Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2013, 49AMvB

Besluit van 8 februari 2013, houdende regels betreffende toewijzing en gebruik van frequentieruimte (Frequentiebesluit 2013)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 juni 2011, nr. WJZ / 11081232;

Gelet op de artikelen 3.4, derde lid, 3.9, 3.16, eerste lid, 3.17, eerste tot en met derde lid, 3.22, vierde lid, 3.23, tweede tot en met vierde lid, 3.24, eerste lid, 3.25, eerste lid, 10.8, 13.4, 16.1 en 18.12 van de Telecommunicatiewet, artikel 1.2, tweede lid, van de Wet luchtvaart en de artikelen 19, eerste lid, en 64 van de Zeevaartbemanningswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 september 2011, nr. W 15.11.0235/IV);

Gezien het nader rapport van de Minister van Economische Zaken van 5 februari 2013, nr. WJZ / 12048871;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet:

Telecommunicatiewet;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de wet;

c. antenneregister:

openbaar antenneregister als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de wet.

HOOFDSTUK 2. GEBRUIK VAN FREQUENTIERUIMTE ZONDER VERGUNNING

Paragraaf 2.1. Vergunningvrij gebruik zonder meldingsplicht

Artikel 2
  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën radiozendapparaten worden aangewezen ten aanzien waarvan voor het gebruik van frequentieruimte geen vergunning is vereist en geen meldingsplicht geldt.

  • 2. De aanwijzing van categorieën radiozendapparaten, bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend geschieden voor zover het radiozendapparaten betreft, die geen of vrijwel geen storing of belemmering veroorzaken in elektrische of elektronische apparaten, die geen radiozendapparaten zijn.

  • 3. Met betrekking tot het gebruik als bedoeld in het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld:

    • a. inzake de doelmatigheid van het gebruik;

    • b. inzake de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden uitgezonden;

    • c. ter uitvoering van verplichtingen die voorvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijk organisaties aangaande het gebruik van frequentieruimte.

Paragraaf 2.2. Vergunningvrij gebruik met meldingsplicht

Artikel 3
  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën radiozendapparaten worden aangewezen ten aanzien waarvan voor het gebruik van frequentieruimte, behoudens een meldingsplicht, geen vergunning is vereist.

  • 2. Met betrekking tot het gebruik als bedoeld in het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld inzake:

    • a. het door de gebruiker beschikbaar houden van bescheiden;

    • b. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen door het gewenste signaal van een radiozendapparaat.

  • 3. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4
  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld waaraan een natuurlijke persoon moet voldoen voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Deze eisen kunnen slechts inhouden dat:

    • a. de gebruiker een bepaalde leeftijd heeft bereikt;

    • b. de gebruiker met goed gevolg een voor het gebruik van de gevraagde frequentieruimte, in samenhang met het doel waarvoor die frequentieruimte wordt gebruikt, vereist examen heeft afgelegd, of

    • c. de gebruiker in het bezit is van een certificaat van bediening.

  • 2. Ten aanzien van het verkrijgen van een certificaat van bediening en het examen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld die betrekking hebben op:

    • a. het afleggen en het afnemen van het examen;

    • b. de eisen van het examen;

    • c. de ontheffing van het examen;

    • d. de wijze waarop de vergoeding voor een examen dan wel een ontheffing moet worden voldaan;

    • e. het verkrijgen van een certificaat van bediening.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het gebruik door rechtspersonen van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid gelijk gesteld met een rechtspersoon.

Artikel 5
  • 1. Degene die voornemens is frequentieruimte waarvoor geen vergunning is vereist te gebruiken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, doet hiervan melding aan Onze Minister.

  • 2. Onze Minister registreert het in de melding bedoelde frequentiegebruik tenzij niet wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • 3. De frequentieruimte voor het gebruik waarvan geen vergunning is vereist, wordt slechts gebruikt indien het gebruik is geregistreerd overeenkomstig het tweede lid.

  • 4. Met het oog op de identificatie van het radiozendapparaat kent Onze Minister in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen aan degene die de melding heeft gedaan een combinatie van letters of cijfers toe.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de melding, de registratie en de toekenning van de combinatie van letters of cijfers.

HOOFDSTUK 3. ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE VERGUNNINGEN

Paragraaf 3.1. Algemeen

Artikel 6

Ingeval van een procedure voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet kan bij ministeriële regeling frequentieruimte voor een categorie van aanvragers worden gereserveerd. Daarbij kan een maximale hoeveelheid gereserveerde frequentieruimte worden vastgesteld die een aanvrager in de procedure kan verwerven.

Paragraaf 3.2. Verlening van vergunningen door middel van veiling of vergelijkende toets

Artikel 7
  • 1. Uiterlijk zeven dagen nadat het besluit, bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de wet, in werking is getreden, maakt Onze Minister bekend:

    • a. de regels, bedoeld in de artikelen 8, 9, eerste lid en 10, eerste lid;

    • b. de regels, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet.

  • 2. Onze Minister stelt eenieder gedurende een periode van ten minste vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze te geven over een ontwerp van de regels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regels kunnen per vergunning verschillen.

Artikel 9
  • 1. Tot de veiling en de vergelijkende toets worden slechts toegelaten aanvragers die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. Deze eisen kunnen per vergunning verschillen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen slechts betrekking hebben op de:

    • a. rechtsvorm van de aanvrager;

    • b. financiële positie van de aanvrager;

    • c. kennis en ervaring van de aanvrager;

    • d. technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken;

    • e. hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep;

    • f. door de aanvrager te leveren bijdrage aan de overgang van analoge naar digitale techniek.

  • 3. Indien een te verlenen vergunning betrekking heeft op het gebruik van frequentieruimte die is bestemd voor commerciële omroep, kunnen de in het eerste lid bedoelde eisen tevens betrekking hebben op het waarborgen van democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequentieruimte, waarbij rekening kan worden gehouden met pluralisme in de media.

Artikel 10
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de toepassing en uitvoering van de veiling of de vergelijkende toets. Deze regels kunnen per vergunning verschillen.

  • 2. In het geval van een veiling hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op:

    • a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;

    • b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;

    • c. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;

    • d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord en eerlijk verloop van de veiling, waaronder de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de veiling tijdelijk kan worden opgeschort, biedingen ongeldig kunnen worden verklaard en biedrondes opnieuw kunnen worden gehouden;

    • e. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;

    • f. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.

  • 3. In het geval van een vergelijkende toets hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op de criteria waarmee de kwaliteit van de aanvraag of de kwaliteit van de aanvrager wordt bepaald.

  • 4. In het geval van een vergelijkende toets met inbegrip van een financieel bod, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels eveneens betrekking hebben op:

    • a. de gevallen waarin een financieel bod wordt uitgebracht alsmede de wijze waarop dat bod wordt uitgebracht;

    • b. de eisen die aan een geldig financieel bod worden gesteld;

    • c. de zekerheidstelling dat een financieel bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;

    • d. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling van het financieel bod en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.

  • 5. In het geval van een vergelijkende toets houdt Onze Minister bij het opstellen van de criteria rekening met de doelstellingen, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de wet.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

Paragraaf 3.3. Verlening van vergunningen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen

Artikel 11
  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld waaraan de aanvrager moet voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning. Deze eisen kunnen slechts inhouden dat:

    • a. de aanvrager een bepaalde leeftijd heeft bereikt;

    • b. de aanvrager met goed gevolg een voor het gebruik van de gevraagde frequentieruimte, in samenhang met het doel waarvoor die frequentieruimte wordt gebruikt, vereist examen heeft afgelegd;

    • c. de aanvrager in het bezit is van een certificaat van bediening;

    • d. de aanvrager een redelijk belang heeft bij het voorgenomen gebruik van de gevraagde frequentieruimte.

  • 2. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Voor zover de aard, de omvang of het maatschappelijk belang van de vergunning daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding geeft, kunnen naast de eisen genoemd in het eerste lid bij ministeriële regeling tevens de eisen worden gesteld bedoeld in artikel 9, tweede en derde lid, en kunnen voorts regels worden gesteld in het belang van een evenwichtige verdeling dan wel een doelmatig gebruik van frequentieruimte.

Artikel 12

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de indiening van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regels kunnen per te verlenen vergunning verschillen.

Artikel 13
  • 1. In het geval de verlening van een vergunning betrekking heeft op frequentieruimte die is bestemd voor het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten beslist Onze Minister op een aanvraag om verlening van de vergunning binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Van de termijn, genoemd in het eerste lid, kan worden afgeweken indien internationale frequentie- en satellietcoördinatie op grond van het Internationale Telecommunicatieverdrag daartoe noopt.

Paragraaf 3.4. Verlening van vergunningen op afroep

Artikel 14
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:

    • a. de indiening van een aanvraag om verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    • b. de inhoud van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens;

    • c. de eisen waaraan de aanvrager moet voldoen.

  • 2. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde eisen kunnen slechts betrekking hebben op de:

    • a. rechtsvorm van de aanvrager;

    • b. financiële positie van de aanvrager;

    • c. kennis en ervaring van de aanvrager;

    • d. technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken;

    • e. hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep;

    • f. door de aanvrager te leveren bijdrage aan de overgang van analoge naar digitale techniek.

  • 3. Voor zover dat op dat moment reeds mogelijk is, stelt Onze Minister bij het besluit om vergunningen in een bepaalde frequentieband te verlenen met toepassing van de procedure bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, van de wet, tevens de voorschriften en beperkingen vast die aan de vergunning zullen worden verbonden.

Artikel 15
  • 1. Uiterlijk negen weken na ontvangst van een aanvraag die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 14, eerste lid, maakt Onze Minister in de Staatscourant bekend:

    • a. de ontvangst van de aanvraag en de frequentieband waarop deze aanvraag betrekking heeft;

    • b. de aanvang van de termijn van zes weken voor het indienen van aanvragen om verlening van een vergunning voor het gebruik van dezelfde frequentieband;

    • c. voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de voorschriften en beperkingen die aan een vergunning voor het gebruik van de betreffende frequentieband zullen worden verbonden.

  • 2. Het op grond van artikel 14 bepaalde is mede van toepassing op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 16
  • 1. Uiterlijk negen weken na de uiterste ontvangstdatum, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, neemt Onze Minister:

    • a. een besluit omtrent de verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte indien de totale omvang van de aangevraagde frequentieruimte kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare frequentieruimte binnen het betreffende frequentie- en geografische bereik of

    • b. het besluit dat de vergunning wordt verleend door middel van een veiling indien de totale omvang van de aangevraagde frequentieruimte groter is dan de beschikbare frequentieruimte binnen het frequentie- en geografische bereik.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de verlening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de veiling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, plaatsvindt.

  • 3. In geval van verlening van een vergunning door middel van een veiling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, maakt Onze Minister uiterlijk twee weken na het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bekend:

    • a. het tijdstip van de aanvang van de veiling;

    • b. de vergunningen die door middel van een veiling zullen worden verleend;

    • c. voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de voorschriften en beperkingen die aan het gebruik van de betreffende frequentieruimte zullen worden verbonden.

  • 4. In geval van verlening van een vergunning door middel van een veiling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, neemt Onze Minister uiterlijk 25 weken na de uiterste ontvangstdatum, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, een besluit omtrent de verlening van een vergunning.

Paragraaf 3.5. Aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen

Artikel 17
  • 1. De aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen kunnen slechts betrekking hebben op:

    • a. het doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte;

    • b. de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden uitgezonden;

    • c. bescheiden die de vergunninghouder ter beschikking moet houden;

    • d. verplichtingen die voortvloeien uit de toezeggingen die de vergunninghouder in het kader van een vergelijkende toets of een veiling heeft gedaan, ook indien slechts één aanvrager aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen voldoet;

    • e. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen door het gewenste signaal van een radiozendapparaat;

    • f. het waarborgen van de in artikel 9, derde lid, bedoelde belangen;

    • g. de diensten die moeten worden aangeboden, het soort elektronisch communicatienetwerk dat moet worden aangeboden of de technologie die moet worden gebruikt;

    • h. de naleving van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreffende het gebruik van radiofrequenties of posities in de ruimte;

    • i. de identificatie van het zendapparaat door middel van een daartoe bij de vergunningverlening toe te kennen combinatie van letters of cijfers.

  • 2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de termijn waarop en het geografisch gebied waarbinnen de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde diensten moeten worden aangeboden.

  • 3. Indien samenwerking tussen vergunninghouders noodzakelijk is om gewijzigde of nieuw toegekende frequentieruimte in gebruik te kunnen nemen met behoud van continuïteit van dienstverlening, kunnen de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en beperkingen onder meer bestaan uit een verplichting voor deze vergunninghouders om binnen een bepaalde termijn een overeenkomst te sluiten over deze samenwerking.

  • 4. Onze Minister kan op verzoek van een van de houders van een vergunning bedoeld in het derde lid of uit eigen beweging, voorschriften geven met betrekking tot de wijze waarop de overeenkomst tot stand moet komen. De vergunninghouders houden zich aan de door Onze Minister gegeven voorschriften.

  • 5. Indien op een of meer onderdelen van de overeenkomst bedoeld in het derde lid geen overeenstemming van alle bij dat onderdeel of die onderdelen betrokken vergunninghouders dreigt te worden bereikt, kan Onze Minister op verzoek of uit eigen beweging een dwingende aanwijzing geven. De vergunninghouders zijn bij het sluiten van de overeenkomst gebonden aan de aanwijzing.

Paragraaf 3.6. Verlenging van een vergunning

Artikel 18
  • 1. Voor alle categorieën vergunningen die zijn verleend met toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet, geldt dat een vergunning van rechtswege telkens met een periode van vijf jaar wordt verlengd.

  • 2. Vergunningen die zijn verleend met toepassing van een van de procedures, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de wet, worden niet verlengd, tenzij het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang verlenging naar het oordeel van Onze Minister vordert of verlenging naar het oordeel van Onze Minister van belang is voor de bevordering van de overgang van analoge naar digitale techniek, mits de aanvraag om verlenging uiterlijk een jaar, doch niet eerder dan twee jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken, is ontvangen door Onze Minister. Bij ministeriële regeling kan voor nader bepaalde vergunningen een afwijkende periode worden bepaald waarbinnen het verzoek tot verlenging moet worden ontvangen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vergunning die op grond van de artikelen 3.19a of 3.20 van de wet is verkregen.

  • 4. Vergunningen die zijn verleend met toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet, worden op aanvraag verlengd, tenzij een doelmatige ordening van het frequentiespectrum zich daartegen verzet.

  • 5. In het geval een vergunning wordt verlengd kunnen de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen worden gewijzigd en kunnen nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden toegevoegd.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de verlenging van vergunningen. Deze regels kunnen per te verlenen vergunning verschillen.

Paragraaf 3.7. Verplichte overdracht van een vergunning

Artikel 19
  • 1. Onze Minister publiceert in de Staatscourant een besluit als bedoeld in:

    • a. artikel 3.19a, eerste lid, van de wet houdende dat de houder van een vergunning wordt verplicht om die vergunning geheel of gedeeltelijk over te dragen,

    • b. artikel 3.19a, tweede lid, van de wet houdende dat Onze Minister de procedure tot overdracht ter hand neemt.

  • 2. Uiterlijk zeven dagen nadat het besluit, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, is gepubliceerd, maakt Onze Minister bekend:

    • a. de termijn, bedoeld in artikel 3.19a, eerste lid, van de wet;

    • b. de periode, bedoeld in artikel 3.19a, vijfde lid, van de wet.

Artikel 20

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:

  • a. de indiening van de aanvraag om toestemming of overdracht,

  • b. de eisen die ter verkrijging van toestemming of ter overdracht van de vergunning worden gesteld aan de aanvrager,

  • c. de inhoud van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens.

Deze regels kunnen per vergunning verschillen.

Artikel 21
  • 1. Tot een procedure ter verkrijging van toestemming en een procedure tot overdracht als bedoeld in artikel 3.19a, eerste en tweede lid, van de wet worden slechts toegelaten aanvragers die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. Deze eisen kunnen per vergunning verschillen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen slechts betrekking hebben op de:

    • a. rechtsvorm van de aanvrager;

    • b. financiële positie van de aanvrager;

    • c. kennis en ervaring van de aanvrager;

    • d. technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken;

    • e. hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep;

    • f. door de aanvrager te leveren bijdrage aan de overgang van analoge naar digitale techniek.

  • 3. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde eisen.

  • 4. Voor zover de aard, de omvang of het maatschappelijk belang van de vergunning daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding geeft, kunnen naast de eisen genoemd in het tweede en derde lid bij ministeriële regeling tevens regels worden gesteld in het belang van een evenwichtige verdeling dan wel een doelmatig gebruik van frequentieruimte.

  • 5. Toestemming wordt in ieder geval geweigerd indien:

    • a. de aanvrager de latende vergunninghouder is,

    • b. de aanvrager op de latende vergunninghouder of de latende vergunninghouder op de aanvrager zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft dat deze in belangrijke mate het beleid van de aanvrager of de latende vergunninghouder kan bepalen of aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat beleid, of

    • c. een natuurlijke persoon of groep van natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in zowel de aanvrager als de latende vergunninghouder dat deze in belangrijke mate het beleid van beiden kan bepalen of aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van het beleid van beiden.

Artikel 22
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de procedure ter verkrijging van toestemming en de procedure om te bepalen aan welke natuurlijke of rechtspersoon de vergunning wordt overgedragen plaatsvindt. Deze regeling kan per vergunning verschillen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval betrekking op:

    • a. de door de aanvrager en de latende vergunninghouder in acht te nemen geheimhouding;

    • b. de wijze waarop een prijs voor de vergunning wordt geboden;

    • c. de wijze om te bepalen wie de hoogste prijs heeft geboden;

    • d. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;

    • e. de zekerheidstelling dat een bij of krachtens de artikelen 3.10 of 3.15 van de wet opgelegde financiële verplichting gestand wordt gedaan;

    • f. de maatregelen ten behoeve van een ongestoord verloop van de in het eerste lid bedoelde procedure;

    • g. de door de vergunninghouder toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;

    • h. de eisen die worden gesteld met betrekking tot de wijze van betaling van de in onderdeel e bedoelde financiële verplichtingen, en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt overgedragen deze betaling moet hebben verricht.

HOOFDSTUK 4. ANTENNEREGISTER EN MEDEGEBRUIK VAN ANTENNE-OPSTELPUNTEN

Artikel 23

  • 1. In het antenneregister worden gegevens opgenomen van:

    • a. antennes die zijn geplaatst op een vaste locatie met het doel met een zendvermogen van meer dan 10 dB watt Effective Radiated Power (ERP) uit te gaan zenden;

    • b. antennes die zijn geplaatst op een vaste locatie en die tot een netwerk behoren, indien meer dan de helft van het aantal antennes van het netwerk een zendvermogen van meer dan 10 dB watt ERP heeft;

    • c. antennes van radiozendamateurs die zijn geregistreerd als gebruiker van frequentieruimte.

  • 2. Van het eerste lid zijn uitgezonderd de gegevens van antennes in gebruik bij overheidsorganen die een taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid.

Artikel 24

  • 1. In het antenneregister worden voor de antennes, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b de volgende gegevens opgenomen:

    • a. de toepassing van de antenne;

    • b. de hoogte gemeten vanaf het maaiveld tot het geometrische midden van de antenne;

    • c. de frequentie van de gebruikte toepassing;

    • d. de hoofdstraalrichting van de antenne;

    • e. het zendvermogen van de antenne in de hoofdstraalrichting aangeduid in dB watt ERP;

    • f. de datum van ingebruikname van de antenne;

    • g. de locatie van de antenne-installatie, met een nauwkeurigheid van 15 meter, aangeduid met toepassing van het World Geodetic System 1984.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aan Onze Minister verstrekt door diegene die de frequentie gebruikt of wil gebruiken.

Artikel 25

  • 1. In het antenneregister worden voor de antennes als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, de volgende gegevens opgenomen:

    • a. de locatie van de antenne-installatie, met een nauwkeurigheid van 15 meter, aangeduid met toepassing van het World Geodetic System 1984;

    • b. het type registratie.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aan Onze Minister verstrekt door de radiozendamateur die zich voor het gebruik van frequentieruimte heeft geregistreerd.

  • 3. Onze Minister kan gegevens die door radiozendamateurs worden verstrekt in het kader van de registratie opnemen in het antenneregister.

Artikel 26

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

  • a. de inrichting van het antenneregister;

  • b. het tijdstip waarop de gegevens worden aangeleverd;

  • c. de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens aangeleverd worden;

  • d. de wijze waarop van de gegevens kennis wordt genomen.

Artikel 27

  • 1. Bij ministeriële regeling wordt frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, van de wet, aangewezen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld als bedoeld in artikel 3.25 van de wet.

HOOFDSTUK 5. WIJZIGING DIVERSE ALGEMENE MAATREGELEN VAN BESTUUR

Artikel 28

In artikel 1, onderdeel c, van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken wordt «artikel 3.11, vierde lid, van de wet» vervangen door: artikel 3.24, vierde lid, van de wet.

Artikel 29

In artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet wordt «§ 3.2 van de wet» vervangen door: § 3.3 en § 3.5 van de wet.

Artikel 30

Het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van artikel 2, eerste lid, wordt «artikel 3.10, vierde lid, van de wet» vervangen door: artikel 3.22, eerste lid, van de wet.

2. Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Door of namens de korpschef of Onze Minister van Defensie wordt een plaats aangewezen voor de opslag van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, en wordt ervoor zorg gedragen dat deze plaats beveiligd is en uitsluitend toegankelijk is voor of onder begeleiding van daartoe geautoriseerd personeel.

3. Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bevoegd tot het gebruik van de apparatuur, bedoeld in artikel 2, is de door de korpschef of Onze Minister van Defensie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde eisen betreffende kennis van de juridische, operationele en technische aspecten van het gebruik van de apparatuur.

Artikel 31

Het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 5, eerste en tweede lid, wordt na «de korpschef» telkens ingevoegd: of Onze Minister van Defensie.

2. Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16. Inzet technische hulpmiddelen bij afwijkend gebruik frequentieruimte

Bevoegd tot het gebruik van de technische hulpmiddelen, waarmee overeenkomstig artikel 3.22 van de Telecommunicatiewet een gebruik van frequentieruimte wordt gemaakt dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet, is de door de korpschef of Onze Minister van Defensie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen betreffende kennis van de juridische, operationele en technische aspecten van het gebruik van de technische hulpmiddelen.

3. Artikel 17, eerste lid, aanhef, komt te luiden:

Artikel 17. Technische hulpmiddelen bij afwijkend gebruik frequentieruimte
  • 1. Een technisch hulpmiddel voor observatie of het opnemen van telecommunicatie, waarmee overeenkomstig artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet een gebruik van frequentieruimte wordt gemaakt dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet, voldoet aan de volgende eisen:

Artikel 32

In de artikelen 22, 23, en 121, eerste en tweede lid, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart wordt «Frequentiebesluit» telkens vervangen door: Frequentiebesluit 2013.

Artikel 33

In artikel 77, eerste en tweede lid, van het Besluit zeevisvaartbemanning wordt «Frequentiebesluit» telkens vervangen door: Frequentiebesluit 2013.

Artikel 34

In artikel 11, derde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart wordt «artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet» vervangen door: artikel 3.13 van de Telecommunicatiewet.

Artikel 35

In artikel 10, eerste lid, van het Besluit overgangsrecht Telecommunicatiewet wordt «artikel 3.3, eerste lid, van de wet» vervangen door: artikel 3.13, eerste lid, van de wet.

Artikel 36

Het Besluit Randapparaten en radioapparaten 2007 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift boven artikel 23 komt te luiden: Hoofdstuk 8 Voorkomen van storingen door radiozendapparaten

2. Voor de tekst van artikel 23 wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Bij ministeriële regeling aangewezen elektrische of elektronische apparaten worden voor de toepassing van artikel 10.8 tot en met 10.11 van de wet gelijkgesteld met radiozendapparaten.

3. Na artikel 23 wordt een nieuw artikel ingevoegde, luidende:

Artikel 23a

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld om verstoringen te voorkomen in frequentiebanden die ingevolge het frequentieplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet zijn bestemd voor omroep.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 37

  • 1. Artikel 9 van het Frequentiebesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 18 februari 2011, houdende wijziging van het Frequentiebesluit in verband met het digitaliseringsbeleid voor commerciële radio (Stb. 2011, 88), blijft van toepassing op aanvragen om verlenging die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit.

  • 2. De volgende regelingen blijven van toepassing ten aanzien van vergunningen die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:

    • a. de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 2,6 GHz;

    • b. de Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2007;

    • c. de Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen kavels A7 en A8 in de FM-band en aanvraag vergunningen voor frequentieruimte in band III;

    • d. de Regeling aanvraag vergunning en uitvoering vergelijkende toets DVB-T;

    • e. de Regeling aanvraag vergunning voor IMT-2000;

    • f. de Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrecht frequentieruimte voor PAMR;

    • g. de Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrecht frequentieruimte voor WLL;

    • h. de Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrecht frequentieruimte voor WLL 26 GHz;

    • i. de Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte;

    • j. de Regeling verlenging en digitalisering commerciële radio-omroep (middengolf en niet-landelijke FM), en

    • k. de Regeling verlenging en digitalisering landelijke commerciële radio-omroep.

Artikel 38

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust:

  • a. de Examenregeling frequentiegebruik 2008 op de artikelen 4, tweede lid, en 11, tweede lid, van dit besluit en de artikelen 5 en 6 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet;

  • b. de Regeling aanvraag en toelating vergunningen voor het gebruik van frequentiegebruik op de artikelen 11, eerste lid, 11, tweede lid, juncto 4, tweede lid, en 12 van dit besluit;

  • c. de Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003 op artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet en de artikelen 8, 9 en 10 van dit besluit

  • d. de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 800, 900 en 1800 MHz op de artikelen 6, 8, 9 en 10 van dit besluit;

  • e. de Regeling openbaar antenneregister op artikel 26 van dit besluit;

  • f. de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 op de artikelen 2, derde lid, 3, eerste en tweede lid, 4, en 5, tweede, vierde en vijfde lid, van dit besluit, en

  • g. de Regeling vervolg verdeling frequenties commerciële radio-omroep 2003 op artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet en de artikelen 8, 9 en 10 van dit besluit.

Artikel 39

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a. het Besluit aanvraagprocedure nummers,

  • b. het Besluit aanwijzing categorieën zendinrichtingen en vaststelling toelatingscriteria,

  • c. het Besluit draadomroep- en kabelinrichtingen,

  • d. het Besluit kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur,

  • e. het Frequentiebesluit,

  • f. het Wijzigingsbesluit Besluit alternatieve verdeling nummers enz.,

  • g. het Wijzigingsbesluit Besluit vergunningen mobiele telecommunicatie (DCS 1800),

  • h. het Wijzigingsbesluit Besluit mobiele telecommunicatie GSM in verband met de invoering van het systeem voor een openbare paneuropese semafoondienst te land (ERMES), en

  • i. het Wijzigingsbesluit Besluit ONP huurlijnen en telefonie (leveringsplicht en goedkeuring voorgenomen tariefwijzigingen).

Artikel 40

  • 1. De Wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Staatsblad 2013, 48) treedt in werking met ingang van een maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel XXXVII, onderdeel K, van de Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten (Staatsblad 2012, 19) treedt in werking op het in het eerste lid bedoelde tijdstip, direct na inwerkingtreding van de wet, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Artikel I, onderdelen C, D, E tot en met H, artikel V, eerste lid en artikel VIa van de Wet van 10 mei 2012 tot wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen treedt in werking op het in het eerste lid bedoelde tijdstip, direct na inwerkingtreding van de wet, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Dit besluit treedt in werking op het in het derde lid bedoelde tijdstip.

Artikel 41

Dit besluit wordt aangehaald als: Frequentiebesluit 2013.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 8 februari 2013

Beatrix

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Uitgegeven de vijftiende februari 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Dit besluit strekt tot uitvoering van de Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota Frequentiebeleid 2005 (Kamerstukken II 2007/08, 31 412). In deze nota is het frequentiebeleid voor de komende jaren neergelegd, waarbij flexibilisering de rode draad vormt. Flexibilisering is nodig om te kunnen inspelen op de snelle technologische en internationale ontwikkelingen op het gebied van draadloze communicatie. Flexibilisering, door het vereenvoudigen van regelgeving en procedures en het verlagen of wegnemen van drempels, is dan ook het belangrijkste uitgangspunt voor voornoemde wetswijziging en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, waaronder het Frequentiebesluit 2013. Gelet op het grote aantal wijzigingen ten opzichte van het Frequentiebesluit, wordt dit besluit ingetrokken en vervangen door het Frequentiebesluit 2013.

2. De voornaamste wijzigingen ten opzichte van het eerdere Frequentiebesluit

De voornaamste wijzigingen ten opzichte van het Frequentiebesluit zijn de volgende.

In de eerste plaats zijn de bepalingen met betrekking tot met name de inrichting van het frequentieplan niet overgenomen in het Frequentiebesluit 2013, omdat deze al zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet. Door opname in de wet wordt de meer prominente positie van het frequentieplan in het nieuwe frequentiebeleid tot uitdrukking gebracht.

Verder zijn in het Frequentiebesluit 2013 de geldende regels voor vergunningvrijheid en vergunningplicht duidelijker onderscheiden, om duidelijker dan nu aan te geven welke regels gelden voor volledige vergunningvrijheid, vergunningvrijheid met meldingsplicht, en voor vergunninggebonden frequentiegebruik.

De regels voor het uitvoeren van verdelingsprocedures uit het Frequentiebesluit zijn grotendeels overgenomen in het Frequentiebesluit 2013. Deze voldeden reeds aan de uitgangspunten van het nieuwe frequentiebeleid en zijn in lijn met de Europese regelgeving op dit punt.

Nu in artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: de wet) afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard bij de vaststelling van het zogenaamde bekendmakingsbesluit in het kader van de verdeling van schaarse frequentieruimte, is de in het vorige Frequentiebesluit opgenomen zienswijzeprocedure vervangen door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Na vaststelling van het bekendmakingsbesluit is geen bezwaar meer mogelijk, maar staat rechtstreeks beroep op bij de rechter.

De vroegere bepaling dat als tijdens een verdelingsprocedure blijkt dat er voor een vergunning slechts één aanvrager voldoet aan de zogenoemde minimumeisen, de vergunning aan hem zal worden verleend zonder toepassing van veiling of vergelijkende toets, is niet overgenomen in het Frequentiebesluit 2013. Deze bepaling is verwarrend gebleken en past niet meer in de moderne, meer flexibele en complexe verdelingsprocedures, waar niet altijd sprake hoeft te zijn van tevoren duidelijk afgebakende vergunningen. Wel zal er per verdelingsprocedure een dergelijke bepaling in de betreffende ministeriële regeling kunnen worden opgenomen, die dan kan worden toegespitst op die specifieke situatie.

Nieuw in het Frequentiebesluit 2013 is de uitwerking van de zogenaamde «verdeling op afroep». Dit betreft een nieuw verdeelinstrument, dat in de wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de Nota Frequentiebeleid 2005 is geïntroduceerd. In het frequentieplan zal worden aangegeven voor welke frequentiebanden dit verdeelinstrument zal worden gebruikt. Deze verdeling op afroep zal in eerste instantie beperkt worden ingezet, met name als niet op voorhand duidelijk is of er al dan niet sprake is van schaarste. Afhankelijk van onder meer de opgedane ervaringen met dit nieuwe verdeelinstrument, de beschikbare frequentieruimte en van de technologische ontwikkelingen, zal het verdeelinstrument op de langere termijn vaker worden ingezet. Als er sprake is van evidente schaarste, zoals bij frequenties bestemd voor commerciële omroep, dan zal worden gekozen voor een veiling, een vergelijkende toets of een combinatie van beide. Is het daarentegen evident dat er geen sprake zal zijn van schaarste, zoals bij frequenties bestemd voor bepaalde straalverbindingen, dan ligt het voor de hand om te kiezen voor verdeling op volgorde van binnenkomst.

De verdeling op afroep zal kunnen worden ingezet voor de verdeling van frequenties voor zogenoemde «niche» markten, zoals bijvoorbeeld het opzetten van innovatieve varianten van draadloze breedbandige toepassing, zoals de zogenaamde «mesh netwerken». Mesh netwerken zijn netwerken waarbij ieder radiostation in het netwerk kan worden gebruikt als tussenschakel om een verbinding tot stand te brengen. Dit verdeelinstrument kan ook worden toegepast bij de verdeling van frequentieruimte die bij een veiling of vergelijkende toets is «overgebleven». Dan zal het frequentieplan hierop worden aangepast. Bij de keuze voor de verdeling op afroep zal de minister tevens letten op gedrag- en structuurkenmerken, zoals het aantal spelers in de markt, de positionering ten opzichte van de consument en de plaats van het frequentiegebruik in de waardeketen. Kenmerkend voor dit verdeelinstrument is dat niet de overheid, maar de markt hier het moment van verdelen bepaalt. Dat moment wordt bepaald door de eerste aanvrager van de betreffende frequentieruimte. De minister maakt bekend dat een aanvraag in de categorie «verdeling op afroep» is ontvangen en stelt belangstellenden in de gelegenheid eveneens een aanvraag in te dienen. Indien de totale omvang van de aangevraagde frequentieruimte kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare frequentieruimte, dan verkrijgt de aanvrager of verkrijgen de aanvragers deze frequentieruimte om niet. In het geval de totale omvang van de aangevraagde frequentieruimte groter is dan de beschikbare frequentieruimte, wordt overgegaan tot het starten van een veilingprocedure. Deze procedure kan zich vervolgens, indien er voldoende frequentieruimte beschikbaar is en afhankelijk van het aantal gegadigden, meerdere malen herhalen.

Met dit instrument wordt op eenvoudige wijze inhoud gegeven aan een flexibele verdeelmethodiek en creëert de overheid maximale ruimte voor innovatieve toepassingen. Een belangrijk voordeel voor de markt is dat deze wijze van verdelen in het algemeen eenvoudiger en sneller is en minder voorbereiding en onderzoek van marktpartijen vraagt dan bij een reguliere veiling of vergelijkende toets, die worden gehanteerd bij verwachting van evidente schaarste. Daarbij is het voordeel voor de overheid dat er minder tijd en energie moet worden gestoken in het voorbereiden van de verdeelprocedure, in het bijzonder in de schaarstebepaling. Bovendien kunnen inschattingsfouten ten aanzien van de te verwachten schaarste worden voorkomen. Bij twijfel daarover ligt het immers voor de hand om te kiezen voor de inzet van de verdeling op afroep.

Verder is de huidige zogenoemde noodremprocedure (de maatregelen die kunnen worden genomen ten behoeve van een eerlijk en ongestoord verloop van een veiling) nader uitgewerkt. Zo kan ten behoeve van een eerlijk en ongestoord verloop van de veiling een reeds gestarte veiling tijdelijk worden opgeschort. Dit kan noodzakelijk zijn als zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals vermoedens van samenspanning, liquiditeitsproblemen of overnames die plaatsvinden of bekend worden nadat aanvragers zijn toegelaten tot de veiling. Naast het tijdelijk opschorten van de veiling kunnen onder andere biedingen ongeldig worden verklaard en biedrondes opnieuw worden gehouden. De gevallen waarin tot deze maatregelen kan worden overgegaan, en de daarbij geldende termijnen en voorwaarden, worden in de ministeriële regeling vastgelegd.

In het Frequentiebesluit 2013 is er – in lijn met het nieuwe frequentiebeleid en het nieuwe hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet, waarin de Minister van Economische Zaken een meer centrale rol binnen het kabinet vervult bij het frequentiebeleid – geen rol meer voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de verdeling van frequentieruimte voor commerciële omroep (Nota Frequentiebeleid 2005, pagina 15). Ook bij de verlenging van deze vergunningen is die rol vervallen.

De bepalingen voor vergunningverlening bij voorrang voor de zogenoemde vitale overheidstaken en voor publieke omroep in het vorige Frequentiebesluit zijn vervallen in verband met de introductie van het behoefte-onderbouwingsplan voor de toekenning van frequenties voor publieke taken, bedoeld in artikel 3.5 van de wet en de in de artikelen 3.6 tot en met 3.8 van de wet neergelegde regeling voor vergunningen voor de publieke mediadienst.

In het Frequentiebesluit 2013 is uitvoering gegeven aan de invoering van de zogenaamde «voortrollende» vergunning: automatische verlenging met een periode van twee jaar van niet-schaarse vergunningen, die op volgorde van binnenkomst worden verleend.

De bepalingen met betrekking tot het openbaar antenneregister, ingevoegd bij Besluit van 14 december 2009 tot wijziging van het Frequentiebesluit in verband met het instellen van een openbaar antenneregister (Stb. 2009, 560), zijn in het Frequentiebesluit 2013 onverkort gehandhaafd. Artikel 3.23 van de wet biedt de wettelijke basis voor dit register. In het Frequentiebesluit 2013 wordt geregeld welke antennes in het register worden opgenomen en tevens het soort gegevens en wie deze gegevens moet verstrekken. Eveneens wordt de mogelijkheid gecreëerd om in een ministeriële regeling concreet aan te geven hoe het register wordt ingericht, de wijze en het moment waarop de gegevens voor opneming in het register dienen te worden verstrekt, en ook op welke wijze daarvan kennis kan worden genomen. Met de instelling van het antenneregister is tegemoet gekomen aan de brede behoefte aan betrouwbare en openbare informatie over antennes en antennelocaties, in verband met de bestaande bezorgdheid over de aanwezigheid van antennes in de publieke leefomgeving. Op basis van de huidige stand van de wetenschap zijn er geen aanwijzingen om aan te nemen dat de veldsterkte van antennes in de publieke leefomgeving een nadelig effect hebben op de gezondheid. Voor een gedetailleerde toelichting wordt verwezen naar het voornoemde besluit van 14 december 2009.

Daarnaast zijn de bepalingen in verband met het digitaliseringsbeleid voor commerciële radio, neergelegd in het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 18 februari 2011, houdende wijziging van het Frequentiebesluit in verband met het digitaliseringsbeleid voor commerciële radio (Stb. 2011, 88) in het Frequentiebesluit 2013 gehandhaafd. Dit besluit strekte ertoe het vorige Frequentiebesluit aan te passen in verband met het beleid ten aanzien van de digitalisering van commerciële radio. In verband met het hiervoor bedoelde digitaliseringsbeleid zijn deze vergunningen voor commerciële radio, die een looptijd hebben tot 1 september 2011, op 26 april 2011 door de minister verlengd tot 1 september 2017, onder het stellen van voorwaarden ten aanzien van digitalisering. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Frequentiebesluit was verlenging van vergunningen die zijn verdeeld door middel van een veiling of een vergelijkende toets niet mogelijk tenzij het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang dat naar het oordeel van de minister vordert. Deze uitzondering was onvoldoende op de digitaliseringsproblematiek toegesneden en was bovendien bedoeld voor incidentele gevallen. Daarom leende de bestaande bepaling zich niet goed voor toepassing in het onderhavige geval. Met deze wijziging van het vorige Frequentiebesluit is hiervoor een expliciete wettelijke basis geschapen. In het Frequentiebesluit 2013 zijn de bepalingen van het Frequentiebesluit op dit punt overgenomen. Een gedetailleerde toelichting is gegeven in het voornoemde wijzigingsbesluit.

3. Administratieve lasten en bedrijfseffectentoets

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de implementatie van de Nota Frequentiebeleid 2005 (Kamerstukken II 2007/08, 31 412), waarop het Frequentiebesluit 2013 is gebaseerd, is reeds uitvoerig op de administratieve lasten en de bedrijfseffecten ingegaan. Hier is ook toegelicht dat het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) heeft besloten dit wetsvoorstel niet voor een toets te selecteren.

De belangrijkste redenen daarvoor zijn dat de exacte kosten en baten van dit wetsvoorstel en van de uitvoeringsregelingen, waaronder dit besluit, voor het bedrijfsleven lastig zijn in te schatten. Dit is het gevolg van het feit dat de effecten pas op langere termijn zichtbaar zullen worden, namelijk als daadwerkelijke implementatie van de beleidsvoornemens heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Daarbij is de algemene verwachting dat de implementatie, in het bijzonder wat betreft het vereenvoudigen van procedures, het terugdringen van voorschriften bij vergunningen en het streven naar vergunningvrijheid waar mogelijk, zal leiden tot verdere reductie van de administratieve lasten.

Voor de mogelijke gevolgen voor de administratieve lasten is relevant dat het Frequentiebesluit 2013 op twee punten een van het vorige Frequentiebesluit afwijkende regeling bevat, namelijk de invoering van de zogenoemde verdeling op afroep en de zogenoemde voortrollende vergunning. Op deze punten zijn de gevolgen op de administratieve lasten dan ook gekwantificeerd.

