Besluit van 12 november 2012, tot wijziging van het Besluit doden van dieren en het Besluit ritueel slachten in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Pb EU 2009, L 303)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, gedaan mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 27 september 2012, nr. 294093, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303) en gelet op artikel 44, eerste, tweede en negende lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 2012, no. W15.12.0399/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 2 november 2012, nr. 12347122, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit doden van dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

pluimvee:

pluimvee als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van Verordening (EG) nr. 1099/2009;

slachten:

slachten als bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van Verordening (EG) nr. 1099/2009;

slachthuis:

slachthuis als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van Verordening (EG) nr. 1099/2009;

Verordening (EG) nr. 1099/2009:

Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303);

wet:

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

B

Na artikel 1 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1a

De artikelen 2 tot en met 6 zijn niet van toepassing op het doden van dieren en op met het doden verband houdende activiteiten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009, met uitzondering van pluimvee, konijnen en hazen die door hun eigenaar voor particulier huishoudelijk verbruik buiten een slachthuis worden geslacht.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

Het zinsdeel «Bij het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten of doden» wordt vervangen door: Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «Het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten of doden van dieren» vervangen door: Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten.

2. In het tweede lid komt het zinsdeel na de woorden «ten aanzien van» te luiden: de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

De aanhef komt te luiden: Een dier wordt gedood door toepassing van een:.

F

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt het zinsdeel «De artikelen 5, 12, 13 en 15 zijn niet van toepassing» vervangen door: Artikel 5 is niet van toepassing.

2. Onder vervanging van de puntkomma door een punt aan het slot van onderdeel b, vervalt onderdeel c.

G

De paragrafen 2 en 3 worden vervangen door:

§ 2. Uitvoering EU-verordening doden van dieren

Artikel 7

Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling aan te wijzen artikelen van Verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 8
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van Verordening (EG) nr. 1099/2009.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    • a. het aanwijzen van een bevoegde autoriteit;

    • b. het verstrekken, schorsen en intrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid;

    • c. het goedkeuren van opleidingsprogramma’s en de inhoud en uitvoeringsbepalingen van examens;

    • d. het uitvoeren van controles en inspectie die relevant zijn voor de bescherming van dieren bij het doden en met het doden verband houdende activiteiten;

    • e. gidsen voor goede praktijken;

    • f. het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren buiten een slachthuis.

Artikel 9
  • 1. Het is verboden buiten het slachthuis rundvee, eenhoevigen of loopvogels te slachten of te doden.

  • 2. Varkens, geiten en schapen worden buiten het slachthuis uitsluitend gedood na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel.

H

Artikel 17 vervalt.

ARTIKEL II

Het Besluit ritueel slachten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Verordening (EG) nr. 1099/2009:

Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303);

wet:

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

B

Na artikel 1 wordt een artikel toegevoegd, luidende;

Artikel 1a

Dit besluit berust mede op de artikelen 44, eerste en tweede lid, van de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren.

C

De artikelen 3 en 4 komen te luiden:

Artikel 3

Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling aan te wijzen artikelen van Verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 4

  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van Verordening (EG) nr. 1099/2009.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    • a. het aanwijzen van een bevoegde autoriteit;

    • b. het verstrekken, schorsen en intrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid;

    • c. het goedkeuren van opleidingsprogramma’s en de inhoud en uitvoeringsbepalingen van examens;

    • d. het uitvoeren van controles en inspectie die relevant zijn voor de bescherming van dieren bij het doden en met het doden verband houdende activiteiten;

    • e. gidsen voor goede praktijken.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «de door de keuringsdierenarts of de keurmeester in het belang van de bescherming van het slachtdier gegeven aanwijzingen» vervangen door: de door de op grond van artikel 114, eerste lid, van de wet aangewezen toezichthouders in het belang van de bescherming van het dier gegeven aanwijzingen.

2. In het tweede lid, derde gedachtestreepje, wordt «aan de eisen van dit besluit» vervangen door: aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1099/2009 en van dit besluit.

E

De artikelen 6 en 7 vervallen.

F

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt.

2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

3. Het tweede lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste zinsdeel, afgesloten met een puntkomma, vervalt en in het resterend zinsdeel wordt het woord «na» vervangen door: Na.

G

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

H

De artikelen 10 en 11 vervallen.

ARTIKEL III

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 12 november 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken, J. C. Verdaas

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. I. Schippers

Uitgegeven de zevenentwintigste november 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit voorziet erin dat de regels voor het doden van dieren in overeenstemming worden gebracht met Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303), verder verordening. Deze verordening bevat, kort samengevat, de regels voor het doden van dieren die bedrijfsmatig voor productiedoeleinden worden gehouden. De verordening vervangt Richtlijn (EG) nr  93/119/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (PbEG 1993, L 340), verder richtlijn.

De regels die inzake het doden van dieren, mede ter implementatie van genoemde richtlijn, zijn gesteld, zijn gebaseerd op artikel 44 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het betreft het Besluit doden van dieren en het Besluit ritueel slachten.

De verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Beide genoemde besluiten zijn bij dit besluit aan de verordening aangepast. Regels ter uitvoering van de verordening worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Het besluit betreft de juridisch-technische aanpassingen die nodig zijn. Dit geldt dus ook voor de wijzigingen in het Besluit ritueel slachten. Voorziene aanpassingen in dat besluit ter implementatie van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten (Stcrt. 2012, 13162) zullen in een separaat wijzigingsbesluit worden geregeld.

Dit besluit loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Wet dieren. Voorzien is dat de regels over het doden van dieren worden opgenomen in het Besluit houders van dieren dan wel de Regeling houders van dieren. Een ontwerp voor dat besluit is bij brief van 14 juni 2012 «voorgehangen» bij de beide kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 567). De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van de Tweede Kamer heeft verzocht geen onomkeerbare beslissingen te nemen totdat over dat besluit met de Kamer is gesproken (Kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 583).

Hieronder zal nader worden ingegaan op de verordening en de gevolgen daarvan.

2. Inhoud van de verordening

De verordening stelt de regels inzake de bescherming van dieren bij het doden. De reikwijdte van de verordening is beperkt tot het doden van dieren die gefokt of gehouden worden voor de productie van levensmiddelen, wol, huiden, pelzen of andere producten, voor het doden van dieren met het oog op ruiming en voor daarmee verband houdende activiteiten.

De verordening bevat, gegeven deze reikwijdte, enkele algemene bepalingen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten; bepalingen die ook in de richtlijn waren opgenomen. Deze bepalingen zijn gericht op het vermijden, voor zover mogelijk, van pijn, spanning of lijden bij dieren bij het doden en op het bedwelmen van dieren voorafgaand aan het doden (respectievelijk artt. 3, lid 1, en 4, lid 1). Voorts stelt artikel 7, lid 1, van de verordening de eis van vakbekwaamheid ten aanzien van het uitvoeren van handeling bij het dodingsproces.

De verordening en de daarbij behorende bijlagen bevatten voorts vele gedetailleerde regels en voorschriften die door bedrijfsexploitanten van slachthuizen in acht genomen dienen te worden bij het doden van dieren. Belangrijke elementen zijn:

  • het uitoefenen van voldoende periodieke controles gedurende het dodingsproces, met name ook ten aanzien van genoegzame bedwelming (art. 5);

  • het opstellen en hanteren van standaardwerkwijzen (art. 6);

  • het vereiste dat een aantal specifieke slachtactiviteiten slechts mag worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten (art. 7).

Deze elementen zijn deels een aanscherping van bestaande werkwijzen en praktijken. Het vereiste van een vakbekwaamheidbewijs is nieuw.

Met betrekking tot bedwelmingsapparatuur geldt de eis dat deze vergezeld gaan van adequate gebruiksinstructies (art. 8). Dergelijke apparatuur als ook fixatieapparatuur dient overeenkomstig de instructies te worden onderhouden en gecontroleerd door personen die daartoe specifiek zijn opgeleid (art. 9). Tevens dient er een onderhoudsregister te worden bijgehouden.

Hoofdstuk III van de verordening bevat aanvullende voorschriften voor slachthuizen. Het gaat daarbij om indeling, bouw en apparatuur, om operationele voorschriften voor behandeling van dieren en fixatieactiviteiten en monitoringsprocedures. Zo dienen bedrijfsexploitanten voor elk slachthuis een functionaris voor dierenwelzijn te benoemen (art. 17).

Hoofdstuk IV van de verordening gaat over ruiming en het doden van dieren in noodsituaties. Onder meer geldt het voorschrift dat voorafgaand aan een ruimingsoperatie een actieplan wordt opgesteld teneinde te waarborgen dat aan de voorschriften van de verordening wordt voldaan (art. 18). In noodsituaties ad hoc dient de houder van de betreffende dieren alle noodzakelijke maatregelen te nemen om dieren zo snel mogelijk te doden (art. 19).

De verordening bepaalt in artikel 4, lid 4, dat, indien dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, voorafgaande bedwelming niet behoeft plaats te vinden mits het slachten plaatsvindt in een slachthuis. Voorts dienen alle dieren die volgens deze riten zonder voorafgaande bedwelming worden gedood, afzonderlijk te worden gefixeerd; herkauwers worden mechanisch gefixeerd (art. 15, lid 2).

Een en ander impliceert dat, hoewel dit besluit louter de juridisch-technische aanpassingen betreft van de regels aan de verordening, de verordening ook inhoudelijk veranderingen en aanscherping bevat ten opzichte van de voorheen geldende regels. Dit betreft mede enkele bepalingen omtrent het ritueel slachten, met name op het punt van fixatie.

3. Gevolgen

Dieren die voor bedrijfsmatige productie worden gehouden

Besluit doden van dieren

Een EU-verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk. Dit betekent dat lidstaten geen regels mogen stellen of handhaven over onderwerpen voor zover die bij verordening uitputtend zijn geregeld.

Voor dieren die voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten worden gehouden geldt derhalve de verordening onverkort en in al zijn onderdelen. De voorheen in het Besluit doden van dieren opgenomen regels voor het doden en slachten van deze dieren, de paragrafen 2 en 3 van dat besluit, zijn dan ook geschrapt. Daarvoor in de plaats zijn louter voorzieningen in dat besluit opgenomen die dienen ter uitvoering van de verordening (art. I, onderdeel G). Alleen het voorheen geldende artikel 12 van het Besluit doden van dieren is als bijzondere aanvullende eis ten opzichte van de verordening materieel behouden (art. I, onderdeel G; art. 9). Dit betreft het doden van dieren, anders dan pluimvee, konijnen en hazen, buiten slachthuizen.

Bij ministeriële regeling wordt in de eerste plaats de strafbaarstelling geregeld. De daarvoor in aanmerking komende bepalingen van de verordening worden bij ministeriële regeling aangewezen (art. I, onderdeel G; art. 7).

Bij ministeriële regeling zullen voorts een aantal bepalingen worden gesteld gericht op de goede uitvoering van de verordening (art. I, onderdeel G; art. 8). In het bijzonder zijn regels nodig ter uitvoering van het vereiste dat personeel van slachthuizen dient te beschikken over een getuigschrift, verkregen op basis van het volgen van een opleidingsprogramma. Hierbij geldt dat artikel 29, lid 2, van de verordening een overgangsrechtelijke voorziening kent. Deze behelst dat tot en met 8 december 2015 getuigschriften middels een vereenvoudigde procedure kunnen worden verstrekt aan personen die kunnen aantonen dat zij gedurende een periode van minimaal drie jaar betrokken professionele werkervaring hebben opgedaan.

Regels kunnen ook worden gesteld betreffende gidsen voor goede praktijken. Deze gidsen dienen als praktische handreiking voor de bedrijven om de dagelijkse toepassing van de verordening te vergemakkelijken. Daarmee kan ook de naleving worden bevorderd. Gidsen voor goede praktijken worden in beginsel door de sector zelf opgesteld. Artikel 13 van de verordening roept de overheid het opstellen van deze gidsen te aan te moedigen. Indien het opstellen van deze gidsen achterwege blijft, kunnen zij van overheidswege worden vastgesteld.

Bedoelde uitvoering bij ministeriële regeling zal geschieden door middel van een wijziging van de Regeling doden van dieren. Deze regeling zal voor dit doel worden gebaseerd op artikel 8 van het Besluit doden van dieren respectievelijk artikel 4 van het Besluit ritueel slachten.

Voor zover nodig zal bij de ministeriële regeling de implementatietabel ten opzichte van de verordening worden gevoegd.

Besluit ritueel slachten

Voor het Besluit ritueel slachten geldt in overeenkomstige zin hetzelfde als voor het Besluit doden van dieren, voorzover het gaat om de strafbaarstelling en regels die voor de goede uitvoering van de verordening nodig zijn. In verband met met name deze twee laatste punten is het noodzakelijk geoordeeld de grondslag van dat besluit uit te breiden met een verwijzing naar artikel 44, eerste en tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (art. II, onderdeel B).

Nationale regels

De verordening belet niet regels te handhaven die strekken tot een meer uitgebreide bescherming van dieren bij het doden. Voorts geeft de verordening de ruimte regels vast te stellen die strekken tot een meer uitgebreide bescherming van dieren bij het doden van dieren (art. 26). Dergelijke regels kunnen betrekking hebben op het doden van dieren buiten een slachthuis, het slachten van gekweekt wild en het ritueel slachten. Dit kunnen regels zijn die geheel buiten de reikwijdte van de verordening vallen dan wel die onderwerpen betreffen die zijn uitgezonderd.

Daartoe worden de voorheen geldende bepalingen uit paragraaf 1 van het Besluit doden van dieren louter juridisch-technisch aangepast en is voorzien in een afbakeningsbepaling in relatie tot de verordening (art. I, onderdeel B; art. 1a).

De artikelen 2 tot en met 6 van het Besluit doden van dieren blijven dientengevolge van belang voor het doden van dieren buiten slachthuizen. Zij zijn ook van toepassing op de in artikel 1, lid 3, van de verordening opgenomen uitzondering voor het doden van pluimvee, konijnen en hazen door hun eigenaar voor particulier huishoudelijk verbruik buiten het slachthuis.

Deze artikelen zijn voorts van belang teneinde blijvend te kunnen borgen dat gezelschapsdieren behorend tot de soorten en categorieën van dieren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit doden van dieren, op een humane wijze worden gedood.

De verordening heeft tot gevolg dat enkele voorheen bestaande regels in het Besluit ritueel slachten kunnen worden geschrapt (art. II, onderdeel E).

Zoals in paragraaf 1 is opgemerkt is met dit besluit geen uitvoering gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt in het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Dit zal bij een separaat wijzigingsbesluit geschieden. Dit is mede ingegeven door de overweging dat het tijdig uitvoering kunnen geven aan de verordening een overheersende redengeving voor dit besluit is.

4. Overige aspecten

Handhaving

De verordening heeft geen gevolgen voor de handhaving. De regels zijn van gelijke aard als de voorheen geldende. Toezicht op de naleving van de regels omtrent het doden van dieren op in het bijzonder slachthuizen vindt regulier plaats door de NVWA.

Regeldruk

De werking van dit besluit betreft bedrijven. Het besluit heeft geen gevolgen voor burgers of milieu. Door dit besluit als zodanig zullen de administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtlasten niet wijzigen. Dit besluit is slechts een voorziening waarmee de voorheen geldende regelgeving in juridisch-technische zin wordt aangepast aan de verordening. Dit wil niet zeggen dat er geen aspecten van regeldruk zijn. Met name voor slachthuizen zal er een toename van de nalevingskosten zijn. Deze lasten vloeien echter rechtstreeks voort uit de verordening en zijn dus geen gevolg van dit besluit. Het gaat hierbij vooral om de volgende onderwerpen:

  • Uitoefening van periodiek controles (art. 5)

  • Hantering van standaardwerkwijzen (art. 6)

  • Het voeren van een onderhoudsregister ten aanzien fixatie-en bedwelmingsapparatuur (art. 9)

  • Opleidingen voor personeel, waaronder een overgangsrechtelijke voorziening (art. 7 jo art. 29)

  • Invoering van monitoringprocedures (art. 16) en

  • Aanwijzing van een functionaris dierenwelzijn (art. 17); in veel gevallen overigens reeds aanwezig.

Voorts wordt met dit besluit bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor een goede uitvoering van de verordening. Voor zover het noodzakelijk of wenselijk is in die regeling bepalingen op te nemen die strekken tot uitvoering van de verordening zullen de betreffende regeldrukeffecten daarbij worden geduid.

