Besluit van 22 november 2010 tot wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman met betrekking tot de gemeubileerde verblijfsvoorziening binnen 25 kilometer van het ministerie, de extra-beveiligde dienstauto en de invoering van de werkkostenregeling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 oktober 2010, 2010-0000632436, DCB/CZW/WVOB;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen en de artikelen 2, eerste lid, en 3, tweede lid, van de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, nr. W04.10.0485/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 november 2010, nr. 2010-704532;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 3 wordt onder vernummering van het tweede lid tot derde lid na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Aan ministers en staatssecretarissen die een gemeubileerde verblijfsvoorziening als bedoeld in het eerste lid ter beschikking is gesteld, worden in verband met de verblijfsvoorziening verstrekt dan wel de kosten vergoed van:

    • a. huur van een parkeerplaats, voor zover deze onderdeel uitmaakt van de ter beschikking gestelde verblijfsvoorziening;

    • b. beveiliging als bedoeld in artikel 4, eerste lid;

    • c. informatie- en communicatievoorzieningen als bedoeld in artikel 5;

    • d. gemeentelijke belastingen als bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet en waterschapsbelastingen als bedoeld in artikel 123, eerste lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;

    • e. abonnement voor ontvangst van radio en televisie;

    • f. abonnement voor een krant;

    • g. gas, licht, water;

    • h. wassen en strijken;

    • i. schoonmaak.

B. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Een verstrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid of een vergoeding als bedoeld in het tweede lid wordt in aanmerking genomen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.

C. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien dit om veiligheidsredenen noodzakelijk wordt geoordeeld, wordt aan ministers en staatssecretarissen een gemeubileerde verblijfsvoorziening ter beschikking gesteld.

  • 3. Artikel 3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

D. In artikel 4, derde lid, wordt «tweede en derde lid» vervangen door: tweede tot en met vierde lid.

E. Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Ministers en staatssecretarissen hebben recht op de vergoeding van gemaakte kosten voor verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage tot ten hoogste het bedrag vastgesteld op grond van artikel 13, tweede lid, van het Reisbesluit buitenland.

F. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt de tweede volzin.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het bedrag, genoemd in het tweede lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer jaargemiddelde operationele autolease inclusief brandstof, zoals door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd, over het tweede kalenderjaar voorafgaand aan genoemde datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer over het jaar daaraan voorafgaand.

G. In artikel 8 wordt na «BPM» ingevoegd: , verminderd met het deel van de catalogusprijs, met inbegrip van BTW en BPM, dat toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.

H. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid vervalt in de formule: x 100/(100–T)

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Aangewezen als een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt:

    • a. de maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid;

    • b. het tot het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 van de minister of staatssecretaris behorend voordeel ter zake van de dienstauto toerekenbaar aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.

I. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «€ 1312,31» vervangen door: € 629,91.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «€ 656,14» vervangen door: € 314,95.

3. In het tweede lid, onderdeel d, wordt «546,08» vervangen door: € 262,12.

4. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangewezen als een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.

J. Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 15a

Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:

  • a. wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 8, eerste lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • b. blijven de artikelen 3, derde lid, 8, tweede lid, en 10, derde lid, buiten toepassing; en

  • c. worden de bedragen, genoemd in artikel 10, tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL II

Het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

De vice-president van de Raad van State en de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de leden van de Raad van State en de staatsraden, de president en de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen hebben recht op de vergoeding van gemaakte kosten voor verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage tot ten hoogste het bedrag vastgesteld op grond van artikel 13, tweede lid, van het Reisbesluit buitenland.

B. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt de tweede volzin.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer jaargemiddelde operationele autolease inclusief brandstof, zoals door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd, over het tweede kalenderjaar voorafgaand aan genoemde datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer over het jaar daaraan voorafgaand.

3. In het zevende lid wordt na «motorrijwielen» ingevoegd: , verminderd met het deel van de catalogusprijs, met inbegrip van belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting) en belasting van personenauto's en motorrijwielen, dat toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.

C. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid vervalt in de formule: x 100/(100–T)

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Aangewezen als een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt:

    • a. de maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid;

    • b. het tot het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 van de vice-president van de Raad van State behorend voordeel ter zake van de dienstauto toerekenbaar aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.

D. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «€ 656,14» vervangen door: € 314,95.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «546,08» vervangen door: € 262,12.

3. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.

E. Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a

Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:

  • a. wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 8, zevende lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • b. blijven de artikelen 4, achtste lid, en artikel 6, vierde lid, buiten toepassing;

  • c. worden de bedragen, genoemd in artikel 6, tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL III

Artikel 15a van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en artikel 11a van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman vervallen met ingang van de datum waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt.

ARTIKEL IV

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2010, treedt het in afwijking van de eerste volzin in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2011.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen I, onderdelen A, C en G, en II, onderdeel B, onder 3, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken deze terug tot en met 1 maart 2009.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 22 november 2010

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de derde december 2010

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Achtergrond en aanleiding

Het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen regelt de voorzieningen waarop bewindslieden recht hebben gedurende vervulling van het ambt van minister en staatssecretaris.

Een van de voorzieningen betreft het ter beschikking stellen van een pied-à-terre. Na twee jaar kunnen op grond van fiscale wet- en regelgeving de verstrekkingen en vergoedingen op dit terrein niet meer onbelast worden vergoed. Met onderhavige wijziging worden de gevolgen hiervan geregeld. Bij regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2009, nr. DB 2009/83M tot wijziging van enkele fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 40, pag. 5) is geregeld dat een pied-à-terre kan worden aangemerkt als eindheffingsbestanddeel in de loonbelasting. Het is noodzakelijk aanpassingen in het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen aan te brengen, zodat duidelijk is op welke wijze fiscaal met verstrekte vergoedingen en voorzieningen wordt omgegaan. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt deze regeling ook toe te passen op de kosten ten aanzien van extra beveiligde dienstauto’s.

Een tweede aanleiding voor onderhavige wijziging vormt de omstandigheid dat aan bewindslieden om veiligheidsredenen huisvesting wordt geboden buiten de eigen huisvesting. Ook bij deze huisvesting geldt, in het kader van het treffen van passende beveiligingsmaatregelen, dat na twee jaar geen onbelaste verstrekking meer mogelijk is.

In de praktijk worden de hierboven bedoelde vergoedingen en verstrekkingen sinds 1 maart 2009 ook na twee jaar reeds zonder fiscale gevolgen voor de bewindspersonen vergoed. Daarom wordt aan de wijzigingen terugwerkende kracht verleend tot en met 1 maart 2009. Dit heeft geen gevolgen voor de fiscale positie van de betrokken bewindspersonen.

Verder wordt met ingang van 1 januari 2011 de werkkostenregeling geïntroduceerd, als onderdeel van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (zie verder § 6).

Voorts wordt voorzien in een vergoeding voor gemaakte onkosten van ministers en staatssecretarissen tengevolge van verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage.

Tot slot worden enkele aanpassingen aangebracht in verband met de indexering van de kilometerprijs van de dienstauto.

Het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman bevat deels gelijkluidende bepalingen met het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen. Deze worden overeenkomstig gewijzigd. Dit betreft echter niet de pied-à-terre en slechts ten dele de kosten en voorzieningen in verband met extra beveiliging. Deze voorzieningen houden onlosmakelijk verband met het ambt van minister en staatssecretaris.

2. Pied-à-terre

Met ingang van 1 maart 2009 is het mogelijk de vergoedingen van kosten van huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking voor zover de vergoedingen betrekking hebben op een periode van meer dan twee jaar en verstrekkingen van huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking voor zover de verstrekkingen betrekking hebben op een periode van meer dan twee jaar aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel in de loonbelasting (artikel 82, eerste lid, onderdelen j en k, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001). Dit betekent dat dergelijke vergoedingen en verstrekkingen zonder fiscale gevolgen aan werknemers kunnen worden vergoed waarbij de werkgever de belasting voor zijn rekening neemt. Eén van de voorzieningen in het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen betreft een faciliteit voor bewindslieden die op meer dan 50 kilometer afstand van Den Haag wonen en een pied-à-terre in of nabij Den Haag ter beschikking krijgen. Volgens fiscale regelgeving was tot 1 maart 2009 alleen de eerste twee jaar sprake van een belastingvrije verstrekking. Na twee jaar moest deze verstrekking in de heffing van de loonbelasting worden betrokken. In het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen is beoogd dat de pied-à-terre om niet ter beschikking wordt gesteld en dat de kosten ten laste van het departement blijven. Vanuit goed werkgeverschap is het ongewenst dat dit negatieve inkomenseffecten heeft voor de bewindslieden. Indien daarvan sprake is, zal compensatie worden geboden. Het zou anders betekenen dat bewindslieden zelf moeten betalen voor een voorziening die benodigd is voor de vervulling van de functie. Woonafstand mag geen belemmering zijn voor de samenstelling van een kabinet.

Behalve naar de verstrekking van de pied-à-terre zelf, is ook gekeken naar de faciliteiten die in verband met de huisvesting worden verstrekt en tot belastingheffing leiden. Het betreft huur van een parkeerplaats, de inrichting, schoonmaakkosten, kosten voor wassen en strijken, kosten van gas, water en licht, beveiliging, lokale heffingen, abonnement voor ontvangst van radio en televisie, internetvoorzieningen en een abonnement op een krant.

3. Huisvesting buiten de eigen woning om veiligheidsredenen

Ook bij deze, uitsluitend door de aard van de dienstbetrekking opgeroepen huisvesting, geldt dat na twee jaar geen onbelaste verstrekking meer mogelijk is. In algemene zin is al in het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen bepaald dat ten aanzien van ministers en staatssecretarissen en hun gezinsleden passende beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Alle uitgaven ten behoeve van beveiliging dienen te gelden als bestuurskosten die ten laste van de begroting van het ministerie komen. Ook waar het betreft noodzakelijke huisvesting elders.

4. Beveiligde dienstauto

Met ingang van 1 maart 2009 kan de inhoudingsplichtige via eindheffing de (gebruteerde) belasting voor zijn rekening nemen over het gedeelte van de bijtelling van de beveiligde dienstauto, dat toerekenbaar is aan de buitengewone beveiligingsmaatregelen. Het bij de werknemer in aanmerking te nemen voordeel van privégebruik blijft daarmee beperkt tot het voordeel van eenzelfde auto zonder buitengewone beveiligingsmaatregelen. Daarom wordt in het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen opgenomen dat de verschuldigde loonbelasting voor de extra beveiliging als eindheffingsbestanddeel in aanmerking wordt genomen en derhalve voor rekening van het ministerie komt. Het ministerie treedt immers op als inhoudingsplichtige voor bewindspersonen.

5. Dienstauto

Voor bepaalde categorieën milieuvriendelijke auto’s was een afwijkende prijs per kilometer vastgesteld. Dit is niet meer nodig omdat aan alle dienstauto’s nu dezelfde eisen worden gesteld.

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de grondslag van de indexering van de kilometerprijs van de dienstauto aan te passen, zodat deze grondslag bij aanvang van het kalenderjaar bekend is en het bedrag niet, zoals tot nu toe het geval is, jaarlijks met terugwerkende kracht hoeft te worden aangepast.

6. Werkkostenregeling

De werkkostenregeling maakt onderdeel uit van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. Voor door de werkgever aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen komt er een forfaitaire vrijstelling van 1,4% van de fiscale loonsom (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964). Dit forfait wordt aangevuld met nog een beperkt aantal gerichte vrijstellingen voor zakelijke kosten. Over het meerdere – boven het algemene forfait en voor zover niet onder een gerichte vrijstelling vallend – vindt een eindheffing ten laste van de werkgever plaats. De nieuwe opzet maakt het tevens overbodig (de waarde van) als eindheffingsbestanddeel aangewezen verstrekkingen toe te rekenen aan de individuele werknemer.

Deze werkkostenregeling, die in werking treedt met ingang van 1 januari 2011, betekent dat enkele aanpassingen aan het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen noodzakelijk zijn. Uitgangspunt is dat voorzieningen aan de bewindspersonen vrij van inhouding van belasting worden vergoed; voor zover geen belastingheffing bij de werknemer zelf plaatsvindt, is uiteraard ook geen vergoeding ter zake van de verschuldigde belasting nodig. De maandelijkse onkostenvergoedingen zijn daarom gewijzigd in netto bedragen. In dat kader is tevens geregeld dat, waar mogelijk, de in dit besluit bedoelde vergoedingen en verstrekkingen worden aangewezen als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voor situaties waarin dat niet mogelijk is – zoals bij het niet aan beveiligingsmaatregelen toe te rekenen deel van het voordeel van het gebruik van de dienstauto en bij de verstrekte huisvesting – is erin voorzien dat de belasting die de bewindspersoon verschuldigd is, aan de bewindspersoon wordt vergoed.

7. Vergoeding voor gemaakte onkosten tengevolge van verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage

Op grond van het Reisbesluit buitenland kan het bevoegd gezag een vergoeding vaststellen voor gemaakte onkosten van rijksambtenaren tengevolge van verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage. De achtergrond van deze bepaling is dat op grond van het tweede lid van artikel 5 van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006 de risico’s van schade voor en aansprakelijkstelling van de Staat om redenen van doelmatigheid in het algemeen niet worden verzekerd. Het financiële risico is te klein voor de overheid om een reisverzekering voor bewindslieden af te sluiten. Op grond van het Voorzieningenbesluit bestaat voor bewindspersonen bij dienstreizen geen mogelijkheid tot vergoeding van geleden schade. Deze mogelijkheid wordt thans ingevoerd.

8. Lasten voor overheid, burgers en bedrijfsleven

De voorgestelde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten omdat er geen sprake is van een informatieverplichting voor belanghebbenden.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Het hebben van een verblijfsvoorziening in de buurt van Den Haag brengt voor de bewindspersoon extra kosten met zich. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn opgenomen in het ingevoegde tweede lid. Het betreft onder meer huur van een parkeerplaats, passende beveiligingsmaatregelen, informatie- en communicatievoorzieningen in de verblijfsvoorziening waaronder ook een internetabonnement, lokale belastingen, abonnementen voor een krant en ontvangst van radio en televisie.

Artikel I, onderdelen B en D

Met de toevoeging van het derde lid aan artikel 3 wordt erin voorzien dat ter uitvoering van de werkkostenregeling met ingang van 1 januari 2011 de verstrekkingen en vergoedingen met betrekking tot de pied-à-terre worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Zo wordt bereikt dat dit voordeel aan de bewindspersoon kan worden verstrekt zonder dat hij hier belasting over is verschuldigd. Ingeval gebruik wordt gemaakt van de in artikel 39c van de wet op de loonbelasting 1964 opgenomen overgangsregeling, kan de bestaande praktijk van artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964, verder uitgewerkt in artikel 82, eerste lid, onderdelen j en k, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, op grond van artikel 15a van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen nog worden voortgezet.

Ook wordt de verwijzing in artikel 4, derde lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen naar artikel 3 van ditzelfde besluit aangepast.

Artikel I, onderdeel C

In artikel 4 van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen is bepaald dat ten behoeve van ministers en staatssecretarissen en hun gezinsleden passende beveiligingsmaatregelen getroffen worden. Indien in dit kader voor bewindslieden wordt geoordeeld dat in vervangende huisvesting moet worden voorzien, wordt in het aan artikel 4 toegevoegde tweede lid bepaald dat extra kosten die het betrekken van deze woning met zich brengt, worden vergoed.

Artikelen I, onderdeel E, en II, onderdeel A

In deze nieuwe bepalingen is voorzien in de vergoeding aan ministers en staatssecretarissen respectievelijk de vice-president van de Raad van State en de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, leden van de Raad van State en de staatsraden, de president en de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen van gemaakte onkosten tengevolge van verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage. Deze bepalingen zijn afgeleid van artikel 13, tweede lid, van het Reisbesluit buitenland.

Voor het bedrag dat per dienstreis ten hoogste wordt vergoed, wordt verwezen naar het bedrag dat op grond van artikel 13, tweede lid, van het Reisbesluit buitenland is vastgesteld in artikel 6 van de Reisregeling buitenland. Dit bedrag is thans vastgesteld op € 2.268,90.

Artikelen I, onderdeel F, onder 1, en II, onderdeel B, onder 1

In het Besluit van 7 januari 2008 tot wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen in verband met een vergoeding voor innovatieve milieuauto’s en aan arbeidsomstandigheden aangepaste dienstauto’s (Stb. 32) is een hoger normbedrag per kilometer voor bepaalde innovatieve milieuvriendelijke auto’s ingevoerd. In artikel 10 van de verordening (Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie) is bepaald dat per 1 september 2009 alle lidstaten de goedkeuring moeten weigeren van auto’s die niet aan de verordening voldoen. Meer precies gold dit hogere tarief deels voor auto’s die voor 1 september 2009 werden aangeschaft en al voldeden aan de genoemde EU-verordening, en deels voor auto’s die werden aangeschaft op basis van een inmiddels niet meer bestaande door het Rijk gesloten raamovereenkomst betreffende innovatieve milieuauto’s. Nu alle dienstauto’s die na 1 september 2009 worden aangeschaft, moeten voldoen aan verordening (EG) nr. 715/2007, is per 1 september 2009 de rechtvaardiging vervallen voor het hogere tarief voor de hiervoor genoemde innovatieve milieuvriendelijke auto’s. Daarom wordt de tweede volzin van artikel 7, tweede lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen geschrapt.

Artikel 4, derde lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman bevat eenzelfde bepaling. Ook deze bepaling wordt geschrapt.

Artikelen I, onderdeel F, onder 2, en II, onderdeel B, onder 2

Met de wijziging van artikel 7, derde lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en artikel 4, vierde lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman wordt aansluiting gezocht bij een indexcijfer dat, in tegenstelling tot het tot nu toe gebruikte indexcijfer, op tijd beschikbaar is, zodat voor de jaarlijkse indexering geen aparte ministeriële regeling meer hoeft te worden gemaakt en dat de wijziging mee kan lopen in een reeks van te wijzigen bedragen met ingang van 1 januari van ieder jaar. Gekozen is voor dezelfde indexcijfers, maar dan één jaar verder terug dan nu het geval is. Dit cijfer is wel tijdig beschikbaar om de wijziging per 1 januari van elk jaar te kunnen doorvoeren.

Artikelen I, onderdeel G, en II, onderdeel B, onder 3

Artikel 8 van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen voorziet in een maandelijkse vergoeding voor de door de bewindspersoon verschuldigde loonbelasting over het gebruik van de dienstauto. Nu met ingang van 1 maart 2009 het gedeelte van de bijtelling van de beveiligde dienstauto, dat toerekenbaar is aan de buitengewone beveiligingsmaatregelen wordt aangemerkt als eindheffingsbestanddeel in de loonbelasting (artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964, nader uitgewerkt in artikel 82, eerste lid, onderdeel l, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001), hoeft over dit deel van de catalogusprijs ook geen vergoeding voor de verschuldigde loonbelasting te worden verstrekt. Het deel van de catalogusprijs dat toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen wordt dan ook buiten de berekeningsgrondslag van de vergoeding gehaald.

Ten aanzien van de vice-president van de Raad van State is in artikel 4, zevende lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman een gelijkluidende bepaling opgenomen over de dienstauto.

Artikelen I, onderdeel H, en II, onderdeel C

Met de toevoeging van het tweede lid aan artikel 8 wordt ter uitvoering van de werkkostenregeling met ingang van 1 januari 2011 erin voorzien dat het voordeel dat valt toe te rekenen aan buitengewone beveiligingsmaatregelen wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van de in artikel 39c van de wet op de loonbelasting 1964 opgenomen overgangsregeling, kan de bestaande praktijk op grond van artikel 15a van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen nog worden voortgezet.

Ten aanzien van de vice-president van de Raad van State is in artikel 4, achtste lid, respectievelijk artikel 11a van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman een gelijkluidende bepaling opgenomen over de dienstauto.

Artikelen I, onderdelen I en J, II, onderdelen D en E, en artikel III

Artikel 10, tweede lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en artikel 6, tweede lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman voorzien in een maandelijkse vergoeding voor de kosten van voorzieningen die voor eigen rekening komen en mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van het ambt.

Deze bedragen kunnen als gevolg van de werkkostenregeling netto worden vergoed. Omdat de werkkostenregeling over de jaren 2011 tot en met 2013 nog optioneel is, is in beide besluiten een tijdelijke voorziening getroffen (artikel 15a, eerste lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en artikel 11a, eerste lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman) voor het geval de werkkostenregeling nog niet wordt toegepast. In dat geval gelden de oude gebruteerde bedragen die zijn afgeleid van de nieuwe netto bedragen. Artikel 10, derde lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen en artikel 6, vierde lid, van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman blijven buiten toepassing als de werkkostenregeling niet wordt toegepast, omdat de vergoeding onder de huidige regelgeving geen eindheffingsbestanddeel is.

Opgemerkt wordt nog dat invoering van de werkkostenregeling gelijktijdig geldt voor zowel ambtelijk rijkspersoneel als de bewindspersonen. Invoering van de werkkostenregeling, ook voor bewindspersonen, is afhankelijk van afspraken in het arbeidsvoorwaardenoverleg Sector Rijk en de verwerking in P-Direct.

Artikel IV

De artikelen I, onderdelen A, C en G, en II, onderdeel B, onder 3, werken terug tot en met 1 maart 2009, omdat in de praktijk de vergoedingen en verstrekkingen met betrekking tot de pied-à-terre en de fiscale bijtelling met betrekking tot de extra beveiligde dienstauto vanaf die datum al netto worden vergoed. Dit heeft geen gevolgen voor de fiscale positie van de betrokken bewindspersonen en leden van de hoge colleges van staat.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven