen geldgevers en geldvragers wellicht eerder voor een andere vorm van crowdfunding en daarmee een vorm van financiering die, gegeven de specifieke omstandigheden, niet de meest geschikte hoeft te zijn. Met een uitzondering op het provisieverbod voor crowdfunding wordt de keuze voor een bepaalde vorm van crowdfunding minder afhankelijk van het specifieke regelgevend kader dat op de verschillende vormen van crowdfunding van toepassing is.

Zoals eerder vermeld is de toepassing van het provisieverbod voor beleggingsondernemingen afhankelijk van de precieze dienstverlening van het platform. In het eerder aangehaalde onderzoeksrapport van de AFM wordt als optie genoemd om te onderzoeken of de activiteiten van platformen zodanig te interpreteren zijn dat deze niet kwalificeren als beleggingsdienst waarop artikel 168a van het BGfo van toepassing is. In casu zou de dienstverlening van het platform dan worden gezien als het in de uitoefening van beroep of bedrijf plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan zonder plaatsingsgarantie, oftewel de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wft. In het advies Investment-based crowdfunding van de European Securities and Markets Authority (ESMA), dat een dag voor het AFM-onderzoek is gepubliceerd, wordt echter geconcludeerd dat crowdfundingplatformen die beleggingsonderneming zijn gewoonlijk de beleggingsdienst verlenen «het in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten».4 Op voornoemde beleggingsdienst is het provisieverbod van artikel 168a van het BGfo van toepassing, behoudens eventuele toepasselijkheid van de uitzonderingen opgenomen in het tweede lid van voornoemd artikel. Die uitzonderingen bieden voor crowdfunding echter geen soelaas. De onderdelen a en d tot en met e zien op specifieke, niet aan crowdfunding gerelateerde, situaties. Op grond van onderdeel c is het plaatsen van financiële instrumenten reeds uitgezonderd van het provisieverbod. Onderdeel b zondert provisies die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de dienst uit van het provisieverbod. Het is de vraag of het ontvangen van een vergoeding van de geldvrager gekwalificeerd kan worden als noodzakelijk voor de dienstverlening. Zoals net beschreven, kan – hoewel dat niet voor de hand ligt – de dienstverlening ook op een andere wijze gefinancierd worden en brengt de aard van het provisieverbod met zich mee dat deze uitzondering zeer beperkt moet worden geïnterpreteerd.

Het doel van het provisieverbod is de belegger te beschermen tegen de prikkels die van provisies van derden uitgaan en ertoe kunnen leiden dat beleggingsondernemingen niet in het belang van de klant handelen. Wanneer een beleggingsonderneming provisies van aanbieders van financiële instrumenten ontvangt, heeft de beleggingsonderneming daarmee een prikkel om klanten te leiden naar instrumenten van de aanbieder waarvan de beleggingsonderneming de meeste provisie ontvangt. Het desbetreffende instrument hoeft echter niet noodzakelijkerwijs de beste keuze voor de belegger te zijn. Meer indirect kan een beleggingsonderneming ook sturen door een voorselectie van producten te maken waar de beleggingonderneming de hoogste provisie voor zou ontvangen. Hoewel dergelijke prikkels ook bij crowdfunding een rol kunnen spelen, zorgen de specifieke kenmerken van crowdfunding er voor dat deze prikkels veel minder sterk zijn. Zo zal een crowdfundingplatform beleggers niet direct naar bepaalde projecten kunnen leiden, aangezien een crowdfundingplatform in de regel niet de beleggingsdienst «in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten» verleent. Bovendien zal de beoogde uitzondering op het provisieverbod, zoals hieronder nader wordt beschreven, niet van toepassing zijn indien het platform adviseert ten aanzien van de effecten die via het platform worden aangeboden. Mocht een platform toch willen adviseren over effecten die via het platform worden aangeboden, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de uitzondering en blijft het provisieverbod van toepassing op de dienstverlening van het platform.

Een crowdfundingplatform zal wel indirect, bijvoorbeeld via de voorselectie van projecten waarvoor hij de hoogste provisie ontvangt, sturend op kunnen treden in de zin dat een belegger wellicht naar een project wordt geleid dat niet noodzakelijkerwijs het beste bij de voorkeuren van die belegger past. De projecten waarvoor via crowdfunding financiering gezocht wordt, verschillen in de praktijk echter sterk van elkaar. Dit brengt met zich mee dat verschillende projecten ook een verschillend publiek kunnen hebben. Wanneer een platform in de voorselectie sturend optreedt, waardoor bepaalde projecten het platform niet halen, wordt mogelijk een bepaalde groep potentiële beleggers niet bereikt. Een platform is juist gebaat bij een zo groot mogelijk en gevarieerd aanbod van projecten, omdat dit een zo groot mogelijke groep aan potentiële beleggers zal aantrekken. Zodoende neemt de kans op succesvolle afronding van projecten toe en verdient het platform (extra) aan een project; een deel van de inkomsten van een platform komen uit een zogenaamde succesvergoeding. Dit principe zal daarom het mogelijke sturende effect mitigeren dat provisies van de geldvrager kunnen hebben op het platform. Dit neemt echter niet weg dat er andere (commerciële) redenen kunnen zijn om een bepaalde voorselectie te maken van projecten die echter buiten de sfeer van het provisieverbod vallen. Ook met een provisieverbod zal een beleggingsonderneming bepaalde prikkels kan hebben om een bepaalde voorselectie te maken, bijvoorbeeld omdat de beleggingsonderneming zich op een bepaalde doelgroep wilt richten, een bepaalde reputatie wilt handhaven of vanwege prudentiële redenen. Daar komt bij dat de vergoeding die het platform van een geldvrager ontvangt, zoals hieronder nader wordt beschreven, geen afbreuk mag doen aan de verplichting om zich in te zetten voor de belangen van de klant (geldgever) en dient het platform transparant te zijn over de vergoeding.

Gezien de beperkte prikkels voor platformen om sturend op te treden in de selectie van projecten, de wens om de markt duidelijkheid te bieden en de ontwikkeling van crowdfunding als alternatieve financieringsvorm niet onnodig te belemmeren, wordt een uitzondering op het provisieverbod voor crowdfundingplatformen daarom gerechtvaardigd geacht. Dat neemt echter niet de noodzaak weg om de uitzondering zo beperkt mogelijk te houden, zodat oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk wordt voorkomen. In dat kader worden enkele voorwaarden gesteld aan de uitzondering. Ten eerste geldt de uitzondering alleen voor zover het betreft de beleggingsdienst «het in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten». Zoals hierboven naar voren kwam, verlenen crowdfundingplatformen typisch gezien deze beleggingsdienst.

Ten tweede kan de dienstverlening alleen zien op aandelen en obligaties of daarmee vergelijkbare waardebewijzen of schuldinstrumenten, rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe daaronder niet inbegrepen, die zijn uitgegeven in het kader van een publieksinvestering. Onder «publieksinvestering» wordt verstaan het aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek door middel van het uitgeven van effecten voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het aantrekken aan het publiek is medegedeeld. Bij crowdfunding wordt namelijk geld opgehaald voor een bepaald doel, bijvoorbeeld startkapitaal, openen nieuw filiaal etc. Dit doel wordt ook kenbaar gemaakt, omdat het publiek anders geen enkele inschatting zou kunnen maken van de haalbaarheid van het project.

Om het onderscheid tussen crowdfundingplatformen en andere typen beleggingsondernemingen scherper te krijgen, wordt het bestedingsdoel nader ingekaderd. Banken die een «klassieke» effectenemissie begeleiden zouden namelijk ook van de uitzondering gebruik kunnen maken, waardoor via provisie van de uitgevende instelling een prikkel kan ontstaan voor de bank om cliënten naar de desbetreffende effecten te sturen. De nadere inkadering houdt in dat wanneer de opvorderbare gelden worden aangetrokken door het grootbedrijf de gelden niet gebruikt worden voor lopende bedrijfsactiviteiten, zoals het voldoen van lopende (loon)verplichtingen of herfinanciering. Het bestedingsdoel moet meer concreet worden omschreven, zoals het openen van een nieuw filiaal of de aanschaf van een nieuwe productielijn. Voor het midden- en kleinbedrijf geldt deze additionele voorwaarde niet. Het grootbedrijf zal in het algemeen toegang hebben tot meerdere financieringskanalen. De toegang tot crowdfunding voor lopende bedrijfsactiviteiten is daardoor minder noodzakelijk voor het grootbedrijf. Juist voor het midden- en kleinbedrijf is een zo breed mogelijke toegang tot crowdfunding wel belangrijk, omdat zij doorgaans over minder andere financieringskanalen beschikken. De nadere inkadering van het bestedingsdoel voorkomt derhalve sturing door beleggingsonderneming bij meer gangbare beleggingsdienstverlening, terwijl voor het midden- en kleinbedrijf brede toegang tot crowdfunding gewaarborgd wordt. Om sturing bij gangbare beleggingsdienstverlening te voorkomen is ook dienstverlening ten aanzien van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe uitgesloten.

De term «publieksinvestering» vormt de tegenhanger van de bij leenplatformen geïntroduceerde figuur van de publiekslening (zie de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel B). Het verschil tussen beide vormen van publieksfinanciering is gelegen in de manier waarop de opvorderbare gelden van het publiek worden aangetrokken. Bij de publieksinvestering wordt dat gedaan via het uitgeven van effecten zoals aandelen of obligaties, waarbij de geldvrager in principe ook een prospectus moet opstellen. Bij de publiekslening worden de gelden aangetrokken door middel van een onderhandse lening en vindt er geen aanbod van effecten plaats. Bij een onderhandse lening hoeft de geldvrager geen prospectus op te stellen.

Het derde vereiste is dat de betrokken effecten worden aangeboden door de onderneming zelf. Door deze eis wordt bewerkstelligd dat secundaire handel in eenmaal uitgegeven effecten niet onder de uitzondering kan vallen. In dat geval staat de bemiddelende rol tussen geldgever en geldvrager niet meer centraal en is het derhalve niet langer nodig die rol te ondersteunen door middel van een uitzondering op het provisieverbod.