Omdat met dit besluit wordt aangesloten bij de verordening, is een weging van alternatieven voor minder belastende wet- en regelgeving niet aan de orde.

Uitvoeringslasten voor de overheid vloeien voort uit met name de artikelen 18 en 21 van de verordening die betrekking hebben op respectievelijk het opstellen van actieplannen in het kader van ruiming en de organisatie van opleidingen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid voor medewerkers van slachthuizen. Omtrent ruimingsacties dient elk jaar een verslag te worden opgesteld dat aan de Europese Commissie wordt gezonden en voor het publiek beschikbaar wordt gesteld.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

De meeste begripsomschrijvingen zijn uit artikel 1 van het Besluit doden van dieren geschrapt. Het gaat om begrippen die vooral van betekenis waren voor het doden van dieren in slachthuizen. De verordening voorziet hierin (art. 2).

Tot die begrippen behoorden ook het fixeren en het bedwelmen. Fixeren en bedwelmen is veelal ook aan de orde bij het doden van andere dieren dan die welke voor productiedoeleinden worden gehouden, zoals honden en katten. Het is niet noodzakelijk geoordeeld deze begrippen te handhaven. In de artikelen 3 en 4 van het Besluit doden van dieren worden deze begrippen begrepen onder duiding van andere activiteiten die verband houden met het doden. Daarmee is aangesloten bij de terminologie van de verordening.

Artikel I, onderdeel B

Dit artikel bakent de reikwijdte van het Besluit doden van dieren af ten opzichte van de verordening. De verordening is hiervoor bepalend. De artikelen 2 tot en met 6 van het Besluit doden van dieren zijn alleen van toepassing voor zover geen regels gelden voor het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren krachtens de verordening.

De verordening is niet van toepassing op het doden van dieren:

  • a. die niet worden gefokt of gehouden voor productie van dierlijke producten (art. 1). Daarbij wordt in artikel 2 van de verordening als «dier» gedefinieerd: elk gewerveld dier, met uitzondering van amfibieën en reptielen. Het doden van amfibieën en reptielen valt wel onder de reikwijdte van het Besluit doden van dieren;

  • b. in het kader van wetenschappelijke experimenten die onder de supervisie van een bevoegde autoriteit worden uitgevoerd. Wetenschappelijke experimenten die betrekking hebben op procedures voor het doden van dieren in geval van bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn in het Besluit doden van dieren uitgezonderd;

  • c. tijdens de jacht of de recreatievisserij. Over de jacht en de visserij zijn regels gesteld in de Flora -en faunawet onderscheidenlijk de Visserijwet 1963;

  • d. tijdens culturele of sportieve evenementen. Wat betreft het doden tijdens culturele of sportieve evenementen is het verbod bedoeld in artikel 61 van de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren, gericht op het verbod wedstrijden met dieren te houden, leidend

De verordening is eveneens niet van toepassing op het doden van pluimvee, konijnen en hazen die door hun eigenaar voor particulier huishoudelijk verbruik buiten een slachthuis worden geslacht.

Met betrekking tot vissen geldt alleen artikel 3, lid 1, van de verordening. Dit artikel bepaalt dat bij het doden dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.

Voor het doden voor particulier huishoudelijk verbruik van andere dieren dan pluimvee, konijnen en hazen zijn in artikel 10 van de verordening enkele beperkingen opgenomen.

Artikel I, onderdelen C, D, E en F

De wijzigingen in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit doden van dieren zijn louter van technische aard, gericht op afstemming op de verordening.

In artikel 6 van het besluit is om deze reden dan ook geschrapt het derde onderdeel waarbij werd bepaald dat een aantal bepalingen uit het besluit (artt. 5, 12, 13 en 15) niet van toepassing zijn op het doden van dieren in het kader van de bestrijding van een besmettelijke dierziekte. Thans voorziet de verordening hierin (art. 1, lid 2). Dit geldt ook waar het gaat om het ruimen van andere dieren dan dieren die voor productie van dierlijke producten worden gehouden.

Artikel I, onderdeel G

Verwezen wordt naar paragraaf 3 van deze nota van toelichting. De mogelijkheid regels te kunnen stellen over het doden van dieren buiten een slachthuis kan aan de orde zijn ten aanzien van het doden van wrak vee dat niet vervoerd mag worden.

