Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de eigen verantwoordelijkheid ten behoeve van deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten aan te scherpen, om het belang van scholing als essentieel element voor een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te benadrukken en bij te dragen aan een versterking van de balans tussen rechten en plichten;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN BIJSTAND

De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na «tenzij het betreft» ingevoegd: een aanverwant in de eerste graad,.

2. In het zevende lid vervalt «een meerderjarig stiefkind of».

B

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4 Alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. alleenstaande:

    de ongehuwde die

    • 1°. geen tot zijn last komende kinderen heeft,

    • 2°. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en

    • 3°. die niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;

    b. alleenstaande ouder:

    de ongehuwde die

    • 1°. de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen,

    • 2°. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en

    • 3°. niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;

    c. gezin:
    • 1°. de gehuwden tezamen,

    • 2°. de gehuwden met de tot hun laste komende kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben,

    • 3°. de alleenstaande of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben;

    d. kind:

    het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 25, eerste lid, 26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind, of, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of stiefkind;

    e. ten laste komend kind:

    het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder meerderjarig kind niet verstaan het kind wiens in aanmerking te nemen inkomen niet meer bedraagt dan € 1023,42 per maand, en dat:

    • a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;

    • b. aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; of

    • c. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.

  • 3. Indien de ten laste komende kinderen of de meerderjarige kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, van de gehuwde, van de alleenstaande of van de alleenstaande ouder, een of meer ten laste komende kinderen of meerderjarige kinderen hebben die in dezelfde woning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, hun hoofdverblijf hebben, behoren alle in dit lid bedoelde personen tot hetzelfde gezin.

  • 4. Onder een ander als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2, en onderdeel b, onder 2, wordt niet verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.

  • 5. Op verzoek van de belanghebbende kan het college gelet op de duur van de te verlenen zorg besluiten dat een gehuwde, alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, niet tot een gezin behoort, indien die persoon:

    • a. jonger is dan 65 jaar:

      • 1°. aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover het betreft persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, verblijf, of voortgezet verblijf, waarbij voor begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24 uren;

      • 2°. aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen geen persoonsgebonden budget ontvangt en dat in ieder geval tien van die uren zorg per week niet worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en

      • 3°. aannemelijk maakt dat een of meer van diens meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren respectievelijk een of meer van diens ouders die tot dat gezin behoren in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen, aan die persoon verlenen;

    • b. 65 jaar of ouder is en:

      • 1°. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, onder 1, 2 en 3; en

      • 2°. op de dag voordat hij recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, onder 1.

  • 6. Indien een persoon op grond van het tweede of vijfde lid niet tot het gezin behoort wordt hij als alleenstaande aangemerkt. De overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, worden als gezin aangemerkt. Indien de overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, bestaan uit één meerderjarige persoon dan wel één meerderjarige persoon met een of meer minderjarige personen wordt deze meerderjarige persoon voor de toepassing van paragraaf 3.2 evenwel als alleenstaande respectievelijk alleenstaande ouder aangemerkt.

C

In artikel 5, onderdeel e, wordt «de belanghebbende of het gezin» vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

D

In artikel 6, eerste lid, onderdeel a, vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op personen:

    • a. jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen;

    • b. als bedoeld in artikel 41, vierde lid, onderdelen a of b, die zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44; of

    • c. aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, van toepassing is op de personen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Daarnaast kunnen het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomen dat het college aan de personen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, een voorziening aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 8. Uitvoering van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, door middel van artikel 10a is niet van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.

F

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. het verlenen van de bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 35, vijfde lid;

  • h. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid.

2. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel g, in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip maatschappelijke participatie.

G

Het opschrift van paragraaf 2.1. komt te luiden: § 2.1. Arbeidsinschakeling en tegenprestatie.

H

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 9 Plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie.

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «27 jaar» vervangen door: 18 jaar.

b. Aan onderdeel b wordt toegevoegd: en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.

c. Er wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien bijstand wordt verleend aan een gezin gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van de meerderjarige gezinsleden.

4. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing op de persoon:

    • a. die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de Wet sociale werkvoorziening; of

    • b. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gelden voor de personen die zorg verlenen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, onder 3, slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de mogelijkheid om die zorg te combineren met die verplichtingen, ongeacht of het college een besluit als bedoeld in de aanhef van dat lid heeft genomen.

I

Artikel 9a komt te luiden:

Artikel 9a. Ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling alleenstaande ouders

  • 1. Onverminderd artikel 9, tweede lid, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a.

  • 2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.

  • 3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, niet wil nakomen.

  • 4. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Op deze periode worden in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel in de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode, dan wel perioden, waarin toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de Wet investeren in jongeren.

  • 5. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:

    • a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;

    • b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;

    • c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of

    • d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, niet wil nakomen.

  • 6. Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.

  • 7. Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.

  • 8. Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.

  • 9. Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.

  • 10. Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

  • 11. Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

  • 12. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel h, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

J

Artikel 11, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Het recht op bijstand komt de meerderjarige rechthebbende gezinsleden gezamenlijk toe.

K

In artikel 12, aanhef, wordt «inkomensvoorzieningsnorm op grond van de Wet investeren in jongeren» vervangen door: bijstandsnorm.

L

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel f, vervalt «, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft».

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Geen recht op algemene bijstand heeft degene:

    • a. van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft;

    • b. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die een meerderjarig gezinslid is van het gezin waartoe een zodanig persoon behoort, voor zover het gebrek aan middelen van dat gezinslid daarvan het gevolg is, tenzij de belanghebbende alleenstaande ouder of alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder 3, is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;

    • c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

      • 1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel

      • 2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

    • d. die jonger is dan 27 jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, geldt voor personen van 65 jaar of ouder, een periode van dertien weken.

M

In artikel 18, vierde lid, wordt «het gezin» vervangen door: het gezin en de ten laste komende kinderen van de alleenstaande ouder.

N

In artikel 19, eerste lid, aanhef, wordt «heeft de alleenstaande of het gezin» vervangen door: hebben de alleenstaande, alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

O

Na artikel 19 wordt in paragraaf 3.2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20 Normen alleenstaande en alleenstaande ouder

  • 1. Voor een belanghebbende die alleenstaande is, is de norm per kalendermaand:

    • a. indien hij 18, 19 of 20 jaar is: € 227,00;

    • b. indien hij 21 jaar of ouder is: € 656,93;

  • 2. Voor een persoon die alleenstaande ouder is, is de norm per kalendermaand:

    • a. indien hij 18, 19 of 20 jaar is: € 489,77;

    • b. indien hij 21 jaar of ouder is: € 919,70.

P

Artikel 21 komt te luiden:

Artikel 21 Gezinsnormen 18–65 jaar

  • 1. Voor een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, is de norm per kalendermaand: € 1313,85.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is de norm per kalendermaand, indien het betreft:

    • a. een gezin dat uit twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar bestaat:

      • 1°. indien er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: € 454,00;

      • 2°. indien er ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: € 716,77;

    • b. een gezin dat uit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is:

      • 1°. indien er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: € 883,93;

      • 2°. indien er ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: € 1146,70;

    • c. een gezin dat uit drie meerderjarige personen bestaat, waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn en waarvan een persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: € 1110,93.

Q

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt «gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn» vervangen door: een gezin waarvan een of meer gezinsleden 65 jaar of ouder zijn.

2. Onderdeel d vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt.

R

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «gehuwden» vervangen door: alle meerderjarige gezinsleden.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder» vervangen door: voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder en elk meerderjarig gezinslid dat niet gehuwd is.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien een of meer meerderjarige gezinsleden in een inrichting verblijft of verblijven en een of meer meerderjarige gezinsleden buiten een inrichting, is de norm:

    • a. indien één meerderjarig gezinslid in een inrichting verblijft en één meerderjarig gezinslid buiten een inrichting verblijft: de som van de norm die voor degene die in een inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden en de norm die voor degene buiten een inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden;

    • b. indien één meerderjarig gezinslid in een inrichting verblijft en meer meerderjarige gezinsleden buiten een inrichting verblijven: de som van de norm die voor degene in een inrichting als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden en de norm die voor de gezinsleden buiten een inrichting als gezin zou gelden;

    • c. indien meer meerderjarige gezinsleden in een inrichting verblijven en één meerderjarig gezinslid buiten een inrichting: de som van de norm die voor de gezinsleden in een inrichting als gezin zou gelden en de norm die voor het gezinslid buiten een inrichting al alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden;

    • d. indien meer meerderjarige gezinsleden in een inrichting verblijven en meer meerderjarige gezinsleden buiten een inrichting verblijven: de som van de norm die voor de gezinsleden in een inrichting als gezin zou gelden en de norm die voor de gezinsleden buiten een inrichting als gezin zou gelden.

S

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24 Afwijking norm gezin

Indien slechts een van de gezinsleden recht op algemene bijstand heeft, is voor hem de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

T

In artikel 25, eerste lid, wordt «artikel 21, onderdelen a en b,» vervangen door: artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b,.

U

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 26 Gezin.

2. «Het college kan de norm, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, verlagen» wordt vervangen door: Het college kan de norm, bedoeld in artikel 21, verlagen.

V

In artikel 27 wordt «bedoeld in artikel 21» vervangen door: bedoeld in de artikelen 20 en 21.

W

Na artikel 28 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 29 Alleenstaande van 21 of 22 jaar

  • 1. Het college kan de toeslag, bedoeld in artikel 25, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen voor zover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.

  • 2. Onder het minimumjeugdloon bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.

X

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast dat:

    • a. onverminderd de artikelen 27 en 28, de toeslag, bedoeld in artikel 25, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of met thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;

    • b. jegens een belanghebbende niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 28 en 29, eerste lid.

2. In het derde lid wordt «28» vervangen door: 29.

Y

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de alleenstaande of het gezin» telkens vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de jonggehandicaptenkorting;.

b. In onderdeel h wordt na «arbeidsongeschiktheid,» ingevoegd: waarbij voor 16- en 17-jarigen een maximum geldt van € 827,00 per maand,.

c. Onderdeel r komt te luiden:

  • r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 120,00 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:

    • 1°. hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,

    • 2°. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en

    • 3°. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;.

d. Onder vervanging van de punt aan het slot van het laatste onderdeel door een puntkomma worden twee onderdelen toegevoegd waarvan de letters aansluiten op het laatste onderdeel, luidende:

  • #. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;

  • #. een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, voor zover hij tot een gezin behoort dat niet enkel uit gehuwden of uit gehuwden met hun ten laste komende kinderen bestaat.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het tweede lid, onderdelen c, j, k, n en r, zijn niet van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.

Z

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Indien een of meer gezinsleden geen recht op algemene bijstand hebben, wordt zijn of hun inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de meerderjarige gezinsleden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn of hun inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor het gezin. Voor de vaststelling van het inkomen van het niet-rechthebbende gezinslid of de niet-rechthebbende gezinsleden is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt, indien het een gezin betreft waarbij gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien een meerderjarig kind als bedoeld in artikel 4:

    • a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt,

    • b. aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, of

    • c. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 1 023,42 per maand.

AA

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 en, indien een toeslag als bedoeld in artikel 3.4 of artikel 3.5 van die wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel 3.18 van die wet.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de gezinsleden 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van € 18,40 per kalendermaand voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder en voor elk gezinslid dat 65 jaar of ouder is.

AB

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «de alleenstaande of het gezin» vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «persoon en gezin» vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt «voor een alleenstaande ouder» vervangen door: voor een alleenstaande ouder en zijn ten laste komende kinderen.

b. In onderdeel c wordt «voor de gehuwden tezamen» vervangen door: voor de gezinsleden tezamen.

AC

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de alleenstaande of het gezin» telkens vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Het derde tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing ingeval van een alleenstaande, een alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of een gezin waarvan het in aanmerking te nemen inkomen hoger is dan 110 procent van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.

AD

Aan artikel 36 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen hoger dan 110 procent van de op de desbetreffende alleenstaande, alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm.

AE

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «in artikel 21» vervangen door: in de artikelen 20 en 21.

b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de bedragen, genoemd in de artikelen 4, tweede lid, aanhef, en 32, vijfde lid, met de netto uitkomst van 80% van het bruto minimumloon, inclusief vakantiebijslag, rekening houdende met de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. In het tweede lid wordt «artikel 31, tweede lid, onderdelen j en n» vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdelen j, n en r.

3. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, komt het zesde lid (nieuw) te luiden:

  • 6. Met ingang van de dag waarop de bedragen wijzigen op grond waarvan wordt beoordeeld of een verzekerde als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet een kind in belangrijke mate onderhoudt als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van die wet, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel h, herzien met het percentage van deze wijziging.

AF

Het eerste lid van artikel 39 vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

AG

Aan artikel 41 worden zes leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Een aanvraag van algemene bijstand die alleen ziet op:

    • a. alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar,

    • b. een gezin waarvan alle gezinsleden jonger dan 27 jaar zijn,

    wordt niet eerder ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen.

  • 5. Indien tot de personen voor wie bijstand is aangevraagd meerderjarige personen jonger dan 27 jaar behoren, worden documenten verstrekt die het college kunnen helpen bij de beoordeling of de meerderjarige personen jonger dan 27 jaar nog mogelijkheden hebben binnen het uit ‘s Rijks kas bekostigde onderwijs.

  • 6. De personen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, die recht hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, kunnen zich al melden om bijstand aan te vragen vanaf de dag gelegen vier weken voordat het recht op die uitkering eindigt.

  • 7. De documenten, bedoeld in het vijfde lid, worden verstrekt:

    • a. indien het vierde lid van toepassing is: bij de aanvraag van algemene bijstand;

    • b. indien het vierde lid niet van toepassing is: binnen vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44.

  • 8. Indien het vierde lid van toepassing is in geval van een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid:

    • a. die na een verzoek van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen op uitnodiging van de Nederlandse regering in Nederland verblijft; of

    • b. van wie de aanspraak op verstrekkingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers is geëindigd, omdat:

      • 1°. een verblijfsvergunning is verleend en naar het oordeel van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers passende huisvesting buiten de opvangvoorziening is gerealiseerd; of

      • 2°. bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 hebben ingediend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie verstrekkingen als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden, naar het oordeel van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, kan het college op verzoek van die vreemdeling bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening verlenen na de melding, bedoeld in artikel 44, indien onevenredig bezwarende individuele omstandigheden daartoe noodzaken en zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld.

  • 9. Bij de toepassing van het achtste lid is artikel 52, eerste lid, onderdelen a en b, tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

AH

Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De bijstand wordt door de meerderjarige gezinsleden gezamenlijk aangevraagd dan wel door een of meer van hen met schriftelijke toestemming van de ander of anderen.

2. In het derde lid wordt «een van de echtgenoten» vervangen door: een of meer van de meerderjarige gezinsleden.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het college houdt, indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is, bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand rekening met de houding en gedragingen van de meerderjarige personen die ten tijde van de aanvraag van algemene bijstand jonger dan 27 jaar zijn gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44.

  • 5. Indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is, beoordeelt het college in ieder geval de houding en gedragingen gedurende de vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, van de meerderjarige personen die ten tijde van de aanvraag van algemene bijstand jonger dan 27 jaar zijn.

AI

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en:

    • a. indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel 41;

    • b. indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij een besluit tot toekenning van algemene bijstand voor zover dat ziet op:

    • a. alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar,

    • b. meerderjarige gezinsleden jonger dan 27 jaar,

    wordt, in een bijlage, een plan van aanpak opgenomen als bedoeld in artikel 44a.

AJ

Na artikel 44 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 44a Plan van aanpak

  • 1. Het plan van aanpak bevat:

    • a. indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning;

    • b. de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen.

  • 2. Het college begeleidt een persoon die recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan van aanpak en stelt dit zonodig bij.

AK

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt «de alleenstaande of het gezin» vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.

2. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. De bijstand wordt uitbetaald:

    • a. in gelijke delen aan ieder van de meerderjarige rechthebbende gezinsleden, waarbij indien er sprake is van een gezin waarvan gehuwden onderdeel uitmaken, de delen die aan echtgenoten toekomen op gezamenlijk verzoek van die echtgenoten aan een van hen kan worden uitbetaald; of

    • b. op gezamenlijk verzoek van de meerderjarige rechthebbende gezinsleden aan een van hen voor het geheel.

  • 5. Aan een persoon of personen die als gevolg van het overlijden van een of meer van hun gezinsleden, hun ouder of een of meer van hun ten laste komend kinderen, geen recht meer hebben op algemene bijstand of recht hebben op algemene bijstand naar een lagere norm, wordt de algemene bijstand tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm aan die persoon of personen.

AL

Artikel 47a, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een gezin, waarvan ten minste een van de gezinsleden 65 jaar of ouder is, doch waarvan geen van de gezinsleden, anders dan de echtgenoot van het gezinslid dat 65 jaar of ouder is, jonger is dan 65 jaar;.

AM

Artikel 47b wordt als volgt gewijzigd:

1. «9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b,» wordt vervangen door: 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c,.

2. Na «40, tweede tot en met zesde lid,» wordt ingevoegd: 41, vierde, vijfde en achtste lid,.

3. «43, eerste en derde lid,» wordt vervangen door: 43, eerste, derde, vierde en vijfde lid,.

4. Na «66,» wordt ingevoegd: 78s, derde en vierde lid, 78t, tweede lid,.

AN

In artikel 47c, vijfde lid, wordt «het gezin» vervangen door: het gezin en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen.

AO

Artikel 47d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Voor algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen heeft de belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij de Sociale verzekeringsbank zijn geregistreerd, en:

    • a. indien de echtgenoot van het gezinslid dat 65 jaar of ouder is jonger dan 27 jaar is: de belanghebbende door de Sociale verzekeringsbank op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van het tweede lid, artikel 41, vijfde en zevende lid, en artikel 43, vijfde lid;

    • b. indien tot de personen voor wie bijstand is aangevraagd geen personen jonger dan 27 jaar behoren: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a, wordt door de Sociale verzekeringsbank vastgesteld in overeenstemming met het college.

AP

Artikel 48, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren» vervalt.

2. «, uitkering of inkomensvoorziening» wordt vervangen door: of uitkering.

AQ

Artikel 50, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin of, indien hij alleenstaande ouder is, door hem en zijn ten laste komend kind bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.

AR

Artikel 59, eerste en tweede lid, komt te luiden:

  • 1. Onverminderd artikel 58 kunnen kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen wordt verleend, van alle gezinsleden respectievelijk van de ten laste komende kinderen van de alleenstaande ouder worden teruggevorderd.

  • 2. Indien de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de personen met wier middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

AS

Artikel 60, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «, een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren» vervalt.

2. «, inkomensvoorziening of uitkering» wordt vervangen door: of uitkering.

AT

In artikel 60a, eerste lid, vervalt «, een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren» en vervalt «, de inkomensvoorziening».

AU

In artikel 67, eerste lid, onderdeel c, vervalt «, de Wet investeren in jongeren».

AV

Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel b onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

2. In het vijfde lid vervalt «en de voorzieningen op grond van de Wet investeren in jongeren,».

AW

In artikel 74, eerste lid, wordt «, uitkeringen of inkomensvoorzieningen» vervangen door: of uitkeringen.

AX

In artikel 76, derde lid, vervalt «of in artikel 87 van de Wet investeren in jongeren».

AY

Artikel 78f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «dan wel een inkomensvoorziening ontvangen op grond van de Wet investeren in jongeren» en «13,».

2. Het tweede en derde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

AZ

Artikel 78m wordt als volgt gewijzigd:

1. «4, tweede lid,» wordt vervangen door: 4, vierde lid,.

2. «indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden,» wordt vervangen door: indien voor 1 januari 2010.

3. «een meerderjarig aangehuwd kind of» vervalt.

BA

Na artikel 78o worden zeven artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 78p Overgangsrecht ontheffing en vrijlating alleenstaande ouders

  • 1. Artikel 9a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van artikel 9a, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

  • 2. Artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel r, is niet van toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op de alleenstaande ouder:

    • a. op wie op de dag voor inwerkingtreding van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing is; en

    • b. voor wie de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.

  • 3. Ingeval van een alleenstaande ouder op wie:

    • a. de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en

    • b. de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n;

    van toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.

  • 4. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Artikel 78q Overgangsrecht verblijf buiten Nederland

  • 1. Artikel 13, vierde lid, onderdeel a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), is van toepassing op de persoon die op de dag voor de inwerkingtreding van die wet recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en verblijf houdt in het buitenland, gedurende de duur van zijn verblijf, doch ten hoogste gedurende drie maanden na de inwerkingtreding van die wet.

  • 2. Artikel 13, vierde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de persoon die op de dag voor de inwerkingtreding van die wet verblijf houdt in het buitenland, gedurende de duur van zijn verblijf, doch ten hoogste gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van die wet.

  • 3. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Artikel 78r Overgangsrecht normering categoriale bijzondere bijstand

  • 1. Artikel 35, negende lid, is niet van toepassing op personen aan wie op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, derde tot en met zesde lid, werd verleend, gedurende de periode dat die bijzondere bijstand wordt verleend, doch ten hoogste gedurende drie maanden na inwerkingtreding van die wet.

  • 2. Artikel 36, zesde lid, is niet van toepassing op personen aan wie op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, werd verleend, gedurende de periode dat die langdurigheidstoeslag wordt verleend, doch ten hoogste gedurende drie maanden na inwerkingtreding van die wet.

  • 3. Dit artikel vervalt drie maanden na zijn inwerkingtreding.

Artikel 78s Overgangsrecht huishoudinkomen en informatie- en medewerkingsplicht

  • 1. Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren,:

    • a. zijn de artikelen 3, 4, 5, onderdeel e, 9, derde lid, 11, vierde lid, 18, vierde lid, 19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24, 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 32, derde en vierde lid, 33, vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid, 43, tweede en derde lid, 45, derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid, 59, eerste lid, en 78m, zoals die luidden op die dag, van toepassing;

    • b. blijven de artikelen 21, tweede lid, onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;

    tot het tijdstip waarop het recht op die algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.

  • 2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de artikelen 21 en 22 voor «een gezin» telkens gelezen «gehuwden» en wordt voor «meerderjarige gezinsleden» telkens gelezen: echtgenoten.

  • 3. Indien de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

  • 4. De meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

  • 5. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Artikel 78t Overgangsrecht intrekking Wet investeren in jongeren

  • 1. Door het college op grond van de Wet investeren in jongeren genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.

  • 2. Onverminderd artikel 78s brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze wet.

  • 3. In afwijking van het tweede lid blijft het besluit, inhoudende dat een jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, gelden voor de duur van het werkleeraanbod doch niet langer dan zes maanden na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650).

  • 4. Op een aanvraag voor een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening waarop niet is beslist voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) wordt beslist met toepassing van deze wet, waarbij artikel 41, vierde tot en met negende lid, en artikel 43, vierde lid, buiten toepassing blijft.

  • 5. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) is ingediend tegen een door het college op grond van de Wet investeren in jongeren genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Wet investeren in jongeren.

Artikel 78u Overgangsrecht inkomen uit studiefinanciering

  • 1. Op de persoon op wie artikel 33, tweede lid, op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) van toepassing was, zijn de artikelen 33, tweede lid, en 39, eerste lid, zoals die luidden op die dag, van toepassing tot het tijdstip waarop het recht op algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.

  • 2. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Artikel 78v Verordening betreffende bijzondere bijstand

Artikel 8, eerste lid, onderdeel g, en tweede lid, onderdeel d, vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET INVESTEREN IN JONGEREN

De Wet investeren in jongeren wordt ingetrokken.

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4a, eerste lid, vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt, onderdeel c.

B

[VERVALLEN]

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand» vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:

    • a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,

    • b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken, en

    • c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

  • 6. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

CA

Aan artikel 35, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het verlagen van de uitkering, bedoeld in artikel 38, twaalfde lid.

D

Aan artikel 37, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

E

Artikel 38 komt te luiden:

Artikel 38

  • 1. Onverminderd artikel 37a, eerste lid, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a tot en met d.

  • 2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.

  • 3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.

  • 4. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:

    • a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;

    • b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;

    • c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of

    • d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.

  • 6. Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.

  • 7. Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.

  • 8. Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.

  • 9. Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.

  • 10. Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.

  • 11. Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

  • 12. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

F

In artikel 48, eerste lid, onderdeel c, vervalt «, de Wet investeren in jongeren».

G

Aan hoofdstuk VII wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 63g

De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c, en 38, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden, blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4a, eerste lid, vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt, onderdeel c.

B

[VERVALLEN]

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het achtste lid wordt «artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand» vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 9. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 187,28 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:

    • a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,

    • b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het derde lid, is verstreken, en

    • c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

  • 10. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het negende lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

CA

Aan artikel 35, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het verlagen van de uitkering, bedoeld in artikel 38, twaalfde lid.

D

Aan artikel 37, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

E

Artikel 38 komt te luiden:

Artikel 38

  • 1. Onverminderd artikel 37a, eerste lid, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a tot en met d.

  • 2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.

  • 3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.

  • 4. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:

    • a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;

    • b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;

    • c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of

    • d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.

  • 6. Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.

  • 7. Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.

  • 8. Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.

  • 9. Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.

  • 10. Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.

  • 11. Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

  • 12. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

F

In artikel 48, eerste lid, onderdeel c, vervalt «, de Wet investeren in jongeren».

G

Aan hoofdstuk VII wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 63d

De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c, en 38, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden, blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE WET VOORZIENINGEN ARBEID EN ZORG ALLEENSTAANDE OUDERS

De Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders wordt ingetrokken.

ARTIKEL VI. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET

De Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan onderdeel a wordt toegevoegd: en.

b. In onderdeel b wordt «; en» vervangen door een punt.

c. Onderdeel c vervalt.

2. In het achtste lid vervalt «en verplichtingen als bedoeld in artikel 44 van de Wet investeren in jongeren nakomt».

B

In artikel 17g, tweede lid, vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL VII. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE NABESTAANDENWET

In artikel 45, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL VIII. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE OUDERDOMSWET

In artikel 17i, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL IX. WIJZIGING VAN DE TIJDELIJKE WET PILOT LOONDISPENSATIE

De Tijdelijke wet pilot loondispensatie wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel c, vervalt «, dan wel een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren».

B

In artikel 8, derde lid, wordt «de wet krachtens welke betrokkene onmiddellijk voor aanvang van zijn dienstbetrekking een uitkering, dan wel een inkomensvoorziening ontving» vervangen door: de Wet werk en bijstand.

ARTIKEL X. WIJZIGING VAN DE TOESLAGENWET

In artikel 14g, tweede lid, van de Toeslagenwet vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XI. WIJZIGING VAN DE WERKLOOSHEIDSWET

In artikel 27g, tweede lid, van de Werkloosheidswet vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XII. WIJZIGING VAN DE WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ZELFSTANDIGEN

In artikel 54, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XIII. WIJZIGING VAN DE WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING MILITAIREN

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen vervalt «en de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XIV. WIJZIGING VAN DE WET FINANCIERING SOCIALE VERZEKERINGEN

De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 49, eerste lid, onderdeel d, vervalt «of artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,».

B

In artikel 51, derde lid, vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XV. WIJZIGING VAN DE WET INBURGERING

De Wet inburgering wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 20, eerste lid, en 24b, eerste lid, vervalt «, dan wel de Wet investeren in jongeren».

B

In artikel 37 vervalt «de inkomensvoorziening kan worden verlaagd op grond van artikel 41 van de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XVI. WIJZIGING VAN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001

In artikel 6.3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt «of artikel 57 van de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XVII. WIJZIGING VAN DE WET KINDEROPVANG EN KWALITEITSEISEN PEUTERSPEELZALEN

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.6, eerste lid, onderdeel c, wordt «Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren,» vervangen door «Wet werk en bijstand,» en wordt «artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,» vervangen door: artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand,.

B

Artikel 1.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt «artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,».

2. In het tweede lid vervalt «, of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren».

C

In artikel 1.35, eerste lid, vervalt «artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XVIII. WIJZIGING VAN DE WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

In artikel 29g, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XIX. WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONBELASTING 1964

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, zesde lid, vervalt «of de Wet investeren in jongeren,».

B

Artikel 33 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onderdelen a en d, vervalt «of de Wet investeren in jongeren».

2. In het tweede lid, onderdeel c, onder 1, vervalt «of de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XX. WIJZIGING VAN DE WET OP HET CONSUMENTENKREDIET

Artikel 5 van de Wet op het consumentenkrediet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a, onder 1, komt te luiden:

  • 1°. de meerderjarige gezinsleden van een gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, van wie het gezamenlijk netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel 21, eerste lid, van die wet;.

2. Onderdeel a, onder 4, 5 en 6, komt te vervallen.

ARTIKEL XXI. WIJZIGING VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

In artikel 7.52, tweede en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XXII. WIJZIGING VAN DE WET PARTICIPATIEBUDGET

De Wet participatiebudget wordt als volgt gewijzigd:

A

In de definitie van «re-integratievoorziening» in artikel 1 vervalt «, alsmede een werkleeraanbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren».

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt onderdeel d onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt geen re-integratievoorziening aangeboden aan de persoon, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a of b, van de Wet werk en bijstand.

ARTIKEL XXIII. WIJZIGING VAN DE WET STRUCTUUR UITVOERINGSORGANISATIE WERK EN INKOMEN

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, onderdeel l, onder 1, 9, eerste lid, 30, vijfde lid, onderdeel b, 34, tweede lid, onderdeel b, en 62, eerste en tweede lid, vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

B

In artikel 30c, eerste lid, vervalt «of voor een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XXIV. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN ARBEIDSONDERSTEUNING JONGGEHANDICAPTEN

In artikel 3:43, tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XXV. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN

In artikel 96, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XXVI. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Artikel 475d, eerste tot en met derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering komt te luiden:

  • 1. De beslagvrije voet bedraagt

    • a. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:

      • 1°. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.

      • 2°. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;

    • b. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn:

      • 1°. indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat inkomen inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand en ten hoogste 90 procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van die wet;

      • 2°. indien het periodieke inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;

    • c. een alleenstaande van 65 jaar of ouder en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel a en b, van die wet.

  • 2. De beslagvrije voet bedraagt:

    • a. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als behorend tot een gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van Wet werk en bijstand waarvan alle meerderjarige gezinsleden 18 jaar of ouder zijn doch jonger dan 65 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid, van die wet.

    • b. in afwijking van het bepaalde onder a voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als behorende tot:

      • 1°. een gezin dat bestaat uit twee meerderjarige personen van 18 tot en met 20 jaar en waarbij er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet werk en bijstand;

      • 2°. een gezin dat uit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet werk en bijstand;

      • 3°. een gezin dat bestaat uit twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar en waarbij er een of meer ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet werk en bijstand;

      • 4°. een gezin dat uit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 2, van de Wet werk en bijstand;

      • 5°. een gezin dat uit drie meerderjarige personen bestaat, waarvan twee personen, 18, 19 of 20 jaar zijn en waarvan een persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand;

    • c. voor schuldenaren die behoren tot een gezin waarvan een of meer gezinsleden 65 jaar of ouder zijn: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.

  • 3. Voor zover het een gezin betreft, wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen inclusief vakantie-aanspraak van de meerderjarige gezinsleden aan wie de bijstand samen met de schuldenaar zou kunnen toekomen.

ARTIKEL XXVII. WIJZIGING VAN DE ZIEKTEWET

De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 29b, tweede lid, vervalt «of artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,»,

B

In artikel 45g, tweede lid, vervalt «de Wet investeren in jongeren,».

ARTIKEL XXVIII. WIJZIGING VAN DE WET OP DE RECHTSBIJSTAND

In artikel 1, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand vervalt de definitie van «bijstandsnorm».

ARTIKEL XXIX. WIJZIGING VAN DE WET OP DE HUURTOESLAG

De Wet op de huurtoeslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 17, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «artikelen 21, onder a,» vervangen door: artikelen 20, eerste lid, onderdeel b,.

2. In onderdeel b wordt «artikel 21, onder c,» vervangen door: artikel 21, eerste lid,.

B

In artikel 27, vierde lid, wordt «artikel 21, onderdeel c,» vervangen door: artikel 21, eerste lid,.

ARTIKEL XXX. WIJZIGING VAN DE WET STUDIEFINANCIERING 2000

In artikel 3.17, derde lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000 vervalt «, de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XXXI. WIJZIGING VAN DE WET OP HET ONDERWIJSTOEZICHT

In artikel 24f, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht vervalt «, artikel 49 van de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XXXII. EENMALIGE AANPASSING BEDRAGEN

  • 1. Onze Minister kan de bedragen, genoemd in de artikelen I, onderdelen B, O, P, Y, Z en AA, III, onderdeel C, en IV, onderdeel C, van deze wet eenmalig aanpassen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

ARTIKEL XXXIII. SAMENLOOPBEPALING WETSVOORSTEL TOT INTREKKING VAN DE WWIK

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Kamerstukken 32 701), tot wet is of wordt verheven, en artikel II van die wet later in werking treedt dan artikel I van deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel II, onderdeel A, vervalt.

B

In artikel II, onderdeel F, wordt «69, eerste lid, onderdeel c» vervangen door: 69, eerste lid, onderdeel b.

C

Artikel XXII, eerste lid, onderdeel A, komt te luiden:

A

Aan artikel II wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

G

In artikel 76, derde lid, vervalt «, of in artikel 55 van de Wet werk en inkomen kunstenaars».

2. Indien artikel II van het bij koninklijke boodschap van 18 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Kamerstukken 32 701) op de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet niet in werking is getreden, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel L, wordt aan artikel 13, tweede lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. die uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt.

B

Artikel I, onderdeel AX, komt te luiden:

AX

In artikel 76, derde lid, wordt «, in artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, in artikel 87 van de Wet investeren in jongeren» vervangen door: of in artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

C

Er wordt na artikel XXIV een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIVA. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN INKOMEN KUNSTENAARS

In artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en inkomen kunstenaars vervalt «, de Wet investeren in jongeren».

ARTIKEL XXXIV. SAMENLOOPBEPALING WETSVOORSTEL HUISBEZOEKEN

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 april 2009 ingediende voorstel van wet houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek (Kamerstukken 31 929) tot wet is of wordt verheven, en artikel VII van die wet in werking treedt of is getreden, wordt artikel 53a van de Wet werk en bijstand als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:

    • a. hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20 of artikel 22, aanhef en onderdeel a of b;

    • b. de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste komende kinderen in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste komende kinderen;

    • c. hij of het gezin waartoe hij behoort de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander.

    Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen biedt het college bij die verzoeken de belanghebbende aan met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

  • 3. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande of een alleenstaande ouder is waarop de norm, bedoeld in artikel 20, eerste lid, of artikel 22, onderdeel a, respectievelijk artikel 20, tweede lid, of artikel 22, onderdeel b, van toepassing is, kent het college, onverminderd de toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering overeenkomstig de volgende norm:

    • a. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt; de helft van de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 1;

    • b. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt; de helft van de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 1;

    • c. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt; de helft van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel c.

2. Onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot zesde tot en met tiende lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande ouder is waarop de norm, bedoeld in artikel 20, tweede lid, of artikel 22, onderdeel b, van toepassing is maar hij wel heeft aangetoond dat hij een of meer tot zijn last komende kinderen heeft kent het college, onverminderd de toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering overeenkomstig de volgende norm:

    • a. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt, de helft van de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 2;

    • b. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt, de helft van de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 2;

    • c. indien de belanghebbende zich in de leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt; de helft van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel c.

  • 5. In de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn de artikelen 25 en 30, tweede lid, aanhef en onderdeel a, niet van toepassing.

ARTIKEL XXXV. INWERKINGTREDING

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 december 2011

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom

Uitgegeven de negenentwintigste december 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 815

Naar boven