Besluit van 29 oktober 2015 tot wijziging van het Postbesluit 2009 in verband met de modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 juli 2015, nr. WJZ /15071917;

Gelet op de artikelen 16, zesde en zevende lid, en 17, eerste lid, van de Postwet 2009;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2015, nr. W15.15.0207/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 23 oktober 2015, nr. WJZ /15119267;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Postbesluit 2009 wordt gewijzigd als volgt:

A

Voor artikel 5 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

Een verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat de brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of maandag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding, met dien verstande dat rouwbrieven en medische brieven per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zondag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding.

Artikel 4b

De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat het net van dienstverleningspunten voor het aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen voldoet aan de volgende spreidingsmaatstaven:

  • a. de spreiding over Nederland van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 95% van de inwoners;

  • b. de spreiding van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten buiten woonkernen met meer dan 5.000 inwoners resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 85% van de betrokken inwoners.

Artikel 4c

  • 1. De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat:

    • a. in woonkernen met meer dan 5.000 inwoners binnen een straal van 1.000 meter een voor het publiek bestemde brievenbus is, en

    • b. buiten de woonkernen, bedoeld in onderdeel a binnen een straal van 2.500 meter een voor het publiek bestemde brievenbus is.

  • 2. De verlener van de universele postdienst kan in afwijking van de in het eerste lid, onderdeel b, gestelde eis, wanneer deze eis redelijkerwijs niet haalbaar is, afwijken van die eis indien hij de betrokken gebruikers de gelegenheid biedt om bij de bestelling poststukken ten vervoer aan te bieden.

Artikel 4d

De verlener van de universele postdienst houdt bij de uitvoering van het bepaalde in de artikelen 4b en 4c rekening met een advies als bedoeld in artikel 18a, van de wet ten aanzien van de belangen van kwetsbare gebruikers van de universele postdienst.

B

In artikel 6, tweede lid, wordt «als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de wet,» vervangen door: als bedoeld in artikel 4b.

C

Artikel 7, tweede lid, wordt «bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de wet,» vervangen door: bedoeld in artikel 4a.

D

In artikel 8, eerste lid, wordt «als bedoeld in artikel 16, achtste lid, van de wet,» vervangen door: als bedoeld in artikel 4c.

E

In artikel 10, eerste lid, wordt «als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de wet,» vervangen door: als bedoeld in artikel 4b.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, subonderdeel b, van de wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (Stb. 2015, 212) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 29 oktober 2015

Willem-Alexander

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Uitgegeven de elfde november 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

In de afgelopen jaren hebben zich op de Nederlandse postmarkt aanzienlijke wijzigingen voorgedaan in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de universele postdienst (hierna: UPD), waardoor een situatie is ontstaan van structurele en toenemende volumedalingen. Hierdoor is de financiële houdbaarheid van de UPD onder druk komen te staan. Om deze reden is in de wet van 4 juni 2015 houdende wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienst (Stb. 2015, 212) een aantal maatregelen opgenomen. Deze maatregelen hebben als doel de continuïteit van een kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke basispostvoorziening die is ingericht om de huidige wensen van burgers en kleinzakelijke gebruikers beter te kunnen waarborgen. Twee van deze maatregelen vergen een wijziging van het Postbesluit 2009. Met dit besluit wordt hieraan invulling gegeven.

Ten eerste worden met dit besluit de concrete eisen voor de verlener van de universele postdienst inzake de overkomstduur en het net van postvestigingen en brievenbussen vastgesteld op het niveau van algemene maatregel van bestuur (in plaats van het niveau van de Postwet 2009). Dit betreft een nadere concretisering van de eisen inzake de kwaliteit en toegankelijkheid van de UPD die zijn neergelegd in artikel 16, zesde en zevende lid, van de Postwet 2009 (hierna: de wet). Door de eisen inzake postvestigingen en brievenbussen te concretiseren op het niveau van algemene maatregel van bestuur is beter gewaarborgd dat snel en effectief kan worden ingegrepen indien dat gelet op de snelle veranderingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD, noodzakelijk is (zie Kamerstukken II, 2013/2014, 34 024, nr.3). Met de materiële norm op het niveau van de wet wordt verzekerd dat de nadere concretisering binnen bepaalde randvoorwaarden moet blijven.