In dit onderdeel wordt materieel het voorheen geldende artikel 12 van het Besluit doden van dieren gecontinueerd (art. 9). Het betreft het doden van dieren buiten slachthuizen. Ten opzichte van de verordening blijft een verbod bestaan op het doden buiten slachthuizen van rundvee, eenhoevigen of loopvogels behoudens in noodgevallen. Varkens, geiten en schapen mogen slechts worden gedood na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel.

Artikel II, onderdeel A

De verordening ziet ook op het onbedwelmd slachten overeenkomstig religieuze riten. Het onbedwelmd slachten volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, is slechts toegestaan mits het slachten plaatsvindt in een slachthuis (art. 4, lid 4). Dit betekent dat in het Besluit ritueel slachten het merendeel van de definitiebepalingen, gegeven de definities in artikel 2 van de verordening, kan worden geschrapt.

Artikel II, onderdeel B en C

Voor het geven van uitvoering aan de verordening is aangesloten bij de systematiek van het Besluit doden van dieren (art. I, onderdeel G). Die voorziet erin dat bij ministeriële regeling uitvoering wordt gegeven aan de verordening. Dit sluit aan bij de systematiek van de Wet dieren (Hfdst.6). Hiertoe is in artikel 1a de grondslag van het Besluit ritueel slachten verbreed (art. II, onderdeel B; art. 1a).

Het onbedwelmd slachten volgens speciale methoden vereist voor religieuze riten buiten een slachthuis is op basis van het voorgestelde artikel 3 in combinatie met artikel 4, vierde lid, van de verordening verboden.

Artikel II, onderdeel D

In artikel 5 is een tweetal kleine wijzigingen aangebracht. De eerste betreft een actualisatie van de aanduiding van de toezichthouders. De tweede betreft, met het oog op het geven van aanwijzingen door de toezichthouders, de toevoeging van de verordening als grondslag voor het geven van aanwijzingen.

Artikel II, onderdeel E

De materie die geregeld is in de artikelen 6 en 7 van het Besluit ritueel slachten is volledig voorzien in de verordening. Deze artikelen zijn daarom geschrapt.

Artikel 6 had betrekking op de inrichting van slachthuizen en de hygiëne. Hoofdstuk III van de verordening regelt deze materie uitputtend.

Artikel 7 kan worden geschrapt omdat operationele voorschriften voor het binnenbrengen van dieren in slachthuizen, naast vele andere, zijn opgenomen in Bijlage III van de verordening.

Artikel II, onderdeel F

Artikel 8 van het Besluit ritueel slachten betreft de fixatie. Artikel 15, lid 2, van de verordening vereist in het kader van de rituele slacht voor herkauwers dat deze mechanisch worden gefixeerd. Fixatie met behulp van een burrie door ten minste met twee personen noch met behulp van een fixatietoestel door ten minste één persoon is derhalve toegestaan.

In artikel 8 zijn minimum fixatietijden voor runderen en schapen en geiten opgenomen. Deze zijn gehandhaafd. Onverkort geldt hierbij artikel 5, lid 2, van de verordening dat bepaalt dat dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen voordat zij uit de fixatie worden losgemaakt. Alleen deze toestand van de dieren is dan ook bepalend en niet zozeer bedoelde minimumtijden.

Artikel II, onderdeel G

In samenhang met het gestelde in onderdeel F, zijn wachttijden met het oog op het verbloeden gehandhaafd. Ook op dit punt geldt de verordening onverkort. In artikel 5, lid 2, van de verordening en ook in Bijlage III, onder 3.2, van de verordening is bepaald dat dieren geen teken van leven meer mogen vertonen voordat zij verder worden geslacht.

Artikel III

De verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit is een vast verandermoment. Beoogd wordt dit besluit tijdig voor die datum in werking te doen stellen, gegeven de noodzaak vanaf dat tijdstip aan die verordening uitvoering te kunnen geven. Op grond van artikel 110, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dient het vastgestelde besluit nog te worden overgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal in het kader van de zogenaamde nahangprocedure. Beide Kamers hebben dan 30 dagen de tijd om desgewenst te verzoeken dat inwerkingtreding van het besluit bij wet te regelen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven