U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsverordening Zeeland, technische wijzigingen

Technische wijzigingen van de omgevingsverordening Zeeland vanwege herstructurering van hoofdstukken.

Artikel I

De technische wijzigingen zijn weergegeven in 'bijlage A'.

Artikel II

Deze technische wijziging is op 26 mei 2026 vastgesteld en treedt in werking op de dag na publicatie.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde staten van 26 mei 2026.

H.M. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris - algemeen directeur.

Bijlage A

A

Het Lichaam wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1

    Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

  • 2

    Bijlage II bij deze verordening bevat een overzicht van geometrische informatieobjecten voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen
  • 1

    De natte doorsnede van een schip is het product van de maximale breedte van het schip en de grootst optredende diepgang in stilliggende toestand.

  • 2

    Het referentieniveau van het omgevingsgeluid is de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus in de dag-, avond, of nachtperiode:

    • a.

      het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de niet-omgevingseigen bronnen;

    • b.

      het optredende equivalente geluidsniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB.

  • 3

    Voor toepassing van het tweede lid worden de nachtelijke periode alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die nachtperiode.

  • 4

    De afmetingen van een bord, spandoek of informatiezuil worden gemeten langs de buitenomtrek. De onder- of achtergrond, die kennelijk tot het bord, spandoek of informatiezuil behoort, wordt hierin begrepen.

  • 5

    De tiphoogte van een windturbine is de totale hoogte van een windturbine, vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtsbijzijnde weg.

Artikel 1.3 Ontheffing instructieregel
  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van een instructieregel.

  • 2

    Het eerste lid geldt niet voor de instructieregels over faunabeheerplannen, bedoeld in afdeling 5.4 hoofdstuk 20.

  • 3

    Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen.

Artikel 1.4 Aanvraag ontheffing instructieregels

Bij een aanvraag om een ontheffing van instructieregels worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    de instructieregels waarvan ontheffing wordt aangevraagd; 

  • b.

     een onderbouwing van de aanvraag om ontheffing; en 

  • c.

    als de ontheffing wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden.

Hoofdstuk 2 Activiteiten in de fysieke leefomgeving; Algemene Bepalingen

Afdeling 2.1 Algemene bepaling

Artikel 2.1 Normadressaat

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 

Artikel 2.2 Algemene gegevens bij een melding

 Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: 

  • a.

     de aanduiding van de activiteit; 

  • b.

     de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; 

  • c.

     het adres waarop de activiteit wordt verricht; en 

  • d.

     de dagtekening. 

Artikel 2.3 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden deze ondertekend en voorzien van: 

  • a.

     de aanduiding van de activiteit; 

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; 

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

     de dagtekening 

Artikel 2.4 Beoordelingsregel activiteiten met gevolgen voor waterlichaam
  • 1

     Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam leidt er in ieder geval niet toe dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: 

    • a.

       niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; 

    • b.

       een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en 

    • c.

       een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt. 

  • 2

     Het eerste lid is niet van toepassing: 

    • a.

       voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteitleefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of 

    • b.

      als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:

      • 1.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktelichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 

      • 2.

        toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

  • 3

     Het verlenen van de omgevingsvergunning leidt er ook niet toe dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktelichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt. 

Afdeling 2.2 Activiteiten op provinciale infrastructuur

Paragraaf 2.2.1 Activiteiten op provinciale wegen

[Vervallen]

Paragraaf 2.2.2 Activiteiten op provinciale vaarwegen

[Vervallen]

Afdeling 2.3 Activiteiten in milieubeschermingsgebieden

Paragraaf 2.3.1 Grondwaterbeschermingsgebieden
Subparagraaf 2.3.1.1 Algemeen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.3 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.4 Grond en baggerspecie

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.5 Meststoffen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.6 Vuurwerk en explosieven

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.7 Afvalstoffen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.8 Lozingen in of op de bodem

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.9 Infrastructuur

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.10 Buisleidingen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.11 Recreatieterreinen, anders dan een camping

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.12 Begraafplaatsen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.13 Bouwwerken

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.16 Productie van papier, karton of hout

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.17 Drukkerijen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.18 Reinigingsactiviteiten

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.19 Seveso-inrichtingen en andere installaties

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

[Vervallen]

Paragraaf 2.3.2 Stiltegebieden

[Vervallen]

Afdeling 2.4 Ontgrondingen op land en in regionale wateren

[Vervallen]

Afdeling 2.5 Grondwatersanering

[Vervallen]

Afdeling 2.6 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen

[Vervallen]

Afdeling 2.7 Ontgassen van binnenschepen

Artikel 2.135 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 2.136 Oogmerk

[Vervallen]

Artikel 2.137 Specifieke zorgplicht

[Vervallen]

Artikel 2.138 Vergunningplicht varend ontgassen

[Vervallen]

Artikel 2.139 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning varend ontgassen

[Vervallen]

Artikel 2.140 Beoordelingsregels omgevingsvergunning varend ontgassen

[Vervallen]

Afdeling 2.8 Activiteiten in duisternisgebieden

[Vervallen]

Afdeling 2.9 Natura 2000-activiteiten

[Vervallen]

Afdeling 2.10 Flora- en fauna-activiteiten

Paragraaf 2.10.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 2.10.2 Vergunningvrije gevallen en Ganzenrustgebieden
Artikel 2.148 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod doden van vogels

[Vervallen]

Artikel 2.149 Algemene regels schadebestrijding grauwe gans

[Vervallen]

Artikel 2.150 Algemene regels schadebestrijding kolgans

[Vervallen]

Artikel 2.151 Algemene regels bestrijding brandgans

[Vervallen]

Paragraaf 2.10.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden

[Vervallen]

Paragraaf 2.10.4 Onderwater flora en fauna

[Vervallen]

Afdeling 2.11 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen

Paragraaf 2.11.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 2.11.2 Meldplicht vellen houtopstand

[Vervallen]

Paragraaf 2.11.3 Plicht tot herbeplanting

[Vervallen]

Paragraaf 2.11.4 Afwijken ten gunste van de herbeplanting

[Vervallen]

Afdeling 2.13   Activiteiten landschap

Paragraaf 2.13.1   Distelbeheer

[Vervallen]

Paragraaf 2.13.2   Borden
Subparagraaf 2.13.2.1   Algemene bepalingen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.2   Algemene regels permanente borden en spandoeken

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.3   Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.4   Algemene regels vlaggen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.5   Algemene regels informatiezuil

[Vervallen]

Hoofdstuk 3 Activiteiten op Provinciale Wegen

[Red: Artikel 2.5 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.5 3.1   Toepassingsbereik

  • 1

    Deze paragraaf Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 2.6 3.2,  in het:

    • a.

      beperkingengebied beheer provinciale wegen;

    • b.

      beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen;

    • c.

      beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen;

    • d.

      beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen ;

    • e.

      beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen;

    • f.

      beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom;

    • g.

      beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten; en

    • h.

      beperkingengebied verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw en tuinbouwproducten.

  • 2

    Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

[Red: Artikel 2.6 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.6 3.2   Oogmerk provinciale wegen

  • 1

    De regels in deze paragraaf  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van onderhoud behoort.

  • 2

    Taken en bevoegdheden op grond van deze paragraaf kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen:

    • a.

      het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden;

    • b.

      het beschermen van ecologische waarden en natuur;

    • c.

      het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en

    • d.

      het beschermen van recreatieve en toeristische belangen.

[Red: Artikel 2.7 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.7 3.3   Specifieke zorgplicht provinciale wegen

  • 1

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.6 3.2,  is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd;

    • b.

      het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare weg, wordt verzekerd;

    • c.

      het vrije zicht wordt verzekerd;

    • d.

      werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hier uit geen schade voor de weg kan ontstaan;

    • e.

      geen vaste stoffen of voorwerpen, anders dan land- en tuinbouwproducten, in het beperkingengebied beheer provinciale wegen en in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen;

    • f.

      land- en tuinbouwproducten alleen voor korte tijd worden gedeponeerd in het beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten;

    • g.

      het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet worden verontreinigd met voor het verkeer of de weg hinderlijke of schadelijke vloeistoffen of beplantingsresten;

    • h.

      de afwatering van het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet wordt belemmerd;

    • i.

      beplanting langs de weg in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers;

    • j.

      borden, spandoeken, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht;

    • k.

      een strook van 5 meter buiten de insteek van bermsloten, die niet onder de onderhoudsplicht van een waterschap vallen, vrijgehouden wordt van beplanting, grondwallen of andere zaken;

    • l.

      aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en

    • m.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. 

[Red: Artikel 2.8 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.8 3.4   Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften

  • 1

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 2.7 3.3artikel 2.11 3.7 en artikel 2.18 3.14.

  • 2

    Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.11 3.7 en artikel 2.18 3.14, tenzij anders is bepaald.

  • 3

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf  dit hoofdstuk kan worden verbonden.

[Red: Artikel 2.9 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.9 3.5   Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt; 

  • b.

    de uit te voeren werkzaamheden; 

  • c.

    een situatieschets; 

  • d.

    maatvoering; 

  • e.

    de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en 

  • f.

    de duur van de activiteit. 

[Red: Artikel 2.10 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.10 3.6   Verbod activiteiten bij uitzichtstroken

Met het oog op een veilig gebruik van de provinciale weg is het verboden bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd, te hebben dan wel te maken, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten in het beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom.

[Red: Artikel 2.11 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.11 3.7   Beplanting

  • 1

    Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg, steekt beplanting in het beperkingengebied beheer provinciale wegen niet hoger uit dan:

    • a.

      4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, anders dan fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen;

    • b.

      3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden.

  • 2

    Delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, worden direct verwijderd.

  • 3

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen, te snoeien of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen.

  • 4

    In aanvulling op artikel 2.1 gelden het eerste tot en met derde lid ook voor de rechthebbenden van de beplanting.

[Red: Artikel 2.12 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.12 3.8   Omgevingsvergunning veranderen van bermsloten

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen:

    • a.

      het dempen van een bermsloot;

    • b.

      het afdammen van een bermsloot;

    • c.

      het wijzigen van de afvoercapaciteit van een bermsloot; en

    • d.

      het maaien van de vegetatie op een berm in een bermsloot.

  • 2

    Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing op maaiwerk aan een bermsloot door of namens een waterschap, voorzover de zorg voor het watersysteem dat vereist.

[Red: Artikel 2.13 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.13 3.9   Omgevingsvergunning uitwegen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen:

  • a.

    het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg;

  • b.

    het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg;

  • c.

    het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en

  • d.

    het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg ten gevolge van een verandering van de bedrijfsvoering.

[Red: Artikel 2.14 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.14 3.10   Omgevingsvergunning duikers, goten, kabels, leidingen en vergelijkbare werken

 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker, goot, kabel, leiding, afrastering of vergelijkbaar werk te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen. 

[Red: Artikel 2.15 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.15 3.11   Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een mast, paal, bord, vlag, spandoek, handelsreclame, kunstuiting, licht- of geluidgevende voorziening of vergelijkbaar object te hebben, plaatsen of wijzigen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen.

  • 2

     Het verbod geldt niet voor het hebben, plaatsen of wijzigen van een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet

[Red: Artikel 2.16 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.16 3.12   Verbod middelen vrijheid van meningsuiting

Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen.

[Red: Artikel 2.17 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.17 3.13   Meldingsplicht middelen vrijheid van meningsuiting

  • 1

    Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen, zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

    Een melding bevat:

    • a.

      de locatie(s) waar het middel wordt geplaatst;

    • b.

      het aantal te plaatsen middelen;

    • c.

      de vorm van het te plaatsen middel; en

    • d.

      de datum van plaatsing van het middel.

[Red: Artikel 2.18 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.18 3.14   Algemene regels middelen vrijheid van meningsuiting

  • 1

    Met het oog op het veilig gebruik van de provinciale weg worden in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen niet meer dan twee middelen per locatie geplaatst.

  • 2

    De middelen voldoen aan de volgende maximale maten:

    • a.

      de oppervlakte is maximaal 1,5 m2

    • b.

      de lengte in iedere richting is maximaal 1 m;

    • c.

      de hoogte boven het maaiveld is maximaal 2,5 m; en

    • d.

      de afstand van de onderzijde van het middel tot het maaiveld is maximaal 1m.

  • 3

    De middelen worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 2,50 meter uit de kant van de wegverharding.

  • 4

    De middelen worden binnen vier weken na de datum van plaatsing verwijderd.

[Red: Artikel 2.19 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.19 3.15   Omgevingsvergunning bebouwingsvrije stroken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen: 

  • a.

    het maken of hebben van een bouwwerk; of 

  • b.

    het vernieuwen, wijzigen of uitbreiden van een bestaand bouwwerk, tenzij het een interne verbouwing en vernieuwing van ondergeschikte betekenis betreft, waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot. 

[Red: Artikel 2.20 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.20 3.16   Omgevingsvergunning gedenktekens

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gedenkteken te plaatsen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen.

[Red: Artikel 2.21 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.21 3.17   Omgevingsvergunning standplaatsen en verkooppunten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen:

  • a.

    het innemen of hebben van een standplaats voor handel of bedrijf; en

  • b.

    het inrichten of hebben van een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen.

[Red: Artikel 2.22 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.22 3.18   Vangnetartikel (veranderen van het werk of werken maken of behouden en vaste stoffen of voorwerpen plaatsen)

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen: 

    • a.

      het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg; 

    • b.

      het maken, behouden, veranderen of verwijderen van een werk; en

    • c.

       het storten, plaatsen, neerleggen of laten staan of liggen van een vaste stof of voorwerp.

  • 2

     Het verbod geldt niet voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10 3.6 tot en met artikel 2.21 3.17

[Red: Artikel 2.23 verplaatst van paragraaf 2.2.1 naar hoofdstuk 3. ]

Artikel 2.23 3.19   Weigeren, wijzigen en intrekken omgevingsvergunning

  • 1

     Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 2.63.2

  • 2

     Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk, wijzigen of intrekken als: 

    • a.

       de in het eerste lid bedoelde belangen dat vorderen; 

    • b.

       de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd. 

Hoofdstuk 4 Activiteiten op Provinciale Vaarwegen

Afdeling 4.1 Activiteiten op provinciale vaarwegen

[Red: Artikel 2.24 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.24 4.1 Toepassingsbereik
  • 1

    Deze paragraaf Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 2.25 4.2, in het:

    • a.

      beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen;

    • b.

      beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen;

    • c.

      beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen;

    • d.

      beperkingengebied ankerverbod provinciale vaarwegen; en

    • e.

      beperkingengebied ankerplaatsen provinciale vaarwegen.

  • 2

    Op deze paragraaf zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.01 van Deel 1 van het Binnenvaart politiereglement van toepassing.

  • 3

    In deze paragraaf worden onder schip mede begrepen: drijvende inrichting, luchtkussenvaartuig en woonschip.

  • 4

    Deze paragraaf Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten door of namens de vaarwegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een vaarweg of de regeling van het verkeer over die vaarweg.

[Red: Artikel 2.25 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.25 4.2 Oogmerk provinciale vaarwegen
  • 1

    De regels in deze paragraaf  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud behoren.

  • 2

    Taken en bevoegdheden op grond van deze paragraaf kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: 

    • a.

      het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; 

    • b.

      het beschermen van ecologische waarden en natuur; 

    • c.

      het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en 

    • d.

      het beschermen van recreatieve en toeristische belangen. 

[Red: Artikel 2.26 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.26 4.3 Specifieke zorgplicht provinciale vaarwegen
  • 1

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.25 4.2,  is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen tevoorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaante maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg wordt verzekerd;

    • b.

      het gebruik van de vaarweg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare vaarweg wordt verzekerd;

    • c.

      het vrije zicht wordt verzekerd;

    • d.

      werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de vaarweg kan ontstaan;

    • e.

      geen stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

    • f.

      het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen niet wordt verontreinigd met voor het verkeer op de vaarweg hinderlijke en schadelijke vloeistoffen of beplantingsresten;

    • g.

      houtgewas, bomen of takken van bomen langs de vaarweg zo worden geplaatst of onderhouden dat deze geen gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken;

    • h.

      de vaarweg niet op enige wijze wordt veranderd;

    • i.

      in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen en het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen een schip of drijvend voorwerp, niet wordt:

      • 1.

        onderworpen aan herstelwerkzaamheden; of

      • 2.

        geladen, gelost of ontgast

    • j.

      aanleg of wijziging van de provinciale vaarweg alleen geschiedt door of namens de vaarwegbeheerder; en

    • k.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet te voorkomen.

[Red: Artikel 2.27 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.27 4.4 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf  dit hoofdstuk worden verbonden, over artikel 2.26 4.3 en artikel 2.31 4.8.

[Red: Artikel 2.28 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.28 4.5 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingenactiviteit provinciale vaarwegen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf  dit hoofdstuk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    de vaarweg en de locatie waar de activiteit plaatsvindt; 

  • b.

    de uit te voeren werkzaamheden; 

  • c.

    een situatieschets; 

  • d.

    maatvoering; 

  • e.

    de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en 

  • f.

    de duur van de activiteit. 

[Red: Artikel 2.29 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.29 4.6 Omgevingsvergunning scheepvaartafmetingen en diepgang van schepen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen A te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 130 meter, breder is dan 18 meter en meer diepgang heeft dan 3,70 meter.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen B te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 50 meter, breder is dan 7 meter en meer diepgang heeft dan 2,20 meter.

  • 3

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen C te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 130 meter, breder is dan 18 meter en meer diepgang heeft dan 4,5 meter.

  • 4

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen D te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading langer is dan 140 meter, breder dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7,90 meter.

  • 5

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen E te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading langer is dan 140 meter, breder dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7,90 meter, verminderd met het verschil tussen de buitenwaterstand en NAP+ 0.90 meter.

  • 6

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen F te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 140 meter, breder is dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7 meter.

[Red: Artikel 2.30 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.30 4.7 Omgevingsvergunning slepen van schepen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een schip meer dan twee andere schepen te laten slepen in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen

  • 2

    Het verbod is niet van toepassing op het slepen van een klein schip.

[Red: Artikel 2.31 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.31 4.8 Omgevingsvergunning duwstellen van schepen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter dat niet is voorzien van een actieve kopsturing van voldoende vermogen te laten varen in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen

  • 2

    Het verbod is niet van toepassing als het duwstel wordt geassisteerd door een sleepboot.

[Red: Artikel 2.32 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.32 4.9 Omgevingsvergunning veranderen van het werk of werken maken of behouden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen:

  • a.

    het veranderen van de vorm, de loop, de constructie, het profiel of de diepte van de vaarweg;

  • b.

    het op andere wijze veranderen van de vaarweg;

  • c.

    het buiten gebruik stellen van de vaarweg;

  • d.

    het maken, houden of veranderen van een ligplaats of enige andere voorziening bestemd voor het meren of ankeren van schepen; en

  • e.

    het maken, behouden, veranderen of verwijderen van een werk.

[Red: Artikel 2.33 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.33 4.10 Omgevingsvergunning vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen:

  • a.

    het storten, plaatsen, neerleggen of laten staan of liggen van een vaste stof of voorwerp; of

  • b.

    het beplanten, behouden of vellen van een houtgewas.

[Red: Artikel 2.34 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.34 4.11 Omgevingsvergunning stremmen of belemmeren van de scheepvaart

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verkeer geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen.

[Red: Artikel 2.35 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.35 4.12 Omgevingsvergunning ligplaats innemen en meren

Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of drijvend voorwerp een ligplaats in te nemen of te meren in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen:

  • a.

    langer dan drie achtereenvolgende dagen; of

  • b.

    binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd.

[Red: Artikel 2.36 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.36 4.13 Verbod ankeren

Het is verboden te ankeren of ankers, kabels of kettingen te laten slepen in het beperkingengebied ankerverbod provinciale vaarwegen.

[Red: Artikel 2.37 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.37 4.14 Omgevingsvergunning ankeren

Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of drijvend voorwerp te ankeren of ankers, kabels of kettingen te laten slepen in het beperkingengebied ankerplaatsen provinciale vaarwegen:

  • a.

    langer dan drie achtereenvolgende dagen; of

  • b.

    binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd.

[Red: Artikel 2.38 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.38 4.15 Omgevingsvergunning drijven van handel of het afleveren van koopwaar

Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich op de vaarweg of een kunstwerk op te houden voor het drijven van handel of het afleveren van koopwaar in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen.

[Red: Artikel 2.39 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.39 4.16 Omgevingsvergunning gebruik van kunstwerken belemmeren of beletten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van kunstwerken te belemmeren of te beletten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen.

[Red: Artikel 2.40 verplaatst van paragraaf 2.2.2 naar afdeling 4.1. ]

Artikel 2.40 4.17 Weigeren, wijzigen en intrekken omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten provinciale vaarwegen
  • 1

     Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 2.25 4.2

  • 2

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk, wijzigen of intrekken als: 

    • a.

      de in het eerste lid bedoelde belangen dat vorderen; of 

    • b.

      de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd. 

Hoofdstuk 5 Activiteiten in Grondwaterbeschermingsgebieden

Afdeling 5.1 Algemeen

[Red: Artikel 2.41 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.41 5.1 Toepassingsbereik
  • 1

    Paragraaf 2.3.1 Hoofdstuk 5 is van toepassing op het verrichten van milieubelastende activiteiten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

  • 2

    Paragraaf 2.3.1  Hoofdstuk 5 is niet van toepassing op de uitvoering van taken door een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.

[Red: Artikel 2.42 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.42 5.2 Oogmerken

De regels in paragraaf 2.3.1hoofdstuk 5 zijn gesteld met het oog op het beschermen van het milieu en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

[Red: Artikel 2.43 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.43 5.3 Specifieke zorgplicht
  • 1

    Degene die een milieubelastende activiteit verricht in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.42 5.2,  is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegenen kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone gevallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beeindiging van een activiteit.

[Red: Artikel 2.44 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.44 5.4 Informeren over een ongewoon voorval

Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onmiddellijk geinformeerd over een ongewoon voorval.

[Red: Artikel 2.45 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.45 5.5 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

De gegevens en bescheiden die aan de gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden verstrekt zijn:

  • a.

    informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  • b.

    informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

  • c.

    andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

  • d.

    informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

[Red: Artikel 2.46 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.46 5.6 Algemene regels
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op het verrichten van een activiteit waarvoor een meldplicht geldt op grond van subparagraaf 2.3.1.2afdeling 5.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.18afdeling 5.18.

  • 2

    Degene die is belast met de werkzaamheden wordt voorafgaand daaraan door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het waterwingebied of de grondwaterbeschermingszone en de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels.

  • 3

    Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit.

  • 4

    Er worden zodanige voorzieningen getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een boorgat geen bodembedreigende stoffen via dit boorgat in de bodem terecht kunnen komen.

  • 5

    Voor het maken van een boorspoeling wordt alleen klei toegepast. Andersoortige organische of anorganische hulpstoffen worden niet gebruikt, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad.

  • 6

    Er worden zodanige voorzieningen getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen bodembedreigende stoffen in de bodem terecht kunnen komen.

  • 7

    Bij ingrepen toe te passen opvulmaterialen, zoals bentoniet, zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is op het werk aanwezig.

  • 8

    De plaats van opslag van bouwmaterialen en -materieel is afgedekt met folie.

  • 9

    In een bouwput worden geen schadelijke stoffen opgeslagen.

  • 10

    De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig, dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is.

  • 11

    Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker.

  • 12

    Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater wordt opgevangen in een daartoe geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd naar een erkende verwerker.

  • 13

    Gemorste en anderszins vrijgekomen schadelijke stoffen worden onverwijld verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem in het betreffende gebied is uitgesloten.

  • 14

    Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onverwijld geinformeerd over lekkage of morsen waardoor grond of grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt.

  • 15

    Als tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de volgende voorschriften:

    • a.

      huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet wordt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar een openbaar riool afgevoerd;

    • b.

      als aan onderdeel a om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan, wordt:

      • 1.

        toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen afgevoerd naar een opvangtank of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt;

      • 2.

        keukenafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt; en

      • 3.

        ander afvalwater te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar riool; en

    • c.

      een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd.

[Red: Artikel 2.47 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.47 5.7 Aanvraagvereisten melding grondwaterbeschermingsgebieden

Een melding voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf bevat: 

  • a.

    als de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; 

  • b.

    een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; en 

  • c.

    een beschrijving van de milieubelastende activiteit met een vermelding van de diepte van de ingreep ten opzichte van het maaiveld. 

[Red: Artikel 2.48 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.48 5.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebieden

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in subparagraaf 2.3.1.2afdeling 5.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.19afdeling 5.19 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    als de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; 

  • b.

    een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; 

  • c.

    in het geval van een ingreep in of op de bodem: een tekening met een dwarsdoorsnede van de ingreep; 

  • d.

    een beschrijving van de te verrichten milieubelastende activiteit, waaronder gegevens met betrekking tot:

    • 1.

      de omvang;

    • 2.

      de aard, samenstelling en hoeveelheid van de te gebruiken materialen;

    • 3.

      de constructie;

    • 4.

      het gebruik van installaties of andere werken; en

    • 5.

      het oogmerk van de te verrichten milieubelastende activiteit;

  • e.

    als schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht: een beschrijving van deze stoffen, waaronder soort, vorm, de wijze van opslag en de hoeveelheid; 

  • f.

    een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om verontreiniging van de bodem en het grondwater tegen te gaan; en 

  • g.

    een beschrijving van de alternatieven die zijn onderzocht en een onderbouwing van de gekozen werkwijze. 

[Red: Artikel 2.49 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.1 naar afdeling 5.1. ]

Artikel 2.49 5.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1

     Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in subparagraaf 2.3.1.2afdeling 5.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.19afdeling 5.19 zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 en artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 

  • 2

     De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: 

    • a.

       er geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaatsvindt; 

    • b.

       rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van het betreffende gebied en zekerheid is verkregen dat het verlenen, mede gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig met is met de belangen, bedoeld in artikel 2.42 5.2;  en 

    • c.

       het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit voldoende is aangetoond en er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. 

Afdeling 5.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen

[Red: Artikel 2.50 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.50 5.10 Vergunningen graven en ontgronden
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of te ontgronden in een waterwingebied.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone te graven of te ontgronden voor: 

    • a.

      het aanleggen of verwijderen van een openbaar riool, kabel of leiding dieper dan 4 m onder het maaiveld; of 

    • b.

      het aanleggen van een persriool. 

[Red: Artikel 2.51 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.51 5.11 Vergunning aanleggen, veranderen, of verwijderen van een ondergronds bouwwerk
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk aan te leggen, te veranderen of te verwijderen in een waterwingebied.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone een ondergronds bouwwerk aan te leggen voor: 

    • a.

      een palenmatras of de aanleg van een weg, spoorweg of een parkeerterrein; of 

    • b.

      een ander werk, tenzij een gladde heipaal zonder verbreding of verbrede voet wordt gebruikt. 

[Red: Artikel 2.52 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.52 5.12 Vergunning maken van een boorgat
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorgat te maken in een waterwingebied.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorgat te maken dieper dan 4 m onder het maaiveld in een grondwaterbeschermingszone.

[Red: Artikel 2.53 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.53 5.13 Vergunning uitvoeren van een sondering
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sondering uit te voeren in een waterwingebied.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sondering uit te voeren, anders dan voor bodemonderzoek tot aan het zoetbrakgrensvlak, in een grondwaterbeschermingszone.

[Red: Artikel 2.54 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.54 5.14 Vergunning activiteiten slecht-doorlatend eigenschappen van bodemlagen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: 

  • a.

    een gestuurde boring te verrichten; 

  • b.

    werkzaamheden te verrichten voor bodemstabilisering, met inbegrip van verticale en horizontale drainage; 

  • c.

    een fundering aan te leggen; 

  • d.

    stoffen te gebruiken die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kunnen aantasten; of 

  • e.

    een activiteit te verrichten die de slecht-doorlatende eigenschap van een bodemlaag kan aantasten. 

[Red: Artikel 2.55 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.55 5.15 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de eigenaar van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt; 

  • b.

    indien de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; 

  • c.

    een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; 

  • d.

    in het geval van een ingreep in of op de bodem: een tekening met een dwarsdoorsnede van de ingreep; 

  • e.

    een beschrijving van de te verrichten milieubelastende activiteit, waaronder gegevens met betrekking tot:

    • 1.

      de omvang; 

    • 2.

      de aard, samenstelling en hoeveelheid van de te gebruiken materialen;

    • 3.

      de constructie; 

    • 4.

      het gebruik van installaties of andere werken; en 

    • 5.

      het oogmerk van de te verrichten milieubelastende activiteit;

  • f.

    indien schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht: een beschrijving van deze stoffen, waaronder soort, vorm, de wijze van opslag en de hoeveelheid;

  • g.

    een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om verontreiniging van de bodem en het grondwater tegen te gaan; en

  • h.

    een beschrijving van de alternatieven die zijn onderzocht en een onderbouwing van de gekozen werkwijze.

[Red: Artikel 2.56 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.56 5.16 Beoordelingsregels
  • 1

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 en artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2

     Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt alleen verleend als: 

    • a.

       er geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaatsvindt; 

    • b.

       rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van het betreffende gebied en zekerheid is verkregen dat het verlenen, mede gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig met is met de belangen, bedoeld in artikel 2.42 5.2; en 

    • c.

       het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit voldoende is aangetoond en er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. 

[Red: Artikel 2.57 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.57 5.17 Meldplicht
  • 1

    Het is verboden te graven of te ontgronden in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

    Een melding bevat: 

    • a.

      de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de eigenaar van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt; 

    • b.

      indien de aanvragen niet de eigenaar van de locatie is, bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; 

    • c.

      een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; en 

    • d.

      een beschrijving van de milieubelastende activiteit waarvoor een melding wordt gedaan met een vermelding van de diepte van de ingreep ten opzichte van het maaiveld. 

  • 3

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in de artikel 2.50 5.10 tot en met artikel 2.54 5.14

[Red: Artikel 2.58 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.2 naar afdeling 5.2. ]

Artikel 2.58 5.18 Algemene regels

 Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.57 5.17,  wordt voldaan aan de volgende regels: 

  • a.

     de aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf; 

  • b.

     de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; en 

  • c.

     na afronding van de werkzaamheden worden de slecht-doorlatende bodemlagen zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met bentoniet of een ander geschikt kleiproduct. 

Afdeling 5.3 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen

[Red: Artikel 2.59 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.3 naar afdeling 5.3. ]

Artikel 2.59 5.19 Vergunning opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste of vloeibare schadelijke stoffen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      geringe hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; 

    • b.

      schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat voor het doen functioneren van dat vervoermiddel, werktuig of apparaat, als deze deugdelijk zijn geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; of 

    • c.

      het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen. 

[Red: Artikel 2.60 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.3 naar afdeling 5.3. ]

Artikel 2.60 5.20 Meldplicht opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste of vloeibare schadelijke stoffen
  • 1

    Het is verboden vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.59 5.19. 

Afdeling 5.4 Grond en baggerspecie

[Red: Artikel 2.61 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.4 naar afdeling 5.4. ]

Artikel 2.61 5.21 Vergunning grond of baggerspecie

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

  • a.

    het toepassen van grond of baggerspecie dat niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen;

  • b.

    het toepassen van grond of baggerspecie dat niet voldoet aan de achtergrondwaarde als het wordt toegepast in het duingebied;

  • c.

    het opslaan van meer dan een partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie bij een grondbank of grondreinigingsbedrijf; of

  • d.

    het bewerken van grond of baggerspecie.

[Red: Artikel 2.62 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.4 naar afdeling 5.4. ]

Artikel 2.62 5.22 Meldplicht grond of baggerspecie
  • 1

    Het is verboden grond of baggerspecie toe te passen, op te slaan of te bewerken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

    Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.61 5.21.

Afdeling 5.5 Meststoffen

[Red: Artikel 2.63 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.5 naar afdeling 5.5. ]

Artikel 2.63 5.23 Verbod meststoffen
  • 1

    Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: 

    • a.

      het aanleggen of gebruiken van een installatie voor het behandelen van dierlijke meststoffen en het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie; 

    • b.

      het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen; en 

    • c.

      het verspreiden van dierlijke meststoffen voor beweiding in duingebied. 

  • 2

    Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen.

[Red: Artikel 2.64 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.5 naar afdeling 5.5. ]

Artikel 2.64 5.24 Vergunning meststoffen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning plantaardige meststoffen op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. 

  • 2

    Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen.

  • 3

    Het verbod geldt niet voor de verspreiding van meststoffen ten behoeve van beweiding in een waterwingebied, voor zover dat gebied buiten het duingebied ligt.

[Red: Artikel 2.65 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.5 naar afdeling 5.5. ]

Artikel 2.65 5.25 Meldplicht meststoffen
  • 1

    Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen of een installatie aan te leggen of te gebruiken voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

    Het is verboden dierlijke meststoffen, anders dan drijfmest, te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als dat plaatsvindt overeenkomstig paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.63 5.23 of artikel 2.64 5.24

Afdeling 5.6 Vuurwerk en explosieven

[Red: Artikel 2.66 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.6 naar afdeling 5.6. ]

Artikel 2.66 5.26 Verbod vuurwerk en explosieven
  • 1

    Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: 

    • a.

      het op- of overslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; 

    • b.

      het opslaan of toepassen van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor civiel gebruik; of 

    • c.

      het opslaan, bewerken of gebruiken van ontplofbare stoffen op een terrein als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

  • 2

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor de opslag, overslag, herverpakking of bewerking van vuurwerk van categorie F1 in een hoeveelheid van minder dan 200 kg of categorie F2 en F3 in een hoeveelheid minder dan 25 kg.

  • 3

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt niet voor de opslag van een vuurwerkverkooplocatie tot een hoeveelheid van 10.000 kg.

[Red: Artikel 2.67 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.6 naar afdeling 5.6. ]

Artikel 2.67 5.27 Meldplicht vuurwerk en explosieven
  • 1

    Het is verboden vuurwerk of explosieven op te slaan, over te slaan, te herverpakken, te bewerken of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.66 5.26

Afdeling 5.7 Afvalstoffen

[Red: Artikel 2.68 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.7 naar afdeling 5.7. ]

Artikel 2.68 5.28 Verbod afvalstoffen
  • 1

    Het is in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen: 

    • a.

      anders dan voor grond-, weg- of waterbouw; of 

    • b.

      als het gevaarlijke afvalstoffen betreft. 

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of 

    • b.

      tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. 

[Red: Artikel 2.69 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.7 naar afdeling 5.7. ]

Artikel 2.69 5.29 Vergunning afvalstoffen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalstoffen, anders dan gevaarlijke afvalstoffen, in het kader van grond, weg- of waterbouw op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, als het gaat om de nuttige toepassing van afvalstoffen.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of 

    • b.

      tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. 

[Red: Artikel 2.70 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.7 naar afdeling 5.7. ]

Artikel 2.70 5.30 Meldplicht afvalstoffen
  • 1

    Het is verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.68 5.28 of artikel 2.69 5.29

[Red: Artikel 2.71 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.8 naar afdeling 5.7. ]

Artikel 2.71 5.31 Verbod lozingen
  • 1

    Het is verboden lozingen in of op de bodem te verrichten in een waterwingebied.

  • 2

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en:

      • 1.

        waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd; 

      • 2.

        de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en

      • 3.

        waaraan geen warmte is toegevoegd; 

    • b.

      voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; 

    • c.

      voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; 

    • d.

      op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of 

    • e.

      in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is.

Afdeling 5.8 Lozingen in of op de bodem

[Red: Artikel 2.72 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.8 naar afdeling 5.8. ]

Artikel 2.72 5.32 Vergunningen lozingen
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning lozingen in of op de bodem te verrichten in een grondwaterbeschermingszone.

  • 2

    Het verbod geldt niet: 

    • a.

      voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en:

      • 1.

        waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd;

      • 2.

        de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en 

      • 3.

        waaraan geen warmte is toegevoegd; 

    • b.

      voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; 

    • c.

      voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; 

    • d.

      op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of 

    • e.

      in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is.

[Red: Artikel 2.73 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.8 naar afdeling 5.8. ]

Artikel 2.73 5.33 Meldplicht lozingen
  • 1

    Het is verboden lozingen te verrichten in of op de bodem in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.71 5.31 of artikel 2.72 5.32

Afdeling 5.9 Infrastructuur

[Red: Artikel 2.74 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.9 naar afdeling 5.9. ]

Artikel 2.74 5.34 Vergunning infrastructuur
  • 1

    Het is verboden de volgende werken aan te leggen of gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: 

    • a.

      een weg of terrein dat open staat voor gemotoriseerd verkeer, met in begrip van terreinen voor het sporten of recreeren met gemotoriseerde voertuigen; of 

    • b.

       een spoorweg. 

  • 2

     Het verbod geldt in een grondwaterbeschermingszone niet voor het aanleggen of gebruiken van een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal. 

[Red: Artikel 2.75 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.9 naar afdeling 5.9. ]

Artikel 2.75 5.35 Meldplicht infrastructuur

Het is verboden een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal aan te leggen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Afdeling 5.10 Buisleidingen

[Red: Artikel 2.76 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.10 naar afdeling 5.10. ]

Artikel 2.76 5.36 Vergunning buisleiding

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buisleiding voor het doorvoeren van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

Afdeling 5.11 Recreatieterreinen, anders dan een camping

[Red: Artikel 2.77 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.11 naar afdeling 5.11. ]

Artikel 2.77 5.37 Vergunning recreatieterrein, anders dan een camping

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een recreatieterrein, anders dan een camping, aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

Afdeling 5.12 Begraafplaatsen

[Red: Artikel 2.78 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.12 naar afdeling 5.12. ]

Artikel 2.78 5.38 Verbod begraafplaatsen

Het is verboden een begraafplaats, een terrein voor de uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

Afdeling 5.13 Bouwwerken

[Red: Artikel 2.79 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.13 naar afdeling 5.13. ]

Artikel 2.79 5.39 Vergunning bouwwerken
  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een waterwingebied.

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone, als slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast.

  • 3

    Het verbod geldt niet voor gewoon onderhoud aan bouwwerken.

[Red: Artikel 2.80 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.13 naar afdeling 5.13. ]

Artikel 2.80 5.40 Meldplicht bouwwerken
  • 1

    Het is verboden een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplicht is aangewezen in artikel 2.79 5.39. 

Afdeling 5.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem

[Red: Artikel 2.81 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.14 naar afdeling 5.14. ]

Artikel 2.81 5.41 Verbod aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem

Het is verboden een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem aan te leggen of te exploiteren in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

Afdeling 5.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

[Red: Artikel 2.82 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.15 naar afdeling 5.15. ]

Artikel 2.82 5.42 Verbod opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie
  • 1

    Het is verboden een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om: 

    • a.

      de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden; 

    • b.

      het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicalien of brandstoffen in opslagtanks; of 

    • c.

      de opslag in ondergrondse opslagtanks. 

  • 2

     Het is verboden een tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of andere werktuigen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.

  • 3

    Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied: 

    • a.

      het aanleggen of gebruiken van een stookinstallatie, anders dan voor een huishouden;

    • b.

      het aanleggen of gebruiken van een koelinstallatie van met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak; of 

    • c.

      het maken van materialen, eindproducten of halffabricaten met behulp van: 

      • 1.

        een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW;

      • 2.

        een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of

      • 3.

        een oplosmiddeleninstallatie. 

  • 4

    Het is verboden organisch-chemische producten, anorganische-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten of explosieven te maken in een grondwaterbeschermingszone met behulp van: 

    • a.

      een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW; 

    • b.

      een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of

    • c.

      een oplosmiddeleninstallatie. 

[Red: Artikel 2.83 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.15 naar afdeling 5.15. ]

Artikel 2.83 5.43 Vergunning opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie
  • 1

     Het is verboden zonder omgevingsvergunning een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone voor zover artikel 2.82 5.42, eerste lid, niet van toepassing is. 

  • 2

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een grondwaterbeschermingszone: 

    • a.

      het aanleggen of gebruiken van een stookinstallatie; 

    • b.

      het aanleggen of gebruiken van een koelinstallatie met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak. 

  • 3

     Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning materialen, eindproducten en of halffabricaten te maken voor zover artikel 2.82 5.42, derde lid, niet van toepassing is. 

[Red: Artikel 2.84 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.15 naar afdeling 5.15. ]

Artikel 2.84 5.44 Meldplicht opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie
  • 1

    Het is verboden een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.825.42 of artikel 2.83 5.43

Afdeling 5.16 Productie van papier, karton of hout

[Red: Artikel 2.85 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.16 naar afdeling 5.16. ]

Artikel 2.85 5.45 Verbod productie van papier, karton of hout
  • 1

    Het is verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen in een grondwaterbeschermingszone.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor activiteiten die alleen worden verricht:

    • a.

      bij een huishouden;

    • b.

      bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c.

      voor educatieve doeleinden; of

    • d.

      als dit onderdeel uitmaakt van bosbouw of natuurbeheer.

[Red: Artikel 2.86 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.16 naar afdeling 5.16. ]

Artikel 2.86 5.46 Meldplicht productie van papier, karton of hout
  • 1

    Het is verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.85 5.45

Afdeling 5.17 Drukkerijen

[Red: Artikel 2.87 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.17 naar afdeling 5.17. ]

Artikel 2.87 5.47 Verbod drukkerijen
  • 1

    Het is verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken in een grondwaterbeschermingszone.

  • 2

    Het verbod geldt niet als deze activiteiten alleen worden verricht:

    • a.

      bij een huishouden;

    • b.

      bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of

    • c.

      voor educatieve doeleinden.

[Red: Artikel 2.88 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.17 naar afdeling 5.17. ]

Artikel 2.88 5.48 Meldplcht drukkerijen
  • 1

    Het is verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

     Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.87 5.47.

Afdeling 5.18 Reinigingsactiviteiten

[Red: Artikel 2.89 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.18 naar afdeling 5.18. ]

Artikel 2.89 5.49 Verbod reinigingsactiviteiten
  • 1

    Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: 

    • a.

      een opslagtank of verpakking waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen inwendig te reinigen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt; 

    • b.

       voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers, of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd inwendig te reinigen; 

    • c.

      een gemotoriseerd voertuig of werktuig, autobus, spoorvoertuig of vliegtuig te onderhouden, repareren of schoonmaken; of

    • d.

       een verbrandingsmotor of gasturbine te reviseren.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      het onderhouden en repareren van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf; en 

    • b.

      het schoonmaken van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf, als dat landbouwvoertuig of die machine niet is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden. 

[Red: Artikel 2.90 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.18 naar afdeling 5.18. ]

Artikel 2.90 5.50 Vergunning chemisch reinigen textiel

Het is verboden zonder omgevingsvergunning textiel chemisch te reinigen een grondwaterbeschermingszone.

[Red: Artikel 2.91 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.18 naar afdeling 5.18. ]

Artikel 2.91 5.51 Meldplicht reinigingsactiviteiten

 Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 2.89 5.49, tweede lid,  te verrichten in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

Afdeling 5.19 Seveso-inrichtingen en andere installaties

[Red: Artikel 2.92 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.19 naar afdeling 5.19. ]

Artikel 2.92 5.52 Verbod installaties

Het is verboden een activiteit met betrekking tot een installatie als bedoeld in bijlage X te verrichten in een grondwaterbeschermingszone.

[Red: Artikel 2.93 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.19 naar afdeling 5.19. ]

Artikel 2.93 5.53 Vergunning Seveso-inrichtingen en andere installaties

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in verband met een installatie, anders dan bedoeld in bijlage X, te verrichten of een Seveso-inrichting te exploiteren in een grondwaterbeschermingszone.

Afdeling 5.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

[Red: Artikel 2.94 verplaatst van subparagraaf 2.3.1.20 naar afdeling 5.20. ]

Artikel 2.94 5.54 Verbod locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

Het is verboden een locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteit te verrichten in een waterwingebied.

Hoofdstuk 6 Activiteiten in Stiltegebieden

[Red: Artikel 2.95 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.95 6.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in stiltegebied a, stiltegebied b en stiltegebied overig.

[Red: Artikel 2.96 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.96 6.2 Oogmerk stiltegebieden

 De regels in deze paragraaf  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behouden van stilte en het voorkomen en beperken van geluidbelasting ter bescherming van stiltegebieden.

[Red: Artikel 2.97 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.97 6.3 Doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebieden A en B

De regels in paragraaf 2.3.2hoofdstuk 6 zijn gericht op het bereiken en behouden van de volgende doelstelling:

  • a.

    in stiltegebied a een gemiddeld geluidsniveau LAeq van ten hoogste 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode; en

  • b.

    in stiltegebied b een gemiddelde geluidsniveau LAeq van bij voorkeur 40dB (A) maar ten hoogste 48 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

[Red: Artikel 2.98 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.98 6.4 Specifieke zorgplicht

  • 1

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een stiltegebied, is verplicht: 

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2

    Voor activiteiten in een stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van de stiltegebieden worden getroffen; 

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast; en 

    • c.

       geen significante verstoring worden veroorzaakt. 

[Red: Artikel 2.99 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.99 6.5 Verbod waterscooters en andere aangewezen toestellen

Het is verboden met een waterscooter te varen of een ander aangewezen toestel te gebruiken in stiltegebieden.

[Red: Artikel 2.100 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.100 6.6 Vergunning gebruik muziekinstrument, muziekinstallatie of vergelijkbaar geluidsapparaat in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, te gebruiken in stiltegebieden .

  • 2

    Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt:

    • a.

      binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat;

    • b.

      bij een evenement zoals genoemd in artikel 5.54 18.51 onder g.

[Red: Artikel 2.101 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.101 6.7 Vergunning gebruik motorrijtuig buiten openbare weg in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in stiltegebieden een motorrijtuig te gebruiken buiten:

    • a.

      openbare wegen die open staan voor gemotoriseerd verkeer; en

    • b.

      andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorrijtuig:

    • a.

      bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

    • b.

      door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

    • c.

      voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of

    • d.

      voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig.

[Red: Artikel 2.102 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.102 6.8 Vergunning gebruik vaartuig of luchtkussenvoertuig in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een waterscooter, of luchtkussenvoertuig te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig of luchtkussenvoertuig:

    • a.

      op andere wateren dan Deltawateren met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur;

    • b.

      zonder verbrandings- of explosiemotor;

    • c.

      voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • d.

      bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of

    • e.

      voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid.

[Red: Artikel 2.103 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.103 6.9 Vergunning vuurwerkgebruik in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning vuurwerk te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen; 

    • b.

      het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar; of 

    • c.

      het gebruik van consumentenvuurwerk op een afstand van minder dan 50 m van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode. 

[Red: Artikel 2.104 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.104 6.10 Vergunning gebruik airgun of ander knalapparatuur in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een airgun of andere knalapparatuur te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor beheer en schadebestrijding met knalapparatuur, waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Als er binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten samen het maximum van 3 knallen per uur.

[Red: Artikel 2.105 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.105 6.11 Vergunning gebruik motorisch aangedreven werktuig in stiltegebieden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen in stiltegebieden.

[Red: Artikel 2.106 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.106 6.12 Vergunning voor gebruik van geluidsapparatuur in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor het gebruik voor:

    • a.

      de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • b.

      het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of

    • c.

      de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid.

[Red: Artikel 2.107 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.107 6.13 Vergunning gebruik modelvliegtuig, modelboot en modelauto in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of; 

    • b.

      het gebruik van een RPAS (drone) door een gecertificeerd drone-gebruiker die aantoonbaar op de hoogte is van de lokale en actuele situatie rond de stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van het desbetreffende Natura 2000 gebied:

      • 1.

        gedurende het hele jaar (tenzij anders geformuleerd in een N2000 beheerplan voor de uitoefening van beroepsmatig uitgevoerde activiteiten en overheidstaken (beheer en onderhoud, beroepsvisserij, faunabeheer, markeren, inspectie-, toezicht-, opsporings-, reddings-en defensietaken, calamiteiten beheer, onderzoek en monitoring); of 

      • 2.

        voor vluchten die worden uitgevoerd door, of in opdracht van, de (semi) overheid of een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie.

[Red: Artikel 2.108 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.108 6.14 Vergunning gebruik vuurwapen in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vuurwapen te gebruiken in stiltegebieden.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen:

    • a.

      door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

    • b.

      in geval van nood; of

    • c.

      voor activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

[Red: Artikel 2.109 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.109 6.15 Vergunning toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen in stiltegebieden

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen te houden of daar aan deel te nemen in stiltegebieden. 

  • 2

    Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen of bromfietsen.

[Red: Artikel 2.110 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.110 6.16 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije activiteiten

Artikel 2.99 artikel 6.5  tot en met artikel 2.109 6.15 gelden niet voor: 

  • a.

     land- tuin-, bosbouw en beroepsmatige visserij; 

  • b.

     het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en 

  • c.

     beroepsscheepvaart. 

[Red: Artikel 2.111 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.111 6.17 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning stiltegebieden

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit;

  • b.

    een kaart waarop de plaats van de activiteit is aangegeven;

  • c.

    een onderzoek naar de akoestische gevolgen van de activiteit overeenkomstig de Omgevingsregeling;

  • d.

    de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken;

  • e.

    een omschrijving van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel of uit te voeren activiteit; en

  • f.

    tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel of de activiteit zich afspeelt.

[Red: Artikel 2.112 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.112 6.18 Beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: 

  • a.

    de activiteit tijdelijk is; 

  • b.

    zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe dwingen en alternatieven buiten stiltegebieden ontbreken; en 

  • c.

    er rekening wordt gehouden met het karakter van de stiltegebieden. 

[Red: Artikel 2.113 verplaatst van paragraaf 2.3.2 naar hoofdstuk 6. ]

Artikel 2.113 6.19 Intrekken vergunning

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het belang van de heersende natuurlijke rust in de stiltegebieden of invloedsgebieden dit vereist.

Hoofdstuk 7 Activiteiten in duisternisgebieden

Artikel 2.141 7.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in duisternisgebieden en in het invloedgebied duisternisgebieden.

Artikel 2.142 7.2 Oogmerk

Deze afdeling Dit hoofdstuk is gericht op het voorkomen of beperken van lichthinder in duisternisgebieden.

Artikel 2.143 7.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit, als bedoeld in  artikel 2.141 7.1, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de heersende duisternis in duisternisgebieden, is verplicht: 

  • a.

    de noodzakelijke maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen; 

  • b.

     voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

Hoofdstuk 8 Ontgrondingen op land en in regionale wateren

Artikel 2.114 8.1 Toepassingsbereik

 Deze afdeling Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van ontgrondingsactiviteiten als bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 2.115 8.2 Oogmerk

De regels in deze afdeling  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden.

Artikel 2.116 8.3 Vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten

In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor:

  • a.

    grondbewerking voor de normale uitoefening van een land-, tuin- en bosbouwbedrijf; en

  • b.

    ontgrondingen op grond van een natuurontwikkelingsplan dat is vastgesteld door gedeputeerde staten, of een investeringsplan behorend bij een door gedeputeerde staten vastgestelde subsidiebeschikking in het kader van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap.

Artikel 2.117 8.4 Afwijking van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten

In afwijking van artikel 16.7, aanhef en onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van waterlopen en sloten alleen zonder omgevingsvergunning verricht als deze: 

  • a.

    een bovenbreedte hebben van minder dan 5 m;

  • b.

    een bodembreedte hebben van maximaal 1,50 m; en 

  • c.

    een diepte hebben van maximaal 1 m beneden het in het peilbesluit vastgestelde zomerpeil, of bij gebrek daaraan, 2,50 m beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek.

Artikel 2.118 8.5 Buiten behandeling laten aanvraag omgevingsvergunning

Gedeputeerde staten kunnen de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit buiten behandeling laten, als de aanvrager niet de eigenaar is van één of meer percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, en de aanvraag niet door de eigenaar mede is ondertekend.

Hoofdstuk 9 Grondwatersanering

Artikel 2.119 9.1 Toepassingsbereik

  • 1

    Deze paragraaf Dit hoofdstuk is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater.

  • 2

    Voor de toepassing van deze paragraaf  dit hoofdstuk wordt onder het saneren van verontreinigd grondwater ook verstaan het verrichten van activiteiten ten gevolge waarvan verontreinigd grondwater wordt verminderd of verplaatst.

Artikel 2.120 9.2 Oogmerk

De regels in deze paragraaf  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 2.121 9.3 Specifieke zorgplicht

  • 1

    Degene die verontreinigd grondwater saneert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.120 9.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Voor milieubelastende activiteiten in houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c.

      geen significante verstoring wordt veroorzaakt; en

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 2.122 9.4 Melding grondwatersanering

  • 1

    Het is verboden verontreinigd grondwater te saneren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2

    Een melding bevat: 

    • a.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

    • b.

      een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; 

    • c.

      een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een omschrijving van de grondwaterkwaliteit die met de maatregelen bereikt wordt; 

    • d.

      een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en 

    • e.

      een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen. 

  • 3

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.123 9.5 Verstrekken gegevens en bescheiden locatie en startdatum grondwatersanering

  • 1

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 2.124 9.6 Verstrekken gegevens en bescheiden uitvoerder en milieukundige begeleider

  • 1

    Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    • b.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.

  • 2

    Onverwijld na het wijzigen van de naam of het adres, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 2.125 9.7 Uitvoering van de activiteit grondwatersanering

  • 1

    Met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt de activiteit zodanig verricht dat: 

    • a.

      het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; en 

    • b.

      nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven. 

  • 2

    De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

  • 3

     De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 2.122 9.4,  tweede lid, onder b. 

  • 4

     Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in artikel 2.122 9.4, tweede lid, onder d. 

Artikel 2.126 9.8 Evaluatie grondwatersanering

  • 1

    Gedeputeerde staten worden ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit geïnformeerd over de verwachte einddatum.

  • 2

    Na beëindiging van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL 6000. Het evaluatieverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan;

    • b.

      een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit;

    • c.

      als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en

    • d.

      als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen.

  • 3

    Het evaluatieverslag wordt ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit aan gedeputeerde staten verstrekt.

  • 4

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag.

  • 5

    Met de uitvoering van de nazorgmaatregelen is belast degene die de activiteit heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag.

Artikel 2.127 9.9 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering

 Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de artikelen artikel 2.121 9.3artikel 2.125 9.7 en artikel 2.126 9.8

Hoofdstuk 10 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen

Artikel 2.128 10.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in, op, onder, of over de gesloten stortplaatsen waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor de gesloten stortplaatsen wordt uitgevoerd.

Artikel 2.129 10.2 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu.

Artikel 2.130 10.3 Specifieke zorgplicht

  • 1

    Degene die een activiteit verricht in een gesloten stortplaatsen en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.129 10.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en

    • b.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.

Artikel 2.131 10.4 Vergunningplicht activiteiten gesloten stortplaatsen

  • 1

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gesloten stortplaatsen:

    • a.

      een milieubelastende activiteit te verrichten;

    • b.

      een bouwactiviteit te verrichten;

    • c.

      een werk te maken of te behouden;

    • d.

      stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen; of

    • e.

      andere activiteiten te verrichten, indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen ten behoeve van de nazorgvoorzieningen kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

  • 2

    Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer.

Artikel 2.132 10.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de voorgenomen activiteit bij de stortplaatsen en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

  • b.

    het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven;

  • c.

    naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied;

  • d.

    de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

  • e.

    de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

  • f.

    de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en

  • g.

    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen.

Artikel 2.133 10.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:

  • a.

    er maatregelen worden genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de leefomgeving;

  • b.

    voorzieningen ter bescherming van de bodem regelmatig worden geïnspecteerd;

  • c.

    de bodem onder de gesloten stortplaats regelmatig wordt onderzocht; en

  • d.

    er wanneer dat nodig is maatregelen worden getroffen om:

    • 1.

      de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; en

    • 2.

      anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren.

Artikel 2.134 10.7 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaatsen

Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.

Hoofdstuk 11 Natura 2000-activiteiten

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 Flora en Fauna

Afdeling 12.1 Algemene bepalingen

[Red: Artikel 2.144 verplaatst van paragraaf 2.10.1 naar afdeling 12.1. ]

Artikel 2.144 12.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van flora- en fauna-activiteiten.

[Red: Artikel 2.145 verplaatst van paragraaf 2.10.1 naar afdeling 12.1. ]

Artikel 2.145 12.2 Oogmerk

De regels in deze afdeling  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    de natuurbescherming; 

  • b.

     goed jachthouderschap; 

  • c.

    het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; 

  • d.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • e.

    de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 

  • f.

    bestendig beheer of onderhoud; of 

  • g.

    onderzoek en onderwijs. 

[Red: Artikel 2.146 verplaatst van paragraaf 2.10.1 naar afdeling 12.1. ]

Artikel 2.146 12.3 Tijdelijk Technisch Artikel - mini checkers
  • 1

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bouw en uitbouw

  • 2

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bomen of beplanting

  • 3

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bedrijfsvoering

  • 4

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Gebouw bouwen

  • 5

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Monument

  • 6

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Vis uitzetten

  • 7

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Zendmast plaatsen

  • 8

    In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Slopen

Afdeling 12.2 Vergunningvrije gevallen en Ganzenrustgebieden

[Red: Artikel 2.147 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.147 12.4 Ganzenrustgebieden  

Het is niet toegestaan in de periode van 1 november tot 1 april grauwe gans, kolgans en brandgans te doden binnen de aangewezen ganzenrustgebieden.

[Red: Artikel 2.152 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.152 12.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten
  • 1

    Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van damhert.

  • 2

    Het eerste lid geldt alleen als de activiteit wordt verricht:

    • a.

      door of in opdracht van een grondgebruiker;

    • b.

      op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn;

    • c.

      in overeenstemming met het faunabeheerplan; en

    • d.

      in overeenstemming met artikel artikel 2.153 12.6.

  • 3

    Het eerste lid geldt niet op zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag.

  • 4

    Het eerste lid geldt niet voor het opzettelijk doden door middel van drijven.

  • 5

    De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze.

[Red: Artikel 2.153 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.153 12.6 Algemene regels schadebestrijding damhert

Het doden van damhert vindt alleen plaats: 

  • a.

    in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

  • b.

    op de gronden binnen het beheergebied zwervende damherten; en 

  • c.

    met gebruik van het geweer. 

[Red: Artikel 2.154 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.154 12.7 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: beheer, onderhoud, gebruik, inrichting of ontwikkeling van gebieden
  • 1

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, en artikel 11.54, eerste lid, van het besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de in bijlage VIII genoemde soorten bij het verrichten van een activiteit in verband met:

    • a.

      de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde; 

    • b.

       bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 

    • c.

      bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 

    • d.

      bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of 

    • e.

      bestendig gebruik. 

  • 2

     Het eerste lid geldt alleen voor het verrichten van een activiteit die niet al vergunningvrij is op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

[Red: Artikel 2.155 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.155 12.8 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: bescherming weidevogels

De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor het verrichten van een activiteit die bestemd en geschikt is voor de bescherming van weidevogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

[Red: Artikel 2.156 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.156 12.9 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: veiligstellen tegen het verkeer

Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.46, 11.47 en 11.54, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen, onder zich hebben en vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats van beschermde kikkers, padden en salamanders, als deze activiteit plaatsvindt ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer en de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

[Red: Artikel 2.157 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.157 12.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: onderwijs en onderzoek
  • 1

     Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het vangen en vervolgens weer op de oorspronkelijke vangplaats uitzetten van eieren van de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), meerkikker (Pelophylax ridibundus), bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) voor onderzoek en onderwijs.

  • 2

    Het eerste lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid.

[Red: Artikel 2.158 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.158 12.11 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: vervoer van ziek of gewond dier
  • 1

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b en 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, niet zijnde een gewone zeehond of een grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier, anders dan in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  • 2

    Het eerste lid geldt alleen als:

    • a.

      de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die op grond van de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging; en

    • b.

      het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.

[Red: Artikel 2.159 verplaatst van paragraaf 2.10.2 naar afdeling 12.2. ]

Artikel 2.159 12.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen; omgevingsverg. jachtgeweeractiviteit

Voor het gebruik van het luchtdrukgeweer bij het bestrijden van zwarte en bruine ratten geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder f van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten niet als:

  • a.

    bij maatwerkbesluit is toegestaan het luchtdrukwapen te mogen gebruiken voor het doden van zwarte en bruine ratten; en 

  • b.

    de gebruiker van het maatwerkbesluit die niet beschikt over een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit een opleiding heeft gevolgd voor het veilig gebruik van het luchtdrukgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten.

Afdeling 12.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden

[Red: Artikel 2.160   verplaatst van paragraaf 2.10.3 naar afdeling 12.3. ]

Artikel 2.160   12.13 Geen schadebestrijding en jacht bij bijzondere weersomstandigheden

Gedeputeerde staten kunnen activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.10.2afdeling 12.2 en de jacht op wildsoorten beperken of stopzetten in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 13 Onderwater flora en fauna

[Red: Artikel 2.161   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.161   13.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten met gevolgen voor onderwater flora en fauna langs, op of onder een oppervlaktewaterlichaam.

[Red: Artikel 2.162   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.162   13.2 Oogmerk

De regels in deze paragraaf  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de bescherming van de onderwater flora en fauna, met uitzondering van de van nature in Nederland in het wild levende dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onder a van de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage IX van de wet en soorten genoemd in de Visserijwet 1963.

[Red: Artikel 2.163   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.163   13.3 Specifieke zorgplicht

  • 1

     Degene die een activiteit verricht langs, op of onder een oppervlaktewater en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.162 13.2, is verplicht: 

    • a.

       alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 

    • b.

       voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; 

    • c.

       als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit en of handeling achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat: 

    • a.

      waterdieren en waterplanten niet nodeloos worden verstoord of in hun voortbestaan worden bedreigd; en 

    • b.

       alle passende maatregelen worden genomen om waterdieren en waterplanten te beschermen. 

[Red: Artikel 2.164   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.164   13.4 Vergunningplicht activiteiten onderwater flora en fauna

  • 1  

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten langs, op of onder een oppervlaktewater te verrichten: 

    • a.

      het uitsteken, afsnijden of anderszins verwijderen, voorhanden hebben of vervoeren van waterplanten en wieren; 

    • b.

      het opzettelijk doden, vangen, en voorhanden hebben of vervoeren van waterdieren; of 

    • c.

      het bij zich hebben van voorwerpen die kennelijk tot doel hebben een onder a of b bedoelde activiteit te verrichten. 

  • 2

    De verboden zoals bedoeld in het eerste lid onder a. b. en c gelden niet voor:

    • a.

      Degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k van de wet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963;

    • b.

      Sportvissers die vissen op basis van een VISpas voor de activiteiten die de VISpas toestaat;

    • c.

      Normaal recreatief gebruik aan, in en bij het water.

[Red: Artikel 2.165   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.165   13.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning onderwater flora en fauna

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een omschrijving van de activiteit; 

  • b.

     een onderbouwing van het doel van de activiteit; 

  • c.

    een kaart met de locatie van de activiteit; 

  • d.

    de omvang en duur van de activiteit;

  • e.

    een beschrijving van de waterdieren en waterplanten waar het om gaat en de hoeveelheid die wordt gevangen; 

  • f.

    een beschrijving van de effecten van de activiteit op de populatie waterdieren en aantallen waterplanten waar het om gaat en het onderwatermilieu; en 

  • g.

    welke middelen worden gebruikt. 

[Red: Artikel 2.166   verplaatst van paragraaf 2.10.4 naar hoofdstuk 13. ]

Artikel 2.166   13.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning onderwater flora en fauna

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: 

  • a.

    de activiteit wordt verricht door of namens een rechtspersoon; 

  • b.

    de activiteit geen zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons betreft; 

  • c.

    de activiteit geen nadelige gevolgen heeft op de populatie en omvang van de soort in het betreffende gebied en het onderwatermilieu;

  • d.

    de activiteit tijdelijk is; 

  • e.

    de activiteit handmatig wordt uitgevoerd;  

  • f.

    er geen gebruik wordt gemaakt van niet-selectieve middelen; en

  • g.

    onnodig lijden van waterdieren wordt voorkomen. 

Hoofdstuk 14 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen

[Red: Artikel 2.167   verplaatst van paragraaf 2.11.1 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.167   14.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling Dit hoofdstuk is van toepassing op het vellen en herbeplanten van houtopstanden in het buitengebied bebouwingscontour houtkap.

Deze afdeling Dit hoofdstuk gaat niet over de activiteiten, bedoeld in artikel 11.111 lid 2 en 11.112, lid 2, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt de volgende nuancering:

Voor wegbeplanting, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub g onder 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt wel meld- en herplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. De begrippen wegbeplanting en dijk/dijklichaam zijn uitgelegd in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 in Bijlage 1. Begripsbepalingen. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.  

Dunning, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub h van het Besluit activiteiten leefomgeving, valt alleen onder de uitzondering als er maximaal 40% van de kroondekking wordt verwijderd voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand.

[Red: Artikel 2.168   verplaatst van paragraaf 2.11.1 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.168   14.2 Oogmerk

De regels in deze afdeling  dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    de natuurbescherming; 

  • b.

    de instandhouding van het bosareaal in Zeeland; en 

  • c.

    het beschermen van landschappelijke waarden. 

[Red: Artikel 2.169   verplaatst van paragraaf 2.11.2 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.169   14.3 Gegevens melding vellen houtopstand

Gelijktijdig met de melding, als bedoeld in artikel 11.126 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling;

  • b.

    een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen;

  • c.

    in het geval van oppervlaktebeplanting de oppervlakte van de velling in vierkante meters;

  • d.

    in het geval van rijbeplanting het aantal bomen;

  • e.

    in het geval van rijbeplanting de gemiddelde onderlinge afstand tussen bomen in meters;

  • f.

    de boom- en struiksoorten;

  • g.

    de leeftijd van de houtopstand;

  • h.

    de reden van de velling;

  • i.

    de geplande startperiode van de velling; en

  • j.

    een herbeplantingsplan. Dit plan bevat tenminste de gegevens zoals genoemd onder a tot en met f van dit artikel.

[Red: Artikel 2.170   verplaatst van paragraaf 2.11.2 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.170   14.4 Uitzondering op meldplicht vellen houtopstand

  • 1  

    Het verbod uit artikel 11.126 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vellen van verjongingsgaten als:

    • a.

      deze niet groter zijn dan anderhalf maal de boomhoogte; en

    • b.

      deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het boscomplex.

  • 2

    Er mogen pas nieuwe verjongingsgaten in een bosperceel gemaakt worden als de eerdere verjongingsgaten weer een dekkingsgraad van minimaal 60% hebben.

[Red: Artikel 2.171   verplaatst van paragraaf 2.11.3 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.171   14.5 Eisen aan herbeplanting

  • 1

    Een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129, lid 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: 

    • a.

      in geval van oppervlaktebeplanting is de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde of tenietgegane oppervlakte; 

    • b.

      in geval van oppervlaktebeplanting vormt de herbeplante houtopstand binnen tien jaar naar verwachting een gesloten kronendak en heeft de houtopstand binnen drie jaar aantoonbare groei;

    • c.

      in geval van rijbeplanting is de rij tenminste even lang als de gevelde of tenietgegane rijbeplanting;

    • d.

      in geval van rijbeplanting mag de onderlinge plantafstand niet groter zijn dan 10 meter;

    • e.

      de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of tenietgegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit;

    • f.

      de herbeplante houtopstand kan, gelet op het plantmateriaal, de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; 

    • g.

      het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; 

    • h.

      herbeplanting binnen het Natuurnetwerk Zeeland vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de wezenlijke kenmerken en waarden voor dat gebied, als bedoeld in artikel 7.7 lid 1 van  het Besluit kwaliteit leefomgeving; 

    • i.

      herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, als bedoeld in artikel 3.58, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • j.

      een spontane natuurlijke verjonging, die aan de eisen voldoet zoals in dit artikel is beschreven, is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting. 

  • 2

    Van het eerste lid, onder sub c kan worden afgeweken als het gaat om door gedeputeerde staten in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 aangewezen boomsoorten die bijzonder groot en oud kunnen worden en die op een grotere plantafstand staan dan 10 meter. In dat geval mag op dezelfde grotere plantafstand worden herbeplant als dezelfde boomsoort wordt gebruikt.

  • 3

    Bij een velling die vooraf niet is gemeld, kunnen gedeputeerde staten besluiten dat dezelfde grond zo snel mogelijk binnen een redelijke termijn wordt herbeplant in plaats van binnen drie jaar. Dit is in afwijking van artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

[Red: Artikel 2.172   verplaatst van paragraaf 2.11.3 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.172   14.6 Eisen aan herbeplanting op andere grond

  • 1

    Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 sub a van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      de andere grond ligt bij voorkeur in dezelfde gemeente, maar in ieder geval in de provincie Zeeland;

    • b.

      de andere grond ligt buiten de bebouwingscontour houtkap;

    • c.

      de andere grond is vrij van beplanting en bouwwerken;

    • d.

      de andere grond is vrij van andere bestaande natuurverplichtingen, zoals de herbeplantingsplicht, natuurcompensatie en mitigatie;

    • e.

      herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag;

    • f.

      als de gevelde of tenietgegane houtopstand onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dan moet herbeplanting weer aansluitend aan dit complex plaatsvinden;

    • g.

      de gevelde of tenietgegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen en de wezenlijke kenmerken en waarden, als bedoeld in artikel 2.44 lid 1 en 4 van de Omgevingswet;

    • h.

      de gevelde of tenietgegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem;

    • i.

      de aanplant is bosbouwkundig verantwoord, als bedoeld in artikel 2.171; en

    • j.

      de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling.

[Red: Artikel 2.173   verplaatst van paragraaf 2.11.3 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.173   14.7 Uitzondering op plicht tot herbeplanting

De plicht tot herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het door natuurlijke ontwikkelingen tenietgaan van houtopstanden, als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.

[Red: Artikel 2.174 verplaatst van paragraaf 2.11.4 naar hoofdstuk 14. ]

Artikel 2.174 14.8 Afwijken met maatwerkvoorschrift

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de eigenaar van de houtopstand toestemming verlenen om af te wijken van de regels van deze afdeling. Dit kunnen zij besluiten als de afwijking nog effectiever bijdraagt aan de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand. Deze toestemming wordt verleend door middel van maatwerkvoorschriften, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 15 Activiteiten landschap

Afdeling 15.1 Distelbeheer

[Red: Artikel 2.175   verplaatst van paragraaf 2.13.1   naar afdeling 15.1. ]

Artikel 2.175   15.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het hebben en gebruiken van gronden waarop volgens het omgevingsplan landbouw kan worden verricht en die daadwerkelijk in gebruik zijn als landbouwgrond, en een daaraan grenzende strook van 30 meter.

[Red: Artikel 2.176   verplaatst van paragraaf 2.13.1   naar afdeling 15.1. ]

Artikel 2.176   15.2 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van agrarische belangen.

[Red: Artikel 2.177   verplaatst van paragraaf 2.13.1   naar afdeling 15.1. ]

Artikel 2.177   15.3 Uitbreiding normadressaat

In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de regels van deze paragraaf afdeling ook voldaan door de eigenaar van of andere zakelijk gerechtigde op de landbouwgrond.

[Red: Artikel 2.178   verplaatst van paragraaf 2.13.1   naar afdeling 15.1. ]

Artikel 2.178   15.4 Distelbeheer

Op landbouwgronden wordt voorkomen dat de distelsoorten Cirsium Arvense (akkerdistel) en Sonchus Arvensis (akkermelkdistel) tot bloei komen.

Afdeling 15.2 Borden

Paragraaf 15.2.1 Algemene bepalingen

[Red: Artikel 2.179   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.1   naar paragraaf 15.2.1. ]

Artikel 2.179   15.5 Toepassingsbereik
  • 1

    Paragraaf 2.13.2 Afdeling 15.2  is van toepassing op het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van bedrijventerreinen van ten minste een hectare. 

  • 2

    Paragraaf 2.13.2 Afdeling 15.2  is niet van toepassing op het plaatsen van: 

    • a.

       borden behorend tot verkeerstekens, verkeersaanwijzingen of bewegwijzering, met inbegrip van toeristische bewegwijzering, in overeenstemming met de regels krachtens de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet; 

    • b.

       borden voor een campagne voor de verkeersveiligheid op wegen en vaarwegen, mits de borden geen handelsreclame bevatten; 

    • c.

       borden op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; 

    • d.

      officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen; en 

    • e.

      vlaggen op sportterreinen. 

[Red: Artikel 2.180   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.1   naar paragraaf 15.2.1. ]

Artikel 2.180   15.6 Oogmerken

 De regels in paragraaf 2.13.2afdeling 15.2 zijn gesteld met het oog op het beschermen van het landschap. 

[Red: Artikel 2.181   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.1   naar paragraaf 15.2.1. ]

Artikel 2.181   15.7 Maatwerkvoorschriften
Paragraaf 15.2.2 Algemene regels permanente borden en spandoeken

[Red: Artikel 2.182   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.182   15.8 Toegelaten permanente borden en spandoeken
  • 1

    Een permanent bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf.

  • 2

    De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een permanent geplaatst spandoek.

[Red: Artikel 2.183   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.183   15.9 Goede staat borden

Een bord verkeert in goede staat.

[Red: Artikel 2.184   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.184   15.10 Borden voor meubilering of stoffering

Een bord dat kennelijk behoort tot de meubilering of de stoffering van een gebouw: 

  • a.

    is tegen het gebouw geplaatst; 

  • b.

    steekt niet uit boven het gebouw; en 

  • c.

    heeft een relatie met het feitelijk gebruik van het gebouw. 

[Red: Artikel 2.185   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.185   15.11 Borden voor beroep, bedrijf of dienst
  • 1

    Een bord dat betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, anders dan een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation als bedoeld in artikel 2.189 15.15,  dat of die feitelijk wordt uitgeoefend in een gebouw:

    • a.

      bestaat uit maximaal 2 borden; en

    • b.

      heeft een maximale oppervlakte van 2 m2 per bord.

  • 2

    In het geval van 2 of 3 bedrijven gesitueerd aan één oprit:

    • a.

      kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en

    • b.

      heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m2.

  • 3

    In afwijking van het tweede lid:

    • a.

      kunnen de bedrijven gezamenlijk één bord plaatsen; en

    • b.

      heeft het bord een maximale oppervlakte van 4 m2.

  • 4

    In het geval van 4 of meer bedrijven gesitueerd aan één oprit:

    • a.

      kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en

    • b.

      heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m2.

  • 5

    In afwijking van het vierde lid:

    • a.

      kunnen de bedrijven gezamenlijk maximaal 2 borden plaatsen; en

    • b.

      heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 4 m2.

  • 6

    De borden, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid:

    • a.

      worden geplaatst bij het gebouw of de inrit daarnaartoe;

    • b.

      zijn niet verlicht; en

    • c.

      hebben een maximale hoogte van 2,5 meter boven het maaiveld.

[Red: Artikel 2.186   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.186   15.12 Borden over objecten of gebieden

 Een bord dat informatie verschaft over een object, een gebied, grensaanduidingen van een gemeente, de provincie of Nederland, aanduidingen met "verboden toegang" of een terrein beherende instantie: 

  • a.

     wordt feitelijk geplaatst bij het object of gebied; 

  • b.

     verschaft feitelijke, verdiepende informatie over het object of gebied; 

  • c.

     bevat geen handelsreclame; 

  • d.

     heeft een maximale oppervlakte van 2 m2

  • e.

     heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; en 

  • f.

     is niet verlicht. 

[Red: Artikel 2.187   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.187   15.13 Borden op sportterreinen

Een bord dat is geplaatst op een sportterrein heeft de tekst en de afbeelding gericht naar het speelveld.

[Red: Artikel 2.188   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.188   15.14 Borden voor gedachten en gevoelens

 Een bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet

  • a.

     heeft een maximale oppervlakte van 2 m2

  • b.

     heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; 

  • c.

     is niet verlicht; en 

  • d.

     bevat geen handelsreclame. 

[Red: Artikel 2.189   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.189   15.15 Borden bij benzinestations en wegenwachtstations

Een bord dat is geplaatst op het terrein van een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation heeft direct betrekking op de aldaar uitgevoerde activiteiten.

[Red: Artikel 2.190   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.190   15.16 Borden op rotondes
  • 1

    Een bord dat in overleg met de wegbeheerder op een rotonde kan worden geplaatst: 

    • a.

      geeft aan dat het onderhoud van de rotonde wordt gesponsord; 

    • b.

      heeft een maximale lengte van 0,50 meter; 

    • c.

      heeft een maximale breedte van 0,30 meter; 

    • d.

      heeft een maximale hoogte van 0,70 meter vanaf het maaiveld; en 

    • e.

      is niet verlicht. 

  • 2

    Er worden maximaal twee borden per rotonde geplaatst.

[Red: Artikel 2.191   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.2   naar paragraaf 15.2.2. ]

Artikel 2.191   15.17 Borden voor de verkoop van agrarische producten
  • 1

    Voor de verkoop van agrarische streekproducten worden maximaal drie borden geplaatst, waarvan maximaal twee direct bij het verkooppunt van het bedrijf of bij het bedrijf zelf en één binnen een straal van een kilometer van het bedrijf.

  • 2

    Een bord dat wordt geplaatst binnen een straal van een kilometer van het bedrijf:

    • a.

      bevat geen handelsreclame;

    • b.

      heeft een oppervlakte van maximaal 2,50 m2; en

    • c.

      heeft een hoogte van maximaal 2,50 m vanaf het maaiveld.

Paragraaf 15.2.3 Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken

[Red: Artikel 2.192   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.192   15.18 Toegelaten tijdelijke borden en spandoeken
  • 1

    Een tijdelijk bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf.

  • 2

    De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een tijdelijk spandoek.

[Red: Artikel 2.193   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.193   15.19 Goede staat tijdelijke borden

Een tijdelijk bord verkeert in goede staat.

[Red: Artikel 2.194   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.194   15.20 Verkiezingsborden

Een tijdelijk bord dat uitsluitend is bedoeld voor de verkiezing van een openbaar bestuur: 

  • a.

    wordt niet eerder geplaatst dan vier weken voor de verkiezingsdatum; 

  • b.

    is uiterlijk één week na de verkiezingsdatum verwijderd; 

  • c.

    bevat geen handelsreclame; en

  • d.

    is niet verlicht. 

[Red: Artikel 2.195   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.195   15.21 Borden voor verkoop en verhuur
  • 1

    Een tijdelijk bord dat bij of tegen een onroerende zaak is geplaatst voor het 'te koop', 'te huur' of 'in pacht' aanbieden van deze onroerende zaak: 

    • a.

      vermeldt deze feitelijke betekenis; en

    • b.

      is niet verlicht. 

  • 2

    Er worden niet meer dan twee borden per onroerende zaak geplaatst.

[Red: Artikel 2.196   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.196   15.22 Borden bij bouwprojecten
  • 1

    Een tijdelijk bord bij een werk in uitvoering van infrastructurele bouwprojecten: 

    • a.

      staat er niet langer dan de duur van het werk; 

    • b.

      is geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het werk; en 

    • c.

       is niet verlicht. 

  • 2

    Er worden bij infrastructurele bouwprojecten niet meer borden geplaatst dan:

    • a.

      twee per werk; 

    • b.

      in aanvulling daarop: één bord voor verkeersgeleiding per rijrichting; en

    • c.

      vijf borden in totaal.

  • 3

    Een tijdelijk bord bij een werk in uitvoering bij overige bouwprojecten: 

    • a.

      staat er niet langer dan de duur van het werk; en 

    • b.

      is niet verlicht. 

  • 4

    Er worden bij overige bouwprojecten niet meer dan twee borden per werk geplaatst.

[Red: Artikel 2.197   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.197   15.23 Borden voor wedstrijden, manifestaties, evenementen en tentoonstellingen
  • 1

    Een tijdelijk bord op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling plaatsvindt:

    • a.

      behoort niet tot de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;

    • b.

      wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling;

    • c.

      is uiterlijk verwijderd één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling;

    • d.

      vermeldt de tijdelijkheid van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling met een datumaanduiding op het bord; en

    • e.

      is niet verlicht.

  • 2

    Een tijdelijk bord voor een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling die of dat slechts één keer per jaar plaatsvindt:

    • a.

      behoort niet tot de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;

    • b.

      wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling;

    • c.

      is uiterlijk verwijderd één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling;

    • d.

      wordt geplaatst binnen de grenzen van de gemeente waar de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling wordt gehouden;

    • e.

      wordt niet vaker dan één keer per jaar geplaatst;

    • f.

      vermeldt de tijdelijkheid van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling met een datumaanduiding op het bord; en

    • g.

      is niet verlicht.

  • 3

    Voor een wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling die of dat slechts één keer per jaar plaatsvindt worden niet meer dan twee tijdelijke borden per wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling geplaatst.

  • 4

    Een tijdelijk bord voor een nationaal of internationaal evenement dat zich provinciegrensoverschrijdend verplaatst én dat niet vaker voorkomt dan één keer per jaar:

    • a.

      wordt geplaatst op de route van het evenement tussen de start en de finish;

    • b.

      wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van het evenement;

    • c.

      is uiterlijk verwijderd één week na afloop van het evenement;

    • d.

      vermeldt de tijdelijkheid van het evenement met een datumaanduiding op het bord; en

    • e.

      is niet verlicht.

[Red: Artikel 2.198   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.198   15.24 Borden voor de verkoop van agrarische producten
  • 1

    Voor de verkoop van agrarische producten worden maximaal drie tijdelijke borden geplaatst, waarvan maximaal twee direct bij het verkooppunt van het bedrijf of bij het bedrijf zelf en één binnen een straal van een kilometer van het bedrijf.

  • 2

    Een tijdelijk bord dat wordt geplaatst binnen een straal van een kilometer van het bedrijf:

    • a.

      bevat geen handelsreclame;

    • b.

      heeft een oppervlakte van maximaal 2,50 m2; en

    • c.

      heeft een hoogte van maximaal 2,50 m vanaf het maaiveld.

[Red: Artikel 2.199   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.3   naar paragraaf 15.2.3. ]

Artikel 2.199   15.25 Borden voor gedachten en gevoelens

 Een tijdelijk bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet: 

  • a.

     heeft een maximale oppervlakte van 2 m2

  • b.

     heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; 

  • c.

     is niet verlicht; en 

  • d.

    bevat geen handelsreclame. 

Paragraaf 15.2.4 Algemene regels vlaggen

[Red: Artikel 2.200   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.200   15.26 Toegelaten vlaggen

Een vlag wordt alleen geplaatst als is voldaan aan deze paragraaf.

[Red: Artikel 2.201   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.201   15.27 Goede staat vlaggen

Een vlag verkeert in goede staat.

[Red: Artikel 2.202   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.202   15.28 Vlaggen over objecten of gebieden
  • 1

    Een vlag die informatie verschaft over een object of gebied: 

    • a.

      is geplaatst bij het object of gebied; 

    • b.

      bevat geen handelsreclame; en 

    • c.

       steekt niet meer dan 2 meter boven het object uit of is niet hoger dan 4 meter bij plaatsing bij een gebied. 

  • 2

    Er worden niet meer dan vier vlaggen geplaatst per object of gebied.

[Red: Artikel 2.203   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.203   15.29 Vlaggen voor beroep, bedrijf of dienst
  • 1

    Een vlag die betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, uitgeoefend in een gebouw is geplaatst bij het gebouw of bij de inrit er naartoe.

  • 2

    Er worden maximaal 4 vlaggen geplaatst.

  • 3

    De vlag met vlaggenstok steekt niet meer dan 2 meter uit boven de nokhoogte van het gebouw.

[Red: Artikel 2.204   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.204   15.30 Vlaggen voor meubilering of stoffering

Een vlag die kennelijk behoort tot de meubilering of stoffering van een gebouw steekt niet meer dan 2 meter uit boven de nokhoogte van het gebouw.

[Red: Artikel 2.205   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.205   15.31 Vlaggen voor wedstrijden, manifestaties, evenementen of tentoonstellingen

Een vlag geplaatst op een terrein voor een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling:

  • a.

    heeft geen betrekking op de commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;

  • b.

    wordt niet eerder geplaatst dan twee weken voor de datum van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling; en

  • c.

    is uiterlijk één week na afloop van de wedstrijd, manifestatie, het evenement of de tentoonstelling verwijderd.

[Red: Artikel 2.206   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.4   naar paragraaf 15.2.4. ]

Artikel 2.206   15.32 Vlaggen bij benzinestations of wegenwachtstations

Een vlag geplaatst op het terrein van een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation heeft direct betrekking op de aldaar uitgevoerde activiteiten.

Paragraaf 15.2.5 Algemene regels informatiezuil

[Red: Artikel 2.207   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.5   naar paragraaf 15.2.5. ]

Artikel 2.207   15.33 Toegelaten informatiezuilen

Een informatiezuil wordt alleen geplaatst als is voldaan aan deze paragraaf.

[Red: Artikel 2.208   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.5   naar paragraaf 15.2.5. ]

Artikel 2.208   15.34 Goede staat informatiezuilen

Een informatiezuil verkeert in goede staat.

[Red: Artikel 2.209   verplaatst van subparagraaf 2.13.2.5   naar paragraaf 15.2.5. ]

Artikel 2.209   15.35 Informatiezuilen over objecten of gebieden
  • 1

    Een informatiezuil die informatie verschaft over een object of gebied: 

    • a.

      verschaft feitelijke, verdiepende informatie over het object of gebied;

    • b.

       bevat geen handelsreclame; 

    • c.

       is niet verlicht; 

    • d.

      is geplaatst direct bij het object of gebied waarop de informatie betrekking heeft; 

    • e.

      heeft een hoogte van maximaal 2 meter vanaf het maaiveld; en

    • f.

       heeft een vierzijdige kolomvorm met een breedte van maximaal 0,50 meter. 

  • 2

     Er wordt maximaal één informatiezuil geplaatst per object of gebied. 

  • 3

     Het tweede lid geldt niet voor het Nationaal Park Oosterschelde. 

Hoofdstuk 3 16 Omgevingswaarden en monitoring

Afdeling 3.1 16.1 Omgevingswaarden

Paragraaf 3.1.1 16.1.1 Omgevingswaarden regionale waterkeringen en wateroverlast
Artikel 3.1 16.1 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  • 1

    Voor de veiligheid van regionale waterkeringen (op de kaart regionale waterkeringen) gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de volgende leden.

  • 2

    Voor de dijktrajecten categorie A als bedoeld in bijlage XIII, die onder dagelijkse omstandigheden water keren, geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1/100 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend, en het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid.

  • 3

    Voor de dijktrajecten categorie B als bedoeld in bijlage XIII, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als ondergrens voor de kruinhoogte gelden de afmetingen die zijn aangegeven in bijlage XIII.

  • 4

    Voor de dijktrajecten categorie C als bedoeld in bijlage XIII, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als ondergrens voor de kruinhoogte gelden de feitelijke afmetingen.

  • 5

    Voor het dijktraject met een compartimenteringsfunctie rondom het gebied Waterdunen als bedoeld in Bijlage XIII, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als afmetingen voor dit dijktraject gelden de hoogtewaarden die zijn aangegeven in Bijlage XIII en een breedte van 5 meter.

  • 6

    De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, zijn resultaatsverplichtingen voor het waterschap, rekening houdend met gegevens in de legger en het waterbeheerprogramma.

  • 7

    Aan de omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan op 1 januari 2035, voor zover uit het verslag, bedoeld in artikel 3.716.7, derde lid, blijkt dat nog niet aan de omgevingswaarden is voldaan.

Artikel 3.2 16.2 Uitzondering omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  • 1

    Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen (op de kaart regionale waterkeringen) kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt.

  • 2

    Het eerste lid geldt voor gevallen waarin:

    • a.

      het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is;

    • b.

      door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de regionale waterkeringen zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of

    • c.

      ondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.

  • 3

    Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid en stelt hen vooraf in de gelegenheid tot een reactie.

Artikel 3.3 16.3 Omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren
  • 1

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht gelden de omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2

    Binnen stedelijk gebied en daarmee samenhangende lintbebouwing geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming per jaar 1/100 voor locaties ter plaatse van bouwwerken ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca.

  • 3

    Buiten stedelijk gebied geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming per jaar 1/25 voor locaties met agrarisch grondgebruik, anders dan glastuinbouw groter dan 1 hectare, met uitzondering van aangewezen laaggelegen gebieden. Deze laaggelegen gebieden zijn in het Omgevingsloket geometrisch weergegeven.

  • 4

    Buiten stedelijk gebied geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1/50 per jaar voor locaties met glastuinbouw, groter dan 1 hectare.

  • 5

    Voor bebouwing buiten stedelijk gebied als bedoeld in het tweede lid geldt de omgevingswaarde van het omringend grondgebruik genoemd in het derde en vierde lid.

  • 6

    De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap, rekening houdend met gegevens in de legger en het waterbeheerprogramma.

  • 7

    Aan de omgevingswaarden wordt voldaan op 1 januari 2028, voor zover uit het verslag bedoeld in artikel 3.816.8, derde lid, blijkt dat nog niet aan de omgevingswaarden is voldaan.

Artikel 3.4 16.4 Uitzondering omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren

Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren kan een uitzondering worden gemaakt in gevallen waarin het waterschapsbestuur, rekening houdend met het waterbeheerprogramma, aannemelijk maakt dat het voldoen aan de omgevingswaarde voor een aan te duiden gebied onevenredig kostbaar of niet haalbaar is. In dat geval kan dat gebied, op verzoek van het waterschapsbestuur, worden uitgezonderd van de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.3.

Paragraaf 3.1.2 16.1.2 Geluid provinciale wegen
Artikel 3.5 16.5 Aanwijzing wegen waarvoor een geluidproductieplafond geldt

Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie worden geluidproductieplafonds vastgesteld.

Paragraaf 3.1.3 16.1.3 Geluid industrieterreinen
Artikel 3.6 16.6 Aanwijzing industrieterreinen waarvoor een geluidproductieplafond geldt

Als industrieterreinen als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, van de wet, waarvoor als omgevingswaarden geluidproductieplafonds worden vastgesteld, worden aangewezen de volgende industrieterreinen: 

  • a.

    Arnestein; 

  • b.

    Vlissingen-Oost; 

  • c.

    Schelde/Buitenhaven; 

  • d.

    Terneuzen-West; 

  • e.

    Oostelijke kanaaloevers; 

  • f.

    Sluiskil-oost Kanaaleiland; 

  • g.

    Poel- en Ghellinckpolder; en 

  • h.

    Axelse Vlakte II. 

Afdeling 3.2 16.2 Monitoring

Paragraaf 3.2.1 16.2.1 Monitoring omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
Artikel 3.7 16.7 Monitoring omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  • 1

    Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.116.1, vindt plaats door periodieke bepaling van het waterkerend vermogen van de dijktrajecten in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens een methode die aansluit bij relevante landelijke leidraden. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van monitoring af. Artikel 10.8a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is, waar mogelijk, van overeenkomstige toepassing.

  • 2

    Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring.

  • 3

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt, met ingang van 2023, ten minste iedere twaalf jaar een verslag op over de waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen, met inachtneming van artikel 20.14 van de wet. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van verslaglegging af.

  • 4

    Het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het verslag aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.8 16.8 Monitoring omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren
  • 1

    Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.316.3, vindt plaats door periodieke bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens een methode die aansluit bij relevante landelijke leidraden. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van monitoring af.

  • 2

    Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring.

  • 3

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt, met ingang van 2023, ten minste iedere vijf jaar een verslag op over de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren, met inachtneming van het bepaalde in artikel 20.14 van de wet. Het waterschap en gedeputeerde staten stemmen de methode van verslaglegging af.

  • 4

    Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.316.3, kan voor de gebieden, bedoeld in artikel 3.316.3, derde lid en artikel 3.316.3, vierde lid een gedeelte van de totale oppervlakte van elk peilgebied van 1% buiten beschouwing worden gelaten.

  • 5

    Het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het verslag aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 4 17 Toedeling van taken

Afdeling 4.1 17.1 Vaarwegbeheer

Paragraaf 4.1.1 17.1.1 Toedeling vaarwegbeheer
Artikel 4.1 17.1 Toedeling vaarwegbeheer aan provincie en gemeenten
  • 1

    Het vaarwegbeheer van de provinciale vaarwegen het Kanaal door Walcheren en een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne, vanaf het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug en de bijbehorende (voor) havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, berust bij gedeputeerde staten.

  • 2

    Het vaarwegbeheer van het havenkanaal in Goes berust bij burgemeester en wethouders van de gemeente Goes.

  • 3

    Het vaarwegbeheer van het havenkanaal in Zierikzee berust bij burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland.

Paragraaf 4.1.2 17.1.2 Onderhoud aan provinciale vaarwegen
Artikel 4.2 17.2 Vaarwegonderhoud door gedeputeerde staten

Gedeputeerde staten dragen zorg voor het onderhoud van de provinciale vaarwegen. Het onderhoud omvat:

  • a.

    het houden of brengen van een vaarweg op de vastgestelde afmetingen;

  • b.

    het in goede staat houden of brengen van de oevers en de oeverwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven;

  • c.

    het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten; en

  • d.

    het verrichten van de werkzaamheden waardoor de goede staat en het functioneren van het werk, behorende bij de vaarweg, gewaarborgd blijven.

Artikel 4.3 17.3 Onderhoudsplicht door anderen

 In afwijking van artikel 4.217.2 is onderhoudsplichtig de natuurlijke of rechtspersoon die op grond van een wettelijk voorschrift, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft tot het onderhouden van een vaarweg of een daarbij behorend werk. 

Afdeling 4.2 17.2 Natuur

Paragraaf 4.2.1 17.2.1 Faunabeheereenheid
Artikel 4.4 17.4 Eisen aan de faunabeheereenheid
  • 1

     Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de gehele provincie Zeeland. 

  • 2

    De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid.

  • 3

    In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de provincie Zeeland, samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.

  • 4

    Bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden en de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen.

Artikel 4.5 17.5 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid
  • 1

    In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste één vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende organisaties van jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid:

    • a.

      agrariërs;

    • b.

      verenigingen van jachtaktehouders;

    • c.

      particuliere grondeigenaren; en

    • d.

      terreinbeherende organisaties.

  • 2

    Naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de faunabeheereenheid een vertegenwoordiger van één of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zeeland. Dit doel moet tot uitdrukking komen in de statuten van die maatschappelijke organisatie.

  • 3

    De in het eerste en tweede lid genoemde organisaties kunnen elk één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel. In onderling overleg kan een kandidaat worden voorgedragen die namens meerdere organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 4

    Het bestuur van de faunabeheereenheid heeft een onafhankelijke voorzitter die:

    • a.

      geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties heeft; en

    • b.

      geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties is.

  • 5

    Een voorzitter wordt voorgedragen door het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 6

    De voorzitter wordt benoemd door gedeputeerde staten.

Paragraaf 4.2.2 17.2.2 Wildbeheereenheden
Artikel 4.6 17.6 Omvang en begrenzing werkgebied wildbeheereenheid
  • 1

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Zeeland.

  • 2

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid overlapt niet met het werkgebied van een andere wildbeheereenheid.

  • 3

     De wildbeheereenheid maakt de begrenzing van het werkgebied bekend aan de faunabeheereenheid.

  • 4

    Zowel de wildbeheereenheid als de faunabeheereenheid publiceren de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid op het internet.

Artikel 4.7 17.7 Lidmaatschap wildbeheereenheid en geschillen
  • 1

     Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan bij besluit van het bestuur van de betreffende wildbeheereenheid, het bestuur van de faunabeheereenheid gehoord, worden geweigerd of beëindigd, als het lid bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving handelt in strijd met de voor deze activiteiten geldende regels. 

  • 2

    De gezamenlijke wildbeheereenheden stellen een geschillenregeling vast voor geschillen, die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid.

Artikel 4.8 17.8 Uitzondering lidmaatschap wildbeheereenheid

Uitgezonderd van de verplichting om zich te organiseren in een wildbeheereenheid bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, van de wet, zijn medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Zeeuwse Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemt aan de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 4.917.9, en de uitvoering van het faunabeheerplan.

Artikel 4.9 17.9 Werkzaamheden wildbeheereenheid

De wildbeheereenheid coödineert voor haar werkgebied de trendtellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan en draagt zorg voor afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, onderverdeeld naar diersoort, voor het gehele werkgebied van de wildbeheereenheid.

Afdeling 4.3 17.3 Zwemlocaties

Artikel 4.10 17.10 Aanwijzing houder zwemlocaties
  • 1

    Gedeputeerde staten wijzen jaarlijks voor iedere aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een houder aan.

  • 2

    Als houder van een zwemlocatie kan worden aangewezen:

    • a.

      de exploitant van de zwemlocatie die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen; of

    • b.

      het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de zwemlocatie gelegen is als er geen sprake is van exploitatie van de zwemlocatie.

Artikel 4.11 17.11 Zorgplicht aangewezen zwemlocaties

De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor:

  • a.

    het beheer en onderhoud gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne voor zwemmers en bezoekers;

  • b.

    waar dit nodig is, een afbakening van de zwemzone van de zwemlocatie, zodat zwemmers en bezoekers niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie die hun veiligheid in gevaar kunnen brengen;

  • c.

    het terstond informeren van gedeputeerde staten en de waterbeheerder van het oppervlaktewaterlichaam, indien sprake is van een onverwachte situatie als bedoeld in artikel 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving die negatieve gevolgen heeft of redelijkerwijs kan hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie, de waterkwaliteit of de gezondheid of veiligheid van zwemmers en bezoekers;

  • d.

    het verstrekken van gegevens voor het jaarlijks onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • e.

    het, in afstemming met gedeputeerde staten, treffen van de maatregelen op grond van de resultaten van het onderzoek bedoeld onder d, om de veiligheid of hygiëne van de zwemlocatie te waarborgen of te verbeteren, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • f.

    het, in afstemming met gedeputeerde staten, treffen van passende maatregelen voor het behoud of het verbeteren van de kwaliteit van de zwemlocatie, bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • g.

    het, in afstemming met gedeputeerde staten, treffen van passende zwemwaterbeheersmaatregelen in gevallen als bedoeld in de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 5 18 Instructieregels aan gemeenten

Afdeling 18.1 Bedrijven

[Red: Artikel 5.1 verplaatst van paragraaf 5.1.1 naar afdeling 18.1. ]

Artikel 5.1 18.1 Bedrijven
  • 1

    In een omgevingsplan wordt een bedrijf alleen toegelaten op:

    • a.

      gronden waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan; of

    • b.

      een bedrijventerrein van tenminste een hectare.

  • 2

    De motivering bij een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt aannemelijk dat:

    • a.

      het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat bedrijvigheid in overgrote mate regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerrein; en

    • b.

      de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is; en

    • c.

      duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is; en

    • d.

      wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, met in ieder geval een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap; en

    • e.

      de behoefte aan huisvesting van toekomstige werknemers in beeld is gebracht, waarbij inzichtelijk is gemaakt op welke wijze in de huisvesting zal worden voorzien.

  • 3

    In een omgevingsplan kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand kleinschalig bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als de motivering bij het omgevingsplan:

    • a.

      aannemelijk maakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare; en

    • b.

      de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert.

  • 4

    In afwijking van het derde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als:

    • a.

      de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert; en

    • b.

      de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd.

  • 5

    In afwijking van het derde lid kan verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare naar een kleinschalig-plus bedrijventerrein mogelijk worden gemaakt, als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:

    • a.

      de ontwikkeling van het bedrijventerrein een belangrijke functie heeft voor de economische vitaliteit en leefbaarheid van de omliggende kern(en); en

    • b.

      de uitbreiding uitsluitend bedoeld is voor groei van lokale economische bedrijvigheid.

  • 6

    De provincie Zeeland bestaat uit de volgende bedrijvenregio's:

    • a.

      Walcheren (gemeenten Vlissingen, Middelburg en Veere);

    • b.

      Bevelanden (gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal);

    • c.

      Zeeuws-Vlaanderen (gemeenten Sluis, Terneuzen en Hulst);

    • d.

      Schouwen-Duiveland; en

    • e.

      Tholen

  • 7

    Binnen de in het zesde lid genoemde bedrijvenregio's worden regionale bedrijventerreinenprogramma's gemaakt door de gemeenten met instemming van de provincie, waarbij:

    • a.

      de uitgangspunten, zoals bedoeld in paragraaf 5.3.4  artikel 20.4 van deze verordening moeten worden betrokken bij de regionale bedrijventerreinenprogramma's; en 

    • b.

      in de regionale bedrijventerreinenprogramma's in ieder geval afspraken worden gemaakt over de plannen, realisatie en verdeling van de bedrijventerreinenontwikkeling, in relatie tot de provinciale bedrijventerreinenprognose. Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie. 

  • 8

    Een omgevingsplan laat alleen een bedrijventerreinenontwikkeling toe, als deze is opgenomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's.

  • 9

    In afwijking van het achtste lid kan een beperkte uitbreiding van een kleinschalig bedrijventerrein dat geen onderdeel is van de regionale bedrijventerreinenprogramma's, toch vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale bedrijventerreinenprogramma's in een omgevingsplan worden toegelaten als regiogemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven en als gedeputeerde staten instemmen met de ontwikkeling.

  • 10

    Na inwerkingtreding van dit artikel op 1 januari 2026 moeten regionale bedrijventerreinenprogramma's binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden vervolgens in elk geval elke twee jaar geactualiseerd. Indien de regionale bedrijventerreinenprogramma's niet tijdig tot stand komen, niet tijdig zijn geactualiseerd of ontbreken, kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinprogramma's vaststellen.

  • 11  

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      grondstoffenwinning;

    • b.

      olie en gaswinning;

    • c.

      waterwinning;

    • d.

      afvalstort;

    • e.

      een nutsvoorziening;

    • f.

      een horeca- en recreatiebedrijf;

    • g.

      een agrarisch bedrijf;

    • h.

      de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III;

    • i.

      de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten;

    • j.

      energieopwekking als bedoeld in lid 15 en 16;

    • k.

      overige overeenkomstig deze verordening toegelaten bedrijvigheid;

    • l.

      overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid; en 

    • m.

      solitaire bedrijvigheid binnen stedelijk gebied. 

  • 12

    De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied maakt aannemelijk dat:

    • a.

      deze wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning niet zijnde recreatiewoning;

    • b.

      de capaciteit van het bestaande wegennet voldoende is voor de te realiseren activiteit;

    • c.

      de vestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf;

    • d.

      het waterschap om advies is gevraagd; en 

    • e.

      - voor zover sprake is van vestiging van verblijfsrecreatie - voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.

  • 13

    In afwijking van het twaalfde lid is een uitbreiding van de bestaande bebouwing voor een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, toegestaan:

    • a.

      met ten hoogste 20% met een maximum van 250 m2, of

    • b.

      een grotere uitbreiding als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat dit per saldo niet leidt tot een toename van bebouwing.

  • 14

    In afwijking van het twaalfde lid, aanhef en onder a, is vestiging in nieuwe bebouwing toegestaan als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:

    • a.

      nieuwvestiging leidt tot een versterking van het landschap;

    • b.

      het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt;

    • c.

      het bouwvlak ten hoogste 1 hectare bedraagt; en

    • d.

      de nieuwvestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf.

  • 15

    In een omgevingsplan kan alleen worden voorzien in de realisatie van een installatie voor energieopwekking uit mest of afvalstoffen:

    • a.

      op een bedrijventerrein van ten minste een hectare en bij het glastuinbouwconcentratiegebied op de Axelse Vlakte in de gemeente Terneuzen; of

    • b.

      op een agrarisch bouwvlak, als de installatie maximaal 500 m3  bedraagt.

  • 16

    In afwijking van het vijftiende lid aanhef en onder b, is op een agrarisch bouwvlak een grotere installatie toegestaan als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie qua omvang ter plaatse past en het karakter van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.

  • 17

    De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in het elfde lid maakt aannemelijk dat sprake is van:

    • a.

      verplaatsing van een bouwvlak binnen de regio; of

    • b.

      nieuwvestiging vanwege een bedrijfseconomische noodzaak, er geen vrijkomend agrarisch bouwvlak in de regio beschikbaar is én een bijdrage wordt geleverd in de sanering van agrarische opstallen elders.

  • 18

    In afwijking van het bepaalde in dit artikel is artikel 5.318.3 van toepassing op loonwerkbedrijven die vallen onder de begripsbepaling zoals opgenomen in bijlage I van deze verordening.

[Red: Artikel 5.2 verplaatst van paragraaf 5.1.1 naar afdeling 18.1. ]

Artikel 5.2 18.2 Grootschalige logistiek en datacentra
  • 1

    Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwvestiging of uitbreiding van logistieke bedrijvigheid of van een datacentrum:

    • a.

      laat geen grootschalige logistiek of datacentrum toe met een oppervlakte van meer dan 5 hectare;

    • b.

      laat niet toe dat door samenvoeging grootschalige logistiek of datacentrum van meer dan 5 hectare ontstaat.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van het eerste lid als:

    • a.

      de ontwikkeling leidt tot een significante regionale meerwaarde; en

    • b.

      in geval van nieuwvestiging of uitbreiding van logistieke bedrijvigheid, in afstemming met de wegbeheerder, wordt voorzien in een goede verkeersontsluiting op de A4, A58 en N62.

  • 3

    Hetgeen bepaald in artikel 1.3, derde lid en artikel 1.4 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing. 

  • 4

    Dit artikel is niet van toepassing op grootschalige logistiek op zeehaventerreinen.

[Red: Artikel 5.3   verplaatst van paragraaf 5.1.1 naar afdeling 18.1. ]

Artikel 5.3   18.3 Loonwerkbedrijven
  • 1

    In een omgevingsplan kan nieuwvestiging van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied totmaximaal 1,5 ha worden toegelaten:

    • a.

      op een locatie die zo direct als mogelijk aansluit op landbouwroutes uit het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland; en

    • b.

      mits elders in het landelijk gebied een agrarisch bouwvlak wordt gesaneerd.

  • 2

    In een omgevingsplan kan uitbreiding van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied tot maximaal 2 ha worden toegelaten als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

  • 3

    De motivering bij een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding als bedoeld in dit artikel mogelijk maakt, maakt aannemelijk dat:

    • a.

      nieuwvestiging of uitbreiding niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden enbijzondere landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het betreffendegebied; en

    • b.

      wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing; en

    • c.

      wordt voorzien in een goede verkeersontsluiting in afstemming met de wegbeheerder.

  • 4

    In afwijking van het tweede lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het tweede lid, worden gecontinueerd.

[Red: Artikel 5.4   verplaatst van paragraaf 5.1.1 naar afdeling 18.1. ]

Artikel 5.4   18.4 Binnenhaven en loswal

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaande binnenhaven of loswal staat alleen het beëindigen van de exploitatie van die binnenhaven of loswal toe als de bestaande overslag en watergebonden bedrijvigheid binnen 30 kilometer, gemeten over de weg, kan worden opgevangen.

[Red: Artikel 5.5   verplaatst van paragraaf 5.1.1 naar afdeling 18.1. ]

Artikel 5.5   18.5 Kantoren
  • 1

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de realisatie van een nieuw grootschalig, zelfstandig kantoor:

    • a.

      in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen;

    • b.

      op een locatie aan een toegangsweg naar het stadscentrum;

    • c.

      op een locatie dichtbij een doorgaande weg; en

    • d.

      op een locatie aan de stadsrand bij de toegangswegen.

  • 2

    De motivering bij het omgevingsplan maakt aannemelijk dat vestigingsruimte, onder andere gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt.

Afdeling 18.2 Detailhandel

[Red: Artikel 5.6   verplaatst van paragraaf 5.1.2 naar afdeling 18.2. ]

Artikel 5.6   18.6 Detailhandel-kernwinkelgebied
  • 1

    In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening worden voorzien in een bestaand kernwinkelgebied.

  • 2

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing van de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in een bestaand kernwinkelgebied.

  • 3

    In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening worden voorzien buiten een bestaand kernwinkelgebied, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het betreft detailhandel in volumineuze en gevaarlijke goederen;

    • b.

      het betreft een kleinschalige detailhandelsvoorziening in een woonkern zonder kernwinkelgebied, een buurtvoorziening of een kleinschalige voorziening op een verblijfsrecreatieterrein; of

    • c.

      het betreft functioneel aan het buitengebied gebonden detailhandel, detailhandel als niet zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van een bedrijf dan wel in de vorm van een nieuwe economische drager als bedoeld in artikel 5.1, vijfde lidartikel 18.1vijfde lid onder g tot en met k, en tuincentra voor zover vestiging daarvan wordt toegelaten aan de randen van kernen.

[Red: Artikel 5.7   verplaatst van paragraaf 5.1.2 naar afdeling 18.2. ]

Artikel 5.7   18.7 Detailhandel in doelgerichte, laagfrequente aankopen en grootschalige detailhandelsvoorzieningen
  • 1

    In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen en een nieuwe grootschalige detailhandelsvoorziening worden voorzien in een bestaand kernwinkelgebied en binnen de begrenzing van de locaties:

    • a.

      Zierikzee, Boerenweg;

    • b.

      Poortvliet, Noord;

    • c.

      Goes Marconigebied;

    • d.

      Middelburg, Mortiere;

    • e.

      Terneuzen, Kennedylaan; of

    • f.

      Hulst, Morres.

  • 2

    In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen en een nieuwe grootschalige detailhandelsvoorziening buiten een locatie als bedoeld in het eerste lid worden voorzien, als:

    • a.

      in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat binnen een locatie als bedoeld in het eerste lid geen ruimte beschikbaar is; en

    • b.

      er sprake is van een locatie die passend gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer is ontsloten of als zodanig wordt ontwikkeld.

  • 3

    In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening in doelgerichte, laagfrequente aankopen ook worden voorzien buiten een locatie als bedoeld in het eerste lid, als:

    • a.

      er sprake is van een kleine op de lokale markt gerichte vestiging;

    • b.

      de vestiging qua omvang en verkeersontsluiting noodzakelijk op enige afstand van het kernwinkelgebied plaatsvindt; en

    • c.

      de vestiging plaatsvindt binnen stedelijk gebied.

[Red: Artikel 5.8   verplaatst van paragraaf 5.1.2 naar afdeling 18.2. ]

Artikel 5.8   18.8 Detailhandel bij dagrecreatieve voorzieningen
  • 1

    In een omgevingsplan kan worden voorzien in een detailhandelsvoorziening ter ondersteuning van een dagrecreatieve voorziening als:

    • a.

      de detailhandel inhoudelijk gerelateerd is aan de dagrecreatieve voorziening; en

    • b.

      de omvang van de detailhandel maximaal 5% van het bruto vloeroppervlak van de voorziening bedraagt.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid bedraagt de omvang van de detailhandel voor het Zeeuws Evenementenpodium te Middelburg en de skihal te Terneuzen ten hoogste 20% van het bruto vloeroppervlak.

Afdeling 18.3 Wonen

[Red: Artikel 5.9 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.9 18.9 Vijf Zeeuwse woningbouwregio's

De provincie Zeeland bestaat uit de volgende woningbouwregio's:

  • a.

    Walcheren (gemeenten Vlissingen, Middelburg en Veere);

  • b.

    Bevelanden (gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal);

  • c.

    Zeeuws-Vlaanderen (gemeenten Sluis, Terneuzen en Hulst);

  • d.

    Schouwen-Duiveland;

  • e.

    Tholen.

[Red: Artikel 5.10 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.10 18.10 Regionale woonafspraken in woningbouwregio's
  • 1

    Binnen de in artikel 5.918.9 genoemde woningbouwregio’s worden regionale woonafspraken gemaakt door de gemeenten met instemming van de provincie.

  • 2

    De uitgangspunten zoals bedoeld in paragraaf 5.3.4artikel 20.4 van deze verordening die moeten worden betrokken bij de regionale woonafspraken zijn de provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen.

  • 3

    Na inwerkingtreding van dit artikel op 1 januari 2025 moeten regionale woonafspraken binnen één jaar tot stand zijn gekomen. Regionale woonafspraken worden vervolgens in elk geval jaarlijks geactualiseerd.

  • 4

    Is er sprake van onbenutte plancapaciteit voor woningbouw die reeds vijf jaar niet is benut, dan wordt deze plancapaciteit voor woningbouw bij de actualisatie van regionale woonafspraken heroverwogen en waar nodig geschrapt uit het omgevingsplan door de gemeente waar deze onbenutte plancapaciteit gelegen is.

  • 5

    Indien de regionale woonafspraken niet tijdig tot stand komen, niet tijdig zijn geactualiseerd of ontbreken, kunnen gedeputeerde staten regionale woonafspraken vaststellen.

[Red: Artikel 5.11 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.11 18.11 Onderwerpen regionale woonafspraken

In regionale woonafspraken worden in ieder geval afspraken gemaakt over de volgende onderwerpen: 

  • a.

    De plannen, realisatie en verdeling van de kwantitatieve woningbouwopgave, dit betreft in ieder geval een overzicht van alle plannen voor woningbouw met onderscheid naar planstatus;

  • b.

    De plannen, realisatie en verdeling van de kwalitatieve woningbouwopgave, waaronder ook de woon(zorg)opgave voor ouderen en aandachtsgroepen; 

  • c.

    De plannen, realisatie en verdeling van woningen in de betaalbare koop, middenhuur, sociale huur, dure koop en dure huur; 

  • d.

    De plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; en

  • e.

    Regionale afstemming over woningbouwontwikkelingen die zijn voorzien buiten stedelijk gebied.

[Red: Artikel 5.12 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.12 18.12 Doorwerking regionale woonafspraken
  • 1

    Een omgevingsplan laat alleen een woningbouwontwikkeling die voorziet in vier of meer woningen toe, als deze is opgenomen in de regionale woonafspraken.

  • 2

    Als een woningbouwontwikkeling voorziet in vier of meer woningen binnen stedelijk gebied en geen onderdeel is van de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als regiogemeenten en gedeputeerde staten hierover zijn geïnformeerd. 

  • 3

    Als een woningbouwontwikkeling van vier of meer woningen buiten stedelijk gebied geen onderdeel is van de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als regiogemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven en als gedeputeerde staten instemmen met de ontwikkeling. 

[Red: Artikel 5.13 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.13 18.13 Provinciale planmonitor wonen
  • 1

    Burgemeester en wethouders documenteren in de provinciale planmonitor wonen van initiatieffase tot realisatie.

  • 2

    Burgemeester en wethouders dragen minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de actualiteit van de documentatie in het monitorsysteem.

  • 3

    De planmonitor wonen gaat per plan ten minste in op:

    • a.

      het aantal woningen in harde plancapaciteit; en

    • b.

      het aantal woningen in zachte plancapaciteit; en

    • c.

      de ligging binnen/buiten stedelijk gebied; en 

    • d.

      kwalitatieve aspecten (betaalbaarheid en woningtype); en

    • e.

      realisatie van woningen.

[Red: Artikel 5.14 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.14 18.14 Woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied

1. Een omgevingsplan staat woningbouw buiten stedelijk gebied alleen toe als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: 

  • a.

    de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden;

  • b.

    voor zover de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd, de woningen aansluitend aan het stedelijk gebied worden gerealiseerd;

  • c.

    de woningen landschappelijk goed worden ingepast.

2. Dit artikel is niet van toepassing als sprake is van de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied zoals bedoeld in de artikelen 5.46 en 5.47.

[Red: Artikel 5.18 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.18 18.15 Woonwagenlocaties

Een omgevingsplan kan voorzien in een uitbreiding van een bestaande locatie met woonwagens, buiten stedelijk gebied als:

  • a.

    de behoefte aan uitbreiding is aangetoond; en

  • b.

    wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. 

[Red: Artikel 5.19 verplaatst van paragraaf 5.1.3 naar afdeling 18.3. ]

Artikel 5.19 18.16 Huisvesting tijdelijke werknemers

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de realisatie van huisvesting voor tijdelijke werknemers als deze huisvesting:

  • a.

    voorziet in een regionale behoefte; en

  • b.

    voldoet aan de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan; en

  • c.

    voldoet aan de voorwaarden voor Nieuwe Economische Dragers zoals bedoeld in artikel 5.1, elfde lid, twaalfde lid en dertiende lid, voor zover de ontwikkeling niet binnen of grenzend aan stedelijk gebied ligt.

Afdeling 18.4 Energie

[Red: Artikel 5.20   verplaatst van paragraaf 5.1.4 naar afdeling 18.4. ]

Artikel 5.20   18.17 Windenergie
  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine, met een hogere tiphoogte dan 21 meter, binnen een globaal aangegeven windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV.

  • 2

    Buiten een globaal aangegeven windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV wordt in een omgevingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 21 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande niet toegelaten.

  • 3

    Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine op gronden die zijn gelegen buiten een windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV als:

    • a.

      er sprake is van een ligging langs een grootschalige infrastructuurlijn; of

    • b.

      er sprake is van een ligging op of grenzend aan een grootschalig bedrijventerrein.

  • 4

    De motivering bij het omgevingsplan waarin een nieuwe windturbine wordt toegelaten op gronden buiten een windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV maakt aannemelijk dat:

    • a.

      omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe concentratielocatie verzetten; en

    • b.

      de windturbine is gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste drie windturbines.

[Red: Artikel 5.21   verplaatst van paragraaf 5.1.4 naar afdeling 18.4. ]

Artikel 5.21   18.18 Zonne-energie
  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie binnen stedelijk gebied.

  • 2

    Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied op de volgende locaties:

    • a.

      op een bouwvlak;

    • b.

      op grond waarop stortplaatsen, infrastructuur, verblijfsrecreatie, solitaire bedrijvigheid, bedrijventerreinen of zeehaventerreinen in het landelijk gebied is toegestaan;

    • c.

      op water of grond waarop een waterbassin is toegestaan, mits in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten voor natuur, recreatie, waterkwaliteit of visserij zijn;

    • d.

      op grond waar agrarisch gebruik is toegestaan mits die grond op basis van bindende afspraken in transitie is; of

    • e.

      op grond waar agrarisch gebruik is toegestaan, mits de ontwikkeling een significante bijdrage levert aan de vermindering van netcongestie of leidt tot efficiënter netgebruik door:

      • 1.

        gezamenlijk kabelgebruik met een windmolenproject, of

      • 2.

        een directe kabelverbinding met een aansluiting achter de elektriciteitsmeter met een maximum van het eigen elektrische verbruik.

  • 3

    De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied maakt aannemelijk dat de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne-energie verzetten.

  • 4

    Op locaties waar op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een omgevingsplan, kan worden voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie, wordt de afwijking van de regels niet vergroot.

Afdeling 18.5 (Verblijfs)recreatie en activiteiten op stranden

[Red: Artikel 5.22   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.22   18.19 Verblijfsrecreatie in de kustzone
  • 1

    In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse, waarvan de begrenzingen zijn opgenomen in bijlage IV, onder 5, bij deze verordening. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, onder B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.

  • 2

    Als een gebied in de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse ook is aangewezen als aandachtsgebied, wordt in de motivering bij het omgevingsplan ook aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten.

  • 3

    Het eerste lid is niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

  • 4

    Het derde lid geldt niet voor de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein zoals toegelaten op grond van bestemmingsplannen die voor 7 november 2018 zijn vastgesteld. De huidige omgevingsplannen dienen binnen drie jaar na 1 januari 2025 te zijn aangepast waardoor deze de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein niet langer toelaten.

  • 5  

    In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten een badplaats worden toegelaten in een globaal aangegeven aandachtsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 2, opgenomen uitgangspunten. De motivering bij het omgevingsplan bevat een gebiedsafbakening waarin wordt onderbouwd dat het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit.

  • 6  

    In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten een badplaats, als:

    • a.

      in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten;

    • b.

      uitbreiding in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en een beschermingsgebied niet wordt toegelaten;

    • c.

      de motivering bij het omgevingsplan een gebiedsafbakening bevat waarin wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en beschermingsgebied.

  • 7  

    In afwijking van het zesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten in een beschermingsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van dit gebied.

  • 8  

    In afwijking van het zesde lid, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein alleen worden toegelaten in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied, als dit gebied ook in een aandachtsgebied valt en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van het Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied.

[Red: Artikel 5.23   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.23   18.20 Verblijfsrecreatie buiten de kustzone
  • 1

    In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in stedelijk gebied. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten.

  • 4  

    In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de voor de aandachtgebieden geldende uitgangspunten in bijlage IV, onder 4.

[Red: Artikel 5.24   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.24   18.21 Strandzonering
  • 1

    Een omgevingsplan laat geen nieuwvestiging of uitbreiding van bebouwing toe op een natuurstrand of recreatiestrand.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid is verplaatsing van bestaande recreatieve bebouwing mogelijk, als:

    • a.

      er sprake is van verplaatsing vanaf een natuurstrand naar een recreatiestrand;

    • b.

      er sprake is van verplaatsing binnen een recreatiestrand; of

    • c.

      er sprake is van verplaatsing binnen een natuurstrand, en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de omgevingskwaliteit zich daartegen niet verzet en dit niet leidt tot een verminderde doorstuiving van zand.

  • 3

    Op een natuurstrand bedraagt de oppervlakte van een strandpaviljoen ten hoogste 600 m2 en van een dagcabine 5 m2.

  • 4

    Op een recreatiestrand bedraagt de oppervlakte van een strandpaviljoen ten hoogste 1000 m2en van een dagcabine 5 m .

  • 5

    Voor een slaaphuisje op een recreatiestrand gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de totale oppervlakte bedraagt maximaal 40 m2, waarvan maximaal 25 m2 inpandig;

    • b.

      de hoogte bedraagt maximaal 4,5 meter, waarvan tot maximaal 50 cm mag worden afgeweken als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het slaaphuisje voldoet aan actuele duurzaamheidseisen;

    • c.

      de oppervlakte van een verdieping bedraagt maximaal 50% van de inpandige gebruiksruimte.

  • 6

    Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van recreatieve bebouwing al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

  • 7

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      reddingsbrigadegebouwen; en

    • b.

      bouwwerken van openbaar belang, voor zover deze bouwwerken niet buiten een natuur- of recreatiestrand kunnen worden gebouwd, waarbij als bouwwerk van openbaar belang in ieder geval worden aangemerkt bouwwerken voor:

      • 1.

        telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten; en

      • 2.

        opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

      • 3.

        waterbeheer en natuurbeheer.

[Red: Artikel 5.25   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.25   18.22 Verbod permanent wonen
  • 1

    In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan.

  • 2

    Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning.

[Red: Artikel 5.26   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.26   18.23 Centraal bedrijfsmatige exploitatie
  • 1

    In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels opgenomen waarmee wordt verzekerd dat een standplaats die of bouwwerk dat wordt gebruikt voor recreatief nachtverblijf wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan.

  • 2

    Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen over een centraal bedrijfsmatige exploitatie.

  • 3  

    Een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat regels die duurzaam beheer en onderhoud van het terrein borgen.

[Red: Artikel 5.27   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.27   18.24 Kleinschalig kamperen
  • 1

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een kleinschalig kampeerterrein laat niet meer dan 35 kampeermiddelen toe, waarvan ten hoogste 20% permanent met een maximum van 5.

  • 2  

    In een omgevingsplan dat betrekking heeft op nieuwvestiging of uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein zoals bedoeld in het eerste lid wordt in de motivering aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel aan de in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap. 

  • 3

    In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd.

[Red: Artikel 5.28   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.28   18.25 Jachthavens en waterrecreatie
  • 1

    In een omgevingsplan wordt een nieuwe ligplaats primair voorzien in een bestaande jachthaven.

  • 2

    De motivering bij het omgevingsplan maakt aannemelijk dat:

    • a.

      het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van kwaliteitsverbetering, voorkomen van overaanbod en innovatie van een bestaande jachthaven; en

    • b.

      omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe ligplaats verzetten.

[Red: Artikel 5.29   verplaatst van paragraaf 5.1.5 naar afdeling 18.5. ]

Artikel 5.29   18.26 Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen
  • 1

    Een omgevingsplan kan slechts voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen voor parachutisten, als:

    • a.

      in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van verplaatsing om een betere concentratie of een beperking van geluidsoverlast te bereiken;

    • b.

      het gaat om het planologisch mogelijk maken van een bestaande lawaaisport in Zeeland waarvoor door het bevoegd gezag vergunning is verleend vóór de datum van 1 januari 2003, onder de voorwaarde dat in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen sprake is van toename van geluidsoverlast;

    • c.

      het gaat om het toelaten van start- en landingsplaatsen voor modelvliegtuigen op gronden die op tenminste 500 meter liggen van de gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland, anders dan binnendijken; of

    • d.

      er sprake is van een evenement, anders dan de reguliere beoefening van gemotoriseerde luchtsporten of regulier gebruik van landingsplaatsen.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de vestiging of uitbreiding van de sporten al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

Afdeling 18.6 Veerse Meer

[Red: Artikel 5.30   verplaatst van paragraaf 5.1.6 naar afdeling 18.6. ]

Artikel 5.30   18.27 Ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer
  • 1

    In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een aandachtsgebied rondom het Veerse Meer als bedoeld in bijlage V, onder 1, en dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de uitgangspunten, bedoeld in bijlage V, onder 1, 3, 4 en 5.

  • 2

    In een omgevingsplan dat betrekking heeft op het gebied rondom het Veerse Meer, met uitzondering van aandachtsgebieden als bedoeld in bijlage V, onder 1, maar inclusief beschermingsgebieden als bedoeld in bijlage V, onder 2, en dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de uitgangspunten, bedoeld in bijlage V, onder 2 tot en met 5.

  • 3

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op plannen en projecten die onder het overgangsbeleid vallen, bedoeld in bijlage V onder 6.

Afdeling 18.7 Agrarische activiteiten

Paragraaf 18.7.1 Omgevingsplan

[Red: Artikel 5.31   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.1 naar paragraaf 18.7.1. ]

Artikel 5.31   18.28 Concentratie agrarische bebouwing
  • 1

    In een omgevingsplan kan een nieuw agrarisch bouwwerk alleen worden voorzien in het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak.

  • 2

    Buiten het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak kan in een omgevingsplan alleen worden voorzien in:

    • a.

      een sleufsilo en kuilvoerplaat aansluitend aan een bouwvlak;

    • b.

      tijdelijke mestopslag op een veldkavel;

    • c.

      als onderdeel van een agrarisch bedrijf, een teelt ondersteunende voorziening en een bassin ten behoeve van aquacultuur;

    • d.

      een bassin voor de opslag van zoetwater als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat:

      • aanleg op of aansluitend aan een bouwvlak niet mogelijk is door het ontbreken van een adequaat innamepunt voor zoet water; en

      • het bassin een functie vervult voor de nabijgelegen gronden; en

      • wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing; en

      • aanleg niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het betreffende gebied; of

    • e.

      een kleinschalig bouwwerk als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd.

[Red: Artikel 5.32   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.1 naar paragraaf 18.7.1. ]

Artikel 5.32   18.29 Bufferzones
  • 1

    In een omgevingsplan waarin voor de eerste keer een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten worden de volgende afstanden in acht genomen:

    • a.

      100 meter tot buiten stedelijk gebied gesitueerde grond waarop een agrarisch gebouw anders dan een kas is toegelaten;

    • b.

      50 meter vanaf een buiten stedelijk gebied gesitueerde kas, en, primair vanaf een daarvoor aangewezen bouwvlak alsmede vanaf buiten stedelijk gebied gesitueerde grond waarop fruitteelt is toegelaten.

  • 2

    In een omgevingsplan waarin voor de eerste keer op buiten stedelijk gebied gesitueerde grond een agrarisch gebouw, anders dan een kas, wordt toegelaten wordt dit gebouw niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot grond waarop een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten.

  • 3

    In een omgevingsplan waarin voor de eerste keer op buiten stedelijk gebied gesitueerde grond de nieuwbouw van een kas wordt toegelaten en in een omgevingsplan waarin het gebruik voor fruitteelt wordt toegelaten op buiten stedelijk gebied gesitueerde grond die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet als zodanig in gebruik was, wordt een afstand in acht genomen van 50 meter tot grond waarop een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten.

  • 4

    In afwijking van het eerste tot en met het derde lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid zullen optreden en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.

[Red: Artikel 5.33   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.1 naar paragraaf 18.7.1. ]

Artikel 5.33   18.30 Glastuinbouw
  • 1

    Een omgevingsplan kan slechts voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf, als:

    • a.

      het bedrijf ligt binnen een glastuinbouwconcentratiegebied als bedoeld in bijlage XV en uitbreiding plaatsvindt binnen dat gebied;

    • b.

      het gaat om het toevoegen van een neventak glastuinbouw van ten hoogste 2000 m2 bij een bestaand agrarisch bedrijf, anders dan een glastuinbouwbedrijf, en in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten; of

    • c.

      er sprake is van uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 2 hectare, als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, kan een ruimere uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf worden toegelaten als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en de sanering van kassen elders in de provincie Zeeland, met een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 2 hectare, is gewaarborgd.

  • 3

    Het eerste lid is niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

[Red: Artikel 5.34   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.1 naar paragraaf 18.7.1. ]

Artikel 5.34   18.31 Intensieve veehouderij
  • 1

    In een omgevingsplan wordt de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, de omschakeling van een bestaand bedrijf naar intensieve veehouderij en het toevoegen van een neventak intensieve veehouderij niet toegelaten.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging van, de omschakeling naar intensieve veehouderij of het toevoegen van een neventak al is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

  • 3

    Het eerste lid is niet van toepassing als sprake is van een in de provincie Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of -vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst.

  • 4

    De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een intensieve veehouderij als bedoeld in het derde lid maakt aannemelijk dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf.

  • 5

    Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner dan 5000 mkan uitbreiden tot ten hoogste 5000 m2, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het gaat om een uitbreiding:

    • a.

      waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf;

    • b.

      die noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, en

    • c.

      waartegen omgevingskwaliteiten zich niet verzetten.

  • 6

    Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5000 m2 kan uitbreiden met ten hoogste 20% of tot een totaal bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8000 m2, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat:

    • a.

      het een uitbreiding betreft waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf;

    • b.

      de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf; en

    • c.

      omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

  • 7

    Een omgevingsplan kan toelaten dat een bestaande neventak kan uitbreiden tot ten hoogste 2100 mbedrijfsvloeroppervlak, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

  • 8

    Als wettelijke eisen over dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak verlangen, zijn het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing.

  • 9

    Als het toepassen van het Beter Leven Keurmerk over dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak verlangt, zijn het vijfde en zesde lid niet van toepassing.

  • 10

    Het negende lid is alleen van toepassing voor zover een bedrijf bij toepassing van dat keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie.

[Red: Artikel 5.35   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.1 naar paragraaf 18.7.1. ]

Artikel 5.35   18.32 Agrarische onderzoeksbedrijven
  • 1

    In een omgevingsplan wordt de nieuwvestiging van een agrarisch onderzoeksbedrijf alleen toegelaten op:

    • a.

      een bedrijventerrein van ten minste een hectare; of

    • b.

      op grond, waarop, met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening, ook een agrarisch bedrijf of glastuinbouwbedrijf wordt toegelaten.

  • 2

    In een omgevingsplan wordt de uitbreiding van een bestaand agrarisch onderzoeksbedrijf alleen toegelaten, als in de motivering aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

  • 3

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, als:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een agrarisch onderzoeksbedrijf is toegelaten in het omgevingsplan; en

    • b.

      de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.

Paragraaf 18.7.2 Omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

[Red: Artikel 5.36   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.2 naar paragraaf 18.7.2. ]

Artikel 5.36   18.33 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten en wijzigen van veehouderijen op een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

[Red: Artikel 5.37   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.2 naar paragraaf 18.7.2. ]

Artikel 5.37   18.34 Weigeringsgronden oprichten en wijzigen veehouderijen
  • 1

    Een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij, bedoeld in de artikelen 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt geweigerd, als een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, en:

    • a.

      het aantal gehouden melkrundvee meer dan 200 stuks bedraagt;

    • b.

      het aantal gehouden vrouwelijk jongvee meer dan 340 stuks bedraagt of indien het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkvee meer dan 340 stuks bedraagt;

    • c.

      het aantal gehouden paarden meer dan 100 stuks bedraagt;

    • d.

      het aantal gehouden schapen of geiten meer dan 2.000 stuks bedraagt;

    • e.

      het aantal gehouden kippen, eenden of parelhoenders meer dan 2.500 stuks bedraagt;

    • f.

      het aantal gehouden gespeende biggen meer dan 3.750 stuks bedraagt; of

    • g.

      het aantal gehouden vleesrunderen meer dan 1.200 stuks bedraagt.

  • 2

    Een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een veehouderij, bedoeld in de artikelen 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt geweigerd, als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding, waardoor het aantal gehouden dieren groter wordt dan het aantal, bedoeld in het eerste lid; en

    • b.

      een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

[Red: Artikel 5.38   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.2 naar paragraaf 18.7.2. ]

Artikel 5.38   18.35 Toelaatbare oprichting veehouderij
  • 1

    In afwijking van artikel 5.37, eerste lidartikel 18.34eerste lid wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, viel, en:

    • a.

      het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;

    • b.

      het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

    • c.

      de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

    • d.

      het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a;

    • e.

      het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels, die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a; of

    • f.

      het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.

  • 2

    In afwijking van artikel 5.37, eerste lidartikel 5.37eerste lid, wordt een omgevingsvergunning ook niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

[Red: Artikel 5.39   verplaatst van subparagraaf 5.1.7.2 naar paragraaf 18.7.2. ]

Artikel 5.39   18.36 Toelaatbare wijziging veehouderij
  • 1

    In afwijking van artikel 5.3718.34, tweede lid.Lid 2,  wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, als:

    • a.

      de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

      • 1.

        zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; of

      • 2.

        op  grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, als deze lager is dan de ammoniakemissie, bedoeld onder 2;

    • b.

      in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

    • c.

      de uitbreiding schapen of paarden betreft;

    • d.

      de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden; of

    • e.

      de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

  • 2

    Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, of artikel 5.38 18.35, eerste lid,  onder c tot en met f, niet meegerekend.

Afdeling 18.8 Waterkeringen

[Red: Artikel 5.40   verplaatst van paragraaf 5.1.8 naar afdeling 18.8. ]

Artikel 5.40   18.37 Regionale waterkeringen
  • 1  

    Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van die waterkering.

  • 2

    Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een in een waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een regionale waterkering waar ter bescherming van een regionale waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 18.9 Natuur

[Red: Artikel 5.41   verplaatst van paragraaf 5.1.9 naar afdeling 18.9. ]

Artikel 5.41   18.38 Bestaande natuur
  • 1

    Een omgevingsplan dat van toepassing is op bestaande natuur, bedoeld in bijlage XII onder 1, stelt regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland zoals bedoeld door het Rijk in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Stb. 2018, 292) en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden.

  • 2

    De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan het eerste lid is voldaan.

  • 3

    Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd.

  • 4

    Een omgevingsplan dat van toepassing is op het binnen bestaande natuur gelegen beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering strekt primair tot de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering en secundair tot de in het eerste lid bedoelde belangen.

  • 5

    Een omgevingsplan maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten binnen bestaande natuur mogelijk die:

    • a.

      nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden;

    • b.

      leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden; of

    • c.

      leiden tot een vermindering van de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland.

  • 6

    Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij:

    • a.

      sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage VI bedoelde voorwaarden.

  • 7

    Tot een groot openbaar belang worden in ieder geval gerekend:

    • a.

      telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten;

    • b.

      opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

    • c.

      waterbeheer en natuurbeheer.

[Red: Artikel 5.42   verplaatst van paragraaf 5.1.9 naar afdeling 18.9. ]

Artikel 5.42   18.39 Agrarisch gebied van ecologische betekenis
  • 1

    Een omgevingsplan dat van toepassing is op een Agrarisch gebied van ecologische betekenis als bedoeld in bijlage XII onder 2, stelt, naast regels die van toepassing zijn op agrarische activiteiten, ook regels die de ecologische waarde van de gronden in het gebied tot uitdrukking brengen.

  • 2

    Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd.

  • 3

    Een omgevingsplan stelt geen regels of maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die:

    • a.

      nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden;

    • b.

      leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden; of

    • c.

      leiden tot een vermindering van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland.

  • 4

    De motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld of nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegelaten maakt aannemelijk dat wordt voldaan aan het derde lid.

  • 5

    In een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor de in het eerste lid bedoelde gebieden, wordt de regel gesteld dat het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verboden is in het omgevingsplan nader te omschrijven activiteiten uit te voeren die een nadelig gevolg kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. Daarbij wordt de regel gesteld dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als zich geen nadelige gevolgen voordoen voor de wezenlijke kenmerken en waarden, of als de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet worden verkleind.

  • 6

    Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij:

    • a.

      sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage VI  bedoelde voorwaarden.

  • 7

    Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend:

    • a.

      telecommunicatie en hulpverleningsdiensten;

    • b.

      opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

    • c.

      waterbeheer en natuurbeheer.

[Red: Artikel 5.43   verplaatst van paragraaf 5.1.9 naar afdeling 18.9. ]

Artikel 5.43   18.40 Natuurontwikkelingsgebieden
  • 1

    In de regels van een omgevingsplan voor een natuurontwikkelingsgebied als bedoeld in bijlage XII, onder 3, kan de bestaande situatie worden gecontinueerd.

  • 2

    Een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor een natuurontwikkelingsgebied als bedoeld in bijlage XII, onder 3, bevat geen regels die voorzien in nieuwe vormen van grondgebruik en nieuwe bebouwing, met uitzondering van grondgebruik en bebouwing voor natuurdoeleinden.

  • 3

    Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik als bedoeld in artikel 10.23 van het Omgevingsbesluit.

[Red: Artikel 5.44   verplaatst van paragraaf 5.1.9 naar afdeling 18.9. ]

Artikel 5.44   18.41 Afwegingszone natuurgebieden

In de motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor grond die ligt binnen de afwegingszone van 100 meter rond een bestaand natuurgebied, bedoeld in bijlage XII onder 4, wordt:

  • a.

    een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied; en

  • b.

    aannemelijk gemaakt dat geen activiteit wordt toegelaten die nadelige gevolgen heeft voor de bedoelde kenmerken en waarden.

Afdeling 18.10 Landschap en erfgoed

[Red: Artikel 5.45   verplaatst van paragraaf 5.1.10 naar afdeling 18.10. ]

Artikel 5.45   18.42 Landschap en erfgoed
  • 1

    In de motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor landschappen, landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle boerderijen of cultuurhistorische elementen als bedoeld in bijlage VII, wordt inzicht gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen.

  • 2

    In een omgevingsplan worden geen activiteiten toegelaten die:

    • a.

      het mogelijk maken dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast;

    • b.

      leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden; of

    • c.

      leiden tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen.

  • 3

    De motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik, maakt aannemelijk dat de in het tweede lid bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen.

  • 4

    Het tweede lid is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen als bedoeld in bijlage VII.

  • 5

    Het tweede lid is niet van toepassing als:

    • a.

      er sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn;

    • c.

      de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen; en

    • d.

      de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig bijlage VI.

  • 6

    Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend:

    • a.

      telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten;

    • b.

      opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleindschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

    • c.

      waterbeheer en natuurbeheer.

[Red: Artikel 5.46   verplaatst van paragraaf 5.1.10 naar afdeling 18.10. ]

Artikel 5.46   18.43 Versterken landelijk gebied Rood - voor - Rood  
  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied als sprake is van:  

    a.     het doen vervallen van de functie wonen van een gelijk aantal woningen in het omgevingsplan elders buiten stedelijk gebied; of  

    b.     het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw, door:  

              i.     het benutten van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij als bedoeld in bijlage VII; of  

               ii.     het benutten van een gebouw dat geregistreerd staat als rijks- of gemeentelijk monument; of  

                iii.     het benutten van een gebouw dat niet valt onder i of ii, indien op basis van een onafhankelijk advies dat gebouw als cultuurhistorisch is aangemerkt. 

  • 2  

    Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid dient te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:

    a.     de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; en

    b.     het ontwerp van de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie en de situering op het bouwvlak sluiten aan bij het karakter van het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en mogelijke cultuurhistorische waarden.

  • 3  

    Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b dient voorts te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:

    a.     de realisatie draagt bij aan de instandhouding van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw; en

    b.     alle ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak wordt gesloopt; en

    c.      de bestaande functie van het bouwvlak wordt beëindigd en omgezet naar de functie wonen indien van toepassing.  

[Red: Artikel 5.47 verplaatst van paragraaf 5.1.10 naar afdeling 18.10. ]

Artikel 5.47 18.44 Versterken landelijk gebied - Ruimte voor ruimte
  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied, als: 

     a.     sprake is van ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied; en 

     b.     alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen van het bouwvlak wordt gesloopt, tenzij het gaat om een monumentale- of cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij zoals opgenomen in bijlage VII; en 

     c.      sloop en het voorkomen van heroprichting van de te slopen bedrijfsbebouwing worden gewaarborgd; en 

     d.     maximaal drie woningen worden gerealiseerd: 

            i.    op het betrokken bouwvlak; of 

            ii.   aansluitend aan stedelijk gebied; of

            iii.  in of aansluitend aan een bebouwingslint.

    • a.

      sprake is van ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied; en

    • b.

      alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen van het bouwvlak wordt gesloopt, tenzij het gaan om een monumentale- of cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij zoals opgenomen in bijlage VII; en

    • c.

      sloop en het voorkomen van heropricht van de te slopen bedrijfsbebouwing worden gewaarborgd; en

    • d.

      maximaal drie woningen worden gerealiseerd:



      i. op het betrokken bouwvlak; of



      ii. aansluitend aan stedelijk gebied; of



      iii. in of aansluitend aan een bebouwingslint.

  • 2

    De realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid wordt gecompenseerd door per woning ten minste het oppervlak te slopen van: 

     a.     500 m2 schuur m2 schuur

     b.     0,5 ha glas; of 

     c.      andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. 

  • 3

    Het omgevingsplan kan uitsluitend afwijken van de in het tweede lid genoemde sloopnormen, van het maximum van drie woningen (lid 1 sub d) of van de verplichting tot volledige sloop (lid 1 sub b), wanneer aan onderstaande voorwaarden is voldaan:  

    a.     een onafhankelijk financieel rapport toont aan dat uitvoering volgens het tweede lid niet haalbaar is; en  

    b.     de afwijking van deze voorwaarden blijft beperkt tot het minimum dat nodig is om het plan kostendekkend te maken; en  

    c.      het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing. 

[Red: Artikel 5.48 verplaatst van paragraaf 5.1.10 naar afdeling 18.10. ]

Artikel 5.48 18.45 Molenbiotoop
  • 1

    De motivering van een omgevingsplan geeft inzicht in de cultuurhistorische waarde van een aanwezige traditionele windmolen.

  • 2

    Een omgevingsplan garandeert in voldoende mate de vrije windvang van de molen en neemt het volgende in acht:

    • a.

       binnen een straal van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken; en

    • b.

      binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen, wordt een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd.

  • 3

    Het tweede lid is niet van toepassing op:

    • a.

        bestaand gebruik en bestaande bebouwing;

    • b.

      het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht; en

    • c.

      het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing, voor zover de bebouwingsmogelijkheden, in overeenstemming met het omgevingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot.

  • 4

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder c, kunnen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen.

Afdeling 18.11 Provinciale infrastructuur

[Red: Artikel 5.49   verplaatst van paragraaf 5.1.11 naar afdeling 18.11. ]

Artikel 5.49   18.46 Bouwwerken bij provinciale wegen

Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg.

[Red: Artikel 5.50   verplaatst van paragraaf 5.1.11 naar afdeling 18.11. ]

Artikel 5.50   18.47 Werken bij provinciale vaarwegen

Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van werken binnen het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding, verruiming of wijziging van de provinciale vaarweg.

Afdeling 18.12 Duisternisgebieden

[Red: Artikel 5.51   verplaatst van paragraaf 5.1.12 naar afdeling 18.12. ]

Artikel 5.51   18.48 Duisternisgebieden

Het bevoegd gezag houdt bij het maken van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van maatwerkvoorschriften rekening met de doelstelling in duisternisgebieden, bedoeld in artikel 2.142 7.2.

Afdeling 18.13 Stiltegebieden

[Red: Artikel 5.52   verplaatst van paragraaf 5.1.13 naar afdeling 18.13. ]

Artikel 5.52   18.49 Activiteiten binnen stiltegebieden A en B
  • 1

    Bij het vaststellen van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met de doelstellingen in stiltegebied a en stiltegebied b, bedoeld in artikel 2.97 6.3.

  • 2

    Als richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen stiltegebied a en stiltegebied b wordt een niveau van 30 dB(A) in acht genomen, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen.

[Red: Artikel 5.53   verplaatst van paragraaf 5.1.13 naar afdeling 18.13. ]

Artikel 5.53   18.50 Activiteiten buiten stiltegebieden A en B
  • 1

    Bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten binnen invloedsgebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden a en b, worden als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten de richtwaarden, bedoeld in het tweede en derde lid, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied in acht genomen.

  • 2

    Voor activiteiten binnen invloedsgebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden a, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 30 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied. Als uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag-, avond-, of nachtperiode:

    • a.

      meer bedraagt dan 40 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 40 dB(A) gehanteerd; of

    • b.

      minder bedraagt dan 30 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 30 dB(A) gehanteerd.

  • 3

    Voor activiteiten binnen invloedsgebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden b, wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 40 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied in acht genomen. Het referentieniveau bedraagt in de dag-, avond-, of nachtperiode niet meer dan 48 dB(A).

[Red: Artikel 5.54   verplaatst van paragraaf 5.1.13 naar afdeling 18.13. ]

Artikel 5.54   18.51 Vrijstelling van de instructieregels

artikel 5.52  18.49 en artikel 5.53 18.50 gelden niet voor:

  • a.

    het verrichten van activiteiten op een bedrijventerrein buiten de stiltegebieden a en b, dat op 1 februari 1999 was toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008;

  • b.

    mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarische activiteit;

  • c.

    laad- en losactiviteiten van scheepsvaart;

  • d.

    "windenergie concentratielocatie" als bedoeld in artikel 5.20 18.17;

  • e.

    bestaande wegen door stiltegebieden a en b;

  • f.

    activiteiten als bedoeld in de paragraaf 2.3.2, paragraaf 6.1 waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;

  • g.

    maximaal drie evenementen per jaar waarbij sprake is van versterkt geluid, voor zover het stiltegebieden b betreft;

  • h.

    voor het onderhoud van het gebied inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; en

  • i.

    de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening als deze activiteiten niet structureel plaatsvinden of geen vergunning op basis van de Omgevingswet noodzakelijk is.

[Red: Artikel 5.55   verplaatst van paragraaf 5.1.13 naar afdeling 18.13. ]

Artikel 5.55   18.52 Verplichting om geluid te meten
  • 1

    Metingen en beoordelingen om het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid en het langtijdgemiddeld geluidsniveau van nieuwe activiteiten te bepalen, worden uitgevoerd volgens de Omgevingsregeling.

  • 2

    Beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag dat het besluit neemt over een omgevingsvergunning waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.

[Red: Artikel 5.56   verplaatst van paragraaf 5.1.13 naar afdeling 18.13. ]

Artikel 5.56   18.53 Vastleggen van de uitgangssituatie
  • 1

    In een omgevingsplan dat betrekking heeft op stiltegebieden a of b of invloedsgebieden wordt bepaald dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning gegevens over de uitgangssituatie voor geluid worden verstrekt, in overeenstemming met de Omgevingsregeling.

  • 2

    De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning, waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.

Afdeling 18.14 Aardkundige waarden

[Red: Artikel 5.57   verplaatst van paragraaf 5.1.14 naar afdeling 18.14. ]

Artikel 5.57   18.54 Aardkundige waarden
  • 1

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op aardkundig waardevolle gebieden is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, bedoeld in bijlage IX.

  • 2

    Het omgevingsplan stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

  • 3

    In een omgevingsplan worden geen activiteiten toegelaten die:

    • a.

      het mogelijk maken dat de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden significant worden aangetast; of

    • b.

      leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gebieden.

  • 4

    De motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor nieuwe activiteiten maakt aannemelijk dat de in het derde lid bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen.

  • 5

    Het derde lid is niet van toepassing als:

    • a.

      er sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 6

    Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend:

    • a.

      telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten;

    • b.

      opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

    • c.

      waterbeheer en natuurbeheer.

Afdeling 5.1 Instructieregels aan gemeenten

Paragraaf 5.1.1 Bedrijven

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.2 Detailhandel

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.3 Wonen
Artikel 5.15   Wonen-benutten bestaande bebouwing: rood voor rood

[Vervallen]

Artikel 5.16   Wonen-ruimte voor ruimte

[Vervallen]

Artikel 5.17   Wonen-nieuwe bebouwing: rood voor groen

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.4 Energie

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.5 (Verblijfs)recreatie en activiteiten op stranden

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.6 Veerse Meer

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.7 Agrarische activiteiten
Subparagraaf 5.1.7.1 Omgevingsplan

[Vervallen]

Subparagraaf 5.1.7.2 Omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.8 Waterkeringen

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.9 Natuur

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.10 Landschap en erfgoed

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.11 Provinciale infrastructuur

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.12 Duisternisgebieden

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.13 Stiltegebieden

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.14 Aardkundige waarden

[Vervallen]

Afdeling 5.2 Instructieregels aan het waterschap

Paragraaf 5.2.1 Waterbeheerprogramma

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.2 Peilbesluit

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.3 Waterschapsverordening

[Vervallen]

Paragraaf 5.2.4 Projectbesluit

[Vervallen]

Afdeling 5.3 Instructieregels aan gedeputeerde staten

Paragraaf 5.3.1 Stiltegebieden

[Vervallen]

Paragraaf 5.3.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

[Vervallen]

Paragraaf 5.3.3 Projectbesluit

[Vervallen]

Paragraaf 5.3.4 Uitgangspunten regionale bedrijventerreinprogramma's

[Vervallen]

Paragraaf 5.3.5   Uitgangspunten regionale woonafspraken

[Vervallen]

Afdeling 5.4 Instructieregels aan de faunabeheereenheid

[Vervallen]

Hoofdstuk 19 Instructieregels aan het waterschap

[Red: Artikel 5.58   verplaatst van paragraaf 5.2.1 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.58   19.1 Inhoud waterbeheerprogramma

Het waterbeheerprogramma bevat, gelet op gestelde omgevingswaarden en het regionaal waterprogramma, naast de maatregelen, bedoeld in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

  • a.

    een beschrijving van de toestand van de regionale wateren en de waterkeringen, waaronder de afvoer- en bergingscapaciteit en de waterkwaliteit;

  • b.

    het beleid met betrekking tot het beheer van de regionale wateren en de waterkeringen;

  • c.

    gegevens die inzicht geven in de prioriteitstelling en fasering van maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de regionale wateren en de waterkeringen ;

  • d.

    gegevens die inzicht geven in de dekking van de kosten van maatregelen en voorzieningen als bedoeld onder c; en

  • e.

    gegevens waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de in het regionale waterprogramma opgenomen doelen voor de waterkwaliteit van andere regionale wateren dan krw-oppervlaktewaterlichamen.

[Red: Artikel 5.59   verplaatst van paragraaf 5.2.1 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.59   19.2 Overleg en verslag waterbeheerprogramma

  • 1

    Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma.

  • 2

    Het waterschapsbestuur zendt jaarlijks een verslag aan gedeputeerde staten over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar.

  • 3

    Het verslag bevat in elk geval informatie over:

    • a.

      de voortgang met het oog op gestelde omgevingswaarden voor regionale wateren;

    • b.

      voor zover van toepassing: actualisatie van peilbesluiten; en

    • c.

      de uitoefening van taken met betrekking tot wateractiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water in samenhang met het onttrekken van water, gelet op artikel 5.61 19.4.

[Red: Artikel 5.60   verplaatst van paragraaf 5.2.2 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.60   19.3 Peilbesluiten

  • 1

    Het waterschapsbestuur stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer peilbesluiten vast.

  • 2

    Het waterschapsbestuur draagt zorg voor het actueel houden van peilbesluiten, zodanig dat deze zijn toegesneden op veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en aanwezige belangen.

  • 3

    Een peilbesluit bevat naast de gegevens, bedoeld in artikel 2.41, derde lid, van de wet, gegevens over eventuele wijzigingen van de te handhaven waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren.

  • 4

    Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over een voornemen tot vaststelling of wijziging van een peilbesluit.

[Red: Artikel 5.61   verplaatst van paragraaf 5.2.3 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.61   19.4 Bescherming Waterschapsverordening bescherming grondwater

  • 1

    In de waterschapsverordening worden voor wateronttrekkingsactiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water in samenhang met het onttrekken van grondwater, regels gesteld met als doel het tegengaan van nadelige gevolgen voor:

    • a.

      de grondwaterstand in verdrogingsgevoelige natuurgebieden als bedoeld in bijlage XI; en

    • b.

      een duurzame kwantitatieve en kwalitatieve toestand van het grondwater in het beheergebied van het waterschap.

  • 2

    De regels omvatten in elk geval:

    • a.

      de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder omgevingsvergunning;

    • b.

      de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder voorafgaande melding;

    • c.

      de aanwijzing van activiteiten waarvoor algemene regels gelden;

    • d.

      meet- en opgaveverplichtingen voor de activiteiten, bedoeld onder a tot en met c; en

    • e.

      een verbod om zonder omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten in grondwaterbeschermingsgebieden.

[Red: Artikel 5.62   verplaatst van paragraaf 5.2.3 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.62   19.5 Grondwaterregister Waterschapsverordening grondwaterregister

Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten, elk voor zover bevoegd gezag, dragen zorg voor de inschrijving in het landelijk register van activiteiten op basis van een omgevingsvergunning of melding, die bestaan uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, met vermelding van de daarvoor benodigde gegevens.

[Red: Artikel 5.63   verplaatst van paragraaf 5.2.3 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.63   19.6 Grondwatermeetnet Waterschapsverordening grondwatermeetnet

Gedeputeerde staten dragen, in afstemming met het waterschapsbestuur, zorg voor de inrichting en het beheer van een meetnet voor de taken en het beleid met betrekking tot grondwater en daarvoor benodigde onderzoeken.

[Red: Artikel 5.64   verplaatst van paragraaf 5.2.4 naar hoofdstuk 19. ]

Artikel 5.64   19.7 Instructieregels projectbesluit

Op het vaststellen van een projectbesluit door het dagelijks bestuur van het waterschap zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 20 Instructieregels aan gedeputeerde staten

[Red: Artikel 5.65   verplaatst van paragraaf 5.3.1 naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.65   20.1 Bebording stiltegebieden

Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van stiltegebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied of die daaraan grenzen.

[Red: Artikel 5.66   verplaatst van paragraaf 5.3.2 naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.66   20.2 Bebording grondwaterbeschermingsgebieden

Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van grondwaterbeschermingsgebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied of die daaraan grenzen.

[Red: Artikel 5.67   verplaatst van paragraaf 5.3.3 naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.67   20.3 Instructieregels projectbesluit

Op het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1, van overeenkomstige toepassing.

[Red: Artikel 5.68 verplaatst van paragraaf 5.3.4 naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.68 20.4 Provinciale bedrijventerreinprognose

  • 1

    Gedeputeerde Staten stellen ten minste eens per vier jaar een bedrijventerreinprognose op.

  • 2

    De bedrijventerreinprognose gaat in ieder geval in op:

    • a.

      de huidige stand en verwachte ontwikkeling naar type en omvang van bedrijventerreinen voor de hele provincie, de bedrijvenregio's en gemeenten; en

    • b.

      de verwachte ontwikkelingen voor de komende vijf, tien en twintig jaar.

[Red: Artikel 5.69   verplaatst van paragraaf 5.3.5   naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.69   20.5 Provinciale huishoudensprognose

  • 1

    Gedeputeerde staten stellen ten minste eens per drie jaar een huishoudensprognose op.

  • 2

    De huishoudensprognose gaat in ieder geval in op:

    • a.

      de huidige stand en verwachte ontwikkeling naar type huishouden voor de hele provincie, de woningbouwregio’s en gemeenten; en

    • b.

      de verwachte ontwikkelingen voor de komende vijf, tien en twintig jaar.

[Red: Artikel 5.70   verplaatst van paragraaf 5.3.5   naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.70   20.6 Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland

  • 1

    Gedeputeerde staten voeren ten minste eens per drie jaar het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland uit met de dan beschikbaar gestelde huishoudensprognose.

  • 2

    Het KWOZ gaat op het niveau van de provincie, woningbouwregio’s en gemeenten ten minste in op:

    • a.

      de woningbehoefte voor de komende vijf, tien en twintig jaar; en

    • b.

      de behoefte per woningtype, eigendomsvorm en prijsklasse; en

    • c.

      de kwaliteit en opgaven binnen de bestaande woningvoorraad.

[Red: Artikel 5.71   verplaatst van paragraaf 5.3.5   naar hoofdstuk 20. ]

Artikel 5.71   20.7 Provinciale planmonitor wonen

  • 1

    Gedeputeerde Staten beheren een monitoringssysteem ten behoeve van het bijhouden van het plancapaciteit per gemeente, de planmonitor wonen.

  • 2

    De planmonitor wonen gaat per plan ten minste in op:

    • a.

      het aantal woningen in harde plancapaciteit; en

    • b.

      het aantal woningen in zachte plancapaciteit; en

    • c.

      de ligging binnen/buiten stedelijk gebied; en

    • d.

      kwalitatieve aspecten (betaalbaarheid en woningtype); en

    • e.

      de realisatie van woningen.

Hoofdstuk 21 Instructieregels aan de faunabeheereenheid

[Red: Artikel 5.72   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.72   21.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Zeeland.

[Red: Artikel 5.73   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.73   21.2 Algemene eisen aan faunabeheerplannen

  • 1

    Een faunabeheerplan beschrijft de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid.

  • 2

    Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven.

  • 3

    Een faunabeheerplan geeft inzicht in de samenhang tussen de jacht op wildsoorten, het beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade door deze dieren.

  • 4

    Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

[Red: Artikel 5.74   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.74   21.3 Faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties

In aanvulling op artikel 5.73 21.2 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van omgevingsvergunningen in ieder geval per diersoort:

  • a.

    een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van op basis van omgevingsvergunningen van in het wild levende dieren;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de onder b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van schade aan de belangen bedoeld in 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving die zouden worden geschaad indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de onder c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

  • e.

    de huidige en gewenste stand van de onder b bedoelde diersoorten;

  • f.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden genomen om de gewenste stand, bedoeld onder e, te bereiken;

  • g.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de onder d bedoelde periode zijn verricht om het schaden van de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;

  • h.

    een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot bestrijding;

  • i.

    voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de onder f bedoelde maatregelen zullen plaatsvinden;

  • k.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn; een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder f bedoelde maatregelen;

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald; en

  • m.

    informatie, op basis van gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties of gekende onderzoek- of kennisinstellingen en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.

[Red: Artikel 5.75   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.75   21.4 Faunabeheerplan schadebestrijding

In aanvulling op artikel 5.73 21.2 bevat het faunabeheerplan over schadebestrijding op basis van vergunningvrije gevallen in ieder geval per diersoort:

  • a.

    een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; en

  • c.

    een beschrijving van de maatregelen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vergunningvrije gevallen bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen.

[Red: Artikel 5.76   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.76   21.5 Faunabeheerplan uitoefening jacht

In aanvulling op artikel 5.73 21.2 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht:

  • a.

    een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;

  • c.

    een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;

[Red: Artikel 5.77   verplaatst van afdeling 5.4 naar hoofdstuk 21. ]

Artikel 5.77   21.6 Geldigheidsduur faunabeheerplan

  • 1

    Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.

Hoofdstuk 6 22 Handhaving

Afdeling 6.1 22.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving

Artikel 6.1 22.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de wet door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 6.2 22.2 Betrokkenheid van provinciale staten

Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wet in het licht van de voor de provincie Zeeland vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 6.3 22.3 Kwaliteitsdoelen
  • 1

    Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wet in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.

  • 2

    De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de wet, hebben in ieder geval betrekking op:

    • a.

      de dienstverlening;

    • b.

      de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; en

    • c.

      de financiën.

Artikel 6.4 22.4 Kwaliteitsborging
  • 1

    Op de uitvoering en handhaving van de wet door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 2

    Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.

  • 3

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.

Hoofdstuk 7 23 Schade

Afdeling 7.1 23.1 Nadeelcompensatie

Artikel 7.1 23.1 Procedure

Voor de verzoeken om nadeelcompensatie en de toekenning daarvan wordt naast titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en Afdeling 15.1 Omgevingswet, verwezen naar de Verordening nadeelcompensatie provincie Zeeland 2023.

Afdeling 7.2 23.2 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 7.2 23.2 Aanvraag om tegemoetkoming
  • 1

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 15.53 van de wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

  • 2

    De aanvraag wordt uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd, ingediend.

  • 3

    Als een aanvraag om tegemoetkoming niet voldoet aan het eerste en tweede lid, komt de schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 7.3 23.3 Taxatie van de schade
  • 1

    Het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, worden pas geoogst of van het bedrijf afgevoerd, nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

  • 2

    Opmerkingen over de taxatie worden binnen acht werkdagen na ontvangst van het taxatierapport kenbaar gemaakt aan BIJ12.

Hoofdstuk 8 24 Overgangsrecht

Afdeling 8.1 24.1 Algemene overgangsbepalingen

Paragraaf 8.1.1 24.1.1 Overgangsrecht lopende procedures
Artikel 8.1 24.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op besluiten op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, tenzij afdeling 4.1 of paragraaf 4.2.8 van de Invoeringswet Omgevingswet daarop van toepassing is.

Artikel 8.2 24.2 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
  • 1

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

  • 2

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

  • 3

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 8.3 24.3 Overgangsrecht lopende handhavingszaken

 Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van deze verordening een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: 

  • a.

     de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; 

  • b.

     de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of 

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd; 

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 

    • 3.

      de last is opgeheven. 

Paragraaf 8.1.2 24.1.2 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift
Artikel 8.4 24.4 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift
  • 1

    Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om de activiteit zonder melding te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.

  • 2

    Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting geldt om informatie te verstrekken, als het verstrekken van die informatie.

  • 3

    Een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.

  • 4

    Een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 geldt als een maatwerkvoorschrift op  grond van deze verordening.

Afdeling 8.2 24.2 Overgangsbepalingen per onderwerp

Artikel 8.5 24.5 Overgangsrecht bestaande activiteiten in grondwaterbeschermingszones
  • 1

    Paragraaf 2.3.1 Hoofdstuk 5  is niet van toepassing op activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden die direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig werden verricht, voor zover de regels van die paragrafen strenger zijn dan de regels die golden direct voorafgaand aan die inwerkingtreding.

  • 2

    Het eerste lid geldt alleen als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze verordening.

  • 3

    Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de activiteit, als dat nodig is ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 8.6 24.6 Overgangsrecht landschap en erfgoed

 De ontheffingen op grond van artikel 4.4.2.1 van de Provinciale milieuverordening Zeeland die zijn verleend aan de Stichting Arjaan de Schipper Trofee en de Stichting Zeeuwse Dag van het Paard worden gelijkgesteld met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.181 15.7

Artikel 8.7 24.7 Overgangsrecht bodemenergiesysteem

 Een bodemenergiesysteem als bedoeld in subparagraaf 2.3.1.14afdeling 5.14,  dat voor 1 mei 2013 geïnstalleerd is of wordt geïnstalleerd in overeenstemming met de daarvoor destijds geldende regels, kan in afwijking van die paragraaf gebruikt worden tot 1 januari 2034, zo lang het bodemenergiesysteem niet wordt gewijzigd of vervangen. 

Artikel 8.8 24.8 Algemene regels bodemenergiesysteem

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 8.724.7, artikel 25.1 wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a.

    in geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen;

  • b.

    als die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt;

  • c.

    van een lekkage of ander bodembedreigende situatie wordt onmiddellijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten;

  • d.

    het bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm; en

  • e.

    in het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem wordt uitsluitend leidingwater, monopropyleen glycol of een stof met een aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit als medium toegepast.

Hoofdstuk 9 25 Overige bepalingen en slotbepalingen

Afdeling 9.1 25.1 Overige bepalingen

Artikel 9.1 25.1 Intrekking verordeningen

 De volgende verordeningen worden ingetrokken: 

  • a.

     de Omgevingsverordening Zeeland 2018; en 

  • b.

     de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zeeland 2016. 

Afdeling 9.2 25.2 Slotbepalingen

Artikel 9.2 25.2 Inwerkingtreding

Een ontwerp besluit treedt niet in werking. 

Artikel 9.3 25.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Zeeland.

B

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III LIJST NIEUWE ECONOMISCHE DRAGERS

Bijlage behorende bij artikel 5.1 17.1 elfde lid

LANDBOUW VERWANTE ACTIVITEITEN

Activiteit-categorie

Activiteit

Nieuwvestiging

Verkoop eigen agrarische producten

 
 

Agrarische hulpbedrijven

Loonwerkbedrijven

x

-

Drainagebedrijven

-

-

Veehandelsbedrijven

x

-

Toeleverende bedrijven

-

-

Spermabank

-

-

Foeragehandel

x

-

Zaaizaad en pootgoed

x

-

Opslag agrarische producten

x

-

Hoefsmederij

-

Semi-agrarische bedrijven

Hoveniersbedrijven

x

-

Boomverzorgingsbedrijven

-

-

Natuur- en landschapsbeheer

-

-

Tuincentrum

x

-

Vis/escargot/wormkwekerij

-

Huisvesting tijdelijke werknemers

-

x

Zorgboerderij; sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf bv. resocialisatie, therapie, gehandicapten, dagbesteding

-

-

Zorgwoning behorende bij agrarisch bedrijf

-

-

OPSLAG:

Caravans, boten, inboedel en overige opslag

-

Verblijfsrecreatie

Kampeerboerderij

-

-

Appartementen; verhuur

-

-

Hotelaccommodatie

-

Dagrecreatie

Logies met ontbijt

-

-

Horeca; restaurants, eethuis, ijssalon, theeschenkerij, partycentrum, bezoekerscentrum, paardenpension/-stalling, sauna

-

-

Verhuur; paarden, fietsen, kano's, trapauto's

x

-

Manage Manege  

x

-

Overige dagrecreatieve voorzieningen

x

AAN HUIS-GEBONDEN-BEROEPEN

Individuele paramedische of Therapeutische praktijk

-

-

Dierenarts

-

-

Atelier

-

-

Overige aan huis gebonden beroepen

-

MEDISCH VERWANTE DIENSTVERLENING

Privékliniek

-

-

Kuuroord

-

-

Dierenkliniek

-

-

Groepspraktijk

-

OVERIGE DIENSTVERLENING

Cursuscentrum

-

-

Crèche/Peuterspeelzaal

-

-

Museum/Tentoonstellingsruimte

-

-

Dierenasiel/-pension

-

-

Kapper

-

-

Computerservicebedrijf

-

-

Adviesbureau

-

-

Geluidsstudio

-

-

Antiekhandel

-

AMBACHTELIJKE LANDBOUWPRODUCTVERWERKENDE BEDRIJVEN

Slachterij

-

-

Vleesverwerking

-

-

Zuivelverwerking

-

-

Plantaardige producten

-

-

Imkerij

-

-

Palingrokerij

-

-

Wijnmakerij

-

-

Bierbrouwerij

-

-

Riet- en vlechtwerk

-

OVERIGE AMBACHTELIJKE BEDRIJVEN

Bouwbedrijven

-

-

Schilderbedrijven

-

-

Installatiebedrijven

-

-

Elektrotechnische installatiebedrijven

-

-

Dakdekkersbedrijf

-

-

Rietdekkersbedrijf

-

-

Houtzagerij en -schaverij

-

-

Speeltoestellenfabricage

-

-

Lasinrichtingen/bankwerkerijen

-

-

Vervaardiging medische instrumenten en orthopedische artikelen

-

-

Meubelmakerij/restauratie

-

-

Vervaardigen en reparatie sieraden

-

-

Vervaardigen reparatie muziekinstrumenten

-

-

Spel- en speelgoedfabricage

-

-

Spinnen en weven van textiel

-

-

Vervaardigen van textielwaren

-

-

Kledingvervaardiging

-

-

Reparatiebedrijven en gebruiksgoederen

-

-

Pottenbakkerij

-

-

Natuursteenbewerking/beeldhouwerij

-

-

Zeefdrukkerij

-

C

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

A. Ruimtelijke kwaliteit, natuur en landschap:

Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande (t.b.v. verblijfsrecreatie bestemde) oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een uitbreiding van maximaal 20% van de bestaande oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:

  • integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap; en

  • de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en

  • het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is; en

  • er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale uitbreidingsoppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en

  • maximaal 20% van het totale terrein mag aan de openbaarheid worden onttrokken (deze maximale maat is vanwege het aspect veiligheid niet van toe passing bij kampeerterreinen); en

  • de openbaar toegankelijke paden en routestructuren integraal onderdeel uitmaken van het landschap.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Een uitbreiding van eenheden is mogelijk indien:

  • er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en toekomstige accommodatie;

  • er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale terrein ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en

  • er maximaal sprake is van 15% uitbreiding van eenheden.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Ruimte voor maatwerkoplossingen is mogelijk als een specifieke situatie daarom vraagt. Hierbij geldt als principe dat bovengenoemde uitgangspunten communicerende vaten zijn. Een hoger percentage landschapsontwikkeling kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een hoger percentage (dan 20%)uitbreidingsoppervlakte. Voor bestaande recreatiebedrijven grenzend aan het open agrarisch landschap geldt dat bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf de openheid van de gebieden zoveel als mogelijk gewaarborgd dient te blijven.

D

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

B. Economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap:

Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 5.2618.23.

In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten nieuwe ontwikkelen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie) wordt toegevoegd.

E

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Benoemen van aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 5.22 18.19zijn gebieden waar de oorspronkelijke ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn. Juist in deze gebieden liggen er kansen om integraal de kwaliteitskust opnieuw te ontwikkelen. In hoofdstuk 5 van deze bijlage zijn de aandachtsgebieden in de kustzone aangeduid.

F

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

B. Economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap:

Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 5.2618.23.

In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten ontwikkelingen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie wordt toegevoegd.

Specifiek voor ontwikkeling rondom het Veerse Meer geldt dat de diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse Meer gebied als geheel. Het lokale DNA van het Veerse Meer - o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en natuurlijk inbedding.

G

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Benoemen van aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 5.23 18.20zijn gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn en/of een transformatie opgave ligt. De ruimtelijke kwaliteit van een gebied is een optelsom van verschillende kenmerken die de hoedanigheid van een gebied of een plek bepalen, vaak uitgedrukt in de driedeling gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde. Het benoemen van een aandachtsgebied is mogelijk wanneer er een noodzaak is tot een nieuwe balans hiertussen; er een breed gedragen gebiedsgerichte transformatie opgave ligt en de ontwikkeldruk voor verblijfsrecreatie in het gebied hoog is.

H

Binnen bijlage IV wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

5 Kaart kustvisie

Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz

Kustvisie
Kustvisie

I

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Locaties

Rondom het Veerse Meer zijn 10 aandachtsgebieden geduid (figuur 7): (1) Schotsman, (2) Kamperland, (3) Kortgene, (4) Recreatiezone Wolphaartsdijk, (5) Waterpark, (6) Oever nabij Scoutscentrum Zeeland, (7) Mijnenmagazijn, (8) Oranjeplein Veere, (9) Jachthaven Oostwatering en (10) Veerse Gatdam.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Voor de aandachtsgebieden Schotsman, Wolphaartsdijk en Waterpark geldt dat de nieuwe landschapsstructuur binnen de begrenzing van het aandachtsgebied in een verhouding van 70% natuur en landschap en 30% recreatieterrein wordt vormgegeven.

Onder 30% recreatieterrein wordt onder meer verstaan: footprint recreatieverblijven met berging, tuin en terras; parkeerplaatsen, centrumvoorzieningen, dienstgebouwen, wegen e.a. verharding en infrastructuur, standaard landschappelijke inpassing, …

Onder 70% natuur en landschap wordt onder meer verstaan: water en groen. Het kan hoogwaardige natuur zijn maar ook groen of blauw dat collectief of openbaar te gebruiken is, zoals trapveldjes, picknickplaatsen, ligweides, bossages, strandjes, oevers, aanlegplaatsen en dergelijke. Buiten deze 70% vallen recreatieve buitenfuncties die tot de commerciële recreatie kunnen worden gerekend en logischerwijs geen onderdeel uitmaken van het openbaar toegankelijke landschap, zoals golfbanen, jachthavens, zwembaden en attractieparken.

J

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Locaties

Rondom het Veerse Meer zijn vier beschermingsgebieden geduid. Dat zijn (1) de Sint Felixweg, (2) Goudplaat, (3) De Piet en (4) Ooster-Nieuwlandpolder e.o. Voor deze gebieden geldt een conserverende status. Wanneer een initiatief zich aandient t.b.v. bovengenoemde waardenversterking, wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een integrale gebiedsgerichte benadering hiervan. De gemeente is hiervoor verantwoordelijk, in afstemming met betrokken maatschappelijke partners.

K

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

B. Gekoppeld aan waterkwaliteit, - gebruik en -veiligheid

I. Bewaak/verbeter de huidige waterkwaliteit

II. Behoud de huidige diversiteit aan gebruikers en gebruiksmogelijkheden van het water en waarborg de veiligheid 

Ontwikkelingen ondersteunen/versterken de diversiteit aan gebruiksmogelijkheden en gebruikersgroepen.

III. Sta geen uitbreiding van aantal ligplaatsen in jachthavens toe

Hiervan kan - in aansluiting op artikel 5.28 18.25 van deze verordening - worden afgeweken, mist een goede onderbouwing die naast economische motivatie ook aantoont dat er geen negatieve effecten op de natuurwaarden/vogelpopulaties zijn.

IV. Behoud en versterk openbaar toegankelijke voorzieningen t.b.v. (water)recreatie 

Ontwikkelingen mogen de openbare toegankelijkheid van voorzieningen/faciliteiten t.b.v. (water)recreatie niet beperken, slechts behouden en versterken c.q. vergroten van de mogelijkheden.

L

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

C. Gekoppeld aan recreatieve kwaliteit, bebouwde omgeving en infrastructuur

I. De (hoogte van de) bebouwing mag het open Deltalandschap van het Veerse Meer gebied niet verstoren.

De regels voor bebouwing zijn als volgt:

  • De zichtlijnen naar karakteristieke oriëntatiepunten of een historisch silhouet mogen niet verstoord worden (waaronder kerken Wolphaartsdijk en Kortgene, stadsgezicht Veere).

  • Ontwikkelingen versterken het landschap en de landschappelijke beleving.

  • (Zeer) hoge bouwwerken (bijvoorbeeld windmolens, masten en antennes) zijn niet wenselijk op de oevers en dammen van het Veerse Meer (buiten de concentratielokaties).

  • Binnen agrarische bouwblokken volgt men de regels van het omgevingsplan.

  • Binnen de contouren van het Veerse Meer mag niet in het water gebouwd worden.

Tabel_Haven_Vesting Veere
afbeelding binnen de regeling
Tabel_Algemeen
afbeelding binnen de regeling
Tabel_Haven_Vesting Veere
afbeelding binnen de regeling
Tabel_Algemeen
afbeelding binnen de regeling

II. Leg het accent op kwaliteitsverbetering, verduurzaming en maatschappelijke meerwaarde.

In ieder geval moet ook worden voldaan aan het ontwikkelkader uit onderdeel 5 van deze bijlage.

III. Sta geen permanente nieuwvestiging buiten aandachtsgebieden toe en sluit bij voorkeur aan op de bestaande bebouwingscontouren. 

Onder bestaande bebouwingscontouren worden zowel stedelijk gebied als andere bestaande clusters van (recreatieve) bebouwing verstaan.

IV. (Weg)Infrastructuur is passend bij de (gebruiks)functies.

Nieuwvestiging dan wel uitbreiding/aanpassing van bestaande bedrijven hebben invloed op de omgeving. Deze behoeven een goede (publieke) infrastructuur. Hierbij gaat het o.a. over bereikbaarheid, (openbare) vervoersvoorzieningen, toegankelijkheid en beschikbaarheid van nutsvoorzieningen, watertoevoer, internet, e.d. Bij voorziene impact wordt voor de betreffende infrastructurele onderdelen een impactstudie geëist.

V. Behoud de vitaliteit van het landelijk gebied.

Grote waarde wordt gehecht aan behoud van de karakteristieke openheid van het agrarische landschap rondom het Veerse Meer en de vitaliteit van het landelijke gebied. Bestaande agrarische bedrijven behouden de ontwikkelingsmogelijkheden die ze hebben op grond van hoofdstuk 5 in deze verordening.

Deelname aan maatschappelijke opgaven of kwaliteitsimpulsen m.b.t. groen- en landschapsontwikkelingen gebeurt op basis van vrijwilligheid.

VI. Bied alleen ruimte aan ondernemers die in hun ontwikkelplannen de identiteit en de specifieke kwaliteiten van het gebied respecteren en versterken.

M

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Het Veerse Meer gebied kent diverse types gebieden en bebouwingssferen, die elk hun eigen kwaliteiten en functies herbergen. Dit is bepalend voor hoe de algemene uitgangspunten (zie onderdeel 3 van deze bijlage) worden toegepast.

Er zijn 6 typen gebieden: Veerse Meer – water, Natuuroevers en –eilanden, Open agrarisch gebied en oevers, Dagrecreatieve oever, Dammen en Bebouwde oever.

N

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

5 Ontwikkelkader (uitbreiding) verblijfsrecreatie Veerse Meer gebied

Hiertoe moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals benoemd in het Ontwikkelkader uitbreiding verblijfsrecreatieterrein buiten de kustzone, bijlage IV, 3.

A. Ruimtelijke kwaliteit

[Vervallen]

Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf.

Een beperkte uitbreiding van oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:

  • integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap;

  • de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en

  • het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is.

Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie.

B. Economische haalbaarheid

[Vervallen]

Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie.

C. Markt en onderscheidend vermogen van het concept

[Vervallen]

Ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in het Zeeuwse achterland, i.e. aan het Veerse Meer, zowel t.a.v. het bestaande aanbod, in soort en qua bereik van verschillende doelgroepen. De diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse meer gebied als geheel. Het voegt beleving/beleefbaarheid (bv. van landschap, historie, …) en economische diversiteit toe.

Het principe van LAND IN ZEE! en het lokale DNA van het Veerse meer – o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en een natuurlijke inbedding.

Met het oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair, klimaat robuust en duurzaam bouwen. Investeringen dienen zoveel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.

D. Sociaal maatschappelijke bijdrage

[Vervallen]

Ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving.

Zoals bijdragen aan:

  • Bereikbaarheid en connectiviteit.

  • Gezondheid, duurzaamheid en klimaatadaptiviteit van de leefomgeving.

  • Kwaliteit openbare ruimte & leefomgeving.

  • Toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’).

  • Leefbaarheid, (sociale) veiligheid en cohesie.

O

Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Overige initiatieven

Voor de overige plannen en projecten geldt dat deze overeenkomstig de uitgangpunten en kaders van de nieuwe gebiedsvisie Veerse Meer worden gerealiseerd. (In tabel roze, rood en donkerrood). Dit geldt eveneens voor nieuwe plannen en projecten die nog niet in onderstaande tabel zijn opgenomen.

Status van projecten en initiatieven in en rond het Veerse Meer
Status van projecten en initiatieven in en rond het Veerse Meer

P

Bijlage VIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VIII UITZONDERING VERGUNNINGPLICHT BEHEER, ONDERHOUD, GEBRUIK, INRICHTING OF ONTWIKKELING VAN GEBIEDEN

Soorten als bedoeld in artikel 2.154 12.7zijn:

  • a.

    aardmuis;

  • b.

    bastaardkikker/middelste groene kikker;

  • c.

    bosmuis;

  • d.

    bruine kikker;

  • e.

    dwergmuis;

  • f.

    dwergspitsmuis;

  • g.

    egel;

  • h.

    gewone bosspitsmuis;

  • i.

    gewone pad;

  • j.

    huisspitsmuis;

  • k.

    kleine watersalamander;

  • l.

    meerkikker;

  • m.

    ondergrondse woelmuis;

  • n.

    ree;

  • o.

    rosse woelmuis;

  • p.

    tweekleurige bosspitsmuis;

  • q.

    veldmuis;

  • r.

    vos; en

  • s.

    woelrat.

Q

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

7 Kreekruggen en poelgronden Walcheren

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Inversie kreekruggen, oeverwallen en poelgronden

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Bewoning, landbouw, natuur

Bescherming: Natuurgebied, Nationaal Landschap, Provinciaal Belvedere gebied

Bodemsoort: Zeekleigronden

Vegetatie: Landbouw: bouwland en graslandOuderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen: 

Op Walcheren is een grootschalig gebied aanwezig met een duidelijk verschil tussen de herverkavelde poelgronden en de kreekruggen. In het gebied tussen Zoutelande, Grijpskerke, Aagtekerke en Westkapelle is de karakteristieke identiteit (bestaande uit kreekruggen, kreekrestanten en naastgelegen poelgronden) bewaard gebleven. 

Ongeveer 5000 jaar voor heden vormde zich een strandwal voor de Nederlandse kust. Het gebied achter de strandwal was beschermd tegen de invloed van de zee, hier kon zich veen ontwikkelen. Doorbraken van de zee door de strandwal gaven het zeewater toegang tot het achterliggende gebied in de vorm van kreken. Vanuit de kreken werd klei afgezet op het veen, voor zover dit niet was weggeslagen. De klei-op-veen gebieden die na het begin van de jaartelling zijn gevormd, zijn hier niet aangetast.

Dit deel van Walcheren was al in 1200 AD bedijkt. Na inpoldering is het proces van reliëfomkering door ontwatering en inklinking begonnen. De veen- en kleigebieden zijn sterk ingeklonken en vormen nu de laagste delen in het landschap. De verlande kreken zijn met zand, zavel en klei gevuld. Zand is niet aan inklinking onderhevig, zavel slechts in geringe mate. Tegenwoordig vormen de kreken de hoge delen in het landschap. Deze hogere delen worden in het huidige landschap als kreekrug aangeduid en bestaan vaak uit twee parallel aan elkaar lopende ruggetjes (de oude oeverwallen) met een flauwe laagte ertussenin (de oude kreek of kreekrestant). Het hoogteverschil tussen de kreekruggen en de poelgronden kan hier plaatselijk tot 4 meter oplopen.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

4% van het totale gebied is natuurgebied (Staatsbosbeheer). Het gebied valt geheel in het Nationaal Landschap Walcheren. Het gebied is geheel Provinciaal Belvedere gebied.

Overig: -

R

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

10 Yerseke en Kapelsche Moer

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Inversie kreekruggen, oeverwallen en poelgronden

Waardering: Nationaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, landbouw, bewoning, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nb-wet, Provinciaal Belvedere gebied 

Bodemsoort: Hollebollige gemoerde zeekleigronden en gewone zeekleigronden

Vegetatie: Grasland met enkele boomgaarden en stukjes bouwland

Ouderdom: Midden Subboreaal

Toelichting fenomeen:

De Yerseke en Kapelse Moer zijn één van de weinige authentieke gebieden waar het kenmerkende oude Zeeuwse polderlandschap nog bewaard is gebleven.

In dit landschap dat door de zee en de mens is gevormd, kunnen ruwweg twee delen worden onderscheiden. De hogere delen, vaak ontstaan door inversie van het oorspronkelijke reliëf, bestaan uit kreekruggen en oeverwallen. De lagere delen, de zogenaamde poelgronden bestaan uit zeeklei met veen in de ondergrond. Door ontwatering en inklinking is het veen gaan oxideren en zijn hoogteverschillen in het landschap ontstaan. Lokaal is zout uit het onderliggende veen gewonnen (moernering) waardoor het reliëf mede is bepaald.

Het gebied wordt gekenmerkt door een mozaïek van kleine weilanden, oude drinkputten en heggen en heeft een tamelijk gesloten karakter. Dit landschap geeft een fraai beeld van hoe het hele gebied er vroeger na de inpolderingen in de veertiende eeuw heeft uitgezien. In de Yerseke en Kapelse Moer is een hobbelig microreliëf ontstaan als gevolg van inklinking en moernering, de gevolgen van de winning van veen en zout uit de veenlagen onder de klei. Het proces van inklinking in nog gaande. Voor de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland vormden de Yerseke en Kapelse Moer één aaneengesloten graslandgebied. Het gebied heeft een zout milieu vanwege zeewater uit het kanaal dat als kwel onder de dijk door omhoog komt. Dit zilte milieu zorgt voor de aanwezigheid van bijzondere planten en dieren. Het grasgebied is vanwege de rustige ligging en het vochtige milieu van groot belang voor grote aantallen vogels.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Het gebied bestaat voor 50% uit natuurgebied. Dit is in handen van Staatsbosbeheer (Kapelse Moer) en Zeeuws Landschap (Yerseke Moer). Het gebied is voor 60% Natura 2000-gebied (Nb-wet) en voor ongeveer 95% Provinciaal Belvedere gebied (een klein deel in het zuiden van Yerseke Moer valt erbuiten).

Overig: 

Aardkundige aandachtsgebieden (Gonggrijp, 1989), Operatie Landijs

Home | Stichting Het Zeeuwse Landschap

Door het natuurgebied loopt een wandelroute. De wandelroute is toegankelijk van 15 juli tot 1 november (tijdens het broedseizoen is het gebied niet toegankelijk).

S

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

11 Cluster van welen Zuid-Beveland

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Doorbraakkolken

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, landbouw (fruitteelt), bewoning, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nationaal Landschap, Provinciaal Belvedere gebied

Bodemsoort: Open water

Vegetatie: -

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

Het cluster van welen is uniek door de korte afstand waarop de elf welen gevormd zijn. Welen zijn kenmerkend voor bedijkte gebieden die door (zee)water zijn doorgebroken.Welen, ook wel wiel of waal genoemd, zijn kolkgaten die ontstaan zijn bij een dijkdoorbraak. Bij een dijkdoorbraak stort het water zich met kracht op het achterliggende gebied. Hierdoor slijt in korte tijd een diep gat uit. Bij het herstellen van de dijk werd de dijk om de weel heen gelegd. Hierdoor ontstaat het slingerende karakter van de dijk.Vooral bij vroegere zeedijken die veel te lijden hebben gehad van stormvloeden, zijn welen te vinden. De Brilletjesdijk bij Nisse vormde de zeewerende westelijke dijk van de Kruiningenpolder en is circa 50 jaar lang zeedijk geweest. De vijf welen langs de dijk vertellen dat de dijk tenminste vijf keer is doorgebroken in deze relatief korte tijd (1506-1554).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Een deel van de welen is ingesteld als natuurgebied (80%). De meeste gebieden vallen onder het Nationaal Landschap Zak van Zuid-Beveland (100%) en Provinciaal Belvedere gebied (80%).

Overig: -

T

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

12 Verdronken Zwarte Polder

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Intergetijdengebied, slikken en schorren, geulen en kreken en duinen

Waardering: Nationaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nb-wet, Nationaal Landschap, Provinciaal Belvedere gebied 

Bodemsoort: Kalkloze zandgronden 

Vegetatie: Duinvegetatie en kweldervegetatie

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

Het natuurreservaat de Verdronken Zwarte Polder is een zeldzaam en zeer representatief slikken- en schorrengebied gelegen achter een duinenrij.

Het gebied is een door de mens ingepolderd stuk land dat als gevolg van stormvloeden (dijkdoorbraaken) onder water is komen te staan. Een deel van het verdronken land is opnieuw bedijkt en ingepolderd. In het deel waar dit niet is gebeurd, heeft de zee toegang gehouden en is er een intergetijdengebied ontstaan.

In de overstroomde polder zijn aanvankelijk slikken en schorren met geulen en kreken ontstaan. Langs de kust heeft zich een lage duinenrij ontwikkeld die, op een kleine kreekingang na, het schorrengebied afsluit van de zee. Via deze kreek staat het gebied tijdens hoogwater onder invloed van de zee. Langs deze kreek hebben zich oeverwallen ontwikkeld.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

55% van het totale gebied is natuurgebied (Zeeuws Landschap). Verdronken Zwarte polder valt onder de Nb-wet (88% Beschermd Natuurgebied en 100% Natura 2000). Het gebied is onderdeel van het Nationaal Landschap West Zeeuws-Vlaanderen (100%) en is tevens Provinciaal Belvedere gebied (100%).

Overig: 

Aardkundige aandachtsgebieden (Gonggrijp, 1989), Operatie Landijs

www.hetzeeuwselandschap.nl

In het gebied zijn wandelroutes uitgezet. Deze wandelroute is vrij toegankelijk.

U

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

13 Strandwal Zeeuws Vlaanderen

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen:Strandwal Zeeuws-Vlaanderen

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Landbouw, bewoning

Bescherming: Nationaal LandschapBodemsoort: Zeekleigronden

Vegetatie: Landbouw: bouwland

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

De Strandwal van Zeeuws-Vlaanderen is oost-west georiënteerd. Strandwallen met een oost-west oriëntatie zijn zeldzaam.

Strandwallen zijn langgerekte zandbanken die evenwijdig aan de kust zijn opgeworpen in de branding. Het strandwalvormende proces speelt zich af in de strook langs de kust waarin de golfbewegingen tot aan de bodem reiken. In de nabijheid van de kust kan door golfwerking en zeestromingen zand uit de ondergrond worden losgemaakt en in de vorm van een strandwal worden afgezet.

Bijna langs de gehele Nederlandse kust zijn de strandwallen noord-zuid georiënteerd door een kustlangse stroming. De uitstroom van de toenmalige Schelde zorgde voor een stroming in westelijke richting. Vanaf ongeveer 300 jaar na Chr. vertakte de Schelde zich in de delta die Zeeland vormde. Een deel van het water mondde via de huidige Oosterschelde in zee uit, een deel stroomde in zee waar de huidige Westerschelde haar monding heeft. Hierdoor ontstond de oost-west oriëntatie van de strandwal van Zeeuws-Vlaanderen. In het jaar 300 was de splitsing van de Schelde tussen waar nu Wemeldinge en Yerseke liggen. Later verlegde het splitsingspunt zich en stroomde de Schelde via de Schengekreek (zie ook gebied 6 Schenge).

De strandwal van Zeeuws-Vlaanderen is niet meer actief en door landbouw vastgelegd. De wal is als rug nog goed zichtbaar in het landschap.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Het gebied is geheel onderdeel van het Nationaal Landschap West Zeeuws-Vlaanderen.

Overig: -

V

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

15 De Putting

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Poelgronden

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik:  Natuur

Bescherming: Natuurgebied

Bodemsoort: Hollebollige gemoerde zeekleigronden en geëgaliseerde zeekleigronden 

Vegetatie: Dras, riet en grasland

Ouderdom: Midden Subboreaal 

Toelichting fenomeen:

De Putting is één van de oudste polders van Zeeuws-Vlaanderen. Het authentieke karakter van het landschap is hier bewaard gebleven.

In het zeekleilandschap dat door de zee en de mens is gevormd, kunnen ruwweg twee delen worden onderscheiden. De hogere delen, vaak ontstaan door inversie van het oorspronkelijke reliëf, bestaan uit kreekruggen en oeverwallen. De lagere delen, de zogenaamde poelgronden bestaan uit zeeklei met veen in de ondergrond. Door ontwatering en inklinking is het veen gaan oxideren en zijn hoogteverschillen in het landschap ontstaan. Lokaal is zout uit het onderliggende veen gewonnen (moernering) waardoor het reliëf mede is bepaald.

De Putting bestaat uit poelgronden. Door inklinking en moernering, het winnen van veen en zout, is de polder lager komen te liggen. Centraal in de polder beheert Staatsbosbeheer een groot weidevogelreservaat (circa 60 ha), waar zichtbaar is hoe het gebied er vroeger uitgezien moet hebben. De waterstand is ten behoeve van de vogels hoog en de begrazingsdruk door runderen is laag. In de winter fungeert het gebied als opvang voor overwinterende ganzen en eenden. 

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming: 

Het natuurgebied (94%) is in handen van Staatbosbeheer

Overig:

Het gebieden is niet vrij toegankelijk. Aan de Karnemelksstraat is een kijkheuvel opgeworpen van waar men een redelijk uitzicht heeft over het weidegebied.

W

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

17 Kreekrestantensysteem Het Zwin

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Kreeksysteem

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, landbouw, bewoning, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nationaal Landschap en Provinciaal Belvedere gebied

Bodemsoort: Voornamelijk zeekleigronden met in het noordelijkste punt kalkloze zandgrond

Vegetatie: Landbouw: bouwland met stukken grasland

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen: 

Kreekrestantensysteem Het Zwin is vele malen groter dan het huidige actieve deel van de kreek. Door het gebied in samenhang te beschermen is het mogelijk een indruk te krijgen van de volle omvang van kreeksysteem Het Zwin.

Het Zwin is een restant van een verland geulsysteem dat Brugge en Damme met de Noordzee verbond. Door stormvloeden schuurde de zee nieuwe en verlande geulen uit. De geul groeide uit tot zeearm, die via verschillende armen het land binnendrong. Als gevolg van bedijkingen in de 12e eeuw is deze kreek gaan verzanden.

Vroeger was Het Zwin een belangrijke zeearm, die bevaarbaar was tot Brugge. Het Zwin is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de steden in de achterliggende polders. Tegenwoordig is het kreeksysteem beperkt tot het natuurgebied dat wordt omsloten door een dijk. Het grootste deel van het gebied ligt in België.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Het kreekrestantensysteem van Het Zwin is voor 17% natuurgebied (Zeeuws Landschap, Staatsbosbeheer, particulier). Daarnaast is het geheel onderdeel van het Nationaal Landschap West Zeeuws-Vlaanderen en is 95% Provinciaal Belvedere gebied.

Overig:

www.staatsbosbeheer.nlwww.hetzeeuwselandschap.nl

X

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

18 Otheense kreek

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Niet actief kreeksysteem, deels watervoerend

Waardering: Nationaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, landbouw, bewoning, recreatie

Bescherming: Natuurgebied

Bodemsoort:  Open water en zeekleigronden

Vegetatie: Landbouw: grasland en bouwland

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

De Otheense kreek is een niet actief kreeksysteem, er is geen sprake meer van getijdenwerking en kreekvormende processen. Een groot deel van het systeem is bijzonder gaaf van vorm. Naast de hoofdkreek zijn verschillende zijtakken nog steeds watervoerend.

De Otheense kreek is een door getijdenwerking ontstane kreek. In een kreek stroomt water met eb en vloed in en uit waarbij sediment wordt achtergelaten. In de bedding ligt het zwaardere zandige sediment en verder van de kreek is klei afgezet. Op sommige plaatsen ligt er aan weerszijden langs de kreek een lage oeverwal die bij elke vloed steeds een beetje wordt opgehoogd.

Na inpoldering van een kreek begint het proces van reliëfomkering door ontwatering en inklinking. Klei klinkt in en zand niet. Dit heeft als gevolg dat het oorspronkelijke laagste deel van het landschap uiteindelijk het hoogste deel is geworden. Dit hogere deel wordt in het huidige landschap als een kreekrug aangeduid en bestaat vaak uit twee parallel aan elkaar lopende ruggetjes (de oude oeverwallen) met een flauwe laagte ertussenin (de oude kreek).

De Otheense kreek is een grootschalige kreek met open water inclusief zijtakken. Na indijking heeft het kreeksysteem, op het meest noordelijk gelegen deel na, zijn vorm behouden en voeren naast de hoofdkreek ook de verschillende zijtakken nog steeds water. De ligging van de kreek is nog volledig te volgen in het open landschap.

In de 16e en 17e eeuw hebben Axel en de omringende ambachten zwaar geleden onder de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De regio was jarenlang frontgebied. De Staten van Zeeland hebben ter verdediging van de streek grote delen van het Vlaamse polderlandschap onder water laten lopen en het daarmee overgegeven aan de werking van eb en vloed. De toen uitgeschuurde geulen zijn nog op veel plaatsen in het landschap zichtbaar. Het krekengebied rond Axel vertoont nog tal van oude vestingsresten.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

46% van het gebied is natuurgebied (Staatsbosbeheer en particulier).

Overig: -

Y

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

20 Laagte met randwal (inclusief pingorestant)

Fenomeen: Pingoruïne

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Landbouw

Bescherming: -

Bodemsoort: Open water en enkeerdgronden/kalkloze zandgrond

Vegetatie: Drasvegetatie en gras

Ouderdom: Weichselien

Toelichting fenomeen:

Indien er sprake is van een pingoruïne is dit een uniek exemplaar in Zuidwest-Nederland.Voorafgaand aan het Holoceen, het huidige tijdvak, was het Pleistoceen. In het Pleistoceen zijn verschillende perioden geweest waarin het landijs zich ver uitgebreid had. In het Saalien (een tijdsperiode binnen het Pleistoceen) reikten de ijskappen van Scandinavië tot aan Nederland. De ijskappen hebben Zeeland niet bereikt, hier was een poolwoestijn. In de periglaciale omstandigheden zijn pingo’s ontstaan. Pingo’s zijn heuveltjes met een ijskern. In periglaciale gebieden kunnen dit soort heuveltjes ontstaan op plaatsen waar het grondwater onder druk staat. De ijskern groeit en vormt een heuveltje. De aarde die op het heuveltje ligt glijdt naar de rand. Uiteindelijk komt de ijskern bloot te liggen. Wanneer de ijskern smelt laat deze een laagte achter. De aarde die oorspronkelijk deels op de ijskern lag, is als een wal om de laagte heen terechtgekomen, de zogenoemde pingoruïne. Ze variëren in diameter van 30 tot 600 meter. De pingoruïne bij Schuddebeurs is ongeveer 30 meter in diameter.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming: -

Overig: -

Z

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

25 Schorren van St. Annaland

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Schorren

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nb-wet, Nationaal Park

Bodemsoort: Niet gerijpte minerale gronden

Vegetatie: Kweldervegetatie

Ouderdom: Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

De Schorren van St. Annaland zijn gebieden aan de randen van de Krabbenkreek. Het is één van de grootste schorrengebieden van de Oosterschelde.

Na de Romeinse tijd nam de invloed van de zee toe en veranderde het veenlandschap van Zeeland in een landschap van schorren en slikken. Opslibbing van zand en slib vormde slikken en platen en geleidelijk kwamen deze boven gemiddeld hoogwater te liggen.

De Schorren van St. Annaland liggen buitendijks en zijn door opslibbing hoger komen te liggen dan slikken. Ze worden niet meer dagelijks overspoeld door water. Alleen bij springtij komen ze onder water. Dagelijks stroomt door diepe geulen en kreken het zoute water van de Krabbenkreek het gebied binnen. Daardoor hebben de schorren een zilt karakter en bestaat de vegetatie uit zoutminnende planten. Een bekende plant is lamsoor. Op de schorren broeden kustvogels, zoals sterns en plevieren. Bovendien fungeren zij als hoogwatervluchtplaats voor de vogels, die bij laagwater op de platen en slikken naar voedsel zoeken.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Het schorrengebied is voor 100% natuurgebied (Staatsbosbeheer). Het valt geheel onder de Nb-wet (100% Beschermd Natuurmonument en 100% Natura 2000). Het schorrengebied is onderdeel van Nationaal Park Oosterschelde.

Overig:

http://www.staatsbosbeheer.nl

AA

Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

26 Verdronken land van Zuid-Beveland

afbeelding binnen de regeling

Fenomeen: Platensysteem met veenbanken

Waardering: Provinciaal niveau

Huidig gebruik: Natuur, recreatie

Bescherming: Natuurgebied, Nb-wet, Nationaal Park

Bodemsoort: Open water en niet gerijpte minerale gronden

Vegetatie: Kweldervegetatie

Ouderdom:  Laat Subatlanticum

Toelichting fenomeen:

Het Verdronken land Zuid-Beveland is waardevol, omdat het een actief platensysteem in veenafzettingen is.Stormvloeden zijn van grote betekenis geweest voor de vorming van het Zeeuwse landschap. Door stormvloeden is Zeeland veranderd in een eilandenrijk. Voor de stormvloeden bestond Zeeland uit een groot veengebied achter een gesloten strandwal. Door zware stormvloeden werd de strandwal op een aantal plaatsen doorbroken en kon de zee het veengebied binnendringen. Door golfwerking werd een groot deel van het veenpakket afgebrokkeld. Op plaatsen waar het water niet de kracht had het veen weg te spoelen, werd het veen overspoeld. Een voorbeeld hiervan zijn de veenbanken die in het Verdronken land van Zuid-Beveland voorkomen.

Het Verdronken land van Zuid-Beveland is een oude polder die door overstromingen aan het einde van de 16e eeuw onder invloed van de zee is komen te staan. Tijdens de St. Felixvloed in 1530 werd een deel van Zuid-Beveland en geheel Noord-Beveland overstroomd. Grotendeels is het land weer terug gewonnen op de zee, maar het Verdronken land van Zuid-Beveland is niet opnieuw ingepolderd. In het gebied lagen oorspronkelijk 18 dorpen. Nu bestaat het Verdronken land van Zuid-Beveland uit een complex van schorren en slikken.

Op de slikken zijn sommige dorpen, die in de golven verdwenen zijn, bij laag water nog goed herkenbaar. Door de lage dynamiek van deze zeearm gaat de opslibbing hier traag. De oude dorpen zijn met oesterbanken overgroeid.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toelichting bescherming:

Het Verdronken land van Zuid-Beveland is voor 45% natuurgebied (Natuurmonumenten). Het valt grotendeels onder de Nb-wet (98% Beschermd Natuurmonument en 99% Natura 2000). Het schorren- en slikkengebied is geheel onderdeel van Nationaal Park Oosterschelde.

Overig:

www.natuurmonumenten.nl

Het natuurgebied kan alleen onder leiding van een gids bezocht worden.

BB

Bijlage XI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XI VERDROGINGSGEVOELIGE NATUURGEBIEDEN

Verdrogingsgevoelige natuurgebieden

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

CC

Bijlage XII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XII KAARTEN NATUUR

1 Bestaande natuur

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

2 Agrarische natuurgebieden

3 Natuurontwikkelingsgebieden

4 Afwegingszone natuurgebieden

DD

Bijlage XIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XIII REGIONALE WATERKERINGEN

Regionale waterkeringen
Regionale waterkering Waterdunen
afbeelding binnen de regeling
Regionale waterkeringen
Regionale waterkering Waterdunen
afbeelding binnen de regeling

Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz

EE

Bijlage XIV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XIV KAART WINDENERGIE CONCENTRATIELOCATIES

Afbeelding 2023_Windenergieconcentratielocaties
Afbeelding 2023_Windenergieconcentratielocaties

Kaart windenergie concentratielocaties

FF

Bijlage XV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XV GLASTUINBOUWCONCENTRATIEGEBIEDEN

 Glastuinbouwconcentratiegebied Kapelle
 Glastuinbouwconcentratiegebied Oosterland
Glastuinbouwconcentratiegebied Rilland
Glastuinbouwconcentratiegebied Sint-Annaland
Glastuinbouwconcentratiegebied Sirjansland
Glastuinbouwconcentratiegebied Terneuzen
 Glastuinbouwconcentratiegebied Kapelle
 Glastuinbouwconcentratiegebied Oosterland
Glastuinbouwconcentratiegebied Rilland
Glastuinbouwconcentratiegebied Sint-Annaland
Glastuinbouwconcentratiegebied Sirjansland
Glastuinbouwconcentratiegebied Terneuzen

GG

Artikelgewijze toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikelgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Beheer: De term beheer is in deze verordening niet gedefinieerd, omdat het in verschillende delen van de verordening in verschillende betekenis wordt gebruikt. Bij wegen wordt onder beheer de zorg voor de instandhouding en bruikbaarheid van een weg verstaan. Dit omvat aanmerkelijk meer dan het voldoen aan de onderhoudsplicht als bedoeld in de Wegenwet. De diverse voorschriften in de verordening, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik daarvan, illustreren dat. Hierin is aanleiding gevonden om in de verordening, in navolging van de wegenverkeerswetgeving en in overeenstemming met het normale spraakgebruik, de term 'beheer' te hanteren. Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip beheer ontbreekt vooralsnog. Gekozen is daarom voor een omschrijving van "beheer" die goed aansluit bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Memorie van toelichting bij de Wet herverdeling wegenbeheer (29 oktober 1992, Stb. 563, 1992). De verordening verkrijgt daardoor een ruimer begrippenkader dan wat de Wegenwet thans kent. Bezwaarlijk is dat niet, omdat die wet zich immers beperkt tot de vaststelling van (een aantal) voorschriften omtrent openbare wegen, zonder onnodig ingrijpen in het bestaande wegenrecht, waarvan de kern van oudsher ligt in de verordeningen en reglementen van het Rijk, de provincies en lagere overheden.

Goede landschappelijk inpassing: wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie en de omvang van de ontwikkeling in relatie tot het omliggende gebied. De motivering bij een omgevingsplan dat van toepassing is op het landelijk gebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond, maakt middels een landschapsplan aannemelijk dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Realisatie en instandhouding van de goede landschappelijke inpassing worden geborgd in de regels.

Een goede landschappelijke inpassing bestaat in ieder geval uit een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als uitgangspunt geldt voor een afschermende groengordel geldt een breedte van 10 meter. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten.

De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een landschapsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.

Daarin zijn opgenomen:   

- een beschrijving van de ontwikkeling;   

- kenmerken van de locatie en visualisaties;

- een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding en beplanting, perceelsranden;

- een beheerplan;

- een beplantingslijst.

Kwaliteitscriteria: Een belangrijk begrip in afdeling 6.122.1 is ‘kwaliteitscriteria’. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in artikel 6.422.4 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van afdeling 6.122.1.

Loonwerkbedrijf: Alleen bedrijven die loonwerk in het landelijk gebied als hoofdactiviteit verrichten vallen onder de begripsbepaling. Bedrijven die dit type werkzaamheden als neventak verrichten vallen onder artikel 5.118.1, vijfde lid, onder h en bijlage III bij deze verordening. 

Streekproducten: Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwartebessenjam en kaas.

Traditionele windmolens: Dit is een historische windmolen, anders dan moderne windturbine die vooral worden gebruikt voor energieopwekking. Het gaat om traditionele molens waarvan het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is. In sommige gevallen worden deze historische molens nog geregeld gebruikt (al dan niet bedrijfsmatig) voor het oorspronkelijke doel waarvoor de molen is opgericht, bijvoorbeeld het malen van graan.

Verjaagactie: Een verjaagactie is een actie ter bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen. Na een verjaagactie zullen de niet geschoten dieren weggaan. Wanneer opnieuw ganzen invallen begint een nieuwe verjaagactie.

Stedelijk gebied: De grenzen zijn bepaald op basis van de definitie van 'stedelijk gebied' uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de daarbij behorende jurisprudentie. Dese luidt: In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.

In de Geo viewer van de provincie Zeeland is de begrenzing van het stedelijk gebied in Zeeland opgenomen. Deze grenzen zijn relevant voor beleid over bijvoorbeeld wonen, werken en bedrijventerreinen.

Begrenzing

De grens is getrokken langs onherroepelijke bestemmingen voor wonen, maatschappelijke functies, bedrijven, detailhandel en horeca, Grond met een agrarische bestemming horen er niet bij. behalve als het bijna geheel door stedelijke functies is ontsloten.

Monofunctionele gebieden in het landelijk gebied

Gebieden in het landelijk gebied met maar één functie horen niet bij het stedelijk gebied. Het moet immers gaan om een stedenbouwkundig samenstel van verschillende functies. Dat geldt voor solitaire bedrijventerreinen of buurtschappen die alleen uit woningen bestaan. Alleen als er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies functioneert het als stedelijk gebied.

Recreatieparken

Recreatieparken met de bestemming verblijfsrecreatie worden niet genoemd als een van de stedelijke functies. Ze liggen vaak in het landelijk gebied, hebben vaak een veel lagere bebouwingsdichtheid en zijn gericht op tijdelijk verblijf. Op basis van jurisprudentie kan een recreatiepark toch deel uitmaken van het stedelijk gebied als:  

  • Er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies mix is van wonen, detailhandel of horeca. Uiteraard gaat het hier om permanente gebouwen die permanent gebruikt kunnen worden; en

  • Voorzieningen met een andere functie dan recreatie, bijvoorbeeld sportfaciliteiten, zwembaden of entertainmentcentra voor een ieder en jaarrond toegankelijk zijn; en 

  • Gebouwen van een park openbaar toegankelijk zijn.

Recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern kunnen, op basis van de mate en omvang van menging van stedelijke functies, eerder tot het stedelijk gebied gerekend worden dan solitair in het landelijk gebied gelegen recreatieparken. Of: Voor recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern geldt dat zij bij een beperktere en minder omvangrijke mix van stedelijke functies, tot het stedelijk gebied kunnen worden gerekend; voor solitaire recreatieparken in het landelijk gebied is daarvoor juist een grotere mate van functiemenging nodig.

Artikel 1.3 Ontheffing instructieregel

Gemeenten en waterschappen kunnen bij gedeputeerde staten een ontheffing van een instructieregel aanvragen. Deze is bedoeld voor situaties waarbij de uitoefening van een taak of bevoegdheid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat met de regel wordt gediend. Daarvan kan sprake zijn als ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving redelijkerwijs niet waren te voorzien. Een ontheffing kan bijvoorbeeld worden toegepast om ontwikkelingen met behulp van maatwerkoplossingen of innovatieve initiatieven in overeenstemming te brengen met de belangen die met de regel worden beschermd. Een ontheffing kan bijvoorbeeld ook worden toegepast als er een integrale afweging is gemaakt van provinciale belangen. Bijvoorbeeld als blijkt dat een bepaald plan of project bijdraagt aan een aantal provinciale belangen, maar dat een enkel provinciaal belang een belemmering vormt voor de realisatie van zo’n plan of project (“plussen en minnen-afweging”). Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden om het oorspronkelijk beoogde doel of belang te beschermen waarop de instructieregel betrekking had. Is er ontheffing verleend van een instructieregel? Dan kan tegen deze ontheffing beroep worden ingesteld. Artikel 16.85, eerste lid, van de Omgevingswet regelt dat een verleende ontheffing voor de mogelijkheid van beroep deel moet uitmaken van het besluit waarop de ontheffing ziet. Een weigering om een ontheffing te verlenen is zelfstandig appellabel volgens de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht.

De beoordeling van een aanvraag om een ontheffing geschiedt aan de hand van artikel 2.32, vijfde lid, van de Omgevingswet: een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd. In aanvulling daarop bepaalt dit artikel dat gedeputeerde staten een integrale afweging van provinciale belangen toepassen.

Hoofdstuk 2 Activiteiten in de fysieke leefomgeving; Algemene Bepalingen

[Red: Sectie 2.1 verplaatst van sectie 2.1 naar sectie 2. ]

Artikel 2.1 Normadressaat

Binnen het stelsel van de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contracten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. 

Op een aantal plaatsen in dit hoofdstuk is, naast degene die de activiteit verricht, ook een andere (rechts)persoon als normadressaat aangewezen. Meestal gaat het dan om de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de activiteit plaatsvindt.

[Red: Sectie 2.2 verplaatst van sectie 2.1 naar sectie 2. ]

Artikel 2.2 Algemene gegevens bij een melding

Dit artikel bevat de algemene indieningsvereisten voor meldingen op grond van dit hoofdstuk. Bij de afzonderlijke meldplichten in dit hoofdstuk zijn de specifieke indieningsvereisten per activiteit benoemd. De algemene aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen zijn niet geregeld in deze verordening; dit staat al in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling.

[Red: Sectie 2.3 verplaatst van sectie 2.1 naar sectie 2. ]

Artikel 2.3 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Dit artikel bevat de algemene gegevens die moeten worden aangeleverd bij het verstrekken van gegevens en bescheiden op grond van dit hoofdstuk. Bij de afzonderlijke informatieplichten in dit hoofdstuk zijn de specifiek aan te leveren gegevens per activiteit benoemd. De algemene aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunningen zijn niet geregeld in deze verordening; dit staat al in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling.

[Red: Sectie 2.4 verplaatst van sectie 2.1 naar sectie 2. ]

Artikel 2.4 Beoordelingsregel activiteiten met gevolgen voor waterlichaam

Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel van artikel 7.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 2.1 Algemene bepaling

In hoofdstuk 2 zijn alle regels over activiteiten van burgers en bedrijven opgenomen. De regels hebben de vorm van vergunningplichten, meldplichten, informatieplichten en algemene regels (soms met de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften). Op grond van artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen die zijn geregeld in dit hoofdstuk. Alleen bij een samengestelde aanvraag (voor meerdere activiteiten) kan een ander bestuursorgaan bevoegd gezag worden. Meestal is dat dan burgemeester en wethouders. Gedeputeerde staten hebben in dat geval een instemmingsrecht op de omgevingsvergunning.

Ook voor de algemene regels, meldingen en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk geldt dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn. Dat is geregeld in artikel 4.8 van de Omgevingswet.

Afdeling 2.2 Activiteiten op provinciale infrastructuur

De regels over provinciale infrastructuur geven invulling aan provinciale taken uit de Omgevingswet. Op grond van artikel 2.18 lid 1, sub e, onder 3 van de Omgevingswet berust bij het provinciebestuur de taak van het behoeden van de staat en werking van wegen in beheer bij de provincie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur. 

Op grond van artikel 2.18 lid 2 wordt bij provinciale verordening het beheer van regionale wateren toegedeeld aan waterschappen. De provincie kan echter ook een deel van dat beheer aan zichzelf houden of aan gemeenten of andere openbare lichamen opdragen. Het gaat hier om de zorg voor het vaarwegbeheer van de provinciale vaarwegen, dat beheer behoudt de provincie aan zichzelf. 

Deze afdeling bevat de bepalingen die van toepassing zijn op de bij de provincie in beheer zijnde wegen, en vaarwegen en de daarbij horende kunstwerken zoals bruggen, tunnels en aquaducten. De provincie heeft een verantwoordelijkheid voor provinciale (vaar)wegen, het bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving en moet zorgdragen voor instandhouding van de provinciale infrastructuur. 

Regels zijn opgenomen over het onderhoud en het beheer van wegen en vaarwegen. De regels zijn gericht op weggebruikers en aanwonenden.

Paragraaf 2.2.1 Activiteiten op provinciale wegen

De provincie heeft een direct provinciaal belang om te bepalen wat wel en niet toelaatbaar is op en direct rond de provinciale wegen. Er zijn daarom regels gesteld in het belang van de veiligheid en de bruikbaarheid van de weg, de belangen van verruiming van de weg en instandhouding van de weg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. 

In deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van een aantal verschillende beperkingengebieden:

  • Het beperkingengebied ‘beheer provinciale wegen’ is het beheergebied zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘beheer provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’ is de zone van 40 meter vanaf de kant rand van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone provinciale wegen’ is het gebied tot 10 meter vanaf de kant rand van de verharding, met inbegrip van de verharding, van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘vrijwaringszone provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening. 

  • Het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ zijn de locaties waarop middelen die gebruikt worden voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet zijn toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’, is het gebied waarin middelen die gebruikt worden voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet niet zijn toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’, omvat de stroken (een zone van 5 meter vanaf de kant van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg) ten behoeve van het vrije uitzicht voor het (op)rijzicht, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten op provinciale wegen buiten de bebouwde kom, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ zijn de buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 1,80 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan gelegen toegangsdammen bij wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km/u, waarop het voor korte tijd deponeren of hebben van land- en tuinbouwproducten is toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten is het gebied waar het voor korte tijd deponeren of hebben van land- en tuinbouwproducten niet is toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ in bijlage II bij deze verordening.

  • De beperkingengebieden ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’, ‘vrijwaringszone provinciale wegen’, ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’, kunnen (deels) buiten het beheergebied provinciale wegen zijn gelegen. Dit kan op grond van Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. De provincie wil daar regels kunnen stellen, omdat activiteiten in dat gebied van invloed zijn op de leefomgeving. Voor een goede staat en werking van de weg zijn regels noodzakelijk.

Paragraaf 2.2.2 Activiteiten op provinciale vaarwegen

De provincie heeft een direct provinciaal belang om te bepalen wat wel en niet toelaatbaar is op en direct rond de provinciale vaarwegen. Het doel van deze regels is de provinciale vaarweg te beschermen en het verzekeren van een veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg, overeenkomstig de verkeersfunctie van die vaarweg. 

In deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van een aantal verschillende beperkingengebieden:

  • Het beperkingengebied ‘beheer provinciale vaarwegen’ is het beheergebied Kanaal door Walcheren met een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne, vanaf het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug en de bijbehorende (voor)havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone werken provincialevaarwegen’, is het gebied tot 10 meter vanaf de oeverlijn aan weerszijde van de provinciale vaarweg, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject‘vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen’ in bijlage II deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen A’ is het gebied van Kanaal door Walcheren tussen Veere en het Zijkanaal naar Arnemuiden dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provincialevaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen B’ is het gebied van Zijkanaal naar Arnemuiden tussen de Arnebrug en een denkbeeldige grens op vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen C’ is het gebied van Kanaal door Walcheren tussen het zijkanaal naar Arnemuiden en de Binnenkeersluis te Vlissingen met in begrip van het verbrede deel van het Zijkanaal naar Arnemuiden en de Binnenkeersluis dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen D’ is het gebied van de grote schutsluis te Vlissingen en het verbreed kanaal tussen de schutsluis en de 1e Binnenhaven dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen E’ is het gebied van in de schutsluis dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen F’ is het gebied van het verbreed kanaal te Vlissingen tussen de 1e Binnenhaven en de Binnenkeersluis dat is opgenomen inhet geometrische informatieobject ‘scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘ankerverbod provinciale vaarwegen’ is het gebied waarin ankeren niet is toegestaan en dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘beperkingengebied ankerverbod vaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘ankerplaatsen provinciale vaarwegen’ is het gebied waarin ankeren is toegestaan en dat is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘beperkingengebied ankerplaatsen provincialevaarwegen’ in bijlage II bij deze verordening.

  • Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen’ kan (deels) buiten het beheergebied provinciale wegen zijn gelegen. Dit kan op grond van Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. De provincie wil daar regels kunnen stellen, omdat activiteiten in dat gebied van invloed zijn op de leefomgeving. I.c. de provinciale vaarweg. Voor een goede staat en werking van de vaarweg zijn regels noodzakelijk.

Afdeling 2.3 Activiteiten in milieubeschermingsgebieden
Paragraaf 2.3.1 Grondwaterbeschermingsgebieden

Uit artikel 2.18 lid 1 van de omgevingswet volgt dat de provincie onder meer als taak heeft het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Voor het grondwater ten behoeve van de drinkwaterwinning zijn in Zeeland drie gebieden van belang, te weten de duingebieden Haamstede en Oranjezon, en een gebied nabij Sint Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen. In Zeeland mag het waterleidingbedrijf Evides drinkwater winnen. Dit bedrijf onttrekt grondwater en oppervlaktewater en maakt daar drinkwater van. Om vervuiling van grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te voorkomen, beschermt de provincie de bodem waaruit het grondwater gewonnen wordt. De in de omgevingsverordening aangewezen grondwaterbeschermingsgebieden omvatten waterwingebieden en de daaromheen gelegen grondwaterbeschermingszones. Voor deze te onderscheiden deelgebieden kunnen verschillende regels zijn gesteld.

Voor de regels in paragraaf 2.3.1 is aansluiting gezocht bij de regels in de (ontwerp) omgevingsverordening van Zuid-Holland. Waar de regels van Zuid-Holland soepeler zijn dan de oude regels van de omgevingsverordening Zeeland uit 2018, zijn de strengere regels van Zeeland behouden. Op deze manier zijn de regels in hoofdlijnen beleidsneutraal omgezet, terwijl toch een moderniseringsslag van de deels verouderde regels is doorgevoerd.

De provincie Zeeland kiest er – net als de meeste andere provincies – voor om rechtstreeks werkende regels over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden te stellen in de omgevingsverordening. Vanwege de systematiek van de Omgevingswet voor de toedeling van het bevoegd gezag, betekent dit dat de provincie voortaan bevoegd is voor vergunningverlening, voor toezicht en handhaving van omgevingsvergunningen op grond van de verordening en voor toezicht en handhaving van de algemene regels in de omgevingsverordening. Hiermee treedt een verschuiving op in de bevoegdheden, in vergelijking met de situatie onder de (voormalige) Wet milieubeheer. In de oude situatie was de gemeente bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving voor activiteiten binnen (de meeste) Wm-inrichtingen. In het nieuwe stelsel ligt de bevoegdheid bij de provincie. Op basis van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet blijven vóór de inwerkingtreding van die wet verleende vergunningen van kracht. Voor activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden die niet zijn gereguleerd in de omgevingsverordening, maar in het Besluit activiteiten leefomgeving, is in de meeste gevallen de gemeente het bevoegd gezag.

Subparagraaf 2.3.1.1 Algemeen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

Subparagraaf 2.3.1.3 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.4 Grond en baggerspecie

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.5 Meststoffen

Onder meststoffen worden allereerst dierlijke meststoffen verstaan. Dierlijke meststoffen zijn afkomstig van dierlijke uitwerpselen. Daarnaast vallen onder meststoffen producten ter voeding van planten of ter verbetering van de voedingseigenschappen van de grond of een ander groeimedium dan wel producten ter verbetering van de groei van planten. Daaronder zijn ook andere stoffen begrepen dan afkomstig van dierlijke uitwerpselen. Te denken valt aan zuiveringsslib en compost.

Subparagraaf 2.3.1.6 Vuurwerk en explosieven

Het opslaan, overslaan, herverpakken en bewerken van pyrotechnische artikelen en ontplofbare stoffen is verboden. Uitgezonderd is de opslag in kleine hoeveelheden en de opslag bij vuurwerkverkooplocaties. Deze activiteiten zijn meldingsplichtig.

Subparagraaf 2.3.1.7 Afvalstoffen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.9 Infrastructuur

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.10 Buisleidingen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.11 Recreatieterreinen, anders dan een camping

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.12 Begraafplaatsen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.16 Productie van papier, karton of hout

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.17 Drukkerijen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.19 Seveso-inrichtingen en andere installaties

[Vervallen]

Subparagraaf 2.3.1.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

[Vervallen]

Paragraaf 2.3.2 Stiltegebieden

Het aanwijzen van stiltegebieden is een bestaande (functionele) taak van de provincie. De provincie stelt regels om deze gebieden tegen geluidoverlast van bronnen binnen en buiten dat gebied te beschermen (artikel 2.27 Ow).

In artikel 7.11 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen.

De provincie: 

  • a.

    wijst stiltegebieden aan in de omgevingsverordening; 

  • b.

    neemt regels op in de omgevingsverordening over het voorkomen of beperken van geluid in deze stiltegebieden. Het geluid kan afkomstig zijn van bronnen binnen en buiten dat gebied; en 

  • c.

    neemt fysieke maatregelen als deze de taak ondersteunen om het geluid in een stiltegebied te voorkomen of te beperken. De regels die de provincie stelt, kunnen zich onder andere richten tot gemeenten. In dat geval geeft de provincie instructieregels voor het opnemen van regels in het omgevingsplan die het beschermen van de stilte in die gebieden effectueert (getrapte instructieregels, artikel 2.22 Ow). 

De regels die de provincie stelt, kunnen zich onder andere richten tot gemeenten. In dat geval geeft de provincie instructieregels voor het opnemen van regels in het omgevingsplan die het beschermen van de stilte in die gebieden effectueert (getrapte instructieregels, artikel 2.22 Ow). De regels in de omgevingsverordening kunnen zich ook rechtstreeks richten tot burgers en bedrijven (artikel 4.2, tweede lid Ow) als dat doeltreffender en doelmatiger is dan het stellen van instructieregels.

De verordening voorziet in regels voor de bescherming van rust en stilte als intrinsieke waarde met de bijbehorende werkingsgebieden. Het aanwijzen van deze gebieden en het vaststellen van de daarbij horende regels en normen vloeit voort uit artikel 7.11, eerste lid, onder a, Besluit kwaliteit leefomgeving.

De in de verordening aangewezen stiltegebieden vallen grotendeels samen met gebieden die zijn genoemd in de Natuurvisie Zeeland 2016-2022 (waaronder Natura 2000-gebieden), gebieden die worden beschermd in het kader van de Omgevingswet. De regels over de bescherming van natuurgebieden in de Omgevingswet richt zich primair op het tegengaan van verstoring van de bij die wet beschermde diersoorten en de instandhouding daarvan.

Het voorkomen of beperken van geluid(hinder) in deze (stilte)gebieden is daarmee aanvullend op de verstoringsaspecten en de instandhoudingsdoelstelling voor gebieden, zoals opgenomen in de Natuurvisie Zeeland 2016-2022. Voor relatief kleine gebieden (kleiner dan 300 ha) en lintvormige gebieden uit de Natuurvisie zijn de aanvullende geluidsbepalingen echter niet van toepassing. Dit geldt eveneens voor natuurgebieden die zich geheel of gedeeltelijk binnen de 58dB contour bevinden van gezoneerde wegen en geluidzones rondom gezoneerde industrieterreinen. 

Een aantal stiltegebieden - die niet behoren tot de Natura 2000-gebieden – maar wél een bepaalde intrinsieke stilte als te beschermen waarde hebben, zoals De Braakman en Groot Eiland, kunnen alleen beschermd worden door de regels in deze verordening. 

In de Omgevingsverordening 2018 waren absolute verboden opgenomen voor de activiteiten genoemd in de artikel 2.100 tot en met artikel 2.109, behalve voor het gebruik van luchtkussenvoertuigen waarvoor een ontheffingsmogelijkheid bestond. Door het principe “ ja, mits” ipv “nee, tenzij” dat nu in de Omgevingswet wordt gehanteerd, is het niet gewenst een absoluut verbod op te nemen. In artikel 2.100 tot en met artikel 2.109 is nu in de meeste gevallen de mogelijkheid opgenomen om een omgevingsvergunning aan te vragen. Deze zal echter alleen bij uitzondering en in bijzondere gevallen verleend worden. Dit betekent daarom slechts een zeer lichte verruiming ten opzichte van de Omgevingsverordening 2018.

Typen stiltegebieden 

Stiltegebieden bestaan uit stiltegebieden A en B en gebieden waar alleen de activiteitenregels gelden. 

Het is van belang om binnen de stiltegebieden en invloedsgebieden verschillende beschermingsregimes te onderscheiden. De volgende gebieden en regimes worden onderscheiden: 

Stiltegebied A 

Stiltegebieden A zijn de kerngebieden. Voor stiltegebied A geldt als doelstelling het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid met een maximum van 40 dB(A). In Stiltegebied A is ter bescherming van rust en stilte als intrinsieke waarde tenminste een ‘stand-still regime’ van toepassing. Uitgangspunt is dat er geen toename van de aanwezige geluidsniveaus wordt toegestaan. Het beleid in deze gebieden is er tevens op gericht te hoge geluidsniveaus van bestaande activiteiten te verminderen. In deze gebieden wordt gestreefd naar een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager. 

S tiltegebied B

Er zijn twee soorten Stiltegebieden B te onderscheiden:

1. Gebieden die een bufferzone vormen met een breedte van 250 meter gerekend vanaf de buitenste begrenzing van stiltegebied A.

Deze bufferzone van 250 meter geldt niet voor gebieden met intensief gebruik en gebieden met een geringe omvang. Voor stiltegebied B geldt een lager beschermingsniveau dan in de kerngebieden. Als doelstelling geldt voor stiltegebied B het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid met een maximum van 48 dB(A). Een stiltegebied B is het gebied tussen het gebied waarvoor het ‘stand-still regime’ uit stiltegebied A van toepassing is en het invloedsgebied, zie hieronder, het gebied waarin activiteiten nog van invloed kunnen zijn op stiltegebied B.

Door in stiltegebieden B een hogere doelstelling aan te houden, wordt voor lokale bronnen die in de directe nabijheid van de grens van deze gebieden liggen, "geluidsruimte" gecreëerd zonder de bescherming van rust en stilte van het stiltegebied A aan te tasten.

2. Gebieden met intensiever gebruik

Dit zijn gebieden, waarin intensieve recreatie of beroepsscheepvaart plaatsvindt. Voor deze gebieden geldt als doelstelling het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid met een maximum van 48 dB(A).  

• Gebieden met intensieve recreatie. Hieronder worden onder meer begrepen het Veerse Meer, een deel van de Kop van Schouwen, de Manteling van Walcheren en verschillende kleine gebieden langs de kust;

• Gebieden ten behoeve van de beroepsscheepvaart. Hieronder vallen onder meer de Westerschelde en de scheepvaartverbinding Antwerpen-Rotterdam (Schelde-Rijn-verbinding – Volkerak).

Voor deze gebieden geldt dat door de specifieke functie die zij vervullen het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid vaak al hoger is dan 40 dB(A). Het maximaliseren van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot 40 dB(A) kan dan leiden tot ongewenste situaties.

Overige stiltegebieden

Onder gebieden waar alleen regels over activiteiten gelden vallen alle overige gebieden. Deze gebieden zijn dusdanig klein van omvang, dat na aftrek van een overgangszone van 250 meter, een te klein gebied resteert om te aan te merken als ‘kerngebied’.

Invloedsgebieden 

Onder invloedsgebieden wordt verstaan een zone van 1500 meter gelegen vanaf buitenste rand van stiltegebied B. Deze gebieden zijn als zodanig gedefinieerd om regels te kunnen stellen aan activiteiten gelegen buiten stiltegebieden B, maar die qua geluid wel hun invloed kunnen doen gelden in een stiltegebied B. 

Regels voor activiteiten

In de verordening is aangegeven voor welke gedragingen/activiteiten een verbod geldt en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden bij de provincie. Tevens is aangegeven welke beroepsmatige activiteiten zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Daarnaast zijn de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning en de beoordelingscriteria opgenomen. Ook bestaat de mogelijkheid om een eerder verleende vergunning in te trekken. 

Instructieregels 

Naast de regels voor activiteiten zijn er in de verordening ook instructieregels opgenomen in hoofdstuk 5. Allereerst zijn er instructieregels aan gedeputeerde staten opgenomen om de stiltegebieden duidelijk kenbaar te maken door het plaatsen van borden aan de randen van de gebieden. Daarnaast zijn er instructieregels die zich tot het bevoegd gezag (gemeenten) richten om bij het maken van een omgevingsplan en het nemen van besluiten de doelstellingen van de stiltegebieden A en B in acht te nemen. Een aantal specifieke benoemde tijdelijke activiteiten, onder andere bedrijfsmatige activiteiten en activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoud of infrastructuur in het gebied zijn vrijgesteld van de instructieregels. Hieronder is ook begrepen een drietal evenementen per jaar per gebied. Dit om de gebieden niet onnodig te verstoren, waarbij aansluiting is gezocht bij de definitie van evenement.

Passende beoordeling

Bij de beoordeling door het bevoegd gezag of een omgevingswetactiviteit past binnen de verordening aangegeven doelstellingen, is het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid bepalend. Dit referentieniveau moet daarom ook steeds op één of meer locaties, in of op de grens van het stiltegebied worden vastgesteld. Vervolgens wordt de activiteit per gebied (stilgebied A of B) getoetst of wordt voldaan aan het referentieniveau. Dit bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid mag worden overschreden tot de in de verordening aangegeven maximale doelstelling van 40 dB(A) in de stiltegebieden A en 48 dB(A) in de Stiltegebieden B (bufferzone, intensief gebruikt gebied en gebieden met een geringe omvang).

In de stiltegebieden A met een maximale doelstelling van 40 dB(A) geldt dit maximum ook voor situaties waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid hoger is dan 40 dB(A). Voor de stiltegebieden B geldt dit eveneens, maar met een maximum van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid van 48 dB(A). 

Het opnemen van de maximaal toegestane doelstellingen betekent niet dat er sprake is van ongebreideld toelaten van activiteiten tot een maximum geluidsniveau. Uitgangspunt voor toetsing blijft het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid. In een gebied met een bestaand referentieniveau van het omgevingsgeluid van bijvoorbeeld 38 dB(A), is en blijft dat niveau bepalend als toetsingscriterium voor het toestaan van nieuwe activiteiten.

Artikel 2.100 tot en met 2.109

In artikel 2.100 tot en met artikel 2.109 zijn de omgevingsvergunningplichtige activiteiten opgenomen, alsmede de omstandigheden of situaties waarin de activiteiten uitgezonderd zijn van de vergunningplicht. Het gaat hierbij om gebiedsvreemde geluiden die het intrinsieke karakter van de stiltegebieden kan aantasten en de rust voor dier en mens kan verstoren.

Afdeling 2.4 Ontgrondingen op land en in regionale wateren

Op grond van artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld. Deze afdeling bevat dergelijk regels.

Afdeling 2.5 Grondwatersanering

Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerd. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleiding verplicht is. 

In de Omgevingswet zijn er geen rijksregels voor grondwatersaneringen meer opgenomen. De algemene regels en de daar vermelde standaard saneringsmethodes uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet van toepassing op grondwatersaneringen. Het wordt niet nodig geacht de bevoegdheidsverdeling expliciet in de wet vast te leggen. Het Rijk laat het aan de provincies over om regels voor grondwatersanering in de omgevingsverordeningen op te nemen. Gelet op de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn is de provincie, als ‘hoeder van het grondwater’, een belangrijke regisserende en coördinerende rol toebedeeld (artikel 2.18, eerste lid, onder a, Omgevingswet). Door grondwatersaneringen te regelen in de omgevingsverordening blijft de verantwoordelijkheid voor de aanpak van historische grondwaterverontreiniging bij de provincie.

Afdeling 2.6 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen

De regels in deze afdeling zijn bedoeld om het milieu te beschermen. Activiteiten op gesloten stortplaatsen kunnen grote gevolgen hebben voor het milieu. Vóór het in werking treden van de Omgevingswet was de provincie op grond van artikel 3.4 Besluit omgevingsrecht het bevoegd gezag als het ging over activiteiten op gesloten stortplaatsen waar een vergunning voor nodig was. Met het in werking treden van de Omgevingswet is de provincie niet langer automatisch bevoegd gezag over gesloten stortplaatsen. De provincie kan regels stellen om te zorgen dat zij betrokken blijft bij het toelaten van activiteiten op gesloten stortplaatsen. Provincies zijn vrij te kiezen hoe ze dit doen. De provincie Zeeland heeft gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de regels. Dit betekent dat de provincie in de omgevingsverordening een aanvullende vergunningplicht heeft opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, waarvoor in het oude recht een vergunning nodig was op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit zijn activiteiten die risico’s opleveren voor het milieu, zoals het verrichten van bouwactiviteiten of het uitvoeren van werken. Bij deze activiteiten kan de deklaag op de stortplaats worden aangetast of kan het beheer van de stortplaatsen worden gehinderd.

Afdeling 2.7 Ontgassen van binnenschepen

Deze afdeling is vervallen met ingang van 1 januari 2026

Afdeling 2.8 Activiteiten in duisternisgebieden

Door duisternis als kernkwaliteit vast te stellen voor (delen van) sommige Natura 2000-gebieden wordt de waarde van duisternis voor deze natuurgebieden beschermd. Ook activiteiten in de nabijheid van deze duisternisgebieden, het zogenaamde invloedgebied duisternisgebieden, kunnen negatieve gevolgen hebben voor de duisternis in deze gebieden. 

Normale bedrijfsactiviteiten en de gebieden met waarde voor duisternis bijten elkaar niet. Het gaat dus niet om bestaande activiteiten die lichtemissie veroorzaken op of in de begrensde gebieden voor zolang ze in hun huidige vorm, locatie, omvang en tijd blijven plaatsvinden. Dit kan betreffen agrarische bedrijven in de buurt, wegen of recreatieve terreinen. Als er sprake is van uitbreiding of wijziging van deze activiteiten dan zijn die uitbreidingen of wijzigingen mogelijk vergunning plichtig in het kader van de Omgevingswet. De Richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) vormen de basis voor voorschriften in de vergunningen met als doel het beperken en voorkomen van lichtverontreiniging en het bevorderen van duisternis als kernkwaliteit van Zeeland.

Afdeling 2.9 Natura 2000-activiteiten

In de Omgevingsverordening Zeeland 2018 was het weiden van vee en het bemesten van gronden nabij een Natura 2000-gebied uitgezonderd van de vergunningplicht. Als gevolg van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604) is deze uitzondering op de vergunningplicht onverbindend verklaard. Deze regels komen dan ook niet meer terug in de provinciale omgevingsverordening. Of en wanneer nieuwe regels voor Natura 2000-activiteiten worden opgenomen in de provinciale omgevingsverordening is voornamelijk afhankelijk van de ontwikkelingen in het stikstofdossier. De Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), ook wel Stikstofwet genoemd, treedt naar verwachting 1 juli 2021 in werking. Op dit moment is nog niet te overzien of deze wet leidt tot het opnemen van regels in de provinciale omgevingsverordening en wordt hiervoor ruimte gereserveerd.

Afdeling 2.10 Flora- en fauna-activiteiten

De van nature in het wild levende dieren en planten worden direct beschermd via de Omgevingswet. De onderwater flora en fauna wordt slechts voor een beperkt deel wettelijk beschermd. De provincie wil ook de karakteristieke onderwater flora en fauna bescherming bieden. Voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor deze soorten geldt een vergunningplicht. Deze afdeling bevat regels ter bescherming van de onderwater flora en fauna en over de aanwijzing van vergunningvrije gevallen.

Paragraaf 2.10.1 Algemene bepalingen

Deze paragraaf bevat de algemene bepalingen voor flora- en fauna-activiteiten.

Paragraaf 2.10.2 Vergunningvrije gevallen en Ganzenrustgebieden

Artikel 11.42 en 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorzien – overeenkomstig het voorheen geldende artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming – in de mogelijkheid van een aanwijzing van vergunningvrije gevallen in de omgevingsverordening ten behoeve van de bestrijding door de grondgebruiker van vogels en andere soorten die provinciaal schade veroorzaken. 

Bij de aanwijzing van de vergunningvrije gevallen van de dieren die, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kunnen worden bestreden, is getoetst of is voldaan aan het wettelijke vereiste dat dieren van de soorten in de provincie schade veroorzaken. Ook is getoetst of de betrokken diersoort de bestrijding kan verdragen. Schadebestrijding is aan de orde als preventieve maatregelen onvoldoende soelaas bieden.

De soorten en activiteiten die reeds onder de Wet natuurbescherming in de verordening waren vrijgesteld, zullen ook onder de Omgevingswet vergunningvrij zijn. Een uitzondering betreft het doden van damherten in en in de directe omgeving van de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren ten behoeve van de beperking van de omvang van de populatie in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. In het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren niet als vergunningvrij geval wordt aangewezen. De vrijstelling van de vergunningplicht komt daarom te vervallen. 

Voor andere schadesoorten en flora- en fauna-activiteiten moet volgens de provincie een zwaarder afwegingskader plaatsvinden en per situatie worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat (zoals het opzettelijk (ver)storen). Omgevingsvergunningen verdienen dan de voorkeur boven een algemene vrijstelling.

Artikel 2.148 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod doden van vogels

Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 2.149 Algemene regels schadebestrijding grauwe gans

Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026

Artikel 2.150 Algemene regels schadebestrijding kolgans

Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 2.151 Algemene regels bestrijding brandgans

Dit artikel is vervallen met ingang van 1 januari 2026.

Paragraaf 2.10.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden

Artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorziet in de mogelijkheid om bij maatwerkregel de jacht op wildsoorten te sluiten zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

Paragraaf 2.10.4 Onderwater flora en fauna

Zeeland kent een rijk onderwaterleven. Het mariene onderwatermilieu is een van de ruimtelijke kwaliteiten die Zeeland als Provincie kenmerkt. De onderwaterflora en -fauna in Zeeland, met name die in de Delta, is uitgestrekt en niet alleen van belang uit het oogpunt van natuur maar zeker ook vanuit een recreatief oogpunt. Steeds meer watersporters weten de Delta als aantrekkelijk onderwatersportgebied te vinden. Deze toenemende belangstelling leidt helaas ook tot het 'oogsten' van met name commercieel interessante schaal- en schelpdieren, zoals kreeften en oesters, maar ook andere soorten, zoals anemonen voor aquaria.

Het thema “onderwater flora en fauna” is beleidsneutraal in de omgevingsverordening opgenomen. Er zijn wel aanvullende artikelen in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen, bijvoorbeeld een zorgplichtartikel en een artikel met daarin expliciet de beoordelingsregels . De artikelen zijn echter voor wat betreft de inhoud ongewijzigd ten opzichte van de inhoud van de artikelen in de Omgevingsverordening Zeeland 2018.

Afdeling 2.11 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen

In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. In artikel 11.111 van het Bal is aangegeven voor welke houtopstanden deze regels niet gelden. 

De regels gelden onder meer niet voor:

  • Houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap. Deze contour moet op basis van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving aansluiten aan stedelijk gebied.

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.

  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld.

  • Houtopstanden kleiner dan 10 are, of die bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. 

De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Bal (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Bal (plicht tot herbeplanting). Het is conform artikel 11.126 van het Bal verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen, of te doen vellen zonder daarvan vooraf een melding te maken bij gedeputeerde staten. Uitzondering op deze regel is het periodiek vellen van griend- of hakhout. Daarnaast geldt op grond van artikel 11.129, eerste lid van het Bal een herbeplantingsplicht als een houtopstand is geveld, of op een andere wijze teniet is gegaan. De herbeplanting moet in beginsel plaatsvinden binnen 3 jaar, op dezelfde grond waar de houtopstanden stonden. In artikel 11.131 van het Bal staan een aantal uitzonderingen beschreven, waarbij het wel is toegestaan om houtopstand zonder deze melding geheel of gedeeltelijk te vellen. 

Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Bal (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Bal in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. In deze afdeling over het vellen van houtopstanden is hiervan gebruik gemaakt.

Paragraaf 2.11.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 2.11.2 Meldplicht vellen houtopstand

In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is en door verjonging van kleine delen van de houtopstand gezorgd kan worden voor een verbetering van die kwaliteit. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldplicht aan de orde is.

Paragraaf 2.11.3 Plicht tot herbeplanting

Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren verplicht worden tot herbeplanting, omdat bosvorming op dezelfde locatie niet meer mogelijk is. Voor die gevallen is in dit artikel een uitzondering opgenomen op de verplichting tot herbeplanten.

Paragraaf 2.11.4 Afwijken ten gunste van de herbeplanting

[Vervallen]

Afdeling 2.13   Activiteiten landschap
Paragraaf 2.13.1   Distelbeheer

Deze paragraaf beoogt beleidsmatig geen wijziging van de regels uit de omgevingsverordening van 2018.

In de vorige verordening werd gesproken over diverse eigenaren en gerechtigden. Het doel daarvan was zo breed mogelijk te kunnen aanschrijven. Daarom zijn die woorden vervangen door ‘een ieder’. Dit kan zowel particulieren betreffen als privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen.

De definitie voor landbouwgrond betreft grond met een agrarische bestemming als bedoeld in het vigerende omgevingsplan, dan wel grond waarvoor regels gelden voor agrarische activiteiten in het vigerende omgevingsplan. Het betreft hier alle vormen van land- en tuinbouw, inclusief boomgaarden. Braakliggende gronden vallen om die reden niet onder de werking van deze afdeling, tenzij ze grenzen aan andere niet braakliggende landbouwgrond.

Paragraaf 2.13.2   Borden

De regels in deze paragraaf richten zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Dit belang is vooral aan de orde in gebieden buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom liggen een aantal bedrijventerreinen, waar het uit landschappelijk oogpunt geen bezwaar behoeft te zijn als daar borden worden geplaatst. Deze bedrijventerreinen zijn daarom van het verbod uitgezonderd. Borden die zijn geplaatst binnen de bebouwde kom en op bedrijventerreinen vallen daarom buiten de werkingssfeer van de verordening. Deze borden kunnen wel onderworpen zijn aan gemeentelijke regelgeving.

Subparagraaf 2.13.2.1   Algemene bepalingen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.2   Algemene regels permanente borden en spandoeken

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.3   Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.4   Algemene regels vlaggen

[Vervallen]

Subparagraaf 2.13.2.5   Algemene regels informatiezuil

[Vervallen]

Hoofdstuk 3 Activiteiten op Provinciale Wegen

[Red: Sectie 2.6 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.6 3.2   Oogmerk provinciale wegen

Deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat er geen schade ontstaat aan de provinciale weg en dat deze veilig en doelmatig kan worden gebruikt. Daarbij hoort ook het belang van onderhoud van de provinciale weg. Het eerste lid van deze regels is gelijk aan wat er bepaald is voor rijkswegen, zoals geregeld in artikel 8.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 

In het tweede lid is een ruimere reikwijdte van de bepalingen opgenomen. In het eerste lid staan alleen de mobiliteitsbelangen. Op grond van het tweede lid kan ook rekening worden gehouden met belangen als landschap, natuur en cultuurhistorie. Een voorbeeld: Kabels en leidingen kunnen niet zomaar overal in de bermen liggen. Er moet rekening gehouden worden met archeologische waarden en met bomen die van cultuurhistorische waarde zijn. Soms worden kabels en leidingen verlegd om een doorgang voor dieren (faunapassage) te realiseren over, door of onder een barrière (bijvoorbeeld onder de weg door, of langs een viaduct). Dan gaat het om het belang van landschappelijke en natuurwaarden waar rekening mee moet worden gehouden. Infrastructuur wordt ook aangelegd vanuit de belangen van recreatie en toerisme, denk aan fietspaden.

[Red: Sectie 2.7 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.7 3.3   Specifieke zorgplicht provinciale wegen

De specifieke zorgplicht geldt voor activiteiten waarvoor een vergunning nodig is en voor activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht is een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van de provinciale weg, om te zorgen dat de belangen waar het oogmerk van artikel 2.63.2 op ziet worden gewaarborgd. De zorgplicht is bedoeld als vangnet voor de handhaving. Het is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels, vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften in of op grond van deze paragraaf, zijn een verdere uitwerking van deze zorgplicht. Bij een overtreding van een zorgplichtbepaling kan er direct worden gehandhaafd als sprake is van een overduidelijke overtreding. In de andere gevallen dient er eerst een maatwerkvoorschrift gesteld te worden voordat tot handhaving kan worden overgegaan. De grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften is in artikel 2.83.4 opgenomen.

In het tweede lid is de specifieke zorgplicht concreter gemaakt voor een aantal activiteiten die onwenselijk zijn in het beperkingengebied met betrekking tot provinciale wegen. Door deze activiteiten specifiek te benoemen, is handhaving makkelijker. Het eerst stellen van een maatwerkvoorschrift is dan vaak niet nodig. Voor beplanting is een specifieke zorgplicht opgenomen in onderdeel j. In dat onderdeel wordt zowel de boven grondse als ondergrondse conditie van beplanting verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het omhoog drukken van de weg door boomwortels.

Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid. Hierin staat dat het verplicht is om maatregelen te nemen om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Ongewone voorvallen bij activiteiten/werkzaamheden in het beperkingengebied op of rond een provinciale weg, kunnen gevaarlijk zijn voor de staat en werking van die weg. Van iedereen mag dan ook worden verwacht dat zij de nodige maatregelen nemen om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

In het tweede lid, onder f, is het deponeren van land- en tuinbouwproducten geregeld. Het komt regelmatig voor dat gebruikers van langs de weg bevindende percelen land- en tuinbouwproducten (tijdelijk) willen deponeren op toegangsdammen. Dit kan leiden tot verkeersonveilige situaties, omdat het uitzicht wordt belemmerd. Daarnaast vormen de land- en tuinbouwproducten een obstakel waardoor de weggebruiker bij een eventueel ongeval ernstigere schade kan lijden (zowel fysiek als materieel). Op grond van het tweede lid onder a en e is het deponeren van land- en tuinbouwproducten in strijd met de specifieke zorgplicht op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km of meer. Het verkeersveiligheidsrisico wordt voor die wegen te groot geacht. Voor wegen waar een lager snelheidsregime geldt, is het verkeersveiligheidsrisico mede door de lagere snelheid minder groot. Deze wegen zijn als werkingsgebied vastgelegd in het beperkingengebied ‘toegangsdam buitende berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’. De weggebruiker zal op dit soortwegen doorgaans rekening houden met activiteiten op of langs de wegen.

Het tweede lid, onder l, is opgenomen zodat het onderhoud van bermsloten met machines vanaf de landzijde niet belemmerd wordt, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren.

[Red: Sectie 2.8 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.8 3.4   Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften

Dit artikel bevat de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht, of over de artikelen over beplanting en middelen voor de vrijheid van meningsuiting. Kan over een bepaald onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een activiteit worden verbonden? Dan kan er geen maatwerkvoorschrift worden gesteld. Voorschriften die bedoeld zijn als invulling van de specifieke zorgplicht bij activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, staan dus altijd in de vergunning en niet in een zelfstandig maatwerkvoorschrift.

[Red: Sectie 2.10 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.10 3.6   Verbod activiteiten bij uitzichtstroken

In het algemeen wordt ernaar gestreefd om het gebruik van naast de weg gelegen particuliere eigendommen tot een minimum te beperken, echter zonder onverantwoord inbreuk te doen aan de verkeersveiligheid. Het is van belang dat de weggebruiker ter hoogte van kruisingen, aansluiting van wegen, maar ook ter hoogte van uitwegen en bochten voldoende uitzicht heeft. Het gaat bij kruisingen van wegen en uitwegen vooral om het oprijzicht en in geval van bochten om het zicht op tegemoetkomend verkeer.

[Red: Sectie 2.11 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.11 3.7   Beplanting

Op grond van het eerste en tweede lid van dit artikel moet gezorgd worden dat overhangende beplanting of beplanting naast de weg geen hinder of gevaar voor het verkeer kunnen veroorzaken. Deze verplichting geldt ook voor de rechthebbende op de beplanting, op grond van het laatste lid. Voor het aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting in het beperkingengebied beheer provinciale wegen is een voorafgaande vergunning vereist.

[Red: Sectie 2.12 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.12 3.8   Omgevingsvergunning veranderen van bermsloten

Voor het afdammen, dempen of het wijzigen van de afvoercapaciteit van bermsloten en het maaien van bermsloten is een vergunning nodig. Bermsloten zijn belangrijk voor de staat en werking van wegen. Het wordt ook steeds belangrijker dat het water op de weg voldoende snel kan worden afgevoerd. Door klimaatverandering kunnen buien steeds zwaarder worden.

[Red: Sectie 2.13 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.13 3.9   Omgevingsvergunning uitwegen

Uitwegen (uitritten) op provinciale wegen zijn vanwege de uitwisseling van verkeer potentiële conflictpunten en al snel verkeersonveilig door de grote snelheidsverschillen. Teveel uitwegen op een provinciale weg zijn niet goed voor de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid. Ook de doorstroming komt bij veel uitwegen onder druk te staan. Nieuwe uitwegen worden dan ook tot een minimum beperkt. Voor het veranderen en intensiveren van het gebruik van uitwegen is om diezelfde reden een vergunning nodig. Het kan namelijk een verslechtering betekenen van de verkeersveiligheid en de doorstroming. Ook moet de inrichting van de uitweg worden aangepast aan het gebruik, bijvoorbeeld bij bedrijfsmatig gebruik. Dan moet de uitweg ruimer worden gemaakt, om zo veilig mogelijk gebruik te kunnen maken van de uitweg.

[Red: Sectie 2.14 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.14 3.10   Omgevingsvergunning duikers, goten, kabels, leidingen en vergelijkbare werken

Voor het hebben, leggen of wijzigen van duikers, goten, kabels, leidingen, afrasteringen of vergelijkbare werken in het beperkingengebied beheer provinciale wegen en in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen is een vergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale weg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument.

[Red: Sectie 2.15 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.15 3.11   Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten

Masten, palen, borden en dergelijke kunnen een gevaar vormen voor het gebruik van de weg. Voor het plaatsen en behouden hiervan is daarom een omgevingsvergunning vereist. De vergunningplicht geldt niet voor borden en andere middelen die gebruikt worden voor de vrijheid van meningsuiting. Voor die borden en andere middelen is een specifieke regeling getroffen in de navolgende drie artikelen.

[Red: Sectie 2.16 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.16 3.12   Verbod middelen vrijheid van meningsuiting

Op grond van artikel 7 van de Grondwet moeten, ook op de weg, zaken worden toegestaan die als middel dienen om gedachten of gevoelens te openbaren, mits ze niet zijn aan te merken als handelsreclame en verder behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De overheid kan het op die wijze openbaar maken van gedachten of gevoelens wel aan beperkingen onderwerpen ter beveiliging van het openbaar verkeer. In dit artikel is een verbod op het plaatsen van middelen voor de vrijheid van meningsuiting opgenomen voor het beperkingengebied ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’. Dit beperkingengebied omvat de locaties waar het plaatsen van deze middelen uit veiligheidsoverwegingen onaanvaardbaar is.

[Red: Sectie 2.17 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.17 3.13   Meldingsplicht middelen vrijheid van meningsuiting

In het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provincialewegen’ is het plaatsen van middelen voor het uiten van gedachten en gevoelens toelaatbaar, mits er vooraf een melding wordt gedaan. De melding wordt gebruikt om te toetsen of het doelmatige en veilige gebruik van de weg niet in het geding komt. Als dat wel zo is, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen op grond van artikel 2.83.4.

[Red: Sectie 2.18 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.18 3.14   Algemene regels middelen vrijheid van meningsuiting

Voor het plaatsen van borden en andere middelen voor het uiten van gedachten en gevoelens in het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ zijn enkele algemene regels gesteld. Deze algemene regels beperken de omvang van de aan te brengen middelen en de duur waarvoor ze worden geplaatst. Met deze regels is een balans gezocht tussen het belang van de vrijheid van meningsuiting en het belang van het veilige gebruik van de provinciale weg.

[Red: Sectie 2.19 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.19 3.15   Omgevingsvergunning bebouwingsvrije stroken

Voor het bouwen geldt een vergunningplicht in het beperkingengebied‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’. Dit is een ruimer gebied dan het beperkingengebied beheer provinciale wegen, namelijk de zone van 40 meter vanaf de kant van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijde van de provinciale weg. De reden hiervoor is dat bouwwerken het zicht en de veiligheid sterker beïnvloeden dan andere werken.

[Red: Sectie 2.20 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.20 3.16   Omgevingsvergunning gedenktekens

Wanneer een verkeersdeelnemer is verongelukt, ontstaat bij betrokkenen soms de wens om de plek waar hun dierbare een ongeval heeft gehad te gedenken met b.v. bloemen. Een volgende stap kan zijn dat de betrokkenen de wens hebben voor het plaatsen van een gedenkteken op de locatie van het ongeval. Dit kan helpen bij de rouwverwerking. 

Aan het plaatsen van gedenktekens worden wel randvoorwaarden verbonden. Een gedenkteken mag alleen daar geplaatst en bezocht worden waar het de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt. Dit gevaar kan veroorzaakt worden doordat het gedenkteken voorbijgangers afleidt van hun rijtaak, doordat er obstakels in de berm staan of doordat er voertuigen stoppen bij het gedenkteken voor bezoek of onderhoud.

[Red: Sectie 2.21 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.21 3.17   Omgevingsvergunning standplaatsen en verkooppunten

Voor het innemen van een standplaats of verkooppunt is een vergunning vereist, zodat door het plaatsen van een standplaats of verkooppunt geen onveilige verkeerssituatie wordt veroorzaakt.

[Red: Sectie 2.22 verplaatst van sectie 2.2.1 naar sectie 3. ]

Artikel 2.22 3.18   Vangnetartikel (veranderen van het werk of werken maken of behouden en vaste stoffen of voorwerpen plaatsen)

In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen voor andere werken en vaste stoffen of voorwerpen, die nog niet in deze paragraaf zijn geregeld. Dit is bedoeld als vangnet voor onvoorziene activiteiten.

Hoofdstuk 4 Activiteiten op Provinciale Vaarwegen

Afdeling 4.1 Activiteiten op provinciale vaarwegen

[Red: Sectie 2.25 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.25 4.2 Oogmerk provinciale vaarwegen

Deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat er geen schade ontstaat aan de provinciale vaarweg en dat deze veilig en doelmatig kan worden gebruikt. Daarbij hoort ook het belang van onderhoud van de provinciale vaarweg.

In het tweede lid is een ruimere reikwijdte van de bepalingen opgenomen. In het eerste lid staan alleen de vaarwegbelangen. Op grond van het tweede lid kan ook rekening worden gehouden met belangen als landschap, natuur en cultuurhistorie. Een voorbeeld: Kabels en leidingen kunnen niet zomaar overal in de oevers liggen. Er moet rekening worden gehouden met archeologische waarden en met bomen die van cultuurhistorische waarde zijn.

[Red: Sectie 2.26 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.26 4.3 Specifieke zorgplicht provinciale vaarwegen

De specifieke zorgplicht geldt voor activiteiten waarvoor een vergunning nodig is en voor activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht is een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van de provinciale vaarweg, om te zorgen dat de belangen waar het oogmerk van artikel 2.254.2 op ziet worden gewaarborgd. De zorgplicht is bedoeld als vangnet voor de handhaving. Het is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels, vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften in of op grond van deze paragraaf zijn een verdere uitwerking van deze zorgplicht. Bij een overtreding van een zorgplichtbepaling kan er direct worden gehandhaafd als sprake is van een overduidelijke overtreding. In de andere gevallen dient er eerst een maatwerkvoorschrift gesteld te worden voordat tot handhaving kan worden overgegaan. De grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften is in artikel 2.274.4 opgenomen.

[Red: Sectie 2.27 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.27 4.4 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften

Dit artikel bevat de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht, of over het artikel over samenstellen van schepen. Kan over een bepaald onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een activiteit worden verbonden? Dan kan er geen maatwerkvoorschrift worden gesteld. Voorschriften die bedoeld zijn als invulling van de specifieke zorgplicht bij activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, staan dus altijd in de vergunning en niet in een zelfstandig maatwerkvoorschrift.

[Red: Sectie 2.29 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.29 4.6 Omgevingsvergunning scheepvaartafmetingen en diepgang van schepen

Bij de maatvoering van schepen in dit artikel is rekening gehouden met de Richtlijnen Vaarwegen 2005 (onderdeel 3 Vaarwegvakken), de vigerende CEMT-klasse van de kanalen en de afspraken die de provincie heeft gemaakt in het BRTN-convenant.

[Red: Sectie 2.32 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.32 4.9 Omgevingsvergunning veranderen van het werk of werken maken of behouden

Voor het veranderen van een werk of een werk maken of behouden in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen en het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen is een vergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale vaarweg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument.

[Red: Sectie 2.33 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.33 4.10 Omgevingsvergunning vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas

Het plaatsen van vaste stoffen of voorwerpen of houtgewas is in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen vergunningplichtig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale vaarweg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument. Deze activiteiten kunnen een gevaar vormen voor het gebruik van de vaarweg.

[Red: Sectie 2.34 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.34 4.11 Omgevingsvergunning stremmen of belemmeren van de scheepvaart

Voor het stremmen of belemmeren van de scheepvaart is een omgevingsvergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale vaarweg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument. Deze activiteiten kunnen een gevaar vormen voor het gebruik van de vaarweg.

[Red: Sectie 2.35 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.35 4.12 Omgevingsvergunning ligplaats innemen en meren

Dit artikel is opgesteld om te voorkomen dat loswallen, remmingwerken of kademuren e.d. zonder vergunning gebruikt worden als tijdelijke of permanente ligplaatsen.

[Red: Sectie 2.36 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.36 4.13 Verbod ankeren

Het verbod om te ankeren en ankers uit te gooien, kabels en kettingen te laten slepen op de vaarweg (over de gehele breedte van gedeelten van het Kanaal door Walcheren en het Kanaal door de Oude Arne) is ingesteld ter bescherming van kabels, leidingen en buizen op/onder de bodem.

[Red: Sectie 2.37 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.37 4.14 Omgevingsvergunning ankeren

Dit artikel is opgesteld om te voorkomen dat loswallen, remmingwerken of kademuren e.d. zonder vergunning gebruikt worden als tijdelijke of permanente ligplaatsen. En om te voorkomen dat kabels, leidingen, of buizen op/onder de bodem van de vaarweg worden beschadigd.

[Red: Sectie 2.39 verplaatst van sectie 2.2.2 naar sectie 4.1. ]

Artikel 2.39 4.16 Omgevingsvergunning gebruik van kunstwerken belemmeren of beletten

Een omgevingsvergunning is verplicht voor het belemmeren of beletten van een kunstwerk. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van kunstwerken en de provinciale vaarweg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument. Deze activiteiten kunnen een gevaar vormen voor het gebruik van kunstwerken en de vaarweg.

Hoofdstuk 5 Activiteiten in Grondwaterbeschermingsgebieden

Afdeling 5.1 Algemeen

[Red: Sectie 2.42 verplaatst van sectie 2.3.1.1 naar sectie 5.1. ]

Artikel 2.42 5.2 Oogmerken

Deze omgevingsverordening heeft de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in grondwaterbeschermingsgebieden als oogmerk. Dit doel vormt een onderdeel van het meer alomvattende begrip van de bescherming van het milieu. De kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan door verontreiniging in het geding zijn. De kans op verontreiniging van het grondwater is aanzienlijk groter, als de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast. Een dergelijke aantasting kan plaatsvinden door een ingreep in of aan de bodem, zoals een boring. Deze omgevingsverordening richt zich op beide typen van bedreigingen oftewel op een directe regulering van bronnen van verontreinigingen en op het tegengaan van de aantasting van slecht-waterdoorlatende bodemlagen. Ook de combinatie van deze bedreigingen is soms gereguleerd. Onder verontreiniging wordt verstaan een biologische of chemische verontreiniging dan wel een schadelijke thermische invloed. Door een thermische invloed is de kans op met name een biologische verontreiniging groter.

[Red: Sectie 2.43 verplaatst van sectie 2.3.1.1 naar sectie 5.1. ]

Artikel 2.43 5.3 Specifieke zorgplicht

Deze omgevingsverordening bevat een zorgplicht. Op grond daarvan rust op een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een grondwaterbeschermingsgebied de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, de verplichting dergelijk handelen achterwege te laten dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Deze provinciale zorgplicht vervult de functie van vangnet voor de gevallen dat niet voorzien is in een meer specifieke regeling voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Afdeling 5.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen

[Red: Sectie 2.51 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.51 5.11 Vergunning aanleggen, veranderen, of verwijderen van een ondergronds bouwwerk

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

[Red: Sectie 2.52 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.52 5.12 Vergunning maken van een boorgat

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

[Red: Sectie 2.53 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.53 5.13 Vergunning uitvoeren van een sondering

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

[Red: Sectie 2.54 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.54 5.14 Vergunning activiteiten slecht-doorlatend eigenschappen van bodemlagen

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

[Red: Sectie 2.55 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.55 5.15 Aanvraagvereisten

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

[Red: Sectie 2.56 verplaatst van sectie 2.3.1.2 naar sectie 5.2. ]

Artikel 2.56 5.16 Beoordelingsregels

In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.

Afdeling 5.3 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen

[Red: Sectie 2.59 verplaatst van sectie 2.3.1.3 naar sectie 5.3. ]

Artikel 2.59 5.19 Vergunning opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste of vloeibare schadelijke stoffen

Onder het woord ‘stoffen’ in de zin van de regeling voor schadelijke stoffen wordt verstaan een veelheid aan materiele verschijningsvormen, zoals stoffen in chemische zin (chemische elementen en hun verbindingen), mengsels van deze stoffen (ook wel preparaten genoemd), producten (verhandelbare artefacten), voorwerpen (instrumenten voor gebruik) en andere materialen. Schadelijk in de zin van deze omgevingsverordening zijn stoffen welke direct of na chemische omzetting nadelig zijn of kunnen zijn voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Over wat het verbod in artikel 2.59 5.19van de verordening (schadelijke stoffen) betekent voor de (on)toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in de grondwaterbeschermingsgebieden in Zeeland wordt het volgende opgemerkt. Het Rijk heeft in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden generieke regels opgenomen over de toelating en beoordeling door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb). Uit deze wet volgt welke gewasbeschermingsmiddelen die prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten als bedoeld in artikel 16, derde lid, van EU richtlijn 2000/60/EG in grondwaterbeschermingsgebieden zijn verboden (artikel 27a Besluit gewasbeschermingsmiddelen). Verder bepaalt deze wet welke middelen door het Ctgb niet mogen worden toegelaten als deze bij gebruik in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal volgens rijksregels toelaatbare concentraties werkzame stoffen overschrijden (art. 8e Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en gelden gebruiksvoorschriften en regels voor etikettering.

Op basis van de Omgevingswet wijzen Provincies de grondwaterbeschermingsgebieden die van belang zijn voor de drinkwatervoorziening aan in de omgevingsverordening. Deze gebieden omvatten de waterwingebieden (waarbinnen de winningsputten van het drinkwaterbedrijf liggen) en een daaromheen gelegen zone. In Zeeland is locatie Haamstede de voornaamste operationele locatie voor de drinkwatervoorziening. Locatie Sint Jansteen heeft een calamiteitenstatus, is vooral operationeel voor industriewater en kan ingezet worden voor de drinkwatervoorziening in Zeeuws-Vlaanderen. Locatie Oranjezon is een reservegebied waar de winning door het drinkwaterbedrijf in ca. 1995 is beëindigd. Feitelijk zijn er binnen de waterwingebieden en omliggende zone van de locaties Haamstede en Oranjezon, evenals binnen het waterwingebied Sint Jansteen, geen landbouwpercelen op enkele (grasland)percelen na. De zone langs het waterwingebied Sint Jansteen is in gebruik als agrarisch gebied. Daarbij is niet significant sprake van teelten als sier-, lelie-, of bomenteelt.

Op basis van de Drinkwaterwet moet het drinkwaterbedrijf voldoen aan kwaliteitseisen voor (de productie van) drinkwater en onttrokken grondwater zuiveren. In de omgevingsverordening nemen Provincies regels op om de grondwaterbeschermingsgebieden (waterwingebieden resp. omliggende zone) te beschermen tegen schadelijke activiteiten. Artikel 2.59 5.19van de omgevingsverordening schrijft geen verdergaande verboden voor dan welke volgen uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De Provincie heeft de bevoegdheid en afwegingsruimte om, in afstemming met het drinkwaterbedrijf, aanvullende verboden of gebruiksbeperkingen voor te schrijven (als de wettelijke verboden ontoereikend worden geacht). Artikel 2.59 kan voor wijziging in aanmerking komen wanneer daarvoor op basis van gebiedspecifieke omstandigheden, monitoringsgegevens en signalen van het drinkwaterbedrijf zwaarwegende redenen bestaan. Beleidsmatig is het niet gewenst dat probleemstoffen door uitspoeling via de bodem in het opgepompte grondwater bij onttrekkingsputten (in waterwingebieden) terecht komen. Overigens was er in de omgevingsverordening die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als onderdeel van het artikel over schadelijke stoffen in grondwaterbeschermingsgebieden geregeld dat in de waterwingebieden (alle) gewasbeschermingsmiddelen zijn verboden. Met huidig artikel 2.59 is geen wijziging van het beleid beoogd.

Verder worden in het kader van het drinkwaterbeleid per winningsgebied ontwikkelingen en risico's gevolgd aan de hand van Gebiedsdossiers waarvoor de Provincie regiehouder is. Dit kan waar nodig ook een kader bieden om gebiedsgericht met partijen aanvullende afspraken te maken over concrete maatregelen. Kennis delen, samen zoeken naar oplossingen en van elkaar leren vormen hierbij belangrijke pijlers. Voor eventuele aanscherping van landelijke verboden en de toelatingscriteria in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is de wetgever het bevoegd gezag.

Afdeling 5.4 Grond en baggerspecie

[Red: Sectie 2.61 verplaatst van sectie 2.3.1.4 naar sectie 5.4. ]

Artikel 2.61 5.21 Vergunning grond of baggerspecie

Grond is afkomstig van landbodem, baggerspecie van de oever of de bodem van oppervlaktewater. Een bodem of oever kan zijn verontreinigd. Het gebruik van verontreinigde grond of baggerspecie is problematisch voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Daarom zijn regels gegeven voor het gebruik van grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden. Voor de toepassing van grond en baggerspecie zijn van rijkswege ook regels gegeven. De grond en baggerspecie moet bijvoorbeeld aan bepaalde kwaliteitseisen wat betreft chemische samenstelling voldoen. Grond en baggerspecie aan te merken als gevaarlijk afval mag overigens in het geheel niet worden toegepast. Onder een toepassing moet onder meer worden verstaan het aanbrengen of verspreiden van grond of baggerspecie op of in de bodem. Uit artikel 2.615.21 volgt dat het toepassen van grond of baggerspecie dat ten minste voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen zonder meer is toegestaan. In het geval dat geen sprake is van een deklaag zoals in het duingebied, moet de grond of baggerspecie ten minste voldoen aan de achtergrondwaarden. Als het voornemen er is om grond of baggerspecie toe te passen van een lagere kwaliteit dan voornoemd, dan zal een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden.

Afdeling 5.7 Afvalstoffen

[Red: Sectie 2.68 verplaatst van sectie 2.3.1.7 naar sectie 5.7. ]

Artikel 2.68 5.28 Verbod afvalstoffen

Onder afvalstoffen worden alle stoffen, preparaten (mengsels) en voorwerpen verstaan waarvan een houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Afdeling 5.9 Infrastructuur

[Red: Sectie 2.74 verplaatst van sectie 2.3.1.9 naar sectie 5.9. ]

Artikel 2.74 5.34 Vergunning infrastructuur

Het gebruik van infrastructuur vormt een intrinsieke belasting voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Dit geldt bijvoorbeeld voor weginfrastructuur. Door het gebruik van een weg kunnen relatief grote hoeveelheden schadelijke stoffen, zoals olierestanten, op of in de bodem terecht komen. De aanleg en het gebruik van een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 voertuigbewegingen per etmaal in een grondwaterbeschermingszone is meldplichtig. Dit neemt overigens niet weg dat deze activiteit samen kan gaan met andere milieubelastende activiteiten waarvoor alsnog sprake kan zijn van beperkingen. Als bijvoorbeeld egaliseringswerkzaamheden, graafwerkzaamheden of bodemstabiliseringswerkzaamheden gedaan moeten worden, waarbij een slecht-waterdoorlatende bodemlaag wordt aangetast, dan zal voor die activiteiten alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden, ondanks dat het aanleggen en gebruiken van een weg met een verkeersintensiteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal niet is aangewezen. Een eventuele omgevingsvergunning zal in dat geval geen voorschriften bevatten die eisen stellen aan de aan te leggen weg. De mate waarin infrastructuur een bedreiging vormt voor het grondwater met het oog op de waterwinning hangt niet alleen af van de gebruiksintensiteit.

Ook andere criteria kunnen een rol spelen. Hierbij valt te denken aan de bij de aanleg gebruikte materialen en stoffen, het type verkeer dat gebruik maakt van de infrastructuur, de getroffen (bodembeschermende) voorzieningen en gebiedsspecifieke omstandigheden.

Afdeling 5.10 Buisleidingen

[Red: Sectie 2.76 verplaatst van sectie 2.3.1.10 naar sectie 5.10. ]

Artikel 2.76 5.36 Vergunning buisleiding

Buisleidingen met schadelijke stoffen leveren een aanzienlijk risico van bodemverontreiniging op. Daarom is het niet toegestaan een buisleiding bestemd voor het doorvoeren van schadelijke stoffen in een grondwaterbeschermingsgebied aan te leggen of te gebruiken. De buisleiding kan ondergronds en bovengronds zijn gelegen.

Afdeling 5.11 Recreatieterreinen, anders dan een camping

[Red: Sectie 2.77 verplaatst van sectie 2.3.1.11 naar sectie 5.11. ]

Artikel 2.77 5.37 Vergunning recreatieterrein, anders dan een camping

Niet alle recreatieterreinen houden een wezenlijk risico in. Indien goede voorzieningen worden getroffen kunnen zij zelfs bijdragen aan een effectieve grondwaterbescherming. Te denken valt aan bijvoorbeeld golfterreinen, waarbij het terrein ontoegankelijk wordt gemaakt voor anderen dan golfers.

Afdeling 5.12 Begraafplaatsen

[Red: Sectie 2.78 verplaatst van sectie 2.3.1.12 naar sectie 5.12. ]

Artikel 2.78 5.38 Verbod begraafplaatsen

Begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as vormen in biologische en chemische zin een gevaar voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. De kans op biologische verontreiniging van het grondwater kan aan de orde zijn. Daarnaast kan de bodem worden verontreinigd, met restanten van geneesmiddelen of zware metalen, zoals kwik, afkomstig uit het lichaam. Vanwege deze gevaren geldt al decennialang een verbod tot aanleg van een begraafplaats en een terrein voor de uitstrooiing van as.

Door het graven kunnen ook de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodem worden aangetast. Omdat dezelfde risico’s gelden voor dierenbegraafplaatsen zijn deze voor het eerst onderwerp van regeling in deze omgevingsverordening.

Afdeling 5.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem

[Red: Sectie 2.81 verplaatst van sectie 2.3.1.14 naar sectie 5.14. ]

Artikel 2.81 5.41 Verbod aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem

Voor een mijnbouwwerk in een grondwaterbeschermingsgebied kan geen omgevingsvergunning worden verleend. De kans op schadelijke effecten van de kwaliteit van het grondwater is daarvoor te groot. Onder een mijnbouwwerk vallen diverse activiteiten, zoals de winning van fossiele energie of aardwarmte, maar ook de opslag van koolstofdioxide. Al deze mijnbouwactiviteiten voor zover daarvoor ingrepen in of aan de bodem vereist zijn, kunnen de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen aantasten. Bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten wordt soms gebruik gemaakt van schadelijke stoffen. Voor zover aan de orde, valt dit gebruik onder de regels voor verontreinigingen. Een bodemenergiesysteem is een installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van bijvoorbeeld ruimten. Voorbeelden van bodemenergiesystemen zijn open bodemenergiesystemen, gesloten bodemenergiesystemen (zowel verticaal als horizontaal), korven, spiralen en leidingen in de bodem ten behoeve van thermische uitwisseling. De aanwijzing geldt voor alle vier de gebiedstypen. Het is niet mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen voor deze activiteit.

Afdeling 5.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

[Red: Sectie 2.82 verplaatst van sectie 2.3.1.15 naar sectie 5.15. ]

Artikel 2.82 5.42 Verbod opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

Installaties met schadelijke stoffen leveren een aanzienlijk risico van bodemverontreiniging op. Daarom is het niet toegestaan een vaste installatie of een leiding met vaste en vloeibare schadelijke stoffen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aan te leggen, te gebruiken of te veranderen. Onder een installatie valt onder meer een tank, bijvoorbeeld voor de opslag van huisbrandolie. De installatie kan ondergronds en bovengronds zijn gelegen. Met deze omgevingsverordening zal voor het eerst het realiseren van nieuwe ondergrondse tanks niet meer toegestaan zijn. Alleen voor bepaalde bovengrondse opslagtanks zal het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk zijn.

Voor het verbieden van ondergrondse opslagtanks zijn een aantal redenen. Ten eerste worden verontreinigingen van een ondergrondse installatie minder snel gedetecteerd. Ten tweede zijn verontreinigingen van een dergelijke installatie minder gemakkelijk op te ruimen. Ten slotte is de kans op verontreiniging van het grondwater bij een ondergrondse installatie aanzienlijk groter.

Afdeling 5.16 Productie van papier, karton of hout

[Red: Sectie 2.85 verplaatst van sectie 2.3.1.16 naar sectie 5.16. ]

Artikel 2.85 5.45 Verbod productie van papier, karton of hout

De productie van chemische producten in grondwaterbeschermingsgebieden is een milieubelastende activiteit waarvoor geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Uitzonderingen zijn kleinschalige activiteiten bij een huishouden, het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis, voor educatieve doeleinden of bij een laboratorium. Voor deze uitzonderingen geldt een meldplicht.

Afdeling 5.17 Drukkerijen

[Red: Sectie 2.87 verplaatst van sectie 2.3.1.17 naar sectie 5.17. ]

Artikel 2.87 5.47 Verbod drukkerijen

Het bedrijfsmatig bedrukken van materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk in grondwaterbeschermingsgebied is een milieubelastende activiteit waarvoor geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Uitzonderingen zijn kleinschalige activiteiten bij een huishouden, het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis, voor educatieve doeleinden of bij een laboratorium. Voor deze uitzonderingen geldt een meldplicht.

Afdeling 5.19 Seveso-inrichtingen en andere installaties

[Red: Sectie 2.92 verplaatst van sectie 2.3.1.19 naar sectie 5.19. ]

Artikel 2.92 5.52 Verbod installaties

Daarnaast zijn veel IPPC-installaties waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in grondwaterbeschermingszones verboden. Te denken valt aan installaties voor het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten met explosieven, ((zeer) (licht)) ontvlambare stoffen, afvalstoffen, chemische producten en gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke installaties leveren een groot risico van bodemverontreiniging op en zijn dan ook al sinds jaar en dag in de betreffende grondwaterbeschermingszones niet toegestaan.

[Red: Sectie 2.93 verplaatst van sectie 2.3.1.19 naar sectie 5.19. ]

Artikel 2.93 5.53 Vergunning Seveso-inrichtingen en andere installaties

Seveso is de Europese naam voor de Nederlandse BRZO-bedrijven. Een bedrijf is of wordt een BRZO/Seveso-bedrijf op grond van de aanwezigheid van relatief grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Enkele installaties worden in grondwaterbeschermingszones op dit moment niet uitgesloten waardoor hiervoor in beginsel een omgevingsvergunning kan worden verleend. De mate waarin een en het hebben van een dergelijke installatie toelaatbaar is wordt in die gevallen sterk bepaald door de beoordelingsregels en zal door een aanvrager van een omgevingsvergunning goed gemotiveerd dienen te worden.

Afdeling 5.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

[Red: Sectie 2.94 verplaatst van sectie 2.3.1.20 naar sectie 5.20. ]

Artikel 2.94 5.54 Verbod locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten

Binnen waterwingebieden zijn alle locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten verboden. Dit is de opvolger van het verbod om inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer op te richten in deze gebieden. Het verbod omvat in ieder geval ook alle bedrijven die in de voorgaande paragrafen zijn geregeld binnen de grondwaterbeschermingszones.

Hoofdstuk 6 Activiteiten in Stiltegebieden

[Red: Sectie 2.99 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.99 6.5 Verbod waterscooters en andere aangewezen toestellen

In dit artikel is het verbod opgenomen om met een waterscooter te varen in een stiltegebied en wordt de mogelijkheid gegeven om andere toestellen aan te wijzen waarvoor het verbod ook geldt.

[Red: Sectie 2.107 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.107 6.13 Vergunning gebruik modelvliegtuig, modelboot en modelauto in stiltegebieden

De kennis van de lokale en actuele situatie rond stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van desbetreffende Natura 2000 gebied moet aantoonbaar blijken uit bijvoorbeeld een vlieglogboek.

[Red: Sectie 2.110 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.110 6.16 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije activiteiten

In dit artikel zijn de vergunningsvrije activiteiten opgenomen. 

De artikelen 2.100 tot en met 2.109 gelden niet voor:

  • land-, tuin, bosbouw en beroepsmatige visserij;

  • het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en

  • beroepsscheepvaart.

Het gaat hierbij om beroepsmatige activiteiten die verbonden zijn met het karakter van de aangewezen stiltegebieden.

[Red: Sectie 2.111 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.111 6.17 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning stiltegebieden

In dit artikel staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.

[Red: Sectie 2.112 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.112 6.18 Beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden

In dit artikel staan de beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als het om een tijdelijke activiteit gaat. Tevens moet er sprake zijn van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarbij geen alternatieven voorhanden zijn. Bij de activiteit wordt ook rekening gehouden met het karakter van het gebied. Dit betekent dat alleen bij uitzondering en in bijzondere gevallen een omgevingsvergunning wordt verleend.

[Red: Sectie 2.113 verplaatst van sectie 2.3.2 naar sectie 6. ]

Artikel 2.113 6.19 Intrekken vergunning

In dit artikel is de mogelijkheid van het intrekken van een Omgevingsvergunning in een stiltegebied opgenomen.

Hoofdstuk 7 Activiteiten in duisternisgebieden

[Red: Sectie 2.143 verplaatst van sectie 2.8 naar sectie 7. ]

Artikel 2.143 7.3 Specifieke zorgplicht

In duisternisgebieden en het invloedgebied duisternisgebieden mag extra alertheid en zorgvuldigheid worden verwacht van personen en instanties die hier activiteiten ontplooien die de kwaliteit van de heersende duisternis negatief kunnen beïnvloeden. Daarom is er een (bijzondere) zorgplicht ter bescherming van deze kwaliteit opgenomen. Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een duisternisgebied, als die activiteit nadelige gevolgen voor de heersende duisternis met zich meebrengt, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd, als er maatregelen worden genomen om negatieve gevolgen te voorkomen en om, als er toch negatieve gevolgen zich voordoen, die te beperken of ongedaan te maken. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt mag de activiteit niet worden uitgevoerd, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 8 Ontgrondingen op land en in regionale wateren

[Red: Sectie 2.116 verplaatst van sectie 2.4 naar sectie 8. ]

Artikel 2.116 8.3 Vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten

Dit artikel berust op 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit volgt dat bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, kan worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld.

[Red: Sectie 2.117 verplaatst van sectie 2.4 naar sectie 8. ]

Artikel 2.117 8.4 Afwijking van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten

Dit artikel berust op 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit volgt dat bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, kan worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld.

Hoofdstuk 9 Grondwatersanering

[Red: Sectie 2.119 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.119 9.1 Toepassingsbereik

Afdeling 2.5 Hoofdstuk 9     is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater. Het gaat hier om het grondwater in de verzadigde zone van de bodem. In deze zone zijn alle poriën van de bodem gevuld met water. In de onverzadigde zone die daarboven ligt zijn de poriën van de bodem gevuld met zowel lucht als water. Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerd. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleiding  begeleidig verplicht is. Na afloop van een grondwatersanering moet duidelijk zijn welke gebruiksbeperkingen in acht moeten worden genomen. Evenals onder de Wet bodembescherming (Wbb) moet ernaar worden gestreefd dat zo min mogelijk nazorg noodzakelijk is. Het bovenstaande is ook van belang als met de activiteiten die met het grondwater worden uitgevoerd, niet een grondwatersanering wordt beoogd, maar louter de totstandkoming van een werk. Daarom is in het tweede lid geregeld dat deze afdeling ook van toepassing is op het verrichten van activiteiten ten gevolge waarvan een geval van verontreinigd grondwater wordt verminderd of verplaatst.

Uit het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet vloeit voort dat deze paragraaf niet van toepassing is op grondwatersaneringen die zijn gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die saneringen blijft het oude recht van toepassing.

[Red: Sectie 2.120 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.120 9.2 Oogmerk

In de Omgevingswet zijn er geen rijksregels voor grondwatersaneringen meer opgenomen. De algemene regels en de daar vermelde standaard saneringsmethodes uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet van toepassing op grondwatersaneringen. Het wordt niet nodig geacht de bevoegdheidsverdeling expliciet in de wet vast te leggen. Het Rijk laat het aan de provincies over om regels voor grondwatersanering in de omgevingsverordeningen op te nemen. Gelet op de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn is de provincie, als ‘hoeder van het grondwater’, een belangrijke regisserende en coördinerende rol toebedeeld (artikel 2.18, eerste lid, onder a, Omgevingswet). Door grondwatersaneringen te regelen in de omgevingsverordening blijft de verantwoordelijkheid voor de aanpak van historische grondwaterverontreiniging bij de provincie.

[Red: Sectie 2.121 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.121 9.3 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is de specifieke zorgplicht voor grondwatersaneringen opgenomen. Deze is ontleend aan de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

[Red: Sectie 2.122 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.122 9.4 Melding grondwatersanering

Het is verplicht een grondwatersanering ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De melding kan worden gedaan via het Digitaal Stelsel Omgevingswet, maar ook per post. In het tweede lid is aangegeven welke gegevens en bescheiden bij de melding moeten worden gevoegd. In het derde lid is bepaald dat een wijziging van de voorgenomen aanpak ook ten minste vier weken van tevoren moet worden gemeld. 

Het saneren van de bodem is aangewezen als milieubelastende activiteit, maar een grondwatersanering niet (zie artikel 3.48h, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving). Het saneren van de bodem moet vooraf worden gemeld op grond van artikel 4.1236 Besluit activiteiten leefomgeving. Bij mobiele verontreinigingen zal een grondwatersanering onderdeel zijn van een bodemsanering. Aangezien de gemeente bevoegd gezag is voor het saneren van de bodem, moeten er in dat geval twee meldingen worden gedaan, één op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving en één op grond van deze verordening.

Wanneer uit de melding van de grondwatersanering blijkt dat sprake is van een artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb)-geval, moet worden onderzocht of een aanpak volgens dit artikel mogelijk is, gelet op het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Als een aanpak volgens artikel 13 Wbb mogelijk is, zal de veroorzaker de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten maken. De artikelen 13, 27 en 95 Wbb blijven immers van toepassing op de voor inwerkingtreding van de Omgevingswet veroorzaakte verontreiniging als bedoeld in artikel 13 Wbb, ook indien die na die datum wordt ontdekt (artikel 3.2a Aanvullingswet bodem Omgevingswet). Indien artikel 13 Wbb kan worden geëffectueerd, zal contact worden opgenomen met de melder om deze mogelijkheid en de eventuele gevolgen hiervan voor de activiteit te bespreken. Als de voorgenomen grondwatersanering betrekking heeft op grondwaterverontreiniging die behoort tot een geval van ernstige verontreiniging waarvoor op grond van artikel 29 Wbb een beschikking is genomen die bepaalt dat spoedige sanering niet noodzakelijk is, kan in de beschikking zijn aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied in acht moeten worden genomen (artikel 37 lid 4 Wbb). Deze beperkingen blijven op grond van het overgangsrecht van artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van kracht onder de Omgevingswet. De initiatiefnemer moet hiermee dan ook rekening houden.

[Red: Sectie 2.123 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.123 9.5 Verstrekken gegevens en bescheiden locatie en startdatum grondwatersanering

Voor de informatieplicht in dit artikel is aangesloten bij hetgeen in het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald over de milieubelastende activiteit ‘het saneren van de bodem’. Zie artikel 4.1237 Besluit activiteiten leefomgeving.

[Red: Sectie 2.124 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.124 9.6 Verstrekken gegevens en bescheiden uitvoerder en milieukundige begeleider

Het eerste lid bevat een informatieplicht. Het verstrekken van de gegevens bevordert het houden van gericht toezicht. Aan de hand van deze gegevens kunnen gedeputeerde staten controleren of de uitvoering van de sanering en de milieukundige begeleiding worden gedaan door een persoon of onderneming met een erkenning. 

Het tweede lid is toegevoegd om te verzekeren dat een wijziging van de gegevens ook wordt gemeld. Een wijziging zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een andere milieukundig begeleider wordt ingezet dan eerder opgegeven.

[Red: Sectie 2.125 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.125 9.7 Uitvoering van de activiteit grondwatersanering

Het eerste lid bepaalt dat de activiteit zo moet worden uitgevoerd dat het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt blijven. Het tweede lid regelt dat de activiteit wordt uitgevoerd en begeleid door erkende ondernemingen. Uit het derde lid volgt dat de grondwatersanering conform de melding moet worden uitgevoerd. Het indienen van een melding creëert op zichzelf niet de verplichting om daadwerkelijk over te gaan tot de voorgenomen grondwatersanering. Ook onder de Wet bodembescherming hadden het indienen van een melding en een saneringsplan niet dit effect (ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3930, M en R 2016/51). Als echter eenmaal met de grondwatersanering is begonnen, moet deze ook worden voltooid. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, is degene die saneert gehouden tot uitvoering van de in de melding beschreven andere methode om de beoogde effecten te bereiken. Dit is geregeld in het vierde lid. Eventueel kan de saneerder om maatwerkvoorschriften verzoeken.

[Red: Sectie 2.126 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.126 9.8 Evaluatie grondwatersanering

Voordat de grondwatersanering afloopt, moeten gedeputeerde staten worden geïnformeerd over de verwachte einddatum. Na afronding van de grondwatersanering wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens de beoordelingsrichtlijn BRL 6000. Het verslag moet worden opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bedrijf dat de milieukundige verificatie uitvoert, in samenwerking met het bedrijf dat de milieukundige processturing heeft uitgevoerd. In het evaluatieverslag wordt onder meer beschreven of de grondwatersanering conform de melding is uitgevoerd, welk eindresultaat is behaald, of het afvalwater op een juiste manier is afgevoerd en welke gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn. Deze informatie wordt geregistreerd in het bodeminformatiesysteem, zodat deze opvraagbaar is als in de toekomst op de dezelfde locatie nieuwe activiteiten plaatsvinden waarbij de kwaliteit van het grondwater van belang is. De gemeente zal de informatie kunnen gebruiken om in het omgevingsplan op te nemen waar gebruiksbeperkingen gelden en waar nazorgmaatregelen in stand moeten worden gehouden. Het evaluatieverslag behoeft - anders dan onder de Wbb - niet te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Indien nodig kan het college van gedeputeerde staten met toepassing van artikel 2.5.9 maatwerkvoorschriften stellen naar aanleiding van een evaluatieverslag. Deze kunnen bijvoorbeeld inhouden dat bepaalde gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen die niet in het verslag zijn beschreven, noodzakelijk zijn of, omgekeerd, dat bepaalde beperkingen of maatregelen die wel zijn beschreven juist niet noodzakelijk zijn.

Gedeputeerde staten kunnen ook maatwerkvoorschriften stellen als zij van mening zijn dat het resultaat van de sanering onvoldoende is.

[Red: Sectie 2.127 verplaatst van sectie 2.5 naar sectie 9. ]

Artikel 2.127 9.9 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering

In dit artikel is geregeld dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Hierdoor kan bijvoorbeeld een andere saneringsmethode worden voorgeschreven dan in de melding is beschreven. Een ander voorbeeld is dat naar aanleiding van een evaluatieverslag nazorg wordt voorgeschreven. Zie over dit laatste de toelichting op artikel 2.126.

Hoofdstuk 10 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen

[Red: Sectie 2.129 verplaatst van sectie 2.6 naar sectie 10. ]

Artikel 2.129 10.2 Oogmerk

De regels over gesloten stortplaatsen zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. Daarbij moet met name gedacht worden aan de bescherming van de kwaliteit van de bodem en het grondwater.

[Red: Sectie 2.131 verplaatst van sectie 2.6 naar sectie 10. ]

Artikel 2.131 10.4 Vergunningplicht activiteiten gesloten stortplaatsen

In dit artikel is een aanvullende vergunningplicht opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, waarvoor in het oude recht een vergunning nodig was op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit zijn activiteiten die risico’s opleveren voor het milieu, zoals het verrichten van bouwactiviteiten of het uitvoeren van werken. Bij deze activiteiten kan de deklaag op de stortplaats worden aangetast of kan het beheer van de stortplaatsen worden gehinderd. Het artikel is een beleidsneutrale omzetting van de oude omgevingsverordening.

[Red: Sectie 2.133 verplaatst van sectie 2.6 naar sectie 10. ]

Artikel 2.133 10.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen

De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten zoals bouwen, waarbij de grond verstoord kan worden, is het daarom verplicht een vergunning aan te vragen. In de beoordeling wordt meegenomen hoe groot het risico van de activiteit op de gesloten stortplaats is, en welke maatregelen in lijn met het nazorgplan moeten worden genomen. Ook moet worden gezorgd dat zowel de voorzieningen voor de bescherming van de bodem, als de bodem zelf regelmatig worden onderzocht.

[Red: Sectie 2.134 verplaatst van sectie 2.6 naar sectie 10. ]

Artikel 2.134 10.7 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaatsen

Op grond van artikel 5.10 Omgevingswet en artikel 4.6 lid 1 onder a Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Door alle omgevingsplanactiviteiten op een gesloten stortplaats aan te wijzen als omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang, kan de provincie bepalen of deze activiteiten op een gesloten stortplaats mogen plaatsvinden. Het gaat bijvoorbeeld om het uitvoeren van een werk (geen bouwwerk), of van werkzaamheden, het slopen van een bouwwerk of het gebruik van gronden die in strijd zijn met een omgevingsplan. Ook voor deze activiteiten geldt dat er schadelijke gevolgen voor het milieu kunnen zijn. De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben.

Hoofdstuk 12 Flora en Fauna

Afdeling 12.1 Algemene bepalingen

[Red: Sectie 2.146 verplaatst van sectie 2.10.1 naar sectie 12.1. ]

Artikel 2.146 12.3 Tijdelijk Technisch Artikel - mini checkers

In dit artikel zijn er 7 leden gemaakt om de mini checkers van Zeeland in te hangen.

Afdeling 12.2 Vergunningvrije gevallen en Ganzenrustgebieden

[Red: Sectie 2.152 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.152 12.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten

Populaties van damherten komen in Zeeland in drie gebieden voor: de Manteling van Walcheren, de Kop van Schouwen en op het eiland de Haringvreter in het Veerse Meer. Buiten deze gebieden kan de aanwezigheid van damherten conflicten opleveren met andere belangen, zoals de verkeersveiligheid. Verdere verspreiding of vestiging wordt niet nagestreefd. Bij (sterk) groeiende populaties damherten zoals in de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen mag een toename van het aantal wegtrekkende (individuele) dieren uit deze twee leefgebieden verwacht worden. Dit blijkt ook uit het aantal aanrijdingen dat in en in de nabijheid van de leefgebieden Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren en de gebieden daar aan grenzend heeft plaatsgevonden. De – toegenomen – aanwezigheid van zwervende damherten in de gebieden grenzend aan deze leefgebieden vormt een risico voor de verkeersveiligheid omdat automobilisten daar, anders dan in de leefgebieden, niet bedacht zijn op de aanwezigheid van damherten. Juist wegens de onvoorspelbaarheid is het risico voor de verkeersveiligheid groter.

De populaties van deze soort zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van (sterk) groeiende populaties. Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.

Verstoren is onvoldoende om schade te voorkomen dan wel te beperken en – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – zijn er geen effectieve middelen om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten. 

Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.

[Red: Sectie 2.153 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.153 12.6 Algemene regels schadebestrijding damhert

Populaties van damherten komen in Zeeland in drie gebieden voor: de Manteling van Walcheren, de Kop van Schouwen en op het eiland de Haringvreter in het Veerse Meer. Buiten deze gebieden kan de aanwezigheid van damherten conflicten opleveren met andere belangen, zoals de verkeersveiligheid. Verdere verspreiding of vestiging wordt niet nagestreefd. Bij (sterk) groeiende populaties damherten zoals in de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen mag een toename van het aantal wegtrekkende (individuele) dieren uit deze twee leefgebieden verwacht worden. Dit blijkt ook uit het aantal aanrijdingen dat in en in de nabijheid van de leefgebieden Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren en de gebieden daar aan grenzend heeft plaatsgevonden. De – toegenomen – aanwezigheid van zwervende damherten in de gebieden grenzend aan deze leefgebieden vormt een risico voor de verkeersveiligheid omdat automobilisten daar, anders dan in de leefgebieden, niet bedacht zijn op de aanwezigheid van damherten. Juist wegens de onvoorspelbaarheid is het risico voor de verkeersveiligheid groter.

De populaties van deze soort zijn zodanig groot, dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd en ook dat gevaar niet lopen, als gevolg van de vergunningvrije activiteiten. Er is sprake van (sterk) groeiende populaties. Omdat de vergunningvrije gevallen bedoeld in paragraaf 2.10.2afdeling 12.2 moeten worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan en over de uitvoering moet worden gerapporteerd op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze, wordt het risico voor het behoud van deze populaties beperkt.

Verstoren is onvoldoende om schade te voorkomen dan wel te beperken en – gezien hun kenmerken en de omvang van hun populaties – zijn er geen effectieve middelen om schade te voorkomen zonder de als vergunningplichtig aangewezen flora- en fauna-activiteiten te verrichten. 

Per soort is aangegeven in welk gebied, met welke middelen en methoden en onder welke voorschriften en beperkingen de vergunningvrije activiteiten mogen worden uitgevoerd.

[Red: Sectie 2.154 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.154 12.7 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: beheer, onderhoud, gebruik, inrichting of ontwikkeling van gebieden

De soorten die in (bijlage VIII behorende bij) dit artikel zijn genoemd, zijn andere soorten die ook onder het regime van de Wet natuurbescherming beschermd waren en waar een vrijstelling voor gold. Voor deze soorten handhaaft de provincie Zeeland de vrijstellingen. Deze soorten komen algemeen voor en de populaties van deze soorten verkeren in een gunstige staat van instandhouding en er is op voorhand geen sprake van een dalende trend. Tevens is het, juist bij soorten die zeer algemeen voorkomen, niet gewenst dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van beheer en onderhoud en bestendig gebruik een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Uiteraard blijft wel de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving) van toepassing. Dit betekent dat het opzettelijk vangen en doden van deze diersoorten zoveel mogelijk voorkomen moet worden.

De aanwijzing als vergunningvrij geval geldt alleen voor activiteiten die niet al vergunningvrij zijn op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien een gedragscode op werkzaamheden van toepassing wordt verklaard dan wordt daarmee tevens nadere invulling gegeven aan de zorgplicht en worden de werkzaamheden uitgevoerd op een wijze die het zorgvuldig omgaan met natuurbelangen borgt. Het werken via een dergelijke gedragscode heeft daarom de voorkeur boven het gebruikmaken van de onderhavige vrijstelling.

[Red: Sectie 2.155 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.155 12.8 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: bescherming weidevogels

De aanwijzing van het beschermen van weidevogels tegen landbouwwerkzaamheden en vee als vergunningvrij geval is een voortzetting van de huidige praktijk waarbij de genoemde soorten beschermd worden tegen landbouwwerkzaamheden en vee zonder vergunningenprocedures.

[Red: Sectie 2.156 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.156 12.9 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: veiligstellen tegen het verkeer

De aanwijzing van het veiligstellen van soorten voor het verkeer als vergunningvrij geval is een voortzetting van de huidige praktijk waarbij de genoemde soorten beschermd worden tegen het verkeer zonder vergunningenprocedures.

[Red: Sectie 2.157 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.157 12.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: onderwijs en onderzoek

De aanwijzing van onderzoek en onderwijs als vergunningvrij geval is een voortzetting van de huidige praktijk waarbij onderwijs en onderzoek zonder vergunningenprocedures kan worden voortgezet.

[Red: Sectie 2.158 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.158 12.11 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: vervoer van ziek of gewond dier

Het vangen, onder zich hebben en vervoeren van beschermde soorten is verboden op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Provincies zijn bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning van deze verboden of het aanwijzen van vergunningvrije gevallen. De minister is bevoegd voor het verlenen van omgevingsvergunning of het aanwijzen van vergunningvrije gevallen in plaats van provincies voor het vervoer van zieke of gewonde dieren met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. De minister is tevens bevoegd gezag voor alle vormen van vervoer van zieke of gewonde gewone en grijze zeehonden. In de gevallen waarin de minister bevoegd gezag is voorziet de Omgevingsregeling in het aanwijzen van vergunningvrije gevallen (artikelen 4.22, 4.26 en 4.29).

Aan de aanwijzing als vergunningvrij geval zijn een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet onder andere de vogel of het andere dier binnen twaalf uur worden overgedragen aan een dierenarts of opvangcentrum dat krachtens de Omgevingswet en de Wet dieren gerechtigd is om uit het wild afkomstige vogels en dieren op te vangen. Op grond van de Regeling houders van dieren is het opvangcentra enkel toegestaan om dieren van beschermde soorten op te vangen indien de opvangcentra voldoen aan het Protocol opvang verboden diersoorten en beschermde diersoorten. 

Als iemand nu een zieke of gewonde vogel of ander dier aantreft mag hij of zij deze, op basis van deze aanwijzing als vergunningvrij geval, zelf naar een opvangcentrum of dierenarts brengen en is het niet nodig om eerst een dierenambulance te bellen. Voor deze aanwijzing als vergunningvrij geval gelden dezelfde voorwaarden als voor de aanwijzing voor het vervoer met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

[Red: Sectie 2.159 verplaatst van sectie 2.10.2 naar sectie 12.2. ]

Artikel 2.159 12.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen; omgevingsverg. jachtgeweeractiviteit

Voor het gebruik van een jachtgeweer is een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit nodig. Als de provincie het luchtdrukgeweer gelijkstelt aan het jachtgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten dan is ook voor het gebruik van een luchtdrukgeweer een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit nodig. Het verkrijgen van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit is een lang, ingewikkeld en kostbaar proces. Men dient namelijk eerst de jachtopleiding gevolgd te hebben en ook over een jachtveld te beschikken. In de jachtopleiding leert men hoofdzakelijk over de jacht. Voor het uitvoeren van plaagdierbestrijding is dit niet relevant.

Wel wil de provincie dat er veilig gebruik wordt gemaakt van het luchtdrukgeweer. Daarom is als eis opgenomen dat de gebruiker een opleiding veilig gebruik van het luchtdrukgeweer bij het doden van zwarte en bruine ratten heeft gevolgd.

Het laten vervallen van het voorschrift om in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit kan niet direct in een maatwerkbesluit geregeld worden, maar moet via een aanwijzing in de omgevingsverordening worden vastgelegd. In artikel 11.75 lid 2 van het Bal wordt de mogelijkheid geboden om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit uit te voeren.

Afdeling 12.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden

[Red: Sectie 2.160   verplaatst van sectie 2.10.3 naar sectie 12.3. ]

Artikel 2.160   12.13 Geen schadebestrijding en jacht bij bijzondere weersomstandigheden

Als gevolg van bijzondere weersomstandigheden kunnen schadesoorten minder weerbaar zijn. Langdurige koude waarbij open water bedekt is met ijs, de onbereikbaarheid van voedsel als gevolg van sneeuwbedekking, concentratie van dieren op hogere gronden bij inundatie en (gedeeltelijke) verlamming als gevolg van besmetting met botulisme in perioden van langdurige warmte kunnen in dit verband genoemd worden. Om onevenredige reductie van niet of minder weerbare individuen in dit soort situaties te voorkomen kunnen gedeputeerde staten - overeenkomstig het voorheen geldende artikel 3.22, vierde lid, van de Wet natuurbescherming - besluiten de activiteiten als bedoeld in de paragraaf 2.10.2afdeling 12.2 en de jacht op wildsoorten te beperken of stop te zetten.

Hoofdstuk 13 Onderwater flora en fauna

[Red: Sectie 2.162   verplaatst van sectie 2.10.4 naar sectie 13. ]

Artikel 2.162   13.2 Oogmerk

Het Zeeuwse onderwatermilieu staat sinds halverwege de 20e eeuw in steeds grotere mate onder druk door verschillende verstorende en voor het onderwatermilieu beschadigende factoren. Het buitendijks onderwatermilieu wordt door de volgende mensgedreven factoren bedreigd: 1. verstoring van onderwaterleven door recreatie en visserij, 2. verontreiniging van het watersysteem door industrie en scheepvaart, 3. eroderen van buitendijkse estuaria en platen en daarmee leefgebied door systeemveranderingen (zoals zandhonger in de Oosterschelde, vaargeulverbreding in de Westerschelde). Mensgedreven bedreigende factoren in de binnendijkse watersystemen zijn: 1. verstoring door recreatie en pleziervaart, 2. verontreiniging door industrie en landbouw, 3. systeemveranderingen door isolatie van binnenwateren (afsluiten van kreekarmen van de zee), 4. verminderde kwaliteit en kwantiteit leefgebied door verlies van natuurlijke oeverzones (bebouwing en intensivering van de landbouw). Aanvullend op deze op menselijk handelen terug te voeren factoren zijn stijgingen in de temperatuur door klimaatveranderingen veranderende regenvalpatronen ook belastend voor het onderwatermilieu in de Zeeuwse Delta. Stijgende zuurstofarme situaties waar onderwatersystemen plaatselijk door kunnen afsterven. De functie van de Zeeuwse delta als leefgebied voor vele aquatische soorten zullen door deze veranderingen naar de toekomst toe steeds verder onder druk komen te staan.

De regels gelden niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.

[Red: Sectie 2.164   verplaatst van sectie 2.10.4 naar sectie 13. ]

Artikel 2.164   13.4 Vergunningplicht activiteiten onderwater flora en fauna

Het voor Nederland en Europa unieke onderwatermilieu staat onder druk door scheepvaart, visserij en recreatie en is daarmee kwetsbaar. De onderwaterflora en -fauna wordt slechts voor een beperkt deel beschermd door de natuurbeschermingsregels zoals opgenomen in de Omgevingswet. Ook de Visserijwet 1963 kent een beperkte bescherming. Omdat de Provincie Zeeland de karakteristieke onderwaterflora en -fauna bescherming wil bieden, is in deze verordening een regeling opgenomen die het verbiedt om, zonder dat men daartoe over de benodigde omgevingsvergunning beschikt, waterplanten of -dieren behorend tot de onderwaterflora en -fauna te bemachtigen en in bezit te hebben. De regeling heeft als strekking om diegenen die moedwillig waterplanten of -dieren in beschermde gebieden uit het water halen te sanctioneren.

Het verbod geldt niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.

Ook geldt het ook niet bij normaal recreatief gebruik aan, in en bij water, zoals spelende kinderen die met een schepnetje dieren uit het water vissen. Of mensen die bij het zwemmen per ongeluk planten of dieren verstoren of meenemen.

[Red: Sectie 2.165   verplaatst van sectie 2.10.4 naar sectie 13. ]

Artikel 2.165   13.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning onderwater flora en fauna

Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor diverse doeleinden. Uit de aanvraag moet duidelijk blijken wat de effecten zijn op de omvang van de populatie waterdieren en waterplanten.

[Red: Sectie 2.166   verplaatst van sectie 2.10.4 naar sectie 13. ]

Artikel 2.166   13.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning onderwater flora en fauna

Ontheffing van dit verbod kan in ieder geval worden verleend voor educatieve of onderzoeksdoeleinden in het belang van dit specifieke onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna. Het gaat dan om educatie over of onderzoek naar de waterplanten en waterdieren die deel uitmaken van dit unieke onderwatermilieu en waar de ontheffing voor wordt aangevraagd. Als ontheffing wordt verleend voor commerciële en economische doeleinden, zoals de verkoop van gevangen waterplanten of waterdieren aan derden, dan kan dit alleen als kan worden uitgesloten dat deze activiteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de instandhouding van de onderwaterflora en -fauna. Er wordt geen ontheffing verleend voor het vangen van de commercieel interessante zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons.

Het doel moet duidelijk blijken uit de bij de aanvraag, overgelegde gegevens, door bijvoorbeeld het overleggen van een onderzoeksplan. Om negatieve effecten op het onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna te voorkomen dient de hoeveelheid waterplanten of waterdieren die wordt meegenomen beperkt te zijn en de activiteit tijdelijk.

Hoofdstuk 14 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen

[Red: Sectie 2.167 verplaatst van sectie 2.11.1 naar sectie 14. ]

Artikel 2.167 14.1 Toepassingsbereik

In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. Het toepassingsbereik hiervan hebben wij overgenomen in deze afdeling. Dit betekent dat deze afdeling gaat over het volgende: 

-        Het vellen van houtopstanden; 

-        Het herbeplanten van dezelfde grond na het vellen of tenietgaan van houtopstanden; en 

-        Het herbeplanten op andere grond. 

De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving (plicht tot herbeplanting).  

In artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangegeven voor welke houtopstanden deze regels niet gelden. Deze uitzonderingen gelden ook voor deze afdeling. Hierbij geldt er een nadere specificatie op de uitzondering bij wegbeplanting. Er geldt wel een meld- en herbeplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.  

Verder gaat deze afdeling niet over handel in en bezit van hout of houtproducten. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is hier namelijk het bevoegd gezag voor. 

Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw, Visserij, Voederzekerheid en Natuur het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. In deze afdeling over het vellen van houtopstanden is hiervan gebruik gemaakt.

[Red: Sectie 2.168 verplaatst van sectie 2.11.1 naar sectie 14. ]

Artikel 2.168 14.2 Oogmerk

Voor deze afdeling worden dezelfde oogmerken aangehouden zoals beschreven in artikel 11.112 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving

[Red: Sectie 2.169   verplaatst van sectie 2.11.2 naar sectie 14. ]

Artikel 2.169   14.3 Gegevens melding vellen houtopstand

Op basis van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet het vellen van een houtopstand gemeld worden bij gedeputeerde staten. Artikel 2.169 van de Omgevingsverordening geeft aan welke informatie deze melding moet bevatten. Gedeputeerde staten gebruik de informatie uit de melding om een goed beeld te vormen van de aard en omvang van de te vellen houtopstand, van de herbeplanting en van de reden van de velling.

Een melding moet ten minste 4 weken, maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de velling ingediend worden. Dat betekent dat de melder 4 weken moet wachten met de uitvoering van de velling. Er kunnen echter ook omstandigheden zijn die een spoedige velling noodzakelijk maken, bijvoorbeeld bij verkeersonveilige situaties of noodvellingen na storm. In dergelijke spoedeisende situaties kunnen gedeputeerde staten besluiten om af te wijken van deze termijn door stellen van een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 11.119 Besluit activiteiten leefomgeving. 

[Red: Sectie 2.170   verplaatst van sectie 2.11.2 naar sectie 14. ]

Artikel 2.170   14.4 Uitzondering op meldplicht vellen houtopstand

In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de groei van de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd.

[Red: Sectie 2.171   verplaatst van sectie 2.11.3 naar sectie 14. ]

Artikel 2.171   14.5 Eisen aan herbeplanting

In dit artikel worden eisen gesteld aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting zoals bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De te herbeplanten houtopstand hoeft niet identiek te zijn aan de tenietgegane of gevelde houtopstand. Wel moet de waarde op ecologisch en landschappelijk gebied ten minste vergelijkbaar zijn in kwantiteit en kwaliteit. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populierenplantage. 

Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het behoud van de kwaliteit en de oppervlakte aan houtopstanden. Daarom stellen zij eisen aan de bodemkwaliteit, waterhuishouding, plantmateriaal, gebruik van soorten en het in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste betekent dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt moet worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn.

Voor oppervlaktebeplanting is in de huidige jurisprudentie besloten dat de herbeplanting binnen een redelijke termijn van maximaal tien jaar in sluiting moet zijn. In de praktijk blijkt dit moeilijk in te schatten. Daarom is tevens opgenomen dat er binnen drie jaar aantoonbare groei moet zijn. 

Voor rijbeplantingen wordt een maximale plantafstand van 10 meter tussen de bomen aangehouden. Het beeldbepalende uiterlijk van een rijbeplanting blijft hierbij intact en verschraling van het landschap wordt tot en minimum beperkt. Hierop is echter een uitzondering mogelijk. Er zijn situaties in Zeeland waarbij een rijbeplanting is die bestaat uit bomen met grote kruinen die bijzonder oud kunnen worden, die op grotere afstand staan dan 10 meter. Als de 10 meter maximale plantafstand ook voor herbeplanting van deze bomen geldt, dan zullen deze bomen zich niet kunnen ontwikkelen en in elkaar groeien en zal er daarom voor een kleinere boomsoort gekozen worden, waarmee het historisch beeld van deze rijbeplanting met kenmerkende bomen verloren gaat. In dergelijke situaties is herbeplanting op dezelfde grotere plantafstand toegestaan mits dezelfde boomsoorten wordt gebruikt.

Gedeputeerde staten stellen regels aan de keuze van soorten die voor herbeplanting in aanmerking komen. Dit doen zij ter bescherming en het behoud van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen, wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk en ten gunste van de biodiversiteit in het algemeen. Een voorbeeld van het laatste is een verbod op herbeplanten met tuinsoorten en invasieve exoten zoals Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) die, gezien het woekerende karakter, inheemse vegetaties volledig kan verdringen.

Met een spontane natuurlijke verjonging wordt bedoeld een natuurlijke aanwas van houtopstanden uit zaden en/of vruchten. Opschot uit gevelde bestaande houtopstanden zoals hakhout wordt niet gezien als natuurlijke verjonging.

Tot slot komt het soms voor dat een houtopstand wordt geveld zonder dat de velling vooraf is gemeld. Als GS niet weten van de velling, kunnen zij ook niet toezien op de herbeplantingsplicht van deze houtopstand, Dit kan eraan bijdragen dat de Provincie het doel niet haalt om het areaal aan houtopstanden minimaal even groot te houden. Het is dan van beland dat de grond zo snel mogelijk weer herbeplant wordt. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen gedeputeerde staten daarom besluit de herbeplantingstermijn in te korten naar een eerdere, redelijke termijn. Bij het bepalen van de verkorte termijn houden gedeputeerde staten rekening met het meest geschikte plantseizoen en de mogelijkheid om binnen die termijn te beschikken over plantgoed voor de herbeplanting. 

[Red: Sectie 2.172   verplaatst van sectie 2.11.3 naar sectie 14. ]

Artikel 2.172   14.6 Eisen aan herbeplanting op andere grond

Op basis van artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming geven voor herbeplanting op andere grond dan waarop de velling plaatsvond. Daarvoor moet wel worden voldaan aan extra eisen die gesteld zijn in de omgevingsverordening. Deze eisen zijn in artikel 2.17114.5 van de Omgevingsverordening Zeeland opgenomen. 

Gedeputeerde staten hanteren als uitgangspunt dat herbeplanting plaatsvindt op dezelfde locatie als waar de houtopstand is geveld. Hiermee wordt recht gedaan aan het behoud van de lokale natuur- en landschapswaarden. Soms is dat echter niet mogelijk of niet wenselijk, bijvoorbeeld omdat de grond een andere bestemming krijgt of omdat de locatie ongeschikt is voor nieuwe aanplant. In dat geval kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen, zodat herbeplanting op een andere geschiktere locatie kan plaatsvinden. Het uitgangspunt blijft dat dit bij voorkeur binnen dezelfde gemeente gebeurt. Alleen met een gegronde reden mag dit ook binnen een andere gemeente in de provincie Zeeland. Van een gegronde reden kan sprake zijn bij bijvoorbeeld ruimtelijke of ecologische beperkingen en eigendoms- en veligheidsbelemmeringen. 

Het is niet toegestaan om beplantingen die een belangrijke ecologische of landschappelijke functie vervullen ergens anders te herbeplanten. Het doel hiervan is om ecologische of landschappelijke verschraling van het landschap tegen te gaan. Verschil met het kapverbod (artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving) is, dat in deze gevallen wel velling is toegestaan, maar dat de houtopstand op dezelfde plaats herbeplant moet worden.

Het is niet toegestaan om beplanting die bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 en wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk op andere grond te herbeplanten. Als een houtopstand bijvoorbeeld aangewezen is als habitattype 'Duinbos', met als instandhoudingsdoelstelling 'uitbreiding met behoud van de goed ontwikkelde locaties', dan zou herbeplanting ergens anders een afbreuk zijn aan deze instandhoudingsdoelstelling. Dit is ongewenst. 

Voorkomen moet worden dat percelen, die al hoge natuurwaarden of bijzondere waarden kennen, actief bebost worden in het kader van herbeplanting op andere grond bijvoorbeeld percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt of op weidevogelgebieden en dergelijke.

Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is spraken van een langdurige ongestuurde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slecht groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden zijn deze bodems beschermd. Gedeputeerde staten beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn. 

Een herbeplanting kan niet tegelijk voor meerdere compensatie- of mitigatie doeleinden worden ingezet. Hierdoor zou namelijk de totale oppervlakte aan houtopstanden verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te herbeplanten op plaatsen waar al compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving. 

Herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag. Deze regel is er om te voorkomen dat houtopstanden verdwijnen uit het landelijk gebied en uitsluitend nog voorkomen binnen het Natuurnetwerk.

Een andere grond moet soms eerst gezocht en vervolgens aangekocht of gepacht worden. Om te waarborgen dat ook herbeplanting op andere grond toch binnen drie jaar is gerealiseerd, moet de melder uiterlijk twee jaar na de velling de aanvraag tot herbeplanting op andere grond indienen.

[Red: Sectie 2.173   verplaatst van sectie 2.11.3 naar sectie 14. ]

Artikel 2.173   14.7 Uitzondering op plicht tot herbeplanting

In sommige gevallen gaan houtopstanden teniet door vernatting door natuurlijke processen of door anti-verdrogingsmaatregelen. In deze gevallen is het niet redelijk dat eigenaren verplicht worden tot herbeplanting, omdat bosvorming op dezelfde locatie niet meer mogelijk is. Voor die gevallen is in dit artikel een uitzondering opgenomen op de verplichting tot herbeplanten. 

[Red: Sectie 2.174 verplaatst van sectie 2.11.4 naar sectie 14. ]

Artikel 2.174 14.8 Afwijken met maatwerkvoorschrift

Het is mogelijk om af te wijken van de in deze afdeling gestelde regels. Dit kan door de gedeputeerde staten te verzoeken om een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. Dit maatwerkvoorschrift wordt alleen verleend wanneer in het verzoek voldoende onderbouwing staat dat het afwijken van de regel gunstig is voor de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand.

Enkele voorbeelden waarbij gedeputeerde staten via maatwerkvoorschriften van de regels in de verordening kunnen afwijken:

  • 1.

    Natuurlijke verjonging is in sommige situaties wenselijker dan herbeplanting met aangekocht plantgoed van elders. Een natuurlijk verjongingsproces heeft vaak echter langer nodig dan drie jaar om weer als een volwaardige houtopstand gezien te worden. In dat kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen voor een verlenging van de termijn van 'herbeplanting'.

  • 2.

    In sommige gevallen is het landschappelijk gezien wenselijk om rijbeplantingen te hebben met bomen die een grote kroonomvang krijgen. Om de groei van deze bomen niet te belemmeren is het dan wenselijk om te kunnen afwijken van de maximale onderlinge plantafstand van 10 meter zoals vastgelegd in deze verordening.

Hoofdstuk 15 Activiteiten landschap

Afdeling 15.1 Distelbeheer

[Red: Sectie 2.178   verplaatst van sectie 2.13.1   naar sectie 15.1. ]

Artikel 2.178   15.4 Distelbeheer

Dit artikel bevat een algemeen geldende verplichting om te voorkomen dat de distelsoorten Cirsium arvense (akkerdistel) en Sonchus arvensis (akkermelkdistel) die groeien op landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend tot bloei komen. Deze verplichting bestaat voor alle categorieën: gebruikers, eigenaren, andere zaakgerechtigden, danwel diegene die namens dezen het beheer uitvoert. De formulering ‘een ieder’ is er namelijk op gericht de bestrijdingsplicht zo breed mogelijk neer te leggen. In geval van overtreding ligt het voor de hand om op basis van de omstandigheden van het geval, diegene aan te schrijven die de strijdigheid kan opheffen (vaste handhavingsjurisprudentie: “diegene die het in zijn macht heeft om de overtreding op te heffen”)

De term ‘eigen’ landbouwgrond duidt erop dat de bestrijdingsplicht alleen geldt voor landbouwgronden die de gebruiker/eigenaar/beheerder/zaakgerechtigde zelf in eigendom/beheer/gebruik heeft. Ook voor de strook van 30 meter grenzend aan landbouwgrond, geldt dat deze zelf in eigendom/beheer/gebruik is, wil de verplichting gehandhaafd kunnen worden.

Afdeling 15.2 Borden
Paragraaf 15.2.1 Algemene bepalingen

[Red: Sectie 2.179   verplaatst van sectie 2.13.2.1   naar sectie 15.2.1. ]

Artikel 2.179   15.5 Toepassingsbereik

Bedrijventerreinen die groter zijn dan 1 hectare vallen op grond van het eerste lid buiten de werkingssfeer van deze paragraaf. Op bedrijventerreinen bestaat vanuit landschappelijk oogpunt in beginsel geen bezwaar tegen borden. Wel kan er voor die terreinen gemeentelijke regelgeving gelden.

In het tweede lid zijn nog enkele uitzonderingen op het toepassingsbereik opgenomen. Verkeerstekens en bewegwijzering in overeenstemming met de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet en de daarop berustende uitvoeringsregelgeving worden niet onderworpen aan regels ter bescherming van het landschap. Onder die uitvoeringsregelgeving vallen in ieder geval het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het Binnenvaartpolitiereglement en een aantal scheepvaartreglementen. 

Bij campagnes voor verkeersveiligheid kan bijvoorbeeld worden gedacht aan borden die waarschuwen voor slik op de weg tijdens de bietenoogst, campagneborden die aangeven dat alcohol en sociale media niet samen gaan met deelname aan het verkeer en borden die waterrecreanten attenderen op de aanwezigheid van onderwatersporters.

Ook abri’s zijn uitgezonderd van de regels. Reclame en aankondigingen op abri's tasten het landschap nauwelijks meer aan dan de abri's zelf.

Paragraaf 15.2.2 Algemene regels permanente borden en spandoeken

[Red: Sectie 2.184   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.184   15.10 Borden voor meubilering of stoffering

Hierbij valt te denken aan restaurants, hotels of maneges waarop borden zijn aangebracht. Alleen borden die tegen het gebouw zijn geplaatst zijn toegestaan. Het bord mag niet boven de nok van het gebouw uitsteken. Er moet een feitelijke relatie bestaan tussen het bord en de functie van het gebouw.

Het komt meermalen voor dat is aangegeven dat borden niet verlicht mogen worden. Hiermee wordt bedoeld dat borden niet direct verlicht mogen worden, zoals een lichtbak of neonletters, maar ook niet indirect, bijvoorbeeld door er een lamp op te richten.

[Red: Sectie 2.185   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.185   15.11 Borden voor beroep, bedrijf of dienst

Dit artikel is bedoeld voor borden die betrekking hebben op de uitoefening van een dienst, een beroep of bedrijf en die niet zijn aangebracht op het gebouw waarin het beroep of de dienst feitelijk wordt uitgeoefend, maar wel in de onmiddellijke nabijheid van het gebouw of de inrit naar het gebouw en niet op eventuele omliggende kavels. Het kan daarbij gaan om bedrijfsgebouwen, maar ook een woning waarin een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend.

In de praktijk komt het voor dat meerdere bedrijven gebruik maken van één inrit. Ook komt het voor dat deze bedrijven dan samen één groter bord willen plaatsen. Vanuit landschappelijk oogpunt is dat ook verdedigbaar. In het geval van de aanwezigheid van vier of meerdere bedrijven kunnen deze gezamenlijk niet meer dan twee borden plaatsen van maximaal 4 m2. Deze bedrijven kunnen dan geen afzonderlijke borden meer plaatsen voor hun eigen bedrijf. Het is dus ook niet zo dat als zes bedrijven gevestigd zijn deze gezamenlijk meer dan twee borden van 4 m2 kunnen plaatsen. In geval van gezamenlijkheid bedraagt het maximum twee grotere borden van genoemde afmeting. Als bedrijven niet gezamenlijk één bord plaatsen, kunnen ze ieder afzonderlijk twee borden of spandoeken plaatsen van maximaal 2 m2 bij de inrit of het gebouw.

[Red: Sectie 2.186   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.186   15.12 Borden over objecten of gebieden

Het gaat in dit artikel bijvoorbeeld om borden met informatie over beschermde natuurgebieden, bezienswaardigheden langs bijvoorbeeld wandel- en fietsroutes of bijzondere appel- en perenrassen. In het algemeen betreft het borden die vanuit het belang van de bescherming van de natuur, educatie en recreatie wenselijk zijn en feitelijke informatie geven over het onderwerp. Informatieborden in dit artikel zijn niet bedoeld om “one-liners” op te projecteren zoals ‘Hier wordt groene stroom geproduceerd’.

[Red: Sectie 2.187   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.187   15.13 Borden op sportterreinen

Op een sportterrein zijn borden vrijgesteld op voorwaarde dat de afbeeldingen of teksten gericht zijn naar het speelveld. De buiten de bebouwde kom gelegen terreinen liggen vaak tegen de bebouwing aan en hebben een min of meer stedelijk karakter. Daarom is de bebording van deze sportterreinen onder voorwaarden toegestaan. Staande op het veld moeten de borden door de sportbeoefenaar te zien zijn.

Motorcrossterreinen, golfbanen, veldjes voor hondentraining, kleiduivenschietbanen en dergelijke terreinen liggen meestal in het buitengebied. Dit in verband met lawaaioverlast en de omvang van het betreffende sportterrein. Het is niet wenselijk om onderscheid te maken tussen de diverse vormen van sport en de sportterreinen. Omdat er vaak een vorm van bebouwing op de sportterreinen aanwezig is, vallen in principe alle borden op deze terreinen onder dit artikel.

[Red: Sectie 2.188   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.188   15.14 Borden voor gedachten en gevoelens

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad mag de lagere wetgever geen beperking stellen aan de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, maar hij mag wel beperkingen stellen aan de verspreiding mits er geen algemeen verbod wordt gegeven en mits het verbod voor het te beperken verspreidingsmiddel nog gebruik van enige betekenis overlaat. Met inachtneming hiervan is in dit artikel een maximale oppervlaktemaat en een maximale hoogte opgenomen voor borden ter uiting van gedachten en gevoelens.

[Red: Sectie 2.189   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.189   15.15 Borden bij benzinestations en wegenwachtstations

Borden op het terrein van benzinestations en ANWB-wegenwachtstations dienen het belang van de weggebruiker en zichtbaarheid voor de weggebruikers is dan noodzakelijk. Om die reden is een inbreuk op het landschapsbelang aanvaardbaar. Voorwaarde is wel dat er een directe relatie bestaat tussen het bord en de activiteiten in het benzine- of wegenwachtstation.

[Red: Sectie 2.190   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.190   15.16 Borden op rotondes

Vanuit het landschap geredeneerd is er geen bezwaar om bescheiden bordjes op een rotonde te plaatsen die aangeven dat de inrichting of het beheer van de beplanting op de rotonde is geadopteerd. Er is toestemming nodig van de wegbeheerder en het is raadzaam om in de gemeentelijke APV na te gaan of hiervoor beperkingen zijn aangegeven.

[Red: Sectie 2.191   verplaatst van sectie 2.13.2.2   naar sectie 15.2.2. ]

Artikel 2.191   15.17 Borden voor de verkoop van agrarische producten

Streekproducten zijn kenmerkende Zeeuwse producten die op Zeeuwse grond of in Zeeuwse wateren zijn geteeld en bedoeld voor consumptie. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwarte bessenjam en kaas. Hier vallen dus geen producten onder zoals bomen of heesters.

Er kunnen maximaal twee borden geplaatst worden bij het verkooppunt of bij het bedrijf waar de verkoop plaatsvindt. Ook bestaat de mogelijkheid om een derde bord in het veld te plaatsen binnen een straal van 1 km van het bedrijf. Er gelden geen voorwaarden voor vorm en hoogte van borden bij het bedrijf of verkooppunt. Dit biedt kansen voor een ludieke presentatie van de agrarische streekproducten. Voor het derde bord in het veld zijn maxima gesteld aan oppervlak en hoogte. Op dit bord mag geen handelsreclame worden gemeld. Alleen een verwijzing naar het verkooppunt, zoals bijvoorbeeld de tekst of een pictogram “appels” met een richting aanduiding, zonder vernoeming van de bedrijfsnaam.

Paragraaf 15.2.3 Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken

[Red: Sectie 2.194   verplaatst van sectie 2.13.2.3   naar sectie 15.2.3. ]

Artikel 2.194   15.20 Verkiezingsborden

Borden en spandoeken ten behoeve van verkiezingen van het openbaar bestuur zijn tijdelijk en in beginsel één keer in de vier jaar. Daarom zijn deze borden en spandoeken toegestaan, maar er zijn wel voorschriften verbonden aan de termijn waarin ze geplaatst kunnen worden.

[Red: Sectie 2.196   verplaatst van sectie 2.13.2.3   naar sectie 15.2.3. ]

Artikel 2.196   15.22 Borden bij bouwprojecten

Voor bouwprojecten is een onderscheid gemaakt tussen infrastructurele projecten waarbij de geleiding van het verkeer een belangrijk veiligheidsaspect is en overige bouwprojecten. Per rijrichting kan bij grote infrastructurele projecten een bord worden geplaatst om het verkeer te informeren over de aard en duur van het project. Te denken valt daarbij aan bijvoorbeeld grootschalige wegenbouwprojecten. Voor alle bouwprojecten, zoals de bouw van een windpark, woningbouw of natuurontwikkelingsprojecten, geldt dat op of direct bij het werk twee borden kunnen worden geplaatst. De afmeting en hoogte zijn vrij. De borden zijn niet verlicht. Nadat het werk is afgerond dienen alle borden opgeruimd te worden.

[Red: Sectie 2.197   verplaatst van sectie 2.13.2.3   naar sectie 15.2.3. ]

Artikel 2.197   15.23 Borden voor wedstrijden, manifestaties, evenementen en tentoonstellingen

Het eerste lid betreft borden op een manifestatieterrein. Het aantal borden, de vorm en de hoogte hiervan is vrij gelaten. Naast de mogelijkheid om evenementenborden toe te staan op het terrein waar het evenement plaatsvindt, is het volgens het tweede lid ook toegestaan om maximaal twee borden neer te zetten, binnen de gemeentegrenzen waar de openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling plaatsvindt. Dit is aanvullend op de borden die zijn toegestaan op het evenemententerrein in het eerste lid. Omdat het tijdelijke borden betreffen die éénmaal per jaar worden geplaatst is de afmeting en de hoogte vrij. De borden mogen niet worden verlicht. 

Het derde lid geeft extra mogelijkheden voor het plaatsen van borden voor nationale en internationale provinciegrensoverschrijdende evenementen. Te denken valt aan evenementen als de Giro, de Tour de France en het Nederlands kampioenschap wielrennen. Op het traject tussen start en finish zijn geen beperkingen voor borden, spandoeken en vlaggen met uitzondering van het verlichten van borden en spandoeken.

[Red: Sectie 2.198   verplaatst van sectie 2.13.2.3   naar sectie 15.2.3. ]

Artikel 2.198   15.24 Borden voor de verkoop van agrarische producten

Streekproducten zijn kenmerkende Zeeuwse producten die op Zeeuwse grond of in Zeeuwse wateren zijn geteeld en bedoeld voor consumptie. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwarte bessenjam en kaas. Hier vallen dus geen producten onder zoals bomen of heesters.

Er kunnen maximaal twee borden geplaatst worden bij het verkooppunt of bij het bedrijf waar de verkoop plaatsvindt. Ook bestaat de mogelijkheid om een derde bord in het veld te plaatsen binnen een straal van 1 km van het bedrijf. Er gelden geen voorwaarden voor vorm en hoogte van borden bij het bedrijf of verkooppunt. Dit biedt kansen voor een ludieke presentatie van de agrarische streekproducten. Voor het derde bord in het veld zijn maxima gesteld aan oppervlak en hoogte. Op dit bord mag geen handelsreclame worden gemeld. Alleen een verwijzing naar het verkooppunt, zoals bijvoorbeeld de tekst of een pictogram “appels” met een richting aanduiding, zonder vernoeming van de bedrijfsnaam.

[Red: Sectie 2.199   verplaatst van sectie 2.13.2.3   naar sectie 15.2.3. ]

Artikel 2.199   15.25 Borden voor gedachten en gevoelens

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad mag de lagere wetgever geen beperking stellen aan de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, maar hij mag wel beperkingen stellen aan de verspreiding mits er geen algemeen verbod wordt gegeven en mits het verbod voor het te beperken verspreidingsmiddel nog gebruik van enige betekenis overlaat. Met inachtneming hiervan is in dit artikel een maximale oppervlaktemaat en een maximale hoogte opgenomen voor borden ter uiting van gedachten en gevoelens.

Paragraaf 15.2.4 Algemene regels vlaggen

[Red: Sectie 2.202   verplaatst van sectie 2.13.2.4   naar sectie 15.2.4. ]

Artikel 2.202   15.28 Vlaggen over objecten of gebieden

De regels over vlaggen komen neer op een vertaling van de regels over borden.

[Red: Sectie 2.203   verplaatst van sectie 2.13.2.4   naar sectie 15.2.4. ]

Artikel 2.203   15.29 Vlaggen voor beroep, bedrijf of dienst

De regels over vlaggen komen neer op een vertaling van de regels over borden. Daarbij is de hoogte van de vlag met stok gerelateerd aan het gebouw, waarbij ze staan. Hoe hoger het gebouw, hoe hoger de vlag, zolang die maar niet meer dan 2 meter boven het gebouw uitsteekt.

[Red: Sectie 2.204   verplaatst van sectie 2.13.2.4   naar sectie 15.2.4. ]

Artikel 2.204   15.30 Vlaggen voor meubilering of stoffering

De regels over vlaggen komen neer op een vertaling van de regels over borden. Daarbij is de hoogte van de vlag met stok gerelateerd aan het gebouw, waarbij ze staan. Hoe hoger het gebouw, hoe hoger de vlag, zolang die maar niet meer dan 2 meter boven het gebouw uitsteekt.

[Red: Sectie 2.205   verplaatst van sectie 2.13.2.4   naar sectie 15.2.4. ]

Artikel 2.205   15.31 Vlaggen voor wedstrijden, manifestaties, evenementen of tentoonstellingen

De regels over vlaggen komen neer op een vertaling van de regels over borden. Het aantal vlaggen is niet beperkt omdat met name bij evenementen in de praktijk nog al eens gebruik wordt gemaakt van vlaggen. Bovendien gaat het om een tijdelijke aangelegenheid.

Paragraaf 15.2.5 Algemene regels informatiezuil

[Red: Sectie 2.209   verplaatst van sectie 2.13.2.5   naar sectie 15.2.5. ]

Artikel 2.209   15.35 Informatiezuilen over objecten of gebieden

In het Nationaal Park Oosterschelde is een eenduidige sobere vorm van informatievoorziening gekozen waarop de informatie over het Nationaal Park éénduidig wordt gebundeld op informatiezuilen. Het doel is dat zoveel mogelijk partners de informatie op deze zuilen delen en er geen wildgroei van borden ontstaat. Deze informatiezuilen en deze werkwijze (het bundelen van informatie en het voorkomen van wildgroei aan borden) kan ook worden toegepast bij andere objecten of gebieden in Zeeland, mits ze voldoen aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. In het artikel wordt een maximum van één zuil per locatie gesteld. Bij het Nationaal Park Oosterschelde kunnen meerdere zuilen worden geplaatst mits één per locatie waar de informatie en of thematiek van toepassing is.

Hoofdstuk 3 16 Omgevingswaarden en monitoring

Afdeling 3.1 16.1 Omgevingswaarden

De artikelen 2.9 tot en met 2.15 van de Omgevingswet bevatten regels met betrekking tot omgevingswaarden (‘normen’). Omgevingswaarden zijn waarden voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een onderdeel daarvan) of de toelaatbare belasting daarvan door activiteiten. Omgevingswaarden worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen en beschrijven de daadwerkelijke kwaliteit die op een bepaalde plaats en op een bepaald moment moet worden bereikt, nagestreefd of in stand worden gehouden. 

Omgevingswaarden specificeren de overheidszorg voor de fysieke leefomgeving en dienen als referentiekader bij de inzet van bevoegdheden van de overheid en de wijze van taakuitoefening. Voor een nadere algemene toelichting over omgevingswaarden kan worden verwezen naar de toelichting bij genoemde artikelen in de Omgevingswet. 

Met uitzondering van in de Omgevingswet aangegeven onderwerpen waarvoor provincies verplicht omgevingswaarden moeten vaststellen, bevat de Omgevingswet geen bepalingen over de keuze hoe een bestuursorgaan beleidsdoelstellingen voor de fysieke leefomgeving vastlegt. Ook anders dan door het vaststellen van omgevingswaarden kan een beleidsdoelstelling in de omgevingsverordening worden vastgelegd, zoals in de vorm van algemene (beschermende) regels voor activiteiten of beoordelingsregels voor vergunningen.

Paragraaf 3.1.1 16.1.1 Omgevingswaarden regionale waterkeringen en wateroverlast

Uit artikel 2.13 van de Omgevingswet volgt dat provincies, met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast, in de omgevingsverordening in ieder geval omgevingswaarden moeten vaststellen voor: 

  • a.

    de veiligheid van bij de verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen, voor zover die niet in beheer zijn bij het Rijk (de regionale waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap), en

  • b.

    de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de verordening aangewezen gebieden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren (die in beheer zijn bij het waterschap) moeten zijn ingericht. 

Deze verplichting is een voortzetting van de regeling in de voormalige Waterwet. Hoofdstuk 417 van de omgevingsverordening bevat regels voor de door provincies verplichte vast te stellen omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.13 van de Omgevingswet. Een nadere toelichting is opgenomen bij de artikelsgewijze toelichting. 

Uit artikel 2.15 van de Omgevingswet volgt dat de omgevingswaarden voor de veiligheid van de primaire waterkeringen en de bij het Rijk in beheer zijnde niet-primaire waterkeringen worden vastgesteld in regels van het Rijk. Deze omgevingswaarden zijn neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (AMvB op basis van de Omgevingswet) en vallen buiten de competentie van provincies. 

Uit artikel 2.15 van de Omgevingswet volgt dat het Rijk regels stelt voor de omgevingswaarden voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen en de chemische kwaliteit en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, ter uitvoering van de kaderrichtlijn water, grondwaterrichtlijn en de richtlijn prioritaire stoffen. 

Deze omgevingswaarden zijn neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Uit artikel 3.8 van de Omgevingswet volgt dat de provincies deze omgevingswaarden voor regionale wateren moeten uitwerken in het instrument regionaal waterprogramma (dat wil zeggen niet in de omgevingsverordening), waarmee het waterschap rekening moet houden bij het regionaal waterbeheer. 

Uit artikel 2.10 van de Omgevingswet volgt dat bij het vaststellen van een omgevingswaarde tevens moet worden bepaald wat voor soort verplichting een vastgestelde omgevingswaarde met zich meebrengt (resultaatsverplichting, inspanningsverplichting of andere te omschrijven verplichting) en op welke locaties de omgevingswaarde van toepassing is (geografisch werkingsgebied). Verder kan een termijn worden bepaald waarbinnen aan de verplichting moet worden voldaan. Ook moet worden onderbouwd welke taken en bevoegdheden in ieder geval worden ingezet om de omgevingswaarde te verwezenlijken. Het overheidslichaam dat de omgevingswaarde vaststelt kan door middel van het vaststellen van instructieregels regelen dat andere overheden hun taakuitoefening (mede) richten op het bereiken van de omgevingswaarden. Als geen instructieregels, algemene regels of andere juridische instrumenten worden ingezet, hebben omgevingswaarden geen doorwerking naar andere partijen dan het bestuursorgaan dat de omgevingswaarde heeft vastgesteld. 

In de omgevingsverordening zijn, in samenhang met de gestelde omgevingswaarden, een aantal instructieregels opgenomen die het waterschap als beheerder van waterkeringen en regionale wateren in acht moet nemen. Een nadere toelichting is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting.

Uit de Omgevingswet (hoofdstuk 20) volgt dat voor iedere vastgestelde omgevingswaarde door middel van een systeem van monitoring moet worden bewaakt wat de staat of kwaliteit van de van de fysieke leefomgeving is waarvoor de omgevingswaarde is vastgesteld. Het bestuursorgaan dat de omgevingswaarde heeft vastgesteld (of een ander in de omgevingsverordening aangewezen bestuursorgaan) moet op basis hiervan beoordelen of (en wanneer) aan de omgevingswaarde wordt voldaan. De regels voor de monitoring van de omgevingswaarden voor regionale waterkeringen en voor de afvoer- en bergingscapaciteit van regionale wateren met het oog op het tegengaan van wateroverlast, zijn uitgewerkt in hoofdstuk 4 van de omgevingsverordening. Een nadere toelichting is opgenomen onder de artikelsgewijze toelichting. 

De regels met betrekking tot de omgevingswaarden en monitoring in hoofdstuk 4 van de omgevingsverordening zijn afgestemd met het waterschapsbestuur en sluiten aan op het regionale waterbeleid overeenkomstig de Omgevingsvisie Zeeland.

Artikel 3.1 16.1 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (AMvB) zijn omgevingswaarden (normen) gesteld voor de primaire waterkeringen, die in beheer zijn bij het waterschap en gedeeltelijk bij het Rijk. In dit artikel in de omgevingsverordening zijn de omgevingswaarden vastgesteld voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen (regionale waterkeringen genoemd), die in beheer zijn bij het waterschap. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.13, onder a, van de Omgevingswet. De inhoud is afgestemd met het waterschap. Voor systematiek is, waar mogelijk, aansluiting gezocht bij de regels die het Rijk heeft gesteld voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk (artikelen 2.0g e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

In het geometrisch werkingsgebied behorend bij dit artikel is aangegeven waar de regionale waterkeringen en de daarbinnen volgens dit artikel te onderscheiden categorieën dijktrajecten liggen, alsmede het specifieke dijktraject rondom het gebied Waterdunen. De regionale waterkeringen zijn waterstaatkundig en ruimtelijk van betekenis uit oogpunt van het principe van de ‘meerlaagsveiligheid’. Het stelsel en de normering door omgevingswaarden is geactualiseerd in afstemming met het waterschap, op basis van de uitkomst van het in 2020 voltooide project normering regionale waterkeringen. Voor het dijktraject Waterdunen is een afzonderlijk, specifiek traject doorlopen in afstemming met het waterschap.

Met de omgevingswaarden wordt het maatschappelijk aanvaardbaar te achten risico vastgelegd voor de bescherming tegen overstromingen (waarbij regionale keringen een aanvullende functie vervullen naast primaire waterkeringen). Uit artikel 2.10 van de Omgevingswet volgt dat bij het vaststellen van een omgevingswaarde moet worden aangegeven wat voor soort verplichting een vastgestelde omgevingswaarde met zich brengt (resultaatsverplichting, inspanningsverplichting of andere te omschrijven verplichting). Hiermee is beoogd duidelijkheid te verschaffen over de aard van het verplichtend karakter van de omgevingswaarden. In afstemming met het waterschap is gekozen voor de kwalificatie als resultaatsverplichting, gelijk aan de regeling in artikel 2.0j van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk. Dit sluit ook aan bij het doel van het waterveiligheidsbeleid als geheel: het bieden van voldoende bescherming tegen overstromingen. De omgevingswaarden voor de regionale waterkeringen werken door in de zorgplicht van het waterschap op basis van zijn beheertaak. Het toezicht berust bij de provincie, in samenhang met monitoring door het waterschap. Verder is een termijn gesteld: op 1 januari 2035 moet aan de omgevingswaarden worden voldaan, voor zover uit het monitoringsverslag op basis van artikel 20.4 van de wet, volgt dat dijktrajecten nog niet aan de omgevingswaarden voldoen. De haalbaarheid is afgestemd met het waterschap en de termijn hangt samen met de cyclus (12 jaar) voor het toetsen van de regionale waterkeringen (monitoring) en het tijdstip van het uitbrengen van het monitoringsverslag. Dit sluit ook aan op de systematiek in artikel 2.0j van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk.

Bij de omgevingswaarden voor de regionale waterkeringen wordt onderscheid gemaakt tussen regionale waterkeringen die onder dagelijkse omstandigheden water keren (dijktrajecten categorie A), ook wel ‘natte regionale waterkeringen’ genoemd, en regionale waterkeringen met een compartimenteringsfunctie (dijktracjecten categorie B en C), ook wel ‘droge regionale waterkeringen’ genoemd.

Rondom het gebied Waterdunen nabij Breskens is een dijktraject met een specifieke compartimenteringsfunctie aangewezen als regionale waterkering. Dit dijktraject (de ‘rand van Waterdunen’) omvat een hoger aangelegde en gelegen strook grond die het gebied Waterdunen aan de landzijde omringt en begrenst en grotendeels het karakter heeft van een oplopende glooiing. Aldus is een formele basis gegeven aan (extra) bescherming van het achterland van Waterdunen tegen een potentieel overstromingsrisico indien de getijdenduiker in de primaire waterkering door een calamiteit onverhoopt zou falen en het compartiment Waterdunen zou volstromen met buitenwater.

Dijktrajecten categorie A beschermen het achterland rechtstreeks tegen overstroming, zoals de keringen langs het Veerse Meer en het Kanaal door Walcheren. Dijktrajecten categorieën B en C vormen als het ware een tweede linie achter de primaire waterkeringen en vormen als zodanig compartimenten in het achterland. Deze regionale waterkeringen spelen een rol in een situatie waarin een primaire waterkering zou falen en daaruit voortvloeiende overstroming in eerste instantie zoveel mogelijk kan worden beperkt tot het betreffende compartiment.

Voor de dijktrajecten categorie A is de omgevingswaarde uitgedrukt als gemiddelde overschrijdingskans van 1/100 per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. Hierbij is een vergelijking gemaakt met de omgevingswaarden die het Rijk heeft gesteld voor (vergelijkbare) andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk (artikelen 2.0g e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving) en is aansluiting gezocht bij de normeringssystematiek die interprovinciaal wordt gehanteerd (IPO). Daarnaast is voor de dijktrajecten categorie A voorgeschreven dat tenminste de toestand in stand moet blijven volgens gegevens (afmeting, constructie) in het technisch beheerregister in samenhang met de legger van het waterschap. Voor de dijktrajecten categorieën B en C (‘droge regionale waterkeringen’ met een compartimenteringsfunctie) zijn de omgevingswaarden uitgedrukt als verplichting tot behoud van tenminste de toestand volgens gegevens (afmetingen, constructie) in het technisch beheerregister in samenhang met de legger van het waterschap. Daarnaast geldt, op basis van de uitkomsten van het project normering regionale waterkeringen (2020), voor de dijktrajecten categorie B een ondergrens voor de kruinhoogte, die lager is dan de feitelijke bestaande hoogte. Deze waarden zijn opgenomen in de bij dit artikel behorende bijlage. Dijktrajecten categorie C komen, op basis van de uitkomsten van het project normering regionale waterkeringen, niet aanmerking voor een ondergrens die lager is dan de feitelijke bestaande kruinhoogte.

Voor het specifieke dijktraject met compartimenteringsfunctie rondom het gebied Waterdunen geldt als omgevingswaarde de verplichting tot in stand houding van tenminste de toestand volgens de gegevens (afmetingen) in het vijfde lid van artikel 3.1 en de bijbehorende bijlage. De basis hiervoor is het rapport ‘Waterdunen veilig & functioneel’ opgesteld door RH DHV (10 december 2020). Dit rapport is ook voor advies besproken met ENW (het landelijk Expertise Netwerk Waterveiligheid) en akkoord bevonden. Deze gegevens zijn (bestuurlijk) afgestemd met het waterschap en verwerkt het waterschap in het technisch beheerregister in samenhang met de legger. Met het waterschap Scheldestromen en de Stichting Het Zeeuwse Landschap (HZL) als terreinbeheerder van het natuurgebied Waterdunen zijn, in afstemming met de provincie, aanvullende afspraken gemaakt, die bij de grondoverdracht (2022) aan genoemde stichting in de notariële akte van grondoverdracht zijn vastgelegd.

Als waterkeringbeheerder draagt het waterschap zorg voor instandhouding, beheer en onderhoud van de regionale waterkeringen conform de gestelde omgevingswaarden en de borging van beschermingszones in de waterschapsverordening.

Artikel 3.2 16.2 Uitzondering omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

In dit artikel zijn uitzonderingen geformuleerd waar de beheerder van een dijktraject (het waterschap) een beroep op kan doen in het geval van het (dreigend) niet voldoen aan de resultaatsverplichting die de omgevingswaarde met zich brengt. Aanleiding voor het maken van een uitzondering op de resultaatsverplichting kan een situatie zijn waarin het waterschap zelf niet (geheel) verantwoordelijk kan worden gehouden voor het niet voldoen aan de omgevingswaarde. De uitzonderingsmogelijkheden sluiten aan bij de regeling in artikel 2.0g van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor andere dan primaire keringen die in beheer zijn bij het Rijk.

Een uitzondering krijgt zijn beslag door dit op te nemen in het waterbeheerprogramma, dat wordt vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Hiermee kan het maken van een uitzondering openbaar worden gemaakt en worden gemotiveerd. In het waterbeheerprogramma wordt dan tevens aangegeven op welke termijn wordt verwacht alsnog aan de omgevingswaarde te voldoen. Afhankelijk van de omstandigheden kan ook worden bezien of aanpassing van de omgevingswaarde door middel van een wijziging van de omgevingsverordening tot de mogelijkheden behoort.

Artikel 3.3 16.3 Omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren

In dit artikel zijn, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, omgevingswaarden (normen) vastgesteld voor de gemiddelde overstromingskans per jaar voor daarvoor in aanmerking komende gebieden en typen grondgebruik. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.13, onder b, van de Omgevingswet. De inhoud is afgestemd met het waterschap.

Met de omgevingswaarden wordt het maatschappelijk aanvaardbaar te achten risico vastgelegd voor de bescherming van de betreffende gebieden (stedelijk gebied, agrarisch gebied, glastuinbouwgebied) tegen wateroverlast (indudatie) vanuit het regionale watersysteem dat in beheer is bij het waterschap. De omgevingswaarden hebben ten doel het voorkomen of beperken van regionale wateroverlast als gevolg van te grote hoeveelheden af te voeren neerslag (in extreme situaties). Uit de omgevingswaarden worden door het waterschap de dimensionering, inrichting en het beheer van het regionale watersysteem afgeleid, en de maatregelen die moeten worden genomen om het watersysteem aan de omgevingswaarden te laten voldoen. Bij het kiezen van de maatregelen wordt bij voorkeur gewerkt volgens de drietrapsstrategie vasthouden - bergen - afvoeren. Het waterschap heeft als waterbeheerder de regie bij de gebiedsprocessen en neemt maatregelen die nodig zijn met het oog op de gestelde omgevingswaarden op in het waterbeheerprogramma.

Uit artikel 2.10 van de Omgevingswet volgt dat bij het vaststellen van een omgevingswaarde moet worden aangegeven wat voor soort verplichting een vastgestelde omgevingswaarde met zich brengt (resultaatsverplichting, inspanningsverplichting of andere te omschrijven verplichting). Hiermee is beoogd duidelijkheid te verschaffen over de aard van het verplichtend karakter van de omgevingswaarden. In afstemming met het waterschap is gekozen voor de kwalificatie als inspanningsverplichting. De omgevingswaarden werken door naar de zorgplicht van het waterschap op basis van zijn beheertaak. Het toezicht berust bij de provincie, in samenhang met monitoring door het waterschap. 

Verder is een termijn gesteld: op 1 januari 2028 moet (zoveel mogelijk) aan de omgevingswaarden worden voldaan, voor zover uit het monitoringsverslag op basis van artikel 20.14 van de Omgevingswet, volgt dat de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem nog niet aan de omgevingswaarden voldoet. Dit is afgestemd met het waterschap.

Bij de gestelde omgevingswaarden is een relatie aanwezig tussen de gestelde overstromingskans en de economische waarde van gebieden met bepaalde typen grondgebruik (te verwachten schade bij overstroming). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen omgevingswaarden voor stedelijk gebied, agrarisch gebied (akkerbouw, grasland, fruitteelt) en glastuinbouw. Voor andere gebieden dan genoemd in dit artikel, zijn geen omgevingswaarden gesteld. De indeling van omgevingswaarden sluit overwegend aan bij het landelijk beleid Waterbeheer 21e eeuw en uitgangspunten die worden gehanteerd door de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg.

De gestelde omgevingswaarde voor stedelijk gebied heeft betrekking op stedelijk gebied als bedoeld in de begripsbepaling stedelijk gebied in het Besluit kwaliteit leefomgeving (AMvB) en geldt op basis van artikel 3.316.3 voor daarbinnen feitelijk aanwezige bouwwerken. Het begrip stedelijke gebied (met als kenmerk bebouwing met een aaneengesloten karakter) is opgenomen in de begripsbepalingen in bijlage I. De ligging van stedelijk gebied is over het algemeen af te leiden uit omgevingsplannen van gemeenten. Naast steden vallen hieronder ook dorpen en woonkernen, alsmede (bouwwerken in) industriegebieden en recreatiegebieden. De omgevingswaarde geldt op basis van artikel 3.316.3 lid 2 ook voor lintbebouwing die grenst aan stedelijk gebied. Indien dit niet precies is op te maken uit een omgevingsplan, kan aansluiting worden gezocht bij feitelijke situaties bestaande uit langgerekte bebouwing met een aaneengesloten karakter aan weerszijden van de grens van de bebouwde kom als bedoeld in de Wegenverkeerswet, langs wegen die stedelijk gebied ontsluiten.

Bebouwing (objecten als woonhuizen, bedrijfsgebouwen) buiten stedelijk gebied met aangrenzende lintbebouwing zijn onderworpen aan de wateroverlastnorm (omgevingswaarde) die geldt voor het omliggende grondgebruik.

De gestelde omgevingswaarde voor agrarisch gebied geldt voor gebieden met grondgebruik als akkerbouw, grasland of fruitteelt. Een afzonderlijke omgevingswaarde is gesteld voor glastuinbouw. De ligging van agrarisch gebied en glastuinbouwgebied is af te leiden uit omgevingsplannen van gemeenten. Er is geen onderscheid gemaakt tussen omgevingswaarden voor grasland en akkerbouw. Dit houdt verband met het feit dat in Zeeland op tal van plaatsen sprake is van een ruimtelijke verwevenheid van deze vormen van agrarisch grondgebruik. Daarbij is het complex om gebieden met akkerbouw respectievelijk grasland waterhuishoudkundig (door maatregelen en voorzieningen) van elkaar te scheiden.

In het zesde lid is geregeld dat de in het derde lid gestelde omgevingswaarden (wateroverlast) niet gelden voor een aantal laaggelegen en in de omgevingsverordening geometrisch begrensde gebieden. Het gaat daarbij om laaggelegen gebieden waarvoor het, op basis van gegevens van het waterschap en in samenhang met het waterbeheerprogramma niet mogelijk is of niet haalbaar wordt geacht om kostenefficiënt (zonder onevenredige kosten) maatregelen of voorzieningen te treffen om deze gebieden aan de omgevingswaarde (inundatienorm) te laten voldoen. De oppervlakte normvrij gebied op basis van dit lid bedraagt ten hoogste 10% van de binnendijks in Zeeland t.o.v. N.A.P laagstgelegen gebieden (niet zijnde oppervlaktewateren), per te onderscheiden afvoergebied. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om (van nature) laaggelegen poelgebieden en oeverzones van (voormalige) kreken.

Bij de beoordeling van het watersysteem wordt rekening gehouden met de actuele inzichten in de klimaatontwikkeling. Op basis van monitoringsgegevens van het waterschap, actualisaties van gegevens van het KNMI en relevante (landelijke) leidraden, kan worden bezien of en wanneer er aanleiding is tot aanpassingen bij de toepassing van artikel 3.3 of tot toepassing van artikel 3.4. Zie ook de toelichting bij artikel 3.8 (monitoring). Zodoende kan met relevante ontwikkelingen van klimaatwijziging rekening worden gehouden bij toetsing en normering wateroverlast.

Artikel 3.4 16.4 Uitzondering omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren

Dit artikel voorziet in een uitzonderingsmogelijkheid van de inspanningsverplichting om aan de in artikel 3.316.3 gestelde omgevingswaarden te voldoen, in een geval waarin het waterschapsbestuur aannemelijk maakt dat dit voor een nader aan te duiden gebied niet haalbaar of onevenredig kostbaar wordt geacht. In dat geval kan worden bezien of de aanduiding van normvrije gebieden als bedoeld in Artikel 3.316.3, zesde lid, wijziging behoeft.

Paragraaf 3.1.2 16.1.2 Geluid provinciale wegen

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt nieuwe wet- en regelgeving voor geluid rond wegen (en industrieterreinen) van kracht. De nieuwe wetgeving vereist, dat op basis van gegevens van verkeer en wegen, berekend wordt wat de geluidbelasting (dB) door verkeer op een bepaalde afstand van de provinciale wegen is. Deze virtuele punten waarvan de geluidbelasting berekend is, worden Geluidproductieplafonds (GPP) genoemd. Deze GPP, en mogelijk ook de basisgegevens die gebruikt zijn voor de berekening, zullen worden vastgelegd in een openbaar register. Het Rijk heeft eerder GPP rond rijks(spoor)wegen vastgesteld. 

In 2016 is gestart met de voorbereiding voor vaststelling van GPP rond wegen van provincies, gemeenten en waterschappen onder de naam SWUNG 2. SWUNG staat voor “Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid”. In de Omgevingswet is nu geregeld dat het bevoegd gezag de provinciale wegen aanwijst die gereguleerd worden met GPP. Deze moeten aangewezen worden in de omgevingsverordening. De GPP wordt als omgevingswaarde bestempeld en als separaat besluit vastgesteld en dus niet in de omgevingsverordening.

Artikel 3.5 16.5 Aanwijzing wegen waarvoor een geluidproductieplafond geldt

In Zeeland zijn er slechts twee kleine weggedeelten met een etmaalintensiteit van minder dan 1.000 motorvoertuigen. Het gaat om weggedeelten van de N686 en de N689. Deze zouden niet meegenomen hoeven te worden voor de bepaling van de GPP’s. Qua werkzaamheden (vaststellen GPP’s) maakt het echter niet zoveel uit. Zeeland heeft er daarom voor gekozen alle provinciale wegen aan te wijzen.

Paragraaf 3.1.3 16.1.3 Geluid industrieterreinen

Op grond van artikel 2.12a van de Omgevingswet kunnen provincies in de omgevingsverordening industrieterreinen van provinciaal belang aanwijzen waar geluidproductieplafonds voor worden vastgesteld. Industrieterreinen van provinciaal belang zijn terreinen met een economische functie die de gemeentegrenzen of gemeentelijke belangen duidelijk overstijgen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij zeehavens en grote regionale industriecomplexen. Het aanwijzen van de industrieterreinen van provinciaal belang waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld, is een beleidsneutrale omzetting van de op grond van artikel 163, tweede lid van de Wet geluidhinder aangewezen gezoneerde industrieterreinen in de Omgevingsverordening Zeeland 2018.

Artikel 3.6 16.6 Aanwijzing industrieterreinen waarvoor een geluidproductieplafond geldt

Voor de meeste industrieterreinen waar activiteiten kunnen worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, stellen gemeenten geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vast in het omgevingsplan. Bij industrieterreinen van regionale betekenis ligt deze taak bij de provincie. Industrieterreinen met regionale betekenis zijn terreinen met een economische functie die de gemeentegrenzen of gemeentelijke belangen duidelijk overstijgen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij zeehavens en grote regionale industriecomplexen.

In dit artikel zijn acht bestaande industrieterreinen aangewezen als industrieterreinen waarvoor de provincie omgevingswaarden als geluidproductieplafonds vaststelt. Dit zijn de huidige/voormalige gezoneerde industrieterreinen van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid van de Wet geluidhinder.

Afdeling 3.2 16.2 Monitoring
Paragraaf 3.2.1 16.2.1 Monitoring omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

Uit artikel 20.1 van de Omgevingswet volgt dat voor iedere vastgestelde omgevingswaarde moet worden bewaakt of aan de omgevingswaarde wordt voldaan (verplichte monitoring). De omgevingsverordening bepaalt de methode van monitoring en wijst het bestuursorgaan of een andere instantie aan die met de uitvoering van de monitoring is belast (artikel 20.2, eerste lid Ow). 

In deze gevallen is dat het waterschap en het gaat daarbij om: 

  • omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen en

  • omgevingswaarden met het oog op de afvoer- en bergingscapaciteit van regionale wateren (tegengaan van wateroverlast) 

Het bestuursorgaan dat met de monitoring is belast zorgt voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan de omgevingswaarden wordt voldaan (artikel 20.14 Omgevingswet). In de omgevingsverordening is bepaald dat over de frequentie van de verslaglegging afstemming plaats vindt tussen de provincie en het waterschap.

Artikel 3.8 16.8 Monitoring omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren

In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan regels in hoofdstuk 20 van de Omgevingswet (monitoring en informatie). Uit artikel 20.1 van de Omgevingswet volgt dat voor iedere vastgestelde omgevingswaarde, dus ook de omgevingswaarden met het oog op de afvoer- en bergingscapaciteit van regionale wateren (tegengaan van wateroverlast), moet worden bewaakt of aan de omgevingswaarde wordt voldaan (verplichte monitoring). Uit artikel 20.2 van de Omgevingswet volgt dat daarbij in de omgevingsverordening ook het bestuursorgaan dat met de uitvoering van de monitoring is belast wordt aangewezen (in dit geval het waterschap) en regels worden gesteld over de frequentie en methode van monitoring. Uit artikel 20.14 van de Omgevingswet volgt dat het bestuursorgaan dat met de monitoring is belast zorgt voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan de omgevingswaarden wordt voldaan. Uit de omgevingsverordening volgt dat over de frequentie van de verslaglegging afstemming plaats vindt tussen de provincie en het waterschap.

Hoofdstuk 4 17 Toedeling van taken

Afdeling 4.1 17.1 Vaarwegbeheer
Paragraaf 4.1.1 17.1.1 Toedeling vaarwegbeheer

In de Omgevingswet is geregeld welk bestuursorgaan belast is of wordt met het beheer van watersystemen. Alle watersystemen, of onderdelen daarvan in beheer bij het Rijk, worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. In de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige zorg. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie zoals beschreven in de Waterschapswet. 

De Omgevingswet bepaalt in artikel 2.18, tweede lid, dat voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan, bij provinciale verordening beheerders worden aangewezen. Hierbij dient wel artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen. 

Deze afdeling heeft betrekking op het vaarwegbeheer: het beheer van de infrastructuur waarover scheepvaartverkeer moet kunnen plaatsvinden. In de praktijk wordt dit wel omschreven als 'het instandhouden van de bak'. Voor het (technisch) beheer van de droge infrastructuur zijn richtlijnen opgenomen in de Wegenwet. Voor het beheer en onderhoud van de natte infrastructuur is echter geen specifiek wettelijk kader beschikbaar, vandaar dat hierover een regeling in de omgevingsverordening is getroffen. 

Deze afdeling heeft geen betrekking op het nautisch beheer. Het nautisch beheer is gericht op het bevorderen van een veilige, vlotte en doelmatige afwikkeling van het scheepvaartverkeer, onder andere door regulering en handhaving. Het nautisch beheer is grotendeels geregeld in de Scheepvaartverkeerswet en de daaruit voortvloeiende regelingen zoals het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Besluit Administratieve Bepalingen Scheepvaartverkeer (BABS). Voor de provinciale vaarwegen heeft de provincie in aanvulling hierop een nautische verordening vastgesteld. Die nautische bepalingen vallen buiten het stelsel van de Omgevingswet, en horen daarom niet thuis in de omgevingsverordening.

Artikel 4.1 17.1 Toedeling vaarwegbeheer aan provincie en gemeenten

In dit artikel is het vaarwegbeheer van enkele wateren toegedeeld aan de provincie en de gemeenten Goes en Schouwen-Duiveland. Artikel 2.18, tweede lid, van de Omgevingswet vereist dat het vaarwegbeheer, als dat bij een ander overheidslichaam ligt dan het waterschap, via de omgevingsverordening wordt toegedeeld. Hoewel de toedeling van het vaarwegbeheer nog niet eerder bij verordening was vastgelegd, is er geen sprake van een nieuwe taak. De gemeenten Goes en Schouwen-Duiveland voeren van oudsher het beheer uit van de havenkanalen in Goes en Zierikzee. Deze staande praktijk wordt nu ook vastgelegd in de omgevingsverordening.

Toedeling van het vaarwegbeheer aan het waterschap is niet nodig. Het vaarwegbeheer door het waterschap valt binnen de reguliere taak van het waterschap op grond van het reglement.

Paragraaf 4.1.2 17.1.2 Onderhoud aan provinciale vaarwegen

Deze paragraaf bevat regels over onderhoud aan provinciale vaarwegen, wie waarvoor onderhoudsplichtig is bij de provinciale vaarwegen.

Artikel 4.2 17.2 Vaarwegonderhoud door gedeputeerde staten

Dit artikel bepaalt dat het onderhoud van vaarwegen door gedeputeerde staten wordt uitgevoerd. Tevens is een omschrijving gegeven van wat er tot deze taak wordt gerekend.

Artikel 4.3 17.3 Onderhoudsplicht door anderen

Soms zijn andere publieke of private partijen verantwoordelijk voor het onderhoud, bijvoorbeeld op basis van wettelijke bepalingen of privaatrechtelijke afspraken. Dit artikel maakt duidelijk dat de onderhoudsverplichting in artikel 4.217.2 deze verantwoordelijkheid niet opzij zet.

Afdeling 4.2 17.2 Natuur

Deze afdeling bevat de regels over de organisatie van de fauna- en wildbeheereenheden.

Paragraaf 4.2.1 17.2.1 Faunabeheereenheid

Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. Zij zijn ook verantwoordelijk voor het opstellen van de faunabeheerplannen en de verantwoording daarover. De faunabeheereenheden zijn samenwerkingsverbanden van jachthouders – personen die op grond van artikel 8.3 van de Omgevingswet gerechtigd zijn tot de uitoefening van de jacht – en van anderen, zoals maatschappelijke organisaties. 

Provinciale staten stellen bij omgevingsverordening regels waaraan de faunabeheereenheid moet voldoen (artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingswet).

Artikel 4.4 17.4 Eisen aan de faunabeheereenheid

In Zeeland is op dit moment één faunabeheereenheid actief. De vorming van meerdere faunabeheereenheden binnen de provincie Zeeland is niet mogelijk. Dit artikel voorziet erin dat de huidige situatie zich kan voortzetten.

Artikel 4.5 17.5 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid

In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn de maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd die belang hebben bij de uitvoering van het faunabeleid, zoals jagers, de landbouwsector en de organisaties die natuurterreinen beheren.

Om draagvlak voor het te voeren faunabeheer te verkrijgen is een brede maatschappelijke samenstelling van het bestuur een pré. Vanuit dit uitgangspunt wordt een bestuur samengesteld uit vertegenwoordigers van de in het eerste en tweede lid genoemde organisaties.

Vanwege het belang van de grondgebruiker bij een goed functionerende faunabeheereenheid, hecht de provincie aan een goede vertegenwoordiging van deze groepering in de faunabeheereenheid. Naast de belangen van grondgebruikers bij een goed functionerende faunabeheereenheid, liggen deze er ook voor de natuurterrein beherende organisaties. In natuurgebieden voorkomende dieren hebben in veel gevallen een duidelijke invloed op de omgeving.

Omgekeerd kan het ook zo zijn dat (schade beperkende) maatregelen in de landbouwgebieden hun weerslag hebben op -het functioneren van- het natuurgebied. Niet alleen vanwege wederzijdse beïnvloeding hebben natuur beherende organisaties belang bij samenwerking in een faunabeheereenheid. Ook indien, uit oogpunt van (natuur)beheer maatregelen met betrekking tot dieren in een natuurgebied getroffen moeten worden, zal dit, in geval hiervoor een omgevingsvergunning nodig is, door tussenkomst van een faunabeheereenheid moeten plaatsvinden. Gelet op de specifieke deskundigheid die dit vraagt, en het direct belang van de betrokken organisaties, is een belangrijke rol van de natuurterrein beherende organisaties in de faunabeheereenheid gewenst.

In artikel 6.1, tweede lid, onder b van het Omgevingsbesluit is bepaald dat – naast de jachthouders - in de faunabeheereenheid ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd moeten zijn die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid.

Hoewel vanuit de betrokken organisaties meerdere vertegenwoordigers in het bestuur kunnen zitten, kan er slechts één vertegenwoordiger worden voorgedragen voor een bestuurszetel en daarmee een stem in het bestuur van de faunabeheereenheid. Hiermee wordt de huidige werkwijze binnen de faunabeheereenheid voortgezet.

De onafhankelijke voorzitter is - bij staking van stemmen - de doorslaggevende stem in het bestuur van de faunabeheereenheid. Deze onafhankelijkheid wordt geborgd door middel van benoeming van de voorzitter door gedeputeerde staten.

Paragraaf 4.2.2 17.2.2 Wildbeheereenheden

De provincie stelt regels aan de omvang van de werkgebieden, lidmaatschap en werkzaamheden van wildbeheereenheden. 

In het stelsel van populatiebeheer en schadebestrijding hebben de wildbeheereenheden een belangrijke rol. In artikel 8.2 van de Omgevingswet is de verplichting opgenomen voor jachthouders met een omgevingsvergunning voor het gebruik van het jachtgeweer (jachtgeweeractiviteit) om zich met anderen te organiseren in een wildbeheereenheid, die de vorm van een vereniging heeft. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen zich bij een wildbeheereenheid aansluiten, gezien het belang dat zij bij de daardoor uitgevoerde werkzaamheden hebben. De aansluitplicht voor jachthouders met een omgevingsvergunning voor het gebruik van het jachtgeweer draagt bij aan een samenhangende uitvoering van duurzaam beheer van populaties, schadebestrijding en jacht. Zij draagt ook bij aan een goede regionale inbedding van deze activiteiten, aangezien wildbeheereenheden bij uitstek streekgebonden samenwerkingsverbanden zijn. 

De wettelijke taak van de wildbeheereenheden is het geven van uitvoering aan het faunabeheerplan en bevorderen dat het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de jacht worden uitgevoerd in samenwerking met, en ten dienste van, grondgebruikers of terreinbeheerders. Ook adviseren de wildbeheereenheden over de inhoud van de faunabeheerplannen. De feitelijke uitvoering van het faunabeheerplan vindt plaats door de bij de wildbeheereenheid aangesloten jachthouders met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit; de wildbeheereenheid bevordert en coördineert de uitvoering. 

Op grond van artikel 8.2, vijfde lid, van de wet worden bij omgevingsverordening regels gesteld over wildbeheereenheden. Die regels hebben in ieder geval betrekking op de omvang en de begrenzing van hun werkgebieden en over de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zijn uitgezonderd van de aansluitplicht. De regels in deze paragraaf geven hier invulling aan. De regels over werkgebieden zijn van belang, om te verzekeren dat deze een voldoende omvang hebben voor een effectieve invulling van de werkzaamheden en om overlap te voorkomen. De regels over afwijkingen van de aansluitplicht kunnen van belang zijn voor grote terreinbeherende organisaties, waarvoor de verplichting om zich aan te sluiten bij wildbeheereenheden veelal weinig meerwaarde zal hebben: een samenhangend en verantwoord beheer van hun terreinen is verzekerd gelet op de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen.

Artikel 4.6 17.6 Omvang en begrenzing werkgebied wildbeheereenheid

De werkgebieden van de wildbeheereenheden moeten van voldoende omvang zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. Provinciale staten stellen bij omgevingsverordening regels aan de omvang van de werkgebieden. 

Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Zeeland aan de bij dit hoofdstuk gestelde eisen voldoen. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied; dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied.

Met dit artikel wordt beoogd dat voor iedere jachthouder duidelijk is bij welke wildbeheereenheid hij zich dient aan te sluiten. Publicatie op het internet van de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid door zowel de wildbeheereenheid zelf als de faunabeheereenheid draagt hier aan bij. Voor de faunabeheereenheid is het tevens van belang om in het kader van het opstellen van het faunabeheerplan op de hoogte te zijn van de actuele begrenzing.

Artikel 4.7 17.7 Lidmaatschap wildbeheereenheid en geschillen

Het niet handelen conform het faunabeheerplan kan aanleiding zijn om het lidmaatschap van een wildbeheereenheid te beëindigen. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de jachthouder die het betreft, aangezien deze in de regel dan geen omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit kan krijgen. Het is het bestuur van de wildbeheereenheid dat kan beslissen om het lidmaatschap te beëindigen voor een te bepalen periode. Over het voornemen een lidmaatschap (tijdelijk) te beëindigen, wordt door het bestuur van de wildbeheereenheid een advies ingewonnen bij het bestuur van de faunabeheereenheid. Het is immers de faunabeheereenheid die, op grond van feiten, kan beoordelen of het handelen van een lid van een wildbeheereenheid in strijd is met het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan. De wildbeheereenheden hebben een gezamenlijke geschillenregeling om onder meer geschillen over beëindiging van het lidmaatschap te behandelen.

Artikel 4.8 17.8 Uitzondering lidmaatschap wildbeheereenheid

Gezien het belang dat anderen bij de werkzaamheden van de wildbeheereenheden kunnen hebben, zoals grondgebruikers – die geen jachthouder zijn – uit de streek, is voorzien dat ook zij lid kunnen worden van een wildbeheereenheid. Voor grote terrein beherende organisaties zal de verplichting om zich aan te sluiten bij wildbeheereenheden veelal weinig meerwaarde hebben: een samenhangend en verantwoord beheer van hun terreinen is verzekerd gelet op de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen. Medewerkers van deze organisaties die in het bezit zijn van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, kunnen worden beschouwd als jachthouders met omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, wanneer ze jagen op de gronden in bezit van de werkgever. 

De Omgevingswet (artikel 8.2, vijfde lid, onderdeel b) biedt de mogelijkheid aan provincies om deze personen van de aansluitplicht vrij te stellen bij omgevingsverordening. Voorwaarde is wel dat zij zijn aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelnemen aan de gegevensverzameling voor het faunabeheerplan en de uitvoering daarvan.

Artikel 4.9 17.9 Werkzaamheden wildbeheereenheid

In het faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld moeten worden als onderbouwing van omgevingsvergunningen voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.

Afdeling 4.3 17.3 Zwemlocaties

In deze afdeling worden de houders voor zwemlocaties aangewezen. Ook is er voor die houders een zorgplicht opgenomen.

Artikel 4.10 17.10 Aanwijzing houder zwemlocaties

In afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructieregels van het Rijk over kwaliteit en beheer van zwemlocaties in het belang van veilig gebruik van deze locaties. De provincie heeft als taak om zwemlocaties (jaarlijks) aan te wijzen en heeft daarvoor de instemming nodig van de waterbeheerder. Ook stelt de provincie per locatie de duur van het badseizoen vast. De provincie en de waterbeheerder moeten samen ervoor zorgen dat de kwaliteit van het zwemlocatie voldoet aan de omgevingswaarde die het Rijk daarvoor heeft gesteld. Daarbij is de provincie verantwoordelijk voor de veiligheid van zwemlocaties en heeft de waterbeheerder de zorg voor de kwaliteit van het zwemwater en de monitoring daarvan. De provincie heeft als taak het publiek voor te lichten over de kwaliteit van het de zwemlocatie en eventuele risico’s voor gezondheid en veiligheid. Als het moet kan de provincie een waarschuwing, negatief zwemadvies geven of een zwemverbod instellen. Dat kan als de kwaliteit van de zwemlocatie te grote risico’s oplevert voor de bezoekers.

De Omgevingswet regelt voor zwemlocaties alleen de taken en verantwoordelijkheden van de provincie en de waterbeheerders. De wet geeft geen regels voor de mede van belang zijnde verantwoordelijkheden en dagelijkse werkzaamheden van houders van zwemlocaties om de deze locaties schoon en veilig te houden. De houder van een zwemlocatie is degene bij wie en voor wiens rekening en risico het beheer van een zwemlocatie en daarmee samenhangende infrastructuur en voorzieningen berust. Dat kan de gemeentelijke overheid zijn, maar ook de eigenaar of exploitant die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie.

Om de taken en de verdeling van verantwoordelijkheden van de provincie, de waterbeheerder en de houders van zwemlocaties nader te regelen en verduidelijken, zijn in de artikelen 2.206 en 2.207 de houders van zwemlocaties aangewezen en regels gesteld over de zorgplicht van de houders van deze locaties.

Artikel 4.11 17.11 Zorgplicht aangewezen zwemlocaties

Dit artikel bevat, in aanvulling op afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, regels over de zorgplicht en verantwoordelijkheden van de aangewezen houders van zwemwaterlocaties. De achtergrond om houders van zwemlocaties aan te wijzen, wordt toegelicht bij artikel 2.206. De in dit artikel opgenomen elementen van de zorgplicht sluiten overwegend aan op de vóór inwerkingtreding van het Besluit kwaliteit leefomgeving bestaande praktijk en contacten tussen de provincie en de bij zwemlocaties betrokken overheden en partijen. Wanneer in de praktijk behoefte zou ontstaan aan uitleg over de reikwijdte en toepassing van deze regels in concrete gevallen, dan zal in overleg tussen de provincie, betrokken waterbeheerder en houder van de betreffende zwemlocatie naar een passende oplossing worden gezocht, in samenhang met doel en strekking van afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 5 18 Instructieregels aan gemeenten

Hoofdstuk 5 van de verordening richt zich op gemeenten, waterschappen, gedeputeerde staten en fauna beheereenheden en bevat voor hen instructieregels. Met een instructieregel wordt beoogd dat de omgevingswaarden of andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Ow). 

De provincies kan met rechtsregels andere bestuursorganen instrueren hun taken en bevoegdheden op een specifieke wijze uit te voeren. Er zijn provinciale belangen die vereisen dat de bevoegdheden van decentrale overheden worden ingekaderd of dat inhoudelijk wordt gestuurd op de uitoefening van een taak door een gemeente, waterschap of binnen de provincie door gedeputeerde staten. Een deel van de provinciale taken wordt in deze omgevingsverordening geregeld via instructieregels.

Afdeling 18.1 Bedrijven

[Red: Sectie 5.1 verplaatst van sectie 5.1.1 naar sectie 18.1. ]

Artikel 5.1 18.1 Bedrijven

In artikel 5.1.1 worden regels gesteld over de ontwikkeling van bedrijven. Noodzaak in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit / openheid van het buitengebied. Tevens streeft de Provincie naar herstructurering van bestaande terreinen.

In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat de ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid in beginsel moet plaatsvinden op locaties waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan. Dit kan op grond van een omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning.

Voorts mag bedrijvigheid worden toegelaten op nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen, binnen het kader zoals bedoeld in de ladder duurzame verstedelijking. Een beleidsmatige doelstelling is verder dat het overgrote deel van de nieuw te ontwikkelen bedrijvigheid wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen. Voor de begrenzing van deze terreinen is uitgegaan van de ten tijde van de voorbereiding van de verordening geldende bestemmingsplannen waarin deze terreinen voor bedrijven zijn bestemd. Daarbij is gekozen voor een (bruto) begrenzing van de terreinen met inbegrip van de groenstroken rond de terreinen. Met aansluitend wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. De aanwijzing in deze verordening als "grootschalig bedrijventerrein" is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. Het betreft terreinen met een zekere ontwikkelingspotentie gezien de ligging, de ontsluiting en het economisch belang.

De bestaande grootschalige bedrijventerreinen zijn:

Regio De Bevelanden

  • Hertenweg (gemeente Borsele)

  • De Poel I en IV, De Poel II en III en Deltaweg (gemeente Goes)

  • Smokkelhoek (gemeente Kapelle)

  • Nishoek en Olzendepolder (gemeente Reimerswaal)

Regio Schouwen-Duiveland

  • Bruinisse en Straalweg (gemeente Schouwen-Duiveland)

Regio Tholen

  • Welgelegen (gemeente Tholen)

Regio Walcheren

  • Arnestein en Mortiere I (gemeente Middelburg)

  • Kenniswerf (Edisonweg, Binnenhavens), Poortersweg en Souburg (gemeente Vlissingen)

Regio Zeeuws-Vlaanderen

  • Handelspoort, Koegorspolder en Noorderdokken (gemeente Terneuzen)

  • Hogeweg en Hogeweg V (gemeente Hulst)

In aanvulling op bovengenoemde bestaande grootschalige bedrijventerreinen is nieuwvestiging van nieuwe grootschalige bedrijventerreinen op grond van deze verordening niet uitgesloten. Bij de indeling tussen grootschalige en kleinschalige terreinen geldt in het algemeen dat kleinschalige bedrijventerreinen ruimte bieden aan bedrijven tot en met milieuhindercategorie 3 en met een kavelgrootte van maximaal 0,5 hectare. Kleinschalige bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats of de omgeving waar het toe hoort. Grootschalige bedrijventerreinen worden over het algemeen gekenmerkt door een grotere kavelgrootte en de mogelijkheid voor het accommoderen van bedrijfsactiviteiten tot en met milieuhindercategorie 4. Bedrijvigheid op grootschalige terreinen heeft veelal een regionale of bovenregionale schaal.

Een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt tevens aannemelijk dat de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is en dat duurzaam beheer en onderhoud gewaarborgd is.

Klimaatbestendig wil zeggen dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de mate waarin een gebied bestendig is tegen hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingsrisico’s. Dit uitgangspunt sluit aan bij het landelijke en Zeeuwse beleid voor klimaatadaptatie. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig moet zijn ingericht. In Zeeland is dit met de mede-overheden uitgewerkt in de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland 2021-2026 (KasZ) inclusief bijbehorende Uitvoeringsagenda en convenant. Deze documenten zijn door alle bevoegde gezagen vastgesteld. In beginsel is daarmee elk bevoegd gezag gehouden aan de opgave. In de KasZ staat over het klimaatbestendig inrichten van de buitenruimte dat (…) voor alle nieuwe ontwikkelingen, binnen en buiten het bestaand bebouwd gebied de klimaatopgave verplicht wordt meegenomen in de brede (o.a. ruimtelijke) afweging (…). Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling in eerste instantie vanuit zichzelf klimaatbestendig moet zijn. Daarnaast moet afgewogen worden of de ontwikkeling bij kan dragen aan het oplossen van de klimaatopgave van de omgeving waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt.

Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.

Daarnaast maakt de motivering bij een omgevingsplan, dat nieuwvesting of uitbreiding mogelijk maakt, aannemelijk dat in de woonbehoefte van de toekomstige werknemers wordt voorzien (tweede lid onder sub e). Dit is vooral nodig als er sprake is van een substantiële toename van werkgelegenheid en is nog meer van belang als de verwachting is dat een deel van deze arbeidskrachten in het buitenland geworven zal worden of als de bedrijvigheid veel tijdelijke arbeidskrachten aantrekt. Een dergelijke motivering kan gebaseerd zijn op een effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid, waarvoor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking heeft gemaakt.

Wat een goede landschappelijke inpassing ten behoeve van biodiversiteit en landschap is hangt af van de locatie en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als indicatie geldt voor een afschermende groengordel een breedte van 10 meter als algemene norm. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een plan voor de landschappelijke inpassing dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal. 

Daarin zijn opgenomen:

  • Een beschrijving van de ontwikkeling; 

  • Kenmerken van de locatie en visualisaties; 

  • Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding, beplanting, perceelsranden;

  • Een beheerplan; 

  • Een beplantingslijst.

Kleinschalige bedrijventerreinen hebben beperkte uitbreidingsmogelijkheden. De hoofdregel in lid drie biedt de mogelijkheid voor een eenmalige beperkte afronding, waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Het begrip éénmalig is voor het eerst benoemd in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Eénmalig betekent daarom dat kleinschalige bedrijventerreinen die na 7 november 2018, de datum van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, al zijn uitgebreid niet meer in aanmerking komen voor een verdere uitbreiding. IJkpunt hierbij is de datum van het onherroepelijk worden van het betreffende bestemmingsplan. Ook terreinen die al als afgerond kunnen worden beschouwd, door het bereiken van landschappelijke of infrastructurele grenzen kunnen niet verder uitgebreid worden. Onder een beperkte afronding waaronder wordt verstaan een netto afronding of uitbreiding van ten hoogste 20% of maximaal 0,5 hectare. Onder een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt in ieder geval niet verstaan het verwezenlijken van een gebruikelijke landschappelijke inpassing (groenstrook van 5 tot 10 meter breed). Die maakt immers deel uit van de in lid 2 regel dartikel 18.1, tweede lid benoemde reguliere eisen die aan dergelijke ontwikkelingen mogen worden gesteld. Tevens wordt opgemerkt dat de verplaatsing van bedrijven uit de kern niet per definitie een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein met zich mee brengt. Onder een verbetering van ruimtelijke kwaliteit wordt onder andere verstaan een meer dan gebruikelijke groenstructuur rond het bedrijventerrein of het oplossen van bedrijfsgerelateerde knelpunten door de aanwezigheid/uitbreiding van het bedrijf op die locatie. Voorbeelden hiervan zijn een aanzienlijke verbetering van de openbare ruimte/de inrichting of de ontsluiting van het terrein of de directe omgeving ervan, het oplossen van hinder door geur, trilling, geluid, stof, het oplossen van knelpunten op het gebied van externe veiligheid, enzovoorts.

Hoewel de hoofdregel in het derde lid staat, zijn er specifieke situaties denkbaar waarin een win-win situatie kan ontstaan voor zowel de ondernemer als de provinciale en algemene belangen en het noodzakelijk is meer dan de norm uit te breiden. Deze situaties zijn altijd per geval te beoordelen. 

Het vierde lid biedt de mogelijkheid om meer uit te breiden dan 20%. Bij de beoordeling is het een voorwaarde dat elders in de Provincie Zeeland alle uitbreiding boven de gegeven norm wordt gesaneerd en de mogelijkheid van bedrijfsvestiging uit het omgevingsplan wordt gehaald. Het doel hiervan is dat er netto geen uitbreiding van bedrijventerreinen plaatsvindt. Daarnaast is dit wel een extra mogelijkheid voor bedrijven. De win-win situatie kan met name ontstaan als er naast de eenmalige uitbreiding bovendien aanwezige en/of te verwachten andere knelpunten tegelijkertijd verminderen/oplossen. Daarnaast is deze regeling een instrument om de herstructurering/sanering van verouderde bedrijventerreinen verder te stimuleren.

Het vijfde lid biedt de mogelijkheid van een aanwijzing van een kleinschalig bedrijventerrein als kleinschalig-plus bedrijventerrein. Deze aanwijzing als 'kleinschalig-plus bedrijventerrein' is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. De kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn bedoeld om meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan lokale economische bedrijvigheid t.b.v. de economische vitaliteit en leefbaarheid van de omliggende kern(en). Kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats en omgeving. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein is uitdrukkelijk geen grootschalig bedrijventerrein, door het onderscheid in kavelgrootte, milieucategorie en schaalniveau. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein heeft niet de beperking van 20% uitbreiding die kleinschalige bedrijventerrein wel hebben. De overige randvoorwaarden voor ruimte, landschap en ontsluiting zijn gelijk aan die van kleinschalige bedrijventerreinen.

Economie en bedrijvigheid zijn zowel een gemeentelijk als een regionaal vraagstuk. Bedrijfsverplaatsingen vinden voor het grootste deel plaats binnen gemeentegrenzen en met gemeenten in de regio, veelal de buurgemeenten. Grootschalige bedrijventerreinen hebben een regionale en soms bovenregionale functie. De provincie heeft een coördinerende rol in het afstemmingsproces en ziet erop toe dat lokaal beleid in lijn is met de regionale economische ontwikkeling en de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen. De provincie benoemt in lid zes vijf regio's waarbinnen dit afstemmingsproces plaats moet vinden. Dit zijn de regio's Schouwen-Duiveland, Tholen, de Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen.

Afstemming vindt plaats in de regionale bedrijventerreinenprogramma's. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gemaakt door de gemeenten in de regio. De door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's behoeven de instemming van gedeputeerde staten. Zonder regionale bedrijventerreinenprogramma's kunnen bedrijventerreinontwikkelingen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Regionale bedrijventerreinafspraken moeten uiterlijk binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen en worden vervolgens tweejaarlijks geactualiseerd. Indien afspraken niet tijdig tot stand komen kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinenprogramma's vaststellen. Dit doen gedeputeerde staten alleen in uitzonderingssituaties in het provinciaal belang.

De regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gebaseerd op de dan meest actuele provinciale bedrijventerreinenprognose. Van de inzichten uit de provinciale prognose kan bij het maken van regionale bedrijventerreinenafspraken alleen gemotiveerd worden afgeweken als hier gegronde redenen voor zijn en voor zover de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn. 

Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie.

De hoofdregel dat bedrijven alleen zijn toegestaan op een bedrijventerrein en locaties waarop reeds bedrijven zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, is niet van toepassing op enkele in het vijfde lid genoemde bedrijven, voorzieningen en activiteiten. Het betreft onder andere specifieke voorzieningen zoals afvalstort, grondstoffenwinning, olie en gaswinning, horeca- en recreatiebedrijven. Daarnaast zijn hier ook genoemd de zogenaamde nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied.

Nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied

De verwachting bestaat dat een substantieel deel van de agrarische ondernemers de agrarische activiteiten zal beëindigen. Herbestemming of sanering van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om verpaupering te voorkomen. Nieuwe economische dragers leveren een bijdrage aan het behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. De Provincie streeft naar voldoende ruimte voor nieuwe en uitbreiding van bestaande niet- agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Bovendien wil de Provincie onnodige verstening van het landelijk gebied tegengaan. Een nieuwe activiteit dient daarom een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Wat in het landelijk gebied wordt gerealiseerd wordt echter niet in de kern of op een bedrijventerrein gerealiseerd. Dit vraagt om afstemming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied en de mogelijkheden in of aansluitend aan de kernen.

Naast de ontwikkelingsruimte voor wonen en recreatie biedt de Provincie in het landelijk gebied ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe economische dragers. Het gaat per definitie om kleinschalige activiteiten die qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied.

In bijlage III is een voorbeeldlijst opgenomen van mogelijke activiteiten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun omgevingsplan een vergelijkbare lijst opnemen met toegestane activiteiten.

Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun afweging het waterschap betrekken zodat de waterschapsbelangen (verkeersontsluiting) geborgd zijn.

Wanneer realisatie, uitbreiding of nieuwvestiging van een nieuwe economische drager in het landelijk gebied infrastructurele aanpassingen noodzakelijk maken, zijn de kosten voor deze aanpassingen voor rekening van de initiatiefnemer of de gemeente die de ontwikkeling mogelijk maakt. Initiatieven mogen niet leiden tot belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. In het veertiende lid is bepaald dat nieuwvestiging in nieuwe bebouwing is toegestaan als de motivering van het omgevingsplan aannemelijk maakt dat het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt. Met de regio wordt bedoeld Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, Tholen, Schouwen-Duiveland of de Bevelanden.

Waar de Nieuwe Economische Drager een verblijfsrecreatieve voorziening is, wordt verwacht dat deze voldoet aan een aantal kwalitatieve voorwaarden t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau van logiesaccomodaties.

Bij een NED is een uitgangspunt inderdaad (gebruik van) bestaande bebouwing, maar er kan ook sprake zijn van uitbreiding (onder voorwaarden) dan wel nieuwvestiging (onder voorwaarden/sanering). Afhankelijk van bestaand/nieuw/uitbreiding/sanering zal er in relatie met het omringende landschap en dichtheid/omvang bebouwing passendheid moeten worden gezocht. Passend in het landschap kan betekenen dat gebouwen wegvallen in het landschap, evenals dat er aandacht is voor de structuur en karakter van het (oorspronkelijke) erf, voor elementen uit het (cultuurhistorisch) landschap rondom en het DNA van de leefomgeving.

De hier beschreven mogelijkheden zijn niet van toepassing op nieuwvestiging van bedrijven die zich richten op de industriële verwerking van producten. Nieuwvestiging van dergelijke bedrijven is uitsluitend mogelijk op bedrijventerreinen/zeehavens.

Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening legaal aanwezige activiteiten die niet voldoen aan de hiervoor genoemde uitgangspunten mogen in beginsel worden gecontinueerd.

Onder "overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid" worden onder meer begrepen: gemalen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en vergelijkbare milieudienstverlening, radarinstallaties etc.

Lijst nieuwe economische dragers

In het beleid ten aanzien van het realiseren van Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied wordt voor de toegestane activiteiten onderscheid gemaakt in het hergebruiken van bestaande bebouwing en nieuwvestiging. Daar waar het gaat om het hergebruiken van bestaande bebouwing bepaalt de gemeente welke activiteiten kunnen worden toegestaan. Hiertoe neemt de desbetreffende gemeente een lijst met toegestane activiteiten op in het omgevingsplan.

De lijst in bijlage III kan daarbij worden beschouwd als een voorbeeldlijst. Dit is niet het geval voor de mogelijkheden voor nieuwvestiging van een nieuwe economische drager. Daarvoor heeft deze lijst een limitatief karakter. Voor activiteiten waarvoor nieuwvestiging tot de mogelijkheden behoort is dit apart met een X aangegeven. Gemeenten kunnen van de in de tabel voor nieuwvestiging aangegeven activiteiten afwijken voor activiteiten die naar aard, verkeersaantrekking en invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met de in de tabel genoemde activiteiten.

Voorwaarde nieuwvestiging agrarisch bouwvlak

Voor agrarische bedrijven, bedoeld in het vijfde lid, sub g, van dit artikel, geldt het volgende. In de afgelopen periode is een groot aantal agrarische bedrijven gestopt. Dit is een proces dat de komende jaren zal doorzetten. Vrijkomende agrarische bebouwing wordt hergebruikt door andere (nieuwe) agrarische ondernemers, herbestemd of gesaneerd. Door het afnemend aantal agrarische ondernemers zijn nieuwe agrarische bouwblokken niet noodzakelijk en willen we hiervoor ook geen mogelijkheden bieden om de openheid van het landelijk gebied te beschermen en hergebruik van bouwvlakken te bevorderen. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk in de gevallen zoals die zijn beschreven in het artikel (elfde lid). Ook in die gevallen gelden voorwaarden die zijn gericht op behoud van de openheid van het landelijk gebied.

Het gaat dan om gevallen waarin:

  • Sprake is van verplaatsing binnen een gemeente of regio, mits op het oude bouwblok ten minste alle agrarische opstallen worden gesaneerd en herbouw hiervan wordt tegengegaan of, ingeval van cultuurhistorische waardevolle bebouwing, op adequate wijze wordt herbestemd;

  • Sprake is van nieuwvestiging en geen vrijkomende agrarische bouwblokken beschikbaar zijn, de bedrijfseconomische noodzaak aantoonbaar is, en een bijdrage wordt geleverd in de sanering van agrarische opstallen elders.

Sanering van een eventueel aanwezige agrarische bedrijfswoning is daarbij niet noodzakelijk.

Voor het bepalen van de bijdrage voor sanering van agrarisch opstallen elders wordt verwezen naar het in 2013 afgesloten convenant tussen de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten (VZG) en de provincie waarbij afspraken zijn gemaakt over het door gemeenten te hanteren vereveningsprincipe, gebaseerd op een bij dat convenant behorende Handreiking Verevening. In de handreiking wordt uitleg gegeven over de achtergronden en de hoogte van de benodigde financiële compensatie en inzet van deze compensatie.

[Red: Sectie 5.2 verplaatst van sectie 5.1.1 naar sectie 18.1. ]

Artikel 5.2 18.2 Grootschalige logistiek en datacentra

Provincie Zeeland wil de vestiging van grootschalige logistiek en datacentra op ongewenste plekken en met weinig regionale meerwaarde voorkomen. Door de aard en omvang hebben grootschalige logistiek (waaronder distributiecentra) en datacentra grote invloed op de ruimte, het landschap en het omliggende wegennet. Grootschalige logistiek en datacentra met een oppervlakte van meer dan 5 hectare worden daarom niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat de ontwikkeling een significante regionale meerwaarde heeft. In het geval van logistieke bedrijvigheid moet daarnaast worden voorzien in een goede verkeersontsluiting in afstemming met de wegbeheerder.  

Het is ongewenst dat meerdere bedrijfskavels zodanig (kunnen) worden samengevoegd dat daardoor alsnog aaneengesloten bedrijfskavels ontstaan met een totale omvang groter dan 5 hectare. Dit is geregeld in het eerste lid onder sub b. Gemeenten kunnen op grond van het tweede lid Gedeputeerde Staten verzoeken om ontheffing te verlenen van het eerste lid.  

Om te beoordelen of sprake is van een significante regionale meerwaarde worden een aantal criteria gehanteerd die aansluiten bij de provinciale doelen uit de Zeeuwse Omgevingsvisie.  

1. Regionale binding: onderbouwd moet worden in hoeverre er reeds sprake is van regionale binding of hoe het bedrijf die binding tot stand wil brengen (beoordelingsaspecten: binding van de eindgebruiker aan de bedrijfskavel, inzicht in het aantal en de herkomst van de werknemers, relatie met afnemers of toeleveranciers in de regio, relatie met Zeeuwse kennis- en onderwijsinstellingen).  

2. Maatschappelijke en economische meerwaarde: onderbouwd moet worden dat de vestiging of uitbreiding van het bedrijf maatschappelijke en economische meerwaarde heeft (beoordelingsaspecten: aansluiting bij bestaande clusters of versterking van de regionaal economische structuur, innovatieniveau van product of dienst, aansluiting bij regionale arbeidsmarkt, mate van circulariteit en duurzaamheid).  

3. Wijze van benutten schaarse ruimte (fysiek, milieu en energie) en landschappelijke inpassing: onderbouwd moet worden dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en goede landschappelijke inpassing (beoordelingsaspecten: intensiteit ruimtegebruik (fysiek, milieu en energie), toegevoegde waarde per hectare, kwaliteit van de inpassing in de omgeving).  

De beoordelingsaspecten dienen voldoende onderbouwd te worden om te kunnen concluderen dat er sprake is van een significante regionale meerwaarde. Het gaat hierbij om een integrale afweging per potentiële (nieuw)vestiger. Er is dus een significante mate van regionale binding en maatschappelijke- en economische meerwaarde vereist in combinatie met een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing op de nieuwe (of uit te breiden) bedrijfslocatie. Daarbij dient de eindgebruiker van de nieuwe bedrijfsvestiging bekend te zijn, anders is het toetsen of er sprake is van regionale meerwaarde niet mogelijk. De verantwoordelijkheid voor de onderbouwing ligt bij de gemeente, al dan niet in afstemming met de initiatiefnemer.

[Red: Sectie 5.3   verplaatst van sectie 5.1.1 naar sectie 18.1. ]

Artikel 5.3   18.3 Loonwerkbedrijven

In dit artikel wordt ruimte geboden aan loonwerkbedrijven in het landelijk gebied. De begripsbepaling van loonwerkbedrijf is opgenomen in bijlage I behorende bij artikel 1.1 van deze verordening. Alleen bedrijven die loonwerk in het landelijk gebied als hoofdactiviteit verrichten vallen onder de begripsbepaling. Bedrijven die dit type werkzaamheden als neventak verrichten vallen onder artikel 5.1, vijfde lid, onder h en bijlage III bij deze verordening (regeling voor de vestiging van nieuwe economische dragers).

In het eerste lid zijn de voorwaarden opgenomen die gelden voor nieuwvestiging van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied.

De activiteiten op een loonwerkbedrijf gaan gepaard met verkeersbewegingen van grote landbouwmachines. Vaak over grotere afstanden tussen agrarische percelen en het bedrijf. Om deze verkeersbewegingen te bundelen op wegen die daarvoor geschikt zijn, kan gebruik worden gemaakt van het voorgeschreven netwerk uit het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland. De meest recente versie van dit netwerk is in 2022 opgesteld (www.kaarten.zeeland.nl/map/verkeersintensiteiten).

In het tweede lid zijn de voorwaarden opgenomen die gelden voor uitbreiding van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied.

Voor zowel nieuwvestiging als uitbreiding geldt dat de ontwikkeling niet ten koste mag gaan van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het betreffende gebied en dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en een goede verkeersontsluiting in afstemming met de wegbeheerder.

[Red: Sectie 5.4   verplaatst van sectie 5.1.1 naar sectie 18.1. ]

Artikel 5.4   18.4 Binnenhaven en loswal

De provincie stelt zichzelf ten doel een sterk netwerk van laad- en loslocaties ten behoeve van de binnenvaart te behouden. Ingezet wordt op regionale dekking, kwaliteit en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. Provinciaal belang is gelegen in het behoud van een sterk provinciaal netwerk van laad en losfaciliteiten voor de binnenvaart. Dit betekent behoud van de bestaande binnenhavens in Zeeland. In artikel 5.2 is hiertoe een instructieregel opgenomen. Geregeld is dat een functieverandering van één van de bestaande binnenhavens en loswallen alleen acceptabel is als er binnen 30 kilometer (over de weg) voldoende en passende overslagmogelijkheden of mogelijkheden voor bedrijfsvestiging zijn om de daar plaatshebbende overslag en gevestigde watergebonden bedrijven op te vangen.

[Red: Sectie 5.5   verplaatst van sectie 5.1.1 naar sectie 18.1. ]

Artikel 5.5   18.5 Kantoren

In artikel 5.5 18.5 worden regels gesteld over de ontwikkeling van nieuwe grootschalige kantoren. Het betreft kantoren met meer dan 1000 m2 bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen.

Hoofdregel is dat dergelijke kantoren zich alleen mogen vestigen in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen. Indien vestigingsruimte in de centra ontbreekt kunnen dergelijke kantoren gerealiseerd worden op een locatie aan een toegangsweg naar het stadscentrum, op een locatie dichtbij een doorgaande weg en op een locatie aan de stadsrand bij de toegangswegen. In de motivering dient aannemelijk gemaakt te worden dat vestigingsruimte, onder andere gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt.

Noodzaak van de regels in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit/openheid van het buitengebied. Verder draagt het beleidsdoel van bundeling en concentratie bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de stadscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden.

Afdeling 18.2 Detailhandel

[Red: Sectie 5.6   verplaatst van sectie 5.1.2 naar sectie 18.2. ]

Artikel 5.6   18.6 Detailhandel-kernwinkelgebied

In artikel 5.6 18.6 is bepaald dat een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening, primair kan worden gerealiseerd in een bestaand kernwinkelgebied. Een omgevingsplan dat geen bijdrage levert aan bundeling en concentratie is in beginsel strijdig met het beleidsdoel. Hierop zijn wel enkele uitzonderingen benoemd in de artikelen 5.4 tot en met 5.6. Hierbij bestaat wel afwegingsruimte. Bijvoorbeeld een supermarkt die ruimtelijk (in verband met omvang en verkeersontsluiting) aantoonbaar niet inpasbaar is in het kernwinkelgebied mag op enige afstand van het kernwinkelgebied, binnen stedelijk gebied worden toegestaan. Ook een bestaande winkel buiten het kernwinkelgebied kan enige ontwikkelingsruimte worden geboden. Hiervoor is wel een goede motivering nodig omdat een dergelijke situatie per definitie niet bijdraagt aan bundeling en concentratie in het kernwinkelgebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval een zorgvuldige belangenafweging dient te worden gemaakt.

Wat de motiveringsplicht betreft zoals opgenomen in het tweede lid wordt nog het volgende opgemerkt. Een beperkte uitbreiding of een nieuwvestiging van beperkte omvang vergt geen uitvoerige motivering. Naarmate de inbreuk op het geldende planologisch regime geringer is worden er ook minder zware eisen gesteld aan de motivering. Bij het toelaten van detailhandelsvoorzieningen binnen een kernwinkelgebied (binnenstad, dorpscentrum) is geen motivering per individuele winkel noodzakelijk maar kan worden volstaan met een algemene motivering die betrekking heeft op het desbetreffende gebied.

In het derde lid zijn enkele specifieke detailhandelsvoorzieningen opgenomen die onder voorwaarden ook buiten een bestaand kernwinkelgebied kunnen worden gerealiseerd. Onder volumineuze goederen worden verstaan: auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen en naar aard en omvang vergelijkbare goederen. Onder gevaarlijke goederen worden begrepen explosiegevaarlijke goederen, bestrijdingsmiddelen en naar aard vergelijkbare goederen. Handel in volumineuze en gevaarlijke goederen wordt doorgaans op bedrijventerreinen aan de rand van de stad gevestigd.

Onder een kleinschalige detailhandelsvoorziening wordt verstaan: een kleinschalige voorziening met een verzorgingsgebied dat zich in hoofdzaak beperkt tot de dorpskern.

Een voorbeeld van functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is: een benzinestation langs een (rijks)weg.

[Red: Sectie 5.7   verplaatst van sectie 5.1.2 naar sectie 18.2. ]

Artikel 5.7   18.7 Detailhandel in doelgerichte, laagfrequente aankopen en grootschalige detailhandelsvoorzieningen

Tot doelgerichte, laagfrequente aankopen worden gerekend: woninginrichting, keukens, sanitair, doe-het-zelf, bruin- en witgoed zoals elektronica (tv's, computers), wasmachines, koelkasten enz.

Bij grootschalige detailhandelsvoorzieningen is niet de aard en de omvang van de goederen bepalend maar de grootschaligheid van de vestiging. Onder grootschaligheid wordt verstaan een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer. Deze vorm van detailhandel heeft een bovenregionale functie en genereert verhoudingsgewijs veel mobiliteit en een daarmee samenhangende parkeerbehoefte. Ook voor grootschalige detailhandelsvoorzieningen wordt, gezien de bovenregionale functie, gestreefd naar bundeling op kansrijke locaties. Deze zijn in het eerste lid benoemd. De begrenzing is gebaseerd op de voor de betrokken gebieden geldende omgevingsplannen en relevante gemeentelijke beleidsdocumenten (zoals structuurvisies en in een enkel geval een intentieovereenkomst over de ontwikkeling van het gebied). Gekozen is voor een 'bruto' begrenzing inclusief groenstroken. Uitgegaan is van de functietoekenning (detailhandel) in de gemeentelijke plannen en andere beleidsdocumenten. Bepaalde omgevingsplannen laten nog andere functies toe op de in het eerste lid voor detailhandelsvoorzieningen aangegeven terreinen. Dit behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid. Vanuit provinciale optiek mag de gemeente ervoor kiezen de aangegeven terreinen geheel te benutten voor de aangegeven detailhandelsvoorzieningen, waarbij uiteraard wordt uitgegaan van het instandhouden van een goede landschappelijke inpassing van de locaties die grenzen aan het landelijk gebied.

In het delegatiebesluit is voor gedeputeerde staten een bevoegdheid opgenomen om de begrenzing van de aangegeven terreinen aan te passen. Het dient dan bijvoorbeeld te gaan om een ondergeschikte aanpassing ten behoeve van een efficiëntere indeling van het terrein.

Branches in de dagelijkse boodschappen en recreatief winkelen horen niet op perifere locaties (zoals bedrijventerreinen) en evenmin op locaties voor grootschalige detailhandel (PDV / GDV) te worden gevestigd. Met het elders geconcentreerd toelaten van detailhandel in doelgerichte, laagfrequente aankopen en GDV, indien de bestaande locaties geen ruimte meer bieden, wordt bedoeld het elders toelaten van een geconcentreerde ontwikkeling waarbij een bepaald totaal volume (bijvoorbeeld een eindbeeld van 20.000 m²) richtinggevend is. Het niet beschikbaar zijn van ruimte op een bestaande locatie mag worden bezien per individuele locatie. Indien bijvoorbeeld het Marconigebied in Goes volledig is benut kan elders, binnen de gemeente Goes, een vervangende locatie worden gezocht. Het is niet noodzakelijk eerst beschikbare ruimte op de overige in het eerste lid genoemde locaties daarbij in beschouwing te nemen. Ingevolge de algemene regels voor duurzame verstedelijking geldt uiteraard wel dat aandacht moet worden besteed aan regionale afstemming.

[Red: Sectie 5.8   verplaatst van sectie 5.1.2 naar sectie 18.2. ]

Artikel 5.8   18.8 Detailhandel bij dagrecreatieve voorzieningen

Tot slot worden, ter ondersteuning, nog mogelijkheden voor detailhandel geboden bij dagrecreatieve voorzieningen. De detailhandel dient wel inhoudelijk gerelateerd te zijn aan de dagrecreatieve voorziening en wat de vorm betreft daaraan ondergeschikt.

Extra mogelijkheden voor detailhandel worden geboden bij het ZEP Middelburg en de skihal te Terneuzen. Deze dagrecreatieve voorzieningen worden gezien als een aanwinst voor de regio, die in het belang van instandhouding van deze voorzieningen, een uitzondering op het algemene detailhandelsbeleid rechtvaardigt.

Afdeling 18.3 Wonen

[Red: Sectie 5.9 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.9 18.9 Vijf Zeeuwse woningbouwregio's

Wonen is een regionaal vraagstuk. Verhuisbewegingen vinden voor het grootste deel plaats binnen gemeentegrenzen en vervolgens met gemeenten in de regio, veelal de buurgemeenten. De provincie heeft een coördinerende rol. In de Zeeuwse Woondeal is afgesproken dat de provincie Zeeland een coördinerende rol vervult in het afstemmingsproces en erop toeziet dat lokaal beleid in lijn is met de afspraken uit de woondeal. In het Ontwerp-besluit versterking regie volkshuisvesting wordt dit bovendien juridisch verankerd. Daartoe wijst de provincie vijf regio’s aan waarbinnen dit afstemmingsproces plaats moet vinden. Dit zijn de regio’s Schouwen-Duiveland, Tholen, De Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen.

[Red: Sectie 5.10 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.10 18.10 Regionale woonafspraken in woningbouwregio's

Zonder regionale woonafspraken kunnen woningbouwontwikkelingen vanaf vier woningen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Om het afstemmingsproces te stroomlijnen worden woonafspraken gemaakt binnen de aangewezen woningbouwregio’s. Regionale woonafspraken worden gemaakt door de gemeenten in de regio en de provincie Zeeland. Er is sprake van regionale woonafspraken zodra gedeputeerde staten van de provincie Zeeland hiermee per brief instemmen. Regionale woonafspraken moeten uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van deze verordening (op 1 januari 2025) tot stand zijn gekomen en worden vervolgens jaarlijks geactualiseerd. Indien afspraken niet tijdig tot stand komen kunnen gedeputeerde staten regionale woonafspraken vaststellen. Dit doen gedeputeerde staten alleen in uitzonderingssituaties in het provinciaal belang.  

Uitgangspunten voor het maken van regionale woonafspraken 

Bij de regionale woonafspraken worden de dan meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland (KWOZ) en de provinciale planmonitor wonen betrokken (zie ook paragraaf 5.3.4). Van de inzichten uit de provinciale prognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen kan bij het maken van regionale woonafspraken alleen gemotiveerd worden afgeweken als hier gegronde redenen voor zijn en voor zover de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.

130% programmeren  

In aansluiting op de Zeeuwse woondeal wordt bij de regionale woonafspraken ingezet op 130% programmeren van de behoefte. Hiermee kan planuitval worden opgevangen en worden doorgebouwd. Hiervoor beschikken woningbouwregio’s over 130% plancapaciteit ten opzichte van de behoefte voor de komende tien jaar. Bij de plancapaciteit gaat het over alle plannen, zowel hard (onherroepelijk) als zacht. Richtlijn is voor de komende vijf jaar 100% harde plancapaciteit te hebben om de bouwstroom op gang te houden. 

Realisatie woningbouwplannen  

Om realisatie van woningbouwplannen te bevorderen wordt onbenutte plancapaciteit voor woningbouw die reeds vijf jaar niet is benut bij de regionale woonafspraken heroverwogen en waar nodig geschrapt uit het omgevingsplan. Hiermee wordt ruimte gemaakt voor plannen die wel gerealiseerd worden. De provinciale prognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor vormen de uitgangspunten bij deze heroverweging. Gemeenten worden aangemoedigd in plan- en contractvorming te sturen op realisatie van woningen. Wanneer uit de heroverweging blijkt dat een plan niet in een behoefte voorziet maakt de gemeente een plan van aanpak waarmee het woningbouwplan ofwel in een behoefte gaat voorzien ofwel geschrapt wordt. In dit laatste geval wordt ook aangegeven hoe dit met maximale voortvarendheid gaat conform de provinciale beleidsnotitie ruimte voor woonkwaliteit. De vijfjaarsperiode gaat in bij het onherroepelijk worden van het betreffende plan.

[Red: Sectie 5.11 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.11 18.11 Onderwerpen regionale woonafspraken

Om het beleid aan te laten sluiten op afspraken uit de woondeal moeten een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale woonafspraken. Hiermee wordt aangesloten op de onderwerpen uit de woondeal en voorgesorteerd op het Ontwerp-besluit versterking regie volkshuisvesting. Regionale woonafspraken vormen daarmee de doorvertaling van afspraken uit de woondeal en vormen een bouwsteen voor lokaal woonbeleid.  

In regionale woonafspraken worden in ieder geval afspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:

  • De plannen, realisatie en verdeling van de kwantitatieve woningbouwopgave, dit betreft in ieder geval een overzicht van alle plannen voor woningbouw met onderscheid naar planstatus;

  • De plannen, realisatie en verdeling van de kwalitatieve woningbouwopgave, waaronder ook de woon(zorg)opgave voor ouderen en aandachtsgroepen;  

  • De plannen, realisatie en verdeling van woningen in de betaalbare koop, middenhuur, sociale huur, dure koop en dure huur;  

  • De plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad;  

  • Regionale afstemming over woningbouwontwikkelingen die zijn voorzien buiten bestaand stedelijk gebied.

Aandachtsgroepen zijn omschreven in het programma ‘Een thuis voor iedereen’ dat valt onder de Nationale Woon- en Bouwagenda.

De begrippen sociale huurwoning, betaalbare koop, middenhuur en dure koop/huur zijn omschreven in de begrippenlijst van de rijksoverheid, zie Dashboard - Begrippenlijst - Nederland (datawonen.nl).  

Gedeputeerde staten zorgen voor een format als houvast bij te maken regionale woonafspraken.  

Arbeidsmigranten zijn aangeduid als aandachtsgroep vanwege hun kwetsbare positie op de woningmarkt. Het is wenselijk dat gemeenten als onderdeel van de regionale woonafspraken integraal beleid opstellen voor de huisvesting van arbeidsmigranten als basis voor (de actualisatie van) de gemeentelijke woonzorgvisie en het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma. 

Dit beleid bevat tenminste:

  • inzicht in de behoefte aan en opgave voor huisvesting gedurende de looptijd van de Woondeal;  

  • regels t.a.v. locatie, beheer en kwaliteit van de huisvesting;  

  • registratie van bewoners;  

  • handhaving;  

  • draagvlak en integratie, waaronder zorg.

[Red: Sectie 5.12 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.12 18.12 Doorwerking regionale woonafspraken

Ruim baan voor woningbouw binnen stedelijk gebied  

Alle woningbouwplannen die voorzien in vier of meer woningen moeten onderdeel zijn van de regionale woonafspraken. Aan woningbouw binnen stedelijk gebied (waaronder ook ontwikkelingen van minder dan vier woningen) wordt ruim baan geboden, ze maken programmatisch en getalsmatig wel deel uit van de regionale woonafspraken.

Woningbouwontwikkelingen binnen stedelijk gebied die (nog) geen onderdeel zijn van de regionale woonafspraken, kunnen in het omgevingsplan worden opgenomen als regiogemeenten en gedeputeerde staten hierover zijn geïnformeerd en worden vervolgens in de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken meegenomen.

Woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied vanaf vier woningen worden alleen toegelaten in het omgevingsplan als hierover regionale afstemming heeft plaatsgevonden en deze ontwikkeling als zodanig is opgenomen in de regionale woonafspraken. Als een woningbouwontwikkeling buiten stedelijk gebied geen onderdeel is van regionale woonafspraken kan een omgevingsplan vooruitlopend op de actualisatie toch worden toegelaten als regiogemeenten hun zienswijzen hebben kunnen geven en gedeputeerde staten hiermee instemmen.

[Red: Sectie 5.13 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.13 18.13 Provinciale planmonitor wonen

Burgemeester en wethouders documenteren in het monitorsysteem van initiatieffase tot realisatie. Burgemeester en wethouders dragen daarbij minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de actualiteit van de documentatie in het monitorsysteem. Van deze uitgangspunten kan alleen gemotiveerd worden afgeweken mits hier gegronde redenen voor zijn en de bij de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.  

Burgemeester en wethouders documenteren in het monitorsysteem van initiatieffase tot realisatie. Burgemeester en wethouders dragen daarbij minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de actualiteit van de documentatie in het monitorsysteem.

[Red: Sectie 5.14 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.14 18.14 Woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied

1a: Onderbouwing binnen of buiten stedelijk gebied 

Als woningen worden gebouwd buiten stedelijk gebied gaat dit ten koste van andere functies en heeft het gevolgen voor het landschap. Dit vraagt om een goede afweging van alle belangen. Om deze afweging te kunnen maken geeft de Zeeuwse Omgevingsvisie een viertal afwegingsfactoren die hiervoor ingezet kunnen worden. Vooral belangrijk in dit kader zijn de factoren ‘Doe meer met minder grond’, waarbij wordt gepleit om nieuw ruimtebeslag op land en water zoveel mogelijk te beperken en te combineren, en ‘Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten’, waarbij wordt gepleit om van elke verandering een verrijking te maken met behulp van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Dit is ook vertaald in subdoelen 1 en 2 onder paragraaf 7.3 (deel B). Hierin gaat het om het bereiken van toekomstbestendige woongebieden op de goede plek, bundeling van functies voor het uitlokken van gezond gedrag, duurzaamheid en veiligheid. 

Voor woningbouwontwikkelingen die volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangemerkt kunnen worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt een zwaardere motivatieplicht. Een woningbouwontwikkeling van 12 of meer woningen geldt in 2024 nog als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is daarom ‘ladderplichtig’. Met ingang van de wet versterking regie op de volkshuisvesting ligt de grens waarschijnlijk op 50 woningen. Voor woningbouwontwikkelingen die boven deze grens liggen geldt een wettelijke motivatievereiste. Aangetoond moet worden dat de woningbouwontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Om gemeenten hierbij te ondersteunen is het Dashboard ladderruimte en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland beschikbaar.

Bij woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met een omvang van minder dan 50 woningen is het nodig om aan te tonen dat deze ontwikkeling redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied plaats kan vinden. Het gaat hierbij om een lichte vorm van een ruimtelijke afweging van belangen en functies, met gebruik van de omgevingsfactoren en kernkwaliteiten uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. Het volkshuisvestelijke belang, (versnelling woningbouw, betaalbaarheid, woningen voor aandachtsgroepen) weegt hierbij zwaar. Een uitgebreide locatiestudie is dan ook niet nodig.

Voor woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met meer dan 50 woningen wordt een uitgebreidere toelichting gevraagd. Om te kunnen voldoen aan de motivatievereiste van de Ladder voor duurzame verstedelijking en voor een goede regionale afstemming is een uitgebreide locatiestudie nodig. Het gaat hierbij om een afweging van eventuele alternatieve locaties binnen de marktregio van de woningbouwontwikkeling. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties spelen hierbij een rol. 

Als de woningen buiten het stedelijk gebied worden geprojecteerd, wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk gebied te bouwen. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen stedelijk gebied spelen hierbij een rol. Redenen dat binnen stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn, gaan bijvoorbeeld over:

  • kwalitatieve aspecten van de behoefte bijvoorbeeld woonmilieus die niet binnen stedelijk gebied passen, zoals waterrijk wonen, grote landgoederen;

  • andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of volgens ruimtelijk beleid, zoals in de omgevingsvisie, worden beoogd, bijvoorbeeld park, maatschappelijke functie, andere woonplannen die later worden beoogd;

  •  aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplaatsen, bijvoorbeeld voor milieuaspecten die zich voordoen op inbreidingslocaties.

Bij het bouwen van maximaal drie woningen waarmee een gat volledig in een bebouwingslint wordt gevuld en die qua stedenbouwkundige structuur passen bij het bebouwingslint, is geen sprake van het toevoegen van een woning buiten stedelijk gebied.

Van een bebouwingslint is sprake als er een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten. 

Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.

1b en 1c Locatie en inpassing

Woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied kunnen alleen aansluitend op het stedelijk gebied worden gerealiseerd. Met aansluitend aan wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. Daarbij moeten de woningen landschappelijk goed worden ingepast. Het is aan de gemeenteraad, of burgemeester en wethouders (bij delegatie) van de gemeente waar de woningen beoogd zijn om dit te motiveren. Wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie, hoogte en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Belangrijk hierbij is dat rekening wordt gehouden met artikel 5.45 over landschap en erfgoed en de kansenkaart uit de provinciale bosvisie. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een inpassingsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal. 

Daarin zijn opgenomen:

  • Een beschrijving van de woningbouwontwikkeling;

  • Kenmerken van de locatie en visualisaties;

  • Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, beplanting, perceelsranden en zichtlijnen vanuit de omgeving;

  • Een beheerplan;

  • Een beplantingslijst.

2. Realisatie van nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied – artikelen 5.46 en 5.47

In artikel 5.46 en 5.47 van paragraaf 5.1.10 worden kleinschalige woninglocaties buiten stedelijk gebied benoemd die gericht zijn op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied (bijvoorbeeld bouwmogelijkheden door middel van 'ruimte-voor-ruimte'. Onder kleinschalige woningbouwlocaties verstaan we een locatie waar de bouw of toevoeging anderszins van drie of minder woningen mogelijk worden gemaakt. Het provinciale belang is gelegen in het streven naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door het saneren van bebouwing en het creëren van een aantrekkelijk landschap. Buiten- en niet aansluitend aan stedelijk gebied zijn nieuwe burgerwoningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een van de uitzonderingen uit de artikelen 5.46 of 5.47 van toepassing is.

[Red: Sectie 5.18 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.18 18.15 Woonwagenlocaties

Woonwagenbewoners vormen een minderheidsgroep met een eigen culturele identiteit die bescherming van de overheid verdient (Europees Hof voor de Rechten van de Mens). Het zijn mensen die zich van generatie op generatie als woonwagenbewoner hebben gemanifesteerd. Sinds het intrekken van de Woonwagenwet in 1999 is het voor woonwagenbewoners steeds lastiger om woonruimte te vinden die recht doet aan hun culturele identiteit (het in familie- of groepsverband wonen in woonwagens). Woonwagenbewoners zijn om die reden aangemerkt als aandachtsgroep. Het Rijk vraagt decentrale overheden zich in te zetten voor voldoende huisvesting voor aandachtsgroepen. Daartoe is het wenselijk dat ook woonwagenlocaties in buiten stedelijk gebied ruimte krijgen voor uitbreiding.

Dit artikel maakt een uitbreiding van bestaande woonwagenlocaties in buiten stedelijk gebied mogelijk. Voorwaarden daarbij zijn dat de behoefte aan deze uitbreiding wordt aangetoond en dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. De mogelijkheid om woonwagenlocaties buiten stedelijk gebied uit te breiden, is niet bedoeld voor het saneren van binnenstedelijke woonwagenlocaties en het verplaatsen daarvan naar bestaande locaties buiten stedelijk gebied.

[Red: Sectie 5.19 verplaatst van sectie 5.1.3 naar sectie 18.3. ]

Artikel 5.19 18.16 Huisvesting tijdelijke werknemers

Huisvesting van tijdelijke werknemers vindt in principe plaats binnen stedelijk gebied. Vanwege het veelal tijdelijk verblijf van deze werknemers kan de leefbaarheid onder druk komen te staan als er veel woningen voor de huisvesting van deze werknemers gebruikt worden. Er is daarom ook behoefte aan centrale huisvesting, met name voor mensen die minder dan een jaar aaneengesloten in Zeeland verblijven. 

Bijlage III, behorende bij artikel 5.1 lid 518.1, vijfde lid onder h, maakt het daarom mogelijk om centrale huisvesting voor tijdelijke werknemers buiten stedelijk gebied te realiseren binnen de regels voor Nieuwe Economische Dragers (artikel 5.118.1, lid 6, 7 en 8). Deze regels geven geen duiding aan het aantal eenheden dat op een locatie gerealiseerd kan worden. Dit is namelijk afhankelijk van de situatie ter plaatse zoals de aanwezige bebouwing, de nabijheid van andere bebouwing en andere functies. Uitgaande van de kwaliteitseisen uit het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (“Geen tweederangsburgers!”) en de omvang van een gemiddeld agrarisch bedrijf zal op de meeste locaties een voorziening voor 75 tot 100 werknemers mogelijk zijn. 

Uitgangspunt is dat tijdelijke werknemers huisvesting kunnen vinden in de regio waar ze werken. Het streven is daarom dat er voldoende goede huisvesting beschikbaar komt, maar ter behoud van de omgevingskwaliteit ook niet meer dan dat. Het is dan ook van belang dat de behoefte aan de huisvesting wordt aangetoond. 

Voor het bevorderen van de leefbaarheid en het welzijn van de tijdelijke werknemers wordt van gemeenten verwacht dat ze een minimale kwaliteit eisen ten aanzien van de huisvesting (conform die van de Stichting Normering Flexwonen). Ook wordt ervan uitgegaan dat gemeenten toezien op een goed beheer van de huisvesting en dat daarnaast wordt toegezien op de scheiding tussen huur- en arbeidsovereenkomst conform de Wet goed verhuurderschap. Verder wordt ook de registratie van deze werknemers in de Basisregistratie Personen (BRP) van belang geacht.

Afdeling 18.4 Energie

[Red: Sectie 5.20   verplaatst van sectie 5.1.4 naar sectie 18.4. ]

Artikel 5.20   18.17 Windenergie

In artikel 5.2018.17 is het concentratiebeleid voor windenergie neergelegd. De provincie wil de ontwikkeling van windenergie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap wordt ingezet op concentratie in globaal aangeduide gebieden (locaties). Deze bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. Het maatwerk voor de begrenzing en de invulling van deze locaties wordt aan de gemeenten overgelaten.

Voor de begrenzing van de windenergie concentratielocaties zijn de volgende locatieaanduidingen medebepalend:

  • Oosterscheldekering inclusief het gebied tussen damaanzet en de N255 op Noord-Beveland; 

  • Sloegebied inclusief de locatie buitenzijde Bernhardweg en de locatie bij de Totalsteiger; 

  • Kreekraksluizen/Schelde Rijnkanaal in de gemeente Reimerswaal; 

  • Kanaalzone in de gemeente Terneuzen; 

  • Krammersluizen (Philipsdam/Grevelingendam) in de gemeente Schouwen-Duiveland; 

  • Willempolder / Abraham Wissepolder in de gemeente Tholen; 

  • Anna Vosdijkpolder in de gemeente Tholen; 

  • Gemaalweg in de gemeente Tholen; 

  • Willem Annapolder in de gemeente Kapelle; 

  • Hoofdplaatpolder in de gemeente Sluis; 

  • Toegangswegen Zeelandbrug in de gemeenten Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland.

Om de realisatie van de provinciale ambitie voor het stimuleren van windenergie mogelijk te maken, wordt in het derde lid een mogelijkheid opgenomen om, buiten de nader door gemeenten te begrenzen windenergie concentratielocaties, in beperkte mate extra projecten toe te voegen. In lijn met het bestaand concentratiebeleid wordt deze mogelijkheid uitsluitend geboden indien de locatie ligt langs een grootschalige infrastructuurlijn, zoals auto(snel)wegen, dijken langs de grote wateren of op of grenzend aan een grootschalig bedrijventerrein. Verder dient aannemelijk gemaakt te worden dat de aanwezige omgevingskwaliteiten zich niet verzetten tegen een nieuwe windenergielocatie en dient er sprake te zijn van een concentratie van tenminste drie windturbines. De afwegingskaders die gelden voor natuur en landschap dienen bij nieuwe locaties te worden betrokken.

Onder nieuwe windturbines zoals bedoeld in het eerste lid worden verstaan: windturbines die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet in een geldend omgevingsplan of een ander besluit zijn toegelaten.

Onder bestaande windturbines worden begrepen: windturbines die, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, reeds in een omgevingsplan of in een ander besluit zijn toegelaten.

De regeling heeft geen betrekking op windturbines met een lagere tiphoogte dan 21 meter.

[Red: Sectie 5.21   verplaatst van sectie 5.1.4 naar sectie 18.4. ]

Artikel 5.21   18.18 Zonne-energie

In artikel 5.2118.18 is het beleid voor zonne-energie neergelegd. De Provincie wil de opwekking van zonne-energie stimuleren conform de doelstellingen in de Regionale Energiestrategie en de Zeeuwse Omgevingsvisie. Primair moet de doelstelling voor zonne-energie worden ingevuld op daken en binnen stedelijk gebied waardoor er sprake is van meervoudig ruimtegebruik. De kwetsbaarheid van het landschap, het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied spelen hierbij een rol. Opstellingen voor zonne-energie buiten het stedelijk gebied worden beperkt tot de specifiek benoemde locaties. De principes van de zonneladder zijn hierbij leidend. Al deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. De regeling heeft geen betrekking op zonne-installaties op daken van gebouwen.

Een groot deel van de bedrijventerreinen die vallen onder de begripsbepaling in bijlage 1 bij deze verordening vallen binnen stedelijk gebied. Het eerste lid van dit artikel is daarop van toepassing. Om daarnaast ook ruimte te bieden op geschikte locaties in het landelijk gebied en die dus buiten stedelijk gebied vallen, is een uitzondering opgenomen in het tweede lid onder b van dit artikel.

Buiten stedelijk gebied zijn opstellingen toegestaan op gronden waarop stortplaatsen, infrastructuur, verblijfsrecreatie, solitaire bedrijvigheid, bedrijventerreinen of zeehaventerreinen in het landelijk gebied zijn toegelaten. Bij verblijfrecreatie gaat het bijvoorbeeld om een onbenut stuk grond van een camping waarop zonnepanelen mogen worden toegelaten. Uitbreiding van het bestaande terrein ten behoeve van zonnepanelen is niet toegestaan.

Ook zijn opstellingen voor zonne-energie toegestaan op water of grond waarop een waterbassin is toegestaan, mits in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie, de waterkwaliteit of visserij. 

De functies waar een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan zoals benoemd in het tweede lid dienen ook feitelijk aanwezig te zijn. Op die manier kunnen functies gecombineerd worden.

De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten stedelijk gebied moet aannemelijk maken dat de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne-energie verzetten. Het begrip omgevingskwaliteiten is opgenomen in bijlage I bij deze verordening.

Met landbouwgronden die in transitie zijn, wordt bedoeld dat die op basis van bestuurlijk bindende afspraken in transitie zijn. Het gaat bijvoorbeeld om gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen zoals woon-werk-bestemming of recreatie.

Afdeling 18.5 (Verblijfs)recreatie en activiteiten op stranden

[Red: Sectie 5.22   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.22   18.19 Verblijfsrecreatie in de kustzone

De Zeeuwse kust is van groot belang voor Zeeland én Nederland vanwege het behoud en de versterking van de waterveiligheid en natuurwaarden, het Zeeuwse DNA in landschap en erfgoed, alsmede de economie en werkgelegenheid. De diversiteit aan functies maakt mede dat er discussie over de gewenste ontwikkeling van de Zeeuwse kust is ontstaan. Met het opstellen van de Zeeuwse Kustvisie is invulling gegeven aan de opgaven in de kustzone en wordt tegemoet gekomen aan de afspraken in het Nationale Kustpact. De beleidsmatige borging en uitvoering van de Zeeuwse kustvisie is vastgelegd in het convenant ‘Samen sterk voor de Zeeuwse kust’, getekend op 9 oktober 2017.

Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.

Verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in de kustzone zijn mogelijk onder specifiek in artikel 5.2218.19 en bijlage IV genoemde voorwaarden.

Dit artikel is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament.

In het eerste lid is geregeld dat nieuwvestiging en uitbreiding van verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementen, kampeerterreinen) mogelijk is binnen de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen. Ontwikkelingen dienen wel te voldoen aan de in bijlage IV, onderdeel 1, opgenomen voorwaarden B tot en met D. Deze hebben betrekking op de economische haalbaarheid, de markt en het onderscheidend vermogen van het concept en de sociaal maatschappelijke bijdrage die de ontwikkeling oplevert. Indien er sprake is van een aandachtsgebied binnen de badplaatsen dan moet tevens aannemelijk gemaakt worden dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onderdeel 2, opgenomen uitgangspunten. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is het Nollebos in de gemeente Vlissingen.

In afwijking van het eerste lid zijn in het derde tot en met achtste lid ook mogelijkheden opgenomen om buiten de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen nieuwe verblijfsrecreatieterreinen of uitbreiding van bestaande terreinen te realiseren. Het overgangsrecht in het derde lid komt voort uit de afspraken die in de Zeeuwse Kustvisie en de ‘Notitie Overgangsbeleid in relatie tot de Zeeuwse Kustvisie’ zijn gemaakt over plannen met een vastgesteld bestemmingsplan of vergunning (de categorie 1 projecten) of de zogenaamde pijplijnprojecten (de categorie 2 projecten). In de evaluatie Zeeuwse Kustvisie is de aanbeveling opgenomen om afspraken te maken over de resterende (categorie 1) projecten in relatie tot de bestemmingsplannen en wat dit betekent voor eventuele ruimte voor deze projecten binnen vigerende bestemmingsplannen. In het vierde lid is de invulling van deze in het Bestuurlijk Overleg Zeeuwse Kustvisie gemaakte afspraak opgenomen. Door middel van een overgangstermijn van drie jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2025, hebben de gemeenten de gelegenheid om de toegestane resterende projecten in bestemmingsplannen van vóór 2018 uit te voeren. Na deze termijn dienen de betreffende omgevingsplannen te zijn aangepast waardoor nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein die in strijd is met deze verordening niet langer is toegelaten.

In het vijfde lid is de mogelijkheid opgenomen om in zogenaamde aandachtsgebieden nieuwe verblijfsrecreatieterreinen te realiseren. In bijlage IV wordt tevens verwezen naar de beschreven strategie voor de aandachtsgebieden in de desbetreffende regiovisies in de Zeeuwse kustvisie. In het zevende lid zijn de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande verblijfsrecreatieterreinen geregeld. De specifieke voorwaarden die hieraan gesteld worden zijn opgenomen in bijlage IV, onderdeel 1. Uitgangspunt is dat kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven plaats vindt binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een uitbreiding van oppervlakte en eenheden is onder voorwaarden toegestaan.

In het zevende lid, onder b is aangegeven dat uitbreiding niet is toegestaan in zogenaamde beschermingsgebieden en Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden. In het achtste lid is hierop een uitzondering opgenomen voor uitbreiding in de beschermingsgebieden. Dit is mogelijk mits aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.

In het negende lid is een uitzondering opgenomen voor gebieden waarop verschillende ‘aanduidingen’ van toepassing zijn. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is Nehalennia in de gemeente Veere. Deze gebieden hebben naast een aanduiding Groene Zeeuws Topkwaliteit gebied tevens een aanduiding Aandachtsgebied. In dergelijke gebieden is uitbreiding toegestaan indien aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van deze Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.

In bijlage IV onderdeel 1 en 2, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het Ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen. 

Een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelen (huisjes/camping etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.

Met de voorwaarde dat ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat een ontwikkeling zich voegt in het landschap en daar onderdeel van uitmaakt. 

Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en de toekomstige accommodatie' in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod en kwaliteitsverbetering.

Met de voorwaarde dat 'er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale (uitbreidings)oppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden' in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat die 13% nadrukkelijk over de verblijfsrecreatieve eenheden gaat, inclusief hetgeen ten behoeve van die eenheden aanwezig is, zoals sanitair en/of bergingen die één-op-één eraan zijn gekoppeld. De centrale voorzieningen, zoals een gemeenschappelijk sanitair gebouw, horen daar dus bij.

Met de voorwaarde ‘economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap’  in bijlage IV, onderdeel 1, onder B, wordt tevens  bedoeld de onderscheidende kwaliteit c.q. toegevoegde waarde van de ontwikkeling in relatie tot bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.25 en artikel 5.26 van deze verordening. 

Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden. 

Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen in de ontwikkeling van aanbod (bouw) en in de exploitatie gaat het om het ontwikkelen van circulaire verdienmodellen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffen en hergebruik van grondstoffen en materialen; en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.

Met de voorwaarden ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten.

[Red: Sectie 5.23   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.23   18.20 Verblijfsrecreatie buiten de kustzone

De verblijfsrecreatie buiten de kustzone vraagt in de toekomst om een kwaliteitsverbetering en productinnovatie en –differentiatie. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Dit streven is gebaseerd op de gedachtegang in de Zeeuwse kustvisie. Daar waar in artikel . 18.195.22 specifieke voorwaarden voor ontwikkelingen voor de kustzone worden benoemd, geldt dat in artikel 5.23  18.20 voor ontwikkelingen buiten de kustzone, waarbij in ruimtelijk zin wordt volstaan met meer algemene uitgangspunten. Voor het gebied buiten de kustzone wordt beoogd via een gebiedsgerichte aanpak de voorkomende knelpunten in gezamenlijkheid op te lossen en de regionale kansen te verzilveren. Dit kan op termijn leiden tot specifieke uitgangspunten voor specifieke regio’s of gebieden. Tot die tijd gelden de in artikel 5.23  18.20 opgenomen algemene kaders voor nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven.

Nieuwvestiging en uitbreiding is mogelijk binnen de begrenzing stedelijk gebied. In afwijking hierop is nieuwvestiging ook mogelijk indien gezamenlijke partijen – vooruitlopend op de uitkomsten van een gebiedsgerichte aanpak – in gezamenlijkheid een specifiek aandachtsgebied aanwijzen en gaan ontwikkelen. Dit is nader verwoord in bijlage IV, onderdeel 4.

Voor bestaande bedrijven ligt de focus op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie. Eventuele daarvoor noodzakelijk uitbreiding in eenheden en/of oppervlakte is mogelijk indien deze voldoet aan het Ontwikkelkader zoals benoemd in bijlage IV.

Een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelen (huisjes/camping etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.

In bijlage IV, onderdeel 3 en 4, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) landschap, natuur en met de cultuur en economie van de omgeving. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld dat ontwikkelingen zich voegen in het landschap en daar onderdeel van gaan uitmaken.

Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatieve aanbod en kwaliteitsverbetering.

Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden.

Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen in de ontwikkeling van aanbod (bouw) en in de exploitatie gaat het om het ontwikkelen van circulaire verdienmodellen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffen en hergebruik van grondstoffen en materialen; en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.

Met de voorwaarde ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten. 

Met de voorwaarde 'economische haalbaarheid en ondernemerschap' in bijlage IV, onderdeel 3, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot de bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.25 en artikel 5.26 van deze verordening.

[Red: Sectie 5.24   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.24   18.21 Strandzonering

Het strand, de duinen, dammen en dijken vormen samen de waterkeringszone en beschermen Zeeland en de buurprovincies tegen overstromingen. Het strand en de duinen vormen hiernaast het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland. Het ervaren van de elementen en het vrije uitzicht op de horizon zijn grote kwaliteiten die gekoesterd moeten worden. Ook bieden ze volop ruimte aan recreatieve activiteiten, van uitwaaien op een leeg winters strand tot en met de zomerse hectiek van zwemmen, zonnebaden en water gerelateerde sporten.

Het provinciaal belang is gelegen in het borgen van deze kwaliteiten, door in te zetten op het garanderen van de waterveiligheid, het beschermen en versterken van de natuurlijke processen en het bieden van strandplezier voor inwoner en toerist. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden, weergegeven in begrensde strandvlakken. Het betreft een dynamische grens met als begrenzingen de gemiddelde laagwaterlijn en de duinvoet en daarmee het droge en intergetijde deel van het strand. Ten behoeve van het provinciaal belang, wordt uitbreiding en kwaliteitsverbetering van bestaande bebouwing toegestaan onder de in dit artikel benoemde voorwaarden. De primaire functie van de waterkering, bescherming tegen overstroming, is hierbij leidend.

Dit artikel is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament.

In het vijfde lid van dit artikel zijn de voorwaarden voor een slaaphuisje op een recreatiestrand opgenomen. Deze voorwaarden zijn overeenkomstig de voorwaarden uit de Kustvisie.

Kwaliteitsverbetering van de bestaande objecten vindt plaats binnen de kaders van de vigerende bestemmingsplannen, met een maximum bebouwd oppervlak van 40 m2, waarvan maximaal 25 m2 inpandig.

De maximale bouwhoogte is 4,5 m. Een volwaardige tweede verdieping is daarmee niet toegestaan. De bouwhoogte wordt gemeten vanaf de bovenkant van de begane grondvloer van het gebouw.

Voor de bouwhoogte geldt dat een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen tot maximaal 50 cm, mits het slaaphuisje voldoet aan actuele duurzaamheidseisen.

Bij duurzaamheid wordt maatwerk geleverd, waarbij door de gemeente in het kader van de vergunningverlening de volgende eisen worden afgewogen:

  • de RC waarde van de wanden (minimaal 4,5) en van het dak (minimaal 6);

  • het volledig elektrisch of gelijkwaardig daaraan functioneren van het slaaphuisje;

  • zonnepanelen op het dak die niet boven de maximale bouwhoogte uitkomen;

  • landschappelijke inpassing van de buitenzijde van het dak (voorzien van natuurlijke materialen die na gebruik hergebruikt kunnen worden);

  • een lichtplan met zo weinig mogelijk uitstraling. 

[Red: Sectie 5.25   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.25   18.22 Verbod permanent wonen

Het provinciale beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde terreinen en complexen. Hiermee worden bedoeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementencomplexen en kampeerterreinen. Een doelstelling is dergelijke bestemmingen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze bestemmingen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie (zie artikel 5.26) en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijk weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd op bestemmingen die daarvoor niet zijn bedoeld. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht. Individuele burgerwoningen in het buitengebied worden niet tot de verblijfsrecreatieve complexen gerekend. De regel is bedoeld voor nieuwe plannen en besluiten die verblijfsrecreatieve complexen of de uitbreiding daarvan toelaten. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vigerende omgevingsplannen kennen veelal reeds de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan. Bij een wijziging van deze vigerende omgevingsplannen dient de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan.

[Red: Sectie 5.26   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.26   18.23 Centraal bedrijfsmatige exploitatie

Bij de toelichting op artikel 5.25 18.22 is aangegeven dat het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht.

Het is mogelijk op of aansluitend aan bedoelde complexen gronden aan te wijzen voor 'dienstwoning' (waar, in verband met noodzaak vanuit de bedrijfsvoering, permanente bewoning is toegestaan). Dergelijke woningen worden, voor de toepassing van deze verordening, geacht niet te behoren tot het 'verblijfsrecreatieterrein' zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 5.22 18.19artikel 5.23 18.20artikel 5.25 18.22 en artikel 5.26 18.23.

In artikel 5.26 18.23, vierde lid is de instructie opgenomen dat een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein regels bevat die betrekking hebben op duurzaam beheer en onderhoud van een terrein. Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.

Dit kan bijvoorbeeld worden gewaarborgd door in het omgevingsplan de eis van een centrale bedrijfsmatige exploitatie op te nemen. Ook kan worden gedacht aan privaatrechtelijke afspraken over het in eigendom houden van de grond die tot het complex behoort dan wel de gronden waarop de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd alsmede omtrent de kwalitatieve instandhouding van het complex.

[Red: Sectie 5.27   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.27   18.24 Kleinschalig kamperen

In dit artikel worden enkele concrete onderdelen van het provinciale beleid voor kleinschalig kamperen geregeld. Gezien het grote aantal kleine kampeerterreinen in de provincie, de betekenis voor de bijdrage aan de differentiatie van het toeristisch product en het behoud van een landschappelijk aantrekkelijke omgeving (ruimtelijke kwaliteit) worden deze onderdelen van het recreatiebeleid als provinciaal belang aangemerkt. 

Een kleinschalig kampeerterrein (minicamping) is een kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch bedrijf of bij een ander bedrijf of behorende bij een burgerwoning in het landelijk gebied. Het is gekoppeld aan een permanent bewoonde (dienst-)woning op het betreffende terrein. 

Het begrip agrarisch bedrijf is opgenomen in Bijlage I Begrippen bij deze verordening. Een agrarisch bedrijf is een bedrijf voor het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Het kleinschalig kampeerterrein is voornamelijk gericht op toeristisch kamperen met een maximum van 20% aan permanente kampeermiddelen, met een maximum van 5. Daarmee wordt het maximaal aantal permanente kampeermiddelen gekoppeld aan het totaal aantal kampeermiddelen én niet-permanente kampeermiddelen. 

Functies die niet passend zijn op een bedrijventerrein worden daar niet toegestaan.

Bij een kleinschalig kampeerterrein is de oppervlakte van een permanent kampeermiddel gemaximeerd op 55m2.

Een ondersteunende voorziening wordt beschouwd als onderdeel van een permanent kampeermiddel, bedoeld ter fundering, bevestiging, aansluiting, koppeling dan wel ondersteuning anderszins, zoals een vlonder.

Omwille van het grote aantal kleine kampeerterreinen en de gewenste differentiatie van het Zeeuwse verblijfsrecreatieve product geldt ook bij kleinschalige kampeerterreinen dat bij nieuwvestiging en uitbreiding ervan, aan een aantal kwalitatieve voorwaarden moet worden voldaan, t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau. Deze voorwaarden zijn enerzijds ruimtelijk van aard, zoals benoemd in het artikel, en zijn anderzijds te vinden in het ontwikkelkader verblijfsrecreatie, gericht op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie en verbinding met de omgeving. Verdere duiding is te vinden onder de toelichting bij bijlage IV, 3 B tot en met D.

[Red: Sectie 5.28   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.28   18.25 Jachthavens en waterrecreatie

In artikel 5.28 18.25 worden regels gesteld voor het toevoegen van nieuwe ligplaatsen in jachthavens. In het eerste lid is bepaald dat nieuwe ligplaatsen primair zijn toegelaten in bestaande jachthavens. Het woord ‘primair’ geeft aan dat ook nieuwe ligplaatsen buiten de bestaande jachthavens mogelijk zijn, bijvoorbeeld in het kader van integrale gebiedsontwikkeling. Hierbij bestaat afwegingsruimte waarbij afgewogen dient te worden in hoeverre bij nieuwvestiging buiten bestaande jachthavens de kansen voor transformatie of verplaatsen van een bestaande jachthaven zijn benut.

Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust en Deltawateren te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.

Jachthavens en waterrecreatie vormen een belangrijk onderdeel van het (verblijfs)recreatief product van Zeeland. Jachthavens worden de afgelopen periode geconfronteerd met een teruglopende bezetting. Inmiddels neemt het aantal nieuwe gebruikers toe door de inzet op de huur van boten. Daarnaast is een positieve trend te zien binnen de funsporten (op en aan het water). Voor bestaande bedrijven blijft kwaliteitsverbetering en innovatie van groot belang. 

Prioriteit wordt gegeven aan de kwaliteitsverbetering en herinrichting/transformatie van de bestaande jachthavens. Het doel is dat het totale aantal ligplaatsen in Zeeland per saldo niet toeneemt. Een beperkt aantal extra ligplaatsen binnen een bestaande haven of een tijdelijke toename in het kader van gebiedsontwikkeling zijn mogelijk. In dat kader dienen gemeenten per initiatief en gebiedsaanpak een beoordeling te maken van de economische uitvoerbaarheid van het initiatief en de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en sanering. Daarbij kan de gemeente rekening houden met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld zeezeilers), de bezettingsgraad van jachthavens in de buurt en alternatieve mogelijkheden in bestaande jachthavens.

[Red: Sectie 5.29   verplaatst van sectie 5.1.5 naar sectie 18.5. ]

Artikel 5.29   18.26 Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen

In dit artikel is het (terughoudende) beleid voor lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen verwoord. Dit beleid is reeds lange tijd onderdeel van provinciale beleidsplannen, waaronder het streekplan Zeeland 1997, het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012, het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en het Omgevingsplan Zeeland 2018.

Provinciale belangen hierbij zijn het tegengaan van hinder voor mens en natuur, behoud van stilte in de grote natuurgebieden van Zeeland (met inbegrip van de Deltawateren) en het behoud van de waarde van een rustig platteland.

Het aanwijzen van nieuwe terreinen en de uitbreiding van bestaande terreinen voor bedoelde sporten is slechts mogelijk in de in artikel 5.29 18.26, eerste lid, benoemde gevallen.

In het eerste lid, onder b, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bestaande lawaaisportterreinen die langdurig worden gebruikt voor vergunde activiteiten ook planologisch mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan als de doelstelling van het beleid, tegengaan van geluidhinder, niet in het geding is. Daarom is als voorwaarde gesteld dat aannemelijk moet zijn dat er geen toename van geluidhinder zal ontstaan. Onder langdurig gebruik wordt in dit kader gebruik verstaan waar vóór de datum van 1 januari 2003 een vergunning voor is verleend. Dit is een termijn van 20 jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening.

Wat het eerste lid, onder c betreft is een uitzondering gemaakt voor modelvliegtuigen. Afstand tot het NNN is belangrijk. Met het NNN worden de gebieden bedoeld zoals geregeld in de artikelen artikel 5.41 18.38 t/m artikel 5.43 18.40 van deze verordening. Ook modelvliegtuigterreinen kunnen voor overlast zorgen. Van de gemeente wordt verwacht dat in voorkomend geval een afweging wordt gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het aanhouden van afstand tot gevoelige functies zoals woon- en verblijfsrecreatieve functies.

Met de zinsnede aan het eind van het tweede lid "op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot" wordt bedoeld dat geen verdergaande uitbreiding of nieuwvestiging mag worden toegelaten, die uitgaat boven in een vigerend plan of op basis van een eerder verleende vrijstelling/ontheffing reeds toegelaten ontwikkelingen.

Afdeling 18.6 Veerse Meer

[Red: Sectie 5.30   verplaatst van sectie 5.1.6 naar sectie 18.6. ]

Artikel 5.30   18.27 Ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer

Dit artikel en de bijbehorende bijlage beschrijven de eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer. Deze eisen vloeien voort uit de gebiedsvisie voor het Veerse Meer 2020-2030. Deze visie is gericht op bescherming en kwaliteitsvolle ontwikkeling van een veilig, economisch aantrekkelijk en (ecologisch) gezond en (be)leefbaar gebied als onderdeel van de Zeeuwse Delta. Met de Gebiedsvisie (en actieprogramma) wordt toegewerkt naar een nieuw ijkmoment in 2030, rekening houdend met het gegeven dat maatschappelijke opgaven en bescherming van het gebied uiteraard een bredere tijdsspanne betreffen.

Artikel 5.30 18.27 en de bijbehorende uitgangspunten in Bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 5.23 18.20 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veerse Meer blijft dus ook artikel 5.23 18.20 gelden.

Afdeling 18.7 Agrarische activiteiten
Paragraaf 18.7.1 Omgevingsplan

[Red: Sectie 5.31   verplaatst van sectie 5.1.7.1 naar sectie 18.7.1. ]

Artikel 5.31   18.28 Concentratie agrarische bebouwing

Met deze regel wordt toepassing gegeven aan een deel van het agrarisch vestigingsbeleid zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. Het provinciale belang is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied. De hoofdregel is opgenomen in het eerste lid; in een omgevingsplan kan een nieuw agrarisch bouwwerk alleen worden voorzien in het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak. In het tweede lid zijn uitzonderingen opgenomen. Buiten het voor een agrarisch bedrijf aangewezen bouwvlak kan in een omgevingsplan alleen worden voorzien in specifieke gevallen onder bepaalde voorwaarden genoemd in het tweede lid.

Met het derde lid is onder meer beoogd de situatie waarin sprake is van een bedrijf met meer dan één bouwvlak (tweede bouwvlak of een zogenaamd bouwvlak op afstand) te eerbiedigen. Met kleinschalige bouwwerken zoals genoemd in het tweede lid, onder e worden bouwwerken bedoeld van circa 50 m². In specifieke gevallen kan op basis van een expliciete onderbouwing maatwerk worden geleverd.

Onder doelmatige agrarische bedrijfsvoering worden activiteiten in het kader van een verbrede landbouw (nieuwe economische dragers) mede begrepen. Hieronder valt ook eventuele bebouwing (bijv. sanitaire voorziening) ten behoeve van een minicamping. Ter voldoening aan het tweede lid, onder e is het eveneens toegelaten in een omgevingsplan een afwijkingsbepaling op te nemen voor kleinschalige bouwwerken en daarbij het afwegingscriterium, zoals in het tweede lid, onder e geformuleerd, over te nemen.

Onder het begrip "een nieuw agrarische bouwwerk" wordt niet verstaan het toelaten van bebouwing op gronden die reeds zijn bebouwd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening. Evenmin wordt onder dit begrip verstaan het toelaten van bebouwing op bouwvlakken die reeds zijn aangewezen in, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, vigerende omgevingsplannen. Onder het begrip agrarische bouwwerken worden niet begrepen erf- en terreinafscheidingen.

Voor bassins ten behoeve van aquacultuur zijn in de Zeeuwse Omgevingsvisie provinciale beleidsuitgangspunten verwoord.

Ook is voor aquacultuur een convenant gesloten. Aan gemeenten wordt gevraagd daarmee rekening te houden. In het overleg over initiatieven zal hieraan aandacht worden besteed.

In dit artikel wordt ook ruimte geboden voor aanleg van zoetwaterbassins die als bouwwerk worden aangemerkt buiten het bouwvlak, maar alleen als dat echt noodzakelijk is. In de motivering bij het omgevingsplan moet aannemelijk worden gemaakt dat aanleg van het bassin op of aansluitend aan een bouwvlak niet mogelijk is door het ontbreken van een adequaat innamepunt voor zoet water. Daarnaast moet aannemelijk worden gemaakt dat het bassin een functie vervult voor de nabijgelegen gronden. Ook gelden de voorwaarden van een goede landschappelijke inpassing én een goed onderbouwde afweging door de gemeente van effecten op agrarische gebieden van ecologische betekenis en gebieden met waardevol landschap en erfgoed. Voor een goede afweging over de landschappelijke inpassing, wordt advies van een onafhankelijke landschapsdeskundige aanbevolen.

[Red: Sectie 5.32   verplaatst van sectie 5.1.7.1 naar sectie 18.7.1. ]

Artikel 5.32   18.29 Bufferzones

Met deze regels wordt toepassing gegeven aan het provinciale bufferbeleid. Het betreft planologische kwaliteitsnormen. De regels zijn van toepassing op nieuwe situaties (met de zinsnede "voor de eerste maal" en de uitdrukking "nieuw" wordt beoogd de regels niet van toepassing te laten zijn op bestaande situaties).

De regels hebben betekenis voor het agrarisch gebied (het buitengebied) in relatie tot woonwijken en verblijfsrecreatieterreinen. Op diverse plaatsen in de provincie is nog sprake van agrarische bedrijvigheid binnen stedelijk gebied. In veel van die situaties bevinden zich ook reeds bestaande woningen op korte afstand van agrarische bedrijven. Het bufferbeleid zoals neergelegd in dit artikel is daarop niet van toepassing. Wel verdient ook in die situaties scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies de aandacht. Uit een oogpunt van stads-en dorpsvernieuwing verdient het veelal aanbeveling dergelijke situaties te saneren. Wat het begrip 'stedelijk gebied’ betreft moet worden gelet op de feitelijke situatie en de aard van de omgeving. Het stedelijk gebied eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest.

De regels zijn gesteld voor het houden van afstand tot woonwijken of –kernen inclusief landelijke bebouwingsconcentraties (zoals buurtschappen), woonparken, zomerhuizenterreinen en kampeerterreinen. De regels zijn niet bedoeld voor het houden van afstand tot één of enkele woningen in het buitengebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval na weging van de betrokken belangen, een keuze moet worden bepaald. Met de regeling wordt voorts beoogd een ruimtelijke kwaliteitsnorm te hanteren voor de scheiding van gevoelige en belastende functies (voorkomen/beperken van stank-, stof-, geluid-, of andere hinder én voorkomen dat de nieuwvestiging van gevoelige functies leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven). Deze afstemming tussen gevoelige en belastende functies wordt als provinciaal belang aangemerkt.

Bij het bepalen van de afstand moet worden gerekend vanaf de gevel van de agrarische gebouwen of, in het geval waarin sprake is van in het plan aangeduide bouwvlakken, vanaf de grens van het bouwvlak (waarop bebouwing is toegelaten). Bij woon- of verblijfsrecreatieve functies moet, voor het bepalen van de afstand, worden gerekend tot of vanaf de perceelgrens en niet vanaf de gevel van de woning of het recreatieve verblijf (de gronden met de functie erf of tuin dan wel (verblijfs)recreatie behoren tot de woon- of verblijfsrecreatieve functies als bedoeld in dit artikel). Reden hiervoor is dat stofoverlast, stank en de fijne drift van bestrijdingsmiddelen bij fruitteelt het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden en een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid. Een andere overweging is nog dat in erven en tuinen veelal aan- en uitbouwen (vergunningsvrij) en bijgebouwen zijn toegelaten. Het vierde lid is een voorbeeld van een flexibiliteitsbepaling. Deze bepaling is onder meer bedoeld voor herstructureringsprojecten.

Denkbaar is dat een binnen stedelijk gebied gesitueerd bedrijf wordt gesaneerd en dat het voornemen bestaat daarvoor in de plaats woningen te bouwen. Indien in die situatie tevens sprake is van een buiten stedelijk gebied gelegen agrarisch bedrijf binnen 100 meter tot de nieuw te bouwen woningen zal moeten worden bezien of een draagkrachtige onderbouwing kan worden geleverd zoals bedoeld in het vierde lid. Mogelijk zal een bestaand agrarisch bedrijf dat is gelegen binnen 100 meter vanaf stedelijk gebied reeds te maken hebben met beperkingen in de bedrijfsvoering als gevolg van de nabijheid van bestaande woningen. Indien in dat geval geen of nagenoeg geen sprake is van hinder voor de woonfunctie en de nieuw te bouwen woningen niet leiden tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van het bedoelde agrarische bedrijf kan de kleinere afstand in de motivering bij het omgevingsplan worden beargumenteerd.

[Red: Sectie 5.33   verplaatst van sectie 5.1.7.1 naar sectie 18.7.1. ]

Artikel 5.33   18.30 Glastuinbouw

Het concentratiebeleid voor glastuinbouw wordt als provinciaal belang aangemerkt. Zowel vanuit economisch als vanuit omgevingsperspectief (bundeling en tegengaan van versnippering van het landelijk gebied) heeft concentratie voordelen boven een gespreide ontwikkeling.

Daarom is bepaald dat nieuwvestiging of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf slechts mag plaatsvinden in een concentratiegebied.

Buiten de concentratielocaties is ontwikkeling van glastuinbouw toegestaan als neventak bij een bestaand agrarisch bedrijf of als uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf. Bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven mogen, onder voorwaarden, uitbreiden tot ten hoogste 2 hectare. In het tweede lid is een flexibiliteitsbepaling opgenomen om, onder voorwaarden, door te groeien. De flexibiliteitsbepaling is opgenomen in verband met de belangen van reeds gevestigde bedrijven, de ontwikkeling van bestaande complexen alsmede ruimtelijke kwaliteitswinst door sanering van solitaire glastuinbouwbedrijven elders in de provincie.

Het vereiste van sanering van glasopstanden elders in de provincie, zoals geformuleerd in het tweede lid, geldt uitsluitend voor de groei van een solitair bedrijf boven de norm van twee hectare. Nieuwbouw en sanering hoeven in de tijd niet gelijk op te lopen maar wel moet de sanering worden gewaarborgd. Met het begrip solitair bedrijf wordt bedoeld een glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd buiten een concentratiegebied. Het begrip "volwaardig" is gedefinieerd in de begripsbepalingen. Doorgroei naar 2 hectare of, bij sanering van kassen elders, naar meer, is slechts voorbehouden aan bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven.

Met de zinsnede aan het eind van het derde lid "op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot" wordt bedoeld dat geen verdergaande uitbreiding of nieuwvestiging mag worden toegelaten, die uitgaat boven in een vigerend plan of op basis van een eerder verleende vrijstelling/ontheffing reeds toegelaten ontwikkelingen.

Wat de begrenzing van concentratiegebieden betreft is aangesloten bij de voor deze gebieden vastgestelde of in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen. In het delegatiebesluit van dd. Is voor gedeputeerde staten een bevoegdheid opgenomen om de begrenzing van het glastuinbouwgebied Terneuzen aan te passen. Het dient dan te gaan om een ondergeschikte aanpassing waartegen de omgevingskwaliteiten zich niet verzetten. Een voorbeeld is de aanpassing van de begrenzing in verband met een betere situering van de glastuinbouwkassen.

[Red: Sectie 5.34   verplaatst van sectie 5.1.7.1 naar sectie 18.7.1. ]

Artikel 5.34   18.31 Intensieve veehouderij

De provincie voert al jaren een stringent vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij. Dit stringente beleid is in dit artikel neergelegd. De provinciale belangen voor het stellen van regels omtrent het vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij zijn gelegen in het streven naar het behoud van landschappelijke waarden (in verband daarmee o.a. het tegengaan van grote industrieel aandoende bedrijven), het tegengaan van stankhinder, behoud van een goed toeristisch product ('het toeristisch product Zeeland'), het bevorderen van recreatief medegebruik van het landelijk gebied en het bevorderen van een vitale, grondgebonden landbouw als belangrijke 'drager' van het landelijk gebied.

In de verordening wordt voor het gehele provinciale grondgebied een regeling getroffen en worden beperkingen gesteld aan de ontwikkeling van intensieve veehouderij. In verreweg de meeste gemeentelijke plannen is reeds een regeling opgenomen voor dit onderwerp. Regeling bij provinciale verordening gebeurt voor dit thema vooral vanuit de 'waarborgfunctie'. Ook in toekomstige gemeentelijke plannen mogen de in de provinciale verordening gestelde normen niet worden overschreden. Wel bestaat voor gemeenten de ruimte om, vanuit een lokale afweging, verdergaande beperkingen te stellen aan bijvoorbeeld de omvang van het bedrijfsvloeroppervlak.

Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, het omschakelen naar een intensieve veehouderij en nieuwe neventakken intensieve veehouderij zijn uitgesloten. Verplaatsing van een in Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of –vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst is wel toegelaten. Bij een dergelijke verplaatsing dient wel aannemelijk te worden gemaakt dat de omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf.

Een doelstelling voor bestaande hoofdtakken intensieve veehouderij is te 'verduurzamen'. Bij verduurzaming wordt maatwerk geleverd, waarbij de volgende criteria worden afgewogen: dierenwelzijn, milieuwinst, omgevingskwaliteiten, maatschappelijk verantwoord ondernemen en een vanuit bedrijfsvoering verantwoord ontwikkelingsperspectief. Niet op alle onderdelen hoeft er sprake te zijn van het toepassen van bovenwettelijke normen. Uit het gemeentelijk maatwerk moet blijken dat een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf met een belangrijke kwaliteitsimpuls voor de omgeving en dat het gaat om een ontwikkeling die meer betekent dan het voldoen aan wettelijke eisen. De provincie hecht waarde aan het treffen van maatregelen die leiden tot 'milieuwinst' (bijvoorbeeld het beperken van stankhinder en het verminderen van stikstofuitstoot) en het versterken van omgevingskwaliteiten (bijvoorbeeld een verbeterde landschappelijke inpassing). Verduurzaming is uitgangspunt en de door gemeenten via maatwerk te verlenen uitbreidingsruimte is daaraan gerelateerd en daarvan afhankelijk. Dergelijke maatregelen zijn in de regel economisch haalbaar bij volwaardige bedrijven en niet of veel minder bij kleinere neventakken. In lid 5 is een regeling opgenomen voor bestaande bedrijven die kleiner zijn dan 5000m2. Deze mogen onder voorwaarden groeien tot maximaal 5000m2 bedrijfsvloeroppervlak. In het zesde lid is een regeling opgenomen voor bestaande bedrijven die al groter zijn dan 5000m2. Uitgangspunt voor deze bedrijven is dat deze onder voorwaarden mogen doorgroeien tot maximaal 8000m2. Er is een enkel bedrijf dat in de huidige situatie al nagenoeg de oppervlakte van laatstgenoemde maximale maat heeft. Voor die situatie is in de regeling voorzien dat in dat geval onder gelijkluidende voorwaarden een maximale uitbreiding van 20% is toegestaan, dit om ook in dat geval verduurzaming mogelijk te maken. Reeds bestaande neventakken behouden een ontwikkelingsmogelijkheid (die is neergelegd in het zevende lid).

In het achtste lid is een regeling opgenomen die ruimte laat voor het vergroten van het bedrijfsvloeroppervlak indien wettelijke regels in verband met dierenwelzijn worden aangescherpt. In het negende lid is een regeling opgenomen voor het zogenaamde Beter Leven Keurmerk. Voor beide regelingen geldt dat bij toepassing daarvan het aantal dieren niet zal toenemen.

Wat de regels voor nieuwvestiging betreft wordt nog opgemerkt dat onder nieuwvestiging niet wordt begrepen de situatie waarin sprake is van een bedrijf met vestigingen op verschillende locaties in Zeeland waarbij concentratie plaatsvindt op één locatie terwijl de activiteit op de andere locatie(s) wordt beëindigd.

[Red: Sectie 5.35   verplaatst van sectie 5.1.7.1 naar sectie 18.7.1. ]

Artikel 5.35   18.32 Agrarische onderzoeksbedrijven

In dit artikel zijn regels opgenomen voor agrarische onderzoeksbedrijven. Dit zijn bedrijven die zich uitsluitend richten op onderzoek naar nieuwe en verbetering van bestaande agrarische gewassen ten behoeve van de agrarische sector.

Qua verschijningsvorm zijn deze bedrijven een combinatie van grondgebonden akkerbouw, glasopstallen, laboratorium en kantoor. Het provinciaal belang voor het reguleren van deze agrarische onderzoeksbedrijven is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied.

Onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwvestiging van agrarische onderzoekbedrijven en de uitbreiding van bestaande agrarische onderzoeksbedrijven. Nieuwvestiging van bedrijven wordt uitsluitend toegestaan op bedrijventerreinen of op gronden waarop agrarische bedrijven of glastuinbouwbedrijven worden toegelaten.

Bestaande agrarische onderzoeksbedrijven hebben behoefte aan ruimere uitbreidingsmogelijkheden dan andere bedrijven in het buitengebied. De Provincie stelt daarom geen maximale omvang voor de uitbreiding van bestaande agrarische onderzoeksbedrijven in het landelijk gebied. Wel dient aannemelijk gemaakt te worden dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich niet tegen de uitbreiding verzetten.

Paragraaf 18.7.2 Omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

[Red: Sectie 5.36   verplaatst van sectie 5.1.7.2 naar sectie 18.7.2. ]

Artikel 5.36   18.33 Toepassingsbereik

De Wet ammoniak en veehouderij, die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, beschermt natuurgebieden die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen.

Op grond van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij hebben provinciale staten al zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze aangewezen gebieden zijn één op één overgenomen in de omgevingsverordening. De aanwijzing van dergelijke kwetsbare gebieden is gebaseerd op de artikelen 2 en 3 van de voormalige Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij.

Ook onder de Omgevingswet is er aandacht nodig voor de bescherming van natuurgebieden, die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. Artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft dit voor. Hierbij heeft de provincie Zeeland gekozen voor een beleidsneutrale omzetting. De provincie heeft de weigeringsgronden voor omgevingsvergunningen voor veehouderijen van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij overgenomen in deze paragraaf.

[Red: Sectie 5.37   verplaatst van sectie 5.1.7.2 naar sectie 18.7.2. ]

Artikel 5.37   18.34 Weigeringsgronden oprichten en wijzigen veehouderijen

De artikelen 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving wijzen de vergunningplichtige gevallen van veehouderijen aan. Onder de voormalige Wet ammoniak en veehouderij werd de vergunning tot oprichting van een veehouderij in (of in de directe omgeving van) een voor verzuring gevoelig gebied vanaf een bepaald aantal gehouden dieren in elk geval geweigerd, om die gebieden te beschermen tegen de toename van de neerslag van ammoniak. Die dierencategorieën zijn opgenomen onder a t/m f van het eerste lid.

Volgens de voormalige Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij valt onder:

  • a.

    melkrundvee: melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt meegeteld;

  • b.

    paarden: volwassen paarden (3 jaar en ouder), paarden in opfok (jonger dan 3 jaar), volwassen pony's (3 jaar en ouder), pony's in opfok (jonger dan 3 jaar), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld;

  • c.

    schapen: schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg;

  • d.

    geiten: geiten ouder dan 1 jaar, opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen;

  • e.

    gespeende biggen: biggenopfok; en

  • f.

    vleesrunderen: vleeskalveren tot circa 8 maanden, vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) en fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar.

Indien de vergunning van de wijziging van een veehouderij leidde tot de uitbreiding van die veehouderij en het totaal aantal dieren daardoor groter werd dan het aantal, genoemd in het eerste lid, diende op grond van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij de vergunning eveneens geweigerd te worden. Dat is overgenomen in het tweede lid van dit artikel.

[Red: Sectie 5.38   verplaatst van sectie 5.1.7.2 naar sectie 18.7.2. ]

Artikel 5.38   18.35 Toelaatbare oprichting veehouderij

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden aangenomen dat als oprichting van een veehouderij ook moet worden aangemerkt het geval dat een bestaande veehouderij, die onder een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, buiten de reikwijdte van dat besluit komt te vallen en daardoor (weer) vergunningplichtig wordt. Deze situatie kan verschillende oorzaken hebben:

1. door een wijziging van de werkingssfeerbepaling van dat besluit;

2. door een wijziging van de omgeving van de veehouderij;

3. door een wijziging van die veehouderij, die niet de uitbreiding van het aantal dieren inhoudt;of

4. door de uitbreiding van het aantal dieren.

In de gevallen bedoeld onder 1, 2 en 3 voorziet het eerste lid, onder a, van dit artikel erin dat de oprichtingsvergunning verleend kan worden.

In het onder 4 bedoelde geval kunnen zich twee situaties voordoen. Allereerst het algemene geval dat geregeld is in het eerste lid, onder b. Daarbij wordt de emissie die de veehouderij op het moment van het ontstaan van de vergunningplicht mocht veroorzaken, gecorrigeerd naar de “beste beschikbare technieken”. In dat geval kan de veehouder alleen door het toepassen van verdergaande emissiereducerende technieken, emissieruimte creëren voor de uitbreiding van het aantal dieren. Zolang het, in het eerste lid, onder b, bedoelde emissieplafond niet wordt overschreden, is het niet van belang op welke diercategorie de uitbreiding betrekking heeft.

Daarnaast bevat het eerste lid, onder c, een uitzondering voor huidige melkrundveehouderijen. Als de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan 800 kg per jaar, kan de oprichtingsvergunning verleend worden. De toepassing van verdergaande emissiearme technieken is hierbij dus geen vereiste. Afhankelijk van het emissieniveau van de veehouderij, zal uitbreiding zelfs mogelijk zijn zonder aanpassing van bestaande dierenverblijven. Nieuwe dierenverblijven zullen uiteraard wel aan de eisen van de toekomstige regelgeving moeten voldoen.

Onder d tot en met f is een bijzondere regeling opgenomen voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden. Wanneer bij een veehouderij het aantal van deze dieren toeneemt, behoeft daarvoor niet te worden getoetst aan een emissieplafond.

In het kader van natuurbeheer speelt begrazing soms een belangrijke rol bij de instandhouding van de natuur. Zo is beweiding door schapen essentieel voor de instandhouding van heidegebieden. De regeling in het tweede lid maakt het mogelijk om ten behoeve van dergelijke activiteiten ook binnen de kwetsbare gebieden en de zones daaromheen een oprichtingsvergunning te verlenen.

[Red: Sectie 5.39   verplaatst van sectie 5.1.7.2 naar sectie 18.7.2. ]

Artikel 5.39   18.36 Toelaatbare wijziging veehouderij

In dit artikellid wordt aangegeven onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van het uitbreidingsverbod van artikel 5.37 18.34, tweede lid, onder a van deze omgevingsverordening.

De regeling is vergelijkbaar met de regeling die in artikel 5.38 18.35is uitgewerkt voor bestaande veehouderijen die vergunningplichtig worden, omdat ze buiten de werkingssfeer van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de voormalige Wet milieubeheer zouden komen te vallen.

Op basis van het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, geldt bij uitbreiding van het aantal dieren een emissieplafond dat wordt vastgesteld door de vergunde emissie te corrigeren naar de “beste beschikbare technieken”. Uitbreiding is alleen mogelijk door het toepassen van verdergaande emissiearme technieken.

Het eerste lid, onder a, onderdeel 2°, voorkomt dat de emissie kan toenemen bij een veehouderij die al een lagere emissie heeft dan overeenkomt met toepassing van de “beste beschikbare technieken”.

Het eerste lid, onder b, bevat de bijzondere regeling voor melkrundveehouderijen. Voor een toelichting wordt verwezen naar artikel 5.38 18.35, eerste lid, onder c.

Onder c tot en met e is evenals in artikel 5.38 18.35een bijzondere regeling opgenomen voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden. Voor een toelichting hiervoor wordt verwezen naar artikel 5.38 18.35, eerste lid, onder a tot en met f.

Met het tweede lid wordt voorkomen, dat wanneer met gebruikmaking van de afwijkende regeling voor melkrundveehouderijen of die voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden het aantal dieren is uitgebreid, de met deze uitbreiding samenhangende emissietoename later door middel van een wijziging van de vergunning voor het houden van andere diercategorieën, zoals varkens of kippen, wordt gebruikt. Daarmee wordt oneigenlijk gebruik van de regeling tegengegaan.

Afdeling 18.8 Waterkeringen

[Red: Sectie 5.40   verplaatst van sectie 5.1.8 naar sectie 18.8. ]

Artikel 5.40   18.37 Regionale waterkeringen

Het behoud van een veilige waterkering wordt als provinciaal belang aangemerkt. Behoud van een veilige waterkering is in het belang van de veiligheid van de inwoners van Zeeland. Bij een doorbraak van de primaire waterkering is het van belang de gevolgen in het achterland zo beperkt mogelijk te houden. Dit kan onder meer door het formeel aanwijzen en in stand houden van een stelsel van regionale keringen (zie ook artikel 3.116.1). In artikel 2.13 van de Omgevingswet is voorgeschreven dat provincies normen (omgevingswaarden) vaststellen voor de waterveiligheid van regionale waterkeringen die worden aangewezen in de omgevingsverordening. Het waterschap draagt in hoedanigheid van waterkeringbeheerder zorg voor het beheer en onderhoud van deze keringen en stelt in de waterschapsverordening regels vast voor daarbij aan te wijzen beperkingengebieden voor regionale waterkeringen (beschermingszones). Het is van belang dat dit ook ruimtelijk wordt geborgd in het omgevingsplan. In deze verordening is daartoe een instructieregel opgenomen. Hieruit volgt dat activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering alleen zijn toegestaan als gewaarborgd wordt dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering.

Door het Rijk is (in het Besluit kwaliteit leefomgeving) voorzien in een regeling voor de primaire waterkeringen.

GS zijn bevoegd de aanwijzing of begrenzing van een regionale waterkering te wijzigen bijvoorbeeld bij een dijkverlegging of statusverlening aan een nieuw dijktraject, regionale waterkeringen, of wanneer anderszins de begrenzing wordt aangepast. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.

Afdeling 18.9 Natuur

[Red: Sectie 5.41   verplaatst van sectie 5.1.9 naar sectie 18.9. ]

Artikel 5.41   18.38 Bestaande natuur

In artikel 5.41 18.38 zijn de regels voor bestaande natuur opgenomen. Uit het eerste lid van artikel 5.41 18.38 (instructieregel) volgt de plicht voor de gemeenteraad om in een omgevingsplan dat van toepassing is op bestaande natuur regels te stellen die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden. Aan locaties binnen bestaande natuur dient in ieder geval de functie natuur te worden toegekend. Dit houdt overigens niet in dat in de bedoelde gebieden uitsluitend een natuurfunctie is toegestaan. Ook andere functies kunnen worden toegelaten. Daarbij kan worden gedacht aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing zoals bedoeld in het derde lid.

Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten in de bedoelde gebieden is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland. Voor zover het Natura 2000-gebieden betreft of andere gebieden die onder de werking van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, zal ook via het beschermingsregime van deze wetten een beoordeling plaatsvinden.

Uitzonderingen hierop zijn mogelijk voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de begrenzing van bestaande natuur te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.

[Red: Sectie 5.42   verplaatst van sectie 5.1.9 naar sectie 18.9. ]

Artikel 5.42   18.39 Agrarisch gebied van ecologische betekenis

In artikel 5.42 18.39 zijn regels opgenomen voor agrarische gebieden van ecologische betekenis. In het eerste lid is een instructie opgenomen om in een omgevingsplan dat van toepassing is op deze gebieden zowel regels op te nemen die van toepassing zijn op agrarische activiteiten en regels die de ecologische waarde van de gronden tot uitdrukking brengen. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn opgenomen in het geldende Natuurbeheerplan Zeeland.

Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen worden gecontinueerd.

Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of de wijziging van bestaande activiteiten is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden, kunnen leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden of kunnen leiden tot een vermindering van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland. In de motivering van het omgevingsplan dient aannemelijk gemaakt te worden dat nadelige gevolgen en vermindering zich niet voordoen.

In het vijfde lid is een instructie opgenomen waarin de gemeenteraad bepaalde reguliere agrarische activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor wezenlijke waarden en kenmerken van de gronden dient te verbinden aan een omgevingsvergunningenplicht. Deze plicht is van toepassing op activiteiten die het reguliere agrarische gebruik betreffen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aanbrengen van drainage (voor een betere ontwatering van percelen), diepploegen, scheuren van grasland, het planten of vellen van bomen. Dergelijk regulier agrarisch gebruik kan nadelige gevolgen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. De bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning berust bij het college van burgemeester en wethouders. Het college kan dan afwegen of de wezenlijke kenmerken en waarden worden geschaad. Eventueel kan een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden verleend.

Evenals bij de instructieregels voor bestaande natuur is in het zesde lid een uitzondering opgenomen voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van agrarische gebieden van ecologische betekenis te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.

[Red: Sectie 5.43   verplaatst van sectie 5.1.9 naar sectie 18.9. ]

Artikel 5.43   18.40 Natuurontwikkelingsgebieden

Artikel 5.43 18.40 bevat een regeling voor het waarborgingsbeleid van begrensde natuurontwikkelingsgebieden (begrenzing nieuwe natuur; Natuurbeheerplan Zeeland). Aan bestaand (agrarisch) gebruik worden geen beperkingen gesteld (geen 'planologische schaduwwerking'). Nieuwe onomkeerbare ontwikkelingen/ingrepen, anders dan ten behoeve van natuurdoeleinden, zijn daarentegen niet toegelaten. De verordening verzet zich niet tegen tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik.

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van natuurontwikkelingsgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.

[Red: Sectie 5.44   verplaatst van sectie 5.1.9 naar sectie 18.9. ]

Artikel 5.44   18.41 Afwegingszone natuurgebieden

Artikel 5.44 18.41 bevat regels voor de afwegingszone van 100 meter rond bestaande natuurgebieden. Artikel 5.44 18.41is niet van toepassing op binnendijken. Niet beoogd is beperkingen te stellen aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Voorafgaand aan het toestaan van nieuwe activiteiten dient een afweging te worden gemaakt waarbij de natuurwaarden van het naastgelegen natuurgebied moeten worden betrokken.

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing Afwegingszone natuurgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland. Er bestaat een relatie tussen de begrenzing van bestaande natuur en de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden. Wijziging van de begrenzing van bestaande natuur kan leiden tot een wijziging van de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden.

Afdeling 18.10 Landschap en erfgoed

[Red: Sectie 5.45   verplaatst van sectie 5.1.10 naar sectie 18.10. ]

Artikel 5.45   18.42 Landschap en erfgoed

In overleg met gemeenten, Stichting Landschapsbeheer Zeeland en Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland zijn de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap geïnventariseerd. Verwezen wordt naar het rapport "Handreiking landschap" – het landschap van Zeeland, beschrijving van het landschaps-DNA en ontwikkelingsperspectief – Bosch Slabbers Landschapsarchitecten d.d. april 2012. De in bijlage VII aangegeven landschappen, landschapselementen en cultuurhistorische elementen vinden hun grondslag in dat rapport en zijn, gezien de herkenbaarheid en bijzondere identiteit, als van provinciaal belang aangemerkt. Ook de begrenzing van gebieden of de aanduiding van elementen (lijnen, punten en vlakken) zijn gebaseerd op bovengenoemd rapport.

De aanduiding van cultuurhistorische waardevolle boerderijen is gebaseerd op de inventarisatie uit 2018 van Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) en de Stichting Landschapsbeheer Zeeland (SLZ) in opdracht van de Provincie Zeeland (https://kaarten.zeeland.nl/map/cultuurhistorie). Op basis van deze inventarisatie is een lijst gemaakt met de meest waardevolle boerderijen. Deze selectie is opgenomen op de kaart in bijlage VII. De lijst wordt echter continu aangepast aan de hand van de actuele staat van instandhouding en aanmelding voor opname op de lijst door de eigenaar. De actuele lijst is voor de gemeente beschikbaar bij de Provincie Zeeland.

Gedeputeerde staten zijn bevoegd de begrenzing (van gebieden) en beschrijving (van elementen) van landschap en erfgoed te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.

In het eerste lid is de instructieregel voor de gemeenteraad opgenomen om in de motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor bovengenoemde landschappen, elementen en gebieden inzicht te geven in de landschappelijke respectievelijke cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen.

In het tweede lid is met betrekking tot het toestaan van activiteiten het uitgangspunt opgenomen dat in een omgevingsplan geen activiteiten worden toegestaan die het mogelijk maken dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast, kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of kunnen leiden tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. Dit artikel is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen als bedoeld in bijlage VII.

Voor het toestaan van functies van groot openbaar belang die tot een significante aantasting leiden, zijn in het vijfde lid waarborgen en criteria aangegeven. Wat het begrip 'groot openbaar belang' betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. Per concrete ruimtelijke ontwikkeling zullen gedeputeerde staten beoordelen of er sprake is van een ‘groot openbaar belang’.

Een nadere precisering van de begrenzing van bovengenoemde elementen, landschappen en gebieden heeft plaatsgevonden aan de hand van de hierna genoemde uitgangspunten.

Deltawateren, schorren en slikken:

Is gelijk aan de begrenzing van alle buitendijks gelegen natura 2000-gebieden. De schorren en slikken zijn nader aangeduid aan de hand van de begrenzing daarvan uit het Natuurbeheerplan 2016.

Duin- en strandlandschappen + vroongronden:

Begrensd op basis van de provinciale spatial database engine (sde) en nader bepaald aan de hand van bodemkaart (duinzandgebieden) en luchtfoto's (daadwerkelijk zichtbare duinen, stranden en vroongronden).

Bijzondere open poelgebieden:

Schouwen (bijzondere open poelgebieden tussen Burgh-Haamstede en Oosterschelde)

Het gaat hier om het bijzondere open landschap tussen enerzijds de Oosterschelde en anderzijds het besloten binnenduinlandschap tussen Westenschouwen en Haamstede. Tussen Haamstede en de Schelphoek is gekozen voor een logische ruimtelijke begrenzing door de N57.

De begrenzing van het gebied moet worden gezien als een doortrekking van het landschapstype van de open zilte weidegebieden (Plan Tureluur-natuur) tussen de Schelphoek en Zierikzee. In beide gevallen gaat het om vanouds open poelgebieden met een sterke landschappelijke band met de Oosterschelde.

Tholen (bijzondere open poelgebieden (Scherpenissepolder, Poortvliet- en Mallandpolder Zuid, Schakerloopolder West))

Het gaat hier om de sterk open poelgebieden aan de zuidkant van Tholen die een sterke landschappelijke band hebben met de Oosterschelde. Er is gekozen voor een logische ruimtelijke begrenzing langs (van west naar oost): Gorishoekse Dijk, bebouwd gebied Scherpenisse, de N286 (Postweg), N659 (Reimerswaalse Weg), Ceresweg en Boomdijk.

Walcheren (Bijzondere open poelgebieden (openheid, structuur van verkaveling, beplanting, (micro)reliëf en wegen)

Poelgebieden waarvan op basis van topografie en luchtfoto's is bepaald dat hun ruimtelijk karakter zeer open is. De precieze grenzen zijn zo veel als mogelijk bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting en bebouwd gebied.

Zuid-Beveland (Bijzondere open poelgebieden (openheid, structuur van verkaveling, beplanting, (micro)reliëf en wegen)

Poelgebieden waarvan op basis van topografie en luchtfoto's is bepaald dat hun ruimtelijk karakter zeer open is. De precieze grenzen zijn zo veel als mogelijk bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting, waterlopen en bebouwd gebied.

Zeeuws-Vlaanderen (openheid en structuur van verkaveling, wegenpatroon en microreliëf)

Het gaat hier om:

1.het enige poelgebied in West-Zeeuws-Vlaanderen, de Veerhoekpolder. De begrenzing is dezelfde als die van de polder zelf.

2.de Grote Putting in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. De begrenzing is bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting waterlopen en bebouwd gebied.

Overige NNN-gebieden:

Begrenzing gebaseerd op Natuurbeheerplan 2016. Open entree van Zeeland:

Voorts is in bijlage VII de 'open entree van Zeeland' aangegeven. Hiermee worden de open polders in de omgeving van

Rilland bedoeld. Komend vanuit de provincie Noord-Brabant ontvouwt zich een 'open venster'. De waardevolle openheid van dit gebied wordt als van provinciaal belang aangemerkt.

Het gebied is in de provinciale ruimtelijke verordening (2010) reeds aangegeven als het 'venster Reimerswaal'. Wat de begrenzing betreft is uit eerdere analyse gebleken dat sprake is van een zeer open poldergebied dat vanaf de snelweg kan worden beleefd. Aan de zuidzijde heeft dit venster een zeer grote reikwijdte. Gezien het feit dat toepassing van het criterium openheid in de omgeving van Rilland tot een venster met een aanzienlijke oppervlakte zou leiden en mede gelet op het feit dat de kern Rilland en het bedrijventerrein "De Poort" het zicht vanaf de snelweg beperken is ervoor gekozen de omvang van het venster te begrenzen op de volgende wegen: Bergkilweg, Kapucijneweg, Bathseweg.

Westelijk van Krabbendijke zijn dusdanig veel boomgaarden aanwezig dat van een open venster geen sprake meer is. Daarom eindigt het venster ter hoogte van Krabbendijke en Gawege. Bij de begrenzing van het venster is besloten de bebouwde kom van dorpen buiten het venster te laten vallen. Niet beoogd is voor de dorpen beperkingen in het leven te roepen. Solitaire bebouwing in het buitengebied en het bedrijventerrein vallen wel binnen het venster. Bij ontwikkelingen in het venster moet rekening worden gehouden met beeldkwaliteit en gevolgen voor het omringende landschap.

Deltawerken en overige grote ingenieurswerken, zoals de Zeelandbrug:

De daadwerkelijke, fysieke contouren van deze ingenieurswerken gebaseerd op de topografie en luchtfoto's.

Atlantikwall:

De Atlantikwall is niet op kaart aangegeven omdat noodzakelijk data nog ontbreken. Van gemeenten wordt verwacht dat restanten zoals bunkers en versterkingen uit de Tweede Wereldoorlog, in het kader van de voorbereiding van een omgevingsplan, worden geïnventariseerd en dat beschermende regels worden gesteld. Op provinciaal niveau wordt een inventarisatie uitgevoerd. Zodra de resultaten beschikbaar zijn zullen deze worden toegevoegd aan de kaart van de cultuurhistorische hoofdstructuur.

Landfront Vlissingen:

Provinciale spatial database engine (bunkers, tankgracht en Höckerhindernisse). Het schootsveld is het gebied aan de "vijandkant" van het Landfront Vlissingen, waar sprake is van het ontbreken of nagenoeg ontbreken van bebouwingsconcentraties en opgaande beplanting alsmede van landschappelijke openheid en zichtlijnen vanaf het lijnelement "Landfront Vlissingen" (de anti-tankgracht) op de puntelementen van het "Landfront Vlissingen" (de bunkers).

De zuidgrens van het schootsveld is gelijk aan het lijnelement "Landfront Vlissingen" (de voormalige antitankgracht en versperringen van "drakentanden" (Höckerhindernisse)). De noordgrens wordt gevormd door de meest nabijgelegen ruimtelijke scheiding, zoals weg(beplanting)en en waterlopen.

Alleen van het westelijk deel van het Landfront (gedeelte Valkenisse – Middelburg) is het schootsveld begrensd, omdat alleen hier de ruimtelijke openheid van het schootsveld ook daadwerkelijk beleefd kan worden.

Staats-Spaanse Linies:

Bestaat uit alle nog meer of minder zichtbare restanten van fortificaties in Zeeuws-Vlaanderen uit de periode 1568 – 1795. Ook de tracés van de historische verdedigingslinies uit die periode zijn begrensd en worden gevormd door dijken, wegen en waterlopen.

Herkenbare overgangen naar kleinschalige dekzandlandschappen in Zeeuws-Vlaanderen

Lijnen ingetekend op plaatsen waar op basis van topografie en luchtfoto's een duidelijk contrast te zien is tussen enerzijds een besloten, kleinschalig landschap (dichte concentratie van opgaande beplanting, wegen en/of waterlopen; onregelmatige structuur van wegen en percelen) en anderzijds een open, grootschalig landschap (weinig tot geen opgaande beplanting en een regelmatige structuur van wegen en percelen).

Groeve Nieuw-Namen:

Valt samen met de begrenzing van het gelijknamige natuurgebied (NNZ-begrenzing Natuurbeheerplan 2016).

Inlagen, karrevelden en open zilte weidegebieden:

Gebaseerd op de provinciale spatial database engine en Plan Tureluur (Natuurbeheerplan 2016).

Bossen en landgoederen:

Provinciale spatial database engine (voor bossen de kaartlaag "natuur bos").

De begrenzing van de volgende elementen is gebaseerd op de gegevens uit de provinciale spatial database engine.

Vliedbergen

Welen

Paalhoofden 

Molenbiotopen 

Forten 

Kastelen 

Hollestelles 

Oesterputten

Kreken en kreekrestanten 

Deltadijken

Binnendijken 

Muraltmuurtjes 

Duinbeken 

Houtwallen 

Elzenmeten 

Artikel 5.35 benoemt waarden van provinciaal belang. In het tweede lid is bepaald dat een omgevingsplan voor een gebied waarin de benoemde waarden aan de orde zijn geen activiteiten toestaat die leiden tot een significante aantasting of vermindering van waarden.

Dit betekent niet dat andere functies ter plaatse van of in de omgeving van waardevolle landschappen en cultuurhistorisch waardevolle elementen geheel zijn uitgesloten. Er bestaat afwegingsruimte voor gemeentebesturen. Bij de regeling in het omgevingsplan dienen echter de benoemde waarden in overwegende mate te worden behouden en beschermd. Dit geldt eveneens voor ontwikkelingen in de nabijheid van landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen.

[Red: Sectie 5.46   verplaatst van sectie 5.1.10 naar sectie 18.10. ]

Artikel 5.46   18.43 Versterken landelijk gebied Rood - voor - Rood  

De rood-voor-rood regeling biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties toe te staan buiten stedelijk gebied, met als doel het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied. 

De regeling vormt een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw, die niet aansluit op het stedelijk gebied niet is toegestaan, zoals in artikel 5.14 is opgenomen. Daarom gelden belangrijke kwalitatieve voorwaarden en wordt de regeling alleen ingezet als woningbouw aantoonbaar bijdraagt aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden én de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Het eerste lid maakt duidelijk in welke gevallen het artikel van toepassing is. In het tweede en derde lid zijn de randvoorwaarden opgenomen. Gemeenten dienen bij het toepassen van deze regeling te onderbouwen waarom er een kwalitatieve versterking van het landelijk gebied ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Elke randvoorwaarde dient hierbij aan bod te komen.

In het eerste lid zijn de twee voorwaarden opgenomen op grond waarvan een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied mogelijk kan worden gemaakt. De regeling ken twee sporen:

Lid 1 sub a

Dit betreft een neutrale verplaatsing van bestaande woningen binnen het landelijk gebied, zonder toename van het aantal. De functie wonen vervalt elders (in het omgevingsplan) en wordt verplaatst naar een andere locatie, zonder netto toevoeging van woningen. Dit kan wenselijk zijn als op de nieuwe locatie sprake is van betere inpassing of verkeersontsluiting.

Lid 1 sub b

Behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waarbij woningbouw wordt ingezet als financiële drager voor instandhouding. Provincie Zeeland erkent dat deze gebouwen een belangrijk onderdeel vormen van het Zeeuwse landschap en de identiteit van het landelijk gebied. Tegelijkertijd is het behoud ervan onder druk komen te staan door leegstand, functieverlies of gebrek aan investeringsruimte. Door onder voorwaarden woningbouw in de bestaande gebouwen toe te staan, wordt een nieuwe functie geboden die kan bijdragen aan het behoud en beheer van deze gebouwen. Het gaat hierbij niet om het toevoegen van nieuwe woningen op het bouwvlak zelf.

De regeling beperkt zich tot gebouwen met erkende cultuurhistorische waarde. Onder iii wordt aangegeven dat het ook kan gaan om gebouwen die niet onder i of ii vallen, maar wel op basis van een onafhankelijk advies als cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt.

Cultuurhistorisch waardevol

Een object of een ensemble is cultuurhistorisch waardevol wanneer de landschappelijke context en de bovengrondse bebouwing niet of weinig is aangetast, de zeldzaamheid kan worden aangetoond en het bijdraagt aan het versterken van de identiteit van die plek.

Om cultureel erfgoed in kaart te brengen en hier waarde aan toe te kennen wordt vaak gewerkt met bestaande lijsten zoals het register van rijksmonumenten en de aangewezen gemeentelijke monumenten. Deze gegevens en lijsten bevatten echter niet al het beschermwaardige cultureel erfgoed. Met een cultuurhistorisch onderzoek kunnen gebouwen, hun omgeving, landschappen en landschapselementen geïnventariseerd  en gewaardeerd worden.

Een cultuurhistorisch onderzoek dient door een onafhankelijke deskundige te worden opgesteld. Dit onderzoek moet voldaan aan de richtlijnen zoals onderschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 

Voor een overzicht van de soorten onderzoek, met daarbij de juiste voorwaarden en richtlijnen, raadpleeg de website van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:

Binnen dit onderzoek wordt de cultuurhistorische waarde bepaald aan de hand van een 'waardestelling'.

De waardestelling heeft als doel om waarden toe te kennen aan de objecten, zo ook mogelijk in relatie tot elkaar, bijvoorbeeld als onderdeel van een samenhangend agrarisch erf. Voor de richtlijnen hoe een waardestelling opgesteld moet worden, wordt verwezen naar bovengenoemde richtlijnen. 

Lid 2:

Het tweede lid regelt aan welke randvoorwaarden een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid moet voldoen (rood-voor-rood):

  • De woningbouwlocatie moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het bouwvlak en de omgeving;

  • De vormgeving en situering van de nieuw te bouwen woningen op een plek elders zoals bedoeld in het eerste lid onder sub a, of in een bestaand cultuurhistorisch waardevol gebouw zoals bedoeld in het eerste lid onder sub b, moeten passen bij het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en eventuele erfgoedwaarden. Dit voorkomt verrommeling en borgt samenhang tussen de bestaande groen- en landschapsstructuren, bestaande bebouwingen en eventuele nieuwe gebouwen (bij toepassing lid 1 sub a). Hierbij wordt aanbevolen om in de nieuwe situatie te zorgen voor een collectief eigendom van de buitenruimte.   

Lid 3:

Het derde lid regelt aanvullende voorwaarden voor een nieuwe kleinschalige  woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b (cultuurhistorisch  spoor):

  • Woningbouw moet daadwerkelijk bijdragen aan instandhouding van het erfgoed;

  • Ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak moeten worden gesloopt. Hiermee wordt verpaupering en een negatief aanzicht van het bouwvlak voorkomen en wordt de ruimtelijke kwaliteit hersteld;

  • De agrarische functie wordt omgezet naar de functie wonen, zodat er geen ongewenste functiemenging ontstaat. Een combinatie met andere niet-agrarische functies vanuit de Nieuwe Economische Dragers regeling zoals bedoeld in artikel 5.1 is mogelijk.

[Red: Sectie 5.47 verplaatst van sectie 5.1.10 naar sectie 18.10. ]

Artikel 5.47 18.44 Versterken landelijk gebied - Ruimte voor ruimte

De ruimte-voor-ruimte regeling is bedoeld om de kwaliteit van het landelijk gebied te versterken door het saneren van ongewenste of in onbruik geraakte bedrijfsbebouwing. In ruil daarvoor wordt woningbouw mogelijk gemaakt onder strikte voorwaarden. De regeling richt zich op de sloop van verouderde stallen, schuren of glastuinbouw die geen landschappelijke of cultuurhistorische waarde meer vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding of het hergebruik niet meer wenselijk is.

Door sloop te combineren met zorgvuldige nieuwbouw op passende locaties, wordt een impuls gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit. Tegelijk wordt verrommeling van het buitengebied tegengegaan. Woningbouw is hierbij geen doel op zich, maar een middel om kwaliteitsverbetering te realiseren. De regeling vormt daarmee een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw buiten stedelijk gebied slechts beperkt mogelijk is.

In het eerste lid zijn de hoofduitgangspunten van de regeling opgenomen. Er moet altijd sprake zijn van:

  • a.

    ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied. Dit betreft bebouwing die haar functie heeft verloren, niet meer past binnen het toekomstig ruimtelijk beleid en afbreuk doet aan de kwaliteit van het landschap.

  • b.

    sloop van alle bedrijfsbebouwing op het bouwvlak, tenzij het een cultuurhistorisch waardevolle boerderij betreft. Bij bedrijfsbebouwing gaat het om de gebouwen die gebruikt werden voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning en bijgebouwen worden hier niet toe gerekend. Bij cultuurhistorisch waardevolle boerderijen gaat het om boerderijen die ofwel monumentaal zijn dan wel voorkomen op de lijst cultuurhistorisch waardevolle gebouwen van bijlage VII, zoals omschreven in artikel 5.47 lid 1 sub i en ii.

  • c.

    garantie dat heroprichting wordt uitgesloten, om te voorkomen dat eerst gesloopte bebouwing op een andere plek op het bouwvlak opnieuw verrijst. Dit dient in het omgevingsplan vastgelegd te worden.

  • d.

    onderdeel d specificeert waar de woningen mogen komen. Dit kan op het bouwvlak zelf zijn waar de ongewenste bedrijfsbebouwing is gesloopt of, zoals beschreven in artikel 5.14, aansluitend aan stedelijk gebied of in- of aansluitend aan een bebouwingslint. Dit zijn locaties die vanuit landschappelijk oogpunt het best passend zijn en bijdragen aan ruimtelijke samenhang. De kleinschalige woningbouwlocatie mag verspreid over de drie mogelijke locaties worden ontwikkeld, dus bijvoorbeeld één woning op het voormalige bouwvlak, één aansluitend aan stedelijk gebied en één in- of aansluitend aan een bebouwingslint.



    Van een bebouwingslint is sprake als een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten.



    Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.

  • e.

    per toepassing van de regeling zijn maximaal drie woningen toegestaan.

Lid 2:  

Hier worden de minimale sloopverplichtingen benoemd. De norm 500m2 500m2 per te slopen woning sluit aan bij de opbrengstwaarde van woningen in het landelijk gebied. Voor glastuinbouw geldt als minimale oppervlakte aan kas 0,5 ha om een compensatiewoning in het landelijk gebied te mogen realiseren, of andere vergelijkbare bebouwing. Hiermee wordt gezorgd voor goede balans tussen sloopinspanning en de waarde van het kunnen bouwen van een woning in het landelijk gebied,

Lid 3:

Het derde lid is een vangnet. De hoofdregel is en blijft: slopen volgens de norm van het tweede lid en maximaal drie woningen bouwen.

Alleen in uitzonderlijke situaties mag daarvan worden afgeweken.

  • a.

    Financiële onderbouwing: de initiatiefnemer moet open boek houden. Een onafhankelijk bureau stelt een helder en controleerbaar kosten- en opbrengstenoverzicht op. Het bureau mag geen belang hebben bij het project. De provincie kan een lijst met erkende bureaus vaststellen.

  • b.

    Beperking tot het minimum: de afwijking mag niet groter zijn dan strikt nodig. Het kan gaan om iets minder te slopen oppervlak of één of twee extra woningen. De gemeente moet dit onderbouwen in het omgevingsplan.

  • c.

    Ruimtelijke meerwaarde: elke afwijking moet het landschap verbeteren. Denk aan het herstel van sloten, houtwallen of zichtlijnen of aan de sloop van meerdere kleine opstallen elders op het bouwvlak. Voor het begrip goede landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage I bij deze verordening en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1.

[Red: Sectie 5.48 verplaatst van sectie 5.1.10 naar sectie 18.10. ]

Artikel 5.48 18.45 Molenbiotoop

De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang en het behoud van de belevingswaarde / het historisch karakter van de omgeving. De verordening schrijft voor dat de motivering bij een omgevingsplan inzicht moet bieden in de cultuurhistorische waarde van traditionele windmolens en het omringende gebied.

Het plan dient eveneens waarborgen te bieden ter bescherming van de molenbiotopen en van (een bepaalde mate van) vrije windvang. De zwaarste eisen gelden binnen een zone van 100 meter rond de molen. Het bepaalde in artikel 5.4818.45, derde lid onder c wordt beoogd een mogelijkheid te bieden voor herstructureringsprojecten / vervangende nieuwbouw met als doel het verhogen van ruimtelijke kwaliteit.

Er mag in dat geval per saldo geen nadelig effect optreden voor de windvang van de molen of de cultuurhistorische waarde van de molen. Dit kan enige creativiteit vergen, zoals het compenseren van de door de vervangende nieuwbouw verminderde windvang elders binnen de zone van 100 meter. In de tekst van de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk moet worden gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden. Dit betekent in dit geval dat door middel van berekeningen duidelijk moet worden aangetoond dat er per saldo geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang van de molen.

Ook binnen de zone van 400 meter zullen beperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. Dit zal echter goed moeten worden beargumenteerd waarbij met het belang van het behoud van een vrije windvang nadrukkelijk rekening dient te worden gehouden. Het plan zal waarborgen moeten bevatten voor het behoud van een zekere mate van vrije windvang. Het is voorts denkbaar in het omgevingsplan regels op te nemen, bijvoorbeeld met het oog op beplanting in een zone rond de molen, waarbij verplichte advisering door een molendeskundige wordt voorgeschreven. Het is daartoe noodzakelijk van de molen en de bij de molen behorende zone (molenbiotoop) in de regels te benoemen. 

Veelal (niet in alle gevallen) zal ook de omgeving van de molen als cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevol moeten worden aangemerkt. Het ligt, in voorkomend geval, voor de hand ook deze waarden in het omgevingsplan te beschermen. Van Provinciezijde wordt gevraagd bij plannen tevens rekening te houden met de 'Handleiding Molenbiotoop' van de Vereniging de Hollandse Molen.

Afdeling 18.11 Provinciale infrastructuur

[Red: Sectie 5.49   verplaatst van sectie 5.1.11 naar sectie 18.11. ]

Artikel 5.49   18.46 Bouwwerken bij provinciale wegen

Als een gemeente in het omgevingsplan een bouwwerk wil realiseren of wijzigen in het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale weg, dan moet zij rekening houden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg. Dit met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming op deze weg. Daarbij maakt de gemeente wel een eigen afweging. De provincie wordt bij deze afweging betrokken. In stedelijk gebied wordt het belang van de provinciale weg vaak niet verder aangetast door een nieuw bouwwerk. Er staan namelijk al veel bouwwerken binnen het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken. Nieuwe bouwwerken betekenen dan ook vaak geen verdere inperking. In de oude omgevingsverordening stond al een verbod op bouwwerken rond de provinciale weg waarvoor ontheffing mogelijk was. Deze instructieregel is dus niet een nieuwe regel, maar een bestaande regel die in een ander jasje is gegoten. Dit betekent bijvoorbeeld dat een wijziging van een gevel geen gevolgen heeft. Maar het naar voren plaatsen van een gevel als deze daardoor dichter op de weg komt, wel. Ontheffing van deze instructieregel is mogelijk. Dit is geregeld in hoofdstuk 1 van deze verordening.

[Red: Sectie 5.50   verplaatst van sectie 5.1.11 naar sectie 18.11. ]

Artikel 5.50   18.47 Werken bij provinciale vaarwegen

Als een gemeente in het omgevingsplan een (bouw)werk wil realiseren of wijzigen in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarweg, dan moet zij rekening houden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale vaarweg. Dit met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming op deze vaarweg. Daarbij maakt de gemeente wel een eigen afweging. De provincie wordt bij deze afweging betrokken.

In de oude omgevingsverordening stond al een verbod op werken rond de provinciale vaarweg waarvoor ontheffing mogelijk was. Deze instructieregel is dus niet een nieuwe regel, maar een bestaande regel die in een ander jasje is gegoten. Ontheffing van deze instructieregel is mogelijk. Dit is geregeld in hoofdstuk 1 van deze verordening.

Afdeling 18.12 Duisternisgebieden

[Red: Sectie 5.51   verplaatst van sectie 5.1.12 naar sectie 18.12. ]

Artikel 5.51   18.48 Duisternisgebieden

Het beschermen van Natura 2000-gebieden en de binnen deze gebieden voorkomende soorten en habitattypen is een wettelijke taak van de provincie. Het provinciaal belang is gelegen in het beschermen van de waarde van duisternis voor (delen van) deze gebieden. De regels in deze paragraaf gaan over het tegengaan van lichthinder en beogen het donkere landschap te beschermen.

Afdeling 18.13 Stiltegebieden

[Red: Sectie 5.52   verplaatst van sectie 5.1.13 naar sectie 18.13. ]

Artikel 5.52   18.49 Activiteiten binnen stiltegebieden A en B

In artikel 5.51 18.48 is aangegeven bij welke besluiten het bevoegd gezag rekening moet houden met de doelstellingen uit artikel 2.97 6.3. Dit kan zijn op grond van een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschriften.

Aangezien in afdeling 5.2hoofdstuk 19 en 5.3hoofdstuk 20 de instructieregels voor omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op projectbesluiten, geldt dit artikel ook voor projectbesluiten.

[Red: Sectie 5.53   verplaatst van sectie 5.1.13 naar sectie 18.13. ]

Artikel 5.53   18.50 Activiteiten buiten stiltegebieden A en B

Dit artikel bevat de instructie aan het bevoegd gezag voor de richtwaarden die in acht genomen moeten worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van maatwerkvoorschriften voor activiteiten, die plaatsvinden binnen het invloedsgebied en die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen de stiltegebieden A en B. Van belang daarbij is dat de te hanteren richtwaarde kan wisselen per gebied, of deel van een gebied, omdat de te hanteren richtwaarde afhankelijk is van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid, zoals omschreven in de Algemene toelichting onder Passende beoordeling. Het te hanteren toetsingskader is dus per definitie niet het maximale geluidniveau voor de verschillende gebieden. Dit maximum is alleen van toepassing indien het gemeten/berekende referentieniveau meer bedraagt dan de doelstellingen.

[Red: Sectie 5.54   verplaatst van sectie 5.1.13 naar sectie 18.13. ]

Artikel 5.54   18.51 Vrijstelling van de instructieregels

Aan aantal activiteiten is vrijgesteld van de toetsing aan de doelstellingen uit de stiltegebieden. Het gaat hier enerzijds om bestaande activiteiten die van oudsher in of op de grenzen van de gebieden plaatsvinden. Anderzijds betreft het activiteiten die noodzakelijk zijn voor onderhoud van dijkwerkzaamheden, of andere werkzaamheden ten behoeve van de waterkeringen. Daarnaast geldt een uitzondering voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening, indien deze activiteiten niet structureel plaatsvinden en een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is afgegeven, of geen vergunning op basis van deze wet noodzakelijk is. Deze vrijstelling is gebaseerd op het algemeen belang dat met de aard van deze werkzaamheden gemoeid is. Daarnaast zijn ook tijdelijke activiteiten die wel tot een tijdelijke verstoring van de rust en stilte kunnen leiden maar niet leiden tot een structurele aantasting van de stilte van het gebied vrijgesteld, zoals evenementen met een maximum van 12 keer per jaar per gebied. Voor deze activiteiten ligt het voor de hand dat niet wordt getoetst aan de doelstellingen die gelden voor de stiltegebieden, maar aan de eisen die worden gesteld in het kader van de Wet Natuurbescherming (verstoringsaspecten in relatie tot de instandhoudingsdoelstelling).

[Red: Sectie 5.55   verplaatst van sectie 5.1.13 naar sectie 18.13. ]

Artikel 5.55   18.52 Verplichting om geluid te meten

Dit artikel bevat de verplichting en de wijze van meting voor de bepaling van het referentieniveau. De beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag dat het besluit neemt over een omgevingsvergunning waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.

De richtwaarden zijn gemiddelde waarden ten aanzien van de feitelijk optredende geluidsniveaus gedurende alle etmaalperioden (dag-, avond,- en nachtperiode). Richtwaarden zijn langtijd gemiddelde geluidsniveaus en worden, per periode, bepaald op grond van metingen volgens de in de Omgevingsregeling voorgeschreven methode. Het ter plaatse heersende achtergrondniveau moet worden gemeten volgens de Omgevingsregeling (aanvullingsregeling geluid).

[Red: Sectie 5.56   verplaatst van sectie 5.1.13 naar sectie 18.13. ]

Artikel 5.56   18.53 Vastleggen van de uitgangssituatie

Dit artikel bevat een instructie aan het bevoegd gezag om er in een omgevingsplan er rekening mee te houden, dat, alvorens het bevoegd gezag een besluit kan nemen op grond van de Omgevingswet, degene die de activiteit uitoefent verplicht is het referentieniveau te meten en de uitgangsituatie vast te leggen.

Afdeling 18.14 Aardkundige waarden

[Red: Sectie 5.57   verplaatst van sectie 5.1.14 naar sectie 18.14. ]

Artikel 5.57   18.54 Aardkundige waarden

Uit de bodem (bodemtype), de diepere ondergrond (geologie) en de verschijningsvormen (geomorfologie) aan het oppervlak is ook de ontstaansgeschiedenis van het landschap te herleiden. De aardkundige waarden (ook wel aardkundig erfgoed genoemd) maken daarom deel uit van de identiteit van een gebied en hebben dikwijls een sterke relatie met de cultuurhistorie. Gebieden met bijzondere aardkundige waarden zijn daarom op provinciaal, nationaal of internationaal niveau gewaardeerd en beschermd als aardkundig waardevolle gebieden. De pareltjes daarvan worden vanuit promotie oogpunt benoemd als aardkundig monument.

Afdeling 5.1 Instructieregels aan gemeenten
Paragraaf 5.1.1 Bedrijven

Noodzaak van de instructieregels aan gemeente in verband met provinciaal belang is gelegen in een zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit en openheid van het buitengebied. Tevens streeft de provincie naar herstructurering van bestaande terreinen. De provincie wil verrommeling van het landschap tegengaan, ook in relatie tot de neveneffecten op het landschap en de bestaande woningvoorraad. 

Binnenhavens 

De provincie stelt zichzelf ten doel een sterk netwerk van laad- en loslocaties ten behoeve van de binnenvaart te behouden. Ingezet wordt op regionale dekking, kwaliteit en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. Provinciaal belang is gelegen in het behoud van een sterk provinciaal netwerk van laad en losfaciliteiten voor de binnenvaart. Dit betekent behoud van de bestaande binnenhavens in Zeeland. 

Kantoren

Het provinciaal belang is gelegen in zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit/openheid van het buitengebied. Verder draagt het beleidsdoel van bundeling en concentratie bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de stadscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden.

Paragraaf 5.1.2 Detailhandel

In paragraaf 5.1.2 zijn belangrijke onderdelen van het detailhandelsbeleid verwoord. Behoud en versterking van het aanbod aan detailhandelsvoorzieningen en bundeling en concentratie die bijdraagt aan de vitaliteit van binnensteden en dorpscentra worden als elementen van provinciaal belang aangemerkt. Het beleidsdoel is bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden. Dit draagt bij aan het bevorderen van de leefbaarheid van de binnensteden en dorpscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden. 

Onder nieuwe detailhandelsvoorzieningen wordt mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. In de toelichting bij een omgevingsplan waarin nieuwe detailhandelsvoorzieningen, met inbegrip van de uitbreiding van bestaande voorzieningen, worden toegelaten, wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden. 

Detailhandel buiten de kern van steden en dorpen kan alleen als de winkels te groot zijn voor het kernwinkelgebied of de producten te risicovol of volumineus (bijvoorbeeld meubels) zijn.

Paragraaf 5.1.3 Wonen

In de artikelen 5.46 en 5.47 van paragraaf 5.1.10 worden kleinschalige woninglocaties buiten stedelijk gebied benoemd die gericht zijn op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied (bijvoorbeeld bouwmogelijkheden door middel van 'ruimte-voor-ruimte' ). Onder kleinschalige woningbouwlocaties verstaan we een locatie waar de bouw of toevoeging anderszins van drie of minder woningen mogelijk worden gemaakt. Het provinciale belang is gelegen in het streven naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door het saneren van bebouwing, het creëren van een aantrekkelijk landschap en het verhogen van natuurwaarden, bijvoorbeeld door de aanleg van bos en beplanting. Buiten- en niet aansluitend aan bestaand stedelijk gebied zijn nieuwe burgerwoningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een van de uitzonderingen uit de artikelen 5.46 of 5.46 van toepassing is. 

Voor de definitie van het stedelijk gebied wordt verwezen bijlage I. 

Artikel 5.15   Wonen-benutten bestaande bebouwing: rood voor rood

Dit artikel is komen te vervallen per 1 januari 2026. 

Artikel 5.16   Wonen-ruimte voor ruimte

Dit artikel is komen te vervallen met ingang van 1 januari 2026

Artikel 5.17   Wonen-nieuwe bebouwing: rood voor groen

Dit artikel is komen te vervallen met ingang van 1 januari 2026

Paragraaf 5.1.4 Energie

De provincie wil de ontwikkeling van windenergie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap wordt ingezet op concentratie in globaal aangeduide gebieden (locaties). Deze bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. Het maatwerk voor de begrenzing en de invulling van deze locaties wordt aan de gemeenten overgelaten. 

De provincie wil ook de ontwikkeling van zonne-energie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap, zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied wordt ingezet op concentratie binnen stedelijk gebied en op of grenzend aan specifiek benoemde locaties buiten stedelijk gebied. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht.

Paragraaf 5.1.5 (Verblijfs)recreatie en activiteiten op stranden

Toerisme en recreatie zijn belangrijk voor de leefbaarheid en economie in Zeeland. Gezien de aantrekkingskracht van de Zeeuwse kust, wordt daaraan specifieke aandacht gegeven in relatie tot (verblijfs)recreatieve ontwikkelingen, recreatieactiviteiten en, mede vanwege het grote, ook nationale belang, waterveiligheid. 

Het provinciale beleid m.b.t. activiteiten op stranden en in duingebieden is gericht op het borgen van de bijhorende kwaliteiten als waterkeringszone en aaneengesloten natuurgebied enerzijds en aan het bieden van recreatiemogelijkheden anderzijds. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden. 

Het provinciale beleid m.b.t. tot logiesaccommodaties is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is enerzijds deze waarden te beschermen, versterken en waar nodig te herstellen en anderzijds te zorgen dat de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector wordt geborgd en versterkt, vanuit productinnovatie en –differentiatie, passend bij het lokale DNA. Hierbij is er nadrukkelijk aandacht voor de  samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden, en de draagkracht van een gebied. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de gedachtegang uit de Zeeuwse kustvisie, maar in heel Zeeland van toepassing. 

Wanneer wordt gesproken over een gedifferentieerd product, gaat het over een aanbod dat inspeelt op verschillende vragen en behoeften vanuit de markt, dus bestaand uit verschillende type accommodaties, voor diverse doelgroepen, op verschillende locaties en met uiteenlopende faciliteiten en voorzieningen. Het draagt bij aan een aantrekkelijk toeristisch product en aan de spreiding van bezoekers over de regio’s.

Paragraaf 5.1.6 Veerse Meer

Artikel 5.30  en de bijbehorende uitgangspunten in bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 5.22 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veere Meer blijft dus ook artikel 5.22 gelden.

Paragraaf 5.1.7 Agrarische activiteiten

Subparagraaf 5.1.7.1 Omgevingsplan

Het provinciale belang is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied. 

Het concentratiebeleid voor glastuinbouw wordt als provinciaal belang aangemerkt. Zowel vanuit economisch als vanuit omgevingsperspectief (bundeling en tegengaan van versnippering van het landelijk gebied) heeft concentratie voordelen boven een gespreide ontwikkeling. 

De provincie voert al jaren een stringent vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij. Dit stringente beleid is in dit artikel neergelegd. De provinciale belangen voor het stellen van regels omtrent het vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij zijn gelegen in het streven naar het behoud van landschappelijke waarden (in verband daarmee o.a. het tegengaan van grote industrieel aandoende bedrijven), het tegengaan van stankhinder, behoud van een goed toeristisch product ('het toeristisch product Zeeland'), het bevorderen van recreatief medegebruik van het landelijk gebied en het bevorderen van een vitale, grondgebonden landbouw als belangrijke 'drager' van het landelijk gebied. 

Het provinciaal belang voor het reguleren van agrarische onderzoeksbedrijven is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied. Agrarische onderzoeksbedrijven zijn bedrijven die zich uitsluitend richten op onderzoek naar nieuwe en verbetering van bestaande agrarische gewassen ten behoeve van de agrarische sector. Qua verschijningsvorm zijn deze bedrijven een combinatie van grondgebonden akkerbouw, glasopstallen, laboratorium en kantoor.

Subparagraaf 5.1.7.2 Omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

De Wet ammoniak en veehouderij, die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, beschermt natuurgebieden die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. 

Op grond van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij hebben provinciale staten al zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze aangewezen gebieden zijn één op één overgenomen in de omgevingsverordening. De aanwijzing van dergelijke kwetsbare gebieden is gebaseerd op de artikelen 2 en 3 van de voormalige Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. 

Ook onder de Omgevingswet is er aandacht nodig voor de bescherming van natuurgebieden, die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. Artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft dit voor. Hierbij heeft de provincie Zeeland gekozen voor een beleidsneutrale omzetting. De provincie heeft de weigeringsgronden voor omgevingsvergunningen voor veehouderijen van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij overgenomen in deze paragraaf.

Paragraaf 5.1.8 Waterkeringen

Het behoud van een veilige waterkering wordt als provinciaal belang aangemerkt. Behoud van een veilige waterkering is in het belang van de veiligheid van de inwoners van Zeeland. Bij een doorbraak van de primaire waterkering is het van belang de gevolgen zo beperkt mogelijk te houden. Dit kan onder meer door het in stand houden van een stelsel van regionale keringen (zie ook artikel 3.1). In deze verordening zijn daarom regels opgenomen voor de bescherming van de regionale waterkeringen.

Paragraaf 5.1.9 Natuur

Deze paragraaf is mede opgesteld in verband met afdeling 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze rijksregeling zijn instructieregels opgenomen met het oog op de bescherming van het natuurnetwerk Nederland.

Er is een regeling opgenomen voor het beschermen van natuurnetwerk Nederland. Het doel is een planologisch beschermingsregime te bieden voor de aangewezen natuurgebieden. Voor de begrenzing van de gebieden is aangesloten bij de begrenzing van de gebieden in het geldende Natuurbeheerplan Zeeland. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan vermeld. Daartoe wordt verwezen naar het overzicht van beheertypen. Wat agrarische gebieden van ecologische betekenis betreft wordt verwezen naar de in het Natuurbeheerplan aangeduide agrarische gebieden van ecologische betekenis met daarbij behorende beheertypen waarin de beoogde natuurkwaliteit is beschreven.

Het provinciale belang (dat in dit geval tevens een gedeeld rijksbelang is) is gelegen in behoud en ontwikkeling van een bovenlokaal netwerk van natuurgebieden en bescherming van deze gebieden. Voorts levert dit beleid een bijdrage aan het behoud van belangrijke kenmerken van de provincie (open, 'groen en blauw' estuariën deltagebied). De bedoelde gebieden zijn tevens belangrijk voor de recreatie in Zeeland.

Het bovenstaande geldt tevens voor de agrarische gebieden van ecologische betekenis als ook voor het waarborgingsbeleid voor natuurontwikkelingsgebieden en de afwegingszone rond natuurgebieden.

Paragraaf 5.1.10 Landschap en erfgoed

Nieuw is een regeling voor werelderfgoederen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, artikel 7.4, derde lid) is bepaald dat bij Omgevingsverordening in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige lijst werelderfgoed, regels worden gesteld over omgevingsplannen en projectbesluiten (4.2, eerste lid Ow). 

De provincie bevordert instandhouding en ontwikkeling van agrarisch en religieus erfgoed en historische windmolens. Het Zeeuwse erfgoed is een belangrijk onderdeel van de Zeeuwse identiteit; het geeft een beeld van het verleden, het draagt bij aan de culturele identiteit in het heden en het geeft richting aan (ruimtelijke) ontwikkelingen in de toekomst. De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang, het behoud van de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving.

Paragraaf 5.1.11 Provinciale infrastructuur

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming op de provinciale wegen en vaarwegen. Gemeenten moeten bij het opstellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg en de provinciale vaarweg.

Paragraaf 5.1.12 Duisternisgebieden

[Vervallen]

Paragraaf 5.1.13 Stiltegebieden

Het aanwijzen en beschermen van stiltegebieden is een bestaande (functionele) taak van de provincie. De provincie stelt regels om stiltegebieden tegen geluidoverlast van bronnen binnen en buiten dat gebied te beschermen (artikel 2.27 Ow). Deze paragraaf bevat diverse instructieregels voor gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsplan of het stellen van maatwerkvoorschriften.

Paragraaf 5.1.14 Aardkundige waarden

[Vervallen]

Afdeling 5.2 Instructieregels aan het waterschap
Paragraaf 5.2.1 Waterbeheerprogramma

De bepalingen in deze paragraaf hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het waterbeheerprogramma conform artikel 3.7 Omgevingswet. Uit artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van het waterbeheerprogramma. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling, in samenhang met de geldende omgevingswaarden en de in het regionaal waterprogramma neergelegde doelen voor de waterkwaliteit.

Paragraaf 5.2.2 Peilbesluit

Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een peilbesluit. Deze paragraaf bevat dergelijke instructieregels.

Paragraaf 5.2.3 Waterschapsverordening

Artikel 2.23 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in de omgevingsverordening instructieregels op te nemen over de inhoud of motivering van een waterschapsverordening en vergunningverlening van het waterschap op basis van artikel 5.3 van de Omgevingswet. Deze paragraaf bevat dergelijke instructieregels.

Paragraaf 5.2.4 Projectbesluit

Op het nemen van een projectbesluit door het waterschapsbestuur zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project.

Afdeling 5.3 Instructieregels aan gedeputeerde staten
Paragraaf 5.3.1 Stiltegebieden

Gedeputeerde staten moeten zorgdragen dat het stiltegebied goed zichtbaar is door het plaatsen van een bord op diverse plaatsen langs grenzen van zo’n gebied.

Paragraaf 5.3.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

Gedeputeerde staten moeten zorgdragen dat het grondwaterbeschermingsgebied goed zichtbaar is door het plaatsen van een bord op diverse plaatsen langs grenzen van zo’n gebied.

Paragraaf 5.3.3 Projectbesluit

Op het nemen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project.

Paragraaf 5.3.5   Uitgangspunten regionale woonafspraken

Artikel 5.66 tot en met artikel 5.68  

Uitgangspunten voor te maken regionale woonafspraken zijn de dan meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen. Gedeputeerde staten stellen hiertoe ten minste eens per drie jaar een prognose beschikbaar en voeren hierop volgend het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland uit. Hierin wordt onder meer de kwaliteit van de bestaande voorraad in beeld gebracht. Dit dient als basis voor plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad. De provincie stimuleert daarbij het samenwerken met gemeenten, corporaties en zorgpartijen naar een structurele en langjarige gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast beheren gedeputeerde staten een provinciaal monitorsysteem, de planmonitor wonen, voor het bijhouden van de plancapaciteit en realisaties van woningbouw per gemeente.

Afdeling 5.4 Instructieregels aan de faunabeheereenheid

Artikel 8.1, derde lid van de Omgevingswet bepaalt dat provincies regels opstellen over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. Dit om ervoor te zorgen dat het duurzame beheer van populaties van in het wild levende dieren, de uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht door jachthouders transparant en samenhangend gebeurt. 

Provinciale staten stellen in de omgevingsverordening vast aan welke eisen een faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van gedeputeerde staten (artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet).

Hoofdstuk 19 Instructieregels aan het waterschap

[Red: Sectie 5.58   verplaatst van sectie 5.2.1 naar sectie 19. ]

Artikel 5.58   19.1 Inhoud waterbeheerprogramma

Uit artikel 3.7 van de Omgevingswet volgt dat het algemeen bestuur van het waterschap voor de watersystemen die bij het waterschap in beheer zijn een waterbeheerprogramma vaststelt, waarbij het rekening houdt met het regionale waterprogramma voor die watersystemen, voor zover het gaat om de onderdelen die uitvoering geven aan EU-richtlijnen. Uit artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van het waterbeheerprogramma. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling.

[Red: Sectie 5.59   verplaatst van sectie 5.2.1 naar sectie 19. ]

Artikel 5.59   19.2 Overleg en verslag waterbeheerprogramma

Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de taakuitoefening van het waterschap als omschreven in artikel 2.17 van de Omgevingswet. Met het oog op goede afstemming op het terrein van het regionale waterbeheer is in de omgevingsverordening neergelegd dat de provincie en het waterschap periodiek (bestuurlijk) overleg voeren over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma en dat jaarlijks een verslag wordt toegezonden over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar.

[Red: Sectie 5.60   verplaatst van sectie 5.2.2 naar sectie 19. ]

Artikel 5.60   19.3 Peilbesluiten

Uit artikel 2.41 van de Omgevingswet volgt dat het waterschapsbestuur peilbesluiten vaststelt voor bij omgevingsverordening aangewezen regionale wateren. Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een peilbesluit. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling.

In beginsel stelt het waterschap voor alle oppervlaktewateren in Zeeland die onder zijn beheer vallen peilbesluiten vast. In overleg met gedeputeerde staten kan op basis van een onderbouwd verzoek van het waterschap (aanvraag ontheffing op basis van artikel 1.3) een uitzondering worden gemaakt als een gebied zich door ligging of hoedanigheid niet goed leent voor een peilbesluit.

Het waterschap is wettelijk bevoegd gezag voor het vaststellen of wijzigen van peilbesluiten. Indien ten behoeve van een proefproject op een specifieke locatie behoefte bestaat van een peilbesluit af te wijken, kan het waterschap instemmen met de provincie bezien of daartoe een wijziging van een peilbesluit nodig is of een ontheffing van artikel 5.60 19.3, eerste lid van de verordening. Het is van belang dat peilbesluiten actueel worden gehouden en zonodig worden aangepast. Een en ander vloeit ook voort uit het beleid in de provinciale omgevingsvisie.

Bij peilbesluiten volgt het waterschap uitgangspunten die voortvloeien uit kaderstelling in de provinciale omgevingsvisie, en, waar mogelijk, landelijk gebruikelijke methodieken (met betrekking tot de samenhang tussen grond- en oppervlaktewater en drooglegging (GGOR)).

[Red: Sectie 5.61   verplaatst van sectie 5.2.3 naar sectie 19. ]

Artikel 5.61   19.4 Bescherming grondwater

Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een waterschapsverordening en vergunningverlening van het waterschap op basis van artikel 5.3 van de Omgevingswet. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling en bevat instructieregels voor de vergunningverlening door het waterschap voor activiteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water. Deze instructieregel houdt verband met provinciaal beleid dat volgt uit de Zeeuwse Omgevingsvisie, het Regionaal Waterprogramma en het Natuurbeheerplan Zeeland.

Doel is onder meer bescherming van verdrogingsgevoelige natuurgebieden met kwetsbare natuurwaarden en beheertypen tegen nadelige gevolgen van een tekort aan grondwater. Deze natuurgebieden zijn aangegeven in bijlage XI. De aanwijzing en selectie van deze gebieden vloeit voort uit het geldende Natuurbeheerplan, dat de motivering bevat van de ligging van deze gebieden en relevante beheertypen. Wijzigingen zijn mogelijk op basis van een besluit tot wijziging van het natuurbeheerplan. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van verdrogingsgevoelige natuurgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.

Verder strekken de instructieregels tot bescherming van een duurzame kwantitatieve en kwalitatieve toestand van het grondwater in het gehele beheergebied van het waterschap. Daarbij is van belang dat aanwezig (zoet) grondwater duurzaam wordt beheerd op plaatsen waar dat in aanmerking komt voor onttrekkingen ten behoeve van landbouwkundig gebruik (zoals beregening), zodat dit aanwezige grondwater als gevolg van benuttingsmogelijkheden niet uitgeput raakt. Met het oog daarop worden in de waterschapsverordening regels opgenomen over vergunning- en meldplichten en meet- en opgaveverplichtingen. Het toezicht en waar nodig handhaven van deze regels berust bij het waterschap.

[Red: Sectie 5.62   verplaatst van sectie 5.2.3 naar sectie 19. ]

Artikel 5.62   19.5 Grondwaterregister

Uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer bedraagt dan 150.000 m3 per jaar, en ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem. Voor andere grondwateronttrekkingen of infiltraties is het waterschap het bevoegd gezag. Dit artikel in de omgevingsverordening bevat de instructieregel dat de provincie en het waterschap, elk voor zover bevoegd gezag, zorg dragen dat de gegevens van houders van inrichtingen of werken bestemd tot het onttrekken van grondwater worden ingeschreven in het daarvoor bestemde landelijk register. Dit register is van belang met het oog op de provinciale grondwaterheffing. Deze heffing geldt voor alle onttrekkingen waarvoor vergunning is verleend door de provincie dan wel het waterschap. Het landelijk register moet daarom worden gevuld met relevante gegevens waarover het waterschap en de provincie beschikken.

[Red: Sectie 5.63   verplaatst van sectie 5.2.3 naar sectie 19. ]

Artikel 5.63   19.6 Grondwatermeetnet

Deze instructieregel is, mede in belang van de taakuitoefening door het waterschap, gericht tot de provincie en geeft aan dat de provincie zorg draagt voor een grondwatermeetnet met het oog op het monitoren van gegevens die van belang zijn voor het regionale grondwaterbeleid en daarvoor benodigde onderzoeken. Hierover vindt afstemming plaats tussen de provincie en het waterschap.

[Red: Sectie 5.64   verplaatst van sectie 5.2.4 naar sectie 19. ]

Artikel 5.64   19.7 Instructieregels projectbesluit

Op het nemen van een projectbesluit door het waterschapsbestuur zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project. Deze instructieregel waarborgt dat de gewijzigde regels van het omgevingsplan voldoen aan de provinciale instructieregels voor omgevingsplannen.

Hoofdstuk 20 Instructieregels aan gedeputeerde staten

[Red: Sectie 5.67   verplaatst van sectie 5.3.3 naar sectie 20. ]

Artikel 5.67   20.3 Instructieregels projectbesluit

Op het nemen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project. Deze instructieregel waarborgt dat de gewijzigde regels van het omgevingsplan voldoen aan de provinciale instructieregels voor omgevingsplannen.

Hoofdstuk 21 Instructieregels aan de faunabeheereenheid

[Red: Sectie 5.73   verplaatst van sectie 5.4 naar sectie 21. ]

Artikel 5.73   21.2 Algemene eisen aan faunabeheerplannen

Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat er in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet een faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Het is wenselijk dat onder regie van de faunabeheereenheid deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar worden afgestemd.

De eis dat het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid is in de uitvoeringspraktijk van de afgelopen decennia een bruikbare en werkbare maat gebleken en wordt daarom gecontinueerd.

[Red: Sectie 5.74   verplaatst van sectie 5.4 naar sectie 21. ]

Artikel 5.74   21.3 Faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties

Voor duurzaam beheer van populaties fungeert het faunabeheerplan als onderbouwing voor omgevingsvergunningen. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom exacte uitwerking van de eisen genoemd in dit artikel. Het faunabeheerplan dient als het ware het complete faunabeheer te beschrijven. Daarbij moet onder andere aandacht zijn voor de uitvoering van het beheer in verleden en toekomst, de opgetreden schade in het verleden en de dreigende schade in de toekomst, de trends qua aantallen en de gewenste stand in relatie tot de staat van instandhouding. Ook kan de natuurlijke draagkracht van gebieden in het plan worden betrokken.

[Red: Sectie 5.75   verplaatst van sectie 5.4 naar sectie 21. ]

Artikel 5.75   21.4 Faunabeheerplan schadebestrijding

Voor schadebestrijding fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is.

[Red: Sectie 5.76   verplaatst van sectie 5.4 naar sectie 21. ]

Artikel 5.76   21.5 Faunabeheerplan uitoefening jacht

Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt gebruik genaakt van de verplicht door houders van een omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten te overleggen afschotgegevens (artikel 6.3, vierde lid, Omgevingsbesluit) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en -waar redelijkerwijs mogelijk-trendtellingen. Deze gegevens kunnen door soortengegevensverzamelende organisaties worden verstrekt. De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Daarnaast staat de uitoefening van de jacht in dienst van schadebestrijding. Deze samenhang met schadebestrijding en een inschatting van de mate waarin wildsoorten jacht verdragen, moet uit het faunabeheerplan blijken.

[Red: Sectie 5.77   verplaatst van sectie 5.4 naar sectie 21. ]

Artikel 5.77   21.6 Geldigheidsduur faunabeheerplan

Gelet op de samenhangende aanpak van duurzaam beheer van populaties, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Dit artikel bepaalt daarom dat een faunabeheerplan een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. In uitzonderlijke gevallen kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Deze verlenging is alleen mogelijk als er concreet zicht is op de vaststelling van een nieuw plan.

Hoofdstuk 6 22 Handhaving

Afdeling 6.1 22.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving

Deze afdeling bevat regels over de kwaliteit van uitvoeringstaken en handhavingstaken door gedeputeerde staten en omgevingsdiensten om te voldoen aan de verplichtingen uit de Omgevingswet (paragraaf 18.3.3) en het Omgevingsbesluit (afdeling 13.2). Artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit verplicht de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoerings- en handhavingstaak (lees: gedeputeerde staten) om een strategie te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Omgevingsbesluit inhoudelijk open.

Artikel 22.1 Toepassingsbereik

De reikwijdte van deze afdeling heeft een inhoudelijke afbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de Omgevingswet. De terminologie “uitvoering en handhaving” sluit aan bij de wet. Het betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Omgevingswet. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van gedeputeerde staten. Deze afdeling is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de Omgevingswet door gedeputeerde staten zelf of, in opdracht van gedeputeerde staten, door een omgevingsdienst of een private partij. Uitvoering van de Omgevingswet door andere bevoegde gezagen, zoals de gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde model vaststellen, of het waterschapsbestuur, valt buiten het bereik van deze afdeling. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door provinciale diensten en omgevingsdiensten.

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

De reikwijdte van deze afdeling heeft een inhoudelijke afbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de Omgevingswet. De terminologie “uitvoering en handhaving” sluit aan bij de wet. Het betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Omgevingswet. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van gedeputeerde staten. Deze afdeling is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de Omgevingswet door gedeputeerde staten zelf of, in opdracht van gedeputeerde staten, door een omgevingsdienst of een private partij. Uitvoering van de Omgevingswet door andere bevoegde gezagen, zoals de gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde model vaststellen, of het waterschapsbestuur, valt buiten het bereik van deze afdeling. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door provinciale diensten en omgevingsdiensten.

Artikel 6.2 22.2 Betrokkenheid van provinciale staten

Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen provinciale staten en gedeputeerde staten. Ingevolge de systematiek van het Omgevingsbesluit, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor gedeputeerde staten. Bezien vanuit de Provinciewet, is kaderstelling juist de taak van provinciale staten.

De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze afdeling als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het Omgevingsbesluit, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat provinciale staten vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren.

Het horizontale toezicht door provinciale staten op het (regionale) uitvoerings- en handhavingsbeleid door gedeputeerde staten, zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving in de omgevingsvisie en in programma’s. Artikel 7.2 richt zich tot provinciale staten. Indirect is het eveneens van belang voor gedeputeerde staten, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht werken, omdat de rol van provinciale staten zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze rol, beschikken provinciale staten reeds over de mogelijkheden die de organieke wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch niveau voor de fysieke leefomgeving in de omgevingsvisie en in programma’s hebben vastgelegd.

Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat gedeputeerde statenprovinciale staten daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.

Artikel 6.3 22.3 Kwaliteitsdoelen

Artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit verplicht de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoerings- en handhavingstaak (lees: gedeputeerde staten) om een strategie te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Omgevingsbesluit inhoudelijk open. Artikel 7.3 strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen.

Ten eerste door voor te schrijven dat gedeputeerde staten naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën. Andere mogelijke onderwerpen zijn veiligheid en duurzaamheid.

Er is voor gekozen in deze afdeling geen voorschriften te geven over de te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de bevoegde gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring hebben.

Artikel 6.4 22.4 Kwaliteitsborging

Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.2 en de opvolgers daarvan (zie ook de toelichting bij het begrip ‘kwaliteitscriteria’ in de toelichting bij bijlage I). Het strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bestuursorganen. Van belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door gedeputeerde staten zijn gesteld op grond van artikel 7.3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan provinciale staten. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Omgevingsbesluit op te stellen documenten.

Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.2 zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”.

Hoofdstuk 7 23 Schade

Afdeling 7.1 23.1 Nadeelcompensatie
Artikel 7.1 23.1 Procedure

Hoofdstuk 7 van de Omgevingsverordening Zeeland is gereserveerd voor schade. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 treedt ook titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht in werking. Titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht voorziet in een algemene regeling over vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. Deze regeling voegt samen en harmoniseert bestaande wettelijke regelingen en buitenwettelijke regelingen voor nadeelcompensatie, waaronder die van planschade.

Afdeling 15.1 Omgevingswet bevat ook een regeling over nadeelcompensatie. Deze regeling neemt de algemene regeling van titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht als uitgangspunt en vult deze op onderdelen aan. Afdeling 15.1 Omgevingswet bevat een limitatieve en exclusieve opsomming van schadeoorzaken en in artikel 15.7 is de invulling van het normaal maatschappelijk risico geregeld voor die schadeoorzaken. Daar waar afdeling 15.1 Omgevingswet afwijkt van de regeling in de Algemene wet bestuursrecht, gaat afdeling 15.1 Omgevingswet voor (lex specialis) bij de toekenning van nadeelcompensatie als gevolg van besluiten die worden genomen op grond van de Omgevingswet. Nu op grond van titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht nadeelcompensatieverzoeken kunnen worden ingediend die het gevolg zijn van publiekrechtelijke bevoegdheden of taken op grond van de Omgevingswet of op grond van andere wetten, bijvoorbeeld de Wegenwet, Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswetgeving, verdient het de voorkeur vanuit eenduidigheid om hier één regeling voor te hebben. Die regeling is de Verordening nadeelcompensatie provincie Zeeland 2023. Om die reden wordt hier naar die regeling verwezen.

Afdeling 7.2 23.2 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 15.53 van de Omgevingswet bepaalt dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade van nature in het wild levende dieren: 

  • a.

    soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn;

  • b.

    soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; en

  • c.

    soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen gedeputeerde staten beleidsregels vast.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

Artikel 7.2 23.2 Aanvraag om tegemoetkoming

In dit artikel wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld.

Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen zeven werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan zeven werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.

Artikel 7.3 23.3 Taxatie van de schade

Dit artikel regelt in samenhang met de beleidsregels de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren.

Hoofdstuk 8 24 Overgangsrecht

Afdeling 8.1 24.1 Algemene overgangsbepalingen

In deze afdeling worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht.

Paragraaf 8.1.1 24.1.1 Overgangsrecht lopende procedures

Artikel 24.1 Toepassingsbereik

Dit artikel beperkt de reikwijdte van het overgangsrecht in deze paragraaf tot besluiten op grond van de verordeningen die door deze verordening zijn samengevoegd.

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Dit artikel beperkt de reikwijdte van het overgangsrecht in deze paragraaf tot besluiten op grond van de verordeningen die door deze verordening zijn samengevoegd.

Artikel 8.2 24.2 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve

Eerste lid: Bij een beschikking op een aanvraag wordt, ongeacht welke procedure van toepassing is, altijd de dag waarop de aanvraag is ingediend als kantelmoment gehanteerd. Dit betekent dat als de aanvraag (volgens de ontvangsttheorie) is ingediend voordat de omgevingsverordening in werking is getreden, het besluit wordt voorbereid en vastgesteld op basis van het oude recht. Dan wordt dus de volledige procedure doorlopen en gevolgd conform de oude verordening.

Tweede lid: Voor ambtshalve besluiten is het gangbaar om bij toepassing van de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure de ter inzagelegging als kantelmoment te hanteren. In deze verordening wordt bij dat gebruik aangesloten. Als tweede kantelmoment van oud naar nieuw wordt voorgesteld als hoofdregel te kiezen voor het moment van onherroepelijkheid. Het eerste kantelmoment betekent dat als de terinzagelegging aanvangt voor de dag waarop deze verordening in werking treedt, op de verdere besluitvormingsprocedure het oude recht van toepassing blijft. Het tweede kantelmoment brengt mee dat dit oude recht blijft gelden tot en met een eventuele beroepsprocedure.

Derde lid: Voor ambtshalve besluiten met toepassing van titel 4.1 Awb wordt als kantelmoment gekozen voor het bekendmaken van het besluit. Is een besluit bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van deze verordening en staat tegen dat besluit bezwaar of beroep open, dan blijft het oude recht van toepassing op de afhandeling van bezwaarschriften en de behandeling van beroep en hoger beroep, totdat het besluit onherroepelijk is. Als tweede kantelmoment van oud naar nieuw wordt dus ook hier voorgesteld als hoofdregel te kiezen voor het moment van onherroepelijkheid.

Artikel 8.3 24.3 Overgangsrecht lopende handhavingszaken

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor lopende handhavingsprocedures. De hoofdlijn is dat overtredingen van de oude regels worden afgehandeld op basis van die oude regels. Mocht zich een situatie voordoen waarbij een overtreding is begaan van de oude regels, terwijl die handeling onder de nieuwe regels geen overtreding meer oplevert, dan zal de provincie het handhavingsbesluit intrekken.

Paragraaf 8.1.2 24.1.2 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift

Artikel 8.4 24.4 Overgangsrecht melding, kennisgeving en maatwerkvoorschrift

Eerste lid: het eerste lid bevat de gelijkschakeling van meldingen en kennisgevingen die onder het oude recht zijn gedaan met meldingen op grond van de nieuwe omgevingsverordening. 

Tweede lid: het tweede lid bevat de gelijkschakeling van meldingen en kennisgevingen die onder het oude recht zijn gedaan met informatieplichten op grond van de nieuwe omgevingsverordening. 

Derde lid: Het derde lid zorgt ervoor dat de aanvraag om een omgevingsvergunning, die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend voor een activiteit die op grond van deze verordening niet meer vergunningplichtig is, maar wel meldingsplichtig, wordt gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.

Vierde lid: In het derde lid is de gelijkschakeling van maatwerkvoorschriften op grond van de oude omgevingsverordening met maatwerkvoorschriften op grond van de nieuwe omgevingsverordening geregeld.

Afdeling 8.2 24.2 Overgangsbepalingen per onderwerp

Deze afdeling bevat voor een aantal onderwerpen specifieke overgangsbepalingen.

Artikel 8.6 24.6 Overgangsrecht landschap en erfgoed

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor borden die vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk zijn geplaatst. Het overgangsrecht omvat borden die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 rechtsgeldig zijn geplaatst. Het gaat daarbij om borden die op basis van een ontheffing van de Landschapsverordening Zeeland of de Provinciale milieuverordening zijn geplaatst. .

Deze ontheffingen worden gelijkgesteld aan een maatwerkvoorschrift in de zin van de Omgevingsverordening Zeeland 2021

  • De Stichting Arjaan de Schipper mag uiterlijk één maal per jaar op basis van die beschikking maximaal 10 dagen 16 reclame of aankondigingsspandoeken van 4 m lang en 0,80 m hoog op 3 locaties langs A58 plaatsen rond de datum van het evenement.

  • De dag van het Zeeuwse Paard heeft een ontheffing voor maximaal éénmaal per jaar voor het plaatsen van drie borden van 1,22 m X 0,7 m, die vier weken voorafgaand aan het evenement kunnen worden geplaatst en na afloop van het evenement direct verwijderd moeten worden.

Hoofdstuk 9 25 Overige bepalingen en slotbepalingen

Afdeling 9.2 25.2 Slotbepalingen
Artikel 9.2 25.2 Inwerkingtreding

De omgevingsverordening treedt in werking op 1 januari 2025

Naar boven