Ten tweede wordt met dit besluit de aangekondigde wijziging van de concrete eisen aan het aantal postvestigingen en brievenbussen doorgevoerd (zie Kamerstukken II 2013/2014, 34 024, nr.3). Bij de uitwerking hiervan is het advies van consumentenorganisaties die de belangen behartigen van kwetsbare gebruikers van de UPD van belang. De inhoudelijke eis aan de overkomstduur van de universele post blijft ongewijzigd.

2. Hoofdlijnen van het besluit

2.1. Overkomstduur

De inhoudelijke eis die wordt gesteld aan de overkomstduur verandert niet. Brieven die vallen onder de UPD dienen binnen Nederland in ten minste 95% van de gevallen binnen één dag na aanbieding bezorgd te worden met uitzondering van bezorging op zon- of maandag of officiële feestdagen. Rouw- en medische brieven dienen nog steeds in ten minste 95% van de gevallen binnen één dag na aanbieding bezorgd te worden met uitzondering van bezorging op zondag of officiële feestdagen. De eis aan de overkomstduur zoals die voorheen op het niveau van de wet was opgenomen (in artikel 16, zesde lid, van de Postwet 2009) blijft dus gehandhaafd en is opgenomen in artikel 4a (artikel I, onderdeel A, van dit besluit).

2.2. Postvestigingen

In artikel 16, zevende lid, van de wet werden voorheen aan de verlener van de universele postdienst ten aanzien van postvestigingen zowel spreidingseisen als een absolute eis aan het aantal postvestigingen gesteld. Op grond van die spreidingseisen dienden de postvestigingen zo geplaatst te zijn dat voor ten minste 95% van de Nederlandse inwoners een dienstverleningspunt met volledig assortiment bereikbaar was binnen een straal van 5 kilometer. Voor ten minste 85% van de inwoners wonende buiten woonkernen met meer dan 5.000 inwoners diende een dienstverleningspunt met volledig assortiment bereikbaar te zijn binnen een straal van 5 kilometer. Naast de spreidingseisen voorzag de wet er voorts in dat de verlener van de universele postdienst op grond van de absolute eis in ieder geval moest beschikken over ten minste 2.000 dienstverleningspunten (waarvan ten minste 902 met een volledig assortiment). Op dit moment beschikt de verlener van de universele postdienst over circa 2.000 postvestigingen.

De absolute eis dat de verlener van de universele postdienst moet beschikken over ten minste 2.000 dienstverleningspunten komt in dit besluit te vervallen. Deze eis is niet noodzakelijk voor de borging van het publieke belang van toegankelijkheid van postvestigingen, omdat de toegankelijkheid reeds wordt geborgd door de spreidingseisen. Deze spreidingseisen blijven gehandhaafd en zijn opgenomen in artikel 4b (artikel I, onderdeel A) van dit besluit. De spreidingseisen leiden op zichzelf tot een ondergrens van circa 1.000 postvestigingen waarover de verlener van de universele postdienst minimaal moet beschikken. Het vervallen van de absolute eis van 2.000 dienstverleningspunten geeft meer ruimte voor de verlener van de universele postdienst om onrendabele postvestigingen te sluiten. Deze maatregel bevordert de mogelijkheden om de UPD rendabel uit te voeren, terwijl de handhaving van de spreidingseisen borgt dat de toegankelijkheid van postvestigingen niet in het gedrang komt (zie Kamerstukken II 2013/2014, 34 024, nr.3).

