Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2008, 597AMvB

Besluit van 29 december 2008 tot wijziging van het Besluit SUWI en enkele andere besluiten in verband met de evaluatie van de Wet SUWI en deregulering

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 10 oktober 2008, nr.UB/S/08/28824;

Gelet op de artikelen 5, zesde lid, 30a, negende lid, 30b, eerste lid, onderdeel d, 30d, tweede lid, 33, negende lid, 33a, tweede lid, 35, zevende lid, 54, negende lid, 62, vierde lid, 63, 73, vierde, vijfde, zevende en tiende lid, en 73a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 14, vijfde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet, artikel 45 van de Comptabiliteitswet 2001, artikel 89 van de Grondwet, artikel 2.7a van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 14, zesde lid, van de Toeslagenwet, de artikelen 12 en 21, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, artikelen 27, tiende lid, en 130r van de Werkloosheidswet, artikel 3: 27, eerste lid, onderdeel e, van de Wet arbeid en zorg, artikel 1, tweede lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, artikel 29, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen, artikel 20, achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20, achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 39, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten, artikel 47, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 54, tweede lid, van de Wet op de rechtspositie rechterlijke ambtenaren, artikel 11, zevende lid, van de Wet sociale werkvoorziening, artikel 90, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 45, zesde lid, van de Ziektewet;

De Raad van State gehoord (advies van 14 november 2008, No. W12.08.0436/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 23 december 2008, nr. UB/S/08/34316;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I Wijziging van het Besluit SUWI

Het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h vervalt, onder verlettering van de onderdelen i tot en met k tot h tot en met j.

2. Onderdeel l vervalt, onder verlettering van de onderdelen m tot en met x tot k tot en met v.

3. In onderdeel u (nieuw) vervalt: de CWI,.

B

Hoofdstuk 2 komt te luiden:

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen over uitvoering en samenwerking

Artikel 2.1 Voorwaarden voor verrichten van andere werkzaamheden door UWV en SVB
  • 1. Onze Minister kan een besluit van het UWV of de SVB om andere werkzaamheden dan de in de Wet SUWI bedoelde taken uit te voeren uitsluitend goedkeuren, indien:

    • a. de goede uitvoering van de in die wet bedoelde taken daardoor niet in gevaar komt;

    • b. de andere werkzaamheden in opdracht en voor rekening en risico van de opdrachtgever worden uitgevoerd;

    • c. de taakuitoefening van de Inspectie Werk en Inkomen met betrekking tot het toezicht op de uitvoering van de wetten door het UWV en de SVB, bedoeld in artikel 37, onderdeel a, van de Wet SUWI voldoende gewaarborgd is;

    • d. de Wet op het financieel toezicht in acht wordt genomen voor zover deze van toepassing is;

    • e. de uitvoering van die andere werkzaamheden gescheiden van de uitvoering van de wettelijke taken plaatsvindt, voor zover de andere werkzaamheid niet noodzaakt tot een gezamenlijke uitvoering.

  • 2. Het UWV, onderscheidenlijk de SVB, meldt de werkzaamheden, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet SUWI, binnen een termijn van vier weken na aanvang van die werkzaamheden.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de berekening van de prijzen die voor het verrichten van andere werkzaamheden in rekening worden gebracht.

Artikel 2.2 Prestatie-indicatoren

De resultaten van werkzaamheden in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 9 van de Wet SUWI, worden beoordeeld aan de hand van:

  • a. voorkoming van uitkeringsinstroom, bij het UWV;

  • b. juiste en tijdige uitkeringsverstrekking, bij het UWV en de SVB;

  • c. bevordering uitstroom in relatie tot bemiddeling en re-integratie, bij het UWV;

  • d. klantgerichtheid, bij het UWV en de SVB;

  • e. efficiency, bij het UWV en de SVB;

  • f. ketenprestaties, bij het UWV en colleges van burgemeester en wethouders.

C

Hoofdstuk 3 komt te luiden:

Hoofdstuk 3 Regels over registratie van vreemdelingen als werkzoekende

Artikel 3.1 Registratie van vreemdelingen als werkzoekende
  • 1. Het UWV registreert op diens verzoek als werkzoekende:

    • a. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onderdeel b of l, van de Vreemdelingenwet 2000;

    • b. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000, die onvrijwillig werkloos is terwijl het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen nog van toepassing is, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsluit;

    • c. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet 2000, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsloot, indien de vreemdeling onvrijwillig werkloos is, en mits hij:

      • 1°. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

      • 2°. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2. De registratie eindigt voor een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zodra:

    • a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

    • b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

D

Het opschrift van hoofdstuk 4 komt te luiden:

Hoofdstuk 4. RE-INTEGRATIE.

E

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «reïntegratiebedrijven» vervangen door: re-integratiebedrijven.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij de toepassing van artikel 30a, achtste lid, van de Wet SUWI laat het UWV de werkzaamheden verrichten op grond van een schriftelijke overeenkomst waarin in elk geval is geregeld, dat het re-integratiebedrijf verplicht is:

    • a. alle gegevens en inlichtingen omtrent deze werkzaamheden op verzoek aan het UWV te verstrekken, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de in de aanhef genoemde wetten;

    • b. de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die personen en het UWV wordt overgelegd;

    • c. in geval van een geschil tussen de te re-integreren persoon en het re-integratiebedrijf een klachten- en geschillenregeling toe te passen die door het re-integratiebedrijf aan de te re-integreren persoon en de partij met wie de in de aanhef bedoelde overeenkomst is gesloten, is overgelegd;

    • d. toegang tot en inzage in alle gegevens te verlenen die een accountant naar zijn oordeel nodig heeft voor het instellen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de Wet SUWI;

    • e. op verzoek aan het UWV een schriftelijk oordeel van een accountant of een gelijkwaardige deskundige over de verwerking van informatie en de genomen maatregelen ter beveiliging van informatie door het re-integratiebedrijf over te leggen;

    • f. de gegevens die het re-integratiebedrijf in verband met deze werkzaamheden verkrijgt uitsluitend te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van die werkzaamheden dan wel voor de naleving van verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e;

    • g. indien dit re-integratiebedrijf deze werkzaamheden laat verrichten door een ander re-integratiebedrijf in een schriftelijke overeenkomst met dat andere re-integratiebedrijf te regelen dat voor dat bedrijf, die persoon of dienst de verplichtingen jegens het UWV, bedoeld in de onderdelen a tot en met f, gelden.

3. In het derde lid wordt «reïntegratiebedrijf, een deskundig persoon of een arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

F

Het opschrift van paragraaf 4.2 komt te luiden:

§ 4.2 Individuele re-integratieovereenkomst.

G

Artikel 4.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel, het eerste lid, het tweede lid en het derde lid wordt «reïntegratieovereenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

2. In het eerste lid wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 30a, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet SUWI.

3. In het eerste lid en tweede lid wordt «reïntegratiebedrijf, een deskundig persoon of een arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

H

Artikel 4.2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel, het eerste lid, het tweede lid en het derde lid wordt «reïntegratieovereenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

2. In het eerste lid en het tweede lid wordt «reïntegratiebedrijf, een deskundig persoon of een arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

I

Artikel 4.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel, het tweede lid en het vierde lid wordt «reïntegratieovereenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

2. In het eerste lid en het derde lid wordt «reïntegratiebedrijf, een deskundig persoon of een arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

J

In het opschrift van artikel 4.4 en in artikel 4.4 wordt «reïntegratieovereenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

K

In het opschrift van paragraaf 4.3 wordt «reïntegratiebudgetten» vervangen door: re-integratiebudgetten.

L

In het opschrift van paragraaf 4.3.1 wordt «reïntegratiebudget» vervangen door: re-integratiebudget.

M

Artikel 4.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «artikel 31, eerste lid, van de Wet REA» toegevoegd: , zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van de Wet IWIA, dan wel een werknemer of persoon als bedoeld in artikel 2.7a, eerste lid, van de Wet IWIA.

2. In onderdelen b en c wordt «artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IWIA.

3. In onderdelen d en e wordt «artikel 33a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IWIA.

4. Aan het slot van onderdeel e wordt de punt vervangen door een puntkomma.

5. Na onderdeel e wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. Wet IWIA: Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

N

Artikel 4.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 33a van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a van de Wet IWIA.

2. In het eerste en derde lid wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

O

In artikel 4.9 wordt «artikel 33a van de Wet REA» vervangen door «artikel 2.7a van de Wet IWIA» en wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

P

Artikel 4.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «reïntegratiebudget» vervangen door: re-integratiebudget.

2. In de aanhef van het artikel wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

3. In onderdeel a wordt «artikel 33a, tweede lid, van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a, tweede lid, van de Wet IWIA.

4. onderdeel b, onder 2°, «artikel 33a, eerste lid, van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a, eerste lid, van de Wet IWIA.

5. onderdeel b, onder 3°, wordt «artikel 33a van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a van de Wet IWIA.

Q

Artikel 4.11, eerste lid, wordt «reïntegratiebedrijf, de deskundige persoon of arbodienst» vervangen door «re-integratiebedrijf» en wordt «reïntegratieovereenkomst» telkens vervangen door: re-integratieovereenkomst.

R

In het opschrift van paragraaf 4.3.2 wordt «reïntegratiebudget» vervangen door: re-integratiebudget.

S

Artikel 4.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het artikel wordt «reïntegratiebedrijf» telkens vervangen door: re-integratiebedrijf.

2. In het tweede lid, onderdeel c, onder 3°, wordt «reïntegreren» vervangen door: re-integreren.

T

In artikel 4.14, tweede lid, wordt «reïntegratiebedrijf» vervangen door: re-integratiebedrijf.

U

In artikel 4.15, derde lid, wordt «artikel 33a van de Wet REA» vervangen door: artikel 2.7a van de Wet IWIA.

V

In het opschrift van paragraaf 4.3.3 wordt «reïntegratiebudget» vervangen door: re-integratiebudget.

W

Artikel 4.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door «re-integratieovereenkomst» en wordt «reïntegratiebedrijf dat, een deskundige persoon die of een arbodienst die» vervangen door: re-integratiebedrijf dat.

2. In het tweede lid wordt «reïntegratiebedrijf, deskundige persoon of arbodienst» telkens vervangen door: re-integratiebedrijf.

X

In artikel 4.18 en het opschrift daarvan wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

Y

Artikel 4.19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel, het eerste, tweede en derde lid wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

2. In het eerste lid wordt «reïntegratiebedrijf, de deskundige persoon of de arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

Z

Artikel 4.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel en het eerste lid wordt «reïntegratie-overeenkomst» vervangen door: re-integratieovereenkomst.

2. In het eerste lid, onderdelen a en b, wordt «reïntegratiebedrijf, de deskundige persoon of de arbodienst» vervangen door: re-integratiebedrijf.

3. In het eerste lid, onderdelen e en f, wordt «reïntegratiebedrijf» vervangen door: re-integratiebedrijf.

AA

In artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, wordt «sociaal-fiscaalnummer» vervangen door: burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer.

BB

Artikel 5.2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «28, derde lid,».

2. In het tweede lid wordt «De CWI» vervangen door «Het UWV» en wordt «een aanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet SUWI» vervangen door: een aanvraag als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, van de Wet SUWI dan wel een aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI.

CC

Artikel 5.2b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «bij CWI» vervangen door: in locaties werk en inkomen.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien een betrokkene op wie de gegevens betrekking hebben bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 30c, eerste lid, van de Wet SUWI dan wel een aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI, op grond van de informatie, bedoeld in artikel 5.2a, tweede lid, vaststelt, dat de gegevens niet juist of niet volledig zijn, kan hij het UWV dan wel het desbetreffende college van burgemeester en wethouders verzoeken bij de uitvoering van taken en werkzaamheden in de locaties werk en inkomen als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI zorg te dragen voor verbetering, aanvulling of verwijdering van deze gegevens.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders voor de verwerking van die gegevens geen verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn, wordt het verzoek onverwijld gezonden naar de verantwoordelijk in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens om dit aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens of een daarmee op grond van de toepasselijke wetgeving gelijk te stellen verzoek.

DD

In artikel 5.4 wordt «De CWI, het» vervangen door: Het.

EE

In artikel 5.5 vervalt telkens «de CWI,».

FF

In artikel 5.5a vervalt: of, indien een college aan de CWI mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan de CWI,.

GG

In artikel 5.6 wordt «De CWI, het» vervangen door: Het.

HH

Artikel 5.9 komt te luiden:

Artikel 5.9. Gegevensverstrekking door UWV

  • 1. Het UWV is bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken:

    • a. aan het vervangingsfonds, bedoeld in artikel 1 van het Besluit vervangingsfonds, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra;

    • b. aan het participatiefonds, bedoeld in artikel 1 van het Besluit participatiefonds, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra;

    • c. aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de gegevens die noodzakelijk zijn voor de bekostiging van onderwijsinstellingen;

    • d. aan de Sociaal Economische Raad de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bij of krachtens enige wet aan die Raad opgedragen taken;

    • e. aan een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten de gegevens die noodzakelijk zijn in verband met taken die voortvloeien uit de Wet sociale werkvoorziening en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    • f. aan colleges van burgemeester en wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de registratie van gegevens, bedoeld in artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra in verband met de doorverwijzing van vroegtijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt;

    • g. aan colleges van burgemeester en wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in artikel 255 van de Gemeentewet;

    • h. aan Onze Minister van Economische Zaken, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de S&O-afdrachtvermindering, bedoeld in hoofdstuk VIII van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

  • 2. Het UWV is bij de verwerking van gegevens voor de uitvoering van de taak, die krachtens de Wet arbeid vreemdelingen aan het UWV is opgedragen, bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek aan colleges van burgemeester en wethouders gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn in verband met de taken die voortvloeien uit de Huisvestingswet en de Woningwet.

  • 3. Het UWV is verplicht op verzoek uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties kosteloos te verstrekken aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen een schuldenaar executoriaal beslag onder derden te leggen de gegevens die ten behoeve van het leggen van dit beslag noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de identiteit van degene die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht.

II

Artikel 5.10 vervalt.

JJ

In artikel 5.11 wordt «reïntegratie» vervangen door: re-integratie.

KK

Artikel 5.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «artikel 13, vierde lid,» vervangen door: artikel 73a, tweede lid,.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «sociaal-fiscaalnummer» vervangen door: burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer.

LL

Artikel 5.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel vervalt «, de CWI».

2. In het eerste lid en tweede lid wordt «de CWI» vervangen door: het UWV.

MM

In het opschrift van paragraaf 5.5 wordt «reïntegratie» vervangen door: re-integratie.

NN

Artikel 5.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «reïntegratietaak» vervangen door: re-integratietaak.

2. Het vierde lid vervalt.

OO

Artikel 5.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel en het tweede lid wordt «reïntegratiebedrijven» vervangen door: re-integratiebedrijven.

2. In het eerste lid wordt «de CWI» vervangen door: het UWV.

3. In het tweede lid vervalt «en de CWI».

PP

In artikel 5.21, eerste en tweede lid, wordt «De CWI» vervangen door: Het UWV.

QQ

Aan artikel 5.24, eerste lid, wordt na «van toepassing is» toegevoegd; , en voor het verwerken van de gegevens noodzakelijk voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bedoeld in artikel 255 van de Gemeentewet, die door het UWV, de Dienst wegverkeer of de rijksbelastingdienst op grond van enig wettelijk voorschrift worden verstrekt aan colleges van burgemeester en wethouders.

RR

Bijlage II als bedoeld in artikel 5.2a eerste lid, van het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:

1. «CWI Gegevens betreffende inschrijving.» vervalt.

2. Na «UWV» wordt toegevoegd: Gegevens betreffende inschrijving.

Artikel II Wijziging van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken

Het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en derde lid wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. In het vierde lid wordt «De Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

B

In artikel 3, eerste lid en vierde lid, wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid en het tweede lid wordt «De Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. In het vierde lid wordt «artikel 21a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen» vervangen door: artikel 30d, eerste lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door «het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» en vervalt de tweede zin.

2. In het tweede lid wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door «het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» en vervalt «, en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de aanvrager van genoemd instituut een uitkering ontvangt».

3. In het derde lid vervalt de tweede zin.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en vierde lid wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. In het zesde lid wordt «De Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

F

In artikel 7 wordt «Bij haar advies» vervangen door «Bij zijn advies» en wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

G

In de Bijlage Beslisschema behorende bij artikel 3 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken wordt «CWI» telkens vervangen door: UWV.

Artikel III Wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

In artikel 1a, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel IV Wijziging van het Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet

In artikel 14, onderdeel d en onderdeel e, en artikel 17, eerste lid en tweede lid, van het Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel V Wijziging van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz

In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel VI Wijziging van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten

Het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel n, vervalt, onder verlettering van de onderdelen o en p tot n en o.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde en zesde lid wordt «bij overtreding van de verplichting bedoeld» telkens vervangen door: bij overtreding van de verplichting, bedoeld.

2. Onder vernummering van het zevende lid tot achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 7. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt bij overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel 88, eerste lid, onderdeel d, van de Wet WIA, onder «blijvend» verstaan: voor de duur van het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, van die wet.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «35, vierde lid, van de WAZ en 28, vierde lid, van de WAJONG» vervangen door: 35, vierde lid, van de WAZ, 28, vierde lid, van de WAJONG en artikel 3:22, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg.

2. In onderdeel b wordt na «38a, eerste lid,» ingevoegd: en 38ab, eerste lid,.

3. In onderdeel d wordt «35 van de Anw, 15 van de AKW en 29, eerste lid, van de Wet SUWI» vervangen door: 35 van de Anw en 15 van de AKW.

4. Onderdeel f vervalt, onder verlettering van de onderdelen g en h tot f en g.

D

In artikel 4, onderdeel e, vervalt «bij de CWI».

E

In artikel 5, onderdeel a, wordt na «bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen e en f van de WW,» ingevoegd: 45, eerste lid, onderdeel l, van de ZW,.

F

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onverminderd artikel 5 worden de verplichtingen op grond van de ZW ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op:

    • a. het meewerken aan door zijn werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, die erop gericht zijn de verzekerde in staat te stellen passende arbeid te verrichten, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel m, van die wet;

    • b. het verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen in de periode voorafgaand aan de aangifte door de werkgever van de ongeschiktheid tot werken van de verzekerde, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel m, van die wet; of

    • c. het trachten te verkrijgen van passende arbeid door de zieke werknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van die wet.

2. In het derde lid, onderdeel b, vervalt «zonder deugdelijke grond».

G

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel b vervalt «of».

2. Aan het slot van onderdeel c wordt de punt vervangen door een puntkomma en wordt achter de puntkomma «of» toegevoegd.

3. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het, tijdens het tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, zonder deugdelijke grond nalaten verweer te voeren tegen of instemmen met een beëindiging van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 88, eerste lid, onderdeel d, van de Wet WIA.

Artikel VII Wijziging van het Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden

In artikel 3, eerste lid tot en met vierde lid, van het Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 30a, eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet SUWI.

Artikel VIII Wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 36b, eerste lid, en artikel 40a, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI» telkens vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI

B

In artikel 40b, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI.

Artikel IX Wijziging van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 71b, eerste lid, en artikel 75a, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI» telkens vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI.

B

In artikel 75b, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI.

Artikel X Wijziging van het Besluit BIBOB

In de Bijlage als bedoeld in artikel 2 van het Besluit BIBOB bij het Besluit BIBOB vervalt «Centrale Organisatie Werk en Inkomen».

Artikel XI Wijziging van het Besluit Rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Het Besluit Rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 14a, eerste lid, en artikel 23, vierde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Suwi» vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi.

B

In artikel 24a, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet Suwi» vervangen door: artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet Suwi.

Artikel XII Wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000

In artikel 8.12, tweede lid, onderdeel b en onderdeel c, en artikel 8.17, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel XIII Wijziging van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie

In de Bijlage A, onderdeel 1, bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie vervalt «– Centrale organisatie werk en inkomen, bedoeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 624».

Artikel XIV Wijziging van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 50b, eerste lid, en artikel 54f, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI.

B

Artikel 54g, vijfde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet SUWI» vervangen door: artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI.

Artikel XV Wijziging van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel

Artikel 12 van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door «het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» en wordt «artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen» vervangen door: artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2. In het eerste lid, onderdeel e, wordt «de Centrale organisatie werk en inkomen» vervangen door: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel XVI Wijziging van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs

Het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 11, derde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen» vervangen door: artikel 32, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

B

In artikel 19, eerste lid en zesde lid, wordt «artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen» vervangen door: artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel XVII Inwerkingtreding

  • 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstuknummer 31514) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking, behoudens artikel VI, onderdeel C, onder 1°, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Artikel 5.9, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit SUWI, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel HH, werkt terug tot en met 1 juli 2008.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 29 december 2008

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Klijnsma

Uitgegeven de dertigste december 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige wijziging van het Besluit SUWI en een aantal andere besluiten vloeit voort uit de wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering per 1 januari 2009 (Kamerstukken 2007/2008, 31514, nr. 2). De in genoemd wetsvoorstel geregelde samenvoeging van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), noopt tot herziening van de in lagere regelgeving opgenomen bepalingen die de CWI aangaan. Deze wijzigingen hebben veelal een louter technisch karakter, waarbij «CWI» wordt gewijzigd in: UWV. UWV is immers de naam van de gefuseerde organisatie, waarin nu tevens de CWI-taken zijn ondergebracht.

Een aantal andere wijzigingen heeft meer inhoudelijke betekenis.

Met het onderhavige besluit wordt ook invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 9, vierde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur indicatoren worden vastgesteld voor de taakuitoefening van de SUWI-partijen. De resultaatgebieden waarvoor het UWV, de SVB en gemeenten in het kader van de Wet SUWI verantwoordelijk zijn worden nu in het Besluit SUWI vastgelegd.

Op grond van artikel 5, vierde lid, Wet SUWI mogen de SUWI-partners werkzaamheden voor elkaar verrichten. In plaats van de gebruikelijke eis van voorafgaande goedkeuring kunnen het UWV en de SVB volstaan met melding aan de minister. Dit besluit voorziet in een nadere regeling ten aanzien van de termijn, waarbinnen melding dient te geschieden.

Gelet op de samenvoeging van de CWI en het UWV zijn de oude artikelen 5.9 en 5.10 van het Besluit SUWI samengevoegd tot een nieuw artikel 5.9 en zijn in het eerste lid, onderdeel g en h, en in het derde lid van artikel 5.9 nadere regels gesteld voor het verstrekken van gegevens door het UWV uit de polisadministratie aan de colleges van burgemeester en wethouders, de Minister van Economische Zaken en deurwaarders. Met de hier bedoelde gegevensverstrekking wordt een administratieve lastenverlichting voor burgers en werkgevers beoogd.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele correcties op te nemen in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Aan dat besluit worden nog enkele wettelijke verplichtingen toegevoegd, die daarin eerder nog niet waren verwerkt.

Ingewonnen adviezen en toetsen

Het onderhavige besluit is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan het UWV, de CWI, de SVB, het BKWI, voor een zogeheten «ketentoets» aan het Algemeen Keten Overleg (AKO) en voor een toezichtbaarheidstoets aan de Inspectie voor Werk en Inkomen. De gemeenten zijn een reactie gevraagd via de VNG en via Divosa. Naar aanleiding van de ingewonnen adviezen is de tekst van het onderhavige besluit technisch en redactioneel gewijzigd.

Over de wijziging in artikel I, onderdeel HH, is eerder al advies gevraagd aan het UWV en het College bescherming persoonsgegevens. De betreffende adviezen zijn in dit besluit verwerkt. Bij de artikelen wordt op deze adviezen ingegaan.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit SUWI)

Onderdeel A (artikel 1.1)

Gelet op de samenvoeging van de CWI en het UWV, waarbij de nieuwe organisatie de naam UWV voert, kan de begripsbepaling van «CWI» vervallen. Om dezelfde reden kan de CWI vervallen in de begripsbepaling van «gebruikers». De begripsbepaling van «reïntegratiebedrijf» kan vervallen, omdat die begripsbepaling al is opgenomen in artikel 1, onderdeel o, van de Wet SUWI.

Onderdeel B (hoofdstuk 2)

In een nieuw hoofdstuk 2, dat algemene bepalingen over uitvoering en samenwerking bevat, zijn twee artikelen opgenomen.

Artikel 2.1

Het UWV en de SVB zijn belast met in de wet omschreven taken, maar kunnen daarnaast – na goedkeuring door de minister – andere werkzaamheden verrichten. De in artikel 5 van de Wet SUWI bedoelde goedkeuring zal slechts door de minister worden verleend, indien naar redelijke verwachting wordt voldaan aan de in artikel 2.1 gestelde voorwaarden. Deze voorwaarden, die in het oude artikel 3.1 van het Besluit SUWI waren opgenomen, zijn ongewijzigd gebleven. De voorwaarden houden, samengevat, in dat de uitvoering van de wettelijke taken niet in gevaar mag komen, dat de andere werkzaamheden in opdracht en voor rekening en risico van de opdrachtgever worden uitgevoerd, dat de taakuitoefening van de Inspectie Werk en Inkomen voldoende is veiliggesteld, dat de Wet op het financieel toezicht wordt nageleefd, en dat de andere werkzaamheden en de wettelijke taken in beginsel gescheiden worden uitgevoerd.

Het UWV en de SVB zullen bij een verzoek om goedkeuring informatie dienen te verstrekken waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 2.1 wordt voldaan of zal worden voldaan. De minister zal vervolgens in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht in beginsel binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag een besluit nemen.

Nieuw is dat artikel 5 van de Wet SUWI het UWV en de SVB de ruimte biedt om zonder het vereiste van goedkeuring door de minister andere werkzaamheden uit te voeren, voor zover het werkzaamheden in het kader van de SUWI-samenwerking ten behoeve van de SUWI-partner (het UWV, de SVB of gemeenten) betreft. Indien deze situatie zich voordoet melden het UWV of de SVB dit aan de minister. In artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit SUWI wordt nu bepaald dat van het verrichten van deze andere werkzaamheden binnen een termijn van vier weken na aanvang van die werkzaamheden aan de minister melding moet worden gedaan.

Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat indien het werkzaamheden op meerdere locaties betreft (bijvoorbeeld ten behoeve van meerdere gemeenten) volstaan kan worden met een «algemene» melding van het type werkzaamheden dat voor de ketenpartner(s) wordt uitgevoerd, voorzien van een beschrijving van de (voorziene) omvang ervan. In voorkomende gevallen kan de minister om nader gespecificeerde informatie vragen.

Artikel 2.2

Op grond van artikel 9, vierde lid van de Wet SUWI worden bij algemene maatregel van bestuur indicatoren vastgesteld voor de taakuitoefening van de SUWI-partijen. Zoals gezegd in het algemeen deel van deze toelichting worden de resultaatgebieden waarvoor het UWV, de SVB en gemeenten in het kader van de Wet SUWI verantwoordelijk zijn nu in het Besluit SUWI vastgelegd. De hieraan te koppelen sturings- en verantwoordingsinformatie in het kader van SUWI wordt voor het UWV en de SVB nader uitgewerkt in de Regeling SUWI. Voor gemeenten is de informatie-uitvraag elders geregeld, namelijk in de bijlage bij de jaarrekening, het Voorlopig Verslag over de uitvoering en de Regeling statistiek WWB, IOAW, IOAZ en WWIK.

De uitwerking van (prestatie)indicatoren is in beginsel conform bestaande indicatoren en informatie-uitvraag. Voorbeelden van deze items – die per organisatie verschillen – zijn de uitstroom uit de uitkering, aantal plaatsingen, (keten)klanttevredenheid en tijdige betaling materiewetten sociale verzekeringen. Wanneer de ketenprestatie-indicatoren stabiel zijn, kunnen ten aanzien van de meting volgende stappen worden gezet, onder meer met betrekking tot duurzame uitstroom

Onderdeel C (hoofdstuk 3)

In een nieuw hoofdstuk 3, dat regels over registratie van vreemdelingen als werkzoekende bevat, is één artikel opgenomen, namelijk artikel 3.1. Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het oude artikel 2.1. Wel is «de CWI» vervangen door «het UWV» in verband met hun samenvoeging. Ook is de formulering van de aanhef van het eerste lid aangepast: «het recht om zich als werkzoekende te laten registreren» is vervangen door «het op verzoek registreren als werkzoekende». Deze formulering sluit aan bij de gewijzigde formulering van artikel 30b, eerste lid, van de Wet SUWI, waarin de registratie van werkzoekenden door het UWV is geregeld.

Onderdeel D (hoofdstuk 4)

Het opschrift van hoofdstuk 4 is in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels.

Onderdeel E (artikel 4.1)

De wijzigingen zijn in hoge mate als technisch aan te merken. Het artikel is in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels. Verder is de formulering van de aanhef van het eerste lid afgestemd op die van artikel 30a, achtste lid, van de Wet SUWI. Op grond van dit artikel laat het UWV de werkzaamheden in het kader van zijn re-integratietaak, in elk geval indien het personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt betreft, verrichten door een re-integratiebedrijf. Er is dus niet in alle gevallen sprake van een verplichte uitbesteding. De deskundige persoon en de arbodienst worden niet langer naast het re-integratiebedrijf vermeld. Op grond van artikel 30a, achtste lid, van de Wet SUWI (en de oude artikelen 30, zesde lid, van de Wet SUWI en 72, derde lid, van de Werkloosheidswet) dienen de werkzaamheden in het kader van re-integratie te worden verricht door een re-integratiebedrijf. Overigens kunnen onder de definitie van re-integratiebedrijf, zoals opgenomen in artikel 1, onderdeel o, van de Wet SUWI, mede deskundige personen en arbodiensten worden begrepen. De (contract)eisen waaraan op grond van artikel 4.1. van het Besluit SUWI bij inschakeling van een re-integratiebedrijf moet worden voldaan, zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven.

Onderdeel F tot en met J (paragraaf 4.2 en artikelen 4.2 tot en met 4.4 )

De artikelen zijn in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels. Daarnaast wordt in artikel 4.2 nu verwezen naar artikel 30a, eerste lid, onderdeel a en onderdeel c, van de Wet SUWI, dat inhoudelijk overeen komt met het oude artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI. Verder worden de deskundige persoon en de arbodienst niet langer naast het re-integratiebedrijf vermeld. Voor deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel E, dat een identieke wijziging bevat.

Onderdelen K tot en met Z (artikelen 4.7 tot en met 4.20)

Met het vervallen van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) en de invoering van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet IWIA) is de regeling voor het een persoonsgebonden re-integratiebudget (PRB) voor zieke werknemers in de Wet IWIA opgenomen. De mogelijkheid voor het UWV om aan een zieke werknemer met een dienstbetrekking een PRB te verstrekken, was opgenomen in artikel 33a van de Wet REA. Nu is deze mogelijkheid opgenomen in artikel 2.7a van de Wet IWIA. De verwijzingen naar artikel 33a van de Wet REA zijn daarom vervangen door verwijzingen naar artikel 2.7a van de Wet IWIA.

Daarnaast worden de deskundige persoon en de arbodienst niet langer naast het re-integratiebedrijf vermeld. Voor deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel E, dat een identieke wijziging bevat.

Verder zijn de woorden «reïntegratiebudget», «reïntegratieovereenkomst» en «reïntegratiebedrijf» in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels.

Onderdeel AA (artikel 5.1)

Deze wijziging houdt verband met de invoering van het burgerservicenummer. Ondanks de invoering daarvan blijft het sociaal-fiscaalnummer van belang. De kring van personen aan wie een burgerservicenummer is toegekend, komt namelijk niet geheel overeen met de kring van de personen die in aanmerking komen of kwamen voor een door de belastingdienst toegekend sociaal-fiscaalnummer. Dit leidt ertoe dat «sociaal-fiscaalnummer» wordt vervangen door «burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan sociaal-fiscaalnummer».

Onderdelen BB en CC (artikelen 5.2a en 5.2b)

In de uitgangspunten van artikel 5.2b, zoals die zijn opgenomen in het Besluit tot wijziging van het besluit SUWI in verband met eenmalige gegevensuitvraag (Stb. 2008, 104), wordt geen verandering aangebracht. Ook na de fusie van de CWI en het UWV kan een verzoek om correctie van de vooringevulde gegevens in de aangifte bij één loket worden ingediend. In de locatie werk en inkomen, bedoeld in artikel 10 van de Wet SUWI, zal het verzoek in ontvangst worden genomen en vervolgens worden doorgeleid naar de verantwoordelijke instantie in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het voorgaande betekent dat het UWV en het desbetreffende college van burgemeester en wethouders bij de gezamenlijke uitvoering van taken en werkzaamheden in de locatie werk en inkomen beide verantwoordelijk zijn voor een correctieverzoek.

Artikel 5.2b wordt in zoverre uitgebreid, dat het nu ook van toepassing is op de Ziektewet, de arbeidsongeschiktheidswetten en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (Tijdelijke wet BIA). Voor zover de taken en werkzaamheden met betrekking tot die wetten in de locatie werk en inkomen worden uitgevoerd, zijn het UWV en het desbetreffende college van burgemeester en wethouders beide verantwoordelijk voor de gegevensverwerking, waarbij het in behandeling nemen van een correctieverzoek hoort. Dit vloeit voort uit artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI. Indien de taken en werkzaamheden betreffende de Ziektewet, de arbeidsongeschiktheidswetten en de Tijdelijke wet BIA buiten de locatie werk en inkomen plaatsvindt, is geen sprake van een geïntegreerde dienstverlening door het UWV en het desbetreffende college van burgemeester en wethouders en dus ook niet van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking. Duidelijk is dan ook dat het UWV het correctieverzoek behandelt van de gegevens die voor de specifieke uitkeringsvertrekking relevant zijn. Voor de burger maakt het niet uit waar de taken worden uitgevoerd. Zijn correctieverzoek zal altijd in ontvangst worden genomen en worden doorgeleid naar de verantwoordelijke instantie. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt immers een doorzendplicht.

Onderdelen DD en EE (artikelen 5.4 en 5.5)

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen zijn van technische aard. In verband met de samenvoeging van de CWI en het UWV hoeft de CWI niet meer apart te worden genoemd.

Onderdeel FF (artikel 5.5a)

De zinsnede «of, indien een college aan de CWI mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan de CWI,» is overbodig en kan dan ook vervallen. Indien het UWV na de fusie met de CWI in mandaat besluiten neemt met betrekking tot de verlening van bijstand, handelt het UWV immers niet op eigen titel. In dat geval handelt het UWV op titel van het college van burgemeester en wethouders dat daarvoor mandaat heeft verleend.

Onderdeel GG (artikel 5.6)

Het artikel wordt enkel technisch gewijzigd. In verband met de samenvoeging van de CWI en het UWV hoeft de CWI niet meer apart te worden genoemd.

Onderdeel HH (artikel 5.9)

Het artikel regelt de gegevensverstrekking door het UWV aan bestuursorganen. Gelet op de fusie van de CWI en het UWV zijn de oude artikelen 5.9 en 5.10 van het Besluit SUWI samengevoegd tot een nieuw artikel 5.9.

Het eerste lid, onderdeel a tot en met d, van dit artikel komt overeen met het oude artikel 5.9 van het Besluit SUWI. De bepalingen van het oude artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn in het eerste lid, onderdeel e en onderdeel f, terechtgekomen. Het oude artikel 5.10, eerste lid, onderdeel c, is komen te vervallen aangezien de gegevensverstrekking aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap al is geregeld in het eerste lid, onderdeel c. Het tweede lid komt overeen met het oude artikel 5.10, tweede lid.

Daarnaast zijn in het eerste lid, onderdeel g en h, en in het derde lid nadere regels gesteld voor het verstrekken van gegevens door het UWV uit de polisadministratie aan colleges van burgemeester en wethouders, de Minister van Economische Zaken en deurwaarders. Het doel van deze gegevensverstrekkingen, die hieronder worden toegelicht, is in alle gevallen de administratieve lasten van de burger en werkgevers te verminderen. In het bijzonder gaat het daarbij om het terugdringen van a) het niet-gebruik van een inkomensondersteunende regeling, b) van onnodige administratieve lasten voor innovatieve ondernemers en c) van nog openstaande, bij rechtelijke uitspraak vastgestelde schulden van burgers.

Over deze wijzigingen is door UWV een uitvoeringstoets uitgebracht en advies uitgebracht door het College bescherming persoonsgegevens. Het UWV heeft aangegeven, dat de voorgestelde gegevensleveringen uitvoerbaar zijn. Het CBP heeft in zijn advies vooral aandacht gevraagd voor het verstrekken van de gegevens aan de colleges van B&W en Senter Novem in relatie tot de gegevensverstrekking door de Belastingdienst op grond van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen. De regeling van de gegevensverstrekking door het UWV op grond van dit besluit betreft alleen die gegevens uit de gegevensset van de polisadministratie waarvoor het UWV verantwoordelijke is en die alleen voor doelen van het UWV in de polisadministratie zijn opgenomen (zie bijlage I bij het Besluit SUWI). In de twee nieuwe onderdelen worden de doelen voor de gegevensverstrekking aangeduid. Omdat de ontvangende instanties bestuursorganen zijn, impliceert dit dat die bestuursorganen die gegevens niet zonder nadere wettelijke bevoegdheid voor andere doelen zullen verwerken.

Kwijtschelding

In het aan artikel 5.9 toegevoegde onderdeel g wordt geregeld dat het UWV aan colleges van burgemeester en wethouders de gegevens verstrekt die de gemeente nodig heeft om de gemeentelijke belastingen kwijt te schelden. Deze wijziging heeft als doel het mogelijk maken van geautomatiseerde kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, zodat administratieve lasten van burgers verminderen. Door het terugdringen van het niet-gebruik van de kwijtschelding wordt een bijdrage geleverd aan de bevordering van het gebruik van inkomensondersteunende regelingen.

Door de onderhavige wijziging is er een wettelijke grondslag voor het gegevensverkeer tussen het UWV en gemeenten ten behoeve van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Dit gegevensverkeer voorkomt dat aanvragers voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen bij de gemeente informatie moeten overleggen die in de polisadministratie al aanwezig is. Door burgers zo min mogelijk te vragen bij de aanvraag voor kwijtschelding worden de administratieve drempels zoveel mogelijk verlaagd en wordt de benutting gestimuleerd. Met het automatisch verlenen van kwijtschelding voor lopende gevallen wordt eveneens onderbenutting tegengegaan, omdat burgers dan niet ieder jaar opnieuw kwijtschelding hoeven aan te vragen. De voorgestelde gegevensverstrekking voor de geautomatiseerde kwijtschelding vindt daarbij alleen plaats, als de burger in een voorgaand jaar een verzoek tot kwijtschelding heeft gedaan. Zijn gegevens worden betrokken bij de ambtshalve beslissing over de voortzetting, herleving of stopzetting van de automatische kwijtschelding. Voorts is die ambtshalve beslissing tot kwijtschelding te beschouwen als een ambtshalve aanslag (bedrag nihil). Hiertegen is op grond van de bestaande regelgeving al bezwaar mogelijk. Overigens is het zo, dat indien op grond van de geraadpleegde gegevens niet ambtshalve kan worden kwijtgescholden, de burger altijd de mogelijkheid heeft kwijtschelding aan te vragen, nadat hem een aanslag (bedrag niet nihil) is opgelegd. Dat gevraagde besluit is ook voor bezwaar vatbaar.

Gemeenten kunnen op grond van artikel 255 van de Gemeentewet en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (artikelen 11 tot en met 16) kwijtschelding verlenen van gemeentelijke belastingen. Bij kwijtschelding spelen het vermogen en de betalingscapaciteit een rol. Bij het bepalen van de betalingscapaciteit wordt gekeken naar de bijstandsnormen. Gemeenten hebben voor het beoordelen van het recht op kwijtschelding (t=0) gegevens nodig over het inkomen van betrokkene. Het betreft inkomensgegevens van betrokkene die bij de rijksbelastingdienst bekend zijn (inkomen in jaar t–1) in het kader van de inkomstenbelasting. Hiernaast zijn actuele gegevens nodig over diens inkomen uit arbeids- en uitkeringsverhoudingen (t=0), die in de polisadministratie worden verwerkt (artikel 33, tweede lid, onderdelen a, c en d, van de Wet SUWI). Het nieuwe onderdeel in artikel 5.9 voorziet in deze verstrekking van gegevens uit de polisadministratie. Voor deze gegevens zijn respectievelijk de rijksbelastingdienst en het UWV verantwoordelijke in de zin van Wet bescherming persoonsgegevens. Daarnaast zijn gegevens over het woonadres en de samenstelling van het huishouden van belang in verband met het inkomen van een eventuele partner. Het woonadres en de partnerstatus blijken doorgaans uit de gemeentelijke basisadministratie. Over de partner dienen dezelfde inkomensgegevens te worden verkregen, omdat het gezamenlijke inkomen getoetst moet kunnen worden.

Een herhaalde jaarlijkse aanvraag tot kwijtschelding kan achterwege blijven indien voornoemde gegevens niet via een aanvraagformulier met bijlagen en bewijsstukken hoeven te worden verkregen, maar rechtstreeks uit bestaande overheidsadministraties kunnen worden gehaald. In dat geval kan de kwijtschelding na de (eerste) aanvraag automatisch worden gecontinueerd, totdat uit de verzamelde gegevens blijkt dat betrokkene niet langer voor kwijtschelding in aanmerking komt. Ook kan met de raadpleging van voornoemde administraties beter worden geverifieerd of betrokkene terecht een eerste aanvraag heeft ingediend en de door hem aangereikte gegevens juist zijn. Door deze werkwijze dalen de administratieve lasten van betrokkene en verbeteren de gemeentelijke uitvoering en handhaving. De gegevensverwerking geschiedt steeds met behulp van het burgerservicenummer (sociaal-fiscaalnummer) van betrokkene en van diens eventuele partner.

Automatische toekenning van kwijtschelding geschiedt door het op aanvraag (eerste keer) of ambtshalve (verlenging) opleggen van een zogenoemde nihil-aanslag van € 0,00. Indien de gemeente vaststelt dat betrokkene niet of niet langer voor kwijtschelding in aanmerking komt, wordt een aanslag met het verschuldigde bedrag en geen nihil-aanslag opgelegd. Tegen een gemeentelijke belastingaanslag is de gewone rechtsbescherming met bezwaar en beroep van toepassing.

De gemeenten zijn vrij om aanvullende criteria te hanteren (zgn. gemeentelijk beleidsvrijheid), bijvoorbeeld omtrent de betalingscapaciteit van betrokkene. Gemeenten hebben behoefte aan een relevant vermogenskenmerk om te kunnen signaleren, dat nader onderzoek naar het vermogen van betrokkene nodig is en de kwijtschelding niet automatisch kan worden toegekend of verlengd. Het autobezit van betrokkene is een dergelijk kenmerk. Gegevens over autobezit zijn opgenomen in de registers van de Dienst wegverkeer (RDW) (bijvoorbeeld kenteken, tenaamstelling, merk, bouwjaar). De gemeente is bevoegd om ten behoeve van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen gegevens over autobezit direct bij de RDW op te vragen. Dit is geregeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder ten tweede, van de Regeling gegevensverstrekking Kentekenregister. De verstrekking van vermogensgegevens door de Belastingdienst is gebaseerd op artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing. Op grond van dit artikel verstrekt de Belastingdienst dergelijke gegevens op verzoek van de gemeentelijke belastingdienst ten behoeve van de beoordeling van de kwijtschelding. Daarnaast is de Belastingdienst bevoegd gegevens (inclusief kentekenregistergegevens) te verstrekken aan de gemeenten ten behoeve van de inning van gemeentelijke belastingen op grond van artikel 43c, eerste lid, onderdeel i, 2° van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Dit is de uitwerking als bedoeld in artikel 67, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarnaar het CBP in zijn advies verwijst.

Deze gegevensverstrekking door de Belastingdienst, de RDW en het UWV aan de gemeenten zal via het Inlichtingenbureau verlopen. Het Inlichtingenbureau (IB) treedt daarbij als bewerker van de gegevens terwijl de colleges van B&W verantwoordelijke zijn in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de verwerking van de gegevens met het oog op kwijtschelding. Om te voorkomen, dat het IB met de gemeenten bewerkersovereenkomsten dient af te sluiten voor deze gegevensverwerking is in artikel 5.24, eerste lid, dat gaat over de aanwijzing van het IB als bewerker, ook bepaald, dat het IB voor deze gegevensverstrekkingen bewerker is (artikel I, onderdeel QQ).

S&O-afdrachtvermindering

Het aan artikel 5.9 van het Besluit SUWI toegevoegde onderdeel h verschaft een wettelijke basis voor het verstrekken van gegevens uit de polisadministratie aan de Minister van Economische Zaken. In de praktijk zullen deze gegevens door het UWV worden verschaft aan SenterNovem, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken. Het doel van deze gegevensverstrekking is de uitvoering van de S&O-afdrachtvermindering. Hiervoor zijn gegevens nodig over het aantal verloonde uren. Voor de verwerking van deze gegevens is het UWV de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Hiernaast zijn gegevens over het fiscale loon nodig, die afkomstig zijn van de rijksbelastingdienst. Deze gegevens worden verstrekt door de Belastingdienst op basis van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Doordat SenterNovem gebruik kan maken van deze gegevens uit de polisadministratie wordt de administratieve lastendruk bij werkgevers verminderd en kan de toekenning van de afdrachtvermindering worden gebaseerd op de gecontroleerde gegevens in de polisadministratie. SenterNovem voert de S&O-afdrachtvermindering uit door het afgeven van een S&O-verklaring. Met deze verklaring kunnen werkgevers vermindering van de af te dragen loonbelasting krijgen voor het bij deze verklaring vastgestelde bedrag. Onder de uitvoering van de S&O-afdrachtvermindering valt ook het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 26 van hoofdstuk VIII van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Deze wijziging houdt verband met een wijziging van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, die per 1 januari 2008 in werking is getreden. De gegevensverstrekking door het UWV aan SenterNovem vindt vanaf 1 juli 2008 plaats.

Deurwaarders

Een schuldeiser die over een executoriale titel tegen zijn schuldenaar beschikt, kan beslag leggen onder een derde die bijvoorbeeld loon of een uitkering verschuldigd is aan die schuldenaar volgens artikel 475 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 475g Rv is de schuldenaar verplicht om zijn bronnen van inkomsten desgevraagd aan de deurwaarder, die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, door te geven. Een deurwaarder is gerechtigd beslag te leggen wanneer hij een titel kan overleggen. Weigert de schuldenaar om zijn bronnen van inkomsten te noemen, dan heeft de deurwaarder de volgende mogelijkheden om deze bronnen te achterhalen:

  • hij kan middels bij de gemeentelijke basisadministratie op te vragen persoonsgegevens en het burgerservicenummer (sociaal-fiscaalnummer) van de schuldenaar uitkeringsgegevens opvragen bij het UWV;

  • bij een vermoeden van wie de werkgever is, kan hij zich tot deze werkgever wenden, om zijn vermoeden te bevestigen. De werkgever is verplicht om hierop te antwoorden.

De gegevens over de werkgever zijn ook bij het UWV voorhanden.

Dat het UWV gegevens verstrekt aan deurwaarders wordt nu geregeld door de toevoeging van het derde lid aan artikel 5.9 van het Besluit SUWI. Hierin wordt bepaald dat het UWV de gegevens verstrekt, die deurwaarders in geval van derdenbeslag opvragen. Het gaat om de gegevens over de arbeidsverhouding en de uitkeringsverhouding, die het UWV in de polisadministratie verwerkt, inclusief de gegevens over de werkgever (zie de opsomming in bijlage I bij het Besluit SUWI). Op deze manier kan de deurwaarder achterhalen wie de werkgever van de schuldenaar is. Informatie die op grond van artikel 475g Rv al aan de schuldenaar of, bij een vermoeden dat deze periode betalingen verricht aan zijn werkgever gevraagd kan worden, kan zo op efficiënte wijze rechtstreeks bij het UWV worden ingewonnen. Het gaat om verstrekking van gegevens aan deurwaarders die handelen als bestuursorgaan voor de uitvoering van een bij wet opgedragen taak, namelijk de tenuitvoerlegging van een executoriale titel.

Het UWV verstrekt de benodigde gegevens aan deurwaarders die gerechtigd zijn derdenbeslag te leggen, als zij onder hun ambtseed opgave doen van de datum van de executoriale titel en van de dag van betekening van de titel aan de schuldenaar.

Met deze uitbreiding van die gegevensverstrekking wordt de rechtshandhaving in het algemeen gediend en de versnelde tenuitvoerlegging van rechtelijke uitspraken in het bijzonder. Het gaat hier niet om een materiele uitbreiding van bevoegdheden van deurwaarders. Het betreft gegevens die op grond van de wet al aan de schuldenaar of bij een vermoeden aan zijn werkgever gevraagd kunnen worden. Wanneer de deurwaarder geen vermoeden heeft wie de werkgever is, zal de schuldeiser zich veelal wenden tot een handelsinformatiebureau om de gewenste informatie te verkrijgen. Hiermee zijn kosten en een langer tijdsverloop gemoeid, en soms kan de schuldenaar zich daardoor langere tijd aan de tenuitvoerlegging van de rechtelijke uitspraak onttrekken.

Het positieve effect van de voorgestelde wijziging is voor alle betrokkenen gelegen in besparing van kosten en tijd. Schulden kunnen makkelijker worden geïnd. Uiteindelijk komen gerechtelijke en buitengerechtelijke invorderingskosten ook ten laste van de schuldenaar. In die zin wordt de schuldenaar niet benadeeld door deze gegevensverstrekking, terwijl de schuldeiser zijn recht eerder verwezenlijkt ziet.

De deurwaarder zal de informatie door middel van een elektronisch systeem bij het UWV kunnen opvragen. Er wordt momenteel reeds op elektronische wijze informatie met het UWV uitgewisseld op grond van artikel 475g Rv waar het gaat om het navragen van bestaande uitkeringsverhoudingen via het zogenaamde RINIS systeem. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het burgerservicenummer (sociaal-fiscaalnummer). Door de onderhavige wijziging kan de bestaande uitwisseling worden uitgebreid en kan er ook gevraagd worden naar bestaande werkverhoudingen. De door het UWV verstrekte gegevens mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor beslaglegging. Dit doel is geregeld in het toegevoegde artikelonderdeel. Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen de gegevens niet voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn ingewonnen worden gebruikt en mogen zij niet aan derden worden verstrekt. De Wet bescherming persoonsgegevens vereist dat gerechtsdeurwaarders zodanige maatregelen in hun informatiehuishouding treffen dat uitgesloten wordt dat gegevens die op grond van artikel 5.9, derde lid, van het Besluit SUWI zijn verkregen, worden verwerkt als er nog geen sprake is van een justitiële fase binnen het incassotraject. In de Administratieverordening gerechtsdeurwaarders (Stcrt. 12 juli 2001, nr. 132, p. 10) en de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming van persoonsgegevens (Stcrt. 18 februari 2004, nr 33, p. 19) is het gebruik van persoonsgegevens voor de verschillende werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder vastgelegd.

Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor onvoldoende beveiligd elektronisch verkeer gelden de algemene regels inzake aansprakelijkheid van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast voorzien de Gerechtsdeurwaarderswet en de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders in regels van tuchtrecht.

Met de inwerkingtreding van de Wet van 30 oktober 2008 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de bevoegdheid van deurwaarders om informatie op te vragen en elektronische te betekenen in geval van derdenbeslag (Stb.235) kan ook op grond van artikel 475g, derde vierde lid, Rv deze gegevensverstrekking nog nader worden ingevuld.

Onderdeel II (artikel 5.10)

De bepalingen van het artikel worden, zoals is toegelicht in onderdeel Q, ondergebracht in artikel 5.9 van het Besluit SUWI. Het artikel kan dan ook vervallen.

Onderdeel JJ (artikel 5.11)

Het woord «reïntegratie» is in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels.

Onderdeel KK (artikel 5.12)

Het artikel wordt uitsluitend in technisch opzicht gewijzigd. In het artikel wordt nu verwezen naar artikel 73a, tweede lid, van de Wet SUWI, dat inhoudelijk overeen komt met het oude artikel 13, vierde lid, van de Wet SUWI. Verder wordt «sociaal-fiscaalnummer» vervangen door «burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan sociaal-fiscaalnummer». Voor deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel K, dat een identieke wijziging bevat.

Onderdeel LL (artikel 5.15)

Het betreft enkel technische wijzigingen. Gelet op de samenvoeging van de CWI en het UWV, waarbij de nieuwe organisatie de naam UWV voert, vervalt «de CWI» in het opschrift en komt het UWV in de plaats van de CWI.

Onderdeel MM (paragraaf 5.5)

Het opschrift van paragraaf 5.5. is in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels.

Onderdeel NN (artikel 5.17)

Het betreft uitsluitend technische wijzigingen. Het woord «reïntegratietaak» is in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels. Daarnaast hoeft, vanwege de samenvoeging van de CWI en het UWV, waarbij de nieuwe organisatie de naam UWV blijft voeren, geen aparte regeling te worden getroffen voor de CWI. Het oude vierde lid kan daarom vervallen.

Onderdeel OO (artikel 5.18)

Het artikel wordt uitsluitend in technisch opzicht gewijzigd. In verband met de samenvoeging van de CWI met het UWV zijn het achtste en negende lid van artikel 73 van de Wet SUWI aangepast en worden uitsluitend nog door het UWV gegevens verstrekt aan re-integratiebedrijven. Het onderhavige artikel is dienovereenkomstig aangepast. Verder is het woord «reïntegratiebedrijven» in overeenstemming gebracht met de huidige spellingsregels.

Onderdeel PP (artikel 5.21)

Het betreft uitsluitend technische wijzigingen. Gelet op de samenvoeging van de CWI en het UWV, waarbij de nieuwe organisatie de naam UWV voert, komt het UWV in de plaats van de CWI.

Onderdeel RR (Bijlage II)

De bijlage wordt enkel technisch gewijzigd in verband met de samenvoeging van de CWI en het UWV. In het kader van de eenmalige uitvraag, bedoeld in artikel 5.2a van het Besluit SUWI, zijn de gegevens betreffende inschrijving niet langer afkomstig van de CWI, maar van het UWV.

Artikelen II tot en met XVI

Dit zijn technische aanpassingen aan de wijzigingen in de Wet SUWI. De zinsnede «de Centrale organisatie werk en inkomen» dan wel «de CWI» vervalt in een aantal artikelen en wordt in een aantal andere artikelen vervangen door «het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» dan wel «het UWV». Dit is een gevolg van de fusie van de CWI en het UWV, waarbij de gefuseerde organisatie de naam van het UWV krijgt. Verder worden verwijzingen naar artikelen in de Wet SUWI die zijn vernummerd, aangepast.

Enkele wijzigingen worden hierna in het bijzonder nog toegelicht.

Artikel VI (Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten)

Onderdelen B en G (artikelen 2 en 7)

De verplichting, bedoeld in artikel 88, eerste lid, onderdeel d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen was nog niet genoemd in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Met deze wijziging wordt deze verplichting alsnog toegevoegd. De verplichting valt in de vierde categorie waardoor in beginsel een blijvend gehele weigering van de uitkering als maatregel geldt. «Blijvend» is hier wel beperkt tot de duur van het tijdvak van loondoorbetaling, bedoeld in artikel 25, negende lid, van die wet.

Onderdeel C (artikel 3)
Artikel 3, onderdeel a

Als gevolg van de Verzamelwet SZW-wetgeving 2009 zal in artikel 3:27, vijfde lid, van de Wet arbeid en zorg, worden geregeld hoe het UWV handelt indien sprake is van een te late indiening van een aanvraag voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling door een vrouwelijke zelfstandige of een vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst. Bepaald is dat het UWV in dat geval handelt overeenkomstig artikel 45 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Met deze wijziging van artikel 3, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is de verplichting van de vrouwelijke zelfstandige en de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst tot het instellen van een tijdige aanvraag voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, ingevoegd. Op grond van deze wijziging en artikel 3:27, vijfde lid, van de Wet arbeid en zorg kan een maatregel worden opgelegd wegens het niet tijdig aanvragen van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Het gaat dan om een maatregel van de eerste categorie als bedoeld in het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten.

Artikel 3, onderdeel b

Sinds 1 januari 2008 is er in de Ziektewet (ZW) een onderscheid tussen de verplichting tot tijdige ziekmelding van een werknemer mét werkgever (artikel 38a van de ZW) en dezelfde verplichting van een werknemer zónder werkgever (artikel 38ab van de ZW). In artikel 3, onderdeel b, van het Maatregelenbesluit werd uitsluitend naar artikel 38a, eerste lid, van de ZW verwezen. Met deze wijziging wordt in artikel 3, onderdeel b, van het Maatregelenbesluit ook naar artikel 38ab, eerste lid, van de ZW verwezen, zodat duidelijk is dat het niet nakomen van deze verplichting een maatregel van de eerste categorie oplevert.

Artikel 3, onderdelen d en f

Bij de wijzingen van de Werkloosheidswet (WW) zijn geen aparte bepalingen opgenomen voor de intake via het werkbedrijf bij het UWV. De uitkeringsgerechtigden hebben te maken met het zelfstandige bestuursorgaan UWV. De verplichting bij een dergelijke aanvraag informatie te verstrekken aan de CWI is vervallen. Dit brengt mee dat de verwijzing naar de verplichting op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet SUWI in onderdeel d kan vervallen en dat onderdeel f van artikel 3 eveneens vervalt.

Onderdeel E (artikel 5)

Met dit onderdeel wordt aan artikel 5, onderdeel a, toegevoegd de eerder nog niet opgenomen verwijzing naar de verplichting, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel l, van de Ziektewet.

Onderdeel F (Artikel 6; derde categorie aanvullend)

Ook met dit onderdeel worden alsnog verplichtingen toegevoegd die nog niet genoemd waren in het Maatregelenbesluit. In artikel 6, tweede lid, onderdelen a en b, worden verplichtingen op grond van de Ziektewet opgenomen die betrekking hebben op het meewerken van de werknemer aan door zijn werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, die erop gericht zijn de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten of het verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor toekenning van uitkering. Soortgelijke verplichtingen op grond van de WAO en de Wet WIA waren reeds aangewezen in artikel 6, derde en vierde lid. De verplichting, genoemd in onderdeel c van het tweede lid, is niet nieuw maar vormde het reeds bestaande tweede lid.

Daarnaast waren in artikel 6, derde lid, abusievelijk de woorden «zonder deugdelijke grond» opgenomen. Deze zinsnede kan vervallen.

Artikel XIII (Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie)

Onderdeel 1 van Bijlage A bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie wordt technisch gewijzigd.

De Algemene Rekenkamer heeft op grond van artikel 91 van de Comptabiliteitswet onderzoeksbevoegdheden ten aanzien van rechtspersonen die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. De onderzoeksbevoegdheden betreffen onder meer het kennisnemen van jaarrekeningen, het controleren van de daarop betrekking hebbende rapporten en het inwinnen van nadere inlichtingen daarover.

Op grond van artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie wordt de CWI in onderdeel 1 van Bijlage A aangewezen als rechtspersoon met een beperkte kasbeheerfunctie. Als gevolg van de fusie van de CWI met het UWV, komt de vermelding van de CWI in onderdeel 1 van Bijlage A te vervallen. Dit heeft geen gevolgen, aangezien het geïntegreerde middelenbeheer voor het UWV reeds is geregeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel XVII (inwerkingtreding)

Aangezien de onderhavige wijziging van het Besluit SUWI en een aantal andere besluiten voortvloeit uit de wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, is ervoor gekozen dit besluit op hetzelfde tijdstip (1–1–2009) in werking te laten treden als voormelde wijziging van die wetten. Er is een uitzondering gemaakt voor artikel VI, onderdeel C, onder 1, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Aanleiding daarvoor is dat de basis om een maatregel wegens het niet tijdig aanvragen van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op te leggen, zal worden gegeven in de Verzamelwet SZW-wetgeving 2009. De datum waarop deze wet in werking zal treden, is nog niet bekend.

De wijziging in artikel 5.9, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit SUWI, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel HH, werkt terug tot en met 1 juli 2008. Aanleiding daarvoor is dat de gegevensverstrekking door het UWV aan SenterNovem reeds vanaf die datum plaatsvindt. Daartoe wordt verwezen naar de toelichting op dit onderdeel.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Klijnsma


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in de Staatscourant.