Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2014, 309AMvB

Besluit van 17 juli 2014 tot wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies in verband met de samenvoeging van de voormalige Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 20 december 2013, nr. WJZ / 13201635;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies en artikel 3.52a van de Wet inkomstenbelasting 2001;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2014, nr. W15.13.0470/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2014, nr. WJZ / 14037388;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van het begrip «algemene groepsvrijstellingsverordening» komt te luiden:

algemene groepsvrijstellingsverordening:

verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L187);

2. In de begripsbepaling van het begrip «Europees steunkader» wordt «de artikelen 86, derde lid, 87 en 88 van het EG-Verdrag» vervangen door: de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3. De begripsbepaling van het begrip «de-minimis verordening» komt te luiden:

de-minimis verordening:

verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352) of verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU 2013, L 352);

4. In de alfabetische volgorde worden twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:

landbouwonderneming:

onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;

landbouwproducten:

producten als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met uitzondering van visserijproducten;

5. De begripsbepaling van het begrip «onderzoeksorganisatie» komt te luiden:

onderzoeksorganisatie:

een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel ee, van de kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C198/7);

6. In de alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

visserijproducten:

producten, genoemd in hoofdstuk 3 van bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

B

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende

Artikel 1a

Dit besluit is niet van toepassing op:

  • a. subsidies die worden verstrekt op basis van of in nauwe samenhang met een bindend besluit van de Raad, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Unie;

  • b. subsidies die worden verstrekt met het oog op cofinanciering van een door de Raad of de Commissie van de Europese Unie goedgekeurd programma;

  • c. specifieke uitkeringen die worden verstrekt op grond van een regeling die uitsluitend voorziet in het verstrekken van specifieke uitkeringen, of

  • d. subsidies die worden verstrekt krachtens het Besluit stimulering duurzame energieproductie.

C

In artikel 2 vervallen het vierde tot en met zevende lid.

D

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «in Nederland gevestigde» en wordt na «die voor eigen rekening en risico activiteiten uitvoert» ingevoegd: die ten goede komen aan de Nederlandse economie.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot tweede lid vervallen het tweede en het derde lid.

E

In artikel 14a wordt «Punt 80 tot en met 84 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEU 2008, C82)» vervangen door: Punt 80 tot en met 84 van de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PbEU 2008, C82).

F

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «of» vervangen door een komma.

2. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt in onderdeel d door «, of», een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • e. verdeling van het subsidieplafond door loting.

3. In het tweede lid wordt na de zinsnede «voor verdeling op volgorde van binnenkomst» een zinsnede ingevoegd, luidende: of verdeling van het subsidieplafond door loting.

4. In het vierde lid wordt na de zinsnede «op volgorde van rangschikking van de aanvragen,» een zinsnede ingevoegd, luidende: door loting,.

G

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «een formulier, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld» vervangen door: een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om subsidie.

H

In artikel 20 wordt «dienen zij hun aanvraag in via een penvoerder» vervangen door: dient de penvoerder namens hen de subsidieaanvraag in.

I

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een aanvraag vergezeld gaat van een advies van een adviescommissie, uitgebracht aan de aanvrager op basis van een vooraanmelding.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid vindt vooraanmelding plaats met gebruikmaking van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld en kunnen bij ministeriële regeling nadere eisen worden gesteld.

J

Aan de tabel van artikel 26, tweede lid, worden twee rijen toegevoegd, luidende:

Verdeling van het subsidieplafond door loting (artikel 17, eerste lid, onderdeel e)

Geen sprake van publieke co-financiering

 

13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend

 

Wel sprake van publieke co-financiering

 

22 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend

K

Na artikel 28 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 28a

Indien bij ministeriële regeling is gekozen voor verdeling van het subsidieplafond door loting, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking zoals door loting is bepaald.

L

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt de zinsnede «die in Nederland zijn gevestigd en daar een substantieel deel van hun activiteiten uitvoeren» vervangen door: die een substantieel deel van hun activiteiten in Nederland uitvoeren.

2. onderdeel g komt te luiden:

  • g. de wijze waarop betaling wordt aangevraagd;.

M

In artikel 32, eerste lid, onderdeel a, wordt voor de zinsnede «de vergoeding of provisie» een zinsnede ingevoegd, luidende: een bepaling inzake.

N

In artikel 35 vervalt de zinsnede «een subsidie aan».

O

In artikel 36 wordt de zinsnede «doen onverwijld mededeling» vervangen door: doen onverwijld schriftelijk mededeling.

P

In artikel 36a wordt de zinsnede «De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling» vervangen door: De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling.

Q

In artikel 37, derde lid, wordt na de zinsnede «bedoeld in het eerste lid» een zinsnede ingevoegd, luidende: , tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen als omschreven in het plan.

R

In artikel 38, derde lid, wordt na de zinsnede «Indien de subsidie minder bedraagt dan € 125.000» een zinsnede ingevoegd, luidende: en de aanvraag voor vaststelling van de subsidie niet vergezeld dient te gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 50, derde lid,.

S

In artikel 41, tweede lid, onderdeel c, vervalt de zinsnede «die voortvloeien uit de door de onderzoeksorganisatie in het kader van de activiteiten en die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen».

T

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de verplichting de verstrekte subsidie, inclusief eventuele rente of opslag, terug te betalen.

2. Het zevende lid wordt vernummerd tot zesde lid.

U

In artikel 43 wordt de zinsnede «nadere verplichtingen opleggen» vervangen door: bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften nader invullen.

V

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld. De aanvraag gaat vergezeld van de bij ministeriële regeling bepaalde bescheiden, waaronder in ieder geval:

    • a. een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten,

    • b. een mededeling van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft is gefinancierd en

    • c. indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, een controleverklaring van een accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot zevende en achtste lid, worden vier leden ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de aanvraag uitsluitend vergezeld gaat van een verklaring van de subsidieontvanger waaruit blijkt:

    • a. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;

    • b. dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden;

    • c. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;

    • d. wat, in voorkomend geval, de stand van de egaliteitsreserve is;

    • e. wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derde is; en

    • f. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag.

  • 5. De controleverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt vastgesteld met inachtneming van bij ministeriële regeling te bepalen regels.

  • 6. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de controleverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt de zinsnede «in afwijking van het tweede lid, onderdeel b» vervangen door «in afwijking van het tweede lid, onderdeel c» en «accountantsverklaring» door «controleverklaring».

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Indien door Onze Minister krachtens dit besluit een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.

W

In artikel 51, eerste lid, wordt de zinsnede «dienen zij hun aanvraag tot subsidievaststelling in via de penvoerder» vervangen door: dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in.

X

In artikel 52 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

Y

In artikel 56 wordt de zinsnede «Kaderbesluit EZ-subsidies» vervangen door: Kaderbesluit nationale EZ-subsidies.

ARTIKEL II

Artikel 13 van het Besluit RDA vervalt.

ARTIKEL III

Het Besluit RDA zoals dat onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit luidde, blijft van toepassing op voor de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen voor een RDA-beschikking als bedoeld in artikel 13 van het Besluit RDA.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, onder 5, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 juli 2014

Willem-Alexander

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Uitgegeven de negentiende augustus 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

Als gevolg van de samenvoeging van de voormalige Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en van Economische Zaken (EZ) is de Kaderwet LNV-subsidies geïntegreerd in de Kaderwet EZ-subsidies (Stb. 2013, 482). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangekondigd dat het wetsvoorstel een eerste stap is in de richting van de integratie van subsidiëring op de terreinen van de voormalige Ministeries van EZ en LNV (Kamerstukken II 2012/13, 33 656, nr. 3, p. 2). Dit besluit is de volgende stap en bevat wijzigingen van het Kaderbesluit EZ-subsidies (hierna: Kaderbesluit) die noodzakelijk zijn om de subsidieregelgeving van het Ministerie van EZ verder te kunnen integreren. Ook wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het besluit op onderdelen te actualiseren en van kleine onvolkomenheden te ontdoen.

2. Subsidiestructuur

Het Kaderbesluit bevat generieke bepalingen omtrent subsidieverstrekkingen en voorkomt dat bij nieuwe instrumenten generieke subsidiebepalingen opnieuw worden uitgevonden en dat dwingende voorschriften (onder meer de vertaling van goedgekeurde steunmaatregelen) onjuist of niet worden toegepast. Het Kaderbesluit heeft weinig toegevoegde waarde voor Europese subsidies. Europese regelgeving bevat zelf doorgaans al rechtstreeks werkende kaders die op onderdelen onderling van elkaar kunnen afwijken. Voor zover dat het geval is, is er geen ruimte voor dergelijke bepalingen in het Kaderbesluit. Voor zover wel ruimte bestaat voor aanvullende generieke bepalingen moet er voldoende flexibiliteit zijn om dergelijke bepalingen aan te passen aan mogelijke wijzigingen van de Europese regelgeving.

Daarom is ervoor gekozen om voor het Ministerie van EZ te werken met de volgende subsidiestructuur. Subsidies die rechtstreeks op Europese regelgeving zijn gebaseerd of Europese (co)financiering kennen, worden opgenomen in de Regeling Europese EZ-subsidies. Het nieuwe Kaderbesluit heeft een nationaal karakter en is hierop dus niet van toepassing. Subsidies die uitsluitend met nationaal middelen worden gefinancierd worden opgenomen in de Regeling nationale EZ-subsidies. Jaarlijks zal één regeling worden gepubliceerd waarin de openstellingen en de subsidieplafonds van zowel nationale als Europese subsidies bekend worden gemaakt.

De keuze voor een aparte regeling Europese EZ-subsidies biedt de mogelijkheid veranderingen in de betrokken Europese regelgeving herkenbaar te verwerken. Bijkomend voordeel is dat het voor betrokkenen eenvoudiger is de herkomst van een bepaalde subsidie te achterhalen en daarmee ook te zien welk regime van toepassing is. Hierbij kan gedacht worden aan de toepasselijkheid van Verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PbEG 1995, L 312).

Niet alle subsidies met een Europese oorsprong worden opgenomen in de Regeling Europese EZ-subsidies. Subsidies die voortvloeien uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) zijn maar voor een klein deel subsidies van EZ en worden decentraal uitgevoerd.

Een zelfstandig kader daarvoor is neergelegd in een reeds ingediend wetsvoorstel (Kamerstukken 33 735).

Schematisch kan de nieuwe situatie als volgt worden weergegeven:

Het onderhavige besluit realiseert de wijzigingen die noodzakelijk zijn om de hierboven geschetste structuur mogelijk te maken.

3. Wijzigingen in het Kaderbesluit EZ-subsidies

Loting:

Bij subsidieregelingen van LNV bestond al de mogelijkheid om loting te gebruiken om een subsidieplafond mee te verdelen. Het openen van deze mogelijkheid in het Kaderbesluit draagt dan ook bij aan de harmonisatie van de subsidiestelsels van EZ en LNV. Loting kent ten opzichte van de andere toewijzingsmechanismen een aantal op zichzelf staande voordelen. Loting leidt in vergelijking met de rangschikking van aanvragen op basis van beoordelingscriteria tot lagere uitvoeringslasten. Dit maakt loting als toewijzingsmechanisme een geschikte methode om subsidies toe te wijzen wanneer de aanvragen kwalitatief vergelijkbaar zijn, waardoor ranking op basis van beoordelingscriteria weinig nut heeft. Ook kan loting meer recht doen aan de duur van een aangekondigde openstellingsperiode dan wanneer wordt gekozen voor het verdelen van het subsidieplafond op volgorde van de binnenkomst van de aanvragen. Hiernaast maakt loting het niet alleen eenvoudiger om beleidsevaluaties uit te voeren, maar maakt loting het ook waarschijnlijker dat effecten van beleid kunnen worden vastgesteld.

In het rapport «Durf te meten» adviseert de Commissie Theeuwes bij de introductie van nieuwe beleidsinstrumenten waar mogelijk te werken met experimenten op basis van (gewogen) loting. Daarnaast beveelt de Commissie Theeuwes aan om voordat beleid grootschalig wordt uitgerold eerst een kleinschalige pilot met experimentele opzet te overwegen (Kamerstukken II 2012/13, 32 637, nr. 44). In de reactie van de Minister van Economische Zaken op het rapport «Durf te meten» van de Commissie Theeuwes is het belang onderschreven van het toepassen van experimentele onderzoeksmethoden, omdat dit wetenschappelijk bezien de beste manier is om de directe beleidseffecten te kwantificeren. Met het oog op de aanbevelingen is aangegeven dat het gebruik van experimenten op basis van loting verder zal worden bevorderd en tevens toegezegd dat ruimte wordt vrijgemaakt om kleinschalige beleidsexperimenten mogelijk te maken (Kamerstukken II 2012/13, 32 637, nr. 45). Dit besluit geeft invulling aan de toezeggingen door mogelijk te maken dat loting wordt ingezet om een subsidieplafond mee te verdelen.

Voor het meten van de directe effecten van beleidsinterventies is het cruciaal om over twee groepen te beschikken die onderling vergelijkbaar zijn. Idealiter is het enige verschil tussen de twee groepen dat de eerste groep wel de beleidsinterventie ontvangt en de tweede groep (de controlegroep) niet. Door loting als toewijzingsmechanisme op te nemen in het Kaderbesluit wordt het gemakkelijker gemaakt controlegroepen te creëren. Het Kaderbesluit beperkte de mogelijkheid van het kiezen voor loting tot op heden tot de situatie dat meerdere aanvragen worden ontvangen op de dag dat het subsidieplafond, dat wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst, wordt bereikt (artikel 27, tweede lid). Er bestaan echter geen principiële of juridische gronden om loting te beperken als middel om het subsidieplafond mee te verdelen. Op basis van artikel 27, tweede lid, is een zeer beperkt aantal subsidies, waaronder de innovatievouchers en zeer recentelijk de MKB-innovatiestimulering Topsectoren (MIT), door middel van loting toegekend. Bij de evaluatie van de innovatievouchers door het Centraal Planbureau is van deze loting gebruik gemaakt om een controlegroep te creëren. Door bedrijven die via loting een innovatievoucher ontvingen te vergelijken met bedrijven die hiervoor werden uitgeloot, kon het CPB tot een wetenschappelijk sterk gefundeerde conclusie komen over de effectiviteit van de innovatievouchers. Er kon worden vastgesteld dat innovatievouchers er in veel gevallen toe hebben geleid dat een opdracht aan een kennisinstelling werd verstrekt die anders niet zou zijn verstrekt.1

Het opnemen van loting als zelfstandig middel om een subsidieplafond mee te verdelen geeft beleidsmakers meer mogelijkheden voor het toepassen van experimentele onderzoeksmethodes indien dit, gegeven de specifieke beleidscontext, opportuun wordt geacht. Het gebruik van loting als toewijzingsmechanisme zal primair relevant zijn indien gekozen wordt voor kleinschalig pilots met experimentele opzet om te achterhalen welke beleidsinzet het meest effectief is om een bepaald beleidsdoel te realiseren. Hiernaast kan loting worden benut bij de introductie van nieuw beleid. Door bij de introductie van een beleidsinstrument subsidie op basis van loting toe te kennen kan in een eerder stadium worden achterhaald of de maatregel effectief is.

Formulieren:

Uit het Kaderbesluit volgde de verplichting voor de Minister van EZ bij ministeriële regeling aanvraag- en vaststellingsformulieren vast te stellen (artikelen 19, eerste lid, en 50, tweede lid). De systematiek die bij LNV gebruikelijk was week hiervan af. Subsidies die waren opgenomen in de Regeling LNV-subsidies bevatten enkel de eisen waaraan een subsidieaanvraag of een aanvraag van een subsidievaststelling moet voldoen. Voor de subsidies die waren opgenomen in de Regeling LNV-subsidies werden wel formulieren beschikbaar gesteld, maar het gebruik van deze formulieren was niet verplicht en dus niet afdwingbaar.

Gegeven het toenemende gebruik van het internet om subsidies mee af te handelen was het systeem zoals dat in het Kaderbesluit was voorgeschreven niet langer geschikt. De verplichting om formulieren integraal te publiceren resulteert in een onwenselijke beperking voor de ontwikkeling van digitale systemen die het uitvoeren van subsidies beogen te vereenvoudigen. Een voorbeeld van deze onwenselijke beperking betreft de moeizame wijze waarop een digitaal loket, het hergebruik van reeds bekende gegevens, of een uitklapscherm, in een statisch document kan worden verwerkt. Om de regelgeving toekomstbestendig te maken en bovendien verder te harmoniseren is dan ook besloten de Minister van EZ niet langer aanvraag- en vaststellingsformulieren te laten vaststellen. Regelingen die onder het bereik van het Kaderbesluit vallen zullen in de toekomst dan ook niet langer integrale formulieren bevatten, maar uitsluitend de eisen waaraan een aanvraag van een subsidie of subsidievaststelling moet voldoen. Zoals eerder opgemerkt kent het systeem van de Regeling LNV-subsidies geen mogelijkheden om het gebruik van een specifiek middel voor een aanvraag mee af te dwingen. Ook dit is onwenselijk. Om de beoordeling van een aanvraag voor een subsidie of subsidievaststelling zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is het noodzakelijk te kunnen voorschrijven welk middel hiervoor wordt gebruikt. Het is voor de verwerking onwenselijk rekening te moeten houden met aanvragen die afwijken van de standaard. Dit kan immers leiden tot onoverzichtelijk te beoordelen informatie of de beoordeling van een aanvraag op een ongewenste informatiedrager. Gekozen is dan ook voor de regel dat de aanvraag van een subsidie of subsidievaststelling moet worden ingediend met behulp van het middel dat hiervoor door Onze Minister beschikbaar is gesteld. Doorgaans zal dit middel vindbaar zijn op de website over de desbetreffende subsidie waar een aanvraag- of vaststellingsformulier kan worden ingevuld of is te downloaden. De toelichting bij een nieuw subsidie-instrument zal telkens aandacht besteden aan de wijze waarop de subsidie kan worden aangevraagd.

Het middel dat beschikbaar is gesteld geeft op een overzichtelijke en gestructureerde wijze invulling aan de eisen die aan de aanvraag van een subsidie of subsidievaststelling worden gesteld. Benadrukt wordt dat de inhoudelijke normen waaraan een aanvraag van een subsidie of subsidievaststelling moet voldoen, uitsluitend kan volgen uit de regelgeving. Afgezien van het verplicht indienen van een aanvraag met behulp van het beschikbaar gestelde middel kan het beschikbare middel zelf geen zelfstandige normen bevatten.

Zonder wettelijke basis kan van een subsidieaanvrager niet worden geëist dat communicatie met bestuursorganen uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. De wijziging met betrekking tot de omgang met de formulieren verhindert dan ook niet dat een aanvraag van een subsidie of subsidievaststelling via een andere weg dan de elektronische aan het bestuursorgaan kenbaar wordt gemaakt. Wel zal, onafhankelijk van de gekozen weg voor de indiening van een aanvraag, gebruik moeten worden gemaakt van het beschikbaar gestelde middel. Geborgd zal worden dat het middel dat beschikbaar wordt gesteld niet uitsluitend via de elektronische weg kan worden verzonden.

Subsidievaststelling

Op 28 september 2012 heeft de ministerraad ingestemd met de inwerkingtreding van het Raamwerk voor uitvoering van subsidies (RUS) op 1 januari 2013 voor nieuwe subsidieregelingen en de uitvoering daarvan, voor zover in specifieke onderdelen niet anders is bepaald. Voor subsidieregelingen die op 1 januari 2013 reeds bestonden geldt dat deze uiterlijk op 1 januari 2015 aan het raamwerk moeten voldoen. Het RUS kent een geharmoniseerde opzet van een viertal uitvoeringsvarianten voor subsidieverstrekking. Deze uitvoeringsvarianten zijn gebaseerd op de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Stcrt. 2009, 20306). Kort samengevat laten de vier uitvoeringsvarianten van het RUS zich als volgt karakteriseren:

1. One touch:

Deze subsidie wordt gekenmerkt door een eenmalig contactmoment tussen de begunstigde en de uitvoering. De beoordeling is licht en vindt bij voorkeur geautomatiseerd plaats.

2. Prestatie verantwoorden:

Deze uitvoeringsvariant is geschikt voor innovaties, investeringen en projecten tot aan € 125.000 waarbij het subsidiebedrag bij subsidieverlening wordt bepaald. Bij subsidievaststelling wordt alleen vastgesteld of de prestatie geleverd is.

3. Presteren en inzicht in kosten:

Deze variant is geschikt voor innovaties, investeringen en projecten. Voor de verantwoording is het voldoende om de gemaakte kosten te verantwoorden door een verklaring van de subsidieontvanger van de gemaakte kosten.

4. Integrale behandeling:

In de vierde variant vindt een integrale verantwoording van de prestatie en kosten plaats. Bij deze variant is ook de inzet van een controleverklaring aangewezen.

Om uitvoering te kunnen geven aan uitvoeringsvariant 3 zijn wijzigingen in het Kaderbesluit aangebracht. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling uitsluitend vergezeld hoeft te gaan van een verklaring van de subsidieontvanger. De subsidieontvanger verantwoordt zich met deze verklaring over de juistheid en volledigheid van de financiële verantwoording over de geleverde prestaties en/of verrichte activiteiten en de rechtmatigheid van de kosten en opbrengsten. Bewijsstukken worden niet standaard meegezonden, maar kunnen steekproefsgewijs worden opgevraagd. De administratieplicht (artikel 38 van het Kaderbesluit) blijft onverkort van kracht. Per subsidie-instrument dat op het Kaderbesluit is gebaseerd zal worden bekeken in hoeverre het opportuun is gebruik te maken van de mogelijkheid die met deze wijziging wordt geopend.

Een tweede aanpassing betreft de mogelijkheid de controleverklaring bij subsidies die meer bedragen dan € 125.000 te vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen. Bij subsidies die meer bedragen dan € 125.000 wordt in de regel een controleverklaring vereist als aanvullende zekerheid bij de financiële verantwoording van de subsidieontvanger. Een rapport van bevindingen richt zich op een waarneming van feiten en omstandigheden. Niet bij alle subsidieverstrekkingen die meer bedragen dan € 125.000 is een controleverklaring noodzakelijk om voldoende aanvullende zekerheid te krijgen en kan worden volstaan met een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant. Waar een dergelijk rapport voldoende zekerheid biedt, betekent dit voor de subsidieontvanger een verlaging van de administratieve lasten. Voor deze eenvoudigere en goedkopere verantwoording kan bijvoorbeeld worden gekozen indien de kosten waarop de subsidie betrekking heeft, goed te voorspellen of eenvoudig te verantwoorden zijn en de prestatie eenvoudig objectief is vast te stellen. Een voorbeeld is de subsidie voor investeringen in apparatuur waarvan de omvang van de kosten aan de hand van marktprijzen kan worden bepaald en variatie ten opzichte van de concrete kosten van de subsidieontvanger niet te verwachten is. De waarneming dat een dergelijke investering is gedaan, volstaat dan. De uitspraak over de juistheid van de kosten in de administratie in vergelijking tot de opgevoerde kosten is dan niet van een zodanige waarde dat het de extra lasten voor de subsidieontvanger kan rechtvaardigen.

4. Regeldruk en uitvoeringslasten

Dit besluit heeft zelf geen effecten op de regeldruk. De wijzigingen die het gevolg zijn van het RUS kunnen bijdrage aan een verlaging van de regeldruk. De regeldruk zal echter pas dalen wanneer in de concrete subsidieregelingen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die met de wijzigingen worden geopend. Op regelingsniveau kan dan worden bepaald wat de omvang van de vermindering van de regeldruk is.

De introductie van loting als verdeelmechanisme voor subsidies kan wel tot lagere uitvoeringslasten leiden. Uitvoeringslasten worden ook verminderd door formulieren niet langer als bijlage bij de regeling te publiceren.

5. Inwerkingtreding en overgangsrecht

De inwerkingtredingsdatum voor dit besluit wijkt af van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Gegeven dat dit besluit geen materiële gevolgen heeft is afwijken van het kabinetsbeleid gerechtvaardigd (Ar 174, vierde lid).

Dit besluit voorziet voor de wijzigingen van het Kaderbesluit niet in overgangsrecht, omdat de inwerkingtreding van de wijzigingen niet tot effecten leidt die door middel van overgangsrecht moeten worden voorkomen. Het grootste deel van de wijzigingen heeft als zodanig geen invloed op lopende subsidies, omdat ze betrekking hebben op bij ministeriële regeling te maken keuzes. Voor zover de wijzigingen wel invloed hebben op lopende subsidies, zoals bij het gebruik van een door de minister beschikbaar gesteld middel in het doen van een aanvraag, is er geen reden af te wijken van het uitgangspunt van onmiddellijke werking. Artikel I, onderdeel A, onder 5 treedt in werking op 1 januari 2015. Hiervoor is gekozen, omdat het van belang wordt geacht dat belanghebbenden voldoende tijd krijgen om zich op de nieuwe definitie voor te bereiden.

De wijziging die met dit besluit wordt aangebracht in het Besluit RDA resulteert wel in overgangsrecht. Zie daarvoor de toelichting op de artikelen II en III.

II. Artikelen

Artikel I

Onderdeel A

In de definitie van het begrip Europees steunkader wordt de verouderde verwijzing naar het EG-Verdrag vervangen door een verwijzing naar het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze nieuwe verwijzing heeft geen inhoudelijke gevolgen.

Enkele kernbegrippen uit de Regeling LNV-subsidies worden opgenomen in het Kaderbesluit. Het gaat hierbij om de begrippen landbouwonderneming, landbouwproducten en visserijproducten.

Onderdelen B en C

Een belangrijk verschil tussen de subsidiestelsels van EZ en LNV is de omgang met zogenoemde Europese subsidies. Europese subsidies zijn (i) subsidies verstrekt op basis van of in nauwe samenhang met een bindend besluit van de Raad, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Unie, of (ii) subsidies verstrekt met het oog op co-financiering van een door de Raad of de Commissie van de Europese Unie goedgekeurd programma. Europese subsidies zijn altijd uitgesloten geweest van de reikwijdte van het Kaderbesluit (artikel 2, vijfde lid). In het subsidiestelsel van LNV, meer specifiek in de Regeling LNV-subsidies, zijn Europese subsidies echter niet uitgesloten geweest. De integratie van de subsidiestelsels van EZ en LNV leidt tot een explicieter onderscheid tussen nationale en Europese subsidies. Om dit onderscheid zichtbaarder te maken worden de bepalingen die zien op de reikwijdte van het Kaderbesluit verplaatst van artikel 2 naar een nieuw artikel 1a. Het onderscheid wordt verder verduidelijkt door de citeertitel van het Kaderbesluit te veranderen in Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (zie artikel I, onderdeel Y).

Per boekjaar verstrekte subsidies waren voorheen expliciet uitgesloten van de reikwijdte van het Kaderbesluit. Dit is niet nodig, omdat in artikel 4:58 van de Algemene wet bestuursrecht wordt aangegeven dat desbetreffende afdeling enkel van toepassing is indien dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. De bepaling in artikel 2, vierde lid, komt dan ook te vervallen.

Onderdeel D

Artikel 3 van het Kaderbesluit bevatte tot op heden als hoofdregel een verkapte vestigingseis om in aanmerking te komen voor subsidie. Deze hoofdregel staat op gespannen voet met het Europese recht, ondanks dat hiervan bij ministeriële regeling kan worden afgeweken. Gekozen is dan ook om als hoofdregel vast te stellen dat een subsidie waarop het Kaderbesluit van toepassing is ten goede moet komen aan de Nederlandse economie. Met deze nieuwe hoofdregel kunnen het tweede en derde lid komen te vervallen.

Onderdeel E

De verwijzing naar de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming was niet helemaal correct. Om misverstanden te voorkomen is van de gelegenheid gebruik gemaakt om deze verwijzing te corrigeren.

Onderdelen F, J en K

In de algemene toelichting is uiteengezet waarom wordt gekozen voor het introduceren van loting als middel om het subsidieplafond mee te verdelen. Bewust is gekozen voor de mogelijkheid via de loting een rangorde te bepalen. Het loten van een rangorde is behulpzaam bij de uitvoering van omvangrijke subsidies. Immers, bij vele aanvragen en beperkte budgettaire ruimte verdient het de voorkeur eerst de loting uit te voeren en pas daarna te controleren of een aanvraag in aanmerking komt voor de subsidie. Indien een aanvraag niet in aanmerking komt voor subsidie zal daarna alsnog duidelijk zijn welke aanvraag gehonoreerd kan worden.

Dezelfde praktijk wordt gevolgd bij loting die plaatsvindt bij een subsidie die wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst indien het subsidieplafond wordt bereikt op een dag waarop meer dan één aanvraag is ontvangen (artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit). Dit wordt beklemtoond, omdat naar aanleiding van een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over artikel 58 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, dat qua formulering was geïnspireerd door artikel 27 van het Kaderbesluit, een andere lezing zou kunnen volgen (CBb 18 november 2010, LJN: BO5764). Artikel 27 van het Kaderbesluit ziet op subsidies die op volgorde van binnenkomst worden verdeeld naar aanleiding van volledige aanvragen. Dit laat echter onverlet dat loting kan plaatsvinden voordat is beoordeeld of een aanvraag op dat moment volledig is. Dit is mogelijk en ook wenselijk, omdat het zonder partijen te benadelen de uitvoeringslasten van een regeling kan beperken.

Onderdeel G

Omdat het formulier voor de aanvraag en de vaststelling van een subsidie met dit voorstel niet langer integraal wordt vastgesteld is de mogelijkheid opgenomen bij ministeriële regeling te bepalen aan welke eisen een aanvraag moet voldoen. Dit is nodig, omdat het erg afhankelijk is van de te subsidiëren activiteit welke informatie nodig is voor een adequate beoordeling van de subsidieaanvraag.

Onderdelen H en W

De redactie van de artikelen 20 en 51 heeft in het verleden aanleiding gegeven tot misverstanden. De gedachte van sommigen was dat de subsidieaanvraag van het samenwerkingsverband of de penvoerder is. Dit is echter niet het geval. Iedere deelnemer aan een samenwerkingsverband is na subsidieverlening subsidieontvanger. Artikel 20 beoogt niet anders dan te regelen dat de penvoerder van een samenwerkingsverband namens de beoogde subsidieontvangers de subsidieaanvraag indient.

Onderdelen I, M, N, O, S, T en U

Deze onderdelen bevatten technische wijzigingen die geen beleidsinhoudelijke wijzigingen beogen en enkel dienen om de regelgeving begrijpelijker en leesbaarder te maken.

Onderdeel L

Artikel 31 van het Kaderbesluit bevatte tot op heden een vestigingseis ten behoeve van ondernemingen die via een gesubsidieerde financier in aanmerking wilden komen voor bijzondere vormen van zekerheid of kapitaal. Deze vestigingseis staat op gespannen voet met het Europese recht en wordt daarom vervangen door de eis dat de onderneming die via een gesubsidieerde financier voor specifiek kapitaal of zekerheden in aanmerking wil komen een substantieel deel van de activiteiten in Nederland moet uitvoeren. Dit onderdeel bevat tevens een technische verbetering ten behoeve van de leesbaarheid van onderdeel g.

Onderdeel P

Als gevolg van het Kaderbesluit dient een subsidieontvanger onverwijld mededeling te doen aan de Minister van EZ zodra (i) de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of (ii) niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Het Kaderbesluit vereiste tot op heden niet dat de mededeling schriftelijk wordt gedaan. Dit is gegeven de bewijsvorming wel wenselijk en sluit ook aan bij het Uniform Subsidiekader. De Regeling LNV-subsidies kent een aan artikel 36a van het Kaderbesluit identieke bepaling met dien verstande dat daarin wel de eis is neergelegd dat de mededeling schriftelijk wordt gedaan. Deze wijziging harmoniseert dus het Kaderbesluit met de Regeling LNV-subsidies en zorgt er tevens voor dat het Uniform Subsidiekader beter wordt gevolgd.

Onderdeel Q

Op grond van artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit kan de Minister van Economische Zaken ontheffing verlenen van de verplichting een subsidie conform het daarvoor ingediende plan uit te voeren. Er kunnen zich ook gewijzigde omstandigheden voordoen waardoor het wenselijk is een subsidieontvanger te ontheffen van de verplichting een subsidie conform het daarvoor ingediende plan uit te voeren. De ontheffingsmogelijkheid zoals die nu is geformuleerd, is echter ongeclausuleerd waardoor ten onrechte de indruk zou kunnen ontstaan dat lichtvaardig tot ontheffing zou worden besloten. Er is dan ook voor gekozen de bepaling aan te scherpen met de voorwaarde dat in ieder geval geen ontheffing zal worden verleend wanneer dit afbreuk doet aan de doelen zoals die in het plan zijn omschreven. Benadrukt wordt dat de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid toe blijft komen een ontheffing te weigeren indien geen afbreuk zou worden gedaan aan doelen als omschreven in het plan. De aanvulling beoogt dus uitsluitend de mogelijkheden om een ontheffing te verlenen, te beperken. De mogelijkheden om een ontheffing te weigeren blijven onveranderd. Met deze aanvulling sluit het artikel ook beter aan bij de huidige Regeling LNV-subsidies (artikel 1:13, derde lid).

Onderdeel R

Met dit besluit wordt de mogelijkheid geïntroduceerd een verklaring van de subsidieontvanger te vragen als verantwoordingsmiddel bij de subsidievaststelling voor subsidies van € 25.000 tot € 125.000. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt moet de subsidieontvanger wel aan de reguliere administratieverplichtingen blijven voldoen. Zonder deze administratie is het ingewikkelder bij een steekproefsgewijze controle te bepalen of de verklaring die door de subsidieontvanger is gedaan waarheidsgetrouw was.

Onderdeel U

Artikel 43 bevat de mogelijkheid bij de beschikking tot subsidieverlening nadere verplichtingen op te leggen. De redactie van dit artikel leidt soms tot misverstanden. Het artikel wordt in de praktijk niet gebruikt om additionele verplichtingen op te leggen aan de subsidieontvanger. Het is ook onwenselijk bij subsidies die op basis van een subsidieregeling worden verleend pas in de subsidiebeschikking tot dan toe bij de subsidieontvanger onbekende verplichtingen op te nemen. In de praktijk wordt dit artikel dan ook uitsluitend als basis gebruikt om nadere invulling te geven aan de soms vrij algemeen geformuleerde voorwaarden die aan de subsidieontvanger worden gesteld. Hierbij kan worden gedacht aan het concretiseren van de administratieverplichtingen die volgen uit artikel 38 van het Kaderbesluit. Ten behoeve van de duidelijkheid is ervoor gekozen de formulering van artikel 43 aan te passen zodat deze beter strookt met het gebruik van deze mogelijkheid in de praktijk.

Onderdeel V

Omdat het formulier voor een subsidievaststelling niet langer integraal wordt vastgesteld is dit artikel aangevuld met de verplichting melding te maken van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft, is gefinancierd. Tevens is verduidelijkt wat onder een controleverklaring wordt verstaan. Deze verwijzing is overgenomen uit de Regeling LNV-subsidies. Bij ministeriële regeling zal, zoals voor subsidies die zijn opgenomen in de Regeling LNV-subsidies al gebruikelijk is, een controleprotocol worden vastgesteld dat de accountant of accountant-administratieconsulent moet gebruiken om de controleverklaring mee vast te stellen.

Bij ministeriële regeling is invulling gegeven aan de mogelijkheid een subsidie ambtshalve vast te stellen. Concreet is ervoor gekozen subsidies van minder dan € 25.000,–, conform artikel 50, zesde lid, van het Kaderbesluit, ambtshalve vast te stellen. Deze regel sluit ook aan bij het Uniform subsidiekader (USK) en het RUS.

In de algemene toelichting is al opgemerkt dat om uitvoering te kunnen geven aan het RUS, de mogelijkheid is opgenomen de subsidievaststelling te baseren op een verklaring van de subsidieontvanger. Tevens is daarin opgenomen waarom is gekozen voor de mogelijkheid om een controleverklaring te vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen.

Onderdeel X

Artikel 52, tweede lid, van het Kaderbesluit bevatte de mogelijkheid de termijn van 13 weken waarin een beschikking tot subsidievaststelling wordt afgegeven eenmalig met 13 weken te verlengen. In de praktijk was echter niet langer behoefte aan deze mogelijkheid tot verlenging. Ook de Regeling LNV-subsidies kende een termijn van 13 weken zonder mogelijkheid tot verlenging. Besloten is dan ook de mogelijkheid te schrappen.

Onderdeel Y

Dit besluit beoogt de basis te bieden voor een nieuwe overzichtelijke subsidiestructuur voor het Ministerie van Economische Zaken. De aanduiding van het Kaderbesluit kan daaraan bijdragen door voortaan expliciet te spreken over het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Hiermee wordt verduidelijkt dat dit besluit niet van toepassing is op de Regeling Europese EZ-subsidies.

Artikelen II en III

Artikel 13 van het Besluit RDA was het resultaat van de snelle invoering van de aanvullende aftrek voor Research en Development. Het is niet langer nodig noch wenselijk aanvragen voor kosten en uitgaven die zijn gemaakt tussen 1 januari 2012 en 1 juli 2012 in behandeling te nemen. De uitvoering van de RDA wordt gecompliceerder wanneer nog rekening moet worden gehouden met aanvragen die zien op 2012. Daarnaast is twijfelachtig of het Besluit RDA een stimulerend effect heeft gehad op kosten en uitgaven uit 2012 die nu pas worden opgevoerd voor een RDA-beschikking. Van de gelegenheid wordt dan ook gebruik gemaakt om artikel 13 van het Besluit RDA te laten vervallen. Na het vervallen van dit artikel gelden voor de aanvraag van een RDA-beschikking dezelfde regels als voor de aanvraag van een S&O-verklaring (artikel 2, tweede lid, Besluit RDA). Aanvragen die nog in behandeling zijn op het moment dat artikel 13 vervalt, zullen worden afgehandeld conform het oude regime.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

M.F. Cornet, B.L.K. Vroomen en M.W. van der Steeg, 2005, De effectiviteit van de innovatievoucher 2004, CPB Document 95, Den Haag; M.F. Cornet, M.W. van der Steeg en B.L.K. Vroomen, 2007, De effectiviteit van de innovatievoucher 2004 en 2005, CPB Document 140, Den Haag.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.