2.3 Brievenbussen

In artikel 16, achtste lid, van de wet werden voorheen aan de verlener van de universele postdienst ten aanzien van brievenbussen een tweetal spreidingseisen gesteld. In woonkernen met meer dan 5.000 inwoners moest een brievenbus beschikbaar zijn binnen een straal van 500 meter. Buiten woonkernen met meer dan 5.000 inwoners moest een brievenbus beschikbaar zijn binnen een straal van 2.500 meter. Als gevolg van deze spreidingseisen beschikt de verlener van de universele postdienst momenteel over circa 19.000 brievenbussen. Een belangrijk gevolg van deze spreidingseisen was dat de plaatsing van brievenbussen werd bepaald op basis van de maximale onderlinge afstand van brievenbussen, en niet op grond van de daadwerkelijke behoeften en het gedrag van gebruikers. Met name voor woonkernen met meer dan 5.000 inwoners had de eis dat een brievenbus beschikbaar moet zijn binnen een straal van 500 meter als gevolg dat een belangrijk deel van de brievenbussen slechts beperkt werd gebruikt, bijvoorbeeld doordat zij zijn geplaatst op locaties waar gebruikers van de UPD niet vaak komen, terwijl de verlener van de universele postdienst deze brievenbussen wel op alle verplichte ophaaldagen diende te legen. In deze gevallen brengt de verplichting voor de verlener van de universele postdienst om de post vijf dagen per week op te halen relatief veel kosten met zich mee ten opzichte van de betrokken baten. Dit beperkt een rendabele uitvoering van de UPD.

Met het onderhavige besluit wordt de spreidingseis voor brievenbussen voor woonkernen met meer dan 5.000 inwoners verruimd, opdat voor inwoners een brievenbus beschikbaar moet zijn binnen 1.000 meter (zie artikel 4c, eerste lid, onderdeel a). Het verruimen van de spreidingseis bevordert de mogelijkheden om de UPD rendabel uit te voeren en creëert meer mogelijkheden voor de verlener van de universele postdienst om brievenbussen te plaatsen op locaties waar mensen regelmatig komen, zoals bij supermarkten, winkelcentra, postvestigingen en openbaarvervoerlocaties. De verlener van de universele postdienst wordt met deze wijziging in staat gesteld het aantal brievenbussen te verminderen van circa 19.000 naar circa 8.700 brievenbussen.

De spreidingseis op basis waarvan buiten woonkernen met meer dan 5.000 inwoners een brievenbus beschikbaar moet zijn binnen een straal van 2.500 meter wordt gehandhaafd (zie artikel 4c, eerste lid, onderdeel b), omdat deze voldoende ruimte laat om de brievenbuslocatie aan te laten sluiten op de behoeften van gebruikers en voorts effectieve waarborgen biedt voor de toegankelijkheid van de UPD op deze locaties.

Tevens is in het tweede lid, van artikel 4c, een vergelijkbare afwijkingsmogelijkheid opgenomen die voorheen was opgenomen in artikel 16, negende lid, van de wet. Deze afwijkingsmogelijkheid zag op beide spreidingseisen. In de praktijk is tot op heden afwijking slechts nodig gebleken in gebieden buiten woonkernen met meer dan 5.000 mensen. Gelet hierop is de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4c, tweede lid, beperkt tot de spreidingseis die geldt buiten woonkernen met meer dan 5.000 inwoners (zie artikel 4c, eerste lid, onderdeel b). Indien het in een bepaald gebied redelijkerwijs niet haalbaar is om, gelet op de spreidingseisen in artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, een voor een publiek bestemde brievenbus te plaatsen, kan de verlener van de universele postdienst op grond van dit tweede lid, bij het plaatsen van een brievenbus afwijken van deze spreidingseis. Om de betrokken gebruikers een alternatief te bieden, is een voorwaarde voor afwijking dat de verlener van de universele postdienst hen de gelegenheid moet bieden om poststukken aan de postbezorger mee te geven.

