Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatsblad 2009, 200 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatsblad 2009, 200 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 februari 2009, nr. AV/SDA/2009/3882;
Gelet op artikel 54, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 18 maart 2009, nr. W12.09.0051/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2009, nr. AV/SDA/2009/6971;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1. Artikel 54, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de bedrijfsorganisatie geldt niet voor:
a. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Handelsregisterwet 2007, waaraan geen onderneming als bedoeld in artikel 5 van die wet toebehoort;
b. een vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007, waaraan geen onderneming als bedoeld in artikel 5 van die wet toebehoort;
c. een kerkgenootschap als bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; en
d. een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Tot en met 31 december 2009 geldt artikel 54, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de bedrijfsorganisatie eveneens niet voor ondernemingen:
a. waarin uitsluitend landbouw wordt uitgeoefend;
b. waarin uitsluitend bosbouw wordt uitgeoefend; of
c. in de sectoren groenten, fruit, en siergewassen waarin uitsluitend de groot- en tussenhandel wordt uitgeoefend.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot
’s-Gravenhage, 6 april 2009
Beatrix
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner
Uitgegeven de zevende mei 2009
De Staatssecretaris van Justitie,
N. Albayrak
De Sociaal-Economische Raad (SER) is in 1950 opgericht bij de Wet op de bedrijfsorganisatie (Wbo). De SER adviseert de regering en het parlement op hoofdlijnen van het te voeren sociaal en economisch beleid en behartigt niet alleen de bijzondere belangen van het bedrijfsleven (zowel ondernemers als werknemers), maar stimuleert ook het bedrijfsleven om altijd het algemeen belang in het oog te houden. Daarnaast houdt de SER toezicht op de bedrijfslichamen.
De SER bestaat uit drie geledingen: vertegenwoordigers van ondernemers, vertegenwoordigers van werknemers en onafhankelijke, door de Kroon benoemde, leden. Bij de oprichting van de SER is ook de financiering van de werkzaamheden aan de orde gekomen. De SER wordt gefinancierd door de ondernemers. De werknemers betalen niet mee omdat het praktisch niet uitvoerbaar is (Zie Handelingen II, 1949–1950, blz. 97).
In de inkomsten van de SER wordt enerzijds voorzien door een nominale opslag op de bijdragen die ondernemers verschuldigd zijn voor hun inschrijving in het Handelsregister. De kamers van koophandel en fabrieken innen deze opslagen voor de SER tegelijk met de haar krachtens artikel 49 van de Handelsregisterwet 2007 (voorheen op grond van artikel 32 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997) verschuldigde bedragen. Anderzijds wordt in de inkomsten van de SER voorzien door een bijdrage te heffen van de primaire agrarische sector via de daarbij betrokken bedrijfslichamen, te weten: het Hoofdproductschap Akkerbouw, het Productschap Tuinbouw, de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (het Productschap Vee en Vlees tezamen met het Productschap Pluimvee en Eieren), het Productschap Zuivel en het Bosschap.
Artikel 54, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur bepaalde categorieën ondernemingen of rechtspersonen aan te wijzen waarvoor de verplichting tot het betalen van een SER-heffing niet geldt. Het onderhavige besluit geeft invulling aan deze bepaling.
De opslagen en bijdragen die de SER op grond van artikel 55 van de Wbo heft van ondernemingen en bedrijfslichamen worden jaarlijks bij verordening vastgesteld.1 Over 2008 zijn deze opslagen en bijdragen al vastgesteld voordat de nieuwe Handelsregisterwet in werking is getreden. Met ingang van 1 juli 2008 is de verwijzing naar artikel 32 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 vervangen door een verwijzing naar artikel 49 van de Handelsregisterwet 2007. Dit maakt het echter niet noodzakelijk de SER-Verordening opslagen en bijdragen 2008 op dit punt nog aan te passen.
De Handelsregisterwet 2007 is in werking getreden per 1 juli 2008. Er komt een digitaal basisregister van ondernemingen en rechtspersonen. Dit basisregister vormt onder meer de basis voor de heffingen die door de kamers van koophandel en fabrieken worden opgelegd. Het doel van deze vernieuwde wet is om de gegevenshuishouding binnen de overheid te verbeteren. Het register is ten opzichte van de Handelsregisterwet 1996 uitgebreid met extra categorieën, zoals kerkgenootschappen en verenigingen van eigenaren.
De Handelsregisterwet 2007 bevat een overgangsregime van 18 maanden vanaf de inwerkingtreding van de wet. De periode tot 1 januari 2010 wordt gebruikt om het register aan te vullen. Bestaande ondernemingen en rechtspersonen die voorheen niet tot inschrijving verplicht waren, krijgen in die periode de tijd om aan de nieuwe verplichting te voldoen.
Artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit sluit alle rechtspersonen die geen onderneming drijven uit van de wettelijke verplichting tot het betalen van een opslag ten behoeve van de SER, bovenop de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister. Onderdeel b sluit verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid, die zich vrijwillig in het Handelsregister inschrijven, uit indien zij geen onderneming in stand houden. In de onderdelen c en d worden kerkgenootschappen en publiekrechtelijke rechtspersonen uitgesloten van de verplichting tot het betalen van een opslag omdat zij niet behoren tot het bedrijfsleven.
De in het eerste lid geformuleerde uitzonderingen eindigen niet per 1 januari 2010, maar blijven voor onbepaalde tijd van toepassing.
De in artikel 1, tweede lid, van dit besluit bedoelde ondernemingen dragen momenteel zeer indirect via de bedrijfslichamen waaronder zij ressorteren bij aan de inkomsten van de SER.2 Voor een nauwkeuriger afbakening van de categorieën ondernemingen die onder artikel 1, tweede lid, worden begrepen, wordt verwezen naar de toelichting in Verordening opslagen en bijdragen 2008. Daarin is het volgende aangegeven.
Onder «landbouw» wordt in dit verband verstaan:
a. akker- en weidebouw;
b. veehouderij en pluimveehouderij;
c. tuinbouw, te weten groenteteelt, fruitteelt, bloembollenteelt, boomkwekerij, bloemkwekerij, tuinbouwzaadteelt en kruidenteelt;
d. bijenteelt;
e. cultuur van grond, riet en biezen;
f. veenderij;
g. landbouwambachten.
Voor de omschrijving van het begrip «onderneming waarin bosbouw wordt uitgeoefend» wordt verwezen naar het Instellingsbesluit Bosschap (Stb. 2003, 251), zoals dat luidde bij de vaststelling daarvan.
Voor wat onder groenten, fruit en siergewassen (bloemen en planten) wordt verstaan, wordt verwezen naar het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw (Stb. 2003, 567), zoals dat luidde bij de vaststelling daarvan.
Gedurende de overgangsperiode van 18 maanden blijven deze ondernemingen vrijgesteld van de nominale SER-opslag en blijft de huidige inningswijze (via de bedrijfslichamen) gehandhaafd. Hiermee wordt voorkomen dat door of ten behoeve van de bedoelde landbouw- en bosbouwondernemingen een dubbele bijdrage ten behoeve van de SER zou moeten worden betaald: via een opslag op de heffing voor de kamer van koophandel en fabrieken en daarnaast ook nog als onderdeel van de heffing die ze aan het bedrijfslichaam betalen ten behoeve van de bijdrage van het bedrijfslichaam aan de SER. Dit geldt evenzeer voor ondernemers in de groot- en tussenhandel in groenten en fruit en bloemen en planten (siergewassen), als gevolg van de door het Productschap Tuinbouw gehanteerde heffingssystematiek (een algemene heffing in plaats van een standaard bedrijfseenhedenheffing bij de primaire landbouwsector). Om de genoemde dubbele bijdrage te voorkomen werkt dit besluit terug tot en met 1 juli 2008, de datum van inwerkingtreding van de Handelsregisterwet 2007.
Uiterlijk op 1 januari 2010 moeten ook alle ondernemingen die nu nog via het bedrijfslichaam waaronder zij ressorteren bijdragen aan de inkomsten van de SER zijn ingeschreven in het handelsregister. Alle ondernemingen die dienen bij te dragen aan de inkomsten van de SER zijn dan via het handelsregister benaderbaar. Met ingang van 2010 is er dus geen behoefte meer aan een (indirecte) inning van bijdragen via de bedrijfslichamen. De heffing van bijdragen van bedrijfslichamen zal dan ook per 1 januari 2010 vervallen. De SER-inkomsten zullen vervolgens uitsluitend nog via opslagen op de krachtens artikel 49 van de Handelsregisterwet 2007 verschuldigde bedragen geheven worden. Hiertoe zullen te zijner tijd de artikelen 54 en 55 van de Wet op de bedrijfsorganisatie worden aangepast.
In het onderhavige artikel is voorzien in terugwerkende kracht waarbij gekoppeld wordt aan de datum van inwerkingtreding van de Handelsregisterwet 2007.
Met betrekking tot artikel 1, eerste lid, kan worden opgemerkt dat terugwerkende kracht in het belang is van de desbetreffende rechtspersonen en verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid.
Voor de verplichting tot inschrijving in het Handelsregister geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2010 voor ondernemingen en rechtspersonen die voorheen niet tot inschrijving verplicht waren. Wanneer men zich echter eerder in laat schrijven, zou wel die opslag verschuldigd worden hetgeen niet de bedoeling is. Daarom is gekozen voor een terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2008.
Ten aanzien van de terugwerkende kracht met betrekking tot artikel 1, tweede lid, kan eveneens worden opgemerkt dat deze in het belang is van de desbetreffende ondernemingen omdat daarmee, zoals hierboven is aangegeven, een dubbele bijdrage wordt voorkomen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner
Laatstelijk bij Verordening opslagen en bijdragen 2008 (Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie 2008, nr. 29).
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2009-200.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.