Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2012, 357AMvB

Besluit van 5 juli 2012, houdende wijziging van algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de scheepvaart in verband met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/45397, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93), het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), richtlijn nr. 2009/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van richtlijn 1999/63/EG (PbEU L 124), de artikelen 19, eerste lid, 25b, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 44, eerste lid, 48a, vierde lid, en 64 van de Wet zeevarenden, de artikelen 4:3, tweede lid, en 5:12, eerste en tweede lid, van de Arbeidstijdenwet, de artikelen 5, eerste lid, 19, eerste lid, onder a, en 24, eerste lid, onder e, en vierde lid, van de Loodsenwet, artikel 407, zesde lid, van het Wetboek van Koophandel en artikel XII van de wet van 6 juli 2011 (Stb. 394), houdende implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93);

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 april 2012, nr. W14.12.0108/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2012, nr. IENM/BSK-2012/82155, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I BESLUIT ZEEVAARTBEMANNING HANDELSVAART EN ZEILVAART

Het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt «de Zeevaartbemanningswet» vervangen door: de Wet zeevarenden.

B

Artikel 92 komt te luiden:

Artikel 92

Voor de afgifte van het diploma als scheepskok heeft de aanvrager:

  • a. met goed gevolg een door Onze Minister goedgekeurde of erkende opleiding afgerond die ten minste de volgende aspecten bevat:

    • 1°. praktische kookvaardigheden;

    • 2°. voeding en persoonlijke hygiëne;

    • 3°. opslag van levensmiddelen;

    • 4°. voorraadcontrole;

    • 5°. milieubescherming;

    • 6°. gezondheid en veiligheid met betrekking tot maaltijdverzorging, en

  • b. een diensttijd behaald van ten minste een maand in de kombuis van een zeeschip.

C

Artikel 93, tweede lid, onderdeel d komt te luiden:

  • d. de naam en roepletters van het schip alsmede voor een passagiersschip van 100 GT of meer of een schip, niet zijnde een passagiersschip, van 300 GT of meer, het IMO-nummer.

D

Artikel 94 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «de monsterrol» vervangen door: een exemplaar van de monsterrol.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Een exemplaar van de monsterrol wordt door de kapitein aan boord bewaard en een exemplaar van de monsterrol wordt ten kantore van de scheepsbeheerder in Nederland bewaard en ter beschikking gehouden ten behoeve van het houden van toezicht door de ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving.

E

In de artikelen 97, tweede lid, onderdeel a, en 101, eerste lid, onderdeel c, wordt «zeewerkgever» vervangen door: werkgever.

F

Artikel 104 komt te luiden:

Artikel 104

Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart vastgesteld.

G

Artikel 105, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Ten behoeve van de afgifte van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste of tweede lid, van de wet, wordt het bemanningslid aan een medisch onderzoek onderworpen door een door Onze Minister daartoe als keuringsarts aangewezen onderscheidenlijk een door Onze Minister daartoe als keuringsarts erkend geneeskundige.

H

Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden de medische eisen vastgesteld waaraan een keurling moet voldoen om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste dan wel tweede lid, van de wet.

2. In het derde lid wordt «artikel 44, tweede lid» vervangen door: artikel 44, derde lid.

I

Artikel 107 komt te luiden:

Artikel 107

  • 1. Een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet wordt afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar dan wel een jaar indien het een verklaring met betrekking tot een persoon onder de leeftijd van achttien jaar betreft.

  • 2. Op medische gronden kan de keuringsarts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet afgeven voor een kortere duur dan die, genoemd in het eerste lid.

  • 3. De keuringsarts kan voorts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet afgeven voor een beperkt vaargebied.

J

Artikel 110 wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste volzin van het eerste lid komt te luiden: Een geneeskundige kan Onze Minister verzoeken hem aan te wijzen als keuringsarts of, met betrekking tot medische keuringen als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, te erkennen als keuringsarts.

2. In het derde, vierde en vijfde lid wordt telkens na «aanwijzing» ingevoegd: of erkenning.

3. In het vierde lid wordt na «aangewezen» ingevoegd: of erkende.

4. In het zesde lid wordt «aangewezen geneeskundige» vervangen door: aangewezen of erkende geneeskundige.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de erkenning van geneeskundigen als keurend arts voor de scheepvaart.

K

In artikel 111, aanhef, wordt na «aanwijzing» ingevoegd: of erkenning.

L

Artikel 113 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «met een of meer krachtens dit besluit afgegeven geneeskundige verklaringen» vervangen door: met een krachtens dit besluit afgegeven geneeskundige verklaring.

2. In het derde lid wordt «artikel 104 van dit besluit» vervangen door: artikel 40 van de wet.

M

Artikel 116 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden: Elke andere zeevarende dan een bemanningslid als bedoeld in het eerste lid volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een training voor persoonlijke veiligheid aan boord, teneinde:.

b. De punt aan het slot van onderdeel f wordt vervangen door: , en.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingsloepen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Elk bemanningslid als bedoeld in het eerste lid, krijgt alvorens zijn taak aan boord te beginnen, voldoende informatie en instructie met betrekking tot de in het derde lid, onderdelen c, f en g genoemde onderwerpen.

N

Artikel 120 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt na «1946,» ingevoegd: of van het Maritiem Arbeidsverdrag.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek van de scheepsbeheerder in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting tot het gediplomeerd zijn van de scheepskok, indien de persoon ten aanzien van wie de ontheffing wordt verzocht een opleiding heeft genoten of instructies heeft gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen. De ontheffing geldt voor een specifiek tijdvak van ten hoogste een maand of tot aan het afmeren in de volgende aanloophaven.

O

Na artikel 120 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 120a

Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, heeft eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding genoten of instructie gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.

