Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2015, 460Wet

Wet van 25 november 2015 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen op te nemen in het Wetboek van Strafrecht voor langdurig toezicht, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor personen aan wie een ter beschikkingstelling is opgelegd of voor veroordeelden tot een gevangenisstraf wegens een zeden- of een geweldsdelict;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 15c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «van de algemene voorwaarde».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter eenmaal de proeftijd met ten hoogste twee jaren verlengen. Indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde, bedoeld in artikel 38z, eerste lid, aanhef en onder b en c, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen of indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, de proeftijd telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Artikel 15i, derde tot en met zevende lid, en artikel 15j, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

B

In artikel 38 worden het tweede vijfde lid tot en met het achtste lid vernummerd tot zesde tot en met negende lid.

C

In artikel 38j vervallen het tweede en het derde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

D

De vierde afdeling van Titel IIA van het Eerste boek komt te luiden:

VIERDE AFDELING

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen

E

Na artikel 38ij worden 8 artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 38z

  • 1. Ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kan de rechter, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak:

    • a. ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in de artikelen 37a of 37b;

    • b. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of meer is gesteld;

    • c. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf als omschreven in de artikelen 240b, 248c, 248d, 248e, 250, 273f, 317, eerste lid.

  • 2. Bij de vordering tot oplegging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling.

Artikel 38aa

  • 1. De in artikel 38z, eerste lid, bedoelde maatregel kan niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie uiterlijk tien weken voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel tien weken voor ommekomst van de termijn als bedoeld in artikel 15c dan wel indien voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft plaatsgevonden tien weken voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd een vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel indient bij de rechter die in eerste aanleg kennisgenomen heeft van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond bedoeld in artikel 38ab, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.

  • 2. Bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een recent opgemaakte medische verklaring overlegd, waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.

  • 3. Indien de vordering tot tenuitvoerlegging achterwege blijft, vervalt de maatregel als bedoeld artikel 38z, eerste lid, van rechtswege op het moment van beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel bij ommekomst van de termijn als bedoeld in artikel 15c dan wel indien voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd.

Artikel 38ab

  • 1. De rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste lid, kan de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel gelasten:

    • a. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, kan opleggen, of

    • b. indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is.

  • 2. De rechter kan bij de last als bedoeld in het eerste lid één of meer van de volgende gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende voorwaarden opnemen:

    • a. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    • b. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;

    • c. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;

    • d. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

    • e. het deelnemen aan een gedragsinterventie;

    • f. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;

    • g. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende;

    • h. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    • i. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    • j. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    • k. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    • l. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;

    • m. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;

    • n. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied.

  • 3. Aan de voorwaarden als bedoeld in het tweede lid kan elektronisch toezicht worden verbonden.

  • 4. De rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste lid, kan de tenuitvoerlegging van de maatregel gelasten voor een periode van twee, drie, vier of vijf jaren. De termijn van de maatregel vangt aan op de dag waarop de rechter de tenuitvoerlegging van die maatregel heeft gelast.

  • 5. De tenuitvoerlegging van de maatregel geschiedt onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

    • a. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

    • b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 38ad, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Artikel 38ac

  • 1. De termijn van de maatregel kan telkens, op vordering van het openbaar ministerie, door de rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste lid, met twee, drie, vier of vijf jaren worden verlengd:

    • a. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, kan opleggen, of

    • b. indien verlenging noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.

  • 2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen te zijn ontvangen op de griffie van de rechtbank. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond bedoeld in het eerste lid zich eerst nadien heeft voorgedaan.

  • 3. Bij de vordering tot verlenging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overlegd, waaruit de noodzaak van die behandeling of opname blijkt.

  • 4. De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig was.

Artikel 38ad

  • 1. Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de maatregel door de veroordeelde.

  • 2. De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.

Artikel 38ae

De maatregel of de voorwaarden daarbij kunnen door de rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste lid, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden gewijzigd of opgeheven.

Artikel 38af

  • 1. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak, waarbij:

    • a. dezelfde persoon ter beschikking wordt gesteld, of

    • b. dezelfde persoon veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf en in de rechterlijke uitspraak een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking is opgelegd.

  • 2. Indien de maatregel van rechtswege eindigt, wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht aan de betrokkene.

Artikel 38ag

  • 1. Tegen de beslissing van de rechter inzake de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 38ab, eerste lid, de verlenging van de termijn van de maatregel als bedoeld in artikel 38ac, eerste lid, en de opheffing of wijziging van de maatregel of de voorwaarden daarbij als bedoeld in artikel 38ae, kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de uitspraak en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De artikelen 409, eerste lid, 410, 449, eerste lid, 450 tot en met 454, 455, eerste lid, 509z, vierde en vijfde lid, 509aa tot en met 509dd en 509gg van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De beslissing van de rechter tot tenuitvoerlegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38ab, eerste lid, de beslissing tot verlenging van de termijn van de maatregel als bedoeld in artikel 38ac, eerste lid, en de beslissing tot opheffing of wijziging van de maatregel of de voorwaarden daarbij als bedoeld in artikel 38ae zijn dadelijk uitvoerbaar. De dadelijke uitvoerbaarheid kan door de rechter die kennisneemt van het beroep ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie worden opgeheven.

  • 3. Artikel 38w, artikel 38x en artikel 38ij zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 366a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «in geval artikel 14a, 38v, of 77x van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: in geval artikel 14a, 38v, 38z of 77x van het Wetboek van Strafrecht.

2. In het eerste lid wordt «in artikel 14c, 38v of 77z van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: in artikel 14c, 38v, 38z of 77z van het Wetboek van Strafrecht.

3. In het tweede lid, wordt na «38v» ingevoegd:, 38z.

B

In artikel 558, derde lid, wordt na «oplegging vrijheidsbeperkende maatregel,» ingevoegd: oplegging en tenuitvoerlegging gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel,.

ARTIKEL III

De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 67, eerste lid, wordt na «509ff van het Wetboek van Strafvordering» ingevoegd: en in artikel 38ag van het Wetboek van Strafrecht.

ARTIKEL IV

Artikel I, onderdeel C, van deze wet heeft geen gevolgen voor ter beschikking gestelden van wie de verpleging van overheidswege op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, reeds voorwaardelijk is beëindigd.

ARTIKEL V

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 25 november 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

Uitgegeven de vierde december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 816