Verder geldt dat het platform de algemene provisieregels voor beleggingsondernemingen in acht moet nemen. Dit betekent dat beleggingsondernemingen provisies door of aan een derde voor deze diensten duidelijk kenbaar moeten maken richting de klant. Daarnaast moeten deze provisies de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten goede komen en mogen deze provisies geen afbreuk mogen doen aan de verplichting van de beleggingsonderneming om zich in te zetten voor de belangen van de klant.

Als vijfde voorwaarde is gesteld dat het platform met betrekking tot het effect dat wordt aangeboden via het platform geen andere beleggingsdiensten mag verlenen dan het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot en het plaatsen (al dan niet met garantie) van financiële instrumenten. Dit houdt in dat een crowdfundingplatform dat gebruik wilt maken van de uitzondering niet tevens de volgende beleggingsdiensten mag verlenen: «het in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van die cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten», «het beheren van een individueel vermogen» en «het in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten». Zoals hierboven reeds is aangegeven, is de uitzondering ingegeven door de wens om de onduidelijkheid met betrekking tot het provisieverbod weg te nemen. Deze onduidelijkheid ontstaat doordat het platform twee beleggingsdiensten verleent die in het geval van crowdfunding in elkaars verlengde liggen – namelijk het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot en het plaatsen van financiële instrumenten – en waarvan er thans slechts één is uitgezonderd van het provisieverbod, namelijk het plaatsen. Indien een crowdfundingplatform naast voornoemde diensten andere, wel door het provisieverbod bestreken, beleggingsdiensten verleent, ontstaan dezelfde soort afbakeningsproblemen als in de huidige situatie. Dat zou de effectiviteit van de uitzondering niet ten goede komen en oneigenlijk gebruik in de hand werken. Uiteraard blijft het voor een platform mogelijk om andere diensten, zoals adviseren en vermogensbeheer, te verlenen. Het platform zal dan alleen geen gebruik kunnen maken van de uitzondering op het provisieverbod. Aangezien de dienstverlening van een platform in voornoemd geval steeds meer gelijkenis gaat vertonen met meer gangbare beleggingsdienstverlening, is een uitzondering op het provisieverbod ook niet langer gerechtvaardigd.

Tenslotte dient de beleggingsonderneming die zich op de uitzondering wil beroepen de AFM in kennis te stellen van het voornemen om beleggingsdiensten te verlenen die onder de uitzondering vallen. Met het oog op de monitoring van de markt voor crowdfunding en het toezicht daarop wordt het wenselijk geacht dat de AFM deze sector zo goed mogelijk in zicht heeft. Door melding te maken van het voornemen om gebruik te maken van de vrijstelling, wordt hier een bijdrage aan geleverd.

Tot slot is het belangrijk om aan te geven dat de uitzondering op het provisieverbod moet worden gezien in het licht van een markt die sterk in ontwikkeling is. De uitzondering past in het streven om voor passende en effectieve regelgeving te zorgen die bijdraagt aan een duurzame en verantwoorde groei van crowdfunding. Zoals ook in de kabinetsreactie is aangegeven, is het daarom belangrijk om de markt te blijven monitoren, zodat bijtijds aanvullende en passende maatregelen kunnen worden genomen. In de monitoring van de markt zal uiteraard ook de werking van de uitzondering op het provisieverbod meegenomen worden. Wanneer bijvoorbeeld op grote schaal oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, dan zou dit een herziening van de bepaling rechtvaardigen. Verder kan de dienstverlening van de crowdfundingplatformen zich op een wijze ontwikkelen die tot gevolg heeft dat een uitzondering op het provisieverbod vanuit het oogpunt van de bescherming van beleggers niet langer gerechtvaardigd is. Ook in dat geval zou een heroverweging van de uitzondering op zijn plaats zijn.

Ontheffingsregime voor bemiddelen bij het verkrijgen van opvorderbare gelden

De meeste gereguleerde crowdfundingplatformen vallen onder het ontheffingsregime voor bemiddelen bij het van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden (zie artikel 4:3 van de Wft). Bij deze vorm van crowdfunding plaatst de geldvrager een onderhandse lening bij het publiek, waarbij het platform een bemiddelende rol vervult tussen voornoemde partijen.5 De ontheffingen worden op individuele basis verleend.

Op grond van artikel 4:3, vierde lid, van de Wft gelden alleen concrete vereisten wat betreft de betrouwbaarheid van beleidsbepalers van het platform en de informatieverstrekking richting de geldgever. In het eerder genoemde onderzoeksrapport van de AFM wordt aangegeven dat het huidige regime te licht is voor crowdfundingplatformen. Met het oog op de gewenste professionalisering van de platformen en daarmee de bescherming van geldgevers en -vragers is het wenselijk het ontheffingsregime te versterken en meer concrete vereisten aan de ontheffing te verbinden. Hiermee wordt ook het verschil in zwaarte van het toezicht verkleind tussen deze platformen en crowdfundingplatformen die bijvoorbeeld beleggingsonderneming zijn. Dergelijke platformen dienen een vergunning aan te vragen en te voldoen aan allerlei gedetailleerde eisen op het gebied van bijvoorbeeld integere en beheerste bedrijfsvoering. Door de toezichtregimes voor beide typen platformen meer te laten convergeren, is er voor platformen vanuit de wet- en regelgeving ook minder sturing om voor een bepaalde inrichting te kiezen. De afweging die het platform maakt om zich te richten op een bepaald type crowdfunding wordt in die zin zuiverder.

De additionele vereisten die aan de ontheffing worden verbonden, zijn er voornamelijk op gericht om disfunctioneren van en fraude door het platform te voorkomen. Van platformen mag bijvoorbeeld verwacht worden dat de bedrijfsvoering zo is ingericht dat betalingen tussen geldvragers en geldgevers door kunnen gaan, ook als het platform zelf tijdelijk of permanent niet meer functioneert. Verder is het bijvoorbeeld belangrijk dat platformen goede ICT-systemen hebben die tegen (enig) uitval bestand zijn, waardoor de veiligheid en continuïteit gewaarborgd zijn. Om dit te bewerkstelligen zal de algemene norm uit de Wft met betrekking tot een beheerste en integere bedrijfsvoering van toepassing zijn op crowdfundingplatformen. Meer concreet zullen platformen er in dit kader voor moeten zorgen dat hun personeelsleden betrouwbaar zijn, dat incidenten geregistreerd worden en dat wordt voorzien in een klachtenprocedure. Tot slot mag van professionele platformen ook verwacht worden dat het beleid bepaald wordt door personen die daar geschikt voor zijn. In een markt die groeit en professioneler wordt, zullen andere competenties belangrijker worden in vergelijking met een markt die nog in de pioniersfase zit. Doordat de AFM beleidsbepaler van crowdfundingplatformen voortaan moet toetsen op geschiktheid kan ook op dit aspect de gewenste professionalisering ondersteund worden.

§ 3. Provisieverbod premiepensioenvorderingen

In artikel 86c van het BGfo is opgenomen dat een financiëledienstverlener geen provisies verschaft of ontvangt voor het bemiddelen of adviseren van een premiepensioenvordering. Dit verbod gold al voor de advisering en bemiddeling inzake betalingsbeschermers, complexe producten, hypothecaire kredieten, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen, evenals voor het adviseren en bemiddelen in levensverzekeringen (zoals pensioenverzekeringen). Zowel premiepensioenvorderingen als pensioenverzekeringen zijn geschikt om een pensioen op te bouwen in de tweede pijler. Het belang om ongewenste sturing vanuit de aanbieder richting adviseur of bemiddelaar te voorkomen is bij beide producten gelijk. Om deze ongewenste sturing te voorkomen en om een gelijk speelveld te creëren is het provisieverbod nu ook van toepassing verklaard op het bemiddelen en adviseren in premiepensioenvorderingen.

§ 4. Verbod vergoedingen beheerders beleggingsinstellingen of icbe’s bij beleggingsverzekeringen

Met ingang van 1 januari 2014 geldt een provisieverbod voor beleggingsondernemingen, op grond waarvan het beleggingsondernemingen niet is toegestaan om (middellijk) provisies te verschaffen of te ontvangen van of aan derden met betrekking tot het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan niet-professionele beleggers. Dit provisieverbod heeft als doel de belegger te beschermen tegen de prikkels die van provisies uitgaan en ervoor kunnen zorgen dat een beleggingsonderneming zich in haar dienstverlening laat leiden door andere belangen dan het klantbelang, bijvoorbeeld om het product met de hoogste provisie aan de klant te adviseren. Een voorbeeld van een dergelijke provisie is de beloning of vergoeding die beleggingsondernemingen van beheerders van belegginginstellingen of icbe’s ontvingen voor het gebruik van het distributiekanaal van de beleggingsonderneming (distributievergoedingen).

Voor levensverzekeringen waarvan de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe (beleggingsverzekeringen) ontvangen verzekeraars op dit moment nog beloningen of vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s. Omdat bij deze producten geen sprake is van adviseren of bemiddelen of het verlenen van beleggingsdiensten (of nevendiensten) maar verzekeraars voor deze producten optreden als aanbieder van een financieel product, vallen deze vergoedingen niet onder de bestaande provisieregels. Omdat ook bij beleggingsverzekeringen sprake kan zijn van ongewenste prikkels bij het samenstellen van het product (bij de selectie van beleggingsinstellingen of icbe’s), is het wenselijk om ook voor het aanbieden van deze producten het ontvangen van elke vorm van beloning of vergoeding van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s te verbieden. Bovendien hebben beleggingsverzekeringen in wezen hetzelfde doel als de producten waar de dienstverlening van beleggingsondernemingen op ziet, namelijk vermogensopbouw door middel van beleggingen. Daardoor is het ook voor een gelijk speelveld tussen verzekeraars en beleggingsondernemingen van belang dat de (financiële) band tussen verzekeraars en beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s wordt doorgeknipt. Hiertoe is in het nieuwe artikel 86ea van het BGfo een verbod (voor verzekeraars) geïntroduceerd op het ontvangen van beloningen of vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s voor het aanbieden van beleggingsverzekeringen.

Als gevolg van dit verbod is voortaan alleen nog sprake van directe betaling door de cliënt aan de verzekeraar voor (de premies en kosten van) een beleggingsverzekering. De kosten voor het beheer van de beleggingsinstellingen of icbe’s die onderdeel zijn van de beleggingsverzekering worden, zoals nu ook al gebeurt, conform de daartoe geldende regels aan de beleggingsinstelling of icbe onttrokken.

§ 5. Overige wijzigingen

Artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector is onder meer gewijzigd zodat duidelijker wordt dat de genoemde boetecategorieën ook gelden voor voorschriften die krachtens de opgesomde artikelen zijn gesteld. Ook is voorzien in de opname van een aantal nieuwe artikelen in artikel 10.

De wijziging van artikel 3:4 van het Besluit financiële markten BES is van technische aard. Voor een nadere toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel VII.

§ 6. Administratieve lasten en nalevingskosten

Crowdfunding

De uit artikel 4:3, vierde lid van de Wft voortvloeiende aanvullende vereisten voor afgifte van een ontheffing brengen in beginsel administratieve lasten en nalevingskosten met zich mee voor de huidige 25 crowdfundingplatformen die op grond van artikel 4:3, vierde lid van de Wft een ontheffing hebben. Bij de berekening van deze administratieve lasten en nalevingskosten wordt er rekening mee gehouden dat deze handelingen door een hooggeschoolde medewerker tegen een uurtarief van €60,– worden verricht. Bij het aanvragen van de ontheffing moet in de nieuwe situatie informatie over bijvoorbeeld de geschiktheid van beleidsbepalers en de bedrijfsvoering worden overlegd aan de AFM. Het gaat in dit geval dus om administratieve lasten, aangezien de additionele eisen informatieplichten aan de overheid met zich meebrengen. Verder zullen platformen naar alle waarschijnlijkheid aanpassingen moeten doen in hun bedrijfsvoering om blijvend aan de nieuwe vereisten te voldoen. Het gaat in dat geval om nalevingskosten.

Ten aanzien van de toetsing van betrouwbaarheid dient per platform informatie te worden verzameld en verzonden aan de toezichthouder. Het invullen van het formulier en het opvragen van benodigde informatie kost 1,5 uur per bestuurder. Een platform heeft gemiddeld twee bestuurders, waarmee de totale administratieve last op 3 uur x € 60,– = € 180,– Ook dienen de curricula vitae. van de bestuurders bijgevoegd te worden, wat 0,5 uur per bestuurder, één uur x € 60,– = € 60,– kost. Overigens dienen de curricula vitae ook in het kader van geschiktheid te worden ingediend. Daarnaast dienen er drie referenten per bestuurder te worden opgegeven in het kader van de geschiktheidseis. Hiervoor is een half uur per bestuurder gerekend, hetgeen bij twee bestuurders leidt een administratieve last van 1 uur x € 60,– = € 60,–. Daarnaast dient de geschiktheidsmatrix te worden ingevuld, wat een uur kost en tot een administratieve last van 1 uur x € 60,– = € 60,– leidt. In totaal bedragen de administratieve lasten van de eisen voor betrouwbaarheid € 360,–.

Het verzamelen en opsturen van de informatie betreffende de eisen voor beheerste en integere bedrijfsvoering kost 5 uur per platform. Wanneer dit door een hooggeschoolde medewerker dient te worden verzameld, levert dit administratieve lasten van 5 uur x € 60,– = € 300,–. Ook dienen de algemene voorwaarden en een modelovereenkomst te worden aangeleverd, waarvoor een half uur per platform wordt gerekend. Dit levert een administratieve last van 0,5 uur x € 60,– = € 30,–. Daarnaast wordt om de aanlevering van het business plan gevraagd, waarvoor ook een half uur gerekend wordt (0,5 uur x € 60,– = € 30,–). De bedrijfsvoeringeisen leveren in totaal administratieve lasten van € 360,– per aanvraag op.

Naast bovenstaande initiële informatieplichten, leveren de additionele eisen ook informatieplichten op met betrekking tot wijzigingen in geschiktheid en bedrijfsvoering. Uiteraard is lastig te bepalen hoe vaak bepaalde wijzigingen voorkomen en daardoor tot meldingen aan de AFM leiden, daarom wordt rekening gehouden met het volgende. De wijziging van de rechtsvorm van een platform levert administratieve lasten op van anderhalf uur x € 60,– = € 90,– per situatie. Ervan uitgaande dat dit tweemaal per jaar plaatsvindt, levert dit een administratieve last op jaarbasis op van € 180,–.

Bij het aanstellen van nieuwe bestuurders dient informatie verzameld te worden, zijnde het aanvragen van referenties, het doorgeven van curricula vitae en het invullen van de geschiktheidsmatrix, waarvoor 3,5 uur aan administratieve lasten gerekend wordt (3,5 x € 60,– = € 210,–) per situatie. Bij het opnieuw beoordelen van de geschiktheid van de bestuurder levert dit alleen administratieve lasten van een half uur op wanneer hier melding van gedaan wordt (0,5 x € 60,– = € 30,–).

Grote wijzigingen in de bedrijfsvoering dienen aan de toezichthouder gemeld te worden, waarvoor rekening gehouden wordt met de administratieve lasten van een halfuur (0,5 x € 60,– = € 30,–). Ook dient rekening gehouden te worden met de administratieve lasten van het melden van incidenten, wat incidenteel plaats zal vinden.

Er dient bovendien rekening te worden gehouden met monitoringsverplichtingen van de toezichthouder, waarvoor 5 uur per kwartaal, oftewel 20 uur per jaar gerekend wordt voor elk van de 25 platforms. Dit levert administratieve lasten op van 25 platforms x 20 uur x € 60,– = € 30.000,–

Beleggingsinstellingen

De wijzigingen aangaande beleggingsinstellingen (artikelen 115m, 115v, 115x, 115y en 115bb van het BGfo) veroorzaken geen administratieve lasten of nalevingskosten, aangezien het technische wijzigingen en het invoegen van een grondslag om nadere regels te kunnen stellen, betreffen.

Verbod vergoedingen beheerders beleggingsinstellingen of icbe’s bij beleggingsverzekeringen

De invoering van het verbod op vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s bij beleggingsverzekeringen (artikel 86ea van het BGfo) brengt geen administratieve lasten met zich mee. Wel worden verzekeraars als gevolg van het verbod geconfronteerd met eenmalige inhoudelijke nalevingskosten. Voor de berekening van de gevolgen voor het verzekeraars is aangesloten bij de handleiding Meten is Weten II; handleiding voor het definiëren en meten van administratieve lasten voor het bedrijfsleven.6

Voor individuele beleggingsverzekeringen die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten, geldt eerbiedigende werking. Dit betekent dat het verbod niet van toepassing is op beloningen of vergoedingen die verzekeraars ontvangen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s voor individuele beleggingsverzekeringen die voor deze datum zijn afgesloten. Voor deze beleggingsverzekeringen ontstaan door het onderhavige wijzigingsbesluit dan ook geen nalevingskosten. Omdat veel verzekeraars geen nieuwe individuele beleggingsverzekeringen meer aanbieden, zijn de nalevingskosten voor verzekeringen die na 1 juli 2016 worden afgesloten zeer beperkt.

Door dit voorstel ontstaan wel nalevingskosten voor de pensioenverzekeringen die verzekeraars in hun portefeuille hebben. Er zijn op dit moment 8 verzekeraars die pensioenverzekeringen aanbieden. De meeste van deze verzekeraars zullen hun producten (en bijbehorende communicatie) moeten aanpassen en eventueel nieuwe beleggingsinstellingen of icbe’s moeten oprichten. Daarnaast zullen de administratiesystemen bij verzekeraars op deze nieuwe beleggingsinstellingen en icbe’s en de bijbehorende kostenstructuur moeten worden ingericht. De personele kosten die hiermee gepaard gaan worden geschat op gemiddeld 4.000 uur per verzekeraar. Deze werkzaamheden zullen in de regel worden verricht door hoogopgeleide kenniswerkers. Op grond van de handleiding Meten is Weten II wordt voor deze kenniswerkers een uurtarief van € 45 verondersteld. In totaal worden de nalevingskosten voor deze werkzaamheden geschat op: 8 (verzekeraars) x 4.000 (uur) x € 45 (uurtarief) = € 1.440.000.

Daarnaast zullen verzekeraars bestaande pensioenverzekeringen binnen de overgangstermijn van vijf jaar moeten aanpassen om te voldoen aan het verbod. Ook zullen verzekeraars al hun klanten met een pensioenverzekering moeten benaderen om hen in te lichten over de wijzigingen in hun verzekering als gevolg van het onderhavige wijzigingsbesluit. De verwachting is dat deze werkzaamheden gemiddeld 6.000 uur per verzekeraar kosten en kunnen worden verricht door middelbaar opgeleid personeel, waarvoor een gemiddeld uurtarief wordt verondersteld van € 37. De nalevingskosten – die worden verspreid over een periode van vijf jaar – worden daarmee geschat op 8 (verzekeraars) x 6.000 (uur) x € 37 (uurtarief) = € 1.776.000. Tot slot worden de totale portokosten voor de communicatie richting klanten geschat op 8 (verzekeraars) x € 150.000 = € 1.200.000.

§ 7. Consultatie

Het ontwerpbesluit Wijzigingsbesluit financiële markten 2016 is ter consultatie voorgelegd op de website www.internetconsultatie.nl. De looptijd van deze consultatie betrof vier weken (van 31 maart 2015 tot 29 april 2015). Gedurende de consultatie van het ontwerpbesluit zijn zeven reacties binnengekomen. De reacties zijn onder andere afkomstig van het Verbond van Verzekeraars, de Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS) en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). De reacties hebben voornamelijk betrekking op de bepalingen die zien op crowdfunding.

Naar aanleiding van de consultatiereacties is een aantal wijzigingen in het besluit aangebracht. Onderstaand zal worden ingegaan op de consultatiereacties en de verwerking daarvan.

a. Crowdfunding

Ten aanzien van de wijzigingen met betrekking tot crowdfunding zijn verschillende reacties binnen gekomen. De aard van de reacties loopt uiteen, waarbij men over het algemeen positief reageert op de voorgenomen wijzigingen in het BGfo. De consultatiereacties hebben in een aantal gevallen geleid tot aanpassingen van het besluit. In deze paragraaf zal kort worden ingegaan op de voor dit wijzigingsbesluit relevante reacties die niet tot wijzigingen in het wijzigingsbesluit of de toelichting hebben geleid. Er wordt niet ingegaan op de reacties die niet onmiddellijk relevant waren voor het wijzigingsbesluit, maar op andere aspecten van crowdfunding zagen. Uiteraard zullen de reacties op andere onderwerpen meegenomen worden in de verdere beleidsvorming ten aanzien van crowdfunding.

Eén van de respondenten wijst erop dat het verzwaarde ontheffingsregime een verkapt vergunningstelsel behelst. De wijzigingen opgenomen in dit besluit hebben tot doel op relatief korte termijn enkele belemmeringen voor crowdfunding in de regelgeving weg te nemen en de professionalisering van crowdfundingplatformen te stimuleren. Daarom is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de huidige systematiek van de wet. Bovendien biedt artikel 4:3, vierde lid, van de Wft reeds expliciet de mogelijkheid om additionele eisen te stellen.

Deze respondent stelt in dit kader vervolgens dat de additionele eisen te zwaar zijn voor de huidige praktijk, dat meer evenwicht met het regime voor crowdfundingplatformen die beleggingsonderneming zijn niet doorslaggevend mag zijn en dat het beter zou zijn voornoemde platformen (deels) uit te zonderen van de vergunningsplicht voor beleggingsondernemingen. Zoals de lastenberekening uit paragraaf 6 laat zien, leiden de additionele eisen niet tot hoge lasten voor de platformen. Zoals in de nota van toelichting verder naar voren komt, is het voornaamste doel van de additionele eisen de verdere professionalisering van de platformen. Een uitzondering voor crowdfundingplatformen die nu als beleggingsonderneming kwalificeren zou daarom, los van de juridische haalbaarheid, niet wenselijk zijn.

Wat betreft het verzwaarde ontheffingsregime worden door verschillende respondenten suggesties gedaan voor additionele eisen. Het uitgangspunt bij het formuleren van de wijzigingen in dit besluit – zoals ook naar voren kwam in de eerder genoemde kabinetsreactie – is dat regelgeving en toezicht dienen aan te sluiten bij de fase van ontwikkeling van de sector, om zodoende in elke fase van de markt een passend toezichtsregime te hebben dat bijdraagt aan de professionalisering van platformen, bescherming van de consument en een efficiënte werking van de markt.7 In de huidige situatie, namelijk een markt in transitie van start- naar groeifase, is het derhalve niet nodig om een heel uitgebreid regelgevend kader op te stellen en past het om de van toepassing zijnde regelgeving relatief abstract te houden. Dit biedt zowel de toezichthouder als het crowdfundingplatform de ruimte voor enige eigen verantwoordelijkheid.

Twee respondenten vragen in het kader van het ontheffingsregime naar een eventueel overgangsregime. Door de openbare consultatie van onderhavig besluit is de markt op de hoogte gebracht van de additionele eisen die per 1 januari 2016 worden gesteld en hebben huidige ontheffingshouders voldoende tijd om zich voor te bereiden. Uiteraard geldt daarbij dat zittende beleidsbepalers niet per 1 januari 2016 door de AFM zullen worden getoetst op geschiktheid; pas als daar aanleiding toe is, zoals bij een nieuwe aanstelling, zal de AFM concreet toetsen.

Naast voorgaande, meer algemene opmerkingen betreffende het ontheffingsregime hadden enkele respondenten nog artikelspecifiek commentaar.Een respondent stelt voor om de frase «anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank» uit het tweede lid van het nieuwe artikel 2a te schrappen. Deze toevoeging zou de omschrijving van publiekslening teveel beperken en zou problematisch kunnen zijn voor banken die zich met crowdfunding bezig willen houden. Artikel 2a, tweede lid, beschrijft de publiekslening vanuit de geldvrager, niet het crowdfundingplatform. De geldvrager zal in de regel geen bank zijn. In het geval een bank wel via crowdfunding opvorderbare gelden wilt aantrekken dan is dat zonder meer mogelijk, daar een bank is vrijgesteld van artikel 3:5 van de Wft. Het tweede lid heeft derhalve ook niet tot gevolg dat een bank geen crowdfundingplatform kan zijn: een bank is op grond van artikel 4:3, tweede lid, onderdeel a, Wft vrijgesteld van artikel 4:3, eerste lid, Wft en kan dus zonder meer als tussenpersoon werkzaamheden verrichten ten behoeve van een publiekslening.

Deze respondent suggereert verder om in artikel 2a, tweede lid, te verduidelijken dat professionele marktpartijen niet kwalificeren als publiek. Zoals deze respondent opmerkt in de consultatiereactie is voor deze termen geen wijziging in de uitleg ervan beoogd dan thans uit de parlementaire geschiedenis naar voren komt. Nadere uitleg is dus niet noodzakelijk.

Met betrekking tot artikel 2b vraagt een respondent of het tweede tot en met vierde lid van artikel 2b een limitatieve invulling geven aan de algemene eisen omtrent de bedrijfsvoering die in het eerste lid worden gesteld. Zoals uit de formulering van het tweede tot en met vierde lid naar voren komt, zijn deze niet per se limitatief bedoeld. Getracht is de regelgeving relatief abstract te houden, zodat zowel de toezichthouder als het crowdfundingplatform enige ruimte voor eigen verantwoordelijk behoudt.

In één van de reacties wordt opgemerkt dat de schakelbepaling naar artikel 38 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft in het nieuwe artikel 2c onduidelijk is en dat beter aangesloten kan worden bij de artikelen 27 – 34 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft. De uitdrukking «is van overeenkomstige toepassing» wordt gebruikt, indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is. Dat is in deze het geval. Verder geldt, zoals is toegelicht bij onderdeel B, dat de term «bemiddelen» om wetstechnische redenen niet langer kon worden gebruikt in artikel 4:3 van de Wft. De regeling voor bemiddelen sluit daarom het beste aan bij de ontheffing. De genoemde artikelen uit het Besluit reikwijdtebepalingen Wft zien op het aantrekken van opvorderbare gelden, niet op het bemiddelen daarbij en hebben dus een andere insteek.

Ook over de voorgestelde uitzondering op het provisieverbod voor beleggingsondernemingen ten behoeve van crowdfundingplatformen die kwalificeren als beleggingsonderneming zijn enkele opmerkingen binnengekomen. Zo was er een opmerking over één van de voorwaarden die aan de uitzondering op het provisieverbod is verbonden. De voorwaarde dat het effect niet mag zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit zou mogelijk complicerend kunnen werken voor (toekomstige) secundaire handel in de crowdfundingparticipaties. Dit wordt onderkend. De hiervoor genoemde voorwaarde is daarom geschrapt en is vervangen door de voorwaarde dat de effecten moeten zijn uitgegeven in het kader van een publieksinvestering.

Tot slot wees één respondent er op dat de voorwaarde dat de AFM in kennis moet worden gesteld van het voornemen om beleggingsdiensten te verlenen overeenkomstig de uitzondering geen toegevoegde waarde zou hebben. De AFM zou bij de vergunningverlening al op de hoogte moeten zijn van de activiteiten. Het klopt inderdaad dat een beleggingsonderneming bij de aanvraag van de vergunning moet aangeven welke beleggingsdiensten hij voornemens is te verlenen, maar dit ziet alleen op de beleggingsdiensten zoals gedefinieerd in artikel 1:1 van de Wft. Indien een beleggingsonderneming een vergunning heeft om de beleggingsdienst «ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten» te verlenen, betekent die niet automatisch dat het ook om crowdfunding gaat. Wanneer een beleggingsonderneming die voornoemde beleggingsdienst mag verlenen later besluit een crowdfundingplatform te beginnen, is dit niet op voorhand duidelijk voor de AFM.

b. Verbod vergoedingen beheerders beleggingsinstellingen of icbe’s bij beleggingsverzekeringen

In de consultatie zijn twee reacties ontvangen op het verbod voor verzekeraars op vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s bij beleggingsverzekeringen.

Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven de achterliggende gedachte van het verbod volledig te onderschrijven. Wel vraagt zij in haar reactie aandacht voor het gelijke speelveld met andere pensioenuitvoerders, zoals pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Momenteel wordt al gekeken naar de vraag of wetgeving ook voor deze instellingen wenselijk en noodzakelijk is. Dit proces is nog gaande.

DUFAS merkt in haar reactie op dat het verbod alleen gericht is op beleggingsinstellingen en icbe’s en niet op huisfondsen van verzekeraars. Volgens DUFAS wordt daarmee een ongelijk speelveld gecreëerd voor aanbieders van beleggingsinstellingen en icbe’s.

Zoals in de nota van toelichting is opgenomen, is het doel van het verbod bescherming te bieden tegen ongewenste prikkels bij het samenstellen van een beleggingsverzekering (bij de selectie van beleggingsinstellingen of icbe’s). Voorkomen dient te worden dat een verzekeraar zich bij die selectie laat leiden door andere belangen dan het klantbelang. Voor het aanbieden van beleggingsverzekeringen (zogeheten unit-linked beleggingsverzekeringen), waarbij de verzekeraar gebruikmaakt van huisfondsen die onderdeel zijn van dezelfde rechtspersoon als de verzekeraar (qua opzet en doel enigszins vergelijkbaar met beleggingsinstellingen of icbe’s), geldt het verbod niet. Dit omdat hier geen sprake is van beloningen of vergoedingen van of aan derden, maar van geldstromen binnen één en dezelfde rechtspersoon. De prikkels die bestaan bij de keuze voor andere fondsen dan huisfondsen bestaan bij huisfondsen niet. Bovendien vindt er, zoals in de nota van toelichting is opgenomen, al toezicht plaats op deze producten in het kader van het productontwikkelingsproces.

DUFAS merkt verder op dat het verbod niet van toepassing is op andere pensioenuitvoerders dan verzekeraars, zoals pensioenfondsen en PPI’s. Met betrekking tot dit aspect wordt verwezen naar de reactie op de consultatiereactie van het Verbond van Verzekeraars.

DUFAS merkt ten slotte op dat er in de nota van toelichting niet wordt toegelicht waarom het verbod voor levensverzekeringen op 1 juli 2016 in werking treedt en het verbod voor bestaande pensioenverzekeringen op 31 december 2020. Volledigheidshalve is naar aanleiding van deze reactie de toelichting op het artikel aangevuld.

c. Overige reacties

DUFAS heeft in haar consultatiereactie aandacht gevraagd voor de bepaling op grond waarvan bij illiquide beleggingen een risico-indicator niet wordt opgenomen in de essentiële beleggersinformatie.

DUFAS geeft ten eerste aan dat het criterium «liquiditeit van de beleggingen» moeilijk valt te kwalificeren en daardoor bij beheerder van beleggingsinstellingen tot onduidelijkheid kan leiden. Ten tweede vraagt DUFAS aandacht voor de geplande wijziging van de essentiële beleggersinformatie in verband met wijzigingen van Europese regelgeving. DUFAS pleit ervoor om niet nu te kiezen voor een alternatieve risico-indicator die mogelijk op korte termijn weer moet worden aangepast.

De bepaling waarop deze opmerkingen zien, is bij nader inzien niet opgenomen in dit besluit aangezien nog wordt gewerkt aan de definitie van liquide beleggingen. Op een later moment zal worden bezien wanneer het opnemen van een dergelijke bepaling goed kan worden vormgegeven.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

Aan artikel 1 van het BGfo wordt in alfabetische volgorde de definitie van EVC-procedure toegevoegd. Naast het afleggen van een examen kan een kandidaat zijn vakbekwaamheid aantonen door een EVC-procedure af te leggen. In deze EVC-procedure (Erkenning van Verworven Competenties) wordt door een voor deze procedure door het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) erkend exameninstituut beoordeeld of een kandidaat op grond van diens (werk)ervaring en/of opleidingen voldoet aan de eind- en toetstermen van een Wft-module. Via deze alternatieve manier van toetsing (op basis van een samengesteld portfolio en een individueel assessment) kan een Wft-certificaat/Wft-diploma worden verkregen. De EVC-procedure is vooral geschikt voor vakbekwame adviseurs die onder het oude vakbekwaamheidsbouwwerk niet over een Wft-diploma beschikten maar werkten onder het zogeheten «bedrijfsvoeringsmodel» en voor wie om de één of de andere reden deze wijze van vaststelling van de vakbekwaamheid te prefereren is boven de doorgaans efficiëntere wijze van vaststelling, namelijk examinering door het afleggen van examens.

B

De meeste gereguleerde crowdfundingplatformen opereren onder een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de Wft. Met het oog op de gewenste professionalisering van de platformen en daarmee de bescherming van geldgevers en -vragers wordt het wenselijk geacht het ontheffingsregime te versterken en meer concrete vereisten aan de ontheffing te verbinden. Dit onderdeel voegt in dat kader drie artikelen toe. Daar de ontheffingsmogelijkheid van artikel 4:3, vierde lid, van de Wft niet specifiek bedoeld is voor crowdfundingplatformen, is het nodig de toepassing van de additionele eisen te beperken tot ontheffinghouders die zich bezig houden met crowdfunding. Anders zouden de additionele eisen mogelijk te breed werken. Een algemene verzwaring van het ontheffingsregime ligt niet voor de hand, daar er geen aanwijzingen zijn dat bij andere activiteiten dan crowdfunding een zwaarder regime nodig is. De additionele eisen zijn daarom alleen van toepassing op houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de Wft die als tussenpersoon werkzaamheden verrichten ten behoeve van een publiekslening. Deze laatste term wordt in het tweede lid van het nieuwe artikel 2a van het BGfo beschreven: onder «publiekslening» wordt verstaan het aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek bestedingsdoel dat voorafgaand aan het aantrekken aan het publiek is medegedeeld. Bij crowdfunding wordt namelijk geld opgehaald voor een bepaald doel, bijvoorbeeld startkapitaal, openen nieuw filiaal, etc. Dit doel wordt ook kenbaar gemaakt, omdat het publiek anders ook geen enkele inschatting zou kunnen maken van de haalbaarheid van het project.

Overigens zou de omschrijving van publiekslening een rol kunnen spelen bij een mogelijke vrijstelling voor geldvragers op het verbod van artikel 3:5 van de Wft om opvorderbare gelden aan te trekken van het publiek. De noodzaak van een dergelijke vrijstelling wordt nog onderzocht, want het is niet altijd zonder meer duidelijk dat artikel 3:5 van de Wft niet van toepassing is op de geldvrager. Een eventuele aanpassing van de Vrijstellingregeling Wft in dit kader zal uiterlijk tegelijkertijd met dit wijzigingsbesluit in werking treden.

Het eerste lid van het nieuwe artikel 2a van het BGfo introduceert de geschiktheidstoets voor dagelijks beleidsbepalers van ontheffinghouders die zich bezig houden met crowdfunding. Wat de formulering betreft is aangesloten bij de algemene geschiktheidsnorm zoals deze bijvoorbeeld in artikel 4:9, eerste lid, van de Wft is opgenomen. Overigens zal de geschiktheidstoets nader uitgewerkt worden in de Beleidsregel geschiktheid 2012, zoals dat ook voor de geschiktheidstoets betreffende andere entiteiten ook is gedaan.

In artikel 2b van het BGfo zijn enkele vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering opgenomen. In het eerste lid zijn algemene normen opgenomen omtrent a) integere uitoefening van het bedrijf; 2) zeggenschapsstructuur; 3) beheerste en integere uitoefening van het bedrijf en 4) adequate behandeling van klachten. Deze algemene normen zijn gestoeld op de normen zoals deze zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.2 van de Wft. Zie bijvoorbeeld de artikelen 4:11 (integere uitoefening bedrijf), 4:13 (zeggenschapsstructuur), 4:15 (beheerste en integere uitoefening bedrijf) en 4:17 (klachtenprocedure) van de Wft. Deze normen zijn verder uitgewerkt in het tweede tot en met vierde lid van artikel 2b van het BGfo. Zo stelt het tweede lid dat in het kader van een integere bedrijfsuitoefening in ieder geval wordt tegengegaan dat de ontheffingshouder of zijn werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan en dat werknemers betrouwbaar dienen te zijn. Wat de formulering betreft is aangesloten bij artikel 28 van het BGfo dat is gebaseerd op artikel 4:11 van de Wft.

Wat de beheerste en integere uitoefening bedrijf betreft, stelt het derde lid dat er in ieder geval beleid moet zijn voor het omgaan met incidenten. Incidenten moeten vastgelegd worden, aan de AFM worden gemeld en op worden gevolgd met passende maatregelen. Voor deze bepaling is aangesloten bij artikel 29 van het BGfo dat is gebaseerd op artikel 4:15 van de Wft.

Het vierde lid werkt de verplichting met betrekking tot de omgang met klachten nader uit en is gebaseerd op artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de Wft. Het platform dient te voorzien in een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten. Overigens geldt dat de adequate klachtenafhandeling zowel op klachten van geldvragers als geldgevers moet zien.

Artikel 2c van het BGfo regelt dat wanneer een ontheffing die verband houdt met crowdfunding wordt aangevraagd, de aanvrager zal moeten aantonen dat aan de artikelen 2a en 2b van het BGfo wordt voldaan. Wat betreft de gegevens die moeten worden overlegd om dat aan te tonen, wordt artikel 38 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft van overeenkomstige toepassing verklaard. Voornoemd artikel regelt de informatieplicht voor aanvragers van een vergunning voor bemiddelen. Aangezien crowdfundingplatformen in deze context ook bemiddelende werkzaamheden verrichten, sluit dit artikel het beste aan. Aanvragers van een ontheffing zullen dus bijvoorbeeld een beschrijving van de procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten moeten aanleveren.

C

De wijziging van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, BGfo houdt verband met de Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten. Bij die implementatiewet is in artikel 1:1 van de Wft de definitie van «bank» gewijzigd en is in dat verband de definitie van «besloten kring» komen te vervallen. Zie voor een nadere toelichting: Kamerstukken II 2013/14, 33 849, nr. 3, p. 30–31. Onderhavige wijziging herstelt een omissie bij de implementatie en brengt artikel 3 van het BGfo in lijn met de reeds doorgevoerde aanpassingen in de artikelen 3:5 en 4:3 van de Wft.

Daarnaast wordt artikel 3 van het BGfo gewijzigd met het oog op de informatie die ontheffinghouders die zich bezighouden met crowdfunding, moeten doorgeven. Artikel 3 bevat reeds een regeling voor ontheffingshouders om wijzigingen in de gegevens met betrekking tot de betrouwbaarheid van beleidsbepalers te melden aan de AFM. Deze regeling is gemodelleerd naar de artikelen 102 en 103 van het BGfo; deze artikelen regelen welke wijzigingen financiëledienstverleners moeten doorgeven aan de AFM en op welke wijze dit moet gebeuren. Voor ontheffingshouders die zich bezig houden met crowdfunding gelden op grond van de nieuwe artikelen 2a en 2b, naast de eis van betrouwbaarheid, additionele eisen. De wijzigingen in artikel 3 schrijven voordat ontheffingshouders die zich bezig houden met crowdfunding ook wijzigingen doorgeven met betrekking tot de gegevens die de ontheffingshouder in verband met deze nieuwe bepalingen aan de AFM heeft overlegd. Meer specifiek dienen ook wijzigingen in bijvoorbeeld naam, adres, rechtsvorm, handelsnaam en statutaire zetel doorgegeven te worden. Bovendien wordt voor ontheffingshouders die zich bezig houden met crowdfunding duidelijk gemaakt dat nieuwe beleidsbepalers pas benoemd kunnen worden, nadat deze door de AFM zijn getoetst op zowel betrouwbaarheid als geschiktheid.

D

Deze wijziging betreft de toegestane bijkomende onderwerpen waarover geadviseerd mag worden door een Adviseur vermogen. Personen die over een in artikel 10, tabel 2 genoemd diploma beschikken, zijn tevens vakbekwaam te adviseren over het daarbij in die tabel vermelde onderwerp, indien de advisering over dat onderwerp gecombineerd wordt met advisering over het onderwerp waarop het diploma betrekking heeft. Het bijkomend onderwerp «betalingsbeschermers» van de Adviseur vermogen is vervangen omdat deze definitie alleen ziet op een verzekering ter dekking van het risico dat de verzekeringnemer betalingsverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst inzake krediet niet kan nakomen. Omdat een Adviseur vermogen niet over krediet mag adviseren leidt het gebruik van deze definitie ten onrechte tot de situatie dat de Adviseur vermogen niet over bijkomende onderwerpen mag adviseren indien deze worden gecombineerd met advies over vermogen als bedoeld in artikel 5 van het BGfo. Door de wijziging mag de Adviseur vermogen adviseren over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen of werkloosheidsverzekeringen indien gecombineerd met een advies over vermogen.

E

De wijziging van artikel 11 van het BGfo houdt verband met de uitvoering van de motie van de leden Aukje de Vries en Omtzigt waarin de regering wordt verzocht de overgangstermijn voor de centrale Wft-examinering met één jaar te verlengen tot en met 31 december 2016.8

In het eerste lid van artikel 11 is, zoals aangegeven in de brief van de Minister van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 9 juli 2015, de systematiek van de toetsing van de permanente educatie (PE) gewijzigd.9 Voor de reguliere PE-verplichting zal niet langer een individuele PE-termijn gelden welke ingaat bij het behalen van het diploma of de erkenning, maar zal worden gewerkt met vaste PE-perioden die voor iedereen gelijk zijn. De eerste PE-periode bedraagt twee jaar en loopt van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2019. De daaropvolgende PE-perioden bedragen telkens drie jaar, waarvan de eerstvolgende PE-periode aanvangt op 1 april 2019.

Een adviseur dient iedere PE-periode het voor zijn beroepskwalificatie relevante examen (PE-examen) met goed gevolg af te leggen om bevoegd te blijven de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 van het BGfo te verrichten. In het PE-examen wordt getoetst of de adviseur op de hoogte is van de actualiteiten. De adviseur hoeft geen PE-examen af te leggen in de PE-periode waarin het diploma of de erkenning wordt behaald omdat het examen of de erkenningsaanvraag de actualiteiten reeds omvat.

Voor een adviseur die voor 1 april 2017 een diploma of erkenning behaalt betekent dit dat hij voor het eerst een PE-examen dient af te leggen in de PE-periode lopend van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2019. Het volgende PE-examen zal moeten worden afgelegd in de PE-periode lopend van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2022 enzovoort. Een adviseur die een diploma of erkenning behaalt in de PE-periode lopend van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2019 hoeft pas in de PE-periode lopend van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2022 een PE-examen af te leggen. Het volgende PE-examen zal moeten worden afgelegd in de PE-periode lopend van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2025 enzovoort.

Daarnaast zullen de PE-examens op beroepskwalificatieniveau (diplomaniveau) worden afgenomen. Het afnemen van PE-examens op moduleniveau, zoals eerder voorgenomen, zou in de praktijk tot een te grote belasting van alle betrokken partijen leiden. Omdat in een PE-examen alle onderliggende modules worden getoetst, leidt het behalen van een PE-examen voor een hogere beroepskwalificatie automatisch tot het voldoen aan de PE-verplichting voor de onderliggende beroepskwalificatie(s).

Het tweede lid van artikel 11 is in lijn gebracht met het gewijzigde eerste lid. Daarnaast is opgenomen dat de in dit lid genoemde certificaten niet door een exameninstituut worden afgegeven maar door de Minister van Financiën. Sinds 1 januari 2014 worden examens niet meer ontwikkeld door exameninstituten waardoor het certificaat niet meer door een exameninstituut kan worden afgegeven. Een adviseur die beschikt over een dergelijk certificaat hoeft in de PE-periode waarin hij vakinhoudelijk betrokken is geweest bij de ontwikkeling van examenvragen met betrekking tot de voor zijn beroepskwalificatie relevante eindtermen en toetstermen geen examen in het kader van permanente educatie af te leggen. Hiermee wordt gestimuleerd dat adviseurs een bijdrage leveren aan het vakbekwaamheidsbouwwerk en kan worden voorkomen dat adviseurs een examen moeten afleggen waaraan zij inhoudelijk hebben bijgedragen.

F

Het tweede lid van artikel 11d van het BGfo is vervallen omdat de jaarlijkse verstrekking door een exameninstituut van een opgave van het aantal in het vorige kalenderjaar afgenomen en beoordeelde examens, alsmede een analyse van de resultaten van deze examens, de klachten die over de examinering en de resultaten zijn ingediend, en de beslissingen hierop door het exameninstituut met de introductie van het nieuwe vakbekwaamheidsbouwwerk overbodig is geworden.

G

In artikel 11 e, derde lid (nieuw) van het BGfo is bepaald dat het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is op een exameninstituut indien de examinering plaatsvindt door middel van een EVC-procedure. In een EVC-procedure zal het exameninstituut op basis van de (werk)ervaring of opleidingen van de kandidaat beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eind- en toetstermen van een Wft-module en niet door middel van vragen uit de centrale examenbank. Wanneer er geen gebruik wordt gemaakt van een EVC-procedure geldt dat een exameninstituut uitsluitend gebruik mag maken van de centrale examenbank om examens af te nemen.

H

In het derde lid van artikel 11k van het BGfo is een grondslag opgenomen waarmee bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het in rekening brengen van kosten bij exameninstituten. Door middel van de onderhavige aanpassing van het derde lid is het nu ook mogelijk dat met betrekking tot het heffen van de leges deze ook verrekend kunnen worden. Dit is gewenst wanneer leges ten onrechte zijn geïnd, bijvoorbeeld wanneer examens ongeldig zijn verklaard door het CDFD omdat door een fout of technische storing in de centrale examenbank een examen geen doorgang heeft kunnen vinden of daardoor moest worden afgebroken.

In het vierde lid is opgenomen dat er naast het heffen van een tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor erkenning van het exameninstituut ook een tarief kan worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanmelding voor een additionele examenlocatie van het exameninstituut. Omdat het aantal aanmeldingen voor additionele examenlocaties, in vergelijking met het begin van 2014, op dit moment beperkt is en er in de overgangsperiode voldoende afnamecapaciteit aanwezig moet kunnen zijn, zal het tarief voor het in behandeling nemen van een aanmelding voor een additionele examenlocatie voorlopig op nul euro worden vastgesteld.

Tot slot is er een grondslag opgenomen met het oog waarop de kosten van de controle van exameninstituten die zijn erkend voor het examinering middels een EVC-procedure kunnen worden doorberekend aan het desbetreffende exameninstituut. Deze externe controle (audit), uitgevoerd door de auditcommissie van het CDFD, vindt in beginsel elke drie jaar plaats en heeft als doel de kwaliteit van de examinering via EVC te beoordelen en te waarborgen. In de audit wordt beoordeeld of 1) de EVC-procedure is verankerd in het toetsbeleid van het exameninstituut, 2) de doelstellingen voor EVC helder en op het juiste niveau omschreven zijn, 3) EVC op een verantwoorde wijze plaatsvindt en conform de kwaliteitseisen EVC, 4) de verantwoordelijkheden helder zijn en in acht worden genomen en 5) de interne kwaliteitszorg van de EVC-procedure in orde is. De periodieke controle kan eerder plaatsvinden indien het CDFD signalen bereiken dat de kwaliteit van de examinering via EVC onvoldoende is. De periodieke controle kan later plaatsvinden als er door het exameninstituut te weinig EVC-procedures zijn afgenomen om een goed beeld te krijgen van de kwaliteit van de examinering via EVC.

I en J

Voor cliënten van tussenpersonen in de zin van het nieuwe hoofdstuk 3B van de Wet giraal effectenverkeer is het van belang dat zij op de hoogte zijn van de rol van hun (bank-)beleggingsonderneming wanneer zij een derivatenpositie aangaan: die van tussenpersoon of van uiteindelijke tegenpartij. De rol die zij inneemt is namelijk van invloed op de vraag of de cliënt al dan niet goederenrechtelijke bescherming geniet op grond van dit nieuwe hoofdstuk. Om die reden moet een (bank)beleggingsonderneming op voorhand haar cliënt informeren over de rol die zij inneemt bij een specifieke transactie en wat daarvan de goederenrechtelijke consequenties zijn. Met dit onderdeel wordt deze informatieplicht, gebaseerd op artikel 4:20 van de Wft, toegevoegd aan het BGfo. Omdat het voor de kenbaarheid door de cliënt wenselijk is dat (bank-)beleggingsondernemingen dat op uniforme wijze doen, stelt dit onderdeel de AFM in staat om nadere regels te stellen, die aannemelijkerwijs zullen worden opgenomen in de reeds bestaande Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

K

Artikel 86c van het BGfo verbiedt provisies die (middellijk) door de aanbieder aan de adviseur of bemiddelaar worden betaald. De grondslag voor artikel 86c is opgenomen in artikel 4:25a van de Wft, waarin de basis voor regels inzake kosten of beloningen van financiële dienstverlening is vastgelegd. Op grond van artikel 4:25a, derde lid, van de Wft is het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen ten aanzien van de beloning van financiëledienstverleners. Zowel premiepensioenvorderingen als pensioenverzekeringen zijn geschikt om een pensioen op te bouwen in de tweede pijler. Om ongewenste sturing te voorkomen en om een gelijk speelveld te creëren, is het provisieverbod nu ook van toepassing verklaard op het bemiddelen en adviseren in premiepensioenvorderingen. Artikel 86c van het BGfo bepaalt dat een financiëledienstverlener geen provisies voor het bemiddelen of adviseren van een premiepensioenvordering verschaft of ontvangt. Een financiëledienstverlener mag wel provisies ontvangen die rechtstreeks worden verschaft door de bijdragende onderneming voor zover het premiepensioenvorderingen betreft en de hoogte van deze provisies niet kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening (zie artikel 86c, tweede lid, onderdeel b). In het vijfde lid is een overgangstermijn opgenomen. Op grond van het vijfde lid is artikel 86c van het BGfo tot en met 31 december 2020 niet van toepassing op overeenkomsten inzake premiepensioenvorderingen die zijn afgesloten voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit (1 januari 2016).

L

Met onderhavige onderdeel wordt in artikel 86ea van het BGfo voor verzekeraars een verbod op het ontvangen van beloningen of vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s voor het aanbieden van beleggingsverzekeringen geïntroduceerd.

Ingevolge het eerste lid is het een verzekeraar niet toegestaan om rechtstreeks of middellijk beloningen of vergoedingen te ontvangen, in welke vorm dan ook, van een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe voor het aanbieden van een beleggingsverzekering. De grondslag voor artikel 86ea is opgenomen in artikel 4:25a van de Wft, waarin de basis voor regels inzake kosten of beloning van financiële dienstverlening is vastgelegd. Op grond van artikel 4:25a, eerste lid, onder a, van de Wft is het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen ten aanzien van de beloning of vergoeding voor het aanbieden, adviseren, bemiddelen of optreden als (onder)gevolmachtigd agent inzake een financieel product, en de wijze van uitbetaling daarvan.

Het verbod is van toepassing op het ontvangen van beloningen of vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s. Dit betekent dat het verbod ook van toepassing is op het ontvangen van beloningen of vergoedingen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s die deel uitmaken van de groep waartoe de verzekeraar behoort. Voor het aanbieden van beleggingsverzekeringen waarbij de verzekeraar gebruikmaakt van fondsen die onderdeel zijn van dezelfde rechtspersoon als de verzekeraar (qua opzet en doel enigszins vergelijkbaar met beleggingsinstellingen of icbe’s), geldt het verbod niet. Dit omdat hier geen sprake is van beloningen of vergoedingen van of aan derden, maar van geldstromen binnen één en dezelfde rechtspersoon. Toezicht op deze producten vindt plaats in het kader van het productontwikkelingsproces.

Het tweede lid bepaalt dat het verschaffen of ontvangen van kleine geschenken die in het normale handelsverkeer gebruikelijk zijn blijft toegestaan, mits de gezamenlijke waarde daarvan op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 100. Hierbij kan worden gedacht aan de jaarlijkse kerstgeschenken of kleine promotieartikelen die incidenteel worden verstrekt aan relaties. Deze uitzondering is gelijk aan de uitzonderingen zoals opgenomen in het provisieverbod voor financiëledienstverleners (artikel 86c van het BGfo) en het provisieverbod voor beleggingsondernemingen (artikel 168a van het BGfo).

In het derde lid is het overgangsrecht geregeld. Voor individuele beleggingsverzekeringen die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten, geldt op grond van onderdeel a eerbiedigende werking. Dit betekent dat het verbod niet van toepassing is op beloningen of vergoedingen die verzekeraars ontvangen van beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s voor individuele beleggingsverzekeringen die voor deze datum zijn afgesloten. Reden voor de latere inwerkingtredingsdatum is dat verzekeraars tijd nodig hebben om hun administratie- en ICT-systemen aan te passen naar aanleiding van dit verbod. Omdat het verbod naar verwachting pas eind 2015 in het Staatsblad wordt gepubliceerd, zullen verzekeraars deze wijzigingen niet voor 1 januari 2016 kunnen doorvoeren. Voor pensioenverzekeringen als bedoeld in artikel 1 van het BGfo is in onderdeel b een overgangstermijn opgenomen. Ingevolge dit onderdeel is het verbod tot en met 31 december 2020 niet van toepassing op (lopende) pensioenverzekeringen die zijn afgesloten voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit (1 juli 2016). Hiervoor is gekozen omdat de looptijd van de meeste pensioenverzekeringen rond de vijf jaar ligt en over de voorwaarden bij verlenging van het contract door de verzekeraar en werkgever opnieuw wordt onderhandeld. Voor het kleine aantal contracten dat langer dan vijf jaar loopt kunnen verzekeraars mutatiemomenten binnen het contract aangrijpen om ook voor deze contracten binnen vijf jaar, doch uiterlijk 31 december 2020, over te stappen op vergoedingsvrije beleggingsfondsen. Pensioenverzekeringen die op of na 1 juli 2016 worden afgesloten vallen wel direct onder het verbod.

M

In artikel 115m van het BGfo werd enkel de term jaarverslag genoemd, zoals deze ook gebruikt wordt in artikel 22 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.10 De informatie die ingevolge het betreffende artikel 22 vereist is, komt in het Nederlandse jaarrekeningenrecht echter deels terecht in het jaarverslag en deels in de jaarrekening. Artikel 4:37o van de Wft verwijst daarom ook al naar het jaarverslag en de jaarrekening. Gelet op het voorgaande is het begrip jaarrekening toegevoegd in artikel 115m.

N

Artikel 115v van het BGfo is zodanig gewijzigd dat het eerste lid, onderdeel b, van artikel 50 van dat besluit niet langer van overeenkomstige toepassing is. Het betreffende onderdeel vereist dat de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43 van de Wft (overeenkomst tussen de bewaarder van een icbe en de beheerder van een icbe) op de website van de beheerder van een icbe wordt geplaatst. Voor beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming worden aangeboden aan niet-professionele beleggers wordt niet nodig geacht dat de overeenkomst tussen de beheerder van de beleggingsinstelling en de bewaarder van de beleggingsinstelling op de website van de beheerder wordt geplaatst. Ingevolge de artikelen 115j en 115k van het BGfo worden beleggers reeds op de hoogte gesteld van de belangrijkste informatie ten aanzien van de bewaarder.

O

In artikel 115x, eerste lid van het BGfo is de verwijzing naar artikel 4:37l van de Wft komen te vervallen. Deze verwijzing was bedoeld om tot uitdrukking te brengen dat beleggingsinstellingen die onder de reikwijdte van de prospectusrichtlijn vallen niet hoeven te voldoen aan de eisen met betrekking tot het prospectus in artikel 115x. In de praktijk blijkt hierover nochtans verwarring te bestaan, derhalve is dit geëxpliciteerd in het nieuwe vierde lid.

P

Het achtste lid van artikel 115y van het BGfo bepaalt dat de in dit artikel bedoelde informatie die op de website beschikbaar gehouden dient te worden, tenminste drie jaar beschikbaar dient te blijven op de website. Per abuis werd verwezen naar de verkeerde leden. De betreffende informatie is opgenomen in het derde, vierde en zevende lid. Het achtste lid dient dan ook naar voormelde leden te verwijzen.

Q

In artikel 115bb van het BGfo is bepaald voor welke beleggingsinstellingen een beheerder van een beleggingsinstelling essentiële beleggersinformatie opstelt. In het vijfde lid wordt verduidelijkt naar welke essentiële beleggersinformatie wordt verwezen.

R

Met het eerste lid van de wijziging wordt een nieuw onderdeel f toegevoegd aan het tweede lid van artikel 168a. Het onderdeel bevat een nieuwe uitzondering op het provisieverbod voor beleggingsondernemingen. Met de uitzondering wordt voorkomen dat de activiteiten van crowdfundingplatformen die kwalificeren als beleggingsonderneming onnodig worden belemmerd. Om oneigenlijk gebruik van de uitzondering te voorkomen, is aan de uitzondering een aantal voorwaarden verbonden. Ten eerste maakt de aanhef van onderdeel f duidelijk dat de uitzondering alleen van toepassing is op de beleggingsdienst «ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten».

De tweede voorwaarde, opgenomen onder 1°, betreft een beperking in het type effecten waarop de beleggingsdienst kan zien. De uitzondering ziet alleen op aandelen en obligaties (of daarmee vergelijkbare waardebewijzen of schuldinstrumenten) die zijn uitgegeven in het kader van een publieksinvestering.

In subonderdeel 2° is de derde voorwaarde opgenomen: alleen dienstverlening ten aanzien van effecten die aangeboden worden door een uitgevende instelling kunnen onder de uitzondering vallen. De uitzondering kan daarmee niet van toepassing zijn op secundaire handel.

Als vierde voorwaarde, opgenomen onder 3°, geldt dat moet worden voldaan aan de algemene provisieregels. Platformen zullen derhalve richting de beleggers transparant moeten zijn over de vergoeding die zij van de geldvrager ontvangen. Ook moet het platform ervoor zorgen dat voornoemde vergoeding de kwaliteit van dienstverlening ten goede komt en geen afbreuk doet aan de verplichting om zich in te zetten voor de belangen van de klant.

Subonderdeel 4° bepaalt als vijfde voorwaarde dat de uitzondering niet van toepassing is indien het crowdfundingplatform met betrekking tot de effecten die via het platform worden aangeboden andere beleggingsdiensten verleent dan het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot en het plaatsen van financiële instrumenten.

De laatste voorwaarde, opgenomen onder 5°, is dat het platform de AFM in kennis stelt van het voornemen om beleggingsdiensten te verlenen die onder de uitzondering vallen.

De tweede wijzigingsopdracht van dit onderdeel voegt een derde lid toe aan artikel 168a van het BGfo, waarin de term «publieksinvestering» wordt omschreven. Een publieksinvestering betreft het anders dan in de uitoefening van het bedrijf van bank aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden van het publiek voor een specifiek vooraf gecommuniceerd bestedingsdoel, waarbij de gelden worden aangetrokken of ter beschikking worden gekregen door middel van het uitgeven van effecten in overeenstemming met de prospectusregels (hoofdstuk 5.1 van de Wft).

S

In artikel 171, eerste en derde lid, van het BGfo is de overgangstermijn gewijzigd. Deze is verlengd van 24 maanden naar 36 maanden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van de leden Aukje De Vries en Omtzigt waarin de regering wordt verzocht de overgangstermijn voor de centrale Wft-examinering met één jaar te verlengen tot en met 31 december 2016.11 Voor financieel adviseurs betekent dit dat zij tot en met 31 december 2016 de tijd hebben om de benodigde examens, initieel dan wel PEplus, te behalen. Omdat de huidige overgangstermijn liep tot en met 31 december 2015 treedt deze wijziging in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de overgangstermijn voor iedereen met één jaar wordt verlengd.

T

In Bijlage C, onderdelen 1 en 2, van het BGfo zijn de strafrechtelijke antecedenten, bedoeld in artikel 13, onderdeel a, van dat besluit opgenomen. Voor de misdrijven, genoemd in onderdeel 1 geldt dat wanneer een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor één van de misdrijven, genoemd in onderdeel 1 en sinds het onherroepelijk worden minder dan acht jaren zijn verstreken, geen weging van belangen mogelijk is en diens betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat. Voor de misdrijven, genoemd in onderdeel 2, geldt dit niet. Tot de antecedenten in subonderdeel 1.1 wordt onder meer gerekend een veroordeling ter zake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van witwassen, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 420bis tot en met 420ter van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). In de opsomming van onderdeel 2.1 is opgenomen een veroordeling ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van witwassen, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 420bis tot en met 420quinquies van het WvSr. Het financieren van terrorisme is sinds 1 september 2013 zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 421 WvSr. Vanwege het zwaarwegend karakter van dit misdrijf wordt het nu opgenomen in de subonderdelen 1.1 en 2.1 van bijlage C.

Artikel II

In artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector is een opsomming opgenomen van artikelen uit de Wft en daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en daarbij behorende boetecategorieën. In de aanhef van dit artikel wordt gesproken over de beboetbaarheid van voorschriften in die artikelen. In bedoelde opsomming is ook artikel 1:28, tweede en derde lid opgenomen waarin aan De Nederlandsche Bank (DNB) en de AFM de bevoegdheid wordt gegeven om in bijzondere omstandigheden tijdelijk algemeen verbindende voorschriften vast te stellen in het belang van de stabiliteit van het financiële stelsel respectievelijk ter bevordering van ordelijke en transparante financiële marktprocessen. Het gaat daarbij om situaties waarin met spoed regelgeving nodig is. In artikel 1:28, tweede en derde lid, zelf staan dan ook geen voorschriften en de boetecategorie 3, waarin dit artikel is gerangschikt, geldt voor overtreding van de voorschriften die door de toezichthouders, krachtens de opgesomde bepaling zijn gesteld. Om dit te verduidelijken wordt het artikel uit de opsomming van de artikelen in artikel 10 gehaald en worden overtredingen van de voorschriften krachtens dit artikel in een apart artikellid gerangschikt in categorie 3.

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn en verordening solvabiliteit II wordt in artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in

de opsomming van artikelen uit de Wft onder het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen tweemaal artikel 3:131, eerste lid, met boetecategorie 2 genoemd. Dit wordt met de derde wijzigingsopdracht gecorrigeerd.

De vierde en vijfde wijzigingsopdrachten van artikel II houden verband met artikel I van de Wijzigingswet financiële markten 2016 op grond waarvan tussenpersonen in de zin van het nieuwe hoofdstuk 3B van de Wet giraal effectenverkeer een adequate administratie moeten voeren met betrekking tot het derivatenvermogen. Deze wijziging biedt de AFM en DNB de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen indien een tussenpersoon nalatig is met betrekking tot het voeren van een dergelijke administratie. Er is gekozen voor boetecategorie 2 omdat dit in lijn is met de boetecategorie die nu al geldt voor artikel 4:87 van de Wft, welk artikel verwant is aan de artikelen 3:33c en 4:87a van de Wft.

Tevens is er in voorzien een omissie in artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector te helen. In het Wijzigingsbesluit financiële markten 201312 is bij de omnummering van artikel 32 van het BGfo tot 32a deze omnummering abusievelijk niet doorgevoerd in artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector hetgeen door de onderhavige wijziging is hersteld.

De invoeging van artikel 86ea, eerste lid van het BGfo met bijbehorende boetecategorie 2 houdt verband met de invoeging van dat artikel. Zie hiervoor ook de toelichting bij onderdeel L van artikel I. Ook worden de nieuwe artikelen 2a, 2b en 3a van het BGfo aangaande crowdfunding opgenomen in artikel 10 van genoemd besluit. De gehanteerde boetecategorie is gelijk aan de boetecategorie die wordt gehanteerd ten aanzien van artikel 4:3, vierde lid van de Wft, en is gebruikelijk voor bepalingen aangaande bedrijfsvoering.

Artikel III

A

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn en verordening solvabiliteit II zijn twee paragrafen van het Besluit prudentiële regels Wft genummerd als 4.4. Door vernummering van de tweede paragraaf 4.4 tot paragraaf 4.5, wordt dit gecorrigeerd.

B

In Bijlage A, onderdelen 1 en 2, van het Besluit prudentiële regels Wft zijn de strafrechtelijke antecedenten, bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van dat besluit opgenomen. Voor de verdere toelichting bij deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel T van artikel I.

Artikel IV

In de onderdelen 1 en 2 van de bijlage bij het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft zijn de (strafrechtelijke) antecedenten, bedoeld in de artikelen 3.0c, 3a, 4, 6, 8, 10, 11a, 11c, 11e, 12, 18, 24, 26, 29, 31a, 31c, 31f, 31i, 31k, 32, 33, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 41a, 47, 52 en 55 van dat besluit opgenomen. Voor de verdere toelichting bij deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel T van artikel I.

Artikel V

A

Bij de Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten is in artikel 1:1 van de Wft de definitie van «bank» gewijzigd en is in dat verband de definitie van «besloten kring» komen te vervallen. Zie voor een nadere toelichting: Kamerstukken II 2013/14, 33 849, nr. 3, p. 30–31. De voorgestelde wijzigingen herstellen een omissie bij de implementatie en brengen ook de relevante bepalingen in het Besluit reikwijdtebepalingen Wft in lijn met de reeds doorgevoerde aanpassingen in de artikelen 3:5 en 4:3 van de Wft.

B

In de onderdelen 1 en 2 van de bijlage bij het Besluit reikwijdtebepalingen financiële ondernemingen Wft zijn de strafrechtelijke antecedenten, bedoeld in artikel 30 van dat besluit opgenomen. Voor de verdere toelichting bij deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel T bij artikel I.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een verschrijving in de aanhef van subonderdeel 2.1 van de bijlage te corrigeren: een tweede vermelding van «uitlokking» is vervangen door «mislukte uitlokking», zoals die ook is opgenomen in de subonderdelen 2.1 van het BGfo, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit prudentiële regels Wft.

Artikel VI

Artikel 3:4 van het Besluit financiële markten BES bepaalde dat de voor de uitoefening van het bedrijf van assurantiebemiddelaar of (onder)gevolmachtigd agent vereiste deskundigheid moet blijken uit een bij ministeriële regeling erkend diploma. In de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat aan de mogelijkheid zo nodig voorwaarden aan de erkenning van een diploma te kunnen stellen. Een dergelijke voorwaarde zou bijvoorbeeld kunnen inhouden dat een lang geleden behaald diploma slechts wordt erkend indien de houder ervan zijn kennis door werkervaring op peil heeft gehouden.

In de tekst van het artikel is voorts het woord deskundigheid vervangen door geschiktheid, om de formulering beter te laten aansluiten bij die van artikel 3:5 van de Wfm BES, waarop artikel 3:4 van het besluit is gebaseerd.

Artikel VII

Het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft bevat thans door samenloop van het Implementatiebesluit depositogarantiestelsel en het Implementatiebesluit Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen tweemaal een artikel met het nummer 7a. Met de vernummering van het artikel 7a in hoofdstuk 6 van het Besluit tot artikel 7k, wordt dit gecorrigeerd.

Artikel VIII

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn en verordening solvabiliteit II kent artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten twee onderdelen n. Met vernummering van het tweede onderdeel n tot onderdeel o, wordt dit gecorrigeerd.

Artikel IX

Omdat de huidige overgangstermijn, opgenomen in artikel 171, eerste en derde lid, van het BGfo liep tot en met 31 december 2015 treedt de wijzigingsopdracht opgenomen in artikel I, onderdeel S, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de overgangstermijn voor iedereen met één jaar wordt verlengd.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 1843.

X Noot
3

Kamerstukken II 2014/15, 31 311, nr. 145.

X Noot
5

De term «bemiddelen» is in deze context strikt gezien niet juist, daar bemiddelen in de definitie van de Wft altijd ziet op een financieel product. Opvorderbare gelden, deposito’s of andere terugbetaalbare gelden, zijn geen financieel product in de zin van de Wft, waardoor er ook niet in bemiddeld kan worden. Daarom wordt in artikel 4:3 van de Wft in plaats van bemiddelen de formulering «als tussenpersoon werkzaamheden te verrichten ten behoeve van» gebruikt, zie ook Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 495.

X Noot
7

Kamerstukken II 2014/15, 31 311, nr. 145.

X Noot
8

Kamerstukken II 2014/15, 32 545, nr. 29.

X Noot
9

Kamerstukken II 2014/15, 32 545, nr. 34.

X Noot
10

Richtlijn nr.2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174).

X Noot
11

Kamerstukken II 2014/15, 32 545, nr. 29.

X Noot
12

Artikel I, onderdeel G van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2013.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.