Wat betreft de invoering van de verdeling op afroep moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat nog niet bekend is welke frequentieruimte op deze wijze zal worden verdeeld. In eerste instantie zal op beperkte schaal worden begonnen met de toepassing van dit nieuwe instrument. Dit zal in het frequentieplan worden vastgelegd.

De verwachting is dat de toepassing van de verdeling op afroep voor bedrijven vergelijkbare administratieve lasten met zich zal meebrengen als de meer eenvoudige veilingen die onder het vorige Frequentiebesluit zijn gehanteerd voor de verdeling van niet evident schaarse frequentieruimte, zoals voor de zogenoemde Wireless Local Loop (WLL). De administratieve lasten voor deze verdelingen worden geraamd op € 12.000 per jaar. Doordat er sprake is van substitutie, veroorzaken de geraamde lasten voor de verdeling op afroep geen toe- of afname ten opzichte van de totale lasten van het vorige Frequentiebesluit.

De invoering van de verdeling op afroep heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van burgers, omdat de betreffende vergunningen voor frequentieruimte naar verwachting zullen worden verleend aan bedrijven.

De invoering van de voortrollende vergunning heeft evenmin gevolgen voor de administratieve lasten. Zoals in de bovenvermelde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reeds is uiteengezet, wordt in de uitvoeringspraktijk reeds enkele jaren gehandeld conform de in dit besluit geformaliseerde procedure. Dit houdt in dat vergunninghouders worden aangeschreven over het feit dat hun vergunning afloopt. Men dient enkel te reageren als de vergunning niet verlengd moet worden. Gelet op het feit dat deze vergunningen voor het merendeel niet worden opgezegd, zijn de administratieve lasten nu reeds tot een minimum beperkt. De administratieve lasten voor het bedrijfsleven zijn geraamd op € 12.000 per jaar. Aangezien de betreffende vergunningen overwegend aan bedrijven en niet aan burgers worden verleend, is het aantal uren dat door burgers aan het eventueel niet verlengen moet worden besteed, verwaarloosbaar.

De procedure voor het verlengen van vergunningen zal verder worden vereenvoudigd, door het aantal documenten terug te dringen dat bij die verlenging wordt verzonden. Daarmee worden de inspanningen van Agentschap Telecom verminderd, hetgeen zich zal vertalen in de tarieven van het agentschap. Aangezien het een verlenging van rechtswege betreft, zullen, anders dan in de huidige procedure, voor het uitvoeren van de verlenging geen kosten in rekening gebracht worden. Deze kosten bedragen voor reguliere vergunningen € 28 (tarief 2009). Voor gemiddeld 4000 te verlengen vergunningen per jaar betekent dat een reductie van € 112.000 aan verlengingskosten per jaar.

In verband met de instelling van het openbaar antenneregister in het vorige Frequentiebesluit (Stb. 2009, 560) zijn in januari 2006 de daarmee gepaard gaande administratieve lasten berekend en aan Actal voorgelegd. Volgens deze berekening bedragen de extra administratieve lasten voor het bedrijfsleven structureel € 55.000 per jaar en incidenteel € 60.000. Dit zijn administratieve lasten die de operators op dat moment reeds droegen op grond van het toen geldende antenneconvenant. De wettelijke verankering van het register heeft niets aan de feitelijke situatie veranderd en daarmee is er geen sprake van een toename van de administratieve lasten.

Wat betreft de administratieve lasten voor de zendamateurs in verband met de instelling van het antenneregister, in verband met het aangeven van de locatie en de registratie van hun antenne, is geschat dat circa 4000 zendamateurs daar per persoon 5 minuten tijd aan zullen besteden. De totale administratieve lasten komen daarmee op 4000 x 5 = 20.000 minuten.

4. Consultatie

Van 10 november tot en met 15 december 2008 heeft een openbare consultatie plaatsgevonden van het ontwerp voor een nieuw Frequentiebesluit. Door drie partijen is gebruikt gemaakt van de gelegenheid om te reageren. De reacties waren positief en hebben geen aanleiding gegeven om het ontwerpbesluit aan te passen. Wel is naar aanleiding van de consultatie in de toelichting verduidelijkt dat in het kader van de verdeling op afroep er voor wordt gewaakt dat met het bekendmaken van de ontvangst van een eerste aanvraag om frequentieruimte geen concurrentiegevoelige informatie wordt vrijgegeven.

5. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets

Het ontwerp van het Frequentiebesluit 2013 is door Agentschap Telecom getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het Agentschap acht het Frequentiebesluit 2013 uitvoerbaar en handhaafbaar.

II. Artikelen

Artikel 2

De artikelen 2 tot en met 5 bevatten de bepalingen betreffende het vergunningvrije gebruik van frequentieruimte, als bedoeld in artikel 3.9 van de wet.

Vergunningvrij gebruik van frequentieruimte kent twee afzonderlijke regimes, te weten voor gevallen met slechts een gering storingsrisico, waarvoor derhalve geen meldingsplicht geldt (opgenomen in artikel 2), en voor de gevallen waarbij voor de gebruikers een meldingsplicht geldt (opgenomen in de artikelen 3 tot en met 5).

Nadat in het frequentieplan is aangegeven welke frequentieband voor een bepaalde bestemming, al of niet in combinatie met bepaalde categorieën radiozendapparaten, vergunningvrij kan worden gebruikt (artikel 3.1, tweede lid, onderdeel d, van de wet), kunnen ingevolge artikel 2, eerste lid, van dit besluit bij ministeriële regeling de categorieën radiozendapparaten worden aangewezen, waarbij voor vergunningvrij gebruik geen voorafgaande melding geldt.

Ingevolge het tweede lid wordt de in de eerste lid bedoelde aanwijzing van categorieën radiozendapparaten die zonder meldingsplicht gebruikt mogen worden voor vergunningvrij frequentiegebruik, beperkt tot radiozendapparaten die naar hun aard geen of vrijwel geen storing of belemmering in andere apparaten veroorzaken. De voorwaarde betreffende storingseffecten heeft alleen betrekking op storingen in elektrische en elektronische apparaten die geen radiozendapparaten zijn. Radiozendapparaten kunnen immers in beginsel altijd onderling storing veroorzaken.

Bij ministeriële regeling als bedoeld in het derde lid, kunnen ten behoeve van vergunningvrij gebruik (gebruiks)voorwaarden worden vastgesteld. Deze voorwaarden zijn vergelijkbaar aan de voorschriften en beperkingen die ingevolge artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b, van dit besluit aan een vergunning kunnen worden verbonden.

Bij de regels met betrekking tot het doelmatig gebruik van frequentieruimte, vermeld in onderdeel a, van het derde lid, moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de mogelijkheid tot het beperken van de toegestane bandbreedte.

Bij de regels, genoemd in onderdeel b, wordt gedoeld op de mogelijkheid om voorschriften te geven aan de gebruiker van de frequentieruimte over de toe te passen modulatiesoort (waarvoor in de zendinrichting een voorziening moet worden getroffen), aan de toegestane antennehoogte, etc.

Nederland is de nodige verplichtingen aangegaan in het kader van de verdragen van de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU). Deze verdragen bevatten tal van verplichtingen die op grond van artikel 18.4 van de wet door frequentiegebruikers moeten worden nageleefd. Onderdeel c biedt een grondslag voor zover inzake deze verplichtingen nadere regels noodzakelijk zijn.

Artikel 3

Naast het geheel vergunningvrij gebruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kunnen ingevolge artikel 3, eerste lid, bij ministeriële regeling de categorieën radiozendapparaten worden aangewezen, waarbij weliswaar voor het gebruik geen vergunning is vereist, maar waarvoor wel een meldingsplicht geldt.

Bij ministeriële regeling als bedoeld in het tweede lid, kunnen naast de regels als gesteld in artikel 2, derde lid, aanvullende (gebruiks)voorwaarden worden vastgesteld. Daarnaast gelden de ingevolge artikel 4 gestelde eisen.

Onderdeel a van het tweede lid betreffende het beschikbaar houden van bescheiden is van belang voor het toezicht. Uit artikel 9, onderdeel a, van de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 volgt dat het hier gaat om het bewijs van registratie en, in geval van maritiemmobiele communicatie, het certificaat van bediening. Uit artikel 49 van het Radioreglement vloeit onder meer voort dat bij maritiemmobiele communicatie een gebruiker deze bescheiden moet kunnen tonen aan toezichthouders.

Het valt niet uit te sluiten dat bij frequentiegebruik door het gewenste signaal van een radiozendapparaat belemmeringen in het gebruik van andere radiozendapparaten, radio-ontvangapparaten of elektrische of elektronische inrichtingen worden veroorzaakt. Het vaststellen van gebruiksregels als bedoeld in onderdeel b van het tweede lid strekt ertoe deze belemmeringen tot een minimum te beperken en het storingsrisico beperkt te houden tot een aanvaardbaar niveau.

Artikel 4

Overeenkomstig artikel 3.9, onderdeel c, van de wet, kunnen in het kader van het vergunningvrije regime eisen worden gesteld aan gebruikers van frequentieruimte. Deze eisen betreffen ten eerste de leeftijd en de bekwaamheid van de betrokkene (artikel 4, eerste en tweede lid). Het stellen van een leeftijdseis houdt verband met het feit dat het hier gaat om gebruik van frequenties voor nood-, spoed- en veiligheidscommunicatie, dan wel om het werken met elektrische apparatuur waarbij hoge voltages een rol kunnen spelen. Anderzijds betreffen deze eisen randvoorwaarden voor gebruikers die geen natuurlijke personen zijn (derde en vierde lid).

Het eerste lid komt goeddeels overeen met artikel 11, op grond waarvan eisen aan aanvragers van een vergunning kunnen worden gesteld. Alleen het vereiste dat de aanvrager een redelijk belang heeft bij het voorgenomen gebruik onderdeel is in het kader van een vergunningvrij regime niet relevant. De vereisten van de onderdelen b en c vloeien direct voort uit de eerder bedoelde internationale ITU-verplichtingen. Voor radiozendamateurs geldt dat zij met goed gevolg een examen moeten afleggen; voor maritiemmobiele communicatie geldt dat de betrokkenen moeten beschikken over een certificaat van bediening dat wordt verstrekt indien een desbetreffend examen met goed gevolg is afgelegd.

Ingevolge het tweede lid kunnen tevens bij ministeriële regeling eisen worden gesteld aan de gebruiker ten aanzien van de wijze van het verkrijgen van een certificaat en het daartoe afleggen van een examen, alsmede regels worden gesteld als bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor zover de aard, de omvang of het maatschappelijk belang daartoe aanleiding geeft.

Frequentiegebruik vindt soms plaats door een rechtspersoon in de zin dat de rechtspersoon van de overheid een vergunning heeft gekregen voor gebruik van bepaalde frequentieruimte. Het kan bijvoorbeeld gaan om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een rederij drijft of een vereniging van radiozendamateurs. Het derde lid biedt de grondslag om hiervoor ook binnen het vergunningvrije regime regels te kunnen stellen. Voorzien is dat gebruik van frequentieruimte met de bestemming radiozendamateurs alleen wordt toegestaan aan verenigingen en onderwijsinstellingen, mits zij aan bepaalde criteria voldoen. Verder is de voorwaarde voorzien dat ten minste één persoon die voldoet aan de eerder bedoelde bekwaamheidsvereisten, beschikbaar is voor de feitelijke bediening van radiozendapparaten.

In de praktijk maken ook vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals maatschappen en vennootschappen onder firma, gebruik van frequentieruimte. Voor deze vennootschappen geldt evenals bij rechtspersonen dat het feitelijke gebruik en de bediening van radiozendapparaten plaats vindt door anderen dan de geregistreerde vennootschap. Om die reden geldt op grond van het vierde lid voor vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid hetzelfde, bij ministeriële regeling uitgewerkte, regime als voor rechtspersonen.

In dit kader verdient aandacht dat wordt voorzien dat het recht voor personenvennootschappen wordt gewijzigd. Het nieuwe regime dat wordt opgenomen in titel 13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, biedt de mogelijkheid voor personenvennootschappen rechtspersoonlijkheid te verkrijgen. Ingevolge het derde en het vierde lid van artikel 4 gelden hoe dan ook dezelfde regels voor frequentiegebruik. In die zin heeft de wijziging van het recht voor personenvennootschappen geen gevolgen voor de regels voor frequentiegebruik.

Artikel 5

In deze bepaling is de kern van de meldings- en registratieprocedure vastgelegd. Degene die voornemens is meldingsplichtige frequentieruimte te gebruiken, dient ingevolge het eerste lid dit te melden aan de Minister van Economische Zaken.

Op grond van het tweede lid wordt van een melding beoordeeld of de betrokkene voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden en, meer in het algemeen, het voorgenomen gebruik valt binnen de algemene kaders voor vergunningvrij gebruik – indien bijvoorbeeld de melding niet betrekking heeft op maritiemmobiele communicatie is vergunningvrij gebruik om die reden niet aan de orde.

Indien de melding voldoet aan de hiervoor bedoelde voorwaarden wordt het beoogde frequentiegebruik geregistreerd. Eerst daarna is het toegestaan de frequentieruimte te gebruiken, overeenkomstig hetgeen in de melding en de registratie is opgenomen. Degene die de melding heeft gedaan, ontvangt hiervan een bewijs, dat als internationale licentie geldt. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, ontvangt de betrokkene daarvan bericht. De betrokkene kan bezwaar en beroep instellen tegen de beslissing niet over te gaan tot registratie omdat deze beslissing kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

De meldingsplicht geldt niet voor andere dan Nederlandse schepen waarvoor in een ander land een internationale licentie is afgegeven. Dit vloeit voort uit artikel 10.9, tweede lid, onderdeel c, van de wet.