P

Artikel 125 komt te luiden:

Artikel 125

De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart die zijn afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I voor wat betreft de onderdelen F tot en met L en P van het besluit van 5 juli 2012 houdende wijziging van algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de scheepvaart in verband met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

Q

Artikel 126 komt te luiden:

Artikel 126

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart.

R

De artikelen 127 tot en met 132 en artikel 130 vervallen.

ARTIKEL II ARBEIDSTIJDENBESLUIT VERVOER

Het Arbeidstijdenbesluit vervoer wordt als volgt gewijzigd:

A

De onderdelen c en d van artikel 5.1:1 komen te luiden:

c. rusttijd:

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.11 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;

d. exploitatiewijze A1, exploitatiewijze A2 en exploitatiewijze B:

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.10 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.

B

Het opschrift van artikel 6.1:2 en artikel 6.1:2 komen te luiden:

Begrippen scheepsbeheerder, kapitein en zeevarende

Artikel 6.1:2

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

jeugdige zeevarende:

zeevarende van 16 of 17 jaar;

kapitein:

zeevarende die het gezag over een zeeschip voert;

scheepsbeheerder:

scheepsbeheerder als bedoeld in de Wet zeevarenden;

zeevarende:

zeevarende als bedoeld in de Wet zeevarenden, met dien verstande dat personen die op grond van artikel 1, tweede lid, van die wet zijn uitgezonderd, niet als zeevarende worden aangemerkt.

C

In artikel 6.2:1, eerste lid, wordt «een kapitein en een schepeling» vervangen door: een zeevarende.

D

In artikel 6.3:1, eerste lid, wordt «kapiteins en schepelingen» vervangen door: zeevarenden.

E

Artikel 6.4:1 komt te luiden:

Artikel 6.4:1

  • 1. De kapitein zorgt ervoor dat aan boord van een zeeschip op een voor alle zeevarenden toegankelijke plaats een werkrooster aanwezig is, waarin het arbeidstijdpatroon van de zeevarenden is vastgesteld en waarin de wettelijk voorgeschreven arbeidstijden en rusttijden worden vermeld.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt een model voor een werkrooster vastgesteld. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van het werkrooster.

  • 3. Het werkrooster bevat ten minste de gegevens opgenomen in het model bedoeld in het tweede lid, en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal.

F

Artikel 6.4:2 komt te luiden:

Artikel 6.4:2

  • 1. De kapitein zorgt ervoor dat de daadwerkelijke arbeidstijden en rusttijden van elke zeevarende uiterlijk na een week op een werklijst zijn geregistreerd. De volledig ingevulde werklijst wordt door de desbetreffende zeevarende en door of namens de kapitein geaccordeerd. De kapitein zorgt ervoor dat elke zeevarende een afschrift ontvangt van zijn werklijst.

  • 2. De kapitein zorgt ervoor dat de werklijsten uiterlijk 8 weken na de vaststelling ervan ter beschikking van de scheepsbeheerder worden gesteld.

  • 3. De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de werklijsten zorgvuldig worden bijgehouden.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt een model vastgesteld voor een werklijst voor de registratie van arbeidstijden en rusttijden. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van de werklijst.

  • 5. De werklijst bevat ten minste de gegevens opgenomen in het in het tweede lid bedoelde model en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal.

G

Het opschrift boven artikel 6.5:2 komt te luiden: Zeevarenden van 18 jaar en ouder.

H

In artikel 6.5:2, eerste en derde lid, wordt «zijn rusttijd en die van de schepeling van 18 jaar of ouder» telkens vervangen door: de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder;.

I

Het opschrift boven artikel 6.5:3 komt te luiden: Jeugdige zeevarenden.

J

In artikel 6.5:3, eerste, tweede en derde lid, wordt «jeugdige schepeling» telkens vervangen door: jeugdige zeevarende.

K

In artikel 6.5:4 wordt «schepeling» vervangen door: zeevarende.

L

In artikel 6.5:5, eerste lid, wordt «schepeling» vervangen door: zeevarende.

M

Artikel 6.5:7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «en kan een schepeling verplichten af te wijken» vervangen door: en doen afwijken.

2. In het tweede lid wordt «schepeling» vervangen door: zeevarende.

N

In het opschrift boven artikel 6.6:2 wordt «kapitein en schepelingen» vervangen door: zeevarenden.

O

In Artikel 6.6:2, eerste en derde lid, wordt «kapitein en schepelingen» telkens vervangen door: zeevarenden.

P

In het opschrift boven artikel 6.6:3 wordt «kapitein en schepelingen» vervangen door: zeevarenden.

Q

Artikel 6.6:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en vijfde lid wordt «schepelingen» telkens vervangen door: overige zeevarenden.

2. In het tweede lid wordt «kapitein en de schepeling» vervangen door: zeevarenden.

R

Het opschrift van artikel 6.6:4 en artikel 6.6:4 komen te luiden:

Arbeidstijd van zeevarenden van 18 jaar of ouder

Artikel 6.6:4

De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld ten hoogste 48 uren per week arbeid verrichten.

S

Het opschrift boven artikel 6.6:5 komt te luiden: Jeugdige zeevarenden.

T

In artikel 6.6:5, eerste tot en met vierde lid, wordt «jeugdige schepeling» telkens vervangen door: jeugdige zeevarende.

U

Artikel 6.6:6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de kapitein of een schepeling» vervangen door: een zeevarende.

2. In het derde lid wordt «schepelingen» vervangen door: overige zeevarenden.

V

In artikel 6.7:1 wordt «de kapitein en de schepelingen» vervangen door: de zeevarenden.

ARTIKEL III BESLUIT ADSPIRANT-REGISTERLOODSEN

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit adspirant-registerloodsen wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. is gedurende de periode dat de leerovereenkomst, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de Loodsenwet, van kracht is, in het bezit van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet zeevarenden;.

2. In onderdeel c, onder 1°, wordt «Zeevaartbemanningswet» vervangen door: Wet zeevarenden.

ARTIKEL IV BESLUIT CERTIFICAATLOODSEN

Artikel 8 van het Besluit certificaatloodsen wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet zeevarenden;.

2. In het tweede lid wordt «verklaringen» telkens vervangen door «verklaring» en wordt «Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart» vervangen door «Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart».

ARTIKEL V LOODSENREGISTERBESLUIT

Het Loodsenregisterbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

De registerloods is in het bezit van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet zeevarenden.

B

Artikel 5a komt te luiden:

Artikel 5a

De medisch adviseur scheepvaart van Onze Minister of diens plaatsvervanger kan ontheffing verlenen van de eis dat de registerloods voldoet aan de medische eisen betreffende het gezichtsorgaan, vastgesteld krachtens artikel 106, eerste lid, van het Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart, indien bijzondere omstandigheden hiertoe noodzaken en een veilige dienstverlening door de registerloods gewaarborgd is. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

C

In de artikelen 6 en 7 wordt «verklaringen» telkens vervangen door «verklaring» en wordt «Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart» vervangen door: Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart.

D

Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. de verklaring, bedoeld in artikel 5;

E

Artikel 12, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de verklaring, bedoeld in artikel 5, en een ontheffing als bedoeld in artikel 5a;

F

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. indien de verklaring, bedoeld in artikel 5, door tijdsverloop is vervallen en niet binnen vier weken na de datum van het verval een nieuwe verklaring door de algemene raad is ontvangen;.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart» vervangen door: Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart.

G

In artikel 14, eerste lid, onderdeel a, vervalt «, onder a en b».

ARTIKEL VI BESLUIT ZEEVISVAARTBEMANNING

Het Besluit zeevisvaartbemanning wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel m, wordt «Zeevaartbemanningswet» vervangen door: Wet zeevarenden.

B

In artikel 62, derde lid, wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

ARTIKEL VII SCHEPELINGENBESLUIT

Het Schepelingenbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 38 en het opschrift bij dat artikel komen te luiden:

Artikel 38 Toepassing op vissersvaartuigen

De artikelen 36 tot en met 37b en 40 tot en met 43 zijn slechts van toepassing op vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden. De in de artikelen 36 en 37 genoemde verplichtingen gelden daarbij alleen indien de werkgever de zorg voor de voeding bij de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk op zich heeft genomen.

B

In artikel 43, eerste, tweede en derde lid, vervalt: van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

C

Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. in het eerste lid wordt na «voor gebruik van de bemanning» toegevoegd: op vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden;

2. het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het aantal reisdagen wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld, met dien verstande dat dit aantal nimmer meer dan 180 dagen mag bedragen.

D

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «bemanning» vervangen door: zeevarenden als bedoeld in de Wet zeevarenden.

2. In de onderdelen d en e wordt «schepelingen» vervangen door: zeevarenden.

3. Onderdeel i komt te luiden:

  • i. «bestaande schepen»: schepen, geen oude schepen en geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor de datum van inwerkingtreding van artikel XII van de wet tot implementatie van het op 23 februari 2006 te Geneve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93).

4. Onderdeel j komt te luiden:

  • j. «vissersschepen»: vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden;

5. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidend:

  • o. «oude schepen»: schepen, geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de bouw zich in een overeenkomstige fase van ontwikkeling bevond voor 1 augustus 1983.

E

In de artikelen 47, artikel 54, tweede lid, onderdeel d, en zevende lid, artikel 55, tiende lid, artikel 57, eerste lid, en artikel 58, eerste lid, laatste volzin, tiende lid en elfde lid, wordt «schepelingen» telkens vervangen door: zeevarenden.

F

Het opschrift van hoofdstuk VII, § 2, komt te luiden:

§ 2. Bepalingen met betrekking tot bestaande schepen

G

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, zesde en tiende lid wordt «schepelingen» telkens vervangen door: zeevarenden.

2. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

H

Het opschrift van artikel 66 komt te luiden:

Artikel 66. Uitsluiting oude schepen

I

In artikel 66 wordt «bestaande schepen» telkens vervangen door: oude schepen.

J

Het opschrift van artikel 67 komt te luiden:

Artikel 67. Bijzondere voorzieningen voor oude schepen

K

In artikel 67, eerste lid wordt «bestaand schip» vervangen door: oud schip.

L

Artikel 84 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «zoals deze luiden vóór de datum waarop dit besluit in werking treedt» vervangen door: zoals deze luidden voor 12 mei 1977.

2. In het tweede en derde lid wordt «zeewerkgevers» vervangen door: werkgevers.

3. In het derde lid wordt «dat op de datum waarop dit besluit in werking treedt geheel gereed is» vervangen door: dat voor 12 mei 1977 geheel gereed was.

4. In het vierde lid wordt «Is een vissersschip op de datum waarop dit besluit in werking treedt in aanbouw of wordt het op die datum verbouwd» vervangen door: Was een vissersschip voor 12 mei 1977 in aanbouw of werd het op die datum verbouwd.

M

In de artikelen 42, vierde lid, 43, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 48, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, 49, derde en negende lid, 50, 51, eerste en derde lid, 52, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 53, eerste en tweede lid, 54, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 56, derde en zevende lid, 57, vierde lid, 58, tiende lid, 60, derde en vierde lid, 61, vijfde lid, 62, eerste lid, 65, eerste en tweede lid, 67, eerste lid, aanhef en laatste volzin, 68, eerste lid, 69, derde en vierde lid, 70, 71, eerste lid, 72, eerste lid, 73, eerste en derde lid, en 84, tweede, derde, vierde en vijfde lid, wordt «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vervangen door: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

N

Artikel 85 komt te luiden:

Artikel 85

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit ten aanzien van vissersschepen, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren.

  • 2. Aan vissersschepen wordt een certificaat voor de verblijven afgegeven, indien is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.

  • 3. Ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in het tweede lid, wendt degene die het schip laat bouwen zich, alvorens met de bouw van het schip wordt begonnen, tot Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, onder overlegging van een algemeen plan, aangevende de plaats en de algemene indeling van de verblijven van de zeevarenden en de kombuis. Alvorens met de bouw van de verblijven en de kombuis wordt aangevangen, wordt een uitgewerkt plan met toelichting overgelegd, aangevende de ligging van elke ruimte, de meubilering en stoffering, de ventilatie, verlichting en verwarming en de sanitaire inrichtingen.

  • 4. Afschriften van het uitgereikte certificaat voor de verblijven zijn op een duidelijk zichtbare en voor de bemanning toegankelijke plaats aanwezig.

  • 5. Wanneer door een organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is van zeevarenden, dan wel door ten minste een derde van de zeevarenden bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een klacht is ingediend, inhoudende, dat de verblijven op een vissersschip niet aan de voorschriften voldoen, wordt door een bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaar een onderzoek ingesteld, indien de klacht zo tijdig binnenkomt, dat het onderzoek kan geschieden zonder het schip op te houden.

O

De artikelen 86 en 87 vervallen.

ARTIKEL VIII

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel II, onderdeel A, en artikel VII, onderdeel G, subonderdeel 2, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 5 juli 2012

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp

Uitgegeven de zevenentwintigste juli 2012

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit maakt deel uit van de implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) (hierna: MAV). Het MAV vormt de zogenaamde «vierde pijler» van de internationale maritieme zeevaartwetgeving, naast het Standard of Training, Certification, and Watchkeeping for Seafarers (STCW), Marine Pollution (MARPOL) en het Safety of life at Sea (SOLAS)-Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie. Het MAV consolideert voor het merendeel bestaande maritieme arbeidsnormen. Voor Nederland is er toch een aantal noviteiten, doordat niet eerder geratificeerde verdragen in het MAV zijn geïncorporeerd en doordat bestaande verdragen zijn aangevuld met extra verplichtingen. Daarnaast introduceert het MAV nieuwe en extra inspectieverplichtingen voor zowel vlaggenstaat als havenstaat op arbeids- en sociale normen in de zeevaart.

Het MAV wordt geïmplementeerd in Boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor wat betreft de zeevaart-arbeidsregelgeving, voor wat betreft de arbeidsomstandigheden bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, en voor wat betreft de bepalingen over bemanning, medische keuring, accommodatievoorschriften, inspectie en handhaving, en klachtenprocedures in de Zeevaartbemanningswet (hierna: Zbw). Voor nadere informatie over de achtergronden en inhoud van het MAV wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot goedkeuring van het MAV (kamerstukken II, 2010/11, 32 535, nr. 3) en de memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende implementatie van het MAV (kamerstukken II, 2010/11, 32 534, nr. 3), hierna aan te duiden als het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel heeft geleid tot de wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het MAV (Stb. 394), hierna aan te duiden als de implementatiewet.

De implementatiewet regelt naast wijzigingen in de bovengenoemde wetten ook de wijziging van de citeertitel van de Zbw in «Wet zeevarenden». De citeertitel wordt gewijzigd omdat de reikwijdte van de Zbw met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag wordt uitgebreid. Het MAV heeft namelijk betrekking op alle zeevarenden, en niet slechts op de beperktere groep van (veiligheids)bemanning. In het vervolg van deze toelichting wordt daarom gesproken van de Wet zeevarenden.

Met dit besluit zijn de in de Wet zeevarenden opgenomen verplichtingen van het MAV en richtlijn 2009/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van richtlijn 1999/63/EG (PbEU L 124), nader uitgewerkt in het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart, waarvan de citeertitel in navolging van de Wet zeevarenden is gewijzigd in «Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart» (hierna: Bzhz) en vinden daarmee samenhangende wijzigingen in een negental andere besluiten plaats.

De voordracht van dit besluit is uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als medeondertekenaar van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

De gevolgen die het MAV meebrengt op het gebied van de administratieve lasten voor het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse burgers zijn bezien in het kader van het wetsvoorstel.

De sociale partners in de maritieme sector zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van dit besluit.

Implementatietabel

Een groot deel van de wijzigingen in deze algemene maatregel van bestuur, betreft wijzigingen van technische aard, zoals aanpassing aan de terminologie van de Wet zeevarenden, en nieuwe citeertitels. In het verlengde hiervan zullen enige terminologische aanpassingen in het Loodsplichtbesluit 1995 en het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet worden meegenomen bij een op stapel staande meeromvattende wijziging van die besluiten.

In de onderstaande implementatietabel is een overzicht opgenomen van de bepalingen uit het MAV die in dit besluit (nader) worden geïmplementeerd. Voor een implementatietabel van het hele MAV wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 2010/11, 32 535, nr. 3, blz. 74–90)

Maritiem Arbeidsverdrag

Dit besluit

norm A1.2, lid 4

Artikel I, onderdeel J: artikel 110 Bzhz*

norm A1.2, lid 7, onderdeel a

Artikel I, onderdeel I: artikel 107 Bzhz

voorschrift 1.3, lid 2

Artikel I, onderdeel M: artikel 116 Bzhz

norm A2.3, lid 10 en 11

Artikel II, onderdeel E: artikel 6.4:1 Atb-v**

norm A2.3, lid 12

Artikel II, onderdeel F: artikel 6.4:2 Atb-v

norm A3.2, lid 4

Artikel I, onderdeel B: artikel 92 Bzhz

norm A3.2, lid 5

Artikel I, onderdeel O: artikel 120a Bzhz

norm A3.2, lid 6

Artikel I, onderdeel N: artikel 120, vierde Bzhz

leidraad B3.2.2, lid 1

Artikel I, onderdeel B: artikel 92 Bzhz

* Bzhz: Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart

** Atb-v: Arbeidstijdenbesluit vervoer

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen B, N en O

Voorschrift 3.2, lid 3, van het MAV schrijft voor dat zeevarenden die als scheepskok zijn aangesteld en verantwoordelijk zijn voor de bereiding van levensmiddelen voor hun functie aan boord de nodige opleiding en diploma’s hebben. Norm A3.2, lid 3 tot en met 6, en Leidraad B 3.2.2 werken dit voorschrift nader uit. In artikel 48a van de Wet zeevarenden is de grondslag opgenomen om nadere regels te stellen aan degene die aan boord de taak heeft het voedsel te bereiden. In artikel 92 van het besluit zijn de eisen opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor de afgifte van een diploma als scheepskok in aanmerking te komen. Hierbij zijn de voorheen opgenomen eisen vervangen. In Nederland is geen sprake meer van een specifieke opleiding voor scheepskoks. De reguliere koksopleidingen bevatten echter bijna alle kernelementen die het MAV noemt. Naast de reguliere opleiding zal aanvullend een praktijktijd aan boord van een schip moeten worden opgedaan teneinde ervaring op te doen met de specifieke aspecten van de uitoefening van het koksvak in de kombuis van een varend schip en om bekend te worden met de milieuaspecten die van belang zijn voor het uitoefenen van het vak van scheepskok. Op schepen waarvan de voorgeschreven bemanning uit meer dan negen personen bestaat, moet een gediplomeerde scheepskok belast zijn met de bereiding van de voeding (artikel 120 Bzhz). Op schepen waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, hoeft geen gediplomeerde scheepskok aanwezig te zijn. Op dergelijke schepen moet eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding hebben genoten of instructie hebben gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen (artikel 120a Bzhz).

Onderdeel C

Passagiersschepen van 100 GT of meer en andere schepen van 300 GT of meer zijn voorzien van een uniek identificatienummer, het zogeheten «IMO-nummer». Voor een nadere toelichting daaromtrent wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 38 van het Schepenbesluit 2004. Door dit nummer zowel op de monsterrol (artikel 93, tweede lid Bzhz) als in het monsterboekje van een bemanningslid (artikel 38, eerste lid, van de Wet zeevarenden) op te nemen wordt mogelijke onduidelijkheid omtrent de identiteit van het desbetreffende schip voorkomen.

Onderdeel D

Het model van de monsterrol is vastgesteld in de Regeling monsterrol en monsterboekje. Dit is het model van het IMO FAL-formulier nr. 5, de crew list. Aangezien deze formulieren in de meeste gevallen via elektronische weg worden ingevuld en verstuurd, zal zowel aan boord van het schip als ten kantore van de scheepsbeheerder een exemplaar van de monsterrol aanwezig zijn.

Onderdeel E

In zowel het Burgerlijk Wetboek (Boek 7, titel 10, afdelingen 12 en 12A) als het Wetboek van Koophandel (artikel 388) wordt niet langer gesproken over de zeewerkgever maar over de werkgever. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar de artikelsgewijze memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, de artikelen VIII, onderdeel C (artikel 694 BW) en artikel IX, onderdeel F (artikel 388 WvK). De onderhavige artikelen van het besluit zijn dienovereenkomstig aangepast.

Onderdelen F, G, H en I

Artikel 104, eerste lid, is vervallen omdat de daarin genoemde verplichting tot het in het bezit zijn van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart reeds is opgenomen in artikel 40 van de Wet zeevarenden. In genoemd document wordt tevens aangetekend of een bemanningslid voldoet aan de eisen ten aanzien van het gezichtsorgaan en het gehoor. Artikel 104, tweede lid, dat nog over een afzonderlijke verklaring betreffende het gezichts- en gehoororgaan sprak, kan derhalve eveneens vervallen. De verwijzing in de artikelen 105, 106, 107 en 113 naar artikel 104 is vervangen door een verwijzing naar artikel 40 van de wet. Op grond van Norm A1.2, lid 7, onderdeel a, van het MAV zijn geneeskundige verklaringen ten hoogste twee jaar geldig. Voor personen jonger dan achttien jaar bedraagt de geldigheidsduur ten hoogste een jaar.

Onderdelen J en K

Zoals in het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (onderdelen L t/m T) reeds is vermeld, wordt voor de medische keuring van de zeevarenden die geen functie vervullen waarbij de veiligheid van het schip in het geding is, de mogelijkheid geopend geneeskundigen te erkennen. Het gaat hierbij om geneeskundigen die – al dan niet in Nederland – reeds algemene medische keuringen uitvoeren. Op grond van het zevende lid worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld met betrekking tot de erkenning en de aanwijzing van geneeskundigen als keurend arts voor de scheepvaart. Bepaald zal worden aan welke eisen moet worden voldaan om voor een erkenning of een aanwijzing in aanmerking te komen. Hierbij moet worden gedacht aan eisen omtrent de bevoegdheid, de kennis en de bekwaamheid van de geneeskundigen, de beschikbare keuringslocatie en de benodigde apparatuur. Tevens wordt aangegeven welke voorschriften aan de erkenning of de aanwijzing worden verbonden.

Onderdeel L

Dit onderdeel bevat een terminologische aanpassing en een aangepaste verwijzing naar de Wet zeevarenden.

Onderdeel M

Voorschrift 1.3, lid 2, van het MAV schrijft voor dat alle zeevarenden uitsluitend op een schip werkzaam mogen zijn indien zij met succes een training voor persoonlijke veiligheid aan boord hebben voltooid. In de bijlage bij het STCW-Verdrag1 (voorschrift VI/1) en de STCW-Code (sectie A-VI/1) is voorgeschreven dat de bemanning een goedgekeurde familiarisatietraining in persoonlijke overlevingstechnieken moet volgen of voldoende informatie en instructie daarover moet ontvangen. Daarnaast moeten bemanningsleden die een veiligheidstaak uitoefenen of die een taak hebben ten aanzien van het voorkomen van verontreiniging van de zee, een opleiding en training basisveiligheid hebben gevolgd. Voor de bemanningsleden die niet een van de genoemde taken uitoefenen is in artikel 116, derde lid, van het besluit de in het MAV genoemde verplichting opgenomen. In dat lid zijn de aspecten genoemd die volgens sectie A-VI/1 van de STCW-Code in de familiarisatietraining aan de orde moeten komen. Een deel daarvan is reeds begrepen in de opleiding en training basisveiligheid. De bemanningsleden die een veiligheidstaak uitoefenen of die een taak hebben ten aanzien van het voorkomen van verontreiniging van de zee hoeven alleen nog bekend te worden gemaakt met de veiligheidsaspecten van het specifieke schip. De verplichting tot het ontvangen van informatie en instructie daaromtrent is opgenomen in het vierde lid.

Onderdelen P, Q en R

De voorheen opgenomen artikelen 125 tot en met 132, die overgangsbepalingen bevatten, waren uitgewerkt en konden derhalve vervallen. In artikel 125 is een overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart die zijn afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen F tot en met L en P van dit besluit in werking treden. De citeertitel van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart is gewijzigd in Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart (artikel 126). Zie voor een toelichting bij deze wijziging het algemene deel van deze nota van toelichting De citeertitel was abusievelijk opgenomen in een tweede artikel 130 (zie Stb. 2002, 25).

Artikel II

Dit artikel strekt hoofdzakelijk tot aanpassing van hoofdstuk 6, Zeevaart, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer aan het MAV.

Onderdeel A

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt voor het doorvoeren van een kleine aanpassing in hoofdstuk 5, Binnenvaart. De Centrale Commissie voor de Rijnvaart heeft bij resolutie 2010-I-8 van 2 juni 2010 het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn vastgesteld. In dit reglement, dat met ingang van 1 juli 2011 van kracht werd, zijn het Patentreglement Rijn, het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen en hoofdstuk 23 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 samengebracht. Als gevolg hiervan worden de verwijzingen naar hoofdstuk 23 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 in artikel 5.1:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer thans aangepast.

Onderdeel B

In 1997 werd in de toenmalige Zeevaartbemanningswet het begrip «scheepsbeheerder» geïntroduceerd teneinde de partijen die verantwoordelijk kunnen zijn voor de exploitatie van een schip onder één noemer te brengen. Omdat ook ten aanzien van arbeids- en rusttijden de behoefte bestond om deze partijen onder één noemer te brengen, werd bij de totstandkoming van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in 1998 het begrip «scheepsbeheerder» ook in dit besluit geïntroduceerd. Om technische redenen is in het kader van de implementatie van het MAV in de Wet zeevarenden deze definitie aangepast. Voor een toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 2010/11, 32 534, Hoofdstuk 2, paragraaf 2.2). Teneinde duidelijk te maken dat het in het Arbeidstijdenbesluit vervoer om dezelfde normadressaat gaat, wordt in het onderhavige besluit de definitie dienovereenkomstig aangepast. Aangezien hoofdstuk 6 van toepassing is op arbeid verricht op zeeschepen, niet zijnde vissersvaartuigen, omvat de definitie niet de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, zoals in de definitie in de Wet zeevarenden wel het geval is.

Het begrip «schepeling» is vervangen door het begrip «zeevarende» dat ter implementatie van het MAV in de Wet zeevarenden is opgenomen. Het begrip zeevarende komt uit het MAV en heeft een ruimere betekenis dan het begrip «schepeling». De zeevarende wordt in de Wet zeevarenden gedefinieerd als «de natuurlijke persoon die in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip». Voor een uitgebreide toelichting op het begrip zeevarende wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 2010/11, 32 534, Hoofdstuk 2, paragraaf 2.3). Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van personen worden aangewezen die niet worden aangemerkt als zeevarenden. Hierbij moet worden gedacht aan personen wier werkzaamheden geen onderdeel uitmaken van de normale werkzaamheden aan boord van een schip, zoals zee- en havenloodsen, inspecteurs, wetenschappers, havenwerkers en artiesten die optreden op een cruiseschip. Opgemerkt wordt dat ook de kapitein als zeevarende wordt aangemerkt. Voor het Arbeidstijdenbesluit vervoer heeft dit tot gevolg dat waar normen zich zowel tot de kapitein als tot de schepeling richtten, deze zich thans exclusief richten tot de zeevarende. Onderscheid dient nog slechts gemaakt te worden voor zover verantwoordelijkheden aan de kapitein zijn opgedragen.

Onderdelen C, D en G tot en met V

De wijzigingen in de in deze onderdelen genoemde artikelen zijn van technische aard.

Onderdelen E en F

Norm A2.3, lid 10 tot en met 12, van het MAV bevat voorschriften omtrent de aanwezigheid en het bijhouden van overzichten van de organisatie van de werkzaamheden aan boord en van de dagelijkse arbeidstijden of de dagelijkse rusttijden van de zeevarenden. Deze voorschriften waren reeds opgenomen in de artikelen 6.4:1 en 6.4:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer en de Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 november 1998, nr. DGG/J-98008665, houdende vaststelling model werkrooster en werklijst voor zeevarenden (Stcrt. 227). Het Arbeidstijdenbesluit vervoer en genoemde regeling gingen er daarbij echter vanuit dat zowel het werkrooster als de werklijst slechts op papier beschikbaar waren en met de hand werden ingevuld. Dit vormvoorschrift is met de onderhavige wijziging vervallen, zodat het werkrooster en de werklijst – naar keuze – op papier dan wel elektronisch kunnen worden vervaardigd en bijgehouden. Met de grote aantallen zeevarenden op met name passagiersschepen verdient elektronische registratie in veel gevallen de voorkeur. Overeenkomstig Norm A2.3, lid 12, van het MAV worden de werklijsten door of namens de kapitein geaccordeerd. In veel gevallen zal dit de leidinggevende zijn van de afdeling waar de desbetreffende zeevarende werkzaam is. Het werkrooster moet op een voor alle zeevarenden toegankelijke plaats aanwezig zijn. Dit kan door middel van het ophangen van een papieren exemplaar dan wel door een elektronische versie te tonen op een beeldscherm bij de desbetreffende afdeling.

De in de hiervoor genoemde regeling opgenomen modellen voor het werkrooster en de werklijst worden aan de in de Wet zeevarenden gehanteerde terminologie aangepast. De op het schip te hanteren overzichten dienen ten minste de in de modellen opgenomen gegevens bevatten.

Artikelen III tot en met V

In verband met de wijziging van artikel 104 van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart (Artikel I, onderdeel F) waardoor niet langer sprake is van een afzonderlijke medische verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor, moesten de in de artikelen IV en V van het onderhavige besluit genoemde besluiten worden aangepast. De verplichting tot het in het bezit zijn van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart is opgenomen in artikel 40 van de Wet zeevarenden. In genoemd document wordt tevens aangetekend of wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van het gezichtsorgaan en het gehoor. De besluiten zijn tevens aangepast aan de gewijzigde citeertitels «Wet zeevarenden» en «Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart».

Artikel VI

Het Besluit zeevisvaartbemanning is aangepast aan de gewijzigde citeertitel «Wet zeevarenden» en aan de vernummering van het tweede lid in derde lid van artikel 44 van die wet.

Artikel VII

Onderdeel A

De bepalingen van het Schepelingenbesluit met betrekking tot voeding, drinkwater en sterke drank blijven ingevolge het aangepaste artikel 38 alleen gelden voor vissersvaartuigen. Artikel 39 met betrekking tot de berging van voedsel blijft nog wel gelden voor andere schepen dan vissersvaartuigen, omdat in de Regeling zeevarenden de regels daarover zijn opgenomen in het hoofdstuk over de huisvestingseisen, terwijl voor schepen die dateren van voor de inwerkingtreding van het MAV (zie hierna) de huisvestingseisen uit het Schepelingenbesluit blijven gelden.

Aan het in artikel 38 van hoofdstuk V voorkomende ongedefinieerde begrip vissersvaartuigen wordt met het oog op de eenduidigheid in relatie tot het begrip vissersschepen in artikel 46 thans een verwijzing naar het overeenkomstige begrip uit de Wet zeevarenden toegevoegd.

Onderdeel B

Dit onderdeel strekt tot doorvoering van technische aanpassingen.

Onderdeel C

In artikel 44, onderdeel uitmakend van hoofdstuk VI, wordt tot uitdrukking gebracht dat dat artikel ingevolge artikel XII van de implementatiewet niet meer van toepassing zal zijn op andere schepen dan vissersvaartuigen.

Onderdeel D

Voor de na inwerkingtreding van het MAV te bouwen schepen, met uitzondering van vissersvaartuigen, worden de regels met betrekking tot huisvesting voortaan op basis van artikel 48 van de Wet zeevarenden vastgesteld. Alleen voor schepen waarvan de kiel was gelegd voor de datum van inwerkingtreding van het MAV voor Nederland en voor vissersvaartuigen blijft ingevolge artikel XII van de implementatiewet het Schepelingenbesluit van toepassing. Dit besluit zal dus geleidelijk steeds minder van belang worden en de Wet zeevarenden steeds meer. De terminologie van het Schepelingenbesluit is daarom zoveel mogelijk aangepast aan die van de Wet zeevarenden.

In de Wet zeevarenden komt het begrip «schepeling» niet meer voor. Dit begrip wordt daarom in hoofdstuk VII van het Schepelingenbesluit – dat, anders dan andere hoofdstukken, mede een aantal begripsbepalingen inhoudt – vervangen door «zeevarenden». Het begrip «bemanning» komt wel voor in de Wet zeevarenden. «Zeevarende» is echter een breder begrip dan «bemanning». Omdat de eisen voor verblijven gelden voor alle zeevarenden aan boord, is onderdeel a hierop aangepast. Voor de goede orde: ook vissers vallen op grond van de Wet zeevarenden onder het begrip zeevarende.

Tot nog toe werd in het Schepelingenbesluit, ingevolge artikel 46, onderdeel i, onder «bestaande schepen» verstaan: schepen waarvan de kiel is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van «dit besluit». Deze aanduiding verwijst naar het wijzigingsbesluit van 12 augustus 1980 (Stb. 461) waarbij, in verband met implementatie van IAO-verdrag nr. 1332, genoemd artikelonderdeel werd opgenomen en dat in werking trad per 1 augustus 1983. Laatstgenoemde datum is daarom beslissend voor de afbakening. De categorie schepen waarvan de kiel is gelegd voor 1 augustus 1983 wordt door een thans in dit besluit opgenomen wijziging van artikel 46 voortaan aangeduid als «oude schepen». Deze definitie is opgenomen in artikel 46, onderdeel o. De term oude schepen is relevant voor de toepassing van artikel 66, dat thans voor oude schepen voorziet in voortgezette toepasselijkheid van de artikelen 46 tot en met 64 die tot 1 augustus 1983 van kracht waren.

De term «bestaand schip» wordt in onderdeel j beperkt tot schepen waarvan de kiel is gelegd in de periode vanaf 1 augustus 1983 tot de datum van inwerkingtreding van het MAV voor Nederland. Door aanpassing van het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk VII (zie onderdeel F hierna) is geregeld dat die afdeling voortaan van toepassing is op bestaande schepen in de gewijzigde betekenis.

Met de wijziging van artikel 46, onderdeel j, wordt het in hoofdstuk VII van dit besluit gebruikte begrip vissersschepen gelijk getrokken met het begrip vissersvaartuigen uit de Wet zeevarenden, omdat er niet iets anders wordt bedoeld. Om niet alle artikelen van hoofdstuk VII te hoeven wijzigen die handelen over vissersschepen, is er voor gekozen alleen de begripsomschrijving aan te passen en niet het begrip zelf.

In het onderstaande schema wordt duidelijk gemaakt welke regels voor de huisvesting op welke schepen van toepassing zijn.

Begrip

Kiel gelegd

Toepasselijke regelgeving

Schip

Op of na de datum van inwerkingtreding van artikel 48 van de wet houdende implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93)

Regels op basis van artikel 48 van de Wet zeevarenden (Paragraaf 3 van de Regeling zeevarenden)

bestaand schip

Op of na 1 augustus 1983 tot de datum van inwerkingtreding van artikel 48 van de wet houdende implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93)

Artikelen 48 tot en met 65 van het Schepelingenbesluit

oud schip

Voor 1 augustus 1983

Artikelen 46 tot en met 64 van het Schepelingenbesluit zoals dat luidde na de inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 5 juni 1975, Stb. 327, tenzij op grond van artikel 67 is bepaald dat het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62 van het Schepelingenbesluit wel geheel of gedeeltelijk van toepassing is

vissersschip

Op of na 12 mei 1977

Artikelen 68 tot en met 83 Schepelingenbesluit

bestaand vissersschip

Voor 12 mei 1977

Artikelen 46 tot en met 64 van het Schepelingenbesluit zoals dat luidde voor 12 mei 1977, de datum van inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 5 juni 1975, Stb. 327, tenzij op grond van artikel 84 is bepaald dat het bepaalde in de artikelen 86 tot en met 81 van het Schepelingenbesluit wel geheel of gedeeltelijk van toepassing is

Onderdelen E, F en G, onder 1

In diverse artikelen zijn de begrippen aangepast op de wijziging van de definities in artikel 46. In het opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk VII is nu de term bestaande schepen ingevoerd. In overeenstemming met de opzet van het Schepelingenbesluit heeft dit opschrift, evenals de opschriften van andere paragrafen, tevens het karakter van een reikwijdtebepaling. Waar in paragraaf 2 van hoofdstuk VII dus wordt gesproken van schip of schepen dan wel de aanduiding van het schip impliciet blijft door gebruik van termen als «de nachtverblijven», gaat het steeds uitsluitend om bestaande schepen.

Onderdeel G, onder 2

In het eerste lid van artikel 61 vervalt de tweede volzin in verband met artikel 2, derde lid, van richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113). Op grond van dit richtlijnartikel moeten ook sleepboten en aannemersmaterieel die voldoen aan de criteria van artikel 61, eerste lid, beschikken over een ziekenverblijf.

Onderdelen H tot en met K

Deze artikelen zijn aangepast aan de nieuwe definities van «bestaande schepen» en «oude schepen» als opgenomen in artikel 46.

Onderdeel L

In artikel 46 zijn «bestaande visserschepen» gedefinieerd. Het betreft schepen waarvan de kiel is gelegd voor 12 mei 1977. Voor schepen van na die datum zijn destijds nieuwe eisen gaan gelden. Dit omslagmoment werd in artikel 84 aangeduid met «de datum waarop dit besluit in werking treedt». Omdat met de inwerkingtreding van het MAV daarmee samenhangend de inwerkingtreding van deze aanpassing van het Schepelingenbesluit, niet meer duidelijk is wat wordt bedoeld met «de datum waarop dit besluit in werking treedt» is deze aanduiding in artikel 84 vervangen door de concrete datum die daarmee wordt bedoeld.

Onderdeel M

De huidige benaming van de Minister van Infrastructuur en Milieu wordt doorgevoerd in diverse bepalingen.

Onderdeel N

Het toezicht op de naleving en de afgifte van certificaten is voor de schepen die vallen onder de reikwijdte van het MAV geregeld in de Wet zeevarenden. In plaats van het certificaat voor de verblijven hebben deze schepen het certificaat maritieme arbeid, waarvoor de huisvesting aan boord een van de te inspecteren onderdelen is. In artikel 85 is wel het certificaat voor de verblijven voor vissersvaartuigen gehandhaafd omdat deze schepen niet vallen onder de reikwijdte van het MAV. Ook het vijfde lid wordt alleen gehandhaafd voor vissersvaartuigen, omdat op de overige schepen de klachtenprocedures van de Wet zeevarenden van toepassing zijn.

Onderdeel O

De artikelen 86 en 87 hebben geen werking meer en kunnen daarom vervallen.

Artikel VIII

De inwerkingtredingsbepaling ligt in het verlengde van de inwerkingtredingsbepaling van de implementatiewet en maakt het mogelijk om bepalingen van dit besluit die zonder bezwaar al kunnen worden ingevoerd op een eerder tijdstip dan dat van de inwerkingtreding van het MAV, ook eerder in werking te laten treden. Aangezien de implementatiewet en dit besluit strekken tot implementatie van een verdrag, is een uitzondering in het kader van het stelsel van vaste verandermomenten op zijn plaats. Dit laatste is ook van toepassing op de in artikel VIII afzonderlijk vermelde artikelen II, onderdeel A, en VII, onderdeel G, subonderdeel 2. Deze bepalingen treden op de dag na die van de bekendmaking van dit besluit in werking, nu zij strekken tot achterstallige implementatie van een besluit van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart onderscheidenlijk een EEG-richtlijn.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144).

X Noot
2

Het op 30 oktober 1970 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen), Trb. 1972, 49.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.