Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van nr. IENM/BSK-2015/115338,
Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op artikel VII, eerste lid, van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van
de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van
uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels
inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen,
en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar
vervoer (Stb. 2015, 9);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Enig artikel
De Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer
2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt
«Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging
van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een
verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9) treedt, met uitzondering van de artikelen I, onderdelen K tot en met N, Oa, Ob,
GG, HH, KK, LL, MM en OO, II, onderdelen C, D en E, en VI, eerste lid, in werking
op 1 juli 2015.
Wassenaar, 24 juni 2015
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld
Uitgegeven de dertigste juni 2015
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur
NOTA VAN TOELICHTING
De Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer
2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt
«Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging
van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een
verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9)(hierna: de wet) wijzigt een aantal bepalingen in de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer
2000.
Dit koninklijk besluit voorziet in vrijwel de volledige inwerkingtreding van de wet
met ingang van 1 juli 2015. Hieronder wordt ingegaan op de onderdelen van de wet die
niet met ingang van 1 juli 2015 in werking treden.
Onderdeel K van artikel I van de wet gaat over het publiekrechtelijke vergunningenstelsel
inzake het omgevingsregime omtrent de hoofdspoorwegen. Ter uitwerking van dat stelsel
worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld. Die regels worden op dit moment
voorbereid. Onderdeel K, en de daarmee samenhangende onderdelen L, M en N van artikel
I en artikel VI, eerste lid, zullen daarom op een later tijstip in werking treden.
De onderdelen GG, HH, KK, LL en MM, van artikel I van de wet gaan over bijzondere
spoorwegen. Die onderdelen zullen in werking treden op 1 december 2015, het tijdstip
waarop de Wet Lokaal spoor in werking treedt (zie de artikelsgewijze toelichting bij
artikel VII van de wet)(Kamerstukken II, 2014/15, 33 965, nr. 3). Daartoe zal nog een koninklijk besluit worden opgesteld.
De artikelonderdelen Oa en Ob van artikel I treden op een later tijdstip in werking.
Die onderdelen hebben betrekking op de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van
de verplichting om een bedrijfsvergunning, dan wel een veiligheidscertificaat als
genoemd in het tweede lid van artikel 27 van de Spoorwegwet te hebben (Kamerstukken
II, 2014/15, 33 965, nr. 8). Aan deze vrijstelling kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Dergelijke
voorwaarden en beperkingen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat een spoorwegonderneming
die vrijgesteld is van de verplichting om over een veiligheidscertificaat te beschikken,
wel moet beschikken over een bij die organisatie passend veiligheidbeheerssysteem.
Aan dat veiligheidsbeheersysteem kunnen bij ministeriële regeling eisen worden gesteld.
Die ministeriële regeling is in voorbereiding.
De onderdelen C, D en E van artikel II van de wet zijn reeds in werking getreden op
1 mei 2015 (Stb. 2015, 161). Die artikelonderdelen hebben betrekking op de mogelijkheid tot het opleggen van
een verblijfsverbod in en rond voorzieningen behorende bij het openbaar vervoer.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld