Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 2010, 259Wet

Wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de Vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een verbetering van de vorderingsprocedure en tot invoering van het alcoholslotprogramma;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wegenverkeerswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel s door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

t. alcoholslot:

het geheel van ademalcoholtester, startonderbreker en registratie-eenheid, dat in een motorrijtuig wordt ingebouwd, waardoor het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart nadat in de ademalcoholtester is geblazen en indien het daarin gemeten en weergegeven ademalcoholgehalte ligt onder de voor de betrokkene ingevolge artikel 8, vierde lid, onderdeel b, geldende, wettelijke alcohollimiet;

u. alcoholslotprogramma:

het samenstel van de verplichting tot inbouw van een alcoholslot in een door betrokkene gebruikt motorrijtuig, het periodiek laten uitlezen van de registratie-eenheid en het volgen van een begeleidingsprogramma;

v. alcoholslotregister:

het register als bedoeld in artikel 129a.

B

Artikel 4b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel b1 worden vijf onderdelen ingevoegd, luidende:

  • b2. het in verband met het alcoholslotprogramma verlenen van typegoedkeuringen voor alcoholsloten en voor de productieprocessen van die alcoholsloten ingevolge artikel 132e, eerste lid,

  • b3. het ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verlenen van typegoedkeuringen voor alcoholsloten en productieprocessen van die alcoholsloten,

  • b4. het houden van toezicht op het overeenstemmen van de alcoholsloten met het type waarvoor de goedkeuring is verleend,

  • b5. het verwerken van gegevens in verband met het alcoholslotprogramma,

  • b6. het vaststellen en vastleggen van manipulatie van voertuigsystemen en het melden hiervan aan de bevoegde autoriteiten,.

2. Na onderdeel j wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • j1: de bevoegdheid tot het aanwijzen van een technische dienst voor het uitvoeren van bepaalde tests ten behoeve van het verlenen van typegoedkeuringen of individuele goedkeuringen of voor het uitvoeren van bepaalde toezichtstaken;.

3. Aan onderdeel k wordt na «te onderwerpen» toegevoegd: alsmede op de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j1 bedoelde aanwijzing als technische dienst.

4. In onderdeel n wordt na «22a, eerste lid,» ingevoegd «22b, tweede lid,», na «23, tweede lid,» «23a, tweede lid, 25a, eerste lid, 25b, tweede lid» en na «26, eerste lid,»: 26a, tweede lid,.

5. In onderdeel n wordt na «128, eerste lid,» ingevoegd: 132e, eerste en tweede lid, 132g, eerste lid, 132h, derde lid, 132l, eerste lid, en tweede lid, onderdeel f, 132m, vierde lid,.

C

Artikel 4q, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Het tarief, bedoeld in artikel 48, eerste lid, voor de aanvraag van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen deel van het kentekenbewijs omvat mede een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag dat strekt ter dekking van de kosten van:

    • a. het registreren van keuringsrapporten,

    • b. het ongeldig verklaren van kentekenbewijzen,

    • c. het verstrekken van gegevens uit het kentekenregister als bedoeld in artikel 43, eerste en tweede lid, en bij algemene maatregel van bestuur te bepalen verstrekkingen,

    • d. het behandelen van klachten en ingevolge de Algemene wet bestuursrecht ingediende bezwaarschriften en beroepsschriften gericht op het handelen van de Dienst Wegverkeer,

    • e. het opsporen van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten voor zover ambtenaren van de Dienst Wegverkeer daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast,

    • f. het beheer en instandhouding van het in artikel 13, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde register,

    • g. het verstrekken van gegevens uit het in onderdeel f genoemde register aan degenen die ingevolge de in artikel 38, tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde algemene maatregel van bestuur niet tot betaling van het ter zake vastgestelde tarief zijn gehouden,

    • h. de inspectie bedoeld in artikel 45a, tweede lid, indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer blijkt dat de gegevens juist in het kentekenregister zijn opgenomen dan wel de onjuistheid van een gegeven degene aan wie het kentekenbewijs voor het geïnspecteerde voertuig is afgegeven niet kan worden tegengeworpen, en

    • i. het toezicht op het terugroepen door de fabrikant van reeds in de handel gebrachte voertuigen.

D

In artikel 4aa, eerste lid, wordt «artikel 71a, 84, eerste lid, en artikel 101, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 71a, 84, eerste lid, 101, eerste lid, en 132e, vijfde lid,.

E

Artikel 8, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het tweede lid is het derde lid van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig:

    • a. die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is, of

    • b. aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft verkregen.

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het zesde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Voorts geldt het vijfde lid niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem, ter voorbereiding op een onderzoek naar de rijvaardigheid in het kader van een ingevolge artikel 133, eerste lid, gevorderd onderzoek, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven.

2. Onder vernummering van het negende tot tiende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 9. Het is degene die op grond van artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de feitelijke beschikking heeft gekregen over een rijbewijs waarop de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor deelname aan het alcoholslot is vermeld, verboden een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, te besturen:

    • a. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,

    • b. waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet-werkend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,

    • c. waarin wel een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, is ingebouwd, maar waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register niet aan hem is gekoppeld, of

    • d. terwijl een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, een en ander tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft verkregen.

Fa

Na artikel 22a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 22b

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 22, eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op de op grond van het eerste lid aangewezen technische dienst. De aangewezen technische dienst is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door de Dienst Wegverkeer ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.

  • 3. Met een technische dienst wordt gelijk gesteld een technische dienst die beschikt over een beoordelingsverslag opgesteld door de daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel over een accrediteringscertificaat afgegeven door een accrediteringsinstantie uit die andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, voor zover hieruit blijkt dat deze dienst voldoet aan eisen die tenminste gelijkwaardig zijn aan de in het eerste lid bedoelde eisen.

  • 4. De aanwijzing wordt ingetrokken indien de technische dienst die was aangewezen, daarom verzoekt.

  • 5. De Dienst Wegverkeer kan een aanwijzing intrekken indien de aangewezen technische dienst niet meer voldoet aan de voor de aanwijzing gestelde eisen.

  • 6. De Dienst Wegverkeer kan een aanwijzing schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen bepalingen worden gesteld ter uitvoering van dit artikel. Hierbij kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het door de aanvrager overleggen van bescheiden of verstrekken van nadere inlichtingen, betreffende de wijze waarop toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene die is aangewezen als technische dienst.

Fb

Na artikel 23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 23a

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Fc

Na artikel 25a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25a1

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een goedkeuring van een productieproces een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor de goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Fd

Na artikel 25b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25b1

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 25b, eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Fe

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26a

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een goedkeuring voor een individueel voertuig een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor de goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ff

Aan artikel 65 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

Fg

Aan artikel 87 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

Fh

Aan artikel 101 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

G

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 1, komt te luiden:

AFDELING 1. RIJBEWIJSPLICHT.

H

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 2, komt te luiden:

AFDELING 2. EISEN TEN AANZIEN VAN HET GEVEN VAN RIJONDERRICHT.

I

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 3, komt te luiden:

AFDELING 3. ALGEMENE VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT DE VERKRIJGING VAN RIJBEWIJZEN.

J

In artikel 112, eerste lid, onderdeel c, wordt «artikel 131, derde lid, onderdeel a,» vervangen door: artikel 131, tweede lid, onderdeel a,.

K

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 4, komt te luiden:

AFDELING 4. AANVRAAG VAN RIJBEWIJZEN.

L

In artikel 115, eerste lid, wordt «131, derde lid, onderdeel b,» vervangen door «artikel 131 tweede lid, onderdeel b,» en wordt na «132 vijfde lid,» ingevoegd: 132b, tweede lid, 134, vierde lid,.

M

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 5, komt te luiden:

AFDELING 5. AFGIFTE VAN RIJBEWIJZEN.

N

Aan artikel 118, derde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Deze eisen kunnen mede omvatten het opleggen van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. In dat geval is het gestelde bij of krachtens de artikelen 129a tot en met 129e, 132 en 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.

O

Artikel 119, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «artikel 131, derde lid, onderdeel a,» vervangen door: artikel 131, tweede lid, onderdeel a,.

2. In onderdeel d, wordt «artikel 124, eerste lid, onderdeel e,» vervangen door: artikel 124, eerste lid, onderdeel e, of 132b, tweede lid,.

P

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 6, komt te luiden:

AFDELING 6. GELDIGHEIDSDUUR.

Q

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 7, komt te luiden:

AFDELING 7. VERLIES VAN GELDIGHEID.

R

In artikel 123, eerste lid, aanhef, wordt «131, derde lid,» vervangen door: 131, tweede lid,.

S

In artikel 123b, eerste lid, onderdelen a en b, wordt «435 microgram» telkens vervangen door «570 microgram» en wordt «1,0 milligram» telkens vervangen door: 1,3 milligram.

T

Artikel 124 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «Onverminderd de artikelen 132, tweede lid, en 134, derde lid,» vervangen door: Onverminderd de artikelen 132, tweede lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde lid,.

2. In het tweede lid, onderdeel d, I en II, en in het zesde lid, onderdeel a, wordt «131, eerste lid,» telkens vervangen door: 131, eerste lid, onderdeel c,.

U

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 8, komt te luiden:

AFDELING 8. REGISTRATIE VAN GEGEVENS MET BETREKKING TOT RIJBEWIJZEN.

V

1. In artikel 126, tweede lid, wordt onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel h, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • g. een opgelegd alcoholslotprogramma;.

W

Na artikel 129 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 8A. REGISTRATIE VAN GEGEVENS IN VERBAND MET DE OPLEGGING VAN EEN ALCOHOLSLOTPROGRAMMA

Artikel 129a
  • 1. De Dienst Wegverkeer houdt een register betreffende gegevens inzake het alcoholslotprogramma. Onder gegevens worden mede begrepen persoonsgegevens of bijzondere persoonsgegevens.

  • 2. Het verzamelen van gegevens als bedoeld in artikel 129 c, eerste lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:

    • a. een goede en adequate uitvoering van deze wet, voor zover het gaat om het alcoholslotprogramma;

    • b. de handhaving van bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, voor zover het gaat om het alcoholslotprogramma.

Artikel 129b

Ten aanzien van de verwerkingen ten behoeve van het alcoholslotregister is de Dienst Wegverkeer de verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 129c
  • 1. In het alcoholslotregister worden de volgende gegevens verwerkt:

    • a. gegevens betreffende de oplegging van een alcoholslotprogramma aan de betrokken rijbewijshouder;

    • b. gegevens betreffende de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, alsmede de persoon door wie de in dat lid bedoelde werkzaamheden zijn verricht;

    • c. het kenteken van het motorrijtuig waarin een alcoholslot is ingebouwd;

    • d. gegevens betreffende het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het verwijderen van het alcoholslot;

    • e. gegevens betreffende de betaling van de kosten verbonden aan het alcoholslotprogramma;

    • f. gegevens voortvloeiende uit de periodieke uitlezing van het alcoholslot.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inrichting en het beheer van het register.

Artikel 129d
  • 1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet of zijn belast met de handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, voor zover het het alcoholslotprogramma betreft, worden op door de Dienst Wegverkeer bepaalde wijze de gegevens verstrekt die zij voor de uitvoering van hun taak behoeven.

  • 2. De autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze bevoegd tot het invoeren, wijzigen dan wel verwijderen van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens die van belang zijn voor het bijhouden van het register.

Artikel 129e

De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 129c, eerste lid, een reglement vast.

X

Het opschrift van Hoofdstuk VI, paragraaf 9, komt te luiden:

AFDELING 9. MAATREGELEN RIJVAARDIGHEID EN GESCHIKTHEID.

IJ

Na het opschrift «Afdeling 9. Maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid» wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

§ 1. Algemeen.

Z

Artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, laatste volzin, vervalt.

2. In het derde lid wordt na de tweede volzin een volzin toegevoegd, luidende: De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma.

AA

Artikel 131 komt te luiden:

Artikel 131

  • 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

    • a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

    • b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of

    • c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

    Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

  • 2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

    • a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

    • b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, derde lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;

    • c. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens rijbewijs wel overeenkomstig artikel 130, derde lid, is ingevorderd, bepaald dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt teruggegeven.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

  • 4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

BB

Artikel 132 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:

    • a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

    • b. krachtens artikel 118, derde lid, of ingevolge de artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 134, zevende lid, onderdeel a, dient te onderwerpen aan een alcoholslotprogramma, of

    • c. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

2. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten verbonden aan het huren of kopen, het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot op de in het huur- dan wel koopcontract van het alcoholslot aangegeven wijze of binnen de in dat huur- dan wel koopcontract aangegeven termijn of termijnen, alsmede het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:

    • a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

    • b. het alcoholslotprogramma, of

    • c. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen.

3. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs, zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij het CBR, ook indien de ongeldigverklaring niet alle categorieën betreft waarvoor het rijbewijs geldig was.

CC

Na artikel 132 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2. Educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 132a
  • 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

  • 2. De kosten verbonden aan het opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan een dergelijke maatregel is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. De kosten verbonden aan het uitvoeren van de educatieve maatregelen komen ten laste van betrokkene. De hoogte van deze kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 4. Het CBR bepaalt de aard van de educatieve maatregelen en wijst een of meer tot toepassing van die maatregelen bevoegde deskundigen aan.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

  • 6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

DD

Na artikel 132a wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3. Alcoholslotprogramma algemeen

Artikel 132b
  • 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels bij het in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting op deel te nemen aan een alcoholslotprogramma.

  • 2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, verklaart het CBR het rijbewijs van betrokkene ongeldig en bepaalt daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het CBR doet mededeling aan betrokkene dat hij:

    • a. nadat hij heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b, en c, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een rijbewijs kan aanvragen voor de categorie of categorieën waarvoor hij aan die eisen heeft voldaan, alsmede voor categorie AM, dan wel dat hij

    • b. indien hij niet heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b en c, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs voor de categorie AM kan aanvragen.

  • 4. Indien het rijbewijs dat voor ongeldigverklaring op grond van het tweede lid in aanmerking komt, zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of op andere wijze ongeldig is geworden, plaatst het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs alleen een rijbewijs kan krijgen dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig waarin bij of krachtens de wet een alcoholslot is ingebouwd, en de categorie AM.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

  • 6. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Artikel 132c
  • 1. Degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd dient:

    • a. overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen een alcoholslot te doen inbouwen in ten minste één motorrijtuig dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen;

    • b. de aangegeven kosten op de aangegeven wijze te hebben betaald aan het CBR;

    • c. het bij het besluit, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, meegezonden, door het CBR vastgestelde, aanmeldformulier te hebben teruggezonden aan het CBR, en

    • d. overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze de feitelijke beschikking te hebben gekregen over een nieuw rijbewijs, waarop voor de toepasselijke rijbewijscategorie, met uitzondering van de categorie AM, de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot is vermeld.

  • 2. Per motorrijtuig kan slechts één alcoholslot tegelijk zijn ingebouwd.

  • 3. Een ingebouwd alcoholslot kan slechts door één bestuurder worden gebruikt aan wie het CBR overeenkomstig de artikelen 131, eerste lid, onderdeel b, en 132b, eerste lid, de verplichting heeft opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma.

  • 4. Onverminderd artikel 132d, tweede of vierde lid, is de duur van het alcoholslotprogramma twee jaar. Deze termijn neemt een aanvang op de dag waarop degene aan wie de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd heeft voldaan aan het eerste lid, onderdeel d.

  • 5. Degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, is verplicht het door het CBR bepaalde begeleidingsprogramma te volgen en daartoe het alcoholslot periodiek te laten uitlezen bij een erkenninghouder als bedoeld in artikel 132k, eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt de termijn vastgelegd waarbinnen de uitlezing uiterlijk dient plaats te vinden. In bij ministeriële regeling aangegeven gevallen kan het CBR in het kader van het begeleidingsprogramma een kortere termijn vaststellen.

  • 6. De kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig artikel 132b, eerste lid, de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 7. De kosten van verbonden aan:

    • a. het uitvoeren van het alcoholslotprogramma, alsmede de kosten verbonden aan het beheer en het in stand houden van het alcoholslotregister en het verstrekken van gegevens uit dat register overeenkomstig artikel 129d, eerste lid, en aan

    • b. het huren dan wel kopen, het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren het onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot, komen ten laste van betrokkene. De hoogte van de in onderdeel a genoemde kosten die door het CBR worden geïnd, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 8. De gegevens die periodiek worden uitgelezen uit het alcoholslot worden toegerekend aan degene aan wie deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd.

  • 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, vijfde en zesde lid.

Artikel 132d
  • 1. Uiterlijk vier weken voor de afloop van het alcoholslotprogramma vindt op door het CBR bepaalde wijze een evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen aan het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat betrokkene heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling aangegeven voorwaarden, registreert het CBR onverwijld in het rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de hem opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot kan aanvragen. Het CBR doet hiervan mededeling aan betrokkene.

  • 2. In de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen besluit het CBR tot verlenging van het alcoholslotprogramma met zes maanden.

  • 3. Uiterlijk vier weken voor de afloop van de verlenging vindt op door het CBR bepaalde wijze een evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen aan het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat betrokkene heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling aangegeven voorwaarden, registreert het CBR onverwijld in het rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de hem opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot kan aanvragen. Het CBR doet hiervan mededeling aan betrokkene.

  • 4. In andere dan de in het derde lid bedoelde gevallen besluit het CBR tot verlenging van het alcoholslotprogramma met zes maanden. Het derde lid is vervolgens van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

EE

Na artikel 132d wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4. Goedkeuring van het alcoholslot

Artikel 132e
  • 1. In het kader van het alcoholslotprogramma wordt uitsluitend gebruik gemaakt van een alcoholslot dat is voorzien van een typegoedkeuring, verleend door de Dienst Wegverkeer, of een daaraan bij ministeriële regeling gelijkgesteld alcoholslot. De typegoedkeuring van het alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapplicatie wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend, indien door de dienst is vastgesteld dat het alcoholslot aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen voldoet en indien het productieproces van de alcoholsloten van het desbetreffende type is goedgekeurd. De artikelen 22, derde en vierde lid, 22b, 23, 23a en 25a tot en met 25e zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Na verwijdering van het alcoholslot vindt controle van het uitgebouwde alcoholslot plaats door degene die overeenkomstig het goedgekeurde productieproces als bedoeld in het eerste lid produceert.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende de aanvraag tot goedkeuring van een type alcoholslot, de eisen waaraan de alcoholsloten dienen te voldoen, de onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen, het door de aanvrager ter beschikking stellen van alcoholsloten, de wijze waarop de overdracht van de gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister plaatsvindt, het door de aanvrager overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring, het testrapport, de intrekking van een dergelijke goedkeuring, de controle van een alcoholslot als bedoeld in het tweede lid, en de onderzoeken waaraan het alcoholslot in dat kader wordt onderworpen.

  • 4. De Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem aangewezen technische dienst als bedoeld in het eerste lid, onderwerpt voorafgaand aan een eerste inbouw een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal typegoedgekeurde alcoholsloten aan een steekproefsgewijze keuring. Hetzelfde geldt voor typegoedgekeurde alcoholsloten, ten aanzien waarvan een controle heeft plaatsgevonden als bedoeld in het tweede lid. Degene die overeenkomstig het goedgekeurde productieproces, bedoeld in het eerste lid, produceert, is verplicht zijn medewerking te verlenen aan deze steekproefsgewijze keuringen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de in dit lid bedoelde keuringen worden uitgevoerd, het door de aanvrager ter beschikking stellen van alcoholsloten, het door de aanvrager overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring en de maatregelen die de Dienst Wegverkeer kan treffen. Intensivering van de steekproefsgewijze controle of het stellen van een termijn om de gebreken te herstellen, kunnen daarvan deel uitmaken.

  • 5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat:

    • a. het voldoen aan de in het eerste lid gestelde eisen wordt aangetoond door middel van in die regels voorgeschreven apparatuur;

    • b. die apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling;

    • c. die apparatuur alleen kan worden goedgekeurd indien de in die regels genoemde technische specificaties van die apparatuur die noodzakelijk zijn om het periodieke onderzoek, bedoeld in onderdeel d, uit te kunnen voeren, op de in die regels aangegeven wijze bekend worden gemaakt;

    • d. die apparatuur met een in die regels vast te stellen periodiciteit is onderzocht door de in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling, dan wel door een door Onze Minister of door deze keuringsinstelling aangewezen onderzoeksgerechtigde en dat de middelen die worden gebruikt om die apparatuur voor gebruik geschikt te maken, zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende instelling, en

    • e. bij de erkenning van een onderzoeksgerechtigde of instelling als bedoeld in onderdeel d, wordt voldaan aan de in die regels opgenomen voorschriften.

  • 6. Een type alcoholslot kan voor een typegoedkeuring worden aangeboden indien de aanvrager heeft aangetoond dat het alcoholslot een beschermingsniveau biedt dat naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem aangewezen technische dienst als bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in het derde lid bedoelde eisen wordt nagestreefd.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 132e1
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer een typegoedkeuring vervalt.

  • 2. Intrekking van de typegoedkeuring vindt plaats indien:

    • a. de producent van het desbetreffende type alcoholslot daarom verzoekt, of

    • b. de erkenning als bedoeld in artikel 132f, eerste lid, door de Dienst Wegverkeer wordt ingetrokken.

  • 3. Indien de steekproefsgewijze keuring als bedoeld in artikel 132e, eerste of vierde lid, daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een typegoedkeuring wordt ingetrokken, bepaalt de Dienst Wegverkeer de gevolgen voor reeds ingebouwde alcoholsloten van dat type. Indien wordt besloten dat reeds ingebouwde alcoholsloten moeten worden vervangen, dan bepaalt de Dienst Wegverkeer tevens de termijn waarbinnen die vervanging moet zijn gerealiseerd.

  • 4. Vanaf de datum waarop de eisen waaraan alcoholsloten moeten voldoen, zijn aangepast, mogen alcoholsloten van een overeenkomstig de oude eisen goedgekeurd type in het kader van het alcoholslotprogramma nog worden ingebouwd gedurende een bij ministeriële regeling vastgestelde periode.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd met ingang van welk tijdstip na de aanpassing van de in het vierde lid bedoelde eisen alle alcoholsloten moeten voldoen aan de aangepaste eisen.

FF

Na artikel 132e wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5. Erkenningsregelingen alcoholsloten

Artikel 132f
  • 1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is tot het in stand houden van een netwerk van werkplaatsen voor het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het vervangen en het verwijderen van het door hem gevoerde alcoholslot, alsmede het verrichten van de daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij de aanvraag van de in dit lid bedoelde erkenning kan in afwijking van de eisen gesteld in artikel 132g, tweede lid, onderdelen b en d, worden volstaan met:

    • a. een alcoholslot dat overeenkomstig artikel 132e is goedgekeurd door de aangewezen keuringsinstelling en waarvoor de typegoedkeuring is aangevraagd of tegelijk met de aanvraag voor een erkenning als bedoeld in dit lid wordt aangevraagd, en

    • b. een netwerk waarvan de vereiste landelijke dekking blijkt uit contracten afgesloten met natuurlijke personen of rechtspersonen die al een aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 132k, eerste lid, hebben ingediend, dan wel tegelijk met de aanvraag voor een erkenning als bedoeld in dit lid indienen.

  • 2. De erkenning kan worden verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Artikel 132g
  • 1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde eisen betreffen onder meer:

    • a. de aanwezigheid van een mandaat namens de producent te mogen optreden;

    • b. de aanwezigheid van een typegoedkeuring of een afschrift daarvan, afgegeven door de Dienst Wegverkeer van het door of namens de aanvrager geproduceerd alcoholslot;

    • c. de aanwezigheid van een productieproces dat op basis van artikel 132e, eerste of vijfde lid, door de Dienst Wegverkeer is goedgekeurd;

    • d. het beschikken over een netwerk van werkplaatsen met een erkenning als bedoeld in artikel 132k, waar het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Dit netwerk dient een landelijke spreiding te hebben;

    • e. de administratieve organisatie van de aanvrager;

    • f. de wijze waarop de aanvrager ervoor zorg draagt dat de personen die de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde werkzaamheden verrichten of gaan verrichten, adequaat zijn opgeleid en periodiek worden bijgeschoold over de laatste ontwikkelingen, en dat ten bewijze hiervan een bewijs wordt afgegeven;

    • g. andere instrumenten en hulpmiddelen die nodig zijn voor of gebruikt worden bij de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 132k, eerste lid.

    • h. de maatregelen die zullen worden getroffen voor het geval de erkenning geheel wordt ingetrokken op het terrein van de beschikbaarstelling van gegevens betreffende het alcoholslot vereist voor het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden of het verwijderen van alcoholsloten, alsmede voor de daarmee samenhangende werkzaamheden.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van de erkenning.

  • 4. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken op grond van artikel 132i, tweede lid, binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel zes maanden ingeval reeds twee of meermalen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.

Artikel 132h
  • 1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132f, voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2. Tot het in het eerste lid bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de organisatie van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde taken uitvoert.

  • 3. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt georganiseerd. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte toezicht dan plaatsvindt.

  • 5. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.

Artikel 132i
  • 1. De Dienst Wegverkeer trekt de erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, in indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.

  • 2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde eisen of voorwaarden.

  • 3. De Dienst Wegverkeer kan in een geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

  • 4. In geval van schorsing van de erkenning stelt degene van wie de erkenning wordt geschorst in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen onverwijld de vereiste informatie en instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten ter beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties.

  • 5. Degene van wie de erkenning wordt ingetrokken stelt onverwijld de vereiste informatie en instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten ter beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties.

  • 6. De Dienst Wegverkeer stelt onverwijld het CBR in kennis van een opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.

  • 7. De Dienst Wegverkeer kan in de door de dienst vastgestelde gevallen de keuringsinstelling, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, in kennis stellen van een opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.

  • 8. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

  • 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 132j

Het is eenieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel 132f is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.

Artikel 132k
  • 1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is tot het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het verwijderen van in artikel 132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij de aanvraag van de in dit lid bedoelde erkenning kan in afwijking van artikel 132l, tweede lid, onderdeel a, worden volstaan met een contract, dat is afgesloten met een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag als bedoeld in artikel 132g, eerste lid, heeft ingediend.

  • 2. Aan de erkenning kunnen bij ministeriële regeling aangewezen bevoegdheden worden verbonden. Een zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 132l tot en met 132o ten aanzien van erkenningen bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bedoelde bevoegdheden.

  • 3. De erkenning kan worden verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Artikel 132l
  • 1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde eisen betreffen onder meer:

    • a. het contract dat is afgesloten met de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132f, tweede lid;

    • b. de administratieve organisatie van de aanvrager;

    • c. het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden verricht;

    • d. de eisen waaraan de werkplaats of werkplaatsen van de aanvrager dient of dienen te voldoen, eisen ten aanzien van datacommunicatie hieronder begrepen;

    • e. de wijze waarop de aanvrager er voor zorg draagt dat de personen die door hem belast zijn met het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden, adequaat zijn opgeleid en worden geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen;

    • f. de beschikbaarheid van een persoon of personen, die in het bezit is of zijn van een tegen betaling van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld tarief door die dienst afgegeven bewijs dat zij de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde werkzaamheden mogen verrichten;

    • g. de aan- en afmelding bij de Dienst Wegverkeer van de personen die bevoegd zijn tot het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van alcoholsloten, en de daarmee samenhangende werkzaamheden.

  • 3. De bij ministeriële regeling gestelde eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op de op de voor de werkzaamheden benodigde apparatuur.

  • 4. Bij het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van het alcoholslot worden de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens vastgelegd in het in artikel 129a bedoelde register.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.

  • 6. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken op grond van artikel 132n, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel zes maanden ingeval reeds twee of meermalen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.

Artikel 132m
  • 1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2. Tot het in het eerste lid bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de organisatie van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder, alsmede de bij hem in dienst zijnde personen die overeenkomstig artikel 132l zijn belast met de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 132k, eerste lid, die taken uitvoeren.

  • 3. De eigenaar of houder van een motorrijtuig dat voorwerp is van het in het tweede lid bedoelde toezicht is verplicht het motorrijtuig beschikbaar te houden op de plaats waar de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze verplichting geldt tot ten hoogste 90 minuten nadat de erkenninghouder de daarvoor in aanmerking komende gegevens heeft geregistreerd in het in artikel 129a bedoelde register.

  • 4. Het derde lid en het zesde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing in geval het toezicht door de Dienst Wegverkeer plaatsvindt op grond van artikel 158.

  • 5. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt georganiseerd. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte toezicht dan plaatsvindt.

  • 7. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.

Artikel 132n
  • 1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning als bedoeld in artikel 132k, eerste lid in:

    • a. indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt;

    • b. indien de erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, wordt ingetrokken.

  • 2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend niet meer voldoet aan de aan de erkenning gestelde eisen of voorschriften.

  • 3. De Dienst Wegverkeer kan in een geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

  • 4. Bij de schorsing of de intrekking van de erkenning in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden de lopende verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens deze wet bepaalde, verricht door een door erkenninghouder als bedoeld in artikel 132f, eerste lid, te bepalen natuurlijke persoon of rechtspersoon of instantie die beschikt over de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde erkenning.

  • 5. Bij intrekking van de erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, worden de lopende verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het verwijderen van het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens deze wet bepaalde verricht door een daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties. Artikel 132i, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De Dienst Wegverkeer kan in de door de dienst vastgestelde gevallen de in artikel 132e bedoelde keuringsinstelling in kennis stellen van een opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.

  • 7. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 132o

Het is eenieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel 132k is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.

GG

Na artikel 132o wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

§ 6. Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

HH

Artikel 133 komt als volgt te luiden:

Artikel 133

  • 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

  • 2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

  • 3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden. Tijd en plaats van het onderzoek dan wel de delen daarvan worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door het CBR vastgesteld.

  • 4. De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 5. De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene.

  • 6. Het onderzoek vangt zo spoedig mogelijk aan.

  • 7. De bevindingen van het onderzoek worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.

  • 8. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de deskundige of de deskundigen van de in het zesde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.

II

Artikel 134 wordt als volgt gewijzigd:

1. De laatste volzin van het vierde lid komt als volgt te luiden:

Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het zevende lid komt als volgt te luiden:

  • 7. Indien het CBR van oordeel is dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene in bij ministeriële regeling vastgestelde gevallen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op deel te nemen aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer dan wel aan het alcoholslotprogramma. Indien het CBR besluit tot oplegging van de educatieve maatregel gedrag en verkeer zijn de artikelen 132 en 132a van overeenkomstige toepassing. In het geval van oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma zijn de artikelen 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.

3. Het achtste lid vervalt en het negende en tiende lid worden vernummerd tot achtste en negende lid.

JJ

Het opschrift Hoofdstuk VI, paragraaf 10 komt te luiden:

AFDELING 10. BROMFIETSCERTIFICAAT.

KK

In artikel 160 wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Op eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een motorrijtuig en degene die aanstalten maakt een motorrijtuig te gaan besturen die op grond van artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de feitelijke beschikking hebben gekregen over een rijbewijs waarop de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot is vermeld, verplicht het alcoholslot, dan wel de daarvan deel uitmakende ademalcoholtester te tonen of een blaastest op het in het motorrijtuig aanwezige alcoholslot uit te voeren.

LL

In artikel 161, eerste lid, wordt «131, derde lid, onderdeel b,» vervangen door «131, tweede lid, onderdeel b,», wordt na «132, vijfde lid,» ingevoegd «132b, tweede lid, en 134, vierde lid,» en wordt «180, derde lid,» vervangen door: 180, vierde lid,.

MM

Artikel 164 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «onderzoek als bedoeld in het derde lid» vervangen door: onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid.

2. Aan het zesde lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: Het rijbewijs wordt niet aan betrokkene teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.

NN

In artikel 176, derde lid, wordt «9, eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende lid,» vervangen door: 9, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en negende lid,.

OO

In artikel 177, tweede lid, wordt «artikelen 66, 70g, 89 en 104» vervangen door: de artikelen 66, 70g, 89, 104, 132j en 132o.

PP

Artikel 180, vijfde lid, komt als volgt te luiden:

  • 5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.

ARTIKEL II

Onze minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL III

Aan Onderdeel D. Ministerie van Verkeer en Waterstaat van de Bijlage bij de Algemene Wet bestuursrecht wordt na onderdeel 3 een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4. De artikelen 132c, vijfde lid, en 132d, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

ARTIKEL IV

De Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

m. scholing alcoholslotprogramma:

individueel of groepsgewijs onderricht gericht op de bevordering van de geschiktheid in het kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b van de Wegenverkeerswet 1994.

B

Aan artikel 2, eerste lid, onderdeel j, wordt na «docent scholing educatieve maatregel» toegevoegd: en van het aanvullend examen docent scholing alcoholslotprogramma.

C

In artikel 3, derde lid, onderdelen a en b, wordt na «aanvullend examen docent scholing educatieve maatregel» telkens ingevoegd: of het aanvullend examen docent scholing alcoholslotprogramma.

D

Artikel 12, eerste lid, eerste volzin, komt te luiden: Het instituut geeft voor certificaten die versleten of geheel of gedeeltelijk onleesbaar zijn, dan wel verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan, tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, vervangende certificaten af.

E

In het opschrift van Hoofdstuk IV wordt na «Scholing educatieve maatregel» ingevoegd: en scholing alcoholslotprogramma.

F

In artikel 16 wordt na «Degene die scholing educatieve maatregel geeft» ingevoegd: , alsmede degene die scholing geeft in het kader van het alcoholslotprogramma,.

G

Aan artikel 17 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt tegen betaling van het daarvoor door Onze Minister vastgestelde tarief afgegeven door het instituut.

  • 4. Een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt slechts afgegeven aan degene die:

    • a. een geldig diploma bezit van een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoofdopleiding,

    • b. een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven aantal jaren beroepservaring heeft die direct verband houdt met het onder a. bedoelde diploma, en

    • c. blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde aanvullende eisen van bekwaamheid voor het geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma.

H

In artikel 19 wordt na «het geven van scholing educatieve maatregel» ingevoegd: en ten aanzien van certificaten ten behoeve van het geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma.

I

In artikel 20 wordt na «Een certificaat voor het geven van scholing educatieve maatregel» ingevoegd: alsmede een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma.

ARTIKEL V

Mededelingen die zijn gebaseerd op een of meer overtredingen van het bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften strafbaar gestelde die zijn geconstateerd vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen zoals die golden voor de inwerkingtreding van artikel I.

ARTIKEL VI

In onderdeel H van de wet van 28 juni 2006, Stb. 322, wordt «Het opschrift § 10. Bromfietscertificaat» vervangen door: Afdeling 10. Bromfietscertificaat.

ARTIKEL VII

A

Indien artikel I, onderdeel A, tweede lid, van de wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met een herziening en vereenvoudiging van de voertuigregelgeving, ter implementatie van richtlijn nr. 2007/46/EG betreffende de goedkeuring van voertuigen en enkele andere technische wijzigingen (Stb. 38) eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel A, van deze wet, komt artikel I, onderdeel A, van deze wet als volgt te luiden:

A

Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel u door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

v. alcoholslot:

het geheel van ademalcoholtester, startonderbreker en registratie-eenheid, dat in een motorrijtuig wordt ingebouwd, waardoor het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart nadat in de ademalcoholtester is geblazen en indien het daarin gemeten en weergegeven ademalcoholgehalte ligt onder de voor de betrokkene ingevolge artikel 8, vierde lid, onderdeel b, geldende, wettelijke alcohollimiet;

w. alcoholslotprogramma:

het samenstel van de verplichting tot inbouw van een alcoholslot en de daarbij behorende registratie-eenheid in een door betrokkene gebruikt motorrijtuig, het periodiek laten uitlezen van de registratie-eenheid en het volgen van een begeleidingsprogramma;

x. alcoholslotregister:

het register als bedoeld in artikel 129a.

C

Indien artikel I, onderdeel As, tweede lid, van de wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met een herziening en vereenvoudiging van de voertuigregelgeving, ter implementatie van richtlijn nr. 2007/46/EG betreffende de goedkeuring van voertuigen en enkele andere technische wijzigingen (Stb. 38) eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel OO, van deze wet, komt artikel I, onderdeel OO, van deze wet als volgt te luiden:

OO

In artikel 177, tweede lid, wordt «de artikelen 66, 70g, 89, 104 en 106b» vervangen door: de artikelen 66, 70g, 89, 104, 106b, 132j en 132o.

ARTIKEL VIII

A

Indien artikel I, onderdeel I, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (Stb. 433) eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel PP, van deze wet, komt artikel I, onderdeel PP, van deze wet als volgt te luiden:

PP

Artikel 180, vijfde lid komt als volgt te luiden:

  • 5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.

B

Indien artikel I, onderdeel C, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (Stb. 433) later in werking treedt dan artikel I, onderdeel BB, van deze wet, wordt artikel I, onderdeel C van die wet als volgt gewijzigd:

In artikel 123b, eerste lid, onderdelen a en b, wordt «435 microgram» telkens vervangen door «570 microgram» en wordt «1,0 milligram» telkens vervangen door: 1,3 milligram.

C

Indien de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (Stb. 433) later in werking treedt dan artikel I, onderdeel Z, van deze wet, vervalt onderdeel Ca van die wet.

D

Indien artikel I, onderdeel I, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (Stb. 433) later in werking treedt dan artikel I, onderdeel PP, van deze wet, komt artikel I, onderdeel I, eerste lid, van die wet als volgt te luiden:

1. Het vijfde lid komt als volgt te luiden:

  • 5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.

E

Artikel I, onderdelen Cb en D, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (Stb. 433) vervalt.

ARTIKEL IX

  • 1. Artikel I, onderdelen A, derde tot en met vijfde lid, en Fa tot en met Fh, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

  • 2. De overige artikelen treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 4 juni 2010

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C. M. P. S. Eurlings

Uitgegeven de zesde juli 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 31 896