Het vierde lid betreft de toekenning van een identificatiecode die ook in de registratie wordt opgenomen, terwijl het vijfde lid een basis biedt voor het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling.

Artikel 6

Dit artikel biedt een basis om ingeval van een procedure voor de verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet bij ministeriële regeling frequentieruimte te reserveren voor een bij die ministeriële regeling te bepalen categorie aanvragers.

Op grond van artikel 3.11 van de wet kan de maximale hoeveelheid frequentieruimte worden vastgesteld die een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de in dit artikel genoemde verdelingsprocedures kan verwerven. Daarnaast kunnen op grond van artikel 3.16 van de wet aanbieders worden uitgesloten van deelname aan een van die verdelingsprocedures, indien dat noodzakelijk is met het oog op de daadwerkelijke mededinging, of indien die aanbieders reeds beschikken over de maximale hoeveelheid frequentieruimte die is vastgesteld op grond van artikel 3.11 van de wet. Deze instrumenten zijn ingrijpend voor de betrokken partijen en de betreffende verdeling, omdat toepassing hiervan leidt tot gehele uitsluiting van partijen of het stellen van beperkingen aan hun mogelijkheden om frequentieruimte te verwerven. De inzet van deze instrumenten kan bovendien invloed hebben op de allocatieve efficiëntie van de verdeling. Zo beïnvloeden deze instrumenten de maximale hoeveelheid frequenties die partijen kunnen verwerven uit het beschikbare aanbod, ongeacht de vraag wie de meeste waarde met de frequentieruimte kan genereren. Deze instrumenten bieden ook niet altijd voldoende waarborgen voor het bereiken van beleidsdoelstellingen en het behartigen van te beschermen belangen die daaraan ten grondslag liggen, zoals het waarborgen van de continuïteit van dienstverlening.

Ingeval van een veiling of vergelijkende toets bestaat naast de voornoemde opties van uitsluiting van deelname van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten en beperking van de hoeveelheid per aanvrager te verkrijgen frequentieruimte ook de mogelijkheid tot het reserveren van frequentieruimte voor bepaalde aanvragers. Artikel 6 biedt hiertoe nu een expliciete basis. Deze basis is ook van toepassing ingeval de procedure van verlening van vergunningen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen geschiedt. Het is namelijk mogelijk dat binnen een gekozen veilingmodel aan alle aanvragen voor frequentieruimte voldaan kan worden zonder dat hoeft te worden overgegaan tot een veiling. Het instrument van reservering is doorgaans minder ingrijpend voor de betrokken partijen en de allocatieve efficiëntie van de verdeling dan de eerder genoemde vormen van uitsluiting of beperking, omdat dit enkel beperkingen stelt aan de vrije verdeling van de betreffende frequentieruimte. In beginsel gelden er voor de betrokken partijen immers alleen beperkingen aan het verkrijgen van de gereserveerde frequentieruimte. Een reservering kan daarnaast specifiek plaatsvinden voor die categorie aanvragers die in staat is een specifieke beleidsdoelstelling, zoals continuïteit van dienstverlening, te waarborgen. Ten slotte heeft een reservering weliswaar invloed op de allocatieve efficiëntie van de verdeling, maar deze is beperkter dan bij een beperking van de maximaal te verwerven hoeveelheid frequentieruimte. In beginsel gelden namelijk voor zowel de gereserveerde als de overige frequenties in het aanbod geen beperkingen aan de maximale hoeveelheid frequenties die partijen kunnen verwerven. Binnen dat kader kunnen deze dus terecht komen bij de partij die er de meeste waarde mee weet te genereren.

Het reserveren van frequentieruimte kan om verschillende redenen gewenst zijn. In eerste instantie kan daarbij worden gedacht aan bevordering van de mededinging. Indien de concurrentiesituatie op de markt hier aanleiding toe geeft, bijvoorbeeld omdat de dynamiek er uit is en het gevaar op collectieve of individuele aanmerkelijke marktmacht dreigt, kan door het reserveren van frequentieruimte toetreding door nieuwe partijen worden gefaciliteerd. Die toetreding kan een bijdrage leveren aan het opschudden van de markt en voorkomen dat er daadwerkelijk collectieve of individuele aanmerkelijke marktmacht ontstaat. Daarnaast kan het reserveren van frequentieruimte voor nieuwe partijen de innovatie bevorderen, omdat zij veelal aan de slag kunnen met de laatste stand der techniek. Zij hebben immers nog geen bestaande netwerken en kunnen dus van meet af aan volgens de nieuwste technieken hun dienstverlening starten. Verder kan het reserveren van frequentieruimte gewenst zijn indien er een gerede kans bestaat dat zonder dergelijk ingrijpen de continuïteit van dienstverlening in gevaar komt en het algemeen belang zich daartegen verzet. Een dergelijke reservering zal naar verwachting plaatsvinden ten gunste van partijen die reeds over een vergunning voor frequentieruimte beschikken. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer deze partijen die vermoedelijk reeds infrastructuur hebben, nodig zijn om de continuïteit van dienstverlening te kunnen garanderen. In dat geval kan er bepaalde frequentieruimte voor deze categorie van aanvragers worden gereserveerd, zodat ten minste één van hen in staat wordt gesteld om de dienstverlening te continueren.

Voorgaande voorbeelden geven een indicatie van categorieën van aanvragers waarvoor ingevolge artikel 6 frequentieruimte gereserveerd kan worden, waarbij niet uitgesloten is dat hiervoor ook bij andere eigenschappen van aanvragers aangeknoopt kan worden. Daarnaast dient ook het begrip frequentieruimte in de bepaling breed te worden geïnterpreteerd. Hierbij kan worden gedacht aan specifieke (delen van) banden, frequentieruimte met bepaalde karakteristieken of een specifieke bestemming, zoals frequenties die bij uitstek geschikt zijn voor het bieden van capaciteit of het bieden van dekking of frequenties die bestemd zijn voor (digitale) omroep, mobiele communicatie of vaste verbindingen. Indien bij ministeriële regeling frequentieruimte voor een bepaalde categorie aanvragers wordt gereserveerd, kan daarbij ook een maximale hoeveelheid aan gereserveerde frequentieruimte worden vastgesteld die een aanvrager binnen die procedure kan verwerven.

Het reserveren van frequentieruimte is mogelijk binnen het kader van Europese regelgeving. Artikel 7, derde lid, van de Machtigingsrichtlijn (Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en -diensten; PbEG 2002, L 108), zoals gewijzigd door artikel 3, vijfde lid, onderdeel b, van Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20EG betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (PbEU 2009, L 337), staat toe dat de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt beperkt. Een dergelijke beperking dient te geschieden op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria, die naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 en aan de eisen van artikel 9 van de Kaderrichtlijn (Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten; PbEU 2002, L 108).

Dit besluit valt buiten de reikwijdte van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376) ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van die richtlijn.

Artikel 7

De procedure van verlening van een vergunning voor frequentieruimte die schaars is, vangt aan met een bekendmaking van het besluit van de Minister van Economische Zaken in de Staatscourant, waarbij de keuze door middel van welke van beide procedures de verlening van de vergunning zal plaatsvinden wordt vastgesteld (verdeling door middel van een veiling of door middel van een vergelijkende toets, zo nodig gevolgd door een veiling; artikel 3.10, eerste lid, onderdelen c tot en met f, van de wet), alsmede het tijdstip van aanvang van de procedure van verlening. Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, zullen bij dit zogenaamde bekendmakingsbesluit tevens de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zullen worden verbonden, worden vastgesteld.

Op de voorbereiding van het bekendmakingsbesluit is ingevolge artikel 3.10, derde lid, van de wet, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat eerst een ontwerp van het bekendmakingsbesluit gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd, in welke periode door belanghebbenden zienswijzen over het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht. Op grond van artikel 3.10, derde lid, van de wet worden beide Kamers der Staten-Generaal in kennis gesteld van het ontwerp-besluit.

In beginsel publiceert de Minister van Economische Zaken het ontwerp van het bekendmakingsbesluit in de Staatscourant en op de website van het ministerie of op een andere wijze. Het is evenwel denkbaar dat met name het ontwerp van de aan de vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen van grote omvang is. In dat geval kan in de Staatscourant worden medegedeeld op welke andere wijze inzage in het ontwerp van de voorschriften en beperkingen kan worden verkregen, zoals een verwijzing naar de website van het ministerie.

In artikel 7 is vastgelegd dat uiterlijk zeven dagen nadat het bekendmakingsbesluit in werking is getreden, de relevante ministeriële regelingen ook worden bekendgemaakt. Hieronder valt ook de (eventuele) ministeriële regeling waarin de regels, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet zijn neergelegd. Het gaat hier om het zogenaamde financieel instrument op grond waarvan een vergunninghouder een bedrag verschuldigd is voor het gebruik van de frequentieruimte waarop de vergunning betrekking heeft. De ministeriële regelingen zullen in beginsel op dezelfde dag als het bekendmakingsbesluit in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daardoor wordt ervoor gezorgd dat een geïnteresseerde op één moment alle relevante stukken tot zijn of haar beschikking heeft. In een vroeg stadium is dan duidelijk hoe de uitgifteprocedure zal verlopen en welke regels zullen gelden. Ook sluit dit goed aan bij de doelstelling van de Machtigingsrichtlijn om de uitgifte van gebruikersrechten te vergemakkelijken. Van belang is dat tot op heden voor elke veiling of vergelijkende toets specifieke regels worden opgesteld die alleen voor die veiling of vergelijkende toets gelden. Dit besluit staat het ook toe dat er een kaderregeling wordt opgesteld waarin regels worden gesteld die voor alle of bepaalde veilingen of vergelijkende toetsen gelden.

De verplichting op grond van artikel 3.10 van de wet om bij de voorbereiding de openbare voorbereidingsprocedure toe te passen geldt voor het bekendmakingsbesluit en de ontwerp-vergunningen. Om potentiële deelnemers aan een verdeling in staat te stellen over het gehele beleid een zienswijze te geven, wordt voor de relevante ministeriële regelingen een consultatie gehouden die ten minste vier weken duurt. Hiermee wordt bestaand beleid gecontinueerd. De consultatie van de ministeriële regelingen en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure inzake het bekendmakingsbesluit en de ontwerpvergunningen zullen in beginsel parallel gehouden worden.

Artikel 8

Artikel 8 vormt de basis voor een ministeriële regeling waarin regels worden gegeven omtrent de indiening van de aanvraag om een vergunning en over de inhoud van vergunningsaanvragen in geval van verlening door middel van een veiling of een vergelijkende toets. Op grond van artikel 9 worden bij ministeriële regeling eisen gesteld aan de aanvrager van een vergunning. Het doel van deze voorschriften tezamen met de in artikel 3.18 van de wet genoemde weigeringsgronden is te komen tot een doelmatige (en rechtvaardige) verdeling van vergunningen in situaties van schaarste.

In de ministeriële regeling bedoeld in artikel 8 zal worden aangegeven welke gegevens de aanvrager moet overleggen bij zijn aanvraag. Die gegevens kunnen per vergunning verschillen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beschrijving van relevante kennis en ervaring, beschrijving van de natuurlijke personen die tijdens de veiling bevoegd zijn een bod uit te brengen of een afschrift van de toestemming van het Commissariaat van de Media ex artikel 3.1 van de Mediawet 2008. Ingediende aanvragen dienen te voldoen aan de gestelde regels alvorens zij in behandeling kunnen worden genomen.

Ook van invloed is de manier waarop de verdeling van een vergunning zal plaatsvinden. Bij een veiling is in principe het hoogste bod bepalend voor het antwoord op de vraag wie de meeste gerede partij is om voor een vergunning in aanmerking te komen. Wel moet een aanvrager alvorens deel te kunnen nemen aan een veiling voldoen aan een aantal op grond van artikel 9 te stellen minimum vereisten. Dit geldt ook als de verlening van een vergunning geschiedt door middel van een vergelijkende toets. Ook deze eisen kunnen per te verlenen vergunning verschillen. Bij een verdeling door middel van een vergelijkende toets zullen meer en andere gegevens worden gevraagd dan in geval van een veiling. Bij een vergelijkende toets vindt een selectie plaats op kwaliteitsaspecten en is het mogelijk om het bod van degene die het beste aan de gestelde beleidsdoelen voldoet, achteraf vast te leggen in de aan diens vergunning te verbinden voorschriften. De gegevens die gevraagd worden moeten een goed beeld geven van de door de aanvrager voorgenomen aanpak en activiteiten. In het tweede lid van artikel 9 worden limitatief de onderwerpen genoemd ter zake waarvan aan de aanvrager eisen kunnen worden gesteld. Om te kunnen beoordelen of de aanvrager aan die eisen voldoet zullen bij ministeriële regeling bedoeld in artikel 8 daartoe gegevens worden gevraagd.

Artikel 9

De op grond van artikel 9 aan de aanvrager te stellen eisen strekken er toe te waarborgen dat de (schaarse) frequentieruimte wordt toegedeeld aan een gebruiker waarvan met enige zekerheid is vastgesteld dat die de mogelijkheid bezit een verleende vergunning nuttig en efficiënt te gebruiken. Hierbij valt te denken dat de aanvrager over voldoende relevante kennis en ervaring beschikt of over voldoende financiële middelen om de noodzakelijke kosten die de exploitatie van een vergunning vergt, te kunnen dragen. Dit laatste kan zo nodig aangetoond worden door middel van een bankgarantie. Dat bij de verlening van een vergunning hierop wordt toegezien, wordt gevorderd door de aard, de omvang of het maatschappelijke belang van de vergunning. Per te verlenen vergunning zal worden beoordeeld in hoeverre deze belangen noodzaken tot het stellen van minimum vereisten aan aanvragers van een vergunning.

In artikel 9, derde lid, is de mogelijkheid opgenomen om, voorafgaand aan de vergunningverlening, te komen tot prealabele toetsing van te waarborgen belangen, door te bepalen dat de eisen die bij de toelating tot een veiling of vergelijkende toets aan aanvragers gesteld worden tevens betrekking kunnen hebben op het waarborgen van democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequentieruimte, waarbij rekening kan worden gehouden met pluralisme in de media. Wat de te waarborgen van genoemde belangen betreft, moet in ieder geval gedacht worden aan de volgende elementen:

  • verscheidenheid of variatie van het aanbod, om te voorkomen dat de beschikbare frequentieruimte slechts wordt gebruikt voor één type programma;

  • voldoende zorg voor het programma, om te voorkomen dat de kwaliteit van het programma ondergeschikt wordt gemaakt aan het behalen van een zo groot mogelijke winst;

  • naleving van het programmaformat waarop de frequentieruimte is verkregen, gedurende de looptijd van de vergunning;

  • het te goeder trouw en integer handelen door de vergunninghouder, zodat de verworven frequentieruimte niet wordt gebruikt om de openbare orde te verstoren, onrust te stoken of bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten.

Zie in dit verband ook de toelichting bij het besluit van 12 september 2002, houdende wijziging van het Frequentiebesluit in verband met de wijziging van de regeling voor de verdeling van schaarse frequentieruimte voor commerciële omroep (Stb. 2002, 467).

Artikel 10

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van de wet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld ter zake van de verlening (en wijziging) van vergunningen. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de toepassing en uitvoering van de procedure van de veiling of de vergelijkende toets, al of niet gevolgd door een veiling. In het onderhavige artikel is hieraan uitvoering gegeven.

In de toelichting op de artikelen 8 en 9 is reeds aangegeven dat bij ministeriële regeling zal worden bepaald welke gegevens van een aanvrager noodzakelijk zijn in het kader van de behandeling van de aanvraag.

Krachtens artikel 10 worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de behandeling en beoordeling van de aanvraag zal plaatsvinden. De regeling bedoeld in dit artikel moet worden onderscheiden van die bedoeld in artikel 9. In laatstbedoeld artikel worden minimumeisen gesteld aan de aanvrager. Pas als een aanvrager aan die minimumeisen voldoet, wordt deze toegelaten tot één van de procedures bedoeld in artikel 10.

Ingeval een veiling plaatsvindt, is een beoordeling van de kwaliteit van netwerk of diensten niet noodzakelijk. Wel dient een aanvrager uiteraard te voldoen aan de minimumeisen bedoeld in artikel 9. De hoeveelheid aan te leveren gegevens zal naar verwachting beperkter kunnen zijn dan bij de vergelijkende toets. In het tweede lid wordt, in het geval een veiling wordt gehouden, bepaald waarop de bij ministeriële regeling te stellen regels in ieder geval betrekking dienen te hebben. Deze regeling kan per te verlenen vergunning verschillen.

Er zijn verschillende veilingprocedures denkbaar. Hierbij is overwegend sprake van maatwerk, omdat bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met de beschikbare frequentieruimte of het aantal potentiële gegadigden voor een vergunning. Aangezien de op te stellen nadere regels voorts een technisch en gedetailleerd karakter kunnen hebben, is het niet goed mogelijk deze regels met betrekking tot de veilingprocedure op het niveau van dit besluit vast te stellen, dan wel reeds nu één procedure vast te stellen welke van toepassing zal zijn op elke in de toekomst te houden afzonderlijke veiling.

Ingevolge het bepaalde onder a worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een bod wordt uitgebracht. Gedacht kan worden aan het uitbrengen van een bod door middel van het inleveren van een biedkaart op een bepaalde fysieke locatie. Er zijn echter ook andere mogelijkheden denkbaar zoals het bieden door middel van fax of internet. Voorts zou bepaald kunnen worden welke personen gerechtigd zijn een bod uit te brengen.

Ingevolge het bepaalde onder b, worden regels gesteld met betrekking tot de eisen die aan een geldig bod worden gesteld. Te denken valt aan eisen met betrekking tot de methode waarop het bedrag moet worden ingevuld. Verder zouden, indien dat in de concrete situatie wenselijk wordt geoordeeld, eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot een eventueel te bieden minimumbedrag per ronde.

Ingevolge het bepaalde onder c worden regels gesteld met betrekking tot de zekerstelling dat een bod gestand wordt gedaan. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat in de ministeriële regeling het voorschrift kan worden gegeven dat de aanvrager van een vergunning een waarborgsom stort dan wel een bankgarantie verstrekt welke tot zekerheid moet dienen dat een uitgebracht bod gestand wordt gedaan. Om deze zekerheid te bieden zal de minister de mogelijkheid dienen te hebben het bedrag van de waarborgsom dan wel de bankgarantie zodanig hoog vast te stellen dat deze zekerheid daadwerkelijk ontstaat. Een dergelijke zekerstelling voorkomt naar verwachting dat een aanvrager een niet serieus bedoeld bod uitbrengt.

Ingevolge het bepaalde onder d worden regels opgesteld die moeten waarborgen dat de veiling een eerlijk en ongestoord verloop heeft. De ministeriële regeling moet de gevallen omschrijven waarin de veiling tijdelijk kan worden opgeschort, biedingen ongeldig kunnen worden verklaard en biedrondes opnieuw kunnen worden gehouden, en welke termijnen en voorwaarden daarbij gelden. Naast deze regels kan gedacht worden aan regels waarin bepaald wordt wanneer de minister kan overgaan tot het uitsluiten van een deelnemer van verdere deelname aan de veiling, bijvoorbeeld als blijkt dat hij opzettelijk obstructie pleegt met welk doel ook of anderszins de regels inzake de veilingprocedure schendt.

Ingevolge het bepaalde onder e worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld aan welke deelnemer een vergunning zal worden verleend. Bijvoorbeeld dat de vergunning aan de hoogste bieder wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de «winnaar» niet het hoogste bod betaalt maar het één na hoogste bod dat is uitgebracht.

Ingevolge het bepaalde onder f worden eisen gesteld met betrekking tot de wijze en het tijdstip van betaling, bijvoorbeeld betaling ineens of gespreide betaling.

Met betrekking tot de vergelijkende toets is het noodzakelijk dat iedere aanvrager gegevens aanlevert op basis waarvan de kwaliteit van aanvrager en aanvraag beoordeeld kan worden. Het eerste lid, juncto het derde en vierde lid van artikel 10, voorziet hierin wat betreft de vergelijkende toets. Bij ministeriële regeling zal worden bepaald welke gegevens worden betrokken bij de beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag en de aanvrager. Aan de aanvrager die – in het geheel genomen – als beste tevoorschijn komt wat betreft de kwaliteit en beschikbaarheid van zijn netwerk of diensten, de hoeveelheid te verlenen diensten en de kwaliteit van deze diensten alsmede de mate van geografische dekking van zijn netwerk, zal een vergunning worden verleend.

In het geval van een vergelijkende toets met inbegrip van een financieel bod vindt tevens een vergelijking plaats met betrekking tot de bereidheid van de aanvragers een bindend financieel bod uit te brengen, alsmede de hoogte daarvan. In dat geval zullen ook regels moeten worden gesteld omtrent het uitbrengen van dit financiële bod. Het vierde lid van artikel 10 voorziet daarin. De bepalingen omtrent het financiële bod in het geval van een vergelijkende toets zijn overigens vrijwel gelijk aan die in het tweede lid omtrent het uitbrengen van een bod tijdens een veiling.

Ingevolge het bepaalde onder a kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een financieel bod wordt uitgebracht. Gedacht kan worden aan het uitbrengen van een financieel bod door middel van het invullen van een aparte bijlage bij de aanvraag. Voorts zou bepaald kunnen worden welke personen gerechtigd zijn een financieel bod uit te brengen, en waaruit deze bevoegdheid zou moeten blijken.

Ingevolge het bepaalde onder b kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eisen die aan een geldig financieel bod worden gesteld. Te denken valt aan eisen met betrekking tot de methode waarop het bedrag moet worden ingevuld (bijvoorbeeld in cijfers of in letters). Verder zouden, indien dat in de concrete situatie wenselijk wordt geoordeeld, eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot een eventueel te bieden minimumbedrag.

Ingevolge het bepaalde onder c kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de zekerheidstelling dat een financieel bod gestand wordt gedaan. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat in de ministeriële regeling het voorschrift kan worden gegeven dat de aanvrager van een vergunning een waarborgsom stort dan wel een bankgarantie verstrekt welke tot zekerheid moet dienen dat een uitgebracht financieel bod gestand wordt gedaan. Om deze zekerheid te bieden zal de minister de mogelijkheid dienen te hebben het bedrag van de waarborgsom dan wel de bankgarantie zodanig hoog vast te stellen dat deze zekerheid daadwerkelijk ontstaat. Een dergelijke zekerheidstelling voorkomt naar verwachting dat een aanvrager een niet serieus financieel bod uitbrengt.

Ingevolge het bepaalde onder d kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot de wijze en het tijdstip van betaling van het financieel bod.

Het vijfde lid heeft tot doel om zeker te stellen dat bij het vaststellen van de selectiecriteria, artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Machtigingsrichtlijn (2002/20/EG) in acht wordt genomen. In die volzin is bepaald dat bij het opstellen van de selectiecriteria rekening moet worden gehouden met de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van de Kaderrichtlijn (2002/21/EG). Artikel 8 van de Kaderrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 1.3, eerste lid, van de wet.

Ingevolge het zesde lid kunnen regels worden gesteld als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, onderdeel b, van de wet, waarbij het mogelijk is om een of meer aanbieders van elektronische communicatienetwerken of elektronische communicatiediensten uit te sluiten van deelname aan een veiling of vergelijkende toets. Uiteraard vindt uitsluiting vooraf alleen plaats indien dat noodzakelijk is in verband met het bevorderen van daadwerkelijke concurrentie of het in stand houden van daadwerkelijke concurrentie op de relevante markt.

Artikel 11

Op grond van artikel 3.16, tweede lid, onder a, van de wet kunnen aan de aanvrager van een vergunning eisen worden gesteld waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een vergunning welke op volgorde van binnenkomst wordt verleend. In het onderhavige artikel wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om met betrekking tot de genoemde onderwerpen bij ministeriële regeling eisen te stellen die afhankelijk van de bestemming van de te gebruiken frequentieruimte kunnen verschillen. Ter verkrijging van een vergunning kunnen er dus een of meer van de limitatief opgesomde vereisten zijn verbonden aan het verkrijgen van een vergunning. Op grond van het eerste lid, onderdelen b en c, van artikel 11 zal ter zake van het gebruik van frequentieruimte die is bestemd ten dienste van de scheepvaart het vereiste gesteld worden dat de aanvrager in het bezit dient te zijn van een certificaat van bediening. Gesteld kan worden dat deze vereisten, maar ook de andere in het eerste lid genoemde vereisten, strekken tot waarborging van een doelmatig gebruik van de ether. Sommige van deze vereisten vloeien rechtstreeks voort uit het Internationale Radioreglement (Trb. 1981, 78).

Het derde lid van het artikel vormt de pendant van artikel 9, tweede en derde lid. De gedetailleerdheid van deze materie brengt met zich mee dat de nadere regeling geschiedt bij ministeriële regeling waarbij in dit artikel de norm wordt gegeven. Ook kunnen regels worden gesteld in het belang van een evenwichtige verdeling dan wel een doelmatig gebruikt van frequentieruimte. Deze bepaling strekt ertoe dat bij de verlening van vergunningen op volgorde van binnenkomst zo nodig aan de aanvrager overeenkomstige eisen kunnen worden gesteld als bij de verlening van vergunningen door middel van een veiling of vergelijkende toets.

Artikel 12

Met dit artikel wordt ter zake van vergunningen die worden verleend door middel van «op volgorde van binnenkomst» uitvoering gegeven aan artikel 3.16, van de wet op grond waarvan procedureregels voor de totstandkoming van besluiten met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning dienen te worden gesteld. Dit artikel biedt de grondslag om meer gedetailleerd aan te geven de wijze waarop een vergunning moet worden aangevraagd en welke gegevens daarbij moeten worden overgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan regels of een aanvraag van een vergunning schriftelijk of langs elektronische weg moet worden ingediend of waarbij ten behoeve van het verlenen van bepaalde vergunningen voor gebruikstoepassingen die zich kenmerken door een grote mate van eenvormigheid een vastgesteld formulier dient te worden gebruikt. Door middel van een dergelijk formulier verstrekt de aanvrager de voor de verlening van een vergunning noodzakelijke gegevens.

Indien het vergunningen betreft voor frequentieruimte die is bestemd voor het aanbieden van elektronische communicatienetwerken of elektronische communicatiediensten, wordt geen aanvraagformulier gebruikt maar wordt bij regeling aangegeven welke specifieke gegevens met betrekking tot de aanvraag en de aanvrager moeten worden verstrekt. Deze gegevens kunnen per te verlenen vergunning, veelal op onderdelen, verschillen.

Artikel 13

In het algemeen dient op een aanvraag voor het verlenen van een vergunning voor frequentieruimte te worden beslist binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht.

Hierop wordt in het onderhavige geval in verband met artikel 5, derde lid, van de Machtigingsrichtlijn een uitzondering gemaakt als het gaat om vergunningen die betrekking hebben op frequentieruimte die is bestemd voor het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten. Op grond van genoemd artikel moet op een aanvraag voor een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die in het nationaal frequentieplan bestemd is voor een bepaald gebruik binnen zes weken worden beslist. Dit wordt geregeld in het eerste lid van artikel 13.

In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn als dit nodig is om te voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit het Internationale Telecommunicatieverdrag.

Artikel 14

De procedure voor een verdeling op afroep start met een aanvraag, dat wil zeggen, een ontvankelijke aanvraag. In het frequentieplan zal worden aangegeven voor welke frequentiebanden een aanvraag volgens deze procedure kan worden ingediend. De aanvraag en aanvrager zullen aan bepaalde minimumeisen moeten voldoen zodat de aanvraag in behandeling kan worden genomen. Gelet op de doelstellingen van dit instrument, onder meer een snelle, eenvoudige en op innovatie gerichte verdeling van frequenties, zullen de eisen zoveel mogelijk worden beperkt tot formele vormvereisten.

In het geval er meer frequentieruimte wordt aangevraagd dan er beschikbaar is, en er dientengevolge sprake is van schaarste, zal de vergunning door middel van een veiling worden verdeeld.

In het derde lid van artikel 14 wordt bepaald dat bij de wijziging van het frequentieplan waarmee een bepaalde frequentieband wordt aangewezen als een band waarvan de vergunningen middels een verdeling op afroepprocedure worden verdeeld, indien mogelijk ook de vergunningvoorschriften en -beperkingen moeten worden vastgesteld. Te denken valt aan de omvang van de te verdelen kavels, de duur waarvoor een vergunning zal worden verleend en een ingebruiknameverplichting. Deze voorschriften en beperkingen kunnen verschillen per band. Zij kunnen naderhand (op het moment van verlening) indien nodig worden aangepast of aangevuld met andere voorschriften en beperkingen.

Artikel 15

Indien de aanvraag en de aanvrager aan de gestelde vereisten voldoen en een vergunning niet op voorhand geweigerd zal worden op grond van de in artikel 3.18 van de wet genoemde gronden, zal binnen negen weken na ontvangst daarvan in de Staatscourant worden bekendgemaakt dat er een aanvraag is ingediend, en op welke frequentieband deze aanvraag betrekking heeft. Teneinde strategisch gedrag van marktpartijen te voorkomen wordt de identiteit van de aanvrager noch de hoeveelheid aangevraagde frequentieruimte bekendgemaakt. In dezelfde bekendmaking worden de aan de vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, nogmaals bekendgemaakt. Bij de bekendmaking zal geen concurrentiegevoelige informatie over de eerste aanvrager worden vrijgegeven. Ook wordt bekendgemaakt dat men gedurende een periode van zes weken de gelegenheid heeft om ten aanzien van dezelfde frequentieruimte een aanvraag in te dienen. Deze aanvragen en hun indieners moeten aan dezelfde vereisten voldoen als (de indiener van) de eerste aanvraag.

Artikel 16

Na afloop van de in artikel 15 bedoelde termijn van zes weken worden de ingediende aanvragen getoetst op de voorgeschreven vereisten. Daarna kan aan de hand van de geldige aanvragen worden bepaald of er sprake is van schaarste. Er is sprake van schaarste indien er meer vraag naar frequenties blijkt te zijn dan aanbod binnen het betreffende frequentiebereik en binnen het betreffende geografische bereik. De schaarstebepaling wordt afgerond binnen uiterlijk negen weken na afloop van de indieningstermijn.

Als er geen schaarste is, wordt de aangevraagde vergunning(en) met de definitief vastgestelde voorschriften en beperkingen verleend. Ook indien er meerdere aanvragen zijn ingediend kan het toch zijn dat er geen sprake is van schaarste, bijvoorbeeld als er 20 MHz aan frequentieruimte beschikbaar is en er drie aanvragen zijn van 5 MHz per aanvrager. De verlening geschiedt dan om niet. Voor de verlening zullen wel de jaarlijkse kosten voor toezicht, in rekening worden gebracht, alsmede eenmalige verleningskosten.

Indien er wel sprake is van schaarste, zal dit uiterlijk binnen negen weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, aan de betreffende aanvragers bekend worden gemaakt en zal worden aangegeven dat de verdeling door middel van een veiling zal plaatsvinden.

Binnen twee weken na het besluit dat de vergunning wordt verleend door middel van een veiling, wordt het aanvangstijdstip van de veiling bekendgemaakt. Voorts worden bekendgemaakt de aan de vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen, voor zover redelijkerwijs mogelijk, en het aantal en de omvang van de vergunningen die door middel van een veiling zullen worden verleend. Uiterlijk 25 weken na afloop van de indieningstermijn van de aanvragen, worden de vergunningen verleend overeenkomstig de uitkomsten van de veiling.

Artikel 17

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend en aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De onderwerpen ter zake waarvan beperkingen en voorschriften kunnen worden gegeven zijn limitatief opgesomd. Voor alle duidelijkheid geldt dit uiteraard onverlet overige voorschriften die rechtstreeks op basis van de wet kunnen worden gesteld. Te noemen valt bijvoorbeeld de geldingsduur van een vergunning, geregeld in artikel 3.17, eerste lid, van de wet.

Met betrekking tot de onderwerpen genoemd in artikel 17, eerste lid, kan het volgende worden opgemerkt.

Voorschriften die betrekking hebben op het doelmatige gebruik van de toegewezen frequentieruimte als bedoeld in onderdeel a kunnen bijvoorbeeld voorschriften bevatten betreffende gedeeld gebruik van de toegekende frequentieruimte en de wijze waarop van die frequentieruimte gebruik dient te worden gemaakt. De gebruiker dient er namelijk voor te zorgen dat hij zijn medegebruikers niet hindert in het gebruik van de frequentieruimte.

Op grond van het bepaalde in onderdeel b kan worden voorgeschreven dat de toegekende frequentieruimte slechts mag worden gebruikt door middel van radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne-inrichtingen die voldoen aan krachtens de wet gestelde technische eisen. Daarmee wordt een doelmatig en efficiënt gebruik van frequentieruimte gewaarborgd.

Ten behoeve van een adequaat toezicht en de handhaving van de regels voor het gebruik van frequentieruimte is het noodzakelijk dat de vergunninghouder snel kan aantonen dat hij rechtmatig gebruik maakt van de betreffende frequentieruimte. Derhalve kan ingevolge onderdeel c worden voorgeschreven dat de vergunninghouder bescheiden zoals bijvoorbeeld zijn vergunning of bedieningscertificaat beschikbaar houdt.

Om zeker te stellen dat in het geval van een vergelijkende toets al dan niet met inbegrip van een financieel bod, de verplichtingen voorvloeiend uit de door de vergunninghouder gedane toezeggingen, of, in geval van een veiling het geboden bedrag ook onder de aan de vergunning te verbinden voorschriften valt, is in artikel 17, eerste lid, onder d, opgenomen dat de aan de vergunning te verbinden voorschriften betrekking kunnen hebben op de verplichtingen die voortvloeien uit de gegevens die de vergunninghouder zelf heeft aangeleverd in de desbetreffende vergelijkende toets- of veilingprocedure. Door te verwijzen naar de gegevens die de vergunninghouder zelf heeft aangeleverd kunnen de vergunningvoorschriften ook worden opgenomen als bij de verdeling via veiling of vergelijkende toets blijkt dat slechts één aanvrager voldoet aan de krachtens dit besluit gestelde eisen. Dit is nog geëxpliciteerd in de tekst van artikel 17, eerste lid, onder d, door de laatste zinsnede («ook indien slechts één aanvrager voldoet aan de krachtens dit besluit gestelde eisen»).

Onderdeel e geeft de mogelijkheid om een vergunninghouder gebruiksvoorschriften te geven ter voorkoming en beëindiging van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische en elektronische apparaten die worden veroorzaakt door het gewenste signaal van zijn radiozendapparaat (naar analogie van de bepaling over de weigering van een vergunning in artikel 3.18, tweede lid, onderdeel d, van de wet). Ter zake van de ongewenste signalen van zijn radiozendapparaat worden voorschriften gegeven op grond van Hoofdstuk 10 van de wet. Hierdoor is een uitputtende regeling op dit gebied gecreëerd, die in overeenstemming is met de desbetreffende Europese regelgeving (de R&TTE-richtlijn en de EMC Richtlijn, alsmede Richtlijn nr. 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (PbEG L 108)).

Onderdeel f maakt het mogelijk aan de vergunningen bestemd voor commerciële omroep voorschriften en beperkingen te verbinden ten behoeve van de waarborging van democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen als genoemd in artikel 9, derde lid.

In de eerste plaats kan ingevolge onderdeel g voorgeschreven worden welk soort (elektronische) (communicatie)dienst of -netwerk moet worden aangeboden door de vergunninghouder. Dit onderdeel dient in samenhang te worden gezien met het frequentieplan, bedoeld in artikel 3.1, van de wet. In het frequentieplan is de bestemming aangegeven waarvoor de vergunning moet worden gebruikt. Dit onderdeel biedt de grondslag om die bestemming verder uit te werken. In de tweede plaats kan voorgeschreven worden welke (technische) normen de vergunninghouder in acht moet nemen. Normen worden veelal op Europees of mondiaal niveau vastgesteld. Het voornemen bestaat dan ook om alleen (technische) normen voor te schrijven, indien hierover op internationaal niveau overeenstemming bestaat.

Deze voorschriften als bedoeld in onderdeel h kunnen in de regel ook onder een andere categorie van artikel 17, eerste lid, vallen, zoals het «doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte» (onderdeel a) of «de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne inrichtingen» (onderdeel b). Er is dus een grote overlap. Niettemin is deze categorie toegevoegd om redenen van juridische transparantie, namelijk strikte implementatie van de bijlage, onderdeel B, van de Machtigingsrichtlijn: daarin wordt deze categorie expliciet en apart genoemd. In de praktijk zal de bepaling als vangnet kunnen dienen. Bij internationale overeenkomsten valt niet alleen te denken aan de Internationale Telecommunicatie Unie en de EU, maar ook aan overeenkomsten met de buurlanden over bijvoorbeeld gebruik van frequentieruimte in de grensgebieden.

Op grond van het Radioreglement dienen bepaalde uitzendingen een identificerende code te bevatten met het oog op het tegengaan van storingen en om bij calamiteiten effectief te kunnen optreden. Daartoe verkrijgen vergunninghouders een dergelijke code van de minister. Het gebruik van codes door de vergunninghouder wordt ingevolge onderdeel i geregeld. De code bestaat uit een combinatie van letters of cijfers. Dit omvat een combinatie van alleen letters, een combinatie van alleen cijfers en een combinatie van een of meer letters met een of meer cijfers.

Op grond van artikel 17, tweede lid en derde lid, kunnen meer specifieke voorschriften en beperkingen worden verbonden aan vergunningen in het kader van het doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte of het voorkomen of beperken van het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen door het gewenste signaal van een radiozendapparaat.

Indien samenwerking tussen vergunninghouders noodzakelijk is om gewijzigde of nieuw toegekende frequentieruimte in gebruik te kunnen nemen met behoud van continuïteit van dienstverlening, kan de verplichting worden opgenomen om binnen een bepaalde termijn een overeenkomst te sluiten over deze samenwerking. De verplichting om aan deze overeenkomst deel te nemen kan worden opgelegd zowel aan houders van bestaande (eventueel verlengde) vergunningen, als houders van nieuwe vergunningen indien ook hun medewerking noodzakelijk is om de ingebruikname van de nieuwe of gewijzigde vergunningen te laten plaatsvinden met behoud van continuïteit van dienstverlening. Het is goed denkbaar dat een bindende overeenkomst tussen partijen nodig is om de momenten waarop en geografische gebieden waarin vergunninghouders van frequentiegebruik wisselen goed af te stemmen zodat de continuïteit van dienstverlening niet in gevaar komt. De inhoud van deze overeenkomst maakt tevens deel uit van de vergunningvoorschriften. De Minister kan op verzoek van een van de betrokken vergunninghouders of uit eigen beweging dwingende voorschriften geven met betrekking tot de wijze waarop de overeenkomst tot stand moet komen. Daarnaast kan de Minister, indien op een of meer onderdelen van de overeenkomst geen overeenstemming dreigt te worden bereikt, op verzoek of uit eigen beweging een dwingende aanwijzing geven. Deze aanwijzing moet door de vergunninghouders worden overgenomen in de overeenkomst.

Artikel 18

Voor vergunningen die zijn verleend op volgorde van binnenkomst als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de wet, geldt ingevolge het eerste lid van artikel 18 de hoofdregel dat na de initiële verlening deze vergunningen telkens van rechtswege verlengd worden met een periode van vijf jaar. Dit is de zogenaamde voortrollende verlenging van vergunningen. De voortrollende verlenging kan ingevolge artikel 3.17, tweede lid, van de wet, eindigen na een besluit daartoe door de Minister van Economische Zaken. Van deze mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt teneinde te bewerkstelligen dat alle vergunningen van een bepaalde categorie beëindigd zullen worden, indien dit bijvoorbeeld noodzakelijk is vanwege internationale afspraken over het gebruik van de betreffende frequentieruimte. Om te voorkomen dat vergunninghouders geconfronteerd worden met het feit dat hun vergunningen op korte termijn aflopen, neemt de Minister van Economische Zaken het besluit tot vaststelling van een einddatum uiterlijk twee jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend, onderscheidenlijk is verlengd, is verstreken, is genomen.

In het tweede lid is het uitgangspunt bevestigd dat vergunningen die zijn verdeeld door middel van de in artikel 3.10, eerste lid, onder b tot en met f, van de wet, genoemde verdelingsprocedures, niet worden verlengd. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang dit naar het oordeel van de Minister van Economische Zaken vordert. Tevens kan hiervan worden afgeweken indien verlenging naar het oordeel van de minister van belang is voor de bevordering van de overgang van analoge naar digitale techniek.

In het derde lid is de regeling van artikel 13 van het vorige Frequentiebesluit, voor de mogelijkheid tot verlenging van de vergunningen voor de publieke omroep, verleend op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de wet, gehandhaafd.

Artikelen 19 tot en met 22

Voor de toelichting op deze artikelen, die ongewijzigd zijn overgenomen uit het vorige Frequentiebesluit, wordt verwezen naar de toelichting op deze artikelen bij het Besluit implementatie herziene telecommunicatierichtlijnen, waarbij deze artikelen werden ingevoegd in het Frequentiebesluit (Staatsblad 2012, nr. 236).

Artikelen 23 tot en met 26

Voor de toelichting op deze artikelen, die ongewijzigd zijn overgenomen uit het vorige Frequentiebesluit, wordt verwezen naar de toelichting op deze artikelen bij de invoering in dat besluit (Staatsblad 2009, nr. 560).

Artikel 27

Dit artikel strekt ter uitvoering van artikel 3.24, eerste lid, van de wet. Op grond van deze bepaling kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gebruikers van frequentieruimte over en weer worden verplicht om te voldoen aan redelijke verzoeken tot medegebruik van antenne-opstelpunten. Deze verplichting was in de geldende wet neergelegd in artikel 3.11, eerste lid, dat slechts van toepassing was op de houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor openbare telecommunicatienetwerken of -diensten. In het kader van de flexibilisering, met het oog op de snelle technologische ontwikkelingen, is er voor gekozen om deze verplichting minder tijd- en techniekafhankelijk te maken en niet langer in de wet vast te leggen. Daardoor kan de minister snel inspelen op de ontwikkelingen en kunnen naast de in de geldende wet genoemde vergunninghouders ook andere gebruikers van frequentieruimte worden verplicht om hun antenne-opstelpunten beschikbaar te stellen voor medegebruik.

Artikelen 28 tot en met 31

Deze artikelen voorzien in de noodzakelijke aanpassingen van een aantal algemene maatregelen van bestuur vanwege de vaststelling van onderhavig besluit. De aanpassingen zijn overwegend van technische aard.

Ten aanzien van het gebruik van de frequentieruimte dat afwijkt van het bij of krachtens hoofdstuk 3 van de wet bepaalde, zijn het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie en het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering met elkaar in overeenstemming gebracht. De aanpassingen hebben betrekking op de bevoegdheid tot het gebruik van de apparatuur en de opslag van de apparatuur bij toepassing van artikel 3.22 van de wet. Het artikel in het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie dat ziet op de bevoegdheid tot het gebruik van de apparatuur is aangepast aan de bevoegheidstoedeling in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering. Artikel 4 van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie beperkt de bevoegdheid tot het gebruik niet langer tot opsporingsambtenaren van een door de korpschef aangewezen onderdeel van een landelijke eenheid, maar maakt het mogelijk dat alle opsporingsambtenaren gebruik mogen maken van deze apparatuur, mits zij voldoen aan de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde eisen betreffende kennis van de juridische, operationele en technische aspecten van het gebruik van de apparatuur. Artikel 4, eerste lid, van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie en artikel 16 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering bevatten nu een gelijkluidende bepaling. Ook ten aanzien van de opslag stellen beide besluiten nu dezelfde eisen. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie bepaalt dat de apparatuur ook bij de regiokorpsen mag worden opgeslagen op een plaats die geschikt is voor de opslag van technische hulpmiddelen. De formulering van artikel 5, eerste lid, van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering is overgenomen.

Ten slotte is artikel 17 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering aangepast. Aangezien de apparatuur voor een gebruik van de frequentieruimte dat afwijkt van het bij of krachtens hoofdstuk 3 van de wet bepaalde, zich ook leent voor de plaatsbepaling van personen, is het gebruik van deze apparatuur ten behoeve van observatie aan artikel 17 toegevoegd.

Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat artikel 3.22, eerste lid, van de wet als zodanig geen bijzondere opsporingsbevoegdheid in het leven roept, maar alleen legitimeert tot een afwijkend gebruik van de frequentieruimte. Dit betekent dat het gebruik van bijvoorbeeld een IMSI-catcher ten behoeve van de opsporing van een verdachte of het opnemen van telecommunicatie gebaseerd dient te zijn op een bevel van de officier van justitie op grond van het Wetboek van Strafvordering. Daarentegen is in het geval dat de politie op grond van het artikel 3.22, eerste lid, van de wet een IMSI-catcher gebruikt om iemand te redden die in acuut levensgevaar verkeert, deze inzet gerechtvaardigd op grond van de Politiewet.

Artikelen 32 tot en met 35

Deze bepalingen bevatten redactionele wijzigingen in overige algemene maatregelen van bestuur, die voortvloeien uit de nieuwe artikelnummering in hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet en de vervanging van het Frequentiebesluit door het Frequentiebesluit 2013.

Artikel 36

De wijziging van hoofdstuk 8 van het Besluit randapparaten en radioapparaten 2007 hangt samen met de motie Van Bemmel (Kamerstukken 24 095, nr. 278). In de motie wordt onder andere aandacht gevraagd voor het toezicht van Agentschap Telecom; er is een wens om het toezicht meer (kosten)efficiënt te laten plaatsvinden. Agentschap Telecom treedt onder andere op wanneer er illegale uitzendingen plaatsvinden in de FM-band. Deze overtreders worden in de volksmond aangeduid als etherpiraten. Illegale FM-zenders veroorzaken storing op binnenlandse- en buitenlandse vergunninghouders en kunnen in grote gebieden storingen veroorzaken op legale zenders. Met name in het noorden en oosten van het land zijn honderden illegale zenders die geregeld aanstaan en dan het radioprogramma van vergunninghouders wegdrukken.

Het opsporen van een overtreder die illegaal uitzendt in de FM-band vergt relatief veel inspanningen. Hier liggen twee belangrijke redenen aan ten grondslag. In de eerste plaats zenden illegale FM-zenders niet continu uit, waardoor succesvol handhavend optreden alleen mogelijk is als er een toezichthouder van Agentschap Telecom in de buurt is of een burger of radio-omroep een storing van een illegale FM-zender meldt. In de tweede plaats is de opsporing van illegale FM-omroepzenders een tijdrovende werkzaamheid, omdat zij fysiek moeten worden opgespoord door middel van radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en visuele waarnemingen. Het is mogelijk om het optreden tegen illegale FM-zenders efficiënter en doelmatiger te laten plaatsvinden, indien aanvullende regels worden gesteld. Thans wordt alleen opgetreden als er daadwerkelijk een illegale uitzending is geconstateerd. Dit vereiste is in een aantal gevallen onnodig. Veel overtreders maken namelijk gebruik van een (mobiele) mast met een hoogte van 60 meter of meer. In die mast hangen dan vaak meerdere antennes (zogenaamde dipolen). Dan is zeer waarschijnlijk en aannemelijk dat de betreffende mast en bijbehorende antennes enkel en alleen worden gebruikt om illegale uitzendingen te plegen in de FM-band. Wanneer een mast met bijbehorende antennes kennelijk met als enige doel wordt gebruikt om illegale uitzendingen in de FM-band te plegen, ligt het in de rede dat Agentschap Telecom op basis van artikel 23a van het Besluit randapparaten en radioapparaten 2007 de bevoegdheid krijgt de persoon in kwestie de verplichting op te leggen om de antennes permanent te verwijden; ook als geen illegale uitzending is geconstateerd. Alleen wanneer de persoon een steekhoudende verklaring heeft, zou kunnen worden afgezien van het opleggen van die verplichting. Dit is bijvoorbeeld het geval als een FM-vergunning recent is afgelopen. Een dergelijke verplichting ligt in lijn met het verbod in artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet om een radiozendapparaat geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig te hebben, indien de houder niet over de noodzakelijke vergunning beschikt.

De aanvullende regels zullen tot gevolg hebben dat vergunninghouders in het binnen- en buitenland (met name Duitsland) minder storing zullen ondervinden. Deze regels dienen de belangen van de vergunninghouder die op rechtmatige wijze toegang heeft verkregen tot de FM-band. De regels zijn ook in het voordeel van de luisteraar, omdat zijn favoriete publieke of commerciële programma minder vaak wordt weggedrukt door een illegale FM-zender.

De regels worden bij ministeriële regeling gesteld om relatief snel te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. De ervaring heeft namelijk geleerd dat degene die overtredingen plegen in de FM-band bij wijziging van het beleid hun gedrag zo gaan aanpassen dat het lastiger wordt om handhavend te kunnen optreden.

De regels die krachtens artikel 23a van het Besluit randapparaten en radioapparaten worden gesteld, dienen te voldoen aan artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat ziet op het recht op vrije meningsuiting. Genoemd artikel verzet zich er niet tegen dat – om storingen te voorkomen – een vergunning is vereist voor het gebruik van omroepfrequenties. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 22 december 2009, LJN BJ 9350, geoordeeld dat het beheer van frequentieruimte een zaak van openbare orde is en dat vermijding van ontduiking van de vergunningsplicht (voor de FM) een legitiem doel is. Aan die kaders zal de regeling voldoen.

Het nieuwe tweede lid van artikel 23 van het Besluit randapparaten en radioapparaten 2007 maakt het mogelijk om elektrische of elektronische apparaten aan te wijzen die na aanwijzing ingevolge artikel 10.8 van de Telecommunicatiewet worden gelijkgesteld met een radiozendapparaat. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt, indien daardoor effectiever kan worden opgetreden tegen illegaal frequentiegebruik.

Artikel 37

In het eerste lid van dit artikel is een overgangsrechtelijke bepaling overgenomen uit het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 18 februari 2011, houdende wijziging van het Frequentiebesluit in verband met het digitaliseringsbeleid voor commerciële radio (Stb. 2011, 88). In het tweede lid wordt bepaald dat enkele verdeelregelingen die door de wijzigingen in hoofdstuk 3 van de wet en de daarop gebaseerde regelgeving komen te vervallen, van toepassing blijven op vergunningen die volgens deze regelingen zijn verleend. Hierdoor kan bij overdracht van deze vergunningen blijven worden getoetst op de eisen die bij de verlening aan de verkrijger werden gesteld. Daarnaast bevatten enkele van deze regelingen voorschriften die van toepassing dienen te blijven op deze vergunningen.

Artikel 38

Met dit artikel krijgen de betreffende uitvoeringsregelingen een nieuwe grondslag.

Artikel 39

In dit artikel wordt naast het Frequentiebesluit een aantal besluiten ingetrokken omdat deze inmiddels zijn uitgewerkt en daarom geen zelfstandige betekenis meer hebben.

Artikel 40

Dit artikel regelt de datum waarop de Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de Nota Frequentiebeleid 2005 en het Frequentiebesluit 2013 in werking treden.

In afwijking van het beleid inzake vaste verandermomenten treden de Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de Nota Frequentiebeleid 2005 en het Frequentiebesluit 2013 eerder in werking dan het eerstvolgende vaste verandermoment (1 juli). Wel wordt de termijn van twee maanden tussen bekendmaking en inwerkingtreding in acht genomen. Er is gekozen voor eerdere inwerkingtreding dan per 1 juli 2013 omdat het bedrijfsleven baat heeft bij een directe inwerkingtreding van de flexibilisering en de vereenvoudiging van bestaande bestemmings- en verdeelprocedures. De Nota Frequentiebeleid die met deze regelgeving wordt geïmplementeerd dateert uit 2005.

III. Vergelijkend overzicht Frequentiebesluit en Frequentiebesluit 2013

Frequentiebesluit

Frequentiebesluit 2013

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Vervalt, met uitzondering van de tweede volzin van het derde lid: 3.10, tweede lid, van de Telecommunicatiewet

Artikel 2a

Artikel 6

Artikel 3, eerste lid

3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet

Artikel 3, tweede lid

Vervalt

Artikel 3, derde lid

Artikel 7, en artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet

Artikel 3, vierde lid

Vervalt

Artikel 3, vijfde lid

Vervalt

Artikel 4

Artikel 8

Artikel 5

Artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet

Artikel 6

Artikel 9

Artikel 6a

Vervalt, met uitzondering van de eerste volzin van het eerste lid: artikel 6

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9, eerste lid

Artikel 18, tweede lid

Artikel 9, tweede lid

Vervalt

Artikel 9, derde lid

Artikel 18, vijfde lid

Artikel 9, vierde lid

Artikel 18, zesde lid

Artikel 10

Vervalt

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13, eerste lid

Artikel 18, eerste lid

Artikel 13, tweede lid

Artikel 18, vijfde lid

Artikel 13, derde lid

Artikel 18, derde lid

Artikel 13, vierde lid

Artikel 18, zesde lid

Artikel 14

Vervalt

Artikel 15, eerste lid

Artikel 13, eerste lid

Artikel 15, tweede lid

Artikel 3.10, zesde lid, onder b, van de Telecommunicatiewet

Artikel 15, derde lid

Artikel 13, tweede lid

Artikel 15a

Artikel 19

Artikel 15b

Artikel 20

Artikel 15c

Artikel 21

Artikel 15d

Artikel 22

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17

Artikel 3.19, derde lid, van de Telecommunicatiewet

Artikel 18

Artikel 2, derde lid

Artikel 19

Artikel 2, tweede lid

Artikel 20

Artikel 4

Artikel 20a

Artikel 5

Artikel 20b

Artikel 23

Artikel 20c

Artikel 24

Artikel 20d

Artikel 25

Artikel 20e

Artikel 26

Artikel 21, eerste tot en met derde lid

Vervalt

Artikel 21, vierde lid

Artikel 37

Artikel 23

Artikel 40, derde lid

Artikel 24

Artikel 41

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.