2.4. Advies (her)plaatsing postvestigingen en brievenbussen

De wijzigingen in de UPD-eisen ten aanzien van postvestigingen en brievenbussen geven de verlener van de universele postdienst de mogelijkheid om het aantal postvestigingen en brievenbussen te verminderen en de spreiding daarvan beter af te stemmen op de wensen en gedrag van gebruikers. Deze vermindering zal niet direct worden doorgevoerd, maar zal enige jaren in beslag nemen. Per locatie zal door de verlener van de universele postdienst worden bezien in hoeverre de plaatsing van postvestigingen of brievenbussen kan worden heroverwogen. Daarbij zal rekening worden gehouden met locaties waar mensen regelmatig komen, zoals bij supermarkten, winkelcentra en openbaarvervoerlocaties. Voorts zal daarbij worden geborgd dat de toegankelijkheid op lokaal niveau alsmede de toegankelijkheid van de UPD voor met name kwetsbare groepen (zoals ouderen) voldoende blijft. De Postwet 2009 voorziet daartoe (in artikel 18a, eerste lid) in de verplichting voor de verlener van de universele postdienst om advies te vragen aan consumentenorganisaties die de belangen behartigen van kwetsbare gebruikers van de UPD over de door hem voorgenomen wijzigingen in het aantal en de spreiding van brievenbussen en postvestigingen. Daarnaast voorziet de Postwet 2009 in de verplichting voor de verlener van de universele postdienst om schriftelijk te reageren op dat advies, waarbij de verlener van de universele postdienst verplicht is de redenen aan te geven waarom het advies al dan niet wordt overgenomen (artikel 18a, derde lid). In het verlengde hiervan voorziet artikel 4d in de verplichting voor de verlener van de universele postdienst om bij het aantal en de spreiding van brievenbussen en postvestigingen rekening te houden met dat advies. Dit betekent dat de verlener van de universele postdienst moet bezien in hoeverre redelijkerwijs aan het advies tegemoet kan worden gekomen.

3. Europees kader

Zoals hierboven is uiteengezet, heeft de wijziging van de eisen aan het net van postvestigingen en brievenbussen als doel een rendabele uitvoering van de UPD en daarmee de continuïteit van een kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke basispostvoorziening die is ingericht om de huidige wensen van burgers en kleinzakelijke gebruikers beter te kunnen waarborgen. Daarbij wordt rekening gehouden met de voorkeuren van gebruikers van de UPD, zoals het feit dat zij in mindere mate hechten aan de afstand tot postvestiging en brievenbus dan aan de prijs (zie Kamerstukken II 2011/12, 29 502, nr. 77 en de bijlagen daarbij). Met een vermindering van het aantal postvestigingen en brievenbussen wordt een kostenbesparing gerealiseerd waardoor toekomstige tariefstijgingen zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. Dit is in lijn met de voorkeuren van gebruikers.

Aldus is de onderhavige wijziging in overeenstemming met de eisen van artikel 3, eerste en derde lid, van de Postrichtlijn (richtlijn 97/67/EG van het Europese parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, PbEG 1998, L 15). Zie hieromtrent uitgebreider de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de UPD (Kamerstukken II 2013/2014, 34 024, nr.3).

4. Regeldruk en bedrijfseffecten

Zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (Kamerstukken II 2013/2014, 34 024, nr.3) worden door de vermindering van het aantal postvestigingen en brievenbussen de totale kosten van de UPD verminderd. Een daling van de totale kosten van de UPD kan zich vertalen in een verlaging van inhoudelijke nalevingskosten. Het bedrag waarmee de totale kosten van de UPD dalen, vertaalt zich echter niet één op één in een lastenverlichting voor de verlener van de universele postdienst. Een belangrijke reden hiervoor is dat in de Postregeling 2009 is geregeld dat het rendement dat de verlener van de universele postdienst mag behalen op de UPD gemaximeerd is. Indien door een verlaging van de totale kosten van de UPD het maximumrendement op de UPD wordt overschreden, wordt de tariefruimte van de UPD naar beneden toe bijgesteld. De verlaging van de totale kosten van de UPD vertaalt zich echter waarschijnlijk niet één op één in lagere tarieven voor de UPD, omdat de kosten per poststuk blijven stijgen door de verder dalende vraag. Een vermindering van het aantal postvestigingen en brievenbussen zal op deze manier wel toekomstige tariefstijgingen kunnen beperken.

5. Uitvoeringstoets ACM

De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) heeft geen opmerkingen bij dit besluit.

6. Consultatie

Om betrokken partijen en belanghebbenden de gelegenheid te geven hun zienswijzen op dit besluit kenbaar te maken, heeft een openbare internetconsultatie plaatsgevonden. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste reacties die betrekking hebben op dit besluit.

In een reactie wordt verzocht om de termijn waarop de verlener van de universele postdienst advies vraagt aan consumentenorganisaties over de voorgenomen wijzigingen in het aantal en de spreiding van brievenbussen en postvestigingen te verkorten van zes naar drie maanden voorafgaand aan de datum waarop de wijzigingen worden gerealiseerd. Met het amendement van het lid Mei Li Vos (PvdA) bij het wetsvoorstel tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (Kamerstukken II 2014/2015, 34 024, nr.15) wordt voorgesteld de termijn waarop de verlener van de universele postdienst dit advies moet vragen reeds verkort van zes naar vier maanden (zie artikel 18a, tweede lid, van de Postwet 2009). Die wettelijke termijn kan in het Postbesluit niet verder worden ingekort.

In een reactie wordt voorgesteld om bij de eis die wordt gesteld aan de overkomstduur te verduidelijken dat de verlener van de universele postdienst geen UPD-brieven hoeft te collecteren op feestdagen, omdat de huidige situatie tot onduidelijkheid zou leiden. Op basis van de overkomstduurnorm, die ongewijzigd wordt overgenomen in artikel 4a van het Postbesluit 2009, hoeft de verlener van de universele postdienst niet te bezorgen op officiële feestdagen. De verlener van de universele postdienst houdt daar in de praktijk bij de collectie van de UPD-brieven al rekening mee. Er is derhalve geen reden om de formulering van deze norm aan te passen.

In een reactie wordt voorgesteld om gebruikers van de UPD de mogelijkheid te geven om in alle gevallen post aan de postbezorger mee te geven. Deze suggestie is niet overgenomen. Met de voorgestelde aanpassing van de spreidingseis voor brievenbussen in woonkernen met meer dan 5.000 inwoners krijgt de verlener van de universele postdienst meer flexibiliteit om brievenbussen te plaatsen op locaties waar mensen regelmatig komen, zoals bij supermarkten, winkelcentra, postvestigingen en openbaarvervoerlocaties. Hiermee is de toegankelijkheid van de UPD voldoende geborgd.

In een reactie wordt verzocht om in dit besluit nadere regels te stellen om een kostenefficiënte uitvoering van de UPD te garanderen. Deze suggestie is niet overgenomen, aangezien er voldoende prikkels bestaan voor een efficiënte uitvoering van de UPD. Een belangrijke efficiëntieprikkel betreft bijvoorbeeld het belang van de verlener van de universele postdienst bij het doorvoeren van kostenbesparingen voor niet-UPD-diensten. Dergelijke kostenbesparingen dienen op grond van de Postregeling 2009 te worden verdeeld tussen UPD-diensten en niet-UPD-diensten en kunnen zich daarom ook doorvertalen in lagere kosten voor de UPD. Daarnaast komt een belangrijke efficiëntieprikkel voort uit de aanzienlijke volumedalingen die grotendeels het gevolg zijn van elektronische substitutie op de Nederlandse postmarkt. Doordat consumenten steeds vaker overstappen naar elektronische communicatiediensten is het in het belang van de verlener van de universele postdienst haar kosten zoveel mogelijk te beperken omdat prijsstijgingen binnen de UPD zullen leiden tot extra vraaguitval.

In een reactie wordt voorgesteld om de verplichting op te nemen dat de verlener van de universele postdienst periodiek rapporteert over de uitvoering van de UPD-eisen. Daarnaast wordt voorgesteld een nadere uitwerking van de UPD-eisen op te nemen (zoals de meetmethodieken die bij het voldoen aan de UPD-eisen worden gehanteerd). Deze voorstellen zijn niet overgenomen. De ACM ziet toe op de desbetreffende UPD-eisen, zoals de spreidingseisen voor postvestigingen en brievenbussen, en kan in dat verband informatie opvragen bij de verlener van de universele postdienst. Voorts brengt de ACM jaarlijks een rapportage uit waar in staat of de verlener van de universele postdienst heeft voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van de overkomstduur en het postvestigingenbeleid. Ten aanzien van de meetmethodiek van de overkomstduur wordt een NEN-norm gehanteerd (NEN-EN 13850, zie artikel 9, eerste en tweede lid, van het Postbesluit 2009).

In een reactie wordt gevraagd om nadere regels om belanghebbende partijen te betrekken bij de invulling en uitvoering van de UPD-eisen. Deze suggestie is niet overgenomen, aangezien reeds afdoende is geborgd dat bij voorgenomen wijzigingen van de UPD-eisen voldoende inzicht is in de gevolgen daarvan. Zo krijgen belanghebbenden bij aanpassingen van de UPD-eisen de gelegenheid hun zienswijzen op de wijzigingen kenbaar te maken tijdens een openbare consultatie van het ontwerpbesluit. Daarnaast toetst de ACM of de wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Overigens is in 2016 een evaluatie van de UPD voorzien waarbij onder andere zal worden ingegaan op de aanwijzing van de verlener van de universele postdienst. Bij deze evaluatie krijgen belanghebbenden tevens de gelegenheid hun zienswijzen kenbaar te maken.

In een reactie is verzocht om een verplichting op te nemen voor de verlener van de universele postdienst om jaarlijks informatie over de kosten van het collectiedeel van de UPD te sturen aan de Minister van Economische Zaken, die vervolgens de Kamer zou kunnen informeren. Daarnaast zou de verplichting moeten worden opgenomen voor de verlener van de universele postdienst om de ACM op gedetailleerd niveau duidelijkheid te verschaffen over de kosten van het collectiedeel van de UPD. Deze suggesties zijn niet overgenomen. In de Postregeling 2009 zijn regels gesteld aan onder meer de kostentoerekening aan de UPD. Op de naleving daarvan wordt toegezien door een onafhankelijke toezichthouder: de ACM. Op grond van de in 2014 aangescherpte Postregeling 2009 dient de verlener van de universele postdienst de kosten van de UPD op een dusdanig gedetailleerd toe te rekenen dat de ACM daarmee de daadwerkelijke kosten van de UPD kan bepalen. Op het moment dat de regels voor kostentoerekening niet worden nageleefd, kan de ACM handhavend optreden. Omdat hiermee afdoende waarborgen zijn voor effectief toezicht acht ik een aanvullende informatieverplichting niet wenselijk. Daarnaast is informatie over de kosten die de verlener van de universele postdienst maakt bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. Deze gegevens kunnen niet zonder meer openbaar worden gemaakt.

In een reactie wordt gevraagd hoe de toegankelijkheid van de UPD wordt geborgd en of aan de Europeesrechtelijke randvoorwaarden wordt voldaan. De toegankelijkheid van de UPD wordt geborgd door de spreidingseisen voor postvestigingen en brievenbussen. De voorgestelde aanpassingen houden voorts nadrukkelijk rekening met de behoeften van gebruikers van de UPD. Gelet het belang dat gebruikers van de UPD hechten aan de betaalbaarheid de UPD, ten opzichte van bijvoorbeeld afstand tot postvestiging of brievenbus, beogen de maatregelen de kosten van de UPD te verminderen. Hierdoor kunnen toekomstige tariefstijgingen zoveel mogelijk worden beperkt. De relatie van de aanpassingen met de Europeesrechtelijke randvoorwaarden is uiteengezet in paragraaf 3 van deze toelichting (Europees kader).

In een reactie is gevraagd om aanvullende criteria op te nemen voor de verlener van de universele postdienst voor de plaatsing van brievenbussen en om een uitbreiding van de adviesverplichting voor consumentenorganisaties. Deze suggestie is niet overgenomen, aangezien reeds voldoende waarborgen zijn opgenomen dat partijen die een direct belang hebben bij de UPD worden betrokken bij de praktische invulling van wijzigingen van de UPD-eisen. Om te borgen dat goed rekening wordt gehouden met de belangen van gebruikers verplicht artikel 18a van het wetsvoorstel de verlener van de universele postdienst om consumentenorganisaties om advies te vragen over voorgenomen wijzigingen van het aantal en de spreiding van postvestigingen en brievenbussen. Met het amendement van het lid Mulder (CDA) wordt voorts voorgesteld de verplichting op te nemen dat op een reactie schriftelijk wordt gereageerd (Kamerstukken II 2014/15 34 024, nr. 9). In het verlengde van deze adviesplicht voorziet artikel 4d van het voorliggende besluit in de verplichting voor de verlener van de universele postdienst om bij het aantal en de spreiding van brievenbussen en postvestigingen rekening te houden met dat advies.

In een reactie is voorgesteld de voorgestelde aanpassing van de eisen aan de UPD pas door te voeren nadat de ACM een definitieve tariefruimte binnen de UPD voor 2015 heeft vastgesteld. Gelet op de snelle veranderingen op de postmarkt is het niet wenselijk om te wachten met de invoering van deze maatregelen tot het moment dat het onderzoek van de ACM naar de huidige UPD-tarieven is afgerond. Zoals hierboven uiteengezet worden maatregelen voorgesteld die de kosten van de UPD verminderen, zodat toekomstige tariefstijgingen zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. Dit is in lijn met de behoeften van gebruikers van de UPD.

II. Artikelen

Artikel I, onderdeel A

In het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet dat in de artikelen 4a tot en met 4c concrete kwaliteitsnormen voor de UPD inzake de overkomstduur en het net van postvestigingen en brievenbussen van de verlener van de universele dienst zijn opgenomen. Hiermee is gewaarborgd dat snel en effectief kan worden ingegrepen indien dat gelet op de snelle veranderingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD noodzakelijk is (zie Kamerstukken 34 024, nr. 3).

In artikel 4d is bepaald dat de verlener van de universele postdienst bij de uitvoering van die kwaliteitsnormen rekening moet houden met het advies van consumentenorganisaties die de belangen behartigen van kwetsbare gebruikers van de universele postdienst. Dit ligt in het verlengde van artikel 18a van de wet op grond waarvan de verlener van de universele postdienst verplicht is om zo’n advies te vragen. Deze waarborgen zijn in het belang van de toegankelijkheid op lokaal niveau alsmede de toegankelijkheid van de UPD voor met name kwetsbare groepen (zoals ouderen).

Artikel I, onderdelen B tot en met E

De verwijzingen in de artikelen 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste lid, en 10, eerste lid, naar artikel 16, zesde tot en met achtste lid, dienen vervangen te worden vanwege de wijziging van artikel 16, zesde tot en met achtste lid, in de wet van 4 juni 2015 houdende wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienst. Als gevolg van die wet worden de eisen aan de overkomstduur en aan het net van de verlener van de universele postdienst immers opgenomen in de artikelen 4a tot en met 4c (zie artikel I, onderdeel A) van dit besluit.

Artikel II

De inwerkingtreding van dit besluit is afhankelijk van de inwerkingtreding van de wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Postwet. Daarmee wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zowel voor wat betreft de datum van inwerkingtreding als voor de termijn tussen de publicatiedatum van het besluit en het tijdstip van inwerkingtreding. Deze afwijking is nodig omdat als gevolg van de ontwikkelingen op de Nederlandse postmarkt de financiële houdbaarheid van de UPD onder druk is komen te staan. Om deze reden is een aantal maatregelen nodig waardoor de continuïteit van een kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke basispostvoorziening beter te kunnen waarborgen. Deze maatregelen zijn gedeeltelijk opgenomen in voornoemde wet, doch twee van deze maatregelen zijn in dit besluit opgenomen. Derhalve dient dit besluit op hetzelfde moment als de voornoemde wet in werking te treden en dient afgeweken te worden van het beleid inzake vaste verandermomenten.

In artikel II wordt de inwerkingtreding van dit besluit afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, subonderdeel b, van voornoemde wet, omdat dit besluit samenhangt met de daarin opgenomen wijziging van artikel 16 van de Postwet 2009.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven