Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 13026 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 13026 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het besluit ‘Ontwerp Actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsverordening’ zoals opgenomen in 'Bijlage A', inclusief onderliggende bijlagen, is als ontwerp voor inspraak vrijgegeven van 4 augustus 2026 tot en met 14 september 2026.
Dit ontwerp-besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'. Het ontwerp van de actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsverordening in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 14 juli 2026 vastgesteld, zaaknummer 828795.
Het ontwerp van de actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsverordening in de
vergadering van Gedeputeerde Staten van 14 juli 2026 vastgesteld,
zaaknummer 828795.
Dit is een ontwerp en behoeft geen ondertekening.
A
Artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van een instructieregel.
Het eerste lid geldt niet voor de instructieregels over faunabeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk 20. hoofdstuk 21.
Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen.
B
Artikel 1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 2.1 verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
[Red: Artikel 2.2 verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
[Red: Artikel 2.3 verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden deze ondertekend en voorzien van:
[Red: Artikel 2.4 verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam leidt er in ieder geval niet toe dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt.
Het eerste lid is niet van toepassing:
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteitleefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of
als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
Het verlenen van de omgevingsvergunning leidt er ook niet toe dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktelichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt.
Met het oog op bescherming van de gezondheid is het verboden om:
Onder een gevoelige functie als bedoeld in het eerste lid worden de volgende functies verstaan:
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit waarvoor vóór 1 januari 2027 een omgevingsvergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
D
Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 3.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 3.2 in het:
beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen;
beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen ;
beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen;
beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom;
beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten; en
beperkingengebied verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw en tuinbouwproducten.
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.
[Red: Artikel 3.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van onderhoud behoort.
Taken en bevoegdheden op grond van deze paragraaf kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen:
[Red: Artikel 3.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.2 is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd;
het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare weg, wordt verzekerd;
het vrije zicht wordt verzekerd;
werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hier uit geen schade voor de weg kan ontstaan;
geen vaste stoffen of voorwerpen, anders dan land- en tuinbouwproducten, in het beperkingengebied beheer provinciale wegen en in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen;
land- en tuinbouwproducten alleen voor korte tijd worden gedeponeerd in het beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten;
het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet worden verontreinigd met voor het verkeer of de weg hinderlijke of schadelijke vloeistoffen of beplantingsresten;
de afwatering van het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet wordt belemmerd;
beplanting langs de weg in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers;
borden, spandoeken, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht;
een strook van 5 meter buiten de insteek van bermsloten, die niet onder de onderhoudsplicht van een waterschap vallen, vrijgehouden wordt van beplanting, grondwallen of andere zaken;
aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en
alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.
[Red: Artikel 3.4 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 3.3, artikel 3.7 en artikel 3.14.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.7 en artikel 3.14, tenzij anders is bepaald.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
[Red: Artikel 3.5 verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
[Red: Artikel 3.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Met het oog op een veilig gebruik van de provinciale weg is het verboden bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd, te hebben dan wel te maken, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten in het beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom.
[Red: Artikel 3.7 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg, steekt beplanting in het beperkingengebied beheer provinciale wegen niet hoger uit dan:
4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, anders dan fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen;
3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden.
Delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, worden direct verwijderd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen, te snoeien of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen.
In aanvulling op artikel 2.1 gelden het eerste tot en met derde lid ook voor de rechthebbenden van de beplanting.
[Red: Artikel 3.8 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen:
Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing op maaiwerk aan een bermsloot door of namens een waterschap, voorzover de zorg voor het watersysteem dat vereist.
[Red: Artikel 3.9 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen:
het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg;
het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg;
het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en
het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg ten gevolge van een verandering van de bedrijfsvoering.
[Red: Artikel 3.10 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker, goot, kabel, leiding, afrastering of vergelijkbaar werk te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen.
[Red: Artikel 3.11 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een mast, paal, bord, vlag, spandoek, handelsreclame, kunstuiting, licht- of geluidgevende voorziening of vergelijkbaar object te hebben, plaatsen of wijzigen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen.
Het verbod geldt niet voor het hebben, plaatsen of wijzigen van een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.
[Red: Artikel 3.12 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen.
[Red: Artikel 3.13 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen, zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
[Red: Artikel 3.14 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Met het oog op het veilig gebruik van de provinciale weg worden in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen niet meer dan twee middelen per locatie geplaatst.
De middelen voldoen aan de volgende maximale maten:
De middelen worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 2,50 meter uit de kant van de wegverharding.
De middelen worden binnen vier weken na de datum van plaatsing verwijderd.
[Red: Artikel 3.15 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen:
[Red: Artikel 3.16 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gedenkteken te plaatsen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen.
[Red: Artikel 3.17 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen:
het innemen of hebben van een standplaats voor handel of bedrijf; en
het inrichten of hebben van een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen.
[Red: Artikel 3.18 verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen:
Het verbod geldt niet voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.6 tot en met artikel 3.17.
[Red: Artikel 3.19 verplaatst van hoofdstuk 3 naar paragraaf 3.1.1. ]
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 3.2.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk, wijzigen of intrekken als:
E
Artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 en artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt alleen verleend als:
er geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaatsvindt;
rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van het betreffende gebied en zekerheid is verkregen dat het verlenen, mede gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig met is met de belangen, bedoeld in artikel 5.2; en
het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit voldoende is aangetoond en er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn.
F
Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 5.17 wordt voldaan aan de volgende regels:
de aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf;
de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; en
na afronding van de werkzaamheden worden de slecht-doorlatende bodemlagen zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met bentoniet of een ander geschikt kleiproduct.
G
Afdeling 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied. Dit verbod omvat mede gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.
Het verbod bedoeld in het eerste lid en tweede lid geldt niet voor:
geringe hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat voor het doen functioneren van dat vervoermiddel, werktuig of apparaat, als deze deugdelijk zijn geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; of
het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen.
Het is verboden vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit op grond van artikel 5.19, eerste lid, verboden is of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 5.19, tweede lid.
H
Het opschrift van artikel 5.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Artikel 5.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden lozingen te verrichten in of op de bodem in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 5.31 5.33 of artikel 5.32 5.31.
J
Artikel 5.31 wordt verplaatst van afdeling 5.7 naar afdeling 5.8. Het opschrift van artikel 5.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 5.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de volgende werken aan te leggen of gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:
Het verbod geldt in een grondwaterbeschermingszone niet voor het aanleggen of gebruiken van een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal.
L
Afdeling 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om:
Het is verboden een tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of andere werktuigen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone.
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied:
Het is verboden organisch-chemische producten, anorganische-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten of explosieven te maken in een grondwaterbeschermingszone met behulp van:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone voor zover artikel 5.42, eerste lid, niet van toepassing is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een grondwaterbeschermingszone:
Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning materialen, eindproducten en of halffabricaten te maken voor zover artikel 5.42, derde lid, niet van toepassing is.
Het is verboden een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 5.42 of artikel 5.43.
M
Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 5.45.
N
Artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:
een opslagtank of verpakking waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen inwendig te reinigen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt;
voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers, of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd inwendig te reinigen;
een gemotoriseerd voertuig of werktuig, autobus, spoorvoertuig of vliegtuig te onderhouden, repareren of schoonmaken; of
een verbrandingsmotor of gasturbine te reviseren.
Het verbod geldt niet voor:
O
Artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 5.49, tweede lid te verrichten in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
P
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 6.19 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het belang van de heersende natuurlijke rust in de stiltegebieden of invloedsgebieden dit vereist.
Stiltegebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
[Red: Artikel 6.18 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in stiltegebieden Oase of Onthaasting.
[Red: Artikel 6.17 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:
een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit;
het beschermen en behouden van de kernwaarden stilte, rust en ruimte;
een kaart waarop de plaats van de activiteit is aangegeven;
het voorkomen en beperken van geluidbelasting ter bescherming van stiltegebieden;
een onderzoek naar de akoestische gevolgen van de activiteit overeenkomstig de Omgevingsregeling;
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en
de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken;
de doelen van de wet.
een omschrijving van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel of uit te voeren activiteit; en
tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel of de activiteit zich afspeelt.
[Red: Artikel 6.16 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Een stiltegebied kan omvatten:
een Oase gebied; of
een Onthaastingsgebied.
De attentiezone, een attentiezone is een zone van 750 meter rondom het stiltegebied.
Het is verboden met een waterscooter te varen of een ander aangewezen toestel te gebruiken in stiltegebieden.
[Red: Artikel 6.15 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen te houden of daar aan deel te nemen in stiltegebieden.
De regels in hoofdstuk 6 zijn gericht op het bereiken en behouden van de volgende doelstelling:
binnen stiltegebied Oase een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq (24 h);
binnen stiltegebied Onthaasting een streefwaarde van 48 dB(A) LAeq (24 h);
voor stiltegebieden en attentiezone gebieden die in gezoneerde industriegebieden liggen, gelden de geluidbepalingen van stiltegebieden niet.
Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen of bromfietsen.
[Red: Artikel 6.14 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vuurwapen te gebruiken in stiltegebieden.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een stiltegebied, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen:
Voor activiteiten in een stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat:
door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van de stiltegebieden worden getroffen;
in geval van nood; of
de beste beschikbare technieken worden toegepast; en
voor activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving
geen significante verstoring worden veroorzaakt.
[Red: Artikel 6.13 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken in stiltegebieden.
Het is verboden met een waterscooter of speedboot te varen of een ander aangewezen toestel te gebruiken in stiltegebieden. Met uitzondering van de Deltawateren en andere door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen gebieden.
Het verbod geldt niet voor:
een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of;
het gebruik van een RPAS (drone) door een gecertificeerd drone-gebruiker die aantoonbaar op de hoogte is van de lokale en actuele situatie rond de stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van het desbetreffende Natura 2000 gebied:
gedurende het hele jaar (tenzij anders geformuleerd in een N2000 beheerplan voor de uitoefening van beroepsmatig uitgevoerde activiteiten en overheidstaken (beheer en onderhoud, beroepsvisserij, faunabeheer, markeren, inspectie-, toezicht-, opsporings-, reddings-en defensietaken, calamiteiten beheer, onderzoek en monitoring); of
voor vluchten die worden uitgevoerd door, of in opdracht van, de (semi) overheid of een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie.
[Red: Artikel 6.12 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod in artikel 6.7 geldt niet voor het gebruik van een waterscooter of speedboot in stiltegebieden die in particulier eigendom zijn indien:
de activiteit maximaal twee keer per jaar wordt uitgevoerd;
de activiteit niet plaatsvindt tijdens het broedseizoen zoals bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
het bronvermogen van het vaartuig niet meer dan 90 dB(A) bedraagt; en
de activiteit is toegestaan in andere wetgeving.
Een activiteit zoals omschreven in het eerste lid moet worden gemeld als bedoeld in artikel 6.22.
[Red: Artikel 6.11 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen in stiltegebieden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt:
binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat;
bij een evenement zoals genoemd in artikel 18.57 onder g.
[Red: Artikel 6.10 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een airgun of andere knalapparatuur te gebruiken in stiltegebieden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in stiltegebieden een motorrijtuig te gebruiken buiten:
Het verbod geldt niet voor beheer en schadebestrijding met knalapparatuur, waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Als er binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten samen het maximum van 3 knallen per uur.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorrijtuig:
bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;
door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of
voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig.
[Red: Artikel 6.9 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning vuurwerk te gebruiken in stiltegebieden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een waterscooter of speedboot, te gebruiken in stiltegebieden, met uitzondering van de Deltawateren.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig:
het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen;
op andere wateren dan Deltawateren met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur;
zonder verbrandings- of explosiemotor;
het gebruik van vuurwerk voor het afwenden
voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of
het gebruik van consumentenvuurwerk op een afstand van minder dan 50 m van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode.
bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;
voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; of
bij een meldingsplichtige activiteit uit artikel 6.8.
[Red: Artikel 6.8 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een waterscooter, of luchtkussenvoertuig vuurwerk te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig of luchtkussenvoertuig:
op andere wateren dan Deltawateren met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur;
het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen, of;
zonder verbrandings- of explosiemotor;
voor de openbare veiligheid of de afwending
het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar;.
bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of
voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid.
[Red: Artikel 6.7 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in stiltegebieden een motorrijtuig te gebruiken buiten:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een airgun of andere knalapparatuur te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorrijtuig:
bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;
door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of
voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig.
Het verbod geldt niet voor beheer en schadebestrijding met knalapparatuur, waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Als er binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten samen het maximum van 3 knallen per uur.
[Red: Artikel 6.6 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, te gebruiken in stiltegebieden .
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt:
binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat;
bij een evenement zoals genoemd in artikel 18.51 onder g.
[Red: Artikel 6.4 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een stiltegebied, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken in stiltegebieden.
Voor activiteiten in een stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat
Het verbod geldt niet voor het gebruik voor:
alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van de stiltegebieden worden getroffen;
de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;
de beste beschikbare technieken worden toegepast; en
het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of
geen significante verstoring worden veroorzaakt
de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid.
[Red: Artikel 6.3 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken in stiltegebieden.
De regels in hoofdstuk 6 zijn gericht op het bereiken en behouden van de volgende doelstelling:
in stiltegebied a een gemiddeld geluidsniveau LAeq van ten hoogste 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode; en
in stiltegebied b een gemiddelde geluidsniveau LAeq van bij voorkeur 40dB (A) maar ten hoogste 48 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.
Het verbod geldt niet voor:
een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of
het gebruik van een RPAS (drone) door een gecertificeerd drone-gebruiker die aantoonbaar op de hoogte is van de lokale en actuele situatie rond de stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van het desbetreffende Natura 2000 gebied:
gedurende het hele jaar (tenzij anders geformuleerd in een N2000 beheerplan voor de uitoefening van beroepsmatig uitgevoerde activiteiten en overheidstaken (beheer en onderhoud, beroepsvisserij, faunabeheer, markeren, inspectie-, toezicht-, opsporings-, reddings-en defensietaken, calamiteiten beheer, onderzoek en monitoring); of
voor vluchten die worden uitgevoerd door, of in opdracht van, de (semi) overheid of een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vuurwapen te gebruiken in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen:
door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
in geval van nood; of
voor activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Artikel 6.2 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behouden van stilte en het voorkomen en beperken van geluidbelasting ter bescherming van
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen te houden of daar aan deel te nemen in stiltegebieden.
Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen of bromfietsen.
[Red: Artikel 6.1 verplaatst van hoofdstuk 6 naar afdeling 6.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in stiltegebied a, stiltegebied b en stiltegebied overig.
Artikel 6.9 tot en met artikel 6.18 gelden niet voor:
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit;
een kaart waarop de plaats van de activiteit is aangegeven;
een onderzoek naar de akoestische gevolgen van de activiteit overeenkomstig de Omgevingsregeling;
de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken;
een omschrijving van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel of de uit te voeren activiteit; en
tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel of de activiteit zich afspeelt.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:
Een melding als bedoeld in artikel 6.8 wordt ten minste vier weken voordat de activiteit, waarop de melding betrekking heeft, wordt gestart, gedaan aan gedeputeerde staten en bevat:
een ondertekening;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
de dagtekening;
een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;
het adres en de kadastrale gegevens waar de activiteit wordt verricht, ook aangegeven op een of meer kaarten met een dusdanige schaal dat dit een duidelijk beeld geeft van de locatie;
de startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit;
de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie;
de brongegevens van betreffend vaartuig; en
een onderbouwing dat wordt voldaan aan de algemene regels in dit hoofdstuk die gelden voor de activiteit.
Tenzij gedeputeerde staten aan indiener binnen vier weken na het doen van de melding hebben medegedeeld dat niet volstaan kan worden met de melding, wordt eerst aangevangen met het verrichten van de activiteit na afloop van de termijn van vier weken en op de in de melding aangegeven startdatum.
De mededeling bedoeld in het tweede lid kan maatwerkvoorschriften bevatten of aankondigen.
Ten minste twee weken voordat de startdatum voor het verrichten van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder f, wijzigt, wordt de gewijzigde startdatum verstrekt aan gedeputeerde staten.
Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan aangegeven bij de melding wordt dit onverwijld aan gedeputeerde staten gemeld.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als door gedeputeerde staten over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het belang van de heersende natuurlijke rust in de stiltegebieden Oase, Onthaasting of de Attentiezone gebieden dit vereisen.
Q
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 8.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van ontgrondingsactiviteiten als bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Artikel 8.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden.
[Red: Artikel 8.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor:
grondbewerking voor de normale uitoefening van een land-, tuin- en bosbouwbedrijf; en
ontgrondingen op grond van een natuurontwikkelingsplan dat is vastgesteld door gedeputeerde staten, of een investeringsplan behorend bij een door gedeputeerde staten vastgestelde subsidiebeschikking in het kader van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap.
[Red: Artikel 8.4 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
In afwijking van artikel 16.7, aanhef en onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van waterlopen en sloten alleen zonder omgevingsvergunning verricht als deze:
[Red: Artikel 8.5 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
Gedeputeerde staten kunnen de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit buiten behandeling laten, als de aanvrager niet de eigenaar is van één of meer percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, en de aanvraag niet door de eigenaar mede is ondertekend.
R
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 9.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
[Red: Artikel 9.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
[Red: Artikel 9.3 verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Degene die verontreinigd grondwater saneert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.2 9.8, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Voor milieubelastende activiteiten in houdt deze plicht in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante verstoring wordt veroorzaakt; en
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
[Red: Artikel 9.4 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Het is verboden verontreinigd grondwater te saneren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen;
een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een omschrijving van de grondwaterkwaliteit die met de maatregelen bereikt wordt;
een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en
een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
[Red: Artikel 9.5 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.
[Red: Artikel 9.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de naam of het adres, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.
[Red: Artikel 9.7 verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt de activiteit zodanig verricht dat:
De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 9.4 9.6 , tweede lid, onder b.
Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in artikel 9.4 9.6, tweede lid, onder d.
[Red: Artikel 9.8 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Gedeputeerde staten worden ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit geïnformeerd over de verwachte einddatum.
Na beëindiging van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL 6000. Het evaluatieverslag bevat in ieder geval:
een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan;
een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit;
als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en
als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen.
Het evaluatieverslag wordt ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit aan gedeputeerde staten verstrekt.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag.
Met de uitvoering van de nazorgmaatregelen is belast degene die de activiteit heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag.
[Red: Artikel 9.9 verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de artikelen artikel 9.3, artikel 9.7 en artikel 9.8.
S
Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 10.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten in, op, onder, of over de gesloten stortplaatsen waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor de gesloten stortplaatsen wordt uitgevoerd.
[Red: Artikel 10.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu.
[Red: Artikel 10.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
Degene die een activiteit verricht in een gesloten stortplaatsen en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken;
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
het veilig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en
alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.
[Red: Artikel 10.4 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gesloten stortplaatsen:
een milieubelastende activiteit te verrichten;
een bouwactiviteit te verrichten;
een werk te maken of te behouden;
stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen; of
andere activiteiten te verrichten, indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen ten behoeve van de nazorgvoorzieningen kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer.
[Red: Artikel 10.5 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de voorgenomen activiteit bij de stortplaatsen en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;
het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven;
naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied;
de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en
de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen.
[Red: Artikel 10.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:
er maatregelen worden genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de leefomgeving;
voorzieningen ter bescherming van de bodem regelmatig worden geïnspecteerd;
de bodem onder de gesloten stortplaats regelmatig wordt onderzocht; en
er wanneer dat nodig is maatregelen worden getroffen om:
de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; en
anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren.
[Red: Artikel 10.7 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 10 naar afdeling 10.1. ]
T
Hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het recreatief snijden van zeegroenten in de aangewezen snijgebieden in de Oosterschelde is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist.
Voor het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan gebruik gemaakt worden van het elektronische formulier dat op de datum van indiening beschikbaar is in de landelijke voorziening.
De bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden kunnen eveneens via de landelijke voorziening worden ingediend.
U
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Na artikel 12.6 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Er geldt een verbod, zoals bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk doden of vangen van en het beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de egel zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Dit verbod geldt niet als de activiteit wordt verricht:
Er geldt een verbod, zoals bedoeld in artikel 11.54, eerste lid 1, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de haas zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Dit verbod geldt niet als de activiteit:
W
Het opschrift van artikel 12.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Het opschrift van artikel 12.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van artikel 12.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van artikel 12.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Het opschrift van artikel 12.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Het opschrift van artikel 12.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het opschrift van artikel 12.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Na afdeling 12.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldend voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten, geldt niet voor het ruimen van kadavers bij vogelgriep.
Het eerste lid geldt alleen als wordt gewerkt conform de laatste versie van de handleiding voor het opruimen van dood gevonden wilde (water)vogels.
EE
Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 13.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten met gevolgen voor onderwater flora en fauna langs, op of onder een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 13.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de bescherming van de onderwater flora en fauna, met uitzondering van de van nature in Nederland in het wild levende dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onder a van de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage IX van de wet en soorten genoemd in de Visserijwet 1963.
[Red: Artikel 13.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
Degene die een activiteit verricht langs, op of onder een oppervlaktewater en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 13.2, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit en of handeling achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
[Red: Artikel 13.4 verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten langs, op of onder een oppervlaktewater te verrichten:
het uitsteken, afsnijden of anderszins verwijderen, voorhanden hebben of vervoeren van waterplanten en wieren;
het opzettelijk doden, vangen, en voorhanden hebben of vervoeren van waterdieren; of
het bij zich hebben van voorwerpen die kennelijk tot doel hebben een onder a of b bedoelde activiteit te verrichten.
De verboden zoals bedoeld in het eerste lid onder a. b. en c gelden niet voor:
Degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k van de wet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963;
Sportvissers die vissen op basis van een VISpas voor de activiteiten die de VISpas toestaat;
Normaal recreatief gebruik aan, in en bij het water.
[Red: Artikel 13.5 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de activiteit;
een onderbouwing van het doel van de activiteit;
een kaart met de locatie van de activiteit;
de omvang en duur van de activiteit;
een beschrijving van de waterdieren en waterplanten waar het om gaat en de hoeveelheid die wordt gevangen;
een beschrijving van de effecten van de activiteit op de populatie waterdieren en aantallen waterplanten waar het om gaat en het onderwatermilieu; en
welke middelen worden gebruikt.
[Red: Artikel 13.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit wordt verricht door of namens een rechtspersoon;
de activiteit geen zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons betreft;
de activiteit geen nadelige gevolgen heeft op de populatie en omvang van de soort in het betreffende gebied en het onderwatermilieu;
de activiteit tijdelijk is;
de activiteit handmatig wordt uitgevoerd;
er geen gebruik wordt gemaakt van niet-selectieve middelen; en
onnodig lijden van waterdieren wordt voorkomen.
FF
Hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 14.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op het vellen en herbeplanten van houtopstanden in het buitengebied bebouwingscontour houtkap.
Dit hoofdstuk gaat niet over de activiteiten, bedoeld in artikel 11.111 lid 2 en 11.112, lid 2, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt de volgende nuancering:
Voor wegbeplanting, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub g onder 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt wel meld- en herplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. De begrippen wegbeplanting en dijk/dijklichaam zijn uitgelegd in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 in Bijlage 1. Begripsbepalingen. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.
Dunning, als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 sub h van het Besluit activiteiten leefomgeving, valt alleen onder de uitzondering als er maximaal 40% van de kroondekking wordt verwijderd voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand.
[Red: Artikel 14.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.1. ]
[Red: Artikel 14.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.2. ]
Gelijktijdig met de melding, als bedoeld in artikel 11.126 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling;
een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen;
in het geval van oppervlaktebeplanting de oppervlakte van de velling in vierkante meters;
in het geval van rijbeplanting het aantal bomen;
in het geval van rijbeplanting de gemiddelde onderlinge afstand tussen bomen in meters;
de boom- en struiksoorten;
de leeftijd van de houtopstand;
de reden van de velling;
de geplande startperiode van de velling; en
een herbeplantingsplan. Dit plan bevat tenminste de gegevens zoals genoemd onder a tot en met f van dit artikel.
[Red: Artikel 14.4 verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.2. ]
[Red: Artikel 14.5 verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.3. ]
Een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129, lid 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:
in geval van oppervlaktebeplanting is de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde of tenietgegane oppervlakte;
in geval van oppervlaktebeplanting vormt de herbeplante houtopstand binnen tien jaar naar verwachting een gesloten kronendak en heeft de houtopstand binnen drie jaar aantoonbare groei;
in geval van rijbeplanting is de rij tenminste even lang als de gevelde of tenietgegane rijbeplanting;
in geval van rijbeplanting mag de onderlinge plantafstand niet groter zijn dan 10 meter;
de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of tenietgegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit;
de herbeplante houtopstand kan, gelet op het plantmateriaal, de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan;
herbeplanting binnen het Natuurnetwerk Zeeland vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de wezenlijke kenmerken en waarden voor dat gebied, als bedoeld in artikel 7.7 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, als bedoeld in artikel 3.58, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een spontane natuurlijke verjonging, die aan de eisen voldoet zoals in dit artikel is beschreven, is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting.
Van het eerste lid, onder sub c kan worden afgeweken als het gaat om door gedeputeerde staten in de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 aangewezen boomsoorten die bijzonder groot en oud kunnen worden en die op een grotere plantafstand staan dan 10 meter. In dat geval mag op dezelfde grotere plantafstand worden herbeplant als dezelfde boomsoort wordt gebruikt.
Bij een velling die vooraf niet is gemeld, kunnen gedeputeerde staten besluiten dat dezelfde grond zo snel mogelijk binnen een redelijke termijn wordt herbeplant in plaats van binnen drie jaar. Dit is in afwijking van artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Artikel 14.6 verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.3. ]
Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 sub a van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
de andere grond ligt bij voorkeur in dezelfde gemeente, maar in ieder geval in de provincie Zeeland;
de andere grond ligt buiten de bebouwingscontour houtkap;
de andere grond is vrij van beplanting en bouwwerken;
de andere grond is vrij van andere bestaande natuurverplichtingen, zoals de herbeplantingsplicht, natuurcompensatie en mitigatie;
herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag;
als de gevelde of tenietgegane houtopstand onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dan moet herbeplanting weer aansluitend aan dit complex plaatsvinden;
de gevelde of tenietgegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen en de wezenlijke kenmerken en waarden, als bedoeld in artikel 2.44 lid 1 en 4 van de Omgevingswet;
de gevelde of tenietgegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem;
de aanplant is bosbouwkundig verantwoord, als bedoeld in artikel 2.171 artikel 14.5; en
de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling.
[Red: Artikel 14.7 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.3. ]
De plicht tot herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het door natuurlijke ontwikkelingen tenietgaan van houtopstanden, als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.
[Red: Artikel 14.8 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 14 naar paragraaf 14.1.4. ]
Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de eigenaar van de houtopstand toestemming verlenen om af te wijken van de regels van deze afdeling. Dit kunnen zij besluiten als de afwijking nog effectiever bijdraagt aan de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand. Deze toestemming wordt verleend door middel van maatwerkvoorschriften, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet.
GG
Afdeling 15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 15.1 ongewijzigd verplaatst van afdeling 15.1 naar paragraaf 15.1.1. ]
Deze paragraaf is van toepassing op het hebben en gebruiken van gronden waarop volgens het omgevingsplan landbouw kan worden verricht en die daadwerkelijk in gebruik zijn als landbouwgrond, en een daaraan grenzende strook van 30 meter.
[Red: Artikel 15.2 ongewijzigd verplaatst van afdeling 15.1 naar paragraaf 15.1.1. ]
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van agrarische belangen.
[Red: Artikel 15.3 ongewijzigd verplaatst van afdeling 15.1 naar paragraaf 15.1.1. ]
In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de regels van deze afdeling ook voldaan door de eigenaar van of andere zakelijk gerechtigde op de landbouwgrond.
[Red: Artikel 15.4 ongewijzigd verplaatst van afdeling 15.1 naar paragraaf 15.1.2. ]
HH
Artikel 16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de veiligheid van regionale waterkeringen (op de kaart regionale waterkeringen) gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de volgende leden.
Voor de dijktrajecten categorie A als bedoeld in bijlage XIII regionale waterkeringen dijktrajecten categorie A, die onder dagelijkse omstandigheden water keren, geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1/100 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend, en het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid.
Voor de dijktrajecten categorie B als bedoeld in bijlage XIII regionale waterkeringen dijktrajecten categorie B, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als ondergrens voor de kruinhoogte gelden de afmetingen die zijn aangegeven in bijlage XIIIop de kaart regionale waterkeringen.
Voor de dijktrajecten categorie C als bedoeld in bijlage XIII regionale waterkeringen dijktrajecten categorie C, met een compartimenteringsfunctie, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als ondergrens voor de kruinhoogte gelden de feitelijke afmetingen.
Voor het dijktraject met een compartimenteringsfunctie rondom het gebied Waterdunen als bedoeld in Bijlage XIII, geldt als omgevingswaarde het behoud van tenminste de bestaande toestand overeenkomstig het zesde lid. Als afmetingen voor dit dijktraject gelden de hoogtewaarden die zijn aangegeven in Bijlage XIII en een breedte van 5 meter.
De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, zijn resultaatsverplichtingen voor het waterschap, rekening houdend met gegevens in de legger en het waterbeheerprogramma.
Aan de omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan op 1 januari 2035, voor zover uit het verslag, bedoeld in artikel 16.7, derde lid, blijkt dat nog niet aan de omgevingswaarden is voldaan.
II
Artikel 18.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een bedrijf alleen toegelaten op:
gronden waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan; of
een bedrijventerrein van tenminste een hectare.
De motivering bij een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt aannemelijk dat:
het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat bedrijvigheid in overgrote mate regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerrein; en
de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is; en
duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is; en
wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, met in ieder geval een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap; en
de behoefte aan huisvesting van toekomstige werknemers in beeld is gebracht, waarbij inzichtelijk is gemaakt op welke wijze in de huisvesting zal worden voorzien.
In een omgevingsplan kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand kleinschalig bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als de motivering bij het omgevingsplan:
In afwijking van het derde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare worden toegelaten, als:
de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert; en
de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd.
In afwijking van het derde lid kan verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein van ten minste een hectare naar een kleinschalig-plus bedrijventerrein mogelijk worden gemaakt, als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:
De provincie Zeeland bestaat uit de volgende bedrijvenregio's:
Binnen de in het zesde lid genoemde bedrijvenregio's worden regionale bedrijventerreinenprogramma's gemaakt door de gemeenten met instemming van de provincie, waarbij:
de uitgangspunten, zoals bedoeld in artikel 20.4 van deze verordening moeten worden betrokken bij de regionale bedrijventerreinenprogramma's; en
in de regionale bedrijventerreinenprogramma's in ieder geval afspraken worden gemaakt over de plannen, realisatie en verdeling van de bedrijventerreinenontwikkeling, in relatie tot de provinciale bedrijventerreinenprognose. Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie.
Een omgevingsplan laat alleen een bedrijventerreinenontwikkeling toe, als deze is opgenomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's.
In afwijking van het achtste lid kan een beperkte uitbreiding van een kleinschalig bedrijventerrein dat geen onderdeel is van de regionale bedrijventerreinenprogramma's, toch vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale bedrijventerreinenprogramma's in een omgevingsplan worden toegelaten als regiogemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven en als gedeputeerde staten instemmen met de ontwikkeling.
Na inwerkingtreding van dit artikel op 1 januari 2026 moeten regionale bedrijventerreinenprogramma's binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden vervolgens in elk geval elke twee jaar geactualiseerd. Indien de regionale bedrijventerreinenprogramma's niet tijdig tot stand komen, niet tijdig zijn geactualiseerd of ontbreken, kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinprogramma's vaststellen.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
grondstoffenwinning;
olie en gaswinning;
waterwinning;
afvalstort;
een nutsvoorziening;
een horeca- en recreatiebedrijf;
een agrarisch bedrijf;
de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III;
de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten;
energieopwekking als bedoeld in lid 15 en 16;
energieopwekking als bedoeld in artikel 18.1, vijftiende lid en artikel 18.1, zestiende lid;
overige overeenkomstig deze verordening toegelaten bedrijvigheid;
overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid; en
solitaire bedrijvigheid binnen stedelijk gebied.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied maakt aannemelijk dat:
deze wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning niet zijnde recreatiewoning;
de capaciteit van het bestaande wegennet voldoende is voor de te realiseren activiteit;
de vestiging niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf;
het waterschap om advies is gevraagd; en
- voor zover sprake is van vestiging van verblijfsrecreatie - voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.
indien sprake is van recreatief nachtverblijf, maximaal 15 verblijfsrecreatieve eenheden gerealiseerd worden, mits de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de locatie is gelegen buiten de kustzone of betreft een locatie met een bestaande nieuwe economische drager binnen de kustzone;
op de locatie is geen andere ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf aanwezig;
voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, B tot en met D opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het aantal verblijfsrecreatieve eenheden (inclusief reeds bestaande eenheden) is maximaal 15. De op 1 januari 2027 bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met dit maximum, mag worden gecontinueerd.
In afwijking van het twaalfde lid is een uitbreiding van de bestaande bebouwing voor een nieuwe economische drager of een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, toegestaan:
In afwijking van het twaalfde lid, aanhef en onder a, is vestiging in nieuwe bebouwing toegestaan als de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat:
In een omgevingsplan kan alleen worden voorzien in de realisatie van een installatie voor energieopwekking uit mest of afvalstoffen:
In afwijking van het vijftiende lid aanhef en onder b, is op een agrarisch bouwvlak een grotere installatie toegestaan als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie qua omvang ter plaatse past en het karakter van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de vestiging van een agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in het elfde lid maakt aannemelijk dat sprake is van:
In afwijking van het bepaalde in dit artikel is artikel 18.3 van toepassing op loonwerkbedrijven die vallen onder de begripsbepaling zoals opgenomen in bijlage I van deze verordening.
JJ
Artikel 18.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwvestiging of uitbreiding van logistieke bedrijvigheid of van een datacentrum:
laat geen grootschalige logistiek of datacentrum toe met een oppervlakte van meer dan 5 hectare;
laat geen datacentrum toe met een kaveloppervlakte van meer dan 2,5 hectare of een bruto vloeroppervlakte van meer dan 50.000 m²;
laat niet toe dat door samenvoeging grootschalige logistiek of datacentrum van meer dan 5 hectare ontstaat.
laat niet toe dat door samenvoeging grootschalige logistiek met een oppervlakte van meer dan 5 hectare ontstaat;
laat niet toe dat door samenvoeging een datacentrum ontstaat met een kaveloppervlakte van meer dan 2,5 hectare of een bruto vloeroppervlakte van meer dan 50.000 m².
Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van het eerste lid als:
de ontwikkeling leidt tot een significante regionale meerwaarde; en
in geval van nieuwvestiging of uitbreiding van logistieke bedrijvigheid, in afstemming met de wegbeheerder, wordt voorzien in een goede verkeersontsluiting op de A4, A58 en N62.
Hetgeen bepaald in artikel 1.3, derde lid en artikel 1.4 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op grootschalige logistiek op zeehaventerreinen.
KK
Artikel 18.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening worden voorzien in een bestaand kernwinkelgebied.
De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing van de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in een bestaand kernwinkelgebied.
In een omgevingsplan kan een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening worden voorzien buiten een bestaand kernwinkelgebied, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
het betreft detailhandel in volumineuze en gevaarlijke goederen;
het betreft een kleinschalige detailhandelsvoorziening in een woonkern zonder kernwinkelgebied, een buurtvoorziening of een kleinschalige voorziening op een verblijfsrecreatieterrein; of
het betreft functioneel aan het buitengebied gebonden detailhandel, detailhandel als niet zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van een bedrijf dan wel in de vorm van een nieuwe economische drager als bedoeld in artikel 18.1artikel 18.1, elfde lid onder h, vijfde lid onder g tot en met k, en tuincentra voor zover vestiging daarvan wordt toegelaten aan de randen van kernen.
LL
Artikel 18.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie Zeeland vormt één woningbouwregio als bedoeld in artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De provincie Zeeland bestaat uit de volgende woningbouwregio's:
Binnen deze woningbouwregio worden de volgende vijf subregio’s onderscheiden:
De subregio’s vormen het schaalniveau waarop gemeenten gezamenlijk uitvoering geven aan de programmering van de woningbouwopgave.
MM
Artikel 18.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen de in artikel 18.9 genoemde woningbouwregio’s worden regionale woonafspraken gemaakt door de gemeenten met instemming van de provincie.
Binnen de woningbouwregio maken de colleges van burgemeester en wethouders in subregionaal verband regionale woonafspraken ter afstemming van de woningbouwopgave.
De uitgangspunten zoals bedoeld in artikel 20.4 van deze verordening die moeten worden betrokken bij de regionale woonafspraken zijn de provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen.
De regionale woonafspraken worden door de betrokken colleges vastgesteld en toegezonden aan gedeputeerde staten.
Na inwerkingtreding van dit artikel op 1 januari 2025 moeten regionale woonafspraken binnen één jaar tot stand zijn gekomen. Regionale woonafspraken worden vervolgens in elk geval jaarlijks geactualiseerd.
De uitgangspunten zoals bedoeld in de artikelen 20.5 tot en met artikel 20.7 van deze verordening die moeten worden betrokken bij de regionale woonafspraken zijn de provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen.
Is er sprake van onbenutte plancapaciteit voor woningbouw die reeds vijf jaar niet is benut, dan wordt deze plancapaciteit voor woningbouw bij de actualisatie van regionale woonafspraken heroverwogen en waar nodig geschrapt uit het omgevingsplan door de gemeente waar deze onbenutte plancapaciteit gelegen is.
Van het derde lid kan worden afgeweken indien inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze de gekozen uitgangspunten zich verhouden tot de regionale woningbehoefte en de uitvoerbaarheid van de woningbouwopgave.
Indien de regionale woonafspraken niet tijdig tot stand komen, niet tijdig zijn geactualiseerd of ontbreken, kunnen gedeputeerde staten regionale woonafspraken vaststellen.
De regionale woonafspraken zoals bedoeld in het eerste lid bevatten in ieder geval afspraken over:
de verdeling van de woningbouwopgave per subregio;
de programmering van de woningbouw naar betaalbaarheid, ter voldoening aan de geldende instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de inzet en spreiding van woningbouwlocaties, waaronder plannen buiten stedelijk gebied;
de programmering van woningen voor aandachtsgroepen en wonen met zorg; en
de onderlinge afstemming over de huisvesting van aandachtsgroepen.
Gemeenten die als enige gemeente deel uitmaken van een subregio betrekken de in het vijfde lid genoemde onderwerpen bij het opstellen van hun volkshuisvestingsprogramma.
De regionale woonafspraken vormen het uitgangspunt voor het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. De regionale woonafspraken worden door gemeenten in acht genomen bij de actualisatie van het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma.
De regionale woonafspraken worden ten minste eenmaal per drie jaar geactualiseerd.
NN
Artikel 18.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het opstellen van een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma zoals bedoeld in artikel 4.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving geven gemeenten invulling aan de provinciale woningbouwopgave in samenhang met de woningbouwregio en de subregio, bedoeld in artikel 18.9.
In regionale woonafspraken worden in ieder geval afspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:
De plannen, realisatie en verdeling van de kwantitatieve woningbouwopgave, dit betreft in ieder geval een overzicht van alle plannen voor woningbouw met onderscheid naar planstatus;
De plannen, realisatie en verdeling van de kwalitatieve woningbouwopgave, waaronder ook de woon(zorg)opgave voor ouderen en aandachtsgroepen;
De plannen, realisatie en verdeling van woningen in de betaalbare koop, middenhuur, sociale huur, dure koop en dure huur;
De plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; en
Regionale afstemming over woningbouwontwikkelingen die zijn voorzien buiten stedelijk gebied.
Gemeenten besteden in aanvulling op de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving in ieder geval aandacht aan:
een plancapaciteit die ten minste 130% bedraagt van de woningbouwopgave voor de beschouwde periode, rekening houdend met planuitval en fasering en passend binnen de uitgangspunten van het provinciaal volkshuisvestingsprogramma;
de wijze waarop de betaalbaarheid van woningen wordt geborgd, in ieder geval door middel van de inzet van instrumenten in het omgevingsplan en het gemeentelijk grondbeleid;
het beter benutten, aanpassen en doorontwikkelen van de bestaande woningvoorraad, waaronder transformatie, splitsen en optoppen;
het kwalitatief op peil houden van de bestaande woningvoorraad, waaronder verduurzaming, het levensloopbestendig maken van woningen en de leefbaarheid van wijken en dorpen;
de regionale afstemming van wonen met zorg en de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder arbeidsmigranten.
Gemeenten brengen daarnaast, voor zover relevant voor de lokale woningmarkt en woningvoorraad, in beeld:
de relatie tussen wonen en recreatie, waaronder de invloed van tweede woningen en toeristische verhuur op de beschikbaarheid van woningen en de mogelijkheden om hierop te sturen;
de beschikbare en onbenutte plancapaciteit voor woningbouw die gedurende een periode van vijf jaar niet tot realisatie is gekomen, alsmede de wijze waarop deze alsnog wordt benut, heroverwogen of aangepast.
Gemeenten werken de verdeling van de woningbouwopgave naar betaalbaarheid, wonen met zorg en de huisvesting van aandachtsgroepen in hun volkshuisvestingsprogramma uit in overeenstemming met de regionale woonafspraken, bedoeld in artikel 18.10.
Indien binnen een subregio de programmering van de woningbouwopgave onvoldoende is om te voldoen aan de geldende instructieregels voor betaalbaarheid uit het Besluit kwaliteit leefomgeving op het niveau van de woningbouwregio, dragen de betrokken gemeenten binnen de subregio er zorg voor dat dit binnen de woningbouwregio wordt gecompenseerd. Zij maken hierover onderling afspraken.
Gemeenten motiveren in het volkshuisvestingsprogramma op welke wijze zij de in het tweede tot en met vierde lid genoemde aspecten hebben betrokken bij de voorgenomen uitvoering van hun woonbeleid en welke keuzes daarbij zijn gemaakt.
OO
Na artikel 18.11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
PP
Artikel 18.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan laat alleen een woningbouwontwikkeling die voorziet in vier of meer woningen toe, als deze is opgenomen in de regionale woonafspraken.
Als een woningbouwontwikkeling voorziet in vier of meer woningen binnen stedelijk gebied en geen onderdeel is van de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als regiogemeenten en gedeputeerde staten hierover zijn geïnformeerd.
Als een woningbouwontwikkeling van vier of meer woningen buiten stedelijk gebied geen onderdeel is van de regionale woonafspraken, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken die ontwikkeling toch toelaten als regiogemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven en als gedeputeerde staten instemmen met de ontwikkeling.
[Vervallen]
Artikel 18.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Een omgevingsplan staat woningbouw buiten stedelijk gebied alleen toe als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat:
de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden;
voor zover de woningen redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd, de woningen aansluitend aan het stedelijk gebied worden gerealiseerd;
de woningen landschappelijk goed worden ingepast.
2. Dit artikel is niet van toepassing als sprake is van de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied zoals bedoeld in de artikelen 5.46 en 5.47.
Dit artikel is niet van toepassing als sprake is van de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied zoals bedoeld in de artikel 18.49 en artikel 18.50.
Het bepaalde in het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op nieuwe grootschalige woningbouwlocaties die als zodanig door gedeputeerde staten zijn aangewezen.
RR
Artikel 18.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de realisatie van huisvesting voor tijdelijke werknemers als deze huisvesting:
voorziet in een regionale behoefte; en
voldoet aan de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan; en
voldoet aan de voorwaarden voor Nieuwe Economische Dragers zoals bedoeld in artikel 5.1, artikel 18.1, elfde lid, twaalfde lid en dertiende lid, voor zover de ontwikkeling niet binnen of grenzend aan stedelijk gebied ligt.
SS
Artikel 18.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine, met een hogere tiphoogte dan 2123 meter, binnen een globaal aangegeven windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV.
Buiten een globaal aangegeven windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV wordt in een omgevingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 2123 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande niet toegelaten.
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een nieuwe windturbine op gronden die zijn gelegen buiten een windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV als:
er sprake is van een ligging langs een grootschalige infrastructuurlijn; of
er sprake is van een ligging op of grenzend aan een grootschalig bedrijventerrein.
De motivering bij het omgevingsplan waarin een nieuwe windturbine wordt toegelaten op gronden buiten een windenergie concentratielocatie als bedoeld in bijlage XIV maakt aannemelijk dat:
omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe concentratielocatie verzetten; en
de windturbine is gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste drie windturbines.
TT
Na artikel 18.18 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een batterijsysteem buiten stedelijk gebied op de volgende locaties:
De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een batterijsysteem buiten stedelijk gebied maakt aannemelijk dat:
het batterijsysteem niet is gelegen in een bestaand natuurgebied of waterwingebied;
het batterijsysteem niet is gelegen binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding, zoals vastgesteld op de vigerende kadastrale kaarten en beheerskaarten van de netbeheerder, en dat daarnaast een minimale afstand tot een hoogspanningsstation wordt aangehouden conform de door de netbeheerder gehanteerde veiligheids- en afstandseisen;
het batterijsysteem niet is gelegen op gronden die door de netbeheerder zijn aangewezen of gereserveerd als uitbreidingsrichting voor een hoogspanningsstation of hoogspanningstracé, tenzij de netbeheerder schriftelijk heeft bevestigd dat de beoogde ontwikkeling de uitbreidingsmogelijkheden niet onevenredig beperkt;
het batterijsysteem wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing;
indien het opgesteld vermogen van het batterijsysteem groter is dan 1 MW en nieuwe of aanvullende transportcapaciteit benodigd is, een net-impacttoets is uitgevoerd, waaruit blijkt dat afstemming heeft plaatsgevonden met de netbeheerder over de voorgenomen aansluiting en de effecten van het initiatief op de beschikbare netcapaciteit;
de batterijopstelling qua omvang en vermogen in verhouding staat tot de bijbehorende opweklocatie en daarbij een maximaal vermogen heeft gelijk aan het piekvermogen van de bijbehorende zon- en/of windopwekinstallatie.
Een omgevingsplan laat niet toe dat een batterijsysteem dat functioneel is verbonden aan een zonnepark of windpark, langer in stand wordt gehouden dan voor de duur waarvoor het bijbehorende zonnepark of windpark planologisch is toegelaten, dan wel tot het moment waarop het zonnepark of windpark feitelijk is verwijderd. Na afloop van de exploitatieperiode wordt het batterijsysteem binnen zes maanden volledig verwijderd en wordt de locatie in de oorspronkelijke staat hersteld, behoudens de maatregelen die aantoonbaar hebben bijgedragen aan landschappelijke kwaliteit.
Een omgevingsplan laat niet toe dat een batterijsysteem aansluitend aan een hoogspanningsstation langer in stand wordt gehouden dan nadat de functie is opgehouden te bestaan.
UU
Het opschrift van afdeling 18.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Artikel 18.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterreinnieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse, waarvan de begrenzingen zijn opgenomen in bijlage IV, onder 55.2, bij deze verordening. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel 1, B tot en met D, onder 1, onder B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
Als een gebied in de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, Burgh-Haamstede en Renesse ook is aangewezen als aandachtsgebied, wordt in de motivering bij het omgevingsplan ook aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel II, 1 tot en met 5, onder 2, opgenomen uitgangspunten.
Het eerste lid is niet van toepassing, als:
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten in het omgevingsplan; en
de afwijking van de regels van deze verordening niet wordt vergroot.
Het derde lid geldt niet voor de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein zoals toegelaten op grond van bestemmingsplannen die voor 7 november 2018 zijn vastgesteld. De huidige omgevingsplannen dienen binnen drie jaar na 1 januari 2025 te zijn aangepast waardoor deze de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein niet langer toelaten.
In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten een badplaats worden toegelaten in een globaal aangegeven aandachtsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, A (1) tot en met D, onder 2 en Deel II, 1 tot en met 5, opgenomen uitgangspunten. De motivering bij het omgevingsplan bevat een gebiedsafbakening waarin wordt onderbouwd dat het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten een badplaats, als:
in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, A(1) tot en met D, onder 1, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten;
uitbreiding in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en een beschermingsgebied niet wordt toegelaten;
de motivering bij het omgevingsplan een gebiedsafbakening bevat waarin wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied en beschermingsgebied.
In afwijking van het zesde lid zesde lid, onder b en c, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten in een beschermingsgebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van dit gebied.
In afwijking van het zesde lidzesde lid, onder b en c, onder b en c, kan uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein verblijfsrecreatieterrein alleen worden toegelaten in een globaal aangegeven Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied, als dit gebied ook in een aandachtsgebied valt en in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet leidt tot nadelige gevolgen voor de kenmerken en waarden van het Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebied.
WW
Artikel 18.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterreinnieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein alleen toegelaten in stedelijk gebied. In de motivering bij het omgevingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, B tot en met D, onder 3, B tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
Het eerste lid is niet van toepassing, als:
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein al is toegelaten in het omgevingsplan; en
de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot.
In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering van het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, A (2) tot en met D, onder 3, A tot en met D, opgenomen uitgangspunten.
In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten stedelijk gebied, als in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de voor de aandachtgebieden aandachtsgebieden geldende uitgangspunten in bijlage IV, Deel II, 1 tot en met 4 en 6, onder 4.
XX
Na artikel 18.20 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:
In een omgevingsplan kan maatwerk toegepast worden ten aanzien van de omvang van de uitbreidingsoppervlakte van een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf, indien een specifieke situatie daarte aanleiding geeft en voldaan wordt aan de in bijlage IV, deel I, A. genoemde uitgangspunten. Het maatwerk heeft uitsluitend betrekking op de oppervlakte van de uitbreiding. Bij toepassing van maatwerk wordt gemotiveerd:
dat de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is;
dat de omvang van de landschapsontwikkeling die gerealiseerd wordt een grotere oppervlakte uitbreiding dan de in bijlage IV genoemde 20% rechtvaardigt;
dat bij een uitbreiding grenzend aan het open agrarisch landschap de openheid van de gebieden zoveel als mogelijk gewaarborgd blijft; en
dat de landschappelijke kernkwaliteiten van het omringende gebied worden versterkt.
In een omgevingsplan wordt nieuwvestiging of uitbreiding van een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf uitsluitend toegelaten in gemeenten zonder kustzone en indien:
in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, B tot en met D opgenomen uitgangspunten;
de ontwikkeling past binnen een gemeentelijke omgevingsvisie en/of het gemeentelijk toerismebeleid;
in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat:
er een concrete ontwikkelrichting voor het gebied wordt nagestreefd;
toevoeging van de ontwikkeling ondersteunend is aan deze bredere ontwikkelrichting en passend bij de aard, schaal en identiteit van het gebied;
de ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf meerwaarde heeft voor de gebiedskwaliteit, de leefbaarheid en ten opzichte van het bestaande aanbod van voorzieningen en functies in het gebied;
de ontwikkeling onderscheidend, aanvullend of vernieuwend is ten opzichte van het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod;
de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is gelet op de omgevingskwaliteit en de kenmerken van het gebied; en
op de locatie nog geen andere ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf aanwezig is.
Een omgevingsplan dat de nieuwvesting of uitbreiding van een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf toelaat:
bevat regels die het maximale aantal eenheden beperken tot 15 en het maximale aantal slaapplaatsen tot 60. Afwijking is uitsluitend toegestaan voor zover deze verordening daarin voorziet;
bepaalt dat de ontwikkeling wordt gerealiseerd in bestaande bebouwing, tenzij de ontwikkeling omkeerbaar van aard is en geen permanente funderingen of niet-verplaatsbare bouwwerken bevat;
borgt dat ten behoeve van de ontwikkeling voorzien is in een beheerplan, waarmee adequaat beheer van en permanent toezicht op de ontwikkeling zijn verzekerd; en
borgt dat de kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf niet samen met andere (kleinschalige) ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf een omvang krijgt die het karakter van de kleinschalige ontwikkeling en het daaraan gekoppelde aantal eenheden en slaapplaatsen overstijgt.
Een omgevingsplan staat geen nieuwvestiging van kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf, zoals bedoeld in artikel 18.24, toe op of nabij de oevers van de Deltawateren, waaronder op dammen en dijken, in buitendijks gebied en in en op het water of waterlijn.
Het eerste lid is niet van toepassing:
binnen het bestaande bouwvlak van jachthavens als bedoeld in artikel 18.31;
binnendijks langs de randen van de Deltawateren aansluitend op bestaande bebouwingsconcentraties;
binnen een aandachtsgebied als bedoeld in bijlage IV, Deel II (1 tot en met 4 en 6) en in dat geval ook, in afwijking van artikel 18.24, eerste lid, wanneer dit aandachtsgebied is gelegen in een kustgemeente (uitgezonderd de kustzone).
Bij toepassing van het tweede lid borgt het omgevingsplan dat de kusten, oevers en waterkanten van Deltawateren toegankelijk blijven voor wandelen en fietsen. Vestiging van kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf mag niet leiden tot tijdelijke of permanente afsluiting van deze gebieden of tot het instellen van toegangsvoorwaarden die het recreatief gebruik beperken.
Bij toepassing van het tweede lid, onder c, geldt dat nieuwvestiging van kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf, op en in het water en aan de waterlijn, buitendijks, op dijken en dammen niet is toegestaan.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer zijn artikel 18.33 en de uitgangspunten van de provinciale visie onverkort van toepassing. Nieuwvestiging van ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf is hier niet toegestaan, met uitzondering van ontwikkelingen:
binnen de aandachtsgebieden, zoals vastgelegd in bijlage IV, Deel II, 6.2; of
binnen bestaand stedelijk gebied, voor zover dit past binnen de geldende gebiedsvisie en wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
In afwijking van artikel 18.1, twaalfde lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf als nieuwe economische drager in het landelijk gebied buiten de kustzone met meer dan 15 verblijfsrecreatieve eenheden, mits de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan de overige in artikel 18.1, twaalfde lid, onder e, opgenomen voorwaarden en daarbij sprake is van het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw, door:
het benutten van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij als bedoeld in bijlage VII; of
het benutten van een gebouw dat geregistreerd staat als rijks- of gemeentelijk monument; of
het benutten van een gebouw dat niet valt onder a of b, indien op basis van een onafhankelijk deskundig advies dat gebouw als cultuurhistorisch waardevol is aangemerkt.
In afwijking van artikel 18.1, twaalfde lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf als nieuwe economische drager in het landelijk gebied binnen de kustzone, die eveneens kan bestaan uit meer dan 15 verblijfsrecreatieve eenheden, mits de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan de overige in artikel 18.1, twaalfde lid, onder e, opgenomen voorwaarden en daarbij sprake is van het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw door het benutten van een van de onder artikel 18.26, eerste lid, onder a tot en met c, genoemde mogelijkheden.
In afwijking van artikel 18.24, aanhef en eerste lid, kan een omgevingsplan, ook anders dan in een gemeente zonder kustzone, buiten de kustzone voorzien in een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf met meer dan 15 eenheden of 60 slaapplaatsen, mits de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan de overige in artikel 18.24 opgenomen voorwaarden en daarbij sprake is van het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw door het benutten van een van de in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde mogelijkheden.
De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in een ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid tot en met het derde lid:
maakt aannemelijk dat in het cultuurhistorisch waardevolle gebouw geen andere functie dan verblijfsrecreatie mogelijk is;
maakt aannemelijk dat het aantal toegelaten eenheden en slaapplaatsen niet groter is dan bedrijfseconomisch en met het oog op het in stand houden van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw noodzakelijk; en
steunt op een positief advies van een erfgoeddeskundige.
YY
Het opschrift van artikel 18.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Artikel 18.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterreinnieuwvestiging of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein (kleinschalige) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf worden regels opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan.
Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning.
AAA
Artikel 18.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een nieuw verblijfsrecreatieterreinnieuwvestiging of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein (kleinschalige) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf worden regels opgenomen waarmee wordt verzekerd dat een standplaats die of bouwwerk dat wordt gebruikt voor recreatief nachtverblijf wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Deze regels worden ook opgenomen in volgende wijzigingen van het omgevingsplan.
Het eerste lid is ook van toepassing op de wijziging van een omgevingsplan waarin al regels zijn opgenomen over een centraal bedrijfsmatige exploitatie.
Een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat regels die duurzaam beheer en onderhoud van het terrein borgen.
Een omgevingsplan dat voorziet in de nieuwvestiging of uitbreiding van een (kleinschalige) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf bevat regels die duurzaam beheer en onderhoud borgen.
BBB
Artikel 18.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt nieuwvestiging van een kleinschalig kampeerterrein binnen de kustzone niet toegestaan.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een kleinschalig kampeerterrein laat niet meer dan 35 kampeermiddelenstandplaatsen toe, waarvan ten hoogste 20% permanent permanente standplaatsen met een maximum van 5.
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op nieuwvestiging ofde uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein zoals bedoeld in het eerste lid kleinschalig kampeerterrein binnen de kustzone wordt in de motivering aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, onder 1, B tot en met D bijlage IV, Deel I, B tot en met D (binnen de kustzone) opgenomen uitgangspunten, dan wel aan de in bijlage IV, onder 3, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.
In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd.
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op de nieuwvestiging of uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein buiten de kustzone wordt in de motivering aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel I, B tot en met D (buiten de kustzone), opgenomen uitgangspunten en dat er gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap.
In afwijking van het eerste lid mag een op 1 januari 2027 in een omgevingsplan opgenomen maximumaantal kleinschalige kampeerterreinen binnen de kustzone worden gehandhaafd, waarbij geldt dat nieuwvestiging van een kleinschalig kampeerterrein enkel mogelijk is waar elders binnen de kustzone van deze gemeente een kleinschalig kampeerterrein komt te vervallen en het maximum aantal niet wordt overschreden.
In afwijking van het tweede lid mag de op 1 januari 2027 bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het tweede lid, worden gecontinueerd.
Een omgevingsplan laat geen nieuwvestiging van een kleinschalig kampeerterrein toe indien op dezelfde locatie al een andere ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf aanwezig is.
CCC
Artikel 18.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan wordt een nieuwe ligplaats primair voorzien in een bestaande jachthaven.
De motivering bij het omgevingsplan maakt aannemelijk dat:
het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van kwaliteitsverbetering, voorkomen van overaanbod en innovatie van een bestaande jachthaven; en
omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe ligplaats verzetten.
In een omgevingsplan kan binnen een bestaande jachthaven worden voorzien in het toevoegen van een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf als bedoeld in artikel 18.24 en onder de in dat artikel genoemde voorwaarden, mits tevens wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid en het tweede lid, onder a. Hierbij geldt dat waar binnen een bestaande jachthaven verschillende bedrijven gevestigd zijn, niet meer dan één kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf per bedrijf kan worden toegelaten.
In afwijking van het derde lid is het toevoegen van meer dan 15 verblijfsrecreatieve eenheden of 60 slaapplaatsen uitsluitend mogelijk aan de landzijde binnen een door de gemeente aangewezen aandachtsgebied buiten de kustzone, mits wordt voldaan aan de voorwaarden voor aandachtsgebieden zoals opgenomen in bijlage IV, Deel II, 1 tot en met 4 en 6.
Het vervangen van ligplaatsen voor vaartuigen door drijvende logiesaccommodaties wordt voor de toepassing van dit artikel tevens aangemerkt als een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf, waarop de in het derde lid genoemde voorwaarden onverkort van toepassing zijn.
In afwijking van de voorwaarden voor kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf kan het omgevingsplan bepalen dat ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf aan de landzijde van een jachthaven niet per definitie omkeerbaar van aard hoeven te zijn, gelet op de ruimtelijke en functionele kenmerken van jachthavengebieden.
DDD
Het opschrift van artikel 18.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Artikel 18.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een aandachtsgebied rondom het Veerse Meer als bedoeld in bijlage V, onder 1, onder 1, en dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de uitgangspunten, bedoeld in bijlage V, onder 1, 3 en 4, onder 1, 3, 4 en 5. bijlage IV, Deel I en II (1 tot en met 4 en 6).
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op het gebied rondom het Veerse Meer, met uitzondering van aandachtsgebieden als bedoeld in bijlage V, onder 1, onder 1, maar inclusief beschermingsgebieden als bedoeld in bijlage V, onder 2, onder 2, en dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de uitgangspunten, bedoeld in bijlage V, onder 2 tot bijlage V, onder 2 tot en met 4 en met 5 bijlage IV, Deel I.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op plannen en projecten die onder het overgangsbeleid vallen, bedoeld in bijlage V , onder 5.onder 6.
FFF
Het opschrift van artikel 18.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van artikel 18.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van artikel 18.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van artikel 18.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 18.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van artikel 18.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van artikel 18.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Artikel 18.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 18.34, eerste lid artikel 18.40, eerste lid wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, viel, en:
het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;
het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a;
het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels, die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a; of
het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.
In afwijking van artikel 5.37artikel 18.40, eerste lid, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning ook niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
NNN
Artikel 18.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 18.34 18.40, tweede lid wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, als:
de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:
in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
de uitbreiding schapen of paarden betreft;
de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van biologische productiemethoden; of
de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, of artikel 18.3518.41, eerste lid onder c tot en met f, niet meegerekend.
OOO
Artikel 18.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van die waterkering.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een in een waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een regionale waterkering waar ter bescherming van een regionale waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
PPP
Afdeling 18.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan dat van toepassing is op bestaande natuur, bedoeld in bijlage XII onder 1 bestaande natuur, stelt regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland zoals bedoeld door het Rijk in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Stb. 2018, 292) en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden.
De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan het eerste lid is voldaan.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd.
Een omgevingsplan dat van toepassing is op het binnen bestaande natuur gelegen beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering strekt primair tot de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering en secundair tot de in het eerste lid bedoelde belangen.
Een omgevingsplan maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten binnen bestaande natuur mogelijk die:
Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij:
sprake is van een groot openbaar belang;
er geen reële andere mogelijkheden zijn; en
de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage VI bedoelde voorwaarden.
Tot een groot openbaar belang worden in ieder geval gerekend:
Een omgevingsplan dat van toepassing is op een Agrarisch gebied van ecologische betekenis als bedoeld in bijlage XII onder 2 Agrarisch gebied van ecologische betekenis, stelt, naast regels die van toepassing zijn op agrarische activiteiten, ook regels die de ecologische waarde van de gronden in het gebied tot uitdrukking brengen.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing kunnen worden gecontinueerd.
Een omgevingsplan stelt geen regels of maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die:
De motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld of nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegelaten maakt aannemelijk dat wordt voldaan aan het derde lid.
In een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor de in het eerste lid bedoelde gebieden, wordt de regel gesteld dat het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verboden is in het omgevingsplan nader te omschrijven activiteiten uit te voeren die een nadelig gevolg kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. Daarbij wordt de regel gesteld dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als zich geen nadelige gevolgen voordoen voor de wezenlijke kenmerken en waarden, of als de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet worden verkleind.
Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, waarbij:
sprake is van een groot openbaar belang;
er geen reële andere mogelijkheden zijn; en
de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd volgens de in bijlage VI bedoelde voorwaarden.
Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend:
In de regels van een omgevingsplan voor een natuurontwikkelingsgebied als bedoeld in natuurontwikkelingsgebied bijlage XII, onder 3, kan de bestaande situatie worden gecontinueerd.
Een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor een natuurontwikkelingsgebied als bedoeld in natuurontwikkelingsgebied bijlage XII, onder 3, bevat geen regels die voorzien in nieuwe vormen van grondgebruik en nieuwe bebouwing, met uitzondering van grondgebruik en bebouwing voor natuurdoeleinden.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik als bedoeld in artikel 10.23 van het Omgevingsbesluit.
In de motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor grond die ligt binnen de afwegingszone van 100 meter rond een bestaand natuurgebied, bedoeld in bijlage XII onder 4, wordt:
QQQ
Het opschrift van artikel 18.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
Artikel 18.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied als sprake is van:
a. het doen vervallen van de functie wonen van een gelijk aantal woningen in het omgevingsplan elders buiten stedelijk gebied; of
b. het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw, door:
i. het benutten van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij als bedoeld in bijlage VII; of
ii. het benutten van een gebouw dat geregistreerd staat als rijks- of gemeentelijk monument; of
iii. het benutten van een gebouw dat niet valt onder i of ii, indien op basis van een onafhankelijk advies dat gebouw als cultuurhistorisch is aangemerkt.
Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid dient te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:
a. de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; en
b. het ontwerp van de nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie en de situering op het bouwvlak sluiten aan bij het karakter van het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en mogelijke cultuurhistorische waarden.
Een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b dient voorts te voldoen aan de volgende randvoorwaarden:
a. de realisatie draagt bij aan de instandhouding van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw; en
b. alle ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak wordt gesloopt; en
c. de bestaande functie van het bouwvlak wordt beëindigd en omgezet naar de functie wonen indien van toepassing.
SSS
Artikel 18.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan voorzien in het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied door de realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied, als:
sprake is van ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied; en
alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen van het bouwvlak wordt gesloopt, tenzij het gaan om een monumentale- of cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische boerderij zoals opgenomen in bijlage VII; en
sloop en het voorkomen van heropricht van de te slopen bedrijfsbebouwing worden gewaarborgd; en
maximaal drie woningen worden gerealiseerd:
i. op het betrokken bouwvlak; of
ii. aansluitend aan stedelijk gebied; of
iii. in of aansluitend aan een bebouwingslint.
De realisatie van een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid wordt gecompenseerd door per woning ten minste het oppervlak te slopen van:
a. 500 m2 schuur;
b. 0,5 ha glas; of
c. andere bebouwing van een vergelijkbare grootte.
Het omgevingsplan kan uitsluitend afwijken van de in het tweede lid genoemde sloopnormen, van het maximum van drie woningen (lid 1 sub d) of van de verplichting tot volledige sloop (lid 1 sub b), wanneer aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. een onafhankelijk financieel rapport toont aan dat uitvoering volgens het tweede lid niet haalbaar is; en
b. de afwijking van deze voorwaarden blijft beperkt tot het minimum dat nodig is om het plan kostendekkend te maken; en
c. het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
TTT
Het opschrift van artikel 18.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Het opschrift van artikel 18.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Het opschrift van artikel 18.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Het opschrift van artikel 18.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Artikel 18.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het vaststellen van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met de doelstellingen in stiltegebied aOase en stiltegebied bOnthaasting, bedoeld in artikel 6.3 6.5.
Als richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen stiltegebied aOase en stiltegebied bOnthaasting wordt een niveaugeluidniveau van 30 dB(A) in acht genomen, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen.
YYY
Artikel 18.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten binnen invloedsgebiedenAttentiezonegebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden a Oase en b Onthaasting, worden als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten de richtwaarden, bedoeld in het tweede en derde lid, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied in acht genomen.
Voor activiteiten binnen invloedsgebiedenAttentiezone gebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden a stiltegebieden Oase, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 3040 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied. Als uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag-, avond-, ofen nachtperiode:
Voor activiteiten binnen invloedsgebiedenAttentiezone gebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden b stiltegebieden Onthaasting, wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 40 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied in acht genomen. Het referentieniveau bedraagt in de dag-, avond-, ofen nachtperiode niet meer dan 48 dB(A).
ZZZ
Artikel 18.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
artikel 18.49
Artikel 18.55
en artikel 18.5018.56 gelden niet voor:
het verrichten van activiteiten op een bedrijventerrein buiten de stiltegebieden a Oase en b Onthaasting, dat op 1 februari 1999 was toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008;
mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarische activiteit;
laad- en losactiviteiten van scheepsvaart;
"windenergie concentratielocatie" als bedoeld in artikel 18.17;
bestaande wegen door stiltegebieden a Oase en b Onthaasting;
activiteiten als bedoeld in de paragraafhoofdstuk 6 6.1 waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;
maximaal drie evenementen per jaar waarbij sprake is van versterkt geluid, voor zover het stiltegebieden b Onthaasting betreft;
voor het onderhoud van het gebied inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; en
de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening als deze activiteiten niet structureel plaatsvinden of geen vergunning op basis van de Omgevingswet noodzakelijk is.
AAAA
Het opschrift van artikel 18.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Artikel 18.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op stiltegebieden a Oase of b Onthaasting of invloedsgebieden Attentiezone gebieden wordt bepaald dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning gegevens over de uitgangssituatie voor geluid worden verstrekt, in overeenstemming met de Omgevingsregeling.
De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning, waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.
CCCC
Het opschrift van artikel 18.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDD
Hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 19.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.1. ]
Het waterbeheerprogramma bevat, gelet op gestelde omgevingswaarden en het regionaal waterprogramma, naast de maatregelen, bedoeld in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:
een beschrijving van de toestand van de regionale wateren en de waterkeringen, waaronder de afvoer- en bergingscapaciteit en de waterkwaliteit;
het beleid met betrekking tot het beheer van de regionale wateren en de waterkeringen;
gegevens die inzicht geven in de prioriteitstelling en fasering van maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de regionale wateren en de waterkeringen ;
gegevens die inzicht geven in de dekking van de kosten van maatregelen en voorzieningen als bedoeld onder c; en
gegevens waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de in het regionale waterprogramma opgenomen doelen voor de waterkwaliteit van andere regionale wateren dan krw-oppervlaktewaterlichamen.
[Red: Artikel 19.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.1. ]
Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma.
Het waterschapsbestuur zendt jaarlijks een verslag aan gedeputeerde staten over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar.
Het verslag bevat in elk geval informatie over:
de voortgang met het oog op gestelde omgevingswaarden voor regionale wateren;
voor zover van toepassing: actualisatie van peilbesluiten; en
de uitoefening van taken met betrekking tot wateractiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water in samenhang met het onttrekken van water, gelet op artikel 19.4.
[Red: Artikel 19.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.2. ]
Het waterschapsbestuur stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer peilbesluiten vast.
Het waterschapsbestuur draagt zorg voor het actueel houden van peilbesluiten, zodanig dat deze zijn toegesneden op veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en aanwezige belangen.
Een peilbesluit bevat naast de gegevens, bedoeld in artikel 2.41, derde lid, van de wet, gegevens over eventuele wijzigingen van de te handhaven waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren.
Het waterschapsbestuur informeert gedeputeerde staten over een voornemen tot vaststelling of wijziging van een peilbesluit.
[Red: Artikel 19.4 verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.3. ]
In de waterschapsverordening worden voor wateronttrekkingsactiviteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water in samenhang met het onttrekken van grondwater, regels gesteld met als doel het tegengaan van nadelige gevolgen voor:
de grondwaterstand in verdrogingsgevoelige natuurgebieden als bedoeld in bijlage XI; en
de grondwaterstand in verdrogingsgevoelige natuurgebieden en
een duurzame kwantitatieve en kwalitatieve toestand van het grondwater in het beheergebied van het waterschap.
De regels omvatten in elk geval:
de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder omgevingsvergunning;
de aanwijzing van activiteiten die zijn verboden zonder voorafgaande melding;
de aanwijzing van activiteiten waarvoor algemene regels gelden;
meet- en opgaveverplichtingen voor de activiteiten, bedoeld onder a tot en met c; en
een verbod om zonder omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten in grondwaterbeschermingsgebieden.
[Red: Artikel 19.5 verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.3. ]
Het waterschapsbestuur en gedeputeerde staten, elk voor zover bevoegd gezag, dragen zorg voor de inschrijving in het landelijk register van activiteiten op basis van een omgevingsvergunning of melding, die bestaan uit het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, met vermelding van de daarvoor benodigde gegevens.
[Red: Artikel 19.6 verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.3. ]
Gedeputeerde staten dragen, in afstemming met het waterschapsbestuur, zorg voor de inrichting en het beheer van een meetnet voor de taken en het beleid met betrekking tot grondwater en daarvoor benodigde onderzoeken.
[Red: Artikel 19.7 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 19 naar paragraaf 19.1.4. ]
Op het vaststellen van een projectbesluit door het dagelijks bestuur van het waterschap zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1 van overeenkomstige toepassing.
EEEE
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 20.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.1. ]
Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van stiltegebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied of die daaraan grenzen.
[Red: Artikel 20.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.2. ]
Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van grondwaterbeschermingsgebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied of die daaraan grenzen.
[Red: Artikel 20.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.3. ]
Op het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels over omgevingsplannen, bedoeld in afdeling 5.1, van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 20.4 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.4. ]
[Red: Artikel 20.5 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.5. ]
Gedeputeerde staten stellen ten minste eens per drie jaar een huishoudensprognose op.
De huishoudensprognose gaat in ieder geval in op:
[Red: Artikel 20.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.5. ]
Gedeputeerde staten voeren ten minste eens per drie jaar het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland uit met de dan beschikbaar gestelde huishoudensprognose.
Het KWOZ gaat op het niveau van de provincie, woningbouwregio’s en gemeenten ten minste in op:
[Red: Artikel 20.7 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 20 naar paragraaf 20.1.5. ]
Gedeputeerde Staten beheren een monitoringssysteem ten behoeve van het bijhouden van het plancapaciteit per gemeente, de planmonitor wonen.
De planmonitor wonen gaat per plan ten minste in op:
het aantal woningen in harde plancapaciteit; en
het aantal woningen in zachte plancapaciteit; en
de ligging binnen/buiten stedelijk gebied; en
kwalitatieve aspecten (betaalbaarheid en woningtype); en
de realisatie van woningen.
FFFF
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 21.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
Deze afdeling is van toepassing op de faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Zeeland.
[Red: Artikel 21.2 verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
Een faunabeheerplan beschrijft de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid. Daarnaast bevat het faunabeheerplan een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven.
Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid. Ten behoeven van een planmatige en doelmatige aanpak (vanwege bijvoorbeeld de verspreiding van de soort, populatie en leefgebied) kan hiervan worden afgeweken.
Een faunabeheerplan geeft inzicht in de samenhang tussen de jacht op wildsoorten, het beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade door deze dieren.
Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze rekening wordt gehouden met de Natura 2000-gebieden.
[Red: Artikel 21.3 verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
In aanvulling op artikel 21.2 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van omgevingsvergunningen in ieder geval per diersoort:
een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van op basis van omgevingsvergunningen van in het wild levende dieren;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
de huidige en gewenste stand van de onder a bedoelde diersoorten, of de huidige en nagestreefde omvang van de schade veroorzaakt door de onder a bedoelde diersoorten;
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van grote hoefdieren, een beschrijving van:
een omschrijving van welke andere bevredigende oplossingen mogelijk zijn en de effectiviteit daarvan;
per diersoort een beschrijving van welke andere bevredigende oplossingen, als bedoeld onder d, wel of niet worden ingezet. Per bevredigende oplossing dient te worden onderbouwd waarom de bevredigende oplossing wel of niet wordt ingezet;
een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheerbeheer of bestrijding van de onder ba bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van schade aan de belangen bedoeld in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid, en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;
een beschrijving van de mate waarin de onder c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
de huidige en gewenste stand van de onder b bedoelde diersoorten;
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden genomen om de gewenste stand, bedoeld onder e, te bereiken;
per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de onder d bedoelde periode zijn verricht om het schaden van de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;
een evaluatie van de voorgaande faunabeheerperiode; en
een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot bestrijding;
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de onder f bedoelde maatregelen zullen plaatsvinden;
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn; een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder f bedoelde maatregelen;
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald; en
informatie, op basis van gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties of gekende onderzoek- of kennisinstellingen en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.
een onderbouwing op basis van wetenschappelijke gegevens van de staat van instandhouding van de onder a bedoelde diersoorten, waaruit de provinciale en landelijke staat van instandhouding blijkt.
[Red: Artikel 21.4 verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
In aanvulling op artikel 21.2 bevat het faunabeheerplan over schadebestrijding op basis van vergunningvrije gevallen in ieder geval per diersoort:
een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; en
een beschrijving van de maatregelen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vergunningvrije gevallen bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen.
Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale of landelijke vrijstelling, dan moet worden onderbouwd dat hiervan gebruik kan worden gemaakt.
[Red: Artikel 21.5 verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
In aanvulling op artikel 21.2 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht:
een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend;
kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;
een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;
[Red: Artikel 21.6 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 21 naar afdeling 21.1. ]
Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.
Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.
GGGG
Het opschrift van artikel 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHH
Het opschrift van artikel 24.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Artikel 24.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om de activiteit zonder melding te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.
Een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor de inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting geldt om informatie te verstrekken, als het verstrekken van die informatie.
Een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit.
Een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.
JJJJ
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
bedrijf voor het telen van gewassen en/-of het houden van dieren;
bouwwerk behorend bij een agrarisch bedrijf, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en drink- en voederbakken;
bedrijf dat zich geheel of in overwegende mate richt op onderzoek naar nieuwe agrarische gewassen en verbetering van bestaande agrarische gewassen voor de agrarische sector;
teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen;
zone van 750 meter rondom stiltegebied;
baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
een installatie waarmee elektriciteit tijdelijk kan worden opgeslagen en later weer kan worden teruggeleverd aan het elektriciteitsnet of direct gebruikt kan worden;
onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde, met inbegrip van mestdoorlatende vloeren, die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden;
terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en nietcommerciële dienstverlening en industrie;
opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken;
gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten;
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten intensieve veehouderij;
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten neventak;
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies;
haven voor de binnenvaart die niet onmiddellijk aan zee of aan de Westerschelde grenst;
schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;
geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
buisleiding voor het transport van gas of vloeistof en leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden;
ontwikkeling van een bedrijf op een termijn van 10 jaar;
gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 5 hectare of groter en dat in hoofdzaak in gebruik is voor verwerking, uitwisseling en opslag van data. Hieronder wordt in ieder geval een data- en rekencentrum verstaan waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag en waar andere activiteiten worden verricht om dit functioneel te ondersteunen.
Grevelingen, Oosterschelde, Westerschelde en Veerse Meer, inclusief dammen en dijken;
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf op een ligplaats in een bestaande jachthaven;
éénmalige of ten hoogste 3 keer per jaar terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van ontspanning, kunst of cultuur;
gedeputeerde staten van Zeeland;
in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, zoals modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, microlight aeroplanes, schermvliegtuigen, paramotorvliegen, met uitzondering van zweeftoestellen;
stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer;
bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen;
het inbedden van nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied waardoor deze aansluiten bij het karakter van het landschap en wordt voorzien in een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap, waarbij maatwerk mogelijk is.
grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
werk in de bodem, met inbegrip van palen, damwanden en folies;
een agrarisch bedrijf dat is gericht op het houden van dieren en dat voor de bedrijfsvoering in overwegende mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort. Hierbij is een eigen voervoorziening van 60 procent een absolute ondergrens;
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
een als zodanig in een door gedeputeerde staten geaccordeerd regionaal bedrijventerreinenprogramma aangegeven bedrijventerrein, wat door de ligging, ontsluiting en het economisch belang ontwikkelingspotentie heeft;
kantoor met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen;
detailhandelsvoorziening met een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer;
gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 5 hectare of groter en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit;
niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op de teelt van slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren, waarbij de teelt plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang, met uitzondering van een biologische veehouderij;
haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen;
een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan, tenthuisje of stacaravan of enig ander onderkomen of (ondersteunend) bouwwerk of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover het onderkomen of (ondersteunend) bouwwerk of voertuig geheel of ten dele blijvend is bestemd of opgericht, of wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben, niet zijnde een recreatiewoning. Het kan een niet-permanent kampeermiddel of permanent kampeermiddel zijn;
gebouw van glas of ander lichtdoorlatend materiaal voor de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt;
binnen het centrum van een kern gelegen gebied waarin detailhandelsvoorzieningen zijn geconcentreerd;
een klein schip als bedoeld in artikel 1.01 van het Binnenvaartpolitiereglement
bedrijventerrein dat geen grootschalig bedrijventerrein is;
kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch bedrijf of bij een ander bedrijf of behorend bij een burgerwoning in het landelijk gebied;
een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf met een maximum van 15 verblijfsrecreatieve eenheden en 60 slaapplaatsen.
civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewaterlichaam heen, of daaronder door, te voeren;
in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde actuele kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;
kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bodemkwaliteit;
telcijfers, trendtellingen, inschattingen en afschotcijfers voor de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten en op basis hiervan een analyse van de populatietrend;
tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;
in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van voer- of vaartuigen met verbrandingsmotoren of modelvliegtuigen en het beoefenen van de schietsport met vuurwapens in de open lucht;
Een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van gemechaniseerd loonwerk in het landelijk gebied, aan agrarische bedrijven, overheden en natuurorganisaties, zoals het uitvoeren van agrarisch loonwerk, cultuurtechnische werken, natuurbouw, grondverzet of soortgelijke dienstverlening, met inbegrip van een strategische werkvoorraad aan hulp-, bouw-, grond- of reststoffen (in verband met circulariteit). Hieronder valt in ieder geval niet het bewerken of opslaan van mest of het verrichten van werkzaamheden in de weg- en waterbouw;
kadeterrein dat bestemd en geschikt is voor het laden en lossen van schepen;
luchtkussenvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder;
vaartuig dat wordt voortbewogen door een motor en niet harder vaart dan 20 kilometer per uur.
motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
voorziening ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;
bedrijfsonderdeel dat qua omvang en arbeidsinzet en gelet op de inkomsten die daaruit redelijkerwijs kunnen worden verworven niet als hoofdtak kan worden aangemerkt, of een activiteit waaruit de betrokkene niet het hoofdinkomen verwerft;
een kampeermiddel, niet zijnde een bouwwerk, zoals een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
een kampeermiddel, niet zijnde een permanent (plaatsgebonden) kampeermiddel, zonder een plaatsgebonden karakter, zoals een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een camper;
een standplaats voor recreatief nachtverblijf bestemd voor een niet-permanent (mobiel) kampeermiddel;
aangewezen stiltegebied;
kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving, bij de beschrijving waarvan tenminste de navolgende aspecten in beschouwing worden genomen: luchtkwaliteit, stank, geluid, lichtvervuiling, veiligheid, bodem- en waterkwaliteit - waterbodems en grondwater daaronder begrepen -, waterkwantiteit, ecologische en natuurlijke kwaliteit, landschappelijke en beeldkwaliteit, cultuurhistorische kwaliteit, bereikbaarheid en sociale kwaliteit.
aangewezen stiltegebied;
een ontwikkeling die voorziet in het met recreatief oogmerk met overnachting verblijven in daartoe bestemde ruimten door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
openbare weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 1 van de Wegenwet;
samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op of boven de grond of een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van zonnepanelen op daken;
een eenvoudig verplaatsbaar en/of seizoensgebonden demontabel kampeermiddel zijnde een bouwwerk inclusief ondersteunend bouwwerk, zoals een glampingtent, yurt, tenthuis, stacaravan, trekkershut of chalet. Op een kleinschalig kampeerterrein heeft een permanent kampeermiddel een maximale oppervlakte van 55 m2
een kampeermiddel dat direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond, en bedoeld is om duurzaam ter plaatse te functioneren, zoals een stacaravan, trekkershut, chalet, safaritent, of ander daarmee gelijk te stellen recreatief nachtverblijf. Op een kleinschalig kampeerterrein heeft een permanent kampeermiddel een maximale oppervlakte van 55 m2;
een standplaats voor recreatief nachtverblijf bestemd voor een permanent (plaatsgebonden) kampeermiddel of niet-permanent (mobiel) kampeermiddel;
Provinciale Staten van Zeeland;
openbare weg in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;
gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor recreatief nachtverblijf en gebouwen voor recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken of eet- en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt;
de mate waarin een bedrijf of activiteit een meerwaarde oplevert voor de economie en maatschappij in de regio, gelet op de herkomst van het bedrijf, werkgelegenheid, arbeidsmarkt, kennisinfrastructuur, plaats in regionale waardeketens, ruimtelijk economisch profiel van de regio, gebruik van regionale infrastructuur en afzetmarkt;
In bijlage bijlagen II en XIII bij deze verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onder a, van de wet, die in beheer zijn bij het waterschap;
damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;
schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;
volwaardig glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd buiten een concentratiegebied;
niet op bedrijventerreinen geclusterde bedrijven die volgens het omgevingsplan zijn toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied, met inbegrip van detailhandels- en horecabedrijven;
vaartuig dat wordt voortbewogen door een motor en harder vaart dan 20 kilometer per uur.
een terreindeel van een (kleinschalig) kampeerterrein, geschikt en bestemd voor het al dan niet permanent plaatsen van een kampeermiddel;
in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; De begrenzing van het stedelijk gebied is opgenomen in de Geo Viewer van de Provincie Zeeland en te raadplegen op https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz
kenmerkende Zeeuwse producten die op Zeeuwse grond of in Zeeuwse wateren zijn geteeld en bedoeld voor consumptie;
taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen;
molen die in vroeger tijden was bedoeld voor bemaling voor waterbeheer, het malen van granen of overige ambachtelijke werkzaamheden, waarbij het gaande werk nog volledig of in overwegende mate intact is;
getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties;
overheidszorg gericht op de instandhouding, bereikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;
een terrein of een deel van een terrein, dat is bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf, een kleinschalig kampeerterrein, een nieuwe economische drager met recreatief nachtverblijf of een vorm van particuliere verhuur.
een zelfstandige verblijfsruimte die bestemd is voor recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
treffen van maatregelen die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens de wet is voorgeschreven voor milieu en dierenwelzijn en die strekken tot milieuwinst en het versterken van omgevingskwaliteiten;
bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen;
verhardingsconstructie van een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad;
onderneming als bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67);
vuurwapen als bedoeld artikel 1, onder 3°, van de Wet wapens en munitie;
bevoegd bestuursorgaan van Waterschap Scheldestromen;
waterscooter als bedoeld in artikel 1.01, onder A, onder 18°, van het Binnenvaartpolitiereglement;
Omgevingswet.
terrein dat onderdeel is van het beheergebied van North Sea Port.
KKKK
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_0702107b6cb34f1bb7dd30dacfd43a96/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_a5f9e2933dbe4e6284c13eccd2fab00b/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_615d57e891804ae680b3e3441865fbfb/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_ce3a049a588546cdb131a9c473a6a818/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_55dcde577ec445c8b1004f059811b501/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_64886cedeb424cfcb3edd66c83b00698/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3811c938d5b84a4cab4fea7bb7ce09e4/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_63f130c04d114e549d2c40a0414ce4c0/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_098ea17f74fe4e58b45d4367d555d1aa/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_50ddfc0874a74799abf522de4df5d924/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_18e32d30551b4792bf4155f77d7cdc32/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_6709c96067b84d06915386a76f82746a/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3fcbaf51812f4302a832cbebcd2d4df7/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_5a60caad29844b7a9ce75784eefa66a7/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3502325d1ba64b35aba9f6fef2f1fb5f/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_a306e5660e9b49c7b341cb1a03557d95/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_a4c68c8739fb4509b3cd566fac3782a2/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_b2158aadeefa428395ef92b0f604fc93/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c1a05e89e6b84cf1be9f16dd4bfb4c73/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_3d0a619768504e1eac0ec180ceebbee5/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_18dfee7db72245ecb5d5731ac324d998/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c6fd0b560e4b4e18997356357e747970/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_17f561017c0b476da6c3ba6c9291c5f3/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_c8f1f4fae84346ebb77f30e62376c8e8/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_940adf321d134b9288c92d06b672cae9/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2025/locatiegroep_6caa5d3737db48d4a8d4160728cd9f61/nld@2025‑12‑17;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_db4441f8dc6940b99053e98fcbd07d15/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_c24773a918084019b7b52ad920b9ceae/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/norm_28abf4eaca7349f9a96f79c52e8fc155/nld@2025‑12‑18;3
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_7e2d7811fcff4a7885692bc3d31de7e8/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/norm_f5de3acd890b48a699563d16257a7847/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_abed7301f8cb4c8a85f276bf5f54b5b0/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/locatiegroep_32183d712f3f4e399a360f2b2b6935a2/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_64bc3513dcef493da204f45f40e6559c/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_6e32a2185a454d8d93a209e8209a5825/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_7ae4a862b03d477485995ffe9292a482/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_df7be5f3b13d49259e93933a1c061420/nld@2023‑12‑19;1
/join/id/regdata/pv29/2024/locatiegroep_1f0303ae8114491795ed3358286c7dfc/nld@2025‑12‑18;2
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_c5cef73b07a94d05863feb62a0783ef4/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_6410d32af02c4846b731396bb026f7d9/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_a8c4ca8ea46a433baee48d5ac161769e/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_8207e449907c42b191a9935dfc2a7530/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_e7299bc6e99444548c83c0bd3981835e/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_a600402afd4b459a89193f9da19559c4/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_a3ff95d570234cc0a40f005d86039cca/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_0bfc61907b9446bd9c3c0745abc07a02/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2026/gebiedsaanwijzing_08319af5ae1248b19ca8e7f74e6f5385/nld@2026‑07‑28;1
/join/id/regdata/pv29/2023/gebiedsaanwijzing_bef0aae819594139b0eece476476b0b3/nld@2023‑12‑19;1
LLLL
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LANDBOUW VERWANTE ACTIVITEITEN
|
Activiteit-categorie |
Activiteit |
Nieuwvestiging |
|
Verkoop eigen agrarische producten |
|
|
|
Agrarische hulpbedrijven |
Loonwerkbedrijven |
x |
|
- |
Drainagebedrijven |
- |
|
- |
Veehandelsbedrijven |
x |
|
- |
Toeleverende bedrijven |
- |
|
- |
Spermabank |
- |
|
- |
Foeragehandel |
x |
|
- |
Zaaizaad en pootgoed |
x |
|
- |
Opslag agrarische producten |
x |
|
- |
Hoefsmederij |
- |
|
Semi-agrarische bedrijven |
Hoveniersbedrijven |
x |
|
- |
Boomverzorgingsbedrijven |
- |
|
- |
Natuur- en landschapsbeheer |
- |
|
- |
Tuincentrum |
x |
|
- |
Vis/escargot/wormkwekerij |
- |
|
Huisvesting tijdelijke werknemers |
- |
x |
|
Zorgboerderij; sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf bv. resocialisatie, therapie, gehandicapten, dagbesteding |
- |
- |
|
Zorgwoning behorende bij agrarisch bedrijf |
- |
- |
|
OPSLAG: |
Caravans, boten, inboedel en overige opslag |
- |
|
Verblijfsrecreatie |
Kampeerboerderij |
- |
|
- |
Appartementen; verhuur |
- |
|
- |
Hotelaccommodatie |
- |
|
Dagrecreatie |
Logies met ontbijt |
- |
|
- |
Horeca; restaurants, eethuis, ijssalon, theeschenkerij, partycentrum, bezoekerscentrum, paardenpension/-stalling, sauna |
- |
|
- |
Verhuur; paarden, fietsen, kano's, trapauto's |
x |
|
- |
Manege |
x |
|
- |
Overige dagrecreatieve voorzieningen |
x |
|
AAN HUIS-GEBONDEN-BEROEPEN |
Individuele paramedische of Therapeutische praktijk |
- |
|
- |
Dierenarts |
- |
|
- |
Atelier |
- |
|
- |
Overige aan huis gebonden beroepen |
- |
|
MEDISCH VERWANTE DIENSTVERLENING |
Privékliniek |
- |
|
- |
Kuuroord |
- |
|
- |
Dierenkliniek |
- |
|
- |
Groepspraktijk |
- |
|
OVERIGE DIENSTVERLENING |
Cursuscentrum |
- |
|
- |
Crèche/Peuterspeelzaal |
- |
|
- |
Museum/Tentoonstellingsruimte |
- |
|
- |
Dierenasiel/-pension |
- |
|
- |
Kapper |
- |
|
- |
Computerservicebedrijf |
- |
|
- |
Adviesbureau |
- |
|
- |
Geluidsstudio |
- |
|
- |
Antiekhandel |
- |
|
AMBACHTELIJKE LANDBOUWPRODUCTVERWERKENDE BEDRIJVEN |
Slachterij |
- |
|
- |
Vleesverwerking |
- |
|
- |
Zuivelverwerking |
- |
|
- |
Plantaardige producten |
- |
|
- |
Imkerij |
- |
|
- |
Palingrokerij |
- |
|
- |
Wijnmakerij |
- |
|
- |
Bierbrouwerij |
- |
|
- |
Riet- en vlechtwerk |
- |
|
OVERIGE AMBACHTELIJKE BEDRIJVEN |
Bouwbedrijven |
- |
|
- |
Schilderbedrijven |
- |
|
- |
Installatiebedrijven |
- |
|
- |
Elektrotechnische installatiebedrijven |
- |
|
- |
Dakdekkersbedrijf |
- |
|
- |
Rietdekkersbedrijf |
- |
|
- |
Houtzagerij en -schaverij |
- |
|
- |
Speeltoestellenfabricage |
- |
|
- |
Lasinrichtingen/bankwerkerijen |
- |
|
- |
Vervaardiging medische instrumenten en orthopedische artikelen |
- |
|
- |
Meubelmakerij/restauratie |
- |
|
- |
Vervaardigen en reparatie sieraden |
- |
|
- |
Vervaardigen reparatie muziekinstrumenten |
- |
|
- |
Spel- en speelgoedfabricage |
- |
|
- |
Spinnen en weven van textiel |
- |
|
- |
Vervaardigen van textielwaren |
- |
|
- |
Kledingvervaardiging |
- |
|
- |
Reparatiebedrijven en gebruiksgoederen |
- |
|
- |
Pottenbakkerij |
- |
|
- |
Natuursteenbewerking/beeldhouwerij |
- |
|
- |
Zeefdrukkerij |
- |
MMMM
Bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau verschaft helderheid over de gewenste kwaliteit van de verblijfsrecreatie voor ondernemers en biedt een gelijk speelveld. Om de potenties van het Zeeuwse recreatieve product van Zeeland zowel binnen als buiten de Zeeuwse Kwaliteitskustkustzone optimaal te benutten, moeten ontwikkelingen invoor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen aan eenzelfde hoog en herkenbaar Zeeuws kwaliteitsniveau voldoen. Daarom worden deze aan de kustzone minimaalhand van een provinciaal ontwikkelkader beoordeeld, aan onderstaande basiskwaliteit voldoen.de hand van vier hoofdwaarden:
[Red: Binnen bijlage IV wordt sectie a. verplaatst van sectie 'Uitgangspunten' naar sectie 1. ]
1. Specifiek ten behoeve van verblijfsrecreatie in de kustzone
Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande (t.b.v. verblijfsrecreatie bestemde) oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een uitbreiding van maximaal 20% van de bestaande oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:
integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap; en
de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is; en
er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale uitbreidingsoppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en
maximaal 20% van het totale terrein mag aan de openbaarheid worden onttrokken (deze maximale maat is vanwege het aspect veiligheid niet van toe passing bij kampeerterreinen); en
de openbaar toegankelijke paden en routestructuren integraal onderdeel uitmaken van het landschap.
Een uitbreiding van eenheden is mogelijk indien:
er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en toekomstige accommodatie;
er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale terrein ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden; en
er maximaal sprake is van 15% uitbreiding van eenheden.
Ruimte voor maatwerkoplossingen is mogelijk als een specifieke situatie daarom vraagt. Hierbij geldt als principe dat bovengenoemde uitgangspunten communicerende vaten zijn. Een hoger percentage landschapsontwikkeling kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een hoger percentage (dan 20%)uitbreidingsoppervlakte. Voor bestaande recreatiebedrijven grenzend aan het open agrarisch landschap geldt dat bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf de openheid van de gebieden zoveel als mogelijk gewaarborgd dient te blijven.
2. Specifiek ten behoeve van verblijfsrecreatie buiten de kustzone
Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf.
Een beperkte uitbreiding van oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:
integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap;
de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is.
Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie.
[Red: Binnen bijlage IV wordt sectie b. verplaatst van sectie 'Uitgangspunten' naar sectie 1. ]
Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 18.23 18.29.
In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten nieuwe ontwikkelen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie) wordt toegevoegd.
Specifiek voor ontwikkeling rondom het Veerse Meer geldt dat de diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse Meer gebied als geheel. Het lokale DNA van het Veerse Meer - o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en natuurlijk inbedding.
[Red: Binnen bijlage IV wordt sectie c. verplaatst van sectie 'Uitgangspunten' naar sectie 1. ]
Met het oog op de dynamiek, toekomstbestendigheid en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen zowel tijdens de bouw, aanleg en inrichting van gebouwen en terreinen als bij de exploitatie; en op andere verduurzamingsmaatregelen in relatie tot bv. energie, klimaat, water, afval die zoveel als mogelijk gebruik maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) t.b.v. duurzaam waardebehoud en (her)gebruik..
Investeringen dienen zoveel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.
[Red: Binnen bijlage IV wordt sectie d. verplaatst van sectie 'Uitgangspunten' naar sectie 1. ]
Ontwikkelingen hebben een positieve impact op de leefbaarheid en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving van inwoners, bv. wat betreft behoud en versterking van voorzieningen, werkgelegenheid, ....
Aandachtsgebieden zoals bedoeld in de artikel 18.21 en artikel 18.22 zijn gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al deels verloren zijn gegaan en waar een integrale gebiedsopgave ligt. Het gaat om gebieden waar een nieuwe balans nodig is op gebied van ruimtelijke kwaliteit (zie hieronder bij 2).
De aanleiding voor het aanwijzen van een aandachtsgebied ligt daarmee altijd in het gebied zelf. Niet een initiatief of ontwikkelwens van een ondernemer, maar de aanwezigheid van ruimtelijke, landschappelijke, recreatieve, economische en maatschappelijke knelpunten vormen de noodzaak en basis voor aanwijzing.
Een aandachtsgebied kan worden aangewezen wanneer:
sprake is van een breed gedragen gebiedsgerichte transformatieopgave;
de ruimtelijke kwaliteit onder druk staat;
de (ontwikkelings)druk van (verblijfs)recreatie hoog is of een belangrijke rol speelt;
en kansen aanwezig zijn om de ruimtelijke kwaliteit integraal te versterken.
Aandachtsgebieden worden vastgelegd in de provinciale verordening en weergegeven op de bijbehorende kaart. Het aanwijzen van een aandachtsgebied vindt plaats op verzoek van een gemeente. Na aanwijzing van het aandachtsgebied en uitwerking van streefbeeld en gebiedsaanpak (zie hieronder), dienen initiatieven in het aandachtsgebied te voldoen aan provinciaal beleid en regels over aandachtsgebieden.
De ruimtelijke kwaliteit van een gebied is gebiedsafhankelijk en wordt integraal beoordeeld. Het is een optelsom van verschillende kenmerken die de hoedanigheid van een gebied of een plek bepalen. Voor een goede ruimtelijke kwaliteit is er balans nodig tussen de vier kernwaarden die deze kenmerken:
Gebruikswaarde: efficiënt, effectief en meervoudig gebruik van ruimte.
Toekomstwaarde: duurzaam, aanpasbaar en robuust ontwerp voor de lange termijn.
Belevingswaarde: schoonheid, eigenheid en de unieke identiteit van een plek.
Herkomstwaarde: aandacht voor de ontstaansgeschiedenis en de culturele identiteit van een gebied.
Bij het benoemen van een aandachtsgebied, geldt dat een belangrijke kwaliteitsimpuls gehaald wordt door versterking van natuur- en landschap (landschap produceren) en regionale identiteit en dat ontwikkelingen daar integraal deel van uitmaken. Uitzondering daarop zijn aandachtsgebied(sdelen) geconcentreerd rondom een jachthaven waar er nauwelijks ruimte is voor (extra) natuur en landschap en waar de (inrichting van de) publieke ruimte en de daar aan of in gelegen voorzieningen de drager vormen van de ruimtelijke structuur van dat gebied(sdeel).
In alle gevallen gebeurt dat in samenhang met andere opgaven. Naast de thema’s natuur, landschap, publieke ruimte en (verblijfs)recreatie kan immers ook sprake zijn van opgaven voor de thema’s waterveiligheid, energietransitie, (watergebonden) bedrijvigheid, woningbouw, leefbaarheid van kernen, aquacultuur en landbouw. Uitgangspunt in de aandachtsgebieden is dat er kansen liggen om de daarmee samenhangende ruimtelijke kwaliteiten integraal opnieuw te ontwikkelen. Ontwikkelingen dragen bij aan een duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied als geheel.
Waar een aandachtsgebied aan het water grenst – zoals bij het Veerse meer - wordt bijzondere aandacht besteed aan de landschappelijke kwaliteit van de oevers en de overgang met het water.
De uitwerking en uitvoering van de kwaliteitsimpulsen in een aandachtsgebied gebeuren onder regie en procesbegeleiding van de gemeente. Samen met de betrokken partijen (overheden, grondeigenaren, ondernemers, burgers, …) in het betreffende gebied, wordt een gezamenlijk gedragen streefbeeld en gebiedsaanpak ter uitvoering en ontwikkeling opgesteld. Naast het nemen van regie, richt de gemeente zich in de uitvoering op de kwaliteit van de publieke ruimte.
Planvorming en realisatie gebeuren op basis van gelijkwaardigheid en samenwerking. Realisatie vindt alleen plaats als er ondernemers willen investeren en betrokken zijn. Ondernemers, grondeigenaren en andere betrokken partijen leveren gezamenlijk een actieve bijdrage aan de verdere ontwikkeling en uitvoering.
Het streefbeeld bestaat uit:
Gewenste ontwikkelingen kunnen vanuit dit streefbeeld ook met een kleinschalige projectaanpak gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan:
de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren), dan wel aan een beeldkwaliteitsplan (voor havens); met andere woorden het gewenste toekomstbeeld voor natuur, landschap, erfgoed en ruimtelijke kwaliteit;
de regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passend bij de landschapsstructuur dan wel het beeldkwaliteitsplan;
de plek en rol van (verblijfs)recreatie binnen de gebiedsontwikkeling en hoe dit samenhangt met het dagrecreatieve aanbod in en nabij het gebied en andere gebiedsopgaven;
borging van beheer en onderhoud van het landschap en gebied door een integraal (beheer)plan van het aandachtsgebied.
in alle gevallen aansluiting met de omgeving door de verdere ontwikkeling en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur. Hekken en afscheidingen worden vermeden en het gebied is zo veel als mogelijk openbaar toegankelijk. Kusten, oevers, waterkanten en bestaande openbare ruimte blijven toegankelijk voor wandelen en fietsen.
de onderdelen B t/m D van het Ontwikkelkader bedoeld onder 1 (binnen kustzone) dan wel 3 (buiten kustzone) waar het ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen betreft.
Voor aandachtsgebieden in de kustzone en rondom het Veerse meer gelden aanvullend specifieke kaders en voorwaarden vanuit respectievelijk de Zeeuwse Kustvisie (waaronder de regiovisies) en de gebiedsvisie Veerse Meer (waaronder betreffende gebiedstypologie en bouwsferen).
Ontwikkelruimte voor (nieuwe dan wel bestaande) ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelruimte. Deze zijn alleen mogelijk wanneer zij aantoonbaar bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de in het streefbeeld en gebiedenaanpak geduide gebiedsopgaven van het aandachtsgebied (zie 2 en 3). De omvang van deze bijdragen wordt inzichtelijk gemaakt in de gebiedsexploitatie.
Ten aanzien van de ontwikkelruimte voor ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen gelden er verder verschillende voorwaarden binnen en buiten de kustzone (zie respectievelijk onder 5 en 6).
Specifiek voor de ontwikkeling van ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen in aandachtsgebieden binnen de kustzone geldt dat een (nieuwe dan wel bestaande) verblijfsrecreatieve voorziening moet bijdragen aan het oplossen van een verblijfsrecreatief knelpunt.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat altijd over fysiek reeds aanwezige eenheden voor recreatief nachtverblijf van een bestaand bedrijf. In een aandachtsgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (natuur, infrastructuur, landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten, zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners.
Oplossing binnen de kustzone wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten (zie ook onder 2):
Bij de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet deze bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van eenheden voor recreatief nachtverblijf of van een verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de Zeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de betreffende gemeente;
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
Ook nieuwe solitaire verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden, los van of vooruitlopend op de gezamenlijke gebiedsaanpak en een ontwikkeld streefbeeld, dienen aantoonbaar bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en doelstellingen van het betreffende aandachtsgebied. Nieuwe solitaire ontwikkelingen zijn uitsluitend mogelijk indien zij:
voldoen aan de voorwaarden en uitgangspunten van het Ontwikkelkader Bijlage IV, Deel I, A (1) tot en met D; en
1-op-1 gekoppeld zijn aan een bestaand verblijfsrecreatief product elders in de Zeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de betreffende gemeentegrenzen.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtsgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Samenvattend geldt voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden binnen de kustzone:
|
Ontwikkeling |
Knelpunt |
|
Bestaande en/of nieuwe ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf met bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen als onderdeel van gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak |
Verblijfsrecreatief knelpunt dient of in het aandachtsgebied als onderdeel van het gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak te worden opgelost of elders, (buiten het aandachtsgebied) in de Zeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen. |
|
Nieuwe solitaire ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf met bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen los van of vooruitlopend op gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak |
Verblijfsrecreatief knelpunt dient elders in de Zeeuwse kust opgelost te worden, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen. |
De uitwerking van dit uitgangspunt is een zaak van partijen gezamenlijk en dient per aandachtsgebied ingevuld te worden.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
[Red: Binnen bijlage IV wordt sectie 5 verplaatst van bijlage IV naar sectie 5.. ]
Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz
In aandachtsgebieden buiten de kustzone geldt – in tegenstelling tot binnen de kustzone - niet de voorwaarde dat een (nieuwe dan wel bestaande) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen moet bijdragen aan het oplossen van een verblijfsrecreatief knelpunt. Dat betekent niet dat de ontwikkelruimte er vrij is (zie 4).
Slechts focussen op verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten, zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Er geldt dan ook een aantal voorwaarden bij (nieuwe of bestaande) ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen in aandachtsgebieden buiten de kustzone, naast het gestelde onder voorgaande punten:
Nieuwe ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn niet 'stand-alone' en maken integraal onderdeel uit van het streefbeeld voor het gebied en dragen daaraan bij. Het doel is immers niet het faciliteren van zelfstandige recreatieve groei, maar het mogelijk maken van kwaliteitsverbetering van het gebied als geheel;
Ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen vormen een beperkt en ondersteunend onderdeel van de totale gebiedsontwikkeling, waarbij de balans tussen verblijfsrecreatie, dagrecreatie en overige functies zoals wonen en bedrijvigheid is geborgd. Verblijfsrecreatie ondergeschikt is aan de totale gebiedsontwikkeling;
Het uitgangspunt voor nieuwvestiging van eenheden voor recreatief nachtverblijf is de Regeling voor kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf als bedoeld in artikel 18.24. Indien uit de gebiedsvisie en gebiedsexploitatie blijkt dat dit onvoldoende is om de noodzakelijke gebiedsinvesteringen te realiseren, kan gemotiveerd van de voor kleinschalige ontwikkelingen voorgeschreven omvang worden afgeweken. De initiatiefnemer onderbouwt in dat geval waarom de kleinschalige ontwikkeling financieel niet volstaat en maakt aannemelijk dat het aantal beoogde eenheden voor recreatief nachtverblijf niet groter is dan bedrijfseconomisch en met het oog op de investering in het gebied als geheel noodzakelijk is;
Verouderde of vervallen bebouwing, voorzieningen of infrastructuur in het gebied worden, indien aanwezig, gesaneerd of geherstructureerd;
Nieuwvestiging vormt in alle gevallen een aanvullend en onderscheidend aanbod op het gedifferentieerd geheel van ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen in het aandachtsgebied;
Nieuwe bebouwing is qua schaal, massa en situering passend in het landschap en de bestaande bebouwingsstructuur.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
Bestaande ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen in een aandachtsgebied buiten de kustzone behouden de mogelijkheid om los van of vooruitlopend op de gezamenlijke gebiedsaanpak te ontwikkelen. Dit is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de voorwaarden en uitgangspunten van het Ontwikkelkader in Bijlage IV, Deel 1, A (2) tot en met D.
Zie Bijlage V Ruimtelijke ontwikkelingen Veerse Meer, onder 1.
Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 18.19zijn gebieden waar de oorspronkelijke ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn. Juist in deze gebieden liggen er kansen om integraal de kwaliteitskust opnieuw te ontwikkelen. In hoofdstuk 5 van deze bijlage zijn de aandachtsgebieden in de kustzone aangeduid.
De ontwikkeling van aandachtsgebieden gebeurt op basis van een gezamenlijk streefbeeld (en gebiedsaanpak), dat door betrokken stakeholders in het betreffende gebied wordt gedragen. Ook planvorming en realisatie gebeurt op basis van gelijkwaardigheid en samenwerking. Realisatie vindt alleen plaats als er ondernemers willen investeren en betrokken zijn. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. Zij regisseert de totstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zich in de uitvoering op de kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het gebied en een ruimtelijke vertaling daarvan op kaart.
Tegenwoordig ligt een groots opgezette gebiedsaanpak immers niet meer voor de hand. Gewenste ontwikkelingen kunnen vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren), de regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passen bij de landschapsstructuur. Beheer en onderhoud van landschap moet door een integraal (beheer)plan van het aandachtsgebied worden geborgd. Hiernaast wordt aansluiting gezocht met de omgeving door de verdere ontwikkeling en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur. Hekken en afscheidingen worden vermeden en het gebied is zo veel als mogelijk openbaar toegankelijk. Ook wordt invulling gegeven aan de onderdelen B t/m D zoals bedoeld onder 1 van het Ontwikkelkader en de beschreven strategie in de desbetreffende regiovisies van de Zeeuwse Kustvisie.
De recreatieve ontwikkelruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. Zo moet een ontwikkeling (nieuwe dan wel bestaande) verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied bijdragen aan de oplossing van een verblijfsrecreatief knelpunt.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat altijd over bestaande, fysiek reeds aanwezige verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtsgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (qua natuur, infrastructuur, landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtsgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden/verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio van de Zeeuwse kust.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
Samenvattend geldt voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden:
|
Ontwikkeling |
Knelpunt |
|
Bestaande en/of nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkeling(en) onderdeel van gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. |
Verblijfsrecreatief knelpunt dient of in het aandachtsgebied als onderdeel van het gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak te worden opgelost of elders, (buiten het aandachtsgebied) in de Zeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen. |
|
Nieuwe solitaire, verblijfsrecreatieve ontwikkeling, los van of vooruitlopend op gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. |
Verblijfsrecreatief knelpunt dient elders in de Zeeuwse kust opgelost te worden, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen. |
De uitwerking van dit uitgangspunt is een zaak van partijen gezamenlijk en dient per aandachtsgebied ingevuld te worden.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
Nieuwe solitaire verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in aandachtsgebieden, los van of vooruitlopend op de gezamenlijke gebiedsaanpak en een ontwikkeld streefbeeld, dienen zich te houden aan de voorwaarden en uitgangspunten van het Ontwikkelkader onderdeel A t/m D zoals bedoeld onder 1. Concreet betekent dit een 1-op-1 koppeling met een bestaand verblijfsrecreatief product elders in de Zeeuwse kust, bij voorkeur binnen of nabij de eigen gemeentegrenzen.
Een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau verschaft helderheid over de gewenste kwaliteit van de verblijfsrecreatie voor ondernemers en biedt een gelijk speelveld. Om de potenties van het recreatieve product van de Zeeuwse Kwaliteitskust optimaal te benutten, moeten ontwikkelingen buiten de kustzone minimaal aan onderstaande basiskwaliteit voldoen.
Kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven vindt plaats binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf.
Een beperkte uitbreiding van oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein:
integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap;
de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en
het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is.
Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie.
Ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in artikel 18.23.
In relatie tot markt en onderscheidend vermogen zetten ontwikkelingen qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA staat hier centraal, waardoor beleving en beleefbaarheid ervan (bv. van landschap, (cultuur)historie wordt toegevoegd.
Specifiek voor ontwikkeling rondom het Veerse Meer geldt dat de diversiteit dient te worden getoetst voor het Veerse Meer gebied als geheel. Het lokale DNA van het Veerse Meer - o.m. gevat in de beginselen van het plan van Nico de Jonge - staan hier centraal, wat onder meer gekenmerkt wordt door kleinschaligheid, landelijkheid, openheid en natuurlijk inbedding.
Met het oog op de dynamiek, toekomstbestendigheid en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen en andere verduurzamingsmaatregelen in relatie tot bv. energie, klimaat, water, ...
Investeringen dienen zo veel mogelijk gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) in het duurzaam gebruik van energie en materialen en de uitstraling van licht.
Aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 18.20zijn gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) verdwenen zijn en/of een transformatie opgave ligt. De ruimtelijke kwaliteit van een gebied is een optelsom van verschillende kenmerken die de hoedanigheid van een gebied of een plek bepalen, vaak uitgedrukt in de driedeling gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde. Het benoemen van een aandachtsgebied is mogelijk wanneer er een noodzaak is tot een nieuwe balans hiertussen; er een breed gedragen gebiedsgerichte transformatie opgave ligt en de ontwikkeldruk voor verblijfsrecreatie in het gebied hoog is.
De ruimtelijke kwaliteiten van een gebied zijn erg gebiedsafhankelijk en zullen bij ontwikkelingen beschreven moeten worden. Algemeen geldt dat een belangrijke kwaliteitsimpuls gehaald worden door versterking van natuur- en landschap (landschap produceren) en dat ontwikkelingen daar integraal deel van uitmaken. Uitzondering daarop zijn aandachtsgebied(sdelen) geconcentreerd rondom een jachthaven waar er nauwelijks ruimte is voor (extra) natuur en landschap. Daarvoor geldt dat kwaliteitsimpulsen worden bereikt door in ieder geval te investeren in de publieke ruimte en dat ontwikkelingen integraal onderdeel uitmaken van een (nieuw) kwaliteitsvol ruimtelijk geheel. In alle gevallen gebeurt dat in samenhang met andere opgaven. Naast de thema’s natuur, landschap, publieke ruimte en (verblijfs)recreatie kan immers ook sprake zijn van opgaven voor de thema’s waterveiligheid, energietransitie, (watergebonden) bedrijvigheid, woningbouw, leefbaarheid van kernen, aquacultuur en landbouw. Uitgangspunt in de aandachtsgebieden is dat er kansen liggen om deze ruimtelijke kwaliteiten integraal opnieuw te ontwikkelen.
De ontwikkeling van aandachtsgebieden gebeurt op basis van een gezamenlijk streefbeeld (en gebiedsaanpak), dat door betrokken stakeholders in het betreffende gebied, wordt gedragen. Ook planvorming en realisatie gebeurt op basis van gelijkwaardigheid en samenwerking. Realisatie vindt alleen plaats als er ondernemers willen investeren en betrokken zijn. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. Zij regisseert de totstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zich in de uitvoering van op de kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het gebied en een ruimtelijke vertaling daarvan op kaart.
Tegenwoordig ligt een groots opgezette gebiedsaanpak immers, niet meer voor de hand. Gewenste ontwikkelingen kunnen vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren), dan wel een beeldkwaliteitsplan (voor havens), de regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passend bij de landschapsstructuur.
Beheer en onderhoud van landschap moet door een integraal (beheer)plan van het aandachtsgebied worden geborgd. Hiernaast wordt in alle gevallen aansluiting gezocht met de omgeving door de verdere ontwikkeling en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur. Hekken en afscheidingen worden vermeden en het gebied is zo veel als mogelijk openbaar toegankelijk. Ook wordt invulling gegeven aan de onderdelen B t/m D van het Ontwikkelkader bedoeld onder 3.
De recreatieve ontwikkelingsruimte in aandachtsgebieden is geen ‘vrije’ ontwikkelingsruimte. Zo moet een ontwikkeling van een (nieuwe dan wel bestaande) verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied bijdragen aan de oplossing van een verblijfsrecreatief knelpunt.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat altijd over verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtsgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (natuur, infrastructuur, landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten, zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden / verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
Combineren van een verscheidenheid aan instrumenten, exploitatie en ontwikkeling op gebiedsniveau kan mogelijkheden bieden om stappen te zetten in de aandachtsgebieden.
NNNN
Het opschrift van bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aandachtsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten onder druk staan of al (deels) zijn verdwenen. Vaak worden ze gedomineerd door (recreatieve) bebouwing en behoeven die een impuls. Het landschap vormt in alle gevallen de drager van de totale ruimtelijke structuur. Uitzondering hierop wordt gevormd door aandachtsgebieden en gebiedsdelen die zijn geconcentreerd rondom een jachthaven waar de (inrichting van de) publieke ruimte en de daar aan of in gelegen voorzieningen de drager vormen van de ruimtelijke structuur van dat gebied.
Rondom het Veerse Meer zijn 10 aandachtsgebieden geduid (figuur 7): (1) Schotsman, (2) Kamperland, (3) Kortgene, (4) Recreatiezone Wolphaartsdijk, (5) Waterpark, (6) Oever nabij Scoutscentrum Zeeland, (7) Mijnenmagazijn, (8) Oranjeplein Veere, (9) Jachthaven Oostwatering en (10) Veerse Gatdam.
Voor de aandachtsgebieden Schotsman, Wolphaartsdijk en Waterpark geldt dat de nieuwe landschapsstructuur binnen de begrenzing van het aandachtsgebied in een verhouding van 70% natuur en landschap en 30% recreatieterrein wordt vormgegeven.
Onder 30% recreatieterrein wordt onder meer verstaan: footprint recreatieverblijven met berging, tuin en terras; parkeerplaatsen, centrumvoorzieningen, dienstgebouwen, wegen e.a. verharding en infrastructuur, standaard landschappelijke inpassing.
Onder 70% natuur en landschap wordt onder meer verstaan: water en groen. Het kan hoogwaardige natuur zijn maar ook groen of blauw dat collectief of openbaar te gebruiken is, zoals trapveldjes, picknickplaatsen, ligweides, bossages, strandjes, oevers, aanlegplaatsen en dergelijke. Buiten deze 70% vallen recreatieve buitenfuncties die tot de commerciële recreatie kunnen worden gerekend en logischerwijs geen onderdeel uitmaken van het openbaar toegankelijke landschap, zoals golfbanen, jachthavens, zwembaden en attractieparken.
Het Veerse Meer gebied kent veel verschillende typen van ondernemers (met invloed op de ruimtelijke kwaliteit). Denk aan recreatie- en horecaondernemers en ondernemers in de landbouw, visserij, aquacultuur, plezier- en beroepsvaart. Kwaliteit(verbetering) moet voor elke onderneming het uitgangspunt vormen. Gezien de hoge recreatieve druk en de slechte staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied geldt echter zowel voor verblijfs- als dagrecreatieve ontwikkelingen wel een specifieke context.
Waar het dagrecreatie betreft werken de partijen aan een versterking van de aantrekkelijkheid van het gebied voor bewoners en gasten. Mogelijkheden voor dagrecreatie vergroten en leveren een bijdrage aan de lokale economie en leefbaarheid. Ontwikkelingsmogelijkheden zijn er, mits de activiteiten aansluiten op het karakter van Zeeland en het Veerse Meer en qua aard en schaal passen bij de locatie en gericht zijn op een innovatief en hoogwaardig concept en een gedifferentieerd product in het gebied. Ook bij permanente (nieuwe) dagrecreatieve ontwikkelingen staat kwaliteitsverbetering – of toevoeging niet op zichzelf, maar is het (onderdeel van) een integrale gebiedsontwikkeling op basis van een gedragen streefbeeld binnen een aandachtsgebied [1].
Waar het verblijfsrecreatieve ontwikkelingen betreft, dienen deze zich te houden aan het gestelde in deze bijlage en in bijlage IV Deel I (ontwikkelkader) en II (aandachtsgebieden), voor ontwikkelingen buiten de kustzone.
In alle gevallen liggen er in de aandachtsgebieden kansen om de ruimtelijke kwaliteiten een impuls te geven als onderdeel van voorziene en gewenste ontwikkelingen.
De ruimtelijke kwaliteiten van een locatie zijn gebied specifiek en zullen bij ontwikkelingen uitgewerkt moeten worden. Algemeen geldt dat een belangrijke kwaliteitsimpuls gehaald wordt door versterking van natuur- en landschap (landschap produceren) en dat ontwikkelingen daaraan bijdragen. Uitzondering daarop zijn aandachtsgebied(sdelen) geconcentreerd rondom een jachthaven waar er nauwelijks ruimte is voor (extra) natuur en landschap. Daarvoor geldt dat kwaliteitsimpulsen worden bereikt door in ieder geval te investeren in de publieke ruimte en dat ontwikkelingen integraal onderdeel uitmaken van een (nieuw) kwaliteitsvol ruimtelijk geheel.
In alle gevallen gebeurt dat in samenhang met andere opgaven. Naast de thema’s natuur, landschap, publieke ruimte en (verblijfs)recreatie kan immers ook sprake zijn van opgaven voor waterveiligheid, energietransitie, (watergebonden) bedrijvigheid, woningbouw, leefbaarheid van kernen, aquacultuur en landbouw. Uitgangspunt in de aandachtsgebieden is dat er kansen liggen om deze ruimtelijke kwaliteiten integraal opnieuw te ontwikkelen. Gezien het Veerse Meer de centrale waarde vormt van het gebied, is er bijzondere aandacht voor de landschappelijke kwaliteit van de oevers en de overgang met het water.
De uitwerking en uitvoering van de kwaliteitsimpulsen in een aandachtsgebied gebeurt onder regie van de gemeente. Samen met de betrokken partijen wordt een gezamenlijk gedragen streefbeeld en gebiedsaanpak opgesteld. Naast ondernemers heeft ook de overheid een rol. Zij regisseert de totstandkoming van het streefbeeld samen met de overige partijen, begeleidt het proces daartoe en richt zich in de uitvoering op de kwaliteit van de publieke ruimte. Dergelijk streefbeeld bestaat uit een visie op het gebied en een ruimtelijke vertaling daarvan op kaart. Gewenste ontwikkelingen kunnen vanuit dit streefbeeld met een kleinschalige projectaanpak gerealiseerd worden.
In het streefbeeld voor de aandachtsgebieden wordt in ieder geval invulling gegeven aan de ontwikkeling van de landschapsstructuur (landschap produceren) dan wel aan de ontwikkeling van de openbare ruimte (indien gebied geconcentreerd rondom jachthaven). De regionale identiteit en de omvang en dichtheden van bebouwing passen bij de landschapsstructuur, volgens de betreffende gebiedstypologie en bouwsfeer. Het landschap dan wel openbare ruimte in het aandachtsgebied worden beheerd middels een integraal plan. Hiernaast wordt aansluiting gezocht met de omgeving o.m. door de verdere ontwikkeling van en aansluiting op het recreatieve routenetwerk en infrastructuur.
Het Veerse Meer gebied kent veel verschillende typen van ondernemers (met invloed op de ruimtelijke kwaliteit). Denk aan recreatie- en horecaondernemers en ondernemers in de landbouw, visserij, aquacultuur, plezier- en beroepsvaart. Kwaliteit(verbetering) moet voor elke onderneming het uitgangspunt vormen. Gezien de hoge recreatieve druk en de slechte staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied geldt echter zowel voor verblijfs- als dagrecreatieve ontwikkelingen wel een specifieke context.
Wat dagrecreatie betreft werken de partijen aan een versterking van de aantrekkelijkheid van het gebied voor bewoners en gasten. Mogelijkheden voor dagrecreatie vergroten en leveren een bijdrage aan de lokale economie en leefbaarheid. Ontwikkelingsmogelijkheden zijn er, mits de activiteiten aansluiten op het karakter van Zeeland en het Veerse Meer en qua aard en schaal passen bij de locatie en gericht zijn op een innovatief en hoogwaardig concept en een gedifferentieerd product in het gebied. Ook bij permanente (nieuwe) dagrecreatieve ontwikkelingen staat kwaliteitsverbetering – of toevoeging niet op zichzelf, maar is het (onderdeel van) een integrale gebiedsontwikkeling op basis van een gedragen streefbeeld binnen een aandachtsgebied [1].
Specifiek voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen geldt dat deze moeten voldoen aan het ontwikkelkader in onderdeel 5 van deze bijlage (B-D).
De ontwikkelruimte is bovendien geen 'vrije' ontwikkelingsruimte. In alle gevallen moet de verblijfsrecreatieve ontwikkeling in een aandachtsgebied bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten (herstructurering, verplaatsing, sanering) (elders) in het gebied of in het betreffende aandachtsgebied als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van een bestaande verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (herstructurering). De uitwerking van dit uitgangspunt is een zaak van partijen gezamenlijk en dient per aandachtsgebied ingevuld te worden.
Een verblijfsrecreatief knelpunt gaat over verblijfsrecreatieve eenheden van een bestaand bedrijf. In een aandachtgebied bevindt zich over het algemeen een (te) grote concentratie en druk van (verblijfs)recreatie, wat de draagkracht en ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied onder druk zet (qua natuur, infrastructuur en landschap), waardoor deze niet meer in balans is met de kwaliteit van het landschap, de natuur, en de leefomgeving. Verdere groei van verblijfsrecreatie kan leiden tot verlies van kernkwaliteiten zoals rust, openheid, natuurwaarde of leefbaarheid voor bewoners. Oplossing wordt gezien in het beperken van verdere druk door middel van sanering, verplaatsing dan wel herstructurering van verblijfsrecreatieve eenheden/ontwikkelingen, in balans met genoemde gebiedskwaliteiten.
Het oplossen van andersoortige knelpunten in het aandachtsgebied vormt geen aanleiding voor het toevoegen van extra verblijfseenheden.
Dit betekent dat de ontwikkeling van een nieuwe, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied, moet bijdragen aan het oplossen van verblijfsrecreatieve knelpunten in de vorm van verplaatsing dan wel sanering van verblijfseenheden/verblijfsrecreatief bedrijf in het aandachtsgebied zelf, als onderdeel van een gezamenlijk streefbeeld en gebiedsaanpak, of elders in de betreffende regio.
Bij de ontwikkeling van een bestaande, verblijfsrecreatieve voorziening in een aandachtsgebied (met toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden) vindt de oplossing van het verblijfsrecreatieve knelpunt plaats, middels herstructurering.
PPPP
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
I. Bewaak/verbeter de huidige waterkwaliteit
II. Behoud de huidige diversiteit aan gebruikers en gebruiksmogelijkheden van het water en waarborg de veiligheid
Ontwikkelingen ondersteunen/versterken de diversiteit aan gebruiksmogelijkheden en gebruikersgroepen.
III. Sta geen uitbreiding van aantal ligplaatsen in jachthavens toe
Hiervan kan - in aansluiting op artikel 18.2518.31 van deze verordening - worden afgeweken, mist een goede onderbouwing die naast economische motivatie ook aantoont dat er geen negatieve effecten op de natuurwaarden/vogelpopulaties zijn.
IV. Behoud en versterk openbaar toegankelijke voorzieningen t.b.v. (water)recreatie
Ontwikkelingen mogen de openbare toegankelijkheid van voorzieningen/faciliteiten t.b.v. (water)recreatie niet beperken, slechts behouden en versterken c.q. vergroten van de mogelijkheden.
QQQQ
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
RRRR
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Naar analogie van de Zeeuwse kustvisie wordt voor het Veerse meer en directe omgeving een aantal uitgangspunten geformuleerd voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals voor dag- en verblijfsrecreatie en wonen en werken. Voor een aantal van deze uitgangspunten zal gelden dat deze afwijken van de regelgeving zoals die door de provincie en betrokken gemeenten in de afgelopen jaren is gehanteerd. Dit maakt dat duidelijkheid moet worden geboden over de status van projecten en initiatieven die op basis van vigerend beleid (niet zijnde de nieuwe gebiedsvisie) in ontwikkeling of voorbereiding zijn.
In onderstaande tabel zijn alle op 1 augustus 2020 bekende projecten en initiatieven samengevat en geclassificeerd naar juridische status (zie bijbehorende legenda).
Het gaat hier om plannen en projecten die passen in een vastgesteld bestemmingsplan en om plannen en projecten die reeds vergund zijn (in Tabel licht- en donkergroen). Als zo’n project op de peildatum van 1 augustus 2020 nog niet in uitvoering is, worden tussen de initiatiefnemer en de verantwoordelijke overheid afspraken gemaakt over de momenten van starten en afronden.
Voor deze plannen of projecten geldt dat de betrokken overheid zich vóór 1 augustus 2020 op basis van vigerende beleidskaders aan het plan/project heeft gecommitteerd.
Dit commitment ligt vast in de vorm van:
een ontwerp bestemmingsplan;
een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan[2];
een (openbare) overeenkomst met de betreffende overheid; of
een raadsbesluit[3].
Betrokken partijen streven ernaar om, voor zover mogelijk, de projecten nader uit te werken overeenkomstig de uitgangspunten van de nieuwe gebiedsvisie Veerse Meer. Waar dit niet mogelijk blijkt, geldt het principe ‘agree to disagree’. Ook geldt dat een dergelijk plan of project (in tabel licht- en donkergeel) alleen dan onder het vigerende beleid tot uitvoering kan worden gebracht, als de gemeenteraad hiervoor uiterlijk op 1 augustus 2022 op basis van de vigerende beleidskaders een bestemmings- of omgevingsplan heeft vastgesteld of een omgevingsvergunning heeft verleend. In het geval dit vaststellingsbesluit door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vervolgens wordt vernietigd, waardoor de gemeenteraad pas na 1 augustus 2022 een vervangend of gewijzigd vaststellingsbesluit vaststelt, valt ook dat nieuwe vaststellingsbesluit onder het overgangsbeleid, maar alleen (in het geval van een bestemmingsplan of de aanvraag van een omgevingsvergunning) als het gebaseerd is op het oorspronkelijke (vóór 1 augustus 2020 vastgestelde) ontwerpbesluit.
Als een plan of project in deze categorie niet aan alle hierboven genoemde voorwaarden voldoet, zal het worden beoordeeld op basis van het op 1 augustus 2022 geldende beleid.
Voor de overige plannen en projecten geldt dat deze overeenkomstig de uitgangpunten en kaders van de nieuwe gebiedsvisie Veerse Meer worden gerealiseerd. (In tabel roze, rood en donkerrood). Dit geldt eveneens voor nieuwe plannen en projecten die nog niet in onderstaande tabel zijn opgenomen.
SSSS
Binnen bijlage V wordt sectie 1. verplaatst van sectie 1 naar bijlage V. Binnen bijlage V wordt het volgende opschrift op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Bijlage VIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Soorten als bedoeld in artikel 12.7 12.9 zijn:
aardmuis;
bastaardkikker/middelste groene kikker;
bosmuis;
bruine kikker;
dwergmuis;
dwergspitsmuis;
egel;
gewone bosspitsmuis;
gewone pad;
huisspitsmuis;
kleine watersalamander;
meerkikker;
ondergrondse woelmuis;
ree;
rosse woelmuis;
tweekleurige bosspitsmuis;
veldmuis;
vos; en
woelrat.
UUUU
Binnen bijlage IX wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Fenomeen: Strandwal
Waardering: Provinciaal niveau
Huidig gebruik: Landbouw, bewoning
Bescherming: Natuurgebied, Nb-wet, Nationaal Landschap, Provinciaal Belvedere gebied
Bodemsoort: Zeekleigronden
Vegetatie:
Landbouw: Bouwland
Ouderdom: Laat Subatlanticum
Toelichting fenomeen:
De oost-west oriëntatie van de strandwal op Walcheren is bijzonder. Daarnaast is de strandwal geselecteerd als Aardkundig waardevol gebied omdat de strandwal goed in het landschap waarneembaar is.
De strandwal van Walcheren is ongeveer 350 jaar na Chr. gevormd en bereikte zijn maximale omvang 1000 jaar na Chr. Zeeland was op dat moment een gebied met schorren en platen. Voor de kust werd een strandwal gevormd. Strandwallen zijn langgerekte zandbanken die evenwijdig aan de kust zijn opgeworpen in de branding. Het strandwalvormende proces speelt zich af in de strook langs de kust waarin de golfbewegingen tot aan de bodem reiken. In de nabijheid van de kust kan door golfwerking en zeestromingen zand uit de ondergrond worden losgemaakt en in de vorm van een strandwal worden afgezet.
Bijna langs de gehele Nederlandse kust zijn de strandwallen noord-zuid georiënteerd. Door de uitstroom van de toenmalige Schelde via de huidige Oosterschelde ontstond een stroming in westelijke richting. Hierdoor ontstond de oost-west oriëntatie van de strandwal van Walcheren.
De strandwal van Walcheren is niet meer actief en door landbouw vastgelegd. De wal is als rug nog goed zichtbaar in het landschap.
Toelichting bescherming:
13 % van het totale gebied is natuurgebied. Het gebied valt geheel in het Nationaal Landschap Walcheren. Een klein deel in het westen, slechts 2 %, valt onder de Nb-wet (Beschermd Natuurmonument en Natura 2000). Het gebied is 100% Provinciaal Belvedere gebied
Overig: -
VVVV
Bijlage XI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Bijlage XII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Bijlage XIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De kaart "regionale waterkeringen" is op deze plek vervallen i.v.m. GIO zie regionale waterkeringen.
Regionale waterkering Waterdunen
Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz
Gedetailleerde weergave van de gebieden op deze kaart is beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begrenzing:
De grens is getrokken langs onherroepelijke bestemmingen voor wonen, maatschappelijke functies, bedrijven, detailhandel en horeca, Grond met een agrarische bestemming horen er niet bij. behalve als het bijna geheel door stedelijke functies is ontsloten.
Beheer:
Beheer:
De term beheer is in deze verordening niet gedefinieerd, omdat het in verschillende delen van de verordening in verschillende betekenis wordt gebruikt. Bij wegen wordt onder beheer de zorg voor de instandhouding en bruikbaarheid van een weg verstaan. Dit omvat aanmerkelijk meer dan het voldoen aan de onderhoudsplicht als bedoeld in de Wegenwet. De diverse voorschriften in de verordening, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik daarvan, illustreren dat. Hierin is aanleiding gevonden om in de verordening, in navolging van de wegenverkeerswetgeving en in overeenstemming met het normale spraakgebruik, de term 'beheer' te hanteren. Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip beheer ontbreekt vooralsnog. Gekozen is daarom voor een omschrijving van "beheer" die goed aansluit bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Memorie van toelichting bij de Wet herverdeling wegenbeheer (29 oktober 1992, Stb. 563, 1992). De verordening verkrijgt daardoor een ruimer begrippenkader dan wat de Wegenwet thans kent. Bezwaarlijk is dat niet, omdat die wet zich immers beperkt tot de vaststelling van (een aantal) voorschriften omtrent openbare wegen, zonder onnodig ingrijpen in het bestaande wegenrecht, waarvan de kern van oudsher ligt in de verordeningen en reglementen van het Rijk, de provincies en lagere overheden.
Drijvende logiesaccommodaties:
Ligplaatsen in bestaande jachthavens worden in voorkomende gevallen getransformeerd naar ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf in de vorm van drijvende logiesaccommodaties. Artikel 18.31 biedt ruimte voor deze ontwikkeling, maar alleen tot een bepaalde omvang en onder bepaalde voorwaarden.
Goede landschappelijk inpassing:
Goede landschappelijk inpassing: wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie en de omvang van de ontwikkeling in relatie tot het omliggende gebied. De motivering bij een omgevingsplan dat van toepassing is op het landelijk gebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond, maakt middels een landschapsplan aannemelijk dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Realisatie en instandhouding van de goede landschappelijke inpassing worden geborgd in de regels.
Een goede landschappelijke inpassing bestaat in ieder geval uit een brede afschermende groengordel ten behoeve van biodiversiteit en landschap. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als uitgangspunt geldt voor een afschermende groengordel geldt een breedte van 10 meter. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten.
De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een landschapsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
- een beschrijving van de ontwikkeling;
- kenmerken van de locatie en visualisaties;
- een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding en beplanting, perceelsranden;
- een beheerplan;
- een beplantingslijst.
Kwaliteitscriteria:
Kwaliteitscriteria:
Een belangrijk begrip in afdeling 22.1 is ‘kwaliteitscriteria’. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in artikel 22.4 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van afdeling 22.1.
Loonwerkbedrijf:
Loonwerkbedrijf:
Alleen bedrijven die loonwerk in het landelijk gebied als hoofdactiviteit verrichten vallen onder de begripsbepaling. Bedrijven die dit type werkzaamheden als neventak verrichten vallen onder artikel 18.1, vijfdeelfde lid, onder h en bijlage III bij deze verordening.
Streekproducten: Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwartebessenjam en kaas.
Traditionele windmolens: Dit is een historische windmolen, anders dan moderne windturbine die vooral worden gebruikt voor energieopwekking. Het gaat om traditionele molens waarvan het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is. In sommige gevallen worden deze historische molens nog geregeld gebruikt (al dan niet bedrijfsmatig) voor het oorspronkelijke doel waarvoor de molen is opgericht, bijvoorbeeld het malen van graan.
Verjaagactie: Een verjaagactie is een actie ter bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen. Na een verjaagactie zullen de niet geschoten dieren weggaan. Wanneer opnieuw ganzen invallen begint een nieuwe verjaagactie.
Stedelijk gebied: De grenzen zijn bepaald op basis van de definitie van 'stedelijk gebied' uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de daarbij behorende jurisprudentie. Dese luidt: In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.
In de Geo viewer van de provincie Zeeland is de begrenzing van het stedelijk gebied in Zeeland opgenomen. Deze grenzen zijn relevant voor beleid over bijvoorbeeld wonen, werken en bedrijventerreinen.
Begrenzing
De grens is getrokken langs onherroepelijke bestemmingen voor wonen, maatschappelijke functies, bedrijven, detailhandel en horeca, Grond met een agrarische bestemming horen er niet bij. behalve als het bijna geheel door stedelijke functies is ontsloten.
Monofunctionele gebieden in het landelijk gebied
Monofunctionele gebieden in het landelijk gebied:
Gebieden in het landelijk gebied met maar één functie horen niet bij het stedelijk gebied. Het moet immers gaan om een stedenbouwkundig samenstel van verschillende functies. Dat geldt voor solitaire bedrijventerreinen of buurtschappen die alleen uit woningen bestaan. Alleen als er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies functioneert het als stedelijk gebied.
Ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf:
Recreatief nachtverblijf wordt gereguleerd door het al dan niet toelaten van ontwikkelingen die voorzien in deze vorm van overnachting. Onderscheidend kenmerk van de gebruiksvorm die met deze ontwikkelingen wordt toegelaten is dat het gebruik plaatsvindt door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Dat komt tot uitdrukking in de definitie. Er is gekozen voor een algemene definitie, die dekkend is voor de uiteenlopende te onderscheiden vormen van recreatief nachtverblijf.
Permanent (plaatsgebonden)kampeermiddel :
De definitie van permanent kampeermiddel is gebaseerd op de definitie van een bouwwerk. Een bouwwerk vindt naar zijn aard direct of indirect steun in of op de grond. Een ondersteunende voorziening wordt beschouwd als onderdeel van een permanent kampeermiddel, bedoeld ter fundering, bevestiging, aansluiting, koppeling dan wel ondersteuning anderszins, zoals een vlonder
Recreatieparken
Recreatieparken:
Recreatieparken met de bestemming verblijfsrecreatie worden niet genoemd als een van de stedelijke functies. Ze liggen vaak in het landelijk gebied, hebben vaak een veel lagere bebouwingsdichtheid en zijn gericht op tijdelijk verblijf. Op basis van jurisprudentie kan een recreatiepark toch deel uitmaken van het stedelijk gebied als:
Er sprake is van een duidelijke mate van menging met een substantieel percentage andere stedelijke functies mix is van wonen, detailhandel of horeca. Uiteraard gaat het hier om permanente gebouwen die permanent gebruikt kunnen worden; en
Voorzieningen met een andere functie dan recreatie, bijvoorbeeld sportfaciliteiten, zwembaden of entertainmentcentra voor een ieder en jaarrond toegankelijk zijn; en
Gebouwen van een park openbaar toegankelijk zijn.
Recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern kunnen, op basis van de mate en omvang van menging van stedelijke functies, eerder tot het stedelijk gebied gerekend worden dan solitair in het landelijk gebied gelegen recreatieparken. Of: Voor recreatieparken die ruimtelijk en functioneel aansluiten op een bestaande kern geldt dat zij bij een beperktere en minder omvangrijke mix van stedelijke functies, tot het stedelijk gebied kunnen worden gerekend; voor solitaire recreatieparken in het landelijk gebied is daarvoor juist een grotere mate van functiemenging nodig.
Stedelijk gebied:
De grenzen zijn bepaald op basis van de definitie van 'stedelijk gebied' uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de daarbij behorende jurisprudentie. Dese luidt: In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.
In de Geo viewer van de provincie Zeeland is de begrenzing van het stedelijk gebied in Zeeland opgenomen. Deze grenzen zijn relevant voor beleid over bijvoorbeeld wonen, werken en bedrijventerreinen.
Streekproducten:
Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld appels, aardappels, eieren, kreeft, zeekraal en mosselen, maar ook afgeleide producten als zwartebessenjam en kaas.
Traditionele windmolens:
Dit is een historische windmolen, anders dan moderne windturbine die vooral worden gebruikt voor energieopwekking. Het gaat om traditionele molens waarvan het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is. In sommige gevallen worden deze historische molens nog geregeld gebruikt (al dan niet bedrijfsmatig) voor het oorspronkelijke doel waarvoor de molen is opgericht, bijvoorbeeld het malen van graan.
Verjaagactie:
Een verjaagactie is een actie ter bestrijding van ganzen die op het schadeperceel aanwezig zijn of invallen. Na een verjaagactie zullen de niet geschoten dieren weggaan. Wanneer opnieuw ganzen invallen begint een nieuwe verjaagactie.
ZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In hoofdstuk 2 zijn alle regels over activiteiten van burgers en bedrijven opgenomen. De regels hebben de vorm van vergunningplichten, meldplichten, informatieplichten en algemene regels (soms met de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften). Op grond van artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen die zijn geregeld in dit hoofdstuk. Alleen bij een samengestelde aanvraag (voor meerdere activiteiten) kan een ander bestuursorgaan bevoegd gezag worden. Meestal is dat dan burgemeester en wethouders. Gedeputeerde staten hebben in dat geval een instemmingsrecht op de omgevingsvergunning.
Ook voor de algemene regels, meldingen en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk geldt dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn. Dat is geregeld in artikel 4.8 van de Omgevingswet.
[Red: Sectie 2.1 ongewijzigd verplaatst van sectie 2 naar sectie 2.1. ]
Binnen het stelsel van de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contracten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden.
Op een aantal plaatsen in dit hoofdstuk is, naast degene die de activiteit verricht, ook een andere (rechts)persoon als normadressaat aangewezen. Meestal gaat het dan om de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de activiteit plaatsvindt.
[Red: Sectie 2.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 2 naar sectie 2.1. ]
Dit artikel bevat de algemene indieningsvereisten voor meldingen op grond van dit hoofdstuk. Bij de afzonderlijke meldplichten in dit hoofdstuk zijn de specifieke indieningsvereisten per activiteit benoemd. De algemene aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen zijn niet geregeld in deze verordening; dit staat al in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling.
[Red: Sectie 2.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 2 naar sectie 2.1. ]
Dit artikel bevat de algemene gegevens die moeten worden aangeleverd bij het verstrekken van gegevens en bescheiden op grond van dit hoofdstuk. Bij de afzonderlijke informatieplichten in dit hoofdstuk zijn de specifiek aan te leveren gegevens per activiteit benoemd. De algemene aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunningen zijn niet geregeld in deze verordening; dit staat al in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling.
[Red: Sectie 2.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 2 naar sectie 2.1. ]
Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel van artikel 7.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In 2024 is het rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ (VGO-III) opgeleverd. Vervolgens heeft de Gezondheidsraad (GR, onafhankelijk wetenschappelijke adviesorgaan voor regering en parlement) in 2025 in twee delen advies uitgebracht over de gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking van gezondheidsrisico’s.
In het eerste deeladvies concludeerde de GR dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. In het tweede deeladvies kwam de GR tot de conclusie dat het risico op longontsteking is verhoogd voor omwonenden binnen 500 meter (73%) en 1 kilometer (19%) van een geitenhouderij. Daarom adviseerde de GR een afstandsnorm in te voeren voor nieuwvestiging van geitenbedrijven, woningen en andere gevoelige bestemmingen. Op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is door de VGO-onderzoekers begin 2026 aanvullend het risico op longontsteking tussen 500 meter en 1 kilometer onderzocht. Dit bleek met 14% verhoogd en niet meer statistisch significant.
In reactie op dit advies werkt het kabinet een afstandsnorm uit. Dit is een maatregel met veel impact. Conform de Omgevingswet moet gezocht worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. Vandaar dat in 2026 in afstemming met mede-overheden door het Rijk een brede impactanalyse wordt uitgevoerd om duidelijkheid te krijgen en zo tot een zorgvuldige weging te komen wat een proportionele en goed onderbouwde aanpak is, waarin specifiek aandacht is voor het belang van de woningbouwopgave.
Daarnaast heeft de GR het Rijk geadviseerd om bij bestaande bedrijven in te zetten op reductie van emissies van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen. Er ontbreekt echter nog inzicht in de effectiviteit van de maatregelen op emissiereductie en op het gezondheidsrisico. Onderzoek daarnaar is in gang gezet en heeft een doorlooptijd van minimaal 2–3 jaar, mogelijk langer.
Om te meten of de combinatie van uiteindelijk in te voeren maatregelen effect heeft op het terugdringen van het risico voor omwonenden, zullen emissies en gezondheidseffecten gemonitord worden. Bij ruimtelijke maatregelen uit voorzorg, zoals een afstandsnorm, is het gebruikelijk om uit te gaan van tijdelijkheid en deze periodiek te evalueren en opnieuw te beoordelen op proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak. Tot die tijd is de afstandsnorm aangewezen.
Het Rijk heeft aangekondigd voor de zomer van 2026 met een pakket aan maatregelen te komen, waaronder afstandsnormen. Na besluitvorming vormt volgt een proceduretermijn om regels in wetgeving te verankeren. De voorlopige verwachting is dat landelijke afstandsnormen in 2028 ingevoerd zullen zijn. Mogelijk wordt door het Rijk een voorbereidingsbesluit genomen als tijdelijke juridische maatregel om ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen rond geitenhouderijen te voorkomen. Een dergelijk voorbereidingsbesluit wordt op z’n vroegst in de loop van 2027 verwacht. Tot een landelijk voorbereidingsbesluit of invoering van een landelijke afstandsnorm hebben Provinciale Staten van Zeeland besloten om tijdelijk een beperkende Zeeuwse regeling voor geitenhouderijen in relatie tot wonen en andere gevoelige functies in te voeren.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan tijdelijke beperkende maatregelen rond geitenhouderijen in relatie tot wonen en andere gevoelige functies. De regels werken twee kanten op en nemen de vergunde situatie als uitgangspunt. In de VGO-onderzoeken die hebben geleid tot het advies om afstandsnormen in te stellen, zijn geitenhouderijen meegenomen vanaf een omvang van meer dan 50 geiten. Dit om geitenhouderij af te bakenen tegenover hobbymatige houderij. De regeling in deze omgevingsverordening sluit hierbij aan. In het landelijk gebied van Zeeland zijn acht geitenhouderijen gevestigd met een omvang van meer dan 50 geiten.
In het artikel is opgenomen wat hier onder ‘gevoelige functies’ wordt verstaan. Deze opsomming is gebaseerd op veelgebruikte functies in gemeentelijke ruimtelijke plannen en gericht op functies waarbij sprake is van grote aantallen aanwezige personen, langdurig aanwezige personen of extra kwetsbare personen. Omdat de keuze is gemaakt voor een proportionele beperkende regeling, wordt voor de woonfunctie gewerkt met een ondergrens van vijf woningen. Zonder ondergrens zou in de praktijk sprake zijn van een algeheel verbod op geitenhouderijen, omdat er bij vrijwel ieder agrarisch bedrijf binnen 500 meter een woning is. Onder maatschappelijke functies vallen onder andere zorginstellingen en verpleeg- of verzorgingshuizen, ziekenhuizen, scholen, kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Zomerhuizenterreinen en kampeerterreinen vallen onder recreatie.
Bij het bepalen van de afstand moet worden gerekend vanaf de gevel van de geitenstal(len) of, in het geval waarin sprake is van in het omgevingsplan aangeduide bouwvlakken, vanaf de grens van het bouwvlak waarop geitenstallen zijn toegelaten. Bij gevoelige functies moet, voor het bepalen van de afstand, worden gerekend tot of vanaf de perceelgrens en niet vanaf de gevel van de gevoelige functie (de gronden met de functie erf of tuin behoren tot de gevoelige functie als bedoeld in dit artikel). Reden hiervoor is dat bijvoorbeeld in tuinen en op sportvelden, schoolpleinen en horecaterrassen gedurende langere tijd grote aantallen personen aanwezig kunnen zijn die gezondheidseffecten kunnen ondervinden van geitenhouderijen. Een andere overweging is nog dat op erven en in tuinen veelal (vergunningsvrij) aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn toegelaten.
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels over provinciale infrastructuur geven invulling aan provinciale taken uit de Omgevingswet. Op grond van artikel 2.18 lid 1, sub e, onder 3 van de Omgevingswet berust bij het provinciebestuur de taak van het behoeden van de staat en werking van wegen in beheer bij de provincie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur.
De provincie heeft een direct provinciaal belang om te bepalen wat wel en niet toelaatbaar is op en direct rond de provinciale wegen. Er zijn daarom regels gesteld in het belang van de veiligheid en de bruikbaarheid van de weg, de belangen van verruiming van de weg en instandhouding van de weg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
In deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van een aantal verschillende beperkingengebieden:
Het beperkingengebied ‘beheer provinciale wegen’ is het beheergebied zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘beheer provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’ is de zone van 40 meter vanaf de kant rand van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘vrijwaringszone provinciale wegen’ is het gebied tot 10 meter vanaf de kant rand van de verharding, met inbegrip van de verharding, van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘vrijwaringszone provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ zijn de locaties waarop middelen die gebruikt worden voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet zijn toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’, is het gebied waarin middelen die gebruikt worden voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet niet zijn toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’, omvat de stroken (een zone van 5 meter vanaf de kant van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijden van de provinciale weg) ten behoeve van het vrije uitzicht voor het (op)rijzicht, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten op provinciale wegen buiten de bebouwde kom, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied ‘toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ zijn de buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 1,80 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan gelegen toegangsdammen bij wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km/u, waarop het voor korte tijd deponeren of hebben van land- en tuinbouwproducten is toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ in bijlage II bij deze verordening.
Het beperkingengebied verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten is het gebied waar het voor korte tijd deponeren of hebben van land- en tuinbouwproducten niet is toegestaan, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject ‘verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’ in bijlage II bij deze verordening.
De beperkingengebieden ‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’, ‘vrijwaringszone provinciale wegen’, ‘uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom’, kunnen (deels) buiten het beheergebied provinciale wegen zijn gelegen. Dit kan op grond van Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. De provincie wil daar regels kunnen stellen, omdat activiteiten in dat gebied van invloed zijn op de leefomgeving. Voor een goede staat en werking van de weg zijn regels noodzakelijk.
[Red: Sectie 3.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Deze regels zijn bedoeld om te zorgen dat er geen schade ontstaat aan de provinciale weg en dat deze veilig en doelmatig kan worden gebruikt. Daarbij hoort ook het belang van onderhoud van de provinciale weg. Het eerste lid van deze regels is gelijk aan wat er bepaald is voor rijkswegen, zoals geregeld in artikel 8.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
In het tweede lid is een ruimere reikwijdte van de bepalingen opgenomen. In het eerste lid staan alleen de mobiliteitsbelangen. Op grond van het tweede lid kan ook rekening worden gehouden met belangen als landschap, natuur en cultuurhistorie. Een voorbeeld: Kabels en leidingen kunnen niet zomaar overal in de bermen liggen. Er moet rekening gehouden worden met archeologische waarden en met bomen die van cultuurhistorische waarde zijn. Soms worden kabels en leidingen verlegd om een doorgang voor dieren (faunapassage) te realiseren over, door of onder een barrière (bijvoorbeeld onder de weg door, of langs een viaduct). Dan gaat het om het belang van landschappelijke en natuurwaarden waar rekening mee moet worden gehouden. Infrastructuur wordt ook aangelegd vanuit de belangen van recreatie en toerisme, denk aan fietspaden.
[Red: Sectie 3.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
De specifieke zorgplicht geldt voor activiteiten waarvoor een vergunning nodig is en voor activiteiten die onder algemene regels vallen. De zorgplicht is een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van de provinciale weg, om te zorgen dat de belangen waar het oogmerk van artikel 3.2 op ziet worden gewaarborgd. De zorgplicht is bedoeld als vangnet voor de handhaving. Het is een algemene regel, maar met een zeer algemene strekking. De algemene regels, vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften in of op grond van deze paragraaf, zijn een verdere uitwerking van deze zorgplicht. Bij een overtreding van een zorgplichtbepaling kan er direct worden gehandhaafd als sprake is van een overduidelijke overtreding. In de andere gevallen dient er eerst een maatwerkvoorschrift gesteld te worden voordat tot handhaving kan worden overgegaan. De grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften is in artikel 3.4 opgenomen.
In het tweede lid is de specifieke zorgplicht concreter gemaakt voor een aantal activiteiten die onwenselijk zijn in het beperkingengebied met betrekking tot provinciale wegen. Door deze activiteiten specifiek te benoemen, is handhaving makkelijker. Het eerst stellen van een maatwerkvoorschrift is dan vaak niet nodig. Voor beplanting is een specifieke zorgplicht opgenomen in onderdeel j. In dat onderdeel wordt zowel de boven grondse als ondergrondse conditie van beplanting verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het omhoog drukken van de weg door boomwortels.
Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid. Hierin staat dat het verplicht is om maatregelen te nemen om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Ongewone voorvallen bij activiteiten/werkzaamheden in het beperkingengebied op of rond een provinciale weg, kunnen gevaarlijk zijn voor de staat en werking van die weg. Van iedereen mag dan ook worden verwacht dat zij de nodige maatregelen nemen om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.
In het tweede lid, onder f, is het deponeren van land- en tuinbouwproducten geregeld. Het komt regelmatig voor dat gebruikers van langs de weg bevindende percelen land- en tuinbouwproducten (tijdelijk) willen deponeren op toegangsdammen. Dit kan leiden tot verkeersonveilige situaties, omdat het uitzicht wordt belemmerd. Daarnaast vormen de land- en tuinbouwproducten een obstakel waardoor de weggebruiker bij een eventueel ongeval ernstigere schade kan lijden (zowel fysiek als materieel). Op grond van het tweede lid onder a en e is het deponeren van land- en tuinbouwproducten in strijd met de specifieke zorgplicht op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km of meer. Het verkeersveiligheidsrisico wordt voor die wegen te groot geacht. Voor wegen waar een lager snelheidsregime geldt, is het verkeersveiligheidsrisico mede door de lagere snelheid minder groot. Deze wegen zijn als werkingsgebied vastgelegd in het beperkingengebied ‘toegangsdam buitende berm voor landbouw- en tuinbouwproducten’. De weggebruiker zal op dit soortwegen doorgaans rekening houden met activiteiten op of langs de wegen.
Het tweede lid, onder l, is opgenomen zodat het onderhoud van bermsloten met machines vanaf de landzijde niet belemmerd wordt, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren.
[Red: Sectie 3.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Dit artikel bevat de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht, of over de artikelen over beplanting en middelen voor de vrijheid van meningsuiting. Kan over een bepaald onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een activiteit worden verbonden? Dan kan er geen maatwerkvoorschrift worden gesteld. Voorschriften die bedoeld zijn als invulling van de specifieke zorgplicht bij activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, staan dus altijd in de vergunning en niet in een zelfstandig maatwerkvoorschrift.
[Red: Sectie 3.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
In het algemeen wordt ernaar gestreefd om het gebruik van naast de weg gelegen particuliere eigendommen tot een minimum te beperken, echter zonder onverantwoord inbreuk te doen aan de verkeersveiligheid. Het is van belang dat de weggebruiker ter hoogte van kruisingen, aansluiting van wegen, maar ook ter hoogte van uitwegen en bochten voldoende uitzicht heeft. Het gaat bij kruisingen van wegen en uitwegen vooral om het oprijzicht en in geval van bochten om het zicht op tegemoetkomend verkeer.
[Red: Sectie 3.7 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Op grond van het eerste en tweede lid van dit artikel moet gezorgd worden dat overhangende beplanting of beplanting naast de weg geen hinder of gevaar voor het verkeer kunnen veroorzaken. Deze verplichting geldt ook voor de rechthebbende op de beplanting, op grond van het laatste lid. Voor het aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting in het beperkingengebied beheer provinciale wegen is een voorafgaande vergunning vereist.
[Red: Sectie 3.8 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Voor het afdammen, dempen of het wijzigen van de afvoercapaciteit van bermsloten en het maaien van bermsloten is een vergunning nodig. Bermsloten zijn belangrijk voor de staat en werking van wegen. Het wordt ook steeds belangrijker dat het water op de weg voldoende snel kan worden afgevoerd. Door klimaatverandering kunnen buien steeds zwaarder worden.
[Red: Sectie 3.9 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Uitwegen (uitritten) op provinciale wegen zijn vanwege de uitwisseling van verkeer potentiële conflictpunten en al snel verkeersonveilig door de grote snelheidsverschillen. Teveel uitwegen op een provinciale weg zijn niet goed voor de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid. Ook de doorstroming komt bij veel uitwegen onder druk te staan. Nieuwe uitwegen worden dan ook tot een minimum beperkt. Voor het veranderen en intensiveren van het gebruik van uitwegen is om diezelfde reden een vergunning nodig. Het kan namelijk een verslechtering betekenen van de verkeersveiligheid en de doorstroming. Ook moet de inrichting van de uitweg worden aangepast aan het gebruik, bijvoorbeeld bij bedrijfsmatig gebruik. Dan moet de uitweg ruimer worden gemaakt, om zo veilig mogelijk gebruik te kunnen maken van de uitweg.
[Red: Sectie 3.10 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Voor het hebben, leggen of wijzigen van duikers, goten, kabels, leidingen, afrasteringen of vergelijkbare werken in het beperkingengebied beheer provinciale wegen en in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen is een vergunning nodig. Deze activiteiten kunnen namelijk de staat en werking van de provinciale weg aantasten. Het reguleren van deze activiteiten is maatwerk. Een omgevingsvergunning is daarvoor het juiste instrument.
[Red: Sectie 3.11 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Masten, palen, borden en dergelijke kunnen een gevaar vormen voor het gebruik van de weg. Voor het plaatsen en behouden hiervan is daarom een omgevingsvergunning vereist. De vergunningplicht geldt niet voor borden en andere middelen die gebruikt worden voor de vrijheid van meningsuiting. Voor die borden en andere middelen is een specifieke regeling getroffen in de navolgende drie artikelen.
[Red: Sectie 3.12 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Op grond van artikel 7 van de Grondwet moeten, ook op de weg, zaken worden toegestaan die als middel dienen om gedachten of gevoelens te openbaren, mits ze niet zijn aan te merken als handelsreclame en verder behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De overheid kan het op die wijze openbaar maken van gedachten of gevoelens wel aan beperkingen onderwerpen ter beveiliging van het openbaar verkeer. In dit artikel is een verbod op het plaatsen van middelen voor de vrijheid van meningsuiting opgenomen voor het beperkingengebied ‘verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’. Dit beperkingengebied omvat de locaties waar het plaatsen van deze middelen uit veiligheidsoverwegingen onaanvaardbaar is.
[Red: Sectie 3.13 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
In het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provincialewegen’ is het plaatsen van middelen voor het uiten van gedachten en gevoelens toelaatbaar, mits er vooraf een melding wordt gedaan. De melding wordt gebruikt om te toetsen of het doelmatige en veilige gebruik van de weg niet in het geding komt. Als dat wel zo is, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen op grond van artikel 3.4.
[Red: Sectie 3.14 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Voor het plaatsen van borden en andere middelen voor het uiten van gedachten en gevoelens in het beperkingengebied ‘objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen’ zijn enkele algemene regels gesteld. Deze algemene regels beperken de omvang van de aan te brengen middelen en de duur waarvoor ze worden geplaatst. Met deze regels is een balans gezocht tussen het belang van de vrijheid van meningsuiting en het belang van het veilige gebruik van de provinciale weg.
[Red: Sectie 3.15 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Voor het bouwen geldt een vergunningplicht in het beperkingengebied‘vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen’. Dit is een ruimer gebied dan het beperkingengebied beheer provinciale wegen, namelijk de zone van 40 meter vanaf de kant van de verharding van de hoofdrijbaan aan weerszijde van de provinciale weg. De reden hiervoor is dat bouwwerken het zicht en de veiligheid sterker beïnvloeden dan andere werken.
[Red: Sectie 3.16 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Wanneer een verkeersdeelnemer is verongelukt, ontstaat bij betrokkenen soms de wens om de plek waar hun dierbare een ongeval heeft gehad te gedenken met b.v. bloemen. Een volgende stap kan zijn dat de betrokkenen de wens hebben voor het plaatsen van een gedenkteken op de locatie van het ongeval. Dit kan helpen bij de rouwverwerking.
Aan het plaatsen van gedenktekens worden wel randvoorwaarden verbonden. Een gedenkteken mag alleen daar geplaatst en bezocht worden waar het de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt. Dit gevaar kan veroorzaakt worden doordat het gedenkteken voorbijgangers afleidt van hun rijtaak, doordat er obstakels in de berm staan of doordat er voertuigen stoppen bij het gedenkteken voor bezoek of onderhoud.
[Red: Sectie 3.17 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
Voor het innemen van een standplaats of verkooppunt is een vergunning vereist, zodat door het plaatsen van een standplaats of verkooppunt geen onveilige verkeerssituatie wordt veroorzaakt.
[Red: Sectie 3.18 ongewijzigd verplaatst van sectie 3 naar sectie 3.1.1. ]
In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen voor andere werken en vaste stoffen of voorwerpen, die nog niet in deze paragraaf zijn geregeld. Dit is bedoeld als vangnet voor onvoorziene activiteiten.
BBBBB
Voor sectie 4.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De provincie heeft een direct provinciaal belang om te bepalen wat wel en niet toelaatbaar is op en direct rond de provinciale vaarwegen. Het doel van deze regels is de provinciale vaarweg te beschermen en het verzekeren van een veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg, overeenkomst de verkeersfunctie van die vaarweg.
Op grond van artikel 2.18 van de Omgevingswet wordt bij provinciale verordening het beheer van regionale wateren toegedeeld aan waterschappen. De provincie kan echter ook een deel van dat beheer aan zichzelf houden of aan gemeenten of andere openbare lichamen opdragen. Het gaat hier om de zorg voor het vaarwegbeheer van de provinciale vaarwegen, dat beheer behoudt de provincie aan zichzelf.
CCCCC
Voor sectie 4.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Deze afdeling bevat de bepalingen die van toepassing zijn op de bij de provincie in beheer zijnde vaarwegen en de daarbij horende kunstwerken zoals, bruggen, tunnels en aquaducten. De provincie heeft een verantwoordelijkheid voor provinciale vaarwegen, het bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving en moet zorgdragen voor instandhouding van de provinciale infrastructuur.
Regels zijn opgenomen over het onderhoud en het beheer van vaarwegen. De regels zijn gericht op vaarweggebruikers.
In deze afdeling wordt gebruik gemaakt van een aantal verschillende beperkingengebieden:
Het beperkingengebied 'beheer provinciale vaarwegen' is het beheergebied Kanaal door Walcheren met een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne, van het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug en de bijbehorende (voor)havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject 'beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen' is het gebied tot 10 meter vanaf de oeverlijn aan weerszijde van de provinciale vaarweg, zoals opgenomen in het geometrische informatieobject 'vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen A' is het gebied van Kanaal door Walcheren tussen Veere en het Zijkanaal naar Arnemuiden dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen A' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen B' is het gebied van Zijkanaal naar Arnemuiden tussen de Arnebrug en een denkbeeldige grens op vijfentachtig meter na de Arnespoorburg dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen B' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen C' is het gebied van Kanaal door Walcheren tussen het zijkanaal naar Arnemuiden en de Binnenkeersluis te Vlissingen met in begrip van het verbrede deel van het Zijkanaal naar Arnemuiden en de Binnenkeersluis dat is opgenomen in het geometrisch informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen C' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaarafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen D' is het gebied van de grote schutsluis te Vlissingen en het verbreed kanaal tussen de schutsluis en de 1e Binnenhaven dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang provinciale vaarwegen D' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen E' is het gebied van in de schutsluis dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen E' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen F' is het gebied van het verbreed kanaal te Vlissingen tussen de 1e Binnenhaven en de Binnenkeersluis dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen F' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'ankerverbod provinciale vaarwegen' is het gebied waarin ankeren niet is toegestaan en dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'ankerverbod provinciale vaarwegen' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'ankerplaatsen provinciale vaarwegen' is het gebied waarin ankeren is toegestaan en dat is opgenomen in het geometrische informatieobject 'ankerplaatsen provinciale vaarwegen' in bijlage II van deze verordening.
Het beperkingengebied 'vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen' kan (deels) buiten het beheergebied provinciale wegen zijn gelegen. Dit kan op grond van Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. De provincie wil daar regels kunnen stellen, omdat activiteiten in dat gebied van invloed zijn op de leefomgeving, i.c. de provinciale vaarweg. Voor een goede staat en werking van de vaarweg zijn regels noodzakelijk.
DDDDD
Voor sectie 5.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Uit artikel 2.18 lid 1 van de Omgevingswet volgt dat de provincie onder meer als taak heeft het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.
Voor het grondwater ten behoeve van de drinkwaterwinning zijn in Zeeland drie gebieden van belang, te weten de duingebieden Haamstede en Oranjezon, en een gebied nabij Sint Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen. In Zeeland mag het waterleidingbedrijf Evides drinkwater winnen. Dit bedrijf onttrekt grondwater en oppervlaktewater en maakt daar drinkwater van. Om vervuiling van grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te voorkomen, beschermt de provincie de bodem waaruit het grondwater gewonnen wordt.
De in de omgevingsverordening aangewezen grondwaterbeschermingsgebieden omvatten waterwingebieden en de daaromheen gelegen grondwaterbeschermingszones. Voor deze te onderscheiden deelgebieden kunnen verschillende regels zijn gesteld.
Voor de regels in afdeling 5.1 is aansluiting gezocht bij de omgevingsverordening van Zuid-Holland. Waar de regels van Zuid-Holland soepeler zijn dan de oude regels van de omgevingsverordening Zeeland ui 2018, zijn de strengere regels van Zeeland behouden. Op deze manier zijn de regels in hoofdlijnen beleidsneutraal omgezet, terwijl toch een moderniseringsslag van de deels verouderde regels is doorgevoerd.
De provincie Zeeland kiest er - net als de meeste andere provincies - voor om rechtstreeks werkende regels over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden te stellen in de omgevingsverordening. Vanwege de systematiek van de Omgevingswet voor de toedeling van het bevoegd gezag, betekent dit dat de provincie voortaan bevoegd is voor vergunningverlening, voor toezicht en handhaving van de algemene regels in de omgevingsverordening. Hiermee treedt een verschuiving op in de bevoegdheden, in vergelijking met de situatie onder de (voormalige) Wet milieubeheer. In de oude situatie was de gemeente bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving voor activiteiten binnen (de meeste) Wm-inrichtingen. In het nieuwe stelsel ligt de bevoegdheid bij de provincie. Op basis van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet blijven voor de inwerkingtreding van die wet verleende vergunning van kracht. Voor activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden die niet zijn gereguleerd in de omgevingsverordening, maar in het Besluit activiteiten leefomgeving, is in de meeste gevallen de gemeente het bevoegd gezag.
EEEEE
Voor sectie 5.11 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In principe is elke ingreep in of aan de bodem die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kan aantasten in een grondwaterbeschermingsgebied gereguleerd. De regeling heeft betrekking op een ingreep die de slecht-doorlatende eigenschappen (permeabiliteit) van de bodemlaag aantast of kan aantasten. Van een aantasting is sprake wanneer de doorlatendheid na de ingreep groter is dan voor de ingreep.
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder het woord ‘stoffen’ in de zin van de regeling voor schadelijke stoffendit artikel wordt verstaan een veelheid aan materiele verschijningsvormen, zoals stoffen in chemische zin (chemische elementen en hun verbindingen), mengsels van deze stoffen (ook wel preparaten genoemd), producten (verhandelbare artefacten), voorwerpen (instrumenten voor gebruik) en andere materialen. SchadelijkSchadelijke stoffen in de zin van deze omgevingsverordeningdit artikel zijn stoffen welke direct of na chemische omzetting nadelig zijn of kunnen zijn voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
Over wat het verbod in artikel 5.19van de verordening (schadelijke stoffen) betekent voor de (on)toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in de grondwaterbeschermingsgebieden in Zeeland wordt het volgende opgemerkt. Het Rijk heeft in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden generieke regels opgenomen over de toelating en beoordeling door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb). Uit deze wet volgt welke gewasbeschermingsmiddelen die prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten als bedoeld in artikel 16, derde lid, van EU richtlijn 2000/60/EG in grondwaterbeschermingsgebieden zijn verboden (artikel 27a Besluit gewasbeschermingsmiddelen). Verder bepaalt deze wet welke middelen door het Ctgb niet mogen worden toegelaten als deze bij gebruik in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal volgens rijksregels toelaatbare concentraties werkzame stoffen overschrijden (art. 8e Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en gelden gebruiksvoorschriften en regels voor etikettering.
Op basis van de Omgevingswet wijzen Provincies de grondwaterbeschermingsgebieden die van belang zijn voor de drinkwatervoorziening aan in de omgevingsverordening. Deze gebieden omvatten de waterwingebieden (waarbinnen de winningsputten van het drinkwaterbedrijf liggen) en een daaromheen gelegen zone. In Zeeland is locatie Haamstede de voornaamste operationele locatie voor de drinkwatervoorziening. Locatie Sint Jansteen heeft een calamiteitenstatus, is vooral operationeel voor industriewater en kan ingezet worden voor de drinkwatervoorziening in Zeeuws-Vlaanderen. Locatie Oranjezon is een reservegebied waar de winning door het drinkwaterbedrijf in ca. 1995 is beëindigd. Feitelijk zijn er binnen de waterwingebieden en omliggende zone van de locaties Haamstede en Oranjezon, evenals binnen het waterwingebied Sint Jansteen, geen landbouwpercelen op enkele (grasland)percelen na. De zone langs het waterwingebied Sint Jansteen is in gebruik als agrarisch gebied. Daarbij is niet significant sprake van teelten als sier-, lelie-, of bomenteelt.
Op basis van de Drinkwaterwet moet het drinkwaterbedrijf voldoen aan kwaliteitseisen voor (de productie van) drinkwater en onttrokken grondwater zuiveren. In de omgevingsverordening nemen Provincies regels op om de grondwaterbeschermingsgebieden (waterwingebieden resp. omliggende zone) te beschermen tegen schadelijke activiteiten. Artikel 5.19van de omgevingsverordening schrijft geen verdergaande verboden voor dan welke volgen uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De Provincie heeft de bevoegdheid en afwegingsruimte om, in afstemming met het drinkwaterbedrijf, aanvullende verboden of gebruiksbeperkingen voor te schrijven (als de wettelijke verboden ontoereikend worden geacht). Artikel 2.59 kan voor wijziging in aanmerking komen wanneer daarvoor op basis van gebiedspecifieke omstandigheden, monitoringsgegevens en signalen van het drinkwaterbedrijf zwaarwegende redenen bestaan. Beleidsmatig is het niet gewenst dat probleemstoffen door uitspoeling via de bodem in het opgepompte grondwater bij onttrekkingsputten (in waterwingebieden) terecht komen. Overigens was er in de omgevingsverordening die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet als onderdeel van het artikel over schadelijke stoffen in grondwaterbeschermingsgebieden geregeld dat in de waterwingebieden (alle) gewasbeschermingsmiddelen zijn verboden. Met huidig artikel 2.59 is geen wijziging van het beleid beoogd.
Verder worden in het kader van het drinkwaterbeleid per winningsgebied ontwikkelingen en risico's gevolgd aan de hand van Gebiedsdossiers waarvoor de Provincie regiehouder is. Dit kan waar nodig ook een kader bieden om gebiedsgericht met partijen aanvullende afspraken te maken over concrete maatregelen. Kennis delen, samen zoeken naar oplossingen en van elkaar leren vormen hierbij belangrijke pijlers. Voor eventuele aanscherping van landelijke verboden en de toelatingscriteria in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is de wetgever het bevoegd gezag.
Artikel 2.18 van de Omgevingswet (provinciale taken voor de fysieke leefomgeving) bepaalt dat Provincies als taak hebben het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.
De Drinkwaterrichtlijn (98/83/EG) en de Algemene levensmiddelenverordening (2002/178/EG) bepalen wat verstaan wordt onder water voor menselijke consumptie.
In artikel 5.19 van de omgevingsverordening zijn beschermingsregels opgenomen met betrekking tot schadelijke stoffen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn als zodanig aangemerkt. Deze regels gelden in aanvulling op generieke regels die volgen uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Voor de definitie van gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt verwezen naar bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op basis van deze omgevingsverordening zijn in Zeeland drie grondwaterbeschermingsgebieden aangewezen, die bestaan uit waterwingebieden en daaraan grenzende grondwaterbeschermingszones . Het betreft de locaties Haamstede, Sint Jansteen en Oranjezon. De beschermingsregels in de omgevingsverordening gaan uit van een risicobenadering, waarbij voor waterwingebieden en de aangrenzende zones een afweging is gemaakt of regels nodig zijn.
Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van het grondwaterbeschermingsgebied waar het drinkwater daadwerkelijk door het drinkwaterbedrijf wordt gewonnen. In dit gebied geldt het verbod in het eerste lid van artikel 5.19.
In de beschermingszone rondom het waterwingebied is eveneens bescherming nodig tegen schadelijke stoffen die een (potentieel) risico vormen voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater. In deze zone geldt geen absoluut verbod, maar een vergunningplicht voor het gebruik of aanwezig hebben van schadelijke stoffen. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 5.19.
In het derde lid zijn een aantal specifieke activiteiten aangewezen die niet onder de werking van het eerste en tweede lid vallen, waarvan niet ongebruikelijk is dat deze worden uitgezonderd.
De Provincie volgt ontwikkelingen en risico’s in grondwaterbeschermingsgebieden via een proces van gebiedsdossiers. Aan de hand van monitoring van de kwaliteit van het grondwater en drinkwaterwinning wordt geëvalueerd of aanleiding kan bestaan voor aanpassing van beschermingsregels of het treffen van andere maatregelen.
Voor eventuele aanscherping van landelijke verboden en de toelatingscriteria in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is de wetgever het bevoegd gezag.
GGGGG
Na sectie 5.4 worden twee secties ingevoegd, luidende:
Onder meststoffen worden allereerste dierlijke meststoffen verstaan. Dierlijke meststoffen zijn afkomstig van dierlijke uitwerpselen. Daarnaast vallen onder meststoffen producten ter voeding van planten of ter verbetering van de voedingseigenschappen van de grond of een ander groeimedium dan wel producten ter verbetering van de groei van planten. Daaronder zijn ook andere stoffen begrepen dan afkomstig van dierlijke uitwerpselen. Te denken valt aan zuiveringsslib en compost.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kerncomponenten van een sterk stiltebeleid:
- Bescherming: Het aanwijzen van stiltegebieden (herkenbaar aan blauwe borden) en het juridisch vastleggen van beperkingen op lawaai.
- Preventie: Het weren van gemotoriseerd verkeer (off-road), toertochten, en andere storende activiteiten buiten de openbare weg.
- Gezondheidsaspect: Het bieden van een tegenwicht aan verstedelijking, wat stress vermindert en herstel mogelijk maakt.
- Soundscape-benadering: Het accent ligt niet op 'geen geluid', maar op het bevorderen van natuurlijke geluiden (wind, vogels) boven mechanische geluiden
- Handhaving: Actief monitoren en handhaven van de geluidsnormen, vaak gestuurd door provinciale milieuplannen.
Het aanwijzen van stiltegebieden is een bestaande (functionele) taak van de provincie. De provincie stelt regels om deze gebieden tegen geluidoverlast van bronnen binnen en buiten dat gebied te beschermen (artikel 2.27 Ow). In artikel 7.11 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen.
De provincie:
wijst stiltegebieden aan in de omgevingsverordening;
neemt regels op in de omgevingsverordening over het voorkomen of beperken van geluid in deze stiltegebieden. Het geluid kan afkomstig zijn van bronnen binnen en buiten dat gebied; en
neemt fysieke maatregelen als deze de taak ondersteunen om het geluid in een stiltegebied te voorkomen of te beperken. De regels die de provincie stelt, kunnen zich onder andere richten tot gemeenten. In dat geval geeft de provincie instructieregels voor het opnemen van regels in het omgevingsplan die het beschermen van de stilte in die gebieden effectueert (getrapte instructieregels, artikel 2.22 Ow).
De regels die de provincie stelt, kunnen zich onder andere richten tot gemeenten. In dat geval geeft de provincie instructieregels voor het opnemen van regels in het omgevingsplan die het beschermen van de stilte in die gebieden effectueert (getrapte instructieregels, artikel 2.22 Ow). De regels in de omgevingsverordening kunnen zich ook rechtstreeks richten tot burgers en bedrijven (artikel 4.2, tweede lid Ow) als dat doeltreffender en doelmatiger is dan het stellen van instructieregels.
De verordening voorziet in regels voor de bescherming van rust en stilte als intrinsieke waarde met de bijbehorende werkingsgebieden. Het aanwijzen van deze gebieden en het vaststellen van de daarbij horende regels en normen vloeit voort uit artikel 7.11, eerste lid, onder a, Besluit kwaliteit leefomgeving.
De in de verordening aangewezen stiltegebieden vallen grotendeels samen met gebieden die zijn genoemd in de Natuurvisie Zeeland 2016-2022 (waaronder Natura 2000-gebieden), gebieden die worden beschermd in het kader van de Omgevingswet. De regels over de bescherming van natuurgebieden in de Omgevingswet richt zich primair op het tegengaan van verstoring van de bij die wet beschermde diersoorten en de instandhouding daarvan.
Het voorkomen of beperken van geluid(hinder) in deze (stilte)gebieden is daarmee aanvullend op de verstoringsaspecten en de instandhoudingsdoelstelling voor gebieden, zoals opgenomen in de Natuurvisie Zeeland 2016-2022.
Voor stiltegebieden die zich geheel of gedeeltelijk binnen de 58dB contour bevinden van gezoneerde wegen en geluidzones rondom gezoneerde industrieterreinen, zijn de geluidsbepalingen van stiltegebieden niet van toepassing. In artikel 4.24 lid 2 onder a en b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Actieplan Geluid van Provincie Zeeland) wordt verwezen naar stiltegebieden.
Typen stiltegebieden
Stiltegebieden bestaan uit stiltegebieden Oase en Onthaasting. Het is van belang om binnen de stiltegebieden en Attentiezone gebieden verschillende beschermingsregimes te onderscheiden. De volgende gebieden en regimes worden onderscheiden:
Stiltegebied Oase
Stiltegebieden Oase zijn de kerngebieden. Voor stiltegebied Oase geldt als doelstelling het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid met een streefwaarde van 40 dB(A). In Stiltegebied Oase is ter bescherming van rust en stilte als intrinsieke waarde tenminste een ‘stand-still regime’ van toepassing. Uitgangspunt is dat er geen toename van de aanwezige geluidsniveaus wordt toegestaan. Het beleid in deze gebieden is er tevens op gericht te hoge geluidsniveaus van bestaande activiteiten te verminderen. In deze gebieden wordt gestreefd naar een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager.
Stiltegebied Onthaasting
Stiltegebieden Onthaasting zijn gebieden die de Deltawateren en aanpalende gebieden betreffen. In deze gebieden is een hogere streefwaarde opgenomen. Een reden is de van nature hogere geluidwaarde een andere is de intensieve scheepvaart activiteiten op de Deltawateren.
Ondanks de hogere streefwaarde voor deze stiltegebieden hebben ze intrinsieke waarden voor zowel natuur als voor de leefomgevingskwaliteit. Het ondersteunt het initiatief om te komen tot UNESCO Geopark Schelde Delta.
Tevens zijn de Deltawateren aangewezen in de Ramsar conventie en hebben daarmee de titel Wetland. Wetlands zijn een belangrijk broed en foerageer gebied. Wetlands hebben de titel stiltegebied meegekregen omdat ze ook waardevol zijn voor de rust en ruimte die mensen nodig hebben.
Met aanpalende gebieden worden de inlaaggebieden bedoeld die een waarde hebben voor plant en dier maar ook een waarde hebben voor rust en ontspanning.
Bij een enkel gebied is een kunstmatige scheiding aangebracht, zoals de Braakman. Daar heeft “De Zeeuws Vlaamse Waterski Club” haar locatie. Daarom is dat deel niet aangemerkt als Oase.
Gebieden met intensiever gebruik
Dit zijn gebieden, waarin intensieve recreatie of beroepsscheepvaart plaatsvindt. Voor deze gebieden geldt als doelstelling het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid met een maximum van 48 dB (A).
Gebieden ten behoeve van de beroepsscheepvaart zijn bijvoorbeeld de Westerschelde en de scheepvaartverbinding Antwerpen-Rotterdam (Schelde-Rijn-verbinding – Volkerak).
Voor deze gebieden geldt dat door de specifieke functie die zij vervullen het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid vaak al hoger is dan 40 dB(A). Het maximaliseren van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot 40 dB(A) kan dan leiden tot ongewenste situaties.
Attentiezone gebieden
Onder Attentiezone gebieden wordt verstaan een zone van 750 meter gelegen vanaf buitenste rand van stiltegebied Oase of Onthaasting. Deze gebieden zijn als zodanig gedefinieerd om regels te kunnen stellen aan activiteiten gelegen buiten de stiltegebieden, maar die qua geluid wel hun invloed kunnen doen gelden in een stiltegebied.
De afstand van het Attentiezone gebied is gehalveerd ten opzichte van de vorige versie. De reden hiervoor is dat het effect na 750 te verwaarlozen is op de grens van het stiltegebied. Het is onnodig om een groter gebied te belasten met een regel die op het gebied geen negatief effect meer hebben.
Regels voor activiteiten
In de verordening is aangegeven voor welke gedragingen/activiteiten een verbod geldt en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden bij de provincie. Tevens is aangegeven welke beroepsmatige activiteiten zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Daarnaast zijn de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning en de beoordelingscriteria opgenomen. Verder is er een meldplicht voor een wateractiviteit in een stiltegebied welke in eigendom is van een particulier. Ook bestaat de mogelijkheid om een eerder verleende vergunning in te trekken.
Instructieregels
Naast de regels voor activiteiten zijn er in de verordening ook instructieregels opgenomen in hoofdstuk 18. Allereerst zijn er instructieregels aan gedeputeerde staten opgenomen om de stiltegebieden duidelijk kenbaar te maken door het plaatsen van borden aan de randen van de gebieden. Daarnaast zijn er instructieregels die zich tot het bevoegd gezag (gemeenten) richten om bij het maken van een omgevingsplan en het nemen van besluiten de doelstellingen van de stiltegebieden Oase en Onthaasting in acht te nemen. Een aantal specifieke benoemde tijdelijke activiteiten, onder andere bedrijfsmatige activiteiten en activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoud of infrastructuur in het gebied zijn vrijgesteld van de instructieregels. Hieronder is ook begrepen een drietal evenementen per jaar per gebied. Dit om de gebieden niet onnodig te verstoren, waarbij aansluiting is gezocht bij de definitie van evenement.
Passende beoordeling
Bij de beoordeling door het bevoegd gezag of een omgevingswetactiviteit past binnen de verordening aangegeven doelstellingen, is het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid bepalend. Dit referentieniveau moet daarom ook steeds op één of meer locaties, in of op de grens van het stiltegebied worden vastgesteld. Vervolgens wordt de activiteit per gebied (stiltegebied Oase of Onthaasting) getoetst of wordt voldaan aan het referentieniveau. Dit bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid mag worden overschreden tot de in de verordening aangegeven maximale doelstelling van 40 dB(A) in de stiltegebieden Oase en 48 dB(A) in de Stiltegebieden Onthaasting (intensief gebruikt gebied).
In de stiltegebieden Oase met een maximale doelstelling van 40 dB(A) geldt dit maximum ook voor situaties waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid hoger is dan 40 dB(A). Voor de stiltegebieden Onthaasting geldt dit eveneens, maar met een maximum van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid van 48 dB(A).
Het opnemen van de maximaal toegestane doelstellingen betekent niet dat er sprake is van ongebreideld toelaten van activiteiten tot een maximum geluidsniveau. Uitgangspunt voor toetsing blijft het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid. In een gebied met een bestaand referentieniveau van het omgevingsgeluid van bijvoorbeeld 38 dB(A), is en blijft dat niveau bepalend als toetsingscriterium voor het toestaan van nieuwe activiteiten.
[Red: Sectie 6.19 verplaatst van sectie 6 naar sectie 6.1. ]
In dit artikel is de mogelijkheid van het intrekken van een Omgevingsvergunning in een stiltegebied opgenomen.
De viewer laat de kaart zien met de stiltegebieden Oase en Onthaasting.
[Red: Sectie 6.13 verplaatst van sectie 6 naar sectie 6.1. ]
De kennis van de lokale en actuele situatie rond stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van desbetreffende Natura 2000 gebied moet aantoonbaar blijken uit bijvoorbeeld een vlieglogboek.
In dit artikel is het verbod opgenomen om met een waterscooter of speedboot te varen in een stiltegebied en wordt de mogelijkheid gegeven om andere toestellen aan te wijzen waarvoor het verbod ook geldt. Een uitzondering is gemaakt voor de Deltawateren. Daarnaast heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de mogelijkheid om in de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 gebieden aan te wijzen waar harder mag worden gevaren dan 20 kilometer per uur.
In dit artikel is een uitzondering opgenomen op het verbod uit artikel 6.7. Dit betreft een waterpartij, welke is aangewezen als stiltegebied en in is handen van een particuliere eigenaar. Hiervoor is een meldplicht opgenomen in artikel 6.8.
De meldplicht moet voldoen aan de eisen uit artikel 6.22.
In artikel 6.9 tot en met artikel 6.18 zijn de omgevingsvergunningplichtige activiteiten opgenomen, alsmede de omstandigheden of situaties waarin de activiteiten uitgezonderd zijn van de vergunningplicht. Het gaat hierbij om gebiedsvreemde geluiden die het intrinsieke karakter van de stiltegebieden kan aantasten en de rust voor dier en mens kan verstoren.
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19.
De kennis van de lokale en actuele situatie rond stiltegebieden, beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van desbetreffende Natura 2000 gebied moet aantoonbaar blijken uit bijvoorbeeld een vlieglogboek.
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting van artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
Zie toelichting bij artikel 6.9.
De toelichting op de uitzondering van de vergunningplicht is opgenomen in de toelichting bij artikel 6.19
In dit artikel zijn de vergunningsvrije activiteiten opgenomen.
De artikel 6.9 tot en met artikel 6.18 gelden niet voor:
land-, tuin, bosbouw en beroepsmatige visserij;
het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en
beroepsscheepvaart.
Het gaat hierbij om beroepsmatige activiteiten die verbonden zijn met het karakter van de aangewezen stiltegebieden.
In dit artikel staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
In dit artikel staan de beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als het om een tijdelijke activiteit gaat. Tevens moet er sprake zijn van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarbij geen alternatieven voorhanden zijn. Bij de activiteit wordt ook rekening gehouden met het karakter van het gebied. Dit betekent dat alleen bij uitzondering en in bijzondere gevallen een omgevingsvergunning wordt verleend.
In dit artikel is de mogelijkheid van het intrekken van een omgevingsvergunning in een stiltegebied opgenomen.
In dit artikel zijn de vergunningsvrije activiteiten opgenomen.
De artikelen 2.100 tot en met 2.109 gelden niet voor:
land-, tuin, bosbouw en beroepsmatige visserij;
het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en
beroepsscheepvaart.
Het gaat hierbij om beroepsmatige activiteiten die verbonden zijn met het karakter van de aangewezen stiltegebieden.
In dit artikel staan de beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als het om een tijdelijke activiteit gaat. Tevens moet er sprake zijn van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarbij geen alternatieven voorhanden zijn. Bij de activiteit wordt ook rekening gehouden met het karakter van het gebied. Dit betekent dat alleen bij uitzondering en in bijzondere gevallen een omgevingsvergunning wordt verleend.
IIIII
Voor sectie 7.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Door duisternis als kernkwaliteit vast te stellen voor (delen van) sommige Natura 2000-gebieden wordt de waarde van duisternis voor deze natuurgebieden beschermd. Ook activiteiten in de nabijheid van deze duisternisgebieden, het zogenaamde invloedgebied duisternisgebieden, kunnen negatieve gevolgen hebben voor de duisternis in deze gebieden.
Normale bedrijfsactiviteiten en de gebieden met waarde voor duisternis bijten elkaar niet. Het gaat dus niet om bestaande activiteiten die lichtemissie veroorzaken op of in de begrensde gebieden voor zolang ze in hun huidige vorm, locatie, omvang en tijd blijven plaatsvinden. Dit kan betreffen agrarische bedrijven in de buurt, wegen of recreatieve terreinen. Als er sprake is van uitbreiding of wijziging van deze activiteiten dan zijn die uitbreidingen of wijzigingen mogelijk vergunning plichtig in het kader van de Omgevingswet. De Richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) vormen de basis voor voorschriften in de vergunningen met als doel het beperken en voorkomen van lichtverontreiniging en het bevorderen van duisternis als kernkwaliteit van Zeeland.
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld. Deze afdeling bevat dergelijk regels.
[Red: Sectie 8.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 8 naar sectie 8.1. ]
Dit artikel berust op 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit volgt dat bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, kan worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld.
[Red: Sectie 8.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 8 naar sectie 8.1. ]
Dit artikel berust op 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaruit volgt dat bij provinciale verordening voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, kan worden bepaald dat het verbod als bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet geldt. Voor die categorieën kunnen bij die verordening regels worden gesteld.
KKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerd. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleiding verplicht is. In de Omgevingswet zijn er geen rijksregels voor grondwatersaneringen meer opgenomen. De algemene regels en de daar vermelde standaard saneringsmethodes uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet van toepassing op grondwatersaneringen. Het wordt niet nodig geacht de bevoegdheidsverdeling expliciet in de wet vast te leggen. Het Rijk laat het aan de provincies over om regels voor grondwatersanering in de omgevingsverordeningen op te nemen. Gelet op de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn is de provincie, als ‘hoeder van het grondwater’, een belangrijke regisserende en coördinerende rol toebedeeld (artikel 2.18, eerste lid, onder a, Omgevingswet). Door grondwatersaneringen te regelen in de omgevingsverordening blijft de verantwoordelijkheid voor de aanpak van historische grondwaterverontreiniging bij de provincie.
[Red: Sectie 9.1 verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 9 is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater. Het gaat hier om het grondwater in de verzadigde zone van de bodem. In deze zone zijn alle poriën van de bodem gevuld met water. In de onverzadigde zone die daarboven ligt zijn de poriën van de bodem gevuld met zowel lucht als water. Het is van belang dat grondwatersaneringen met enige waarborgen worden uitgevoerd. Met het oog hierop is geregeld dat de saneringen worden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven en dat milieukundige begeleidig verplicht is. Na afloop van een grondwatersanering moet duidelijk zijn welke gebruiksbeperkingen in acht moeten worden genomen. Evenals onder de Wet bodembescherming (Wbb) moet ernaar worden gestreefd dat zo min mogelijk nazorg noodzakelijk is. Het bovenstaande is ook van belang als met de activiteiten die met het grondwater worden uitgevoerd, niet een grondwatersanering wordt beoogd, maar louter de totstandkoming van een werk. Daarom is in het tweede lid geregeld dat deze afdeling ook van toepassing is op het verrichten van activiteiten ten gevolge waarvan een geval van verontreinigd grondwater wordt verminderd of verplaatst.
Uit het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet vloeit voort dat deze paragraaf niet van toepassing is op grondwatersaneringen die zijn gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die saneringen blijft het oude recht van toepassing.
[Red: Sectie 9.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
In de Omgevingswet zijn er geen rijksregels voor grondwatersaneringen meer opgenomen. De algemene regels en de daar vermelde standaard saneringsmethodes uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet van toepassing op grondwatersaneringen. Het wordt niet nodig geacht de bevoegdheidsverdeling expliciet in de wet vast te leggen. Het Rijk laat het aan de provincies over om regels voor grondwatersanering in de omgevingsverordeningen op te nemen. Gelet op de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn is de provincie, als ‘hoeder van het grondwater’, een belangrijke regisserende en coördinerende rol toebedeeld (artikel 2.18, eerste lid, onder a, Omgevingswet). Door grondwatersaneringen te regelen in de omgevingsverordening blijft de verantwoordelijkheid voor de aanpak van historische grondwaterverontreiniging bij de provincie.
[Red: Sectie 9.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
In dit artikel is de specifieke zorgplicht voor grondwatersaneringen opgenomen. Deze is ontleend aan de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Sectie 9.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Het is verplicht een grondwatersanering ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De melding kan worden gedaan via het Digitaal Stelsel Omgevingswet, maar ook per post. In het tweede lid is aangegeven welke gegevens en bescheiden bij de melding moeten worden gevoegd. In het derde lid is bepaald dat een wijziging van de voorgenomen aanpak ook ten minste vier weken van tevoren moet worden gemeld.
Het saneren van de bodem is aangewezen als milieubelastende activiteit, maar een grondwatersanering niet (zie artikel 3.48h, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving). Het saneren van de bodem moet vooraf worden gemeld op grond van artikel 4.1236 Besluit activiteiten leefomgeving. Bij mobiele verontreinigingen zal een grondwatersanering onderdeel zijn van een bodemsanering. Aangezien de gemeente bevoegd gezag is voor het saneren van de bodem, moeten er in dat geval twee meldingen worden gedaan, één op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving en één op grond van deze verordening.
Wanneer uit de melding van de grondwatersanering blijkt dat sprake is van een artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb)-geval, moet worden onderzocht of een aanpak volgens dit artikel mogelijk is, gelet op het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Als een aanpak volgens artikel 13 Wbb mogelijk is, zal de veroorzaker de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten maken. De artikelen 13, 27 en 95 Wbb blijven immers van toepassing op de voor inwerkingtreding van de Omgevingswet veroorzaakte verontreiniging als bedoeld in artikel 13 Wbb, ook indien die na die datum wordt ontdekt (artikel 3.2a Aanvullingswet bodem Omgevingswet). Indien artikel 13 Wbb kan worden geëffectueerd, zal contact worden opgenomen met de melder om deze mogelijkheid en de eventuele gevolgen hiervan voor de activiteit te bespreken. Als de voorgenomen grondwatersanering betrekking heeft op grondwaterverontreiniging die behoort tot een geval van ernstige verontreiniging waarvoor op grond van artikel 29 Wbb een beschikking is genomen die bepaalt dat spoedige sanering niet noodzakelijk is, kan in de beschikking zijn aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied in acht moeten worden genomen (artikel 37 lid 4 Wbb). Deze beperkingen blijven op grond van het overgangsrecht van artikel 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van kracht onder de Omgevingswet. De initiatiefnemer moet hiermee dan ook rekening houden.
[Red: Sectie 9.5 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Voor de informatieplicht in dit artikel is aangesloten bij hetgeen in het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald over de milieubelastende activiteit ‘het saneren van de bodem’. Zie artikel 4.1237 Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Sectie 9.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Het eerste lid bevat een informatieplicht. Het verstrekken van de gegevens bevordert het houden van gericht toezicht. Aan de hand van deze gegevens kunnen gedeputeerde staten controleren of de uitvoering van de sanering en de milieukundige begeleiding worden gedaan door een persoon of onderneming met een erkenning.
Het tweede lid is toegevoegd om te verzekeren dat een wijziging van de gegevens ook wordt gemeld. Een wijziging zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een andere milieukundig begeleider wordt ingezet dan eerder opgegeven.
[Red: Sectie 9.7 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Het eerste lid bepaalt dat de activiteit zo moet worden uitgevoerd dat het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt blijven. Het tweede lid regelt dat de activiteit wordt uitgevoerd en begeleid door erkende ondernemingen. Uit het derde lid volgt dat de grondwatersanering conform de melding moet worden uitgevoerd. Het indienen van een melding creëert op zichzelf niet de verplichting om daadwerkelijk over te gaan tot de voorgenomen grondwatersanering. Ook onder de Wet bodembescherming hadden het indienen van een melding en een saneringsplan niet dit effect (ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3930, M en R 2016/51). Als echter eenmaal met de grondwatersanering is begonnen, moet deze ook worden voltooid. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, is degene die saneert gehouden tot uitvoering van de in de melding beschreven andere methode om de beoogde effecten te bereiken. Dit is geregeld in het vierde lid. Eventueel kan de saneerder om maatwerkvoorschriften verzoeken.
[Red: Sectie 9.8 ongewijzigd verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
Voordat de grondwatersanering afloopt, moeten gedeputeerde staten worden geïnformeerd over de verwachte einddatum. Na afronding van de grondwatersanering wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens de beoordelingsrichtlijn BRL 6000. Het verslag moet worden opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bedrijf dat de milieukundige verificatie uitvoert, in samenwerking met het bedrijf dat de milieukundige processturing heeft uitgevoerd. In het evaluatieverslag wordt onder meer beschreven of de grondwatersanering conform de melding is uitgevoerd, welk eindresultaat is behaald, of het afvalwater op een juiste manier is afgevoerd en welke gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn. Deze informatie wordt geregistreerd in het bodeminformatiesysteem, zodat deze opvraagbaar is als in de toekomst op de dezelfde locatie nieuwe activiteiten plaatsvinden waarbij de kwaliteit van het grondwater van belang is. De gemeente zal de informatie kunnen gebruiken om in het omgevingsplan op te nemen waar gebruiksbeperkingen gelden en waar nazorgmaatregelen in stand moeten worden gehouden. Het evaluatieverslag behoeft - anders dan onder de Wbb - niet te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Indien nodig kan het college van gedeputeerde staten met toepassing van artikel 2.5.9 maatwerkvoorschriften stellen naar aanleiding van een evaluatieverslag. Deze kunnen bijvoorbeeld inhouden dat bepaalde gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen die niet in het verslag zijn beschreven, noodzakelijk zijn of, omgekeerd, dat bepaalde beperkingen of maatregelen die wel zijn beschreven juist niet noodzakelijk zijn.
Gedeputeerde staten kunnen ook maatwerkvoorschriften stellen als zij van mening zijn dat het resultaat van de sanering onvoldoende is.
[Red: Sectie 9.9 verplaatst van sectie 9 naar sectie 9.1. ]
In dit artikel is geregeld dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Hierdoor kan bijvoorbeeld een andere saneringsmethode worden voorgeschreven dan in de melding is beschreven. Een ander voorbeeld is dat naar aanleiding van een evaluatieverslag nazorg wordt voorgeschreven. Zie over dit laatste de toelichting op artikel 2.126 artikel 9.8.
LLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling zijn bedoeld om het milieu te beschermen. Activiteiten op gesloten stortplaatsen kunnen grote gevolgen hebben voor het milieu. Vóór het in werking treden van de Omgevingswet was de provincie op grond van artikel 3.4 Besluit omgevingsrecht het bevoegd gezag als het ging over activiteiten op gesloten stortplaatsen waar een vergunning voor nodig was. Met het in werking treden van de Omgevingswet is de provincie niet langer automatisch bevoegd gezag over gesloten stortplaatsen. De provincie kan regels stellen om te zorgen dat zij betrokken blijft bij het toelaten van activiteiten op gesloten stortplaatsen. Provincies zijn vrij te kiezen hoe ze dit doen. De provincie Zeeland heeft gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de regels. Dit betekent dat de provincie in de omgevingsverordening een aanvullende vergunningplicht heeft opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, waarvoor in het oude recht een vergunning nodig was op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit zijn activiteiten die risico’s opleveren voor het milieu, zoals het verrichten van bouwactiviteiten of het uitvoeren van werken. Bij deze activiteiten kan de deklaag op de stortplaats worden aangetast of kan het beheer van de stortplaatsen worden gehinderd.
[Red: Sectie 10.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 10 naar sectie 10.1. ]
De regels over gesloten stortplaatsen zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. Daarbij moet met name gedacht worden aan de bescherming van de kwaliteit van de bodem en het grondwater.
[Red: Sectie 10.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 10 naar sectie 10.1. ]
In dit artikel is een aanvullende vergunningplicht opgenomen voor bepaalde activiteiten op gesloten stortplaatsen, waarvoor in het oude recht een vergunning nodig was op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit zijn activiteiten die risico’s opleveren voor het milieu, zoals het verrichten van bouwactiviteiten of het uitvoeren van werken. Bij deze activiteiten kan de deklaag op de stortplaats worden aangetast of kan het beheer van de stortplaatsen worden gehinderd. Het artikel is een beleidsneutrale omzetting van de oude omgevingsverordening.
[Red: Sectie 10.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 10 naar sectie 10.1. ]
De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten zoals bouwen, waarbij de grond verstoord kan worden, is het daarom verplicht een vergunning aan te vragen. In de beoordeling wordt meegenomen hoe groot het risico van de activiteit op de gesloten stortplaats is, en welke maatregelen in lijn met het nazorgplan moeten worden genomen. Ook moet worden gezorgd dat zowel de voorzieningen voor de bescherming van de bodem, als de bodem zelf regelmatig worden onderzocht.
[Red: Sectie 10.7 ongewijzigd verplaatst van sectie 10 naar sectie 10.1. ]
Op grond van artikel 5.10 Omgevingswet en artikel 4.6 lid 1 onder a Omgevingsbesluit zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Door alle omgevingsplanactiviteiten op een gesloten stortplaats aan te wijzen als omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang, kan de provincie bepalen of deze activiteiten op een gesloten stortplaats mogen plaatsvinden. Het gaat bijvoorbeeld om het uitvoeren van een werk (geen bouwwerk), of van werkzaamheden, het slopen van een bouwwerk of het gebruik van gronden die in strijd zijn met een omgevingsplan. Ook voor deze activiteiten geldt dat er schadelijke gevolgen voor het milieu kunnen zijn. De grond bij een gesloten stortplaats moet beschermd worden, omdat het openen van een gesloten stortplaats grote gevolgen voor het milieu kan hebben.
MMMMM
Na sectie 10 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In de Omgevingsverordening Zeeland 2018 was het weiden van vee en het bemesten van gronden nabij een Natura 2000-gebied uitgezonderd van de vergunningplicht. Als gevolg van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604) is deze uitzondering op de vergunningplicht onverbindend verklaard. Deze regels komen dan ook niet meer terug in de provinciale omgevingsverordening. Of en wanneer nieuwe regels voor Natura 2000-activiteiten worden opgenomen in de provinciale omgevingsverordening is voornamelijk afhankelijk van de ontwikkelingen in het stikstofdossier. De Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), ook wel Stikstofwet genoemd, trad op 1 juli 2021 in werking. Op dit moment is nog niet te overzien of deze wet leidt tot het opnemen van regels in de provinciale omgevingsverordening en wordt hiervoor ruimte gereserveerd.
NNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
Voor sectie 12.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De van nature in het wild levende dieren en planten worden direct beschermd via de Omgevingswet. De onderwater flora en fauna wordt slechts voor een beperkt deel wettelijk beschermd. De provincie wil ook de karakteristieke onderwater flora en fauna bescherming bieden. Voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor deze soorten geldt een vergunningplicht. Deze afdeling bevat regels over de aanwijzing van vergunningvrije gevallen.
PPPPP
Voor sectie 12.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 11.42 en 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorzien – overeenkomstig het voorheen geldende artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming – in de mogelijkheid van een aanwijzing van vergunningvrije gevallen in de omgevingsverordening ten behoeve van de bestrijding door de grondgebruiker van vogels en andere soorten die provinciaal schade veroorzaken.
Bij de aanwijzing van de vergunningvrije gevallen van de dieren die, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kunnen worden bestreden, is getoetst of is voldaan aan het wettelijke vereiste dat dieren van de soorten in de provincie schade veroorzaken. Ook is getoetst of de betrokken diersoort de bestrijding kan verdragen. Schadebestrijding is aan de orde als preventieve maatregelen onvoldoende soelaas bieden.
De soorten en activiteiten die reeds onder de Wet natuurbescherming in de verordening waren vrijgesteld, zullen ook onder de Omgevingswet vergunningvrij zijn. Een uitzondering betreft het doden van damherten in en in de directe omgeving van de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren ten behoeve van de beperking van de omvang van de populatie in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. In het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren niet als vergunningvrij geval wordt aangewezen. De vrijstelling van de vergunningplicht komt daarom te vervallen.
Voor andere schadesoorten en flora- en fauna-activiteiten moet volgens de provincie een zwaarder afwegingskader plaatsvinden en per situatie worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat (zoals het opzettelijk (ver)storen). Omgevingsvergunningen verdienen dan de voorkeur boven een algemene vrijstelling
QQQQQ
Na sectie 12.6 worden twee secties ingevoegd, luidende:
Het gaat slecht met de egel in Nederland. Daarom hebben wij de egel van de vrijstellingslijst gehaald. Tuinen vormen mede het leefgebied van de egel. Door de egel van de vrijstellingslijst te halen is iedereen die een activiteit wil uitvoeren in de tuin verplicht om te onderzoeken of daar een rustplaats of voortplantingsplaats van een egel aanwezig is. Als deze aanwezig is moet er een vergunning worden aangevraagd voor de werkzaamheden die in de tuin worden uitgevoerd.
Wij vinden het ongewenst als iedere particulier die in zijn tuin wil werken een vergunning moet aanvragen als er een egel aanwezig is. Daarom nemen wij een nieuw beperkte vrijstelling op om te voorkomen dat er een vergunning moet worden aangevraagd. In deze vrijstelling hebben wij voorwaarden opgenomen die verstoring van de rustplaats en voortplantingsplaats van de egel voorkomt.
Met beplanting in de volle grond worden struiken en planten bedoeld die niet in verhoogde borders zijn geplaatst, omdat de egel deze beplanting niet kan bereiken.
De activiteit waarvoor wij vrijstelling willen verlenen van het beschadigen en vernietigen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de haas, betreft voornamelijk kleinschalige graafwerkzaamheden, waarbij de grond wordt open gegraven en daarna weer wordt dichtgegooid. Denk hier bijvoorbeeld aan het aanleggen van kabels en leidingen.
RRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXX
Voor sectie 12.13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
YYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZ
Na sectie 12.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voor het ruimen van kadavers bij vogelgriep is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (hierna: vergunning) als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet nodig voor de verboden als bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving om vogelkadavers op te ruimen op grond van artikel 8.74j, eerste lid, onder b, onderdelen 1 en 4, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze vergunning kan worden verleend in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en ter bescherming van flora en fauna. Omdat vogelgriep continu aanwezig is, willen wij deze activiteit in de Omgevingsverordening opnemen als vergunningvrij geval onder de voorwaarde dat wordt gehandeld conform de door de overheid opgestelde handleiding voor het opruimen van dood gevonden wilde (water)vogels.
AAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zeeland kent een rijk onderwaterleven. Het mariene onderwatermilieu is een van de ruimtelijke kwaliteiten die Zeeland als Provincie kenmerkt. De onderwaterflora en -fauna in Zeeland, met name die in de Delta, is uitgestrekt en niet alleen van belang uit het oogpunt van natuur maar zeker ook vanuit een recreatief oogpunt. Steeds meer watersporters weten de Delta als aantrekkelijk onderwatersportgebied te vinden. Deze toenemende belangstelling leidt helaas ook tot het 'oogsten' van met name commercieel interessante schaal- en schelpdieren, zoals kreeften en oesters, maar ook andere soorten, zoals anemonen voor aquaria.
Het thema “onderwater flora en fauna” is beleidsneutraal in de omgevingsverordening opgenomen. Er zijn wel aanvullende artikelen in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen, bijvoorbeeld een zorgplichtartikel en een artikel met daarin expliciet de beoordelingsregels . De artikelen zijn echter voor wat betreft de inhoud ongewijzigd ten opzichte van de inhoud van de artikelen in de Omgevingsverordening Zeeland 2018.
[Red: Sectie 13.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 13 naar sectie 13.1. ]
Het Zeeuwse onderwatermilieu staat sinds halverwege de 20e eeuw in steeds grotere mate onder druk door verschillende verstorende en voor het onderwatermilieu beschadigende factoren. Het buitendijks onderwatermilieu wordt door de volgende mensgedreven factoren bedreigd: 1. verstoring van onderwaterleven door recreatie en visserij, 2. verontreiniging van het watersysteem door industrie en scheepvaart, 3. eroderen van buitendijkse estuaria en platen en daarmee leefgebied door systeemveranderingen (zoals zandhonger in de Oosterschelde, vaargeulverbreding in de Westerschelde). Mensgedreven bedreigende factoren in de binnendijkse watersystemen zijn: 1. verstoring door recreatie en pleziervaart, 2. verontreiniging door industrie en landbouw, 3. systeemveranderingen door isolatie van binnenwateren (afsluiten van kreekarmen van de zee), 4. verminderde kwaliteit en kwantiteit leefgebied door verlies van natuurlijke oeverzones (bebouwing en intensivering van de landbouw). Aanvullend op deze op menselijk handelen terug te voeren factoren zijn stijgingen in de temperatuur door klimaatveranderingen veranderende regenvalpatronen ook belastend voor het onderwatermilieu in de Zeeuwse Delta. Stijgende zuurstofarme situaties waar onderwatersystemen plaatselijk door kunnen afsterven. De functie van de Zeeuwse delta als leefgebied voor vele aquatische soorten zullen door deze veranderingen naar de toekomst toe steeds verder onder druk komen te staan.
De regels gelden niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.
[Red: Sectie 13.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 13 naar sectie 13.1. ]
Het voor Nederland en Europa unieke onderwatermilieu staat onder druk door scheepvaart, visserij en recreatie en is daarmee kwetsbaar. De onderwaterflora en -fauna wordt slechts voor een beperkt deel beschermd door de natuurbeschermingsregels zoals opgenomen in de Omgevingswet. Ook de Visserijwet 1963 kent een beperkte bescherming. Omdat de Provincie Zeeland de karakteristieke onderwaterflora en -fauna bescherming wil bieden, is in deze verordening een regeling opgenomen die het verbiedt om, zonder dat men daartoe over de benodigde omgevingsvergunning beschikt, waterplanten of -dieren behorend tot de onderwaterflora en -fauna te bemachtigen en in bezit te hebben. De regeling heeft als strekking om diegenen die moedwillig waterplanten of -dieren in beschermde gebieden uit het water halen te sanctioneren.
Het verbod geldt niet voor degene die beschikt over een geldige omgevingsvergunning voor de activiteiten genoemd in artikel 4.3, eerste lid, onder j en k, van de Omgevingswet of ontheffing op grond van de Visserijwet 1963 omdat daarin door het bevoegde gezag is afgewogen of de onderwater flora en fauna voldoende is beschermd. Sportvissers die vissen op basis van een VISpas, dan wel vissen met de toegestane middelen in kustwater vallen evenmin onder het verbod.
Ook geldt het ook niet bij normaal recreatief gebruik aan, in en bij water, zoals spelende kinderen die met een schepnetje dieren uit het water vissen. Of mensen die bij het zwemmen per ongeluk planten of dieren verstoren of meenemen.
[Red: Sectie 13.5 ongewijzigd verplaatst van sectie 13 naar sectie 13.1. ]
Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor diverse doeleinden. Uit de aanvraag moet duidelijk blijken wat de effecten zijn op de omvang van de populatie waterdieren en waterplanten.
[Red: Sectie 13.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 13 naar sectie 13.1. ]
Ontheffing van dit verbod kan in ieder geval worden verleend voor educatieve of onderzoeksdoeleinden in het belang van dit specifieke onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna. Het gaat dan om educatie over of onderzoek naar de waterplanten en waterdieren die deel uitmaken van dit unieke onderwatermilieu en waar de ontheffing voor wordt aangevraagd. Als ontheffing wordt verleend voor commerciële en economische doeleinden, zoals de verkoop van gevangen waterplanten of waterdieren aan derden, dan kan dit alleen als kan worden uitgesloten dat deze activiteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de instandhouding van de onderwaterflora en -fauna. Er wordt geen ontheffing verleend voor het vangen van de commercieel interessante zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons.
Het doel moet duidelijk blijken uit de bij de aanvraag, overgelegde gegevens, door bijvoorbeeld het overleggen van een onderzoeksplan. Om negatieve effecten op het onderwatermilieu en de daarin levende onderwaterflora en -fauna te voorkomen dient de hoeveelheid waterplanten of waterdieren die wordt meegenomen beperkt te zijn en de activiteit tijdelijk.
BBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. In artikel 11.111 van het Bal is aangegeven voor welke houtopstanden deze regels niet gelden.
De regels gelden onder meer niet voor:
Houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap. Deze contour moet op basis van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving aansluiten aan stedelijk gebied.
Houtopstanden op erven of in tuinen.
Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld.
Houtopstanden kleiner dan 10 are, of die bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Bal (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Bal (plicht tot herbeplanting). Het is conform artikel 11.126 van het Bal verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen, of te doen vellen zonder daarvan vooraf een melding te maken bij gedeputeerde staten. Uitzondering op deze regel is het periodiek vellen van griend- of hakhout. Daarnaast geldt op grond van artikel 11.129, eerste lid van het Bal een herbeplantingsplicht als een houtopstand is geveld, of op een andere wijze teniet is gegaan. De herbeplanting moet in beginsel plaatsvinden binnen 3 jaar, op dezelfde grond waar de houtopstanden stonden. In artikel 11.131 van het Bal staan een aantal uitzonderingen beschreven, waarbij het wel is toegestaan om houtopstand zonder deze melding geheel of gedeeltelijk te vellen.
Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Bal (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Bal in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. In deze afdeling over het vellen van houtopstanden is hiervan gebruik gemaakt.
[Red: Sectie 14.1 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.1. ]
In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. Het toepassingsbereik hiervan hebben wij overgenomen in deze afdeling. Dit betekent dat deze afdeling gaat over het volgende:
- Het vellen van houtopstanden;
- Het herbeplanten van dezelfde grond na het vellen of tenietgaan van houtopstanden; en
- Het herbeplanten op andere grond.
De belangrijkste inhoudelijke regels over het vellen van houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving (meldplicht vellen van houtopstanden) en artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving (plicht tot herbeplanting).
In artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangegeven voor welke houtopstanden deze regels niet gelden. Deze uitzonderingen gelden ook voor deze afdeling. Hierbij geldt er een nadere specificatie op de uitzondering bij wegbeplanting. Er geldt wel een meld- en herbeplantingsplicht wanneer het gelegen is naast een weg op een dijk/dijklichaam. In dat geval is namelijk sprake van dijkbeplanting. De dijken/dijklichamen staan aangegeven op bijlage VII, Landschap en erfgoed, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.
Verder gaat deze afdeling niet over handel in en bezit van hout of houtproducten. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is hier namelijk het bevoegd gezag voor.
Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (met uitzondering van een aantal specifieke gevallen waarin de minister van Landbouw, Visserij, Voederzekerheid en Natuur het bevoegd gezag is). De provincie kan op basis van artikel 11.117 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de omgevingsverordening aanvullende regels (maatwerkregels) opstellen over het vellen van houtopstanden. In deze afdeling over het vellen van houtopstanden is hiervan gebruik gemaakt.
[Red: Sectie 14.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.1. ]
Voor deze afdeling worden dezelfde oogmerken aangehouden zoals beschreven in artikel 11.112 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is en door verjonging van kleine delen van de houtopstand gezorgd kan worden voor een verbetering van die kwaliteit. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldplicht aan de orde is.
[Red: Sectie 14.3 verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.2. ]
Op basis van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet het vellen van een houtopstand gemeld worden bij gedeputeerde staten. Artikel 2.169 Artikel 14.3 van de Omgevingsverordening geeft aan welke informatie deze melding moet bevatten. Gedeputeerde staten gebruik de informatie uit de melding om een goed beeld te vormen van de aard en omvang van de te vellen houtopstand, van de herbeplanting en van de reden van de velling.
Een melding moet ten minste 4 weken, maar niet eerder dan een jaar voor het begin van de velling ingediend worden. Dat betekent dat de melder 4 weken moet wachten met de uitvoering van de velling. Er kunnen echter ook omstandigheden zijn die een spoedige velling noodzakelijk maken, bijvoorbeeld bij verkeersonveilige situaties of noodvellingen na storm. In dergelijke spoedeisende situaties kunnen gedeputeerde staten besluiten om af te wijken van deze termijn door stellen van een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 11.119 Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Sectie 14.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.2. ]
In bepaalde omstandigheden kan kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de groei van de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is. Met het maken van verjongingsgaten kan het bosklimaat worden behouden. Dit is zowel ecologisch als vanuit productie van belang. Ook biedt het ruimte om in gesloten bossen tijdelijk open ruimten te krijgen. Daarmee wordt de biodiversiteit bevorderd.
Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren verplicht worden tot herbeplanting, omdat bosvorming op dezelfde locatie niet meer mogelijk is. Voor die gevallen is in dit artikel een uitzondering opgenomen op de verplichting tot herbeplanten.
[Red: Sectie 14.5 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.3. ]
In dit artikel worden eisen gesteld aan de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting zoals bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De te herbeplanten houtopstand hoeft niet identiek te zijn aan de tenietgegane of gevelde houtopstand. Wel moet de waarde op ecologisch en landschappelijk gebied ten minste vergelijkbaar zijn in kwantiteit en kwaliteit. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populierenplantage.
Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het behoud van de kwaliteit en de oppervlakte aan houtopstanden. Daarom stellen zij eisen aan de bodemkwaliteit, waterhuishouding, plantmateriaal, gebruik van soorten en het in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste betekent dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt moet worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn.
Voor oppervlaktebeplanting is in de huidige jurisprudentie besloten dat de herbeplanting binnen een redelijke termijn van maximaal tien jaar in sluiting moet zijn. In de praktijk blijkt dit moeilijk in te schatten. Daarom is tevens opgenomen dat er binnen drie jaar aantoonbare groei moet zijn.
Voor rijbeplantingen wordt een maximale plantafstand van 10 meter tussen de bomen aangehouden. Het beeldbepalende uiterlijk van een rijbeplanting blijft hierbij intact en verschraling van het landschap wordt tot en minimum beperkt. Hierop is echter een uitzondering mogelijk. Er zijn situaties in Zeeland waarbij een rijbeplanting is die bestaat uit bomen met grote kruinen die bijzonder oud kunnen worden, die op grotere afstand staan dan 10 meter. Als de 10 meter maximale plantafstand ook voor herbeplanting van deze bomen geldt, dan zullen deze bomen zich niet kunnen ontwikkelen en in elkaar groeien en zal er daarom voor een kleinere boomsoort gekozen worden, waarmee het historisch beeld van deze rijbeplanting met kenmerkende bomen verloren gaat. In dergelijke situaties is herbeplanting op dezelfde grotere plantafstand toegestaan mits dezelfde boomsoorten wordt gebruikt.
Gedeputeerde staten stellen regels aan de keuze van soorten die voor herbeplanting in aanmerking komen. Dit doen zij ter bescherming en het behoud van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen, wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk en ten gunste van de biodiversiteit in het algemeen. Een voorbeeld van het laatste is een verbod op herbeplanten met tuinsoorten en invasieve exoten zoals Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) die, gezien het woekerende karakter, inheemse vegetaties volledig kan verdringen.
Met een spontane natuurlijke verjonging wordt bedoeld een natuurlijke aanwas van houtopstanden uit zaden en/of vruchten. Opschot uit gevelde bestaande houtopstanden zoals hakhout wordt niet gezien als natuurlijke verjonging.
Tot slot komt het soms voor dat een houtopstand wordt geveld zonder dat de velling vooraf is gemeld. Als GS niet weten van de velling, kunnen zij ook niet toezien op de herbeplantingsplicht van deze houtopstand, Dit kan eraan bijdragen dat de Provincie het doel niet haalt om het areaal aan houtopstanden minimaal even groot te houden. Het is dan van beland dat de grond zo snel mogelijk weer herbeplant wordt. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen gedeputeerde staten daarom besluit de herbeplantingstermijn in te korten naar een eerdere, redelijke termijn. Bij het bepalen van de verkorte termijn houden gedeputeerde staten rekening met het meest geschikte plantseizoen en de mogelijkheid om binnen die termijn te beschikken over plantgoed voor de herbeplanting.
[Red: Sectie 14.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.3. ]
Op basis van artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming geven voor herbeplanting op andere grond dan waarop de velling plaatsvond. Daarvoor moet wel worden voldaan aan extra eisen die gesteld zijn in de omgevingsverordening. Deze eisen zijn in artikel 14.5 van de Omgevingsverordening Zeeland opgenomen.
Gedeputeerde staten hanteren als uitgangspunt dat herbeplanting plaatsvindt op dezelfde locatie als waar de houtopstand is geveld. Hiermee wordt recht gedaan aan het behoud van de lokale natuur- en landschapswaarden. Soms is dat echter niet mogelijk of niet wenselijk, bijvoorbeeld omdat de grond een andere bestemming krijgt of omdat de locatie ongeschikt is voor nieuwe aanplant. In dat geval kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen, zodat herbeplanting op een andere geschiktere locatie kan plaatsvinden. Het uitgangspunt blijft dat dit bij voorkeur binnen dezelfde gemeente gebeurt. Alleen met een gegronde reden mag dit ook binnen een andere gemeente in de provincie Zeeland. Van een gegronde reden kan sprake zijn bij bijvoorbeeld ruimtelijke of ecologische beperkingen en eigendoms- en veligheidsbelemmeringen.
Het is niet toegestaan om beplantingen die een belangrijke ecologische of landschappelijke functie vervullen ergens anders te herbeplanten. Het doel hiervan is om ecologische of landschappelijke verschraling van het landschap tegen te gaan. Verschil met het kapverbod (artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving) is, dat in deze gevallen wel velling is toegestaan, maar dat de houtopstand op dezelfde plaats herbeplant moet worden.
Het is niet toegestaan om beplanting die bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 en wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk op andere grond te herbeplanten. Als een houtopstand bijvoorbeeld aangewezen is als habitattype 'Duinbos', met als instandhoudingsdoelstelling 'uitbreiding met behoud van de goed ontwikkelde locaties', dan zou herbeplanting ergens anders een afbreuk zijn aan deze instandhoudingsdoelstelling. Dit is ongewenst.
Voorkomen moet worden dat percelen, die al hoge natuurwaarden of bijzondere waarden kennen, actief bebost worden in het kader van herbeplanting op andere grond bijvoorbeeld percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt of op weidevogelgebieden en dergelijke.
Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is spraken van een langdurige ongestuurde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slecht groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden zijn deze bodems beschermd. Gedeputeerde staten beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn.
Een herbeplanting kan niet tegelijk voor meerdere compensatie- of mitigatie doeleinden worden ingezet. Hierdoor zou namelijk de totale oppervlakte aan houtopstanden verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te herbeplanten op plaatsen waar al compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving.
Herbeplanting op andere grond binnen het Natuurnetwerk Zeeland is alleen toegestaan als de gevelde of tenietgegane houtopstand ook binnen het Natuurnetwerk Zeeland lag. Deze regel is er om te voorkomen dat houtopstanden verdwijnen uit het landelijk gebied en uitsluitend nog voorkomen binnen het Natuurnetwerk.
Een andere grond moet soms eerst gezocht en vervolgens aangekocht of gepacht worden. Om te waarborgen dat ook herbeplanting op andere grond toch binnen drie jaar is gerealiseerd, moet de melder uiterlijk twee jaar na de velling de aanvraag tot herbeplanting op andere grond indienen.
[Red: Sectie 14.7 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.3. ]
In sommige gevallen gaan houtopstanden teniet door vernatting door natuurlijke processen of door anti-verdrogingsmaatregelen. In deze gevallen is het niet redelijk dat eigenaren verplicht worden tot herbeplanting, omdat bosvorming op dezelfde locatie niet meer mogelijk is. Voor die gevallen is in dit artikel een uitzondering opgenomen op de verplichting tot herbeplanten.
[Red: Sectie 14.8 ongewijzigd verplaatst van sectie 14 naar sectie 14.1.4. ]
Het is mogelijk om af te wijken van de in deze afdeling gestelde regels. Dit kan door de gedeputeerde staten te verzoeken om een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. Dit maatwerkvoorschrift wordt alleen verleend wanneer in het verzoek voldoende onderbouwing staat dat het afwijken van de regel gunstig is voor de groei, het duurzaam behoud en de kwaliteit van de houtopstand.
Enkele voorbeelden waarbij gedeputeerde staten via maatwerkvoorschriften van de regels in de verordening kunnen afwijken:
Natuurlijke verjonging is in sommige situaties wenselijker dan herbeplanting met aangekocht plantgoed van elders. Een natuurlijk verjongingsproces heeft vaak echter langer nodig dan drie jaar om weer als een volwaardige houtopstand gezien te worden. In dat kunnen gedeputeerde staten maatwerkvoorschriften opleggen voor een verlenging van de termijn van 'herbeplanting'.
In sommige gevallen is het landschappelijk gezien wenselijk om rijbeplantingen te hebben met bomen die een grote kroonomvang krijgen. Om de groei van deze bomen niet te belemmeren is het dan wenselijk om te kunnen afwijken van de maximale onderlinge plantafstand van 10 meter zoals vastgelegd in deze verordening.
CCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf beoogt beleidsmatig geen wijziging van de regels uit de omgevingsverordening van 2018.In de vorige verordening werd gesproken over diverse eigenaren en gerechtigden. Het doel daarvan was zo breed mogelijk te kunnen aanschrijven. Daarom zijn die woorden vervangen door ‘een ieder’. Dit kan zowel particulieren betreffen als privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen.
De definitie voor landbouwgrond betreft grond met een agrarische bestemming als bedoeld in het vigerende omgevingsplan, dan wel grond waarvoor regels gelden voor agrarische activiteiten in het vigerende omgevingsplan. Het betreft hier alle vormen van land- en tuinbouw, inclusief boomgaarden. Braakliggende gronden vallen om die reden niet onder de werking van deze afdeling, tenzij ze grenzen aan andere niet braakliggende landbouwgrond.
[Red: Sectie 15.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 15.1 naar sectie 15.1.2. ]
Dit artikel bevat een algemeen geldende verplichting om te voorkomen dat de distelsoorten Cirsium arvense (akkerdistel) en Sonchus arvensis (akkermelkdistel) die groeien op landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend tot bloei komen. Deze verplichting bestaat voor alle categorieën: gebruikers, eigenaren, andere zaakgerechtigden, danwel diegene die namens dezen het beheer uitvoert. De formulering ‘een ieder’ is er namelijk op gericht de bestrijdingsplicht zo breed mogelijk neer te leggen. In geval van overtreding ligt het voor de hand om op basis van de omstandigheden van het geval, diegene aan te schrijven die de strijdigheid kan opheffen (vaste handhavingsjurisprudentie: “diegene die het in zijn macht heeft om de overtreding op te heffen”)
De term ‘eigen’ landbouwgrond duidt erop dat de bestrijdingsplicht alleen geldt voor landbouwgronden die de gebruiker/eigenaar/beheerder/zaakgerechtigde zelf in eigendom/beheer/gebruik heeft. Ook voor de strook van 30 meter grenzend aan landbouwgrond, geldt dat deze zelf in eigendom/beheer/gebruik is, wil de verplichting gehandhaafd kunnen worden.
DDDDDD
Voor sectie 15.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf richten zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Dit belang is vooral aan de orde in gebieden buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom liggen een aantal bedrijventerreinen, waar het uit landschappelijk oogpunt geen bezwaar behoeft te zijn als daar borden worden geplaatst. Deze bedrijventerreinen zijn daarom van het verbod uitgezonderd. Borden die zijn geplaatst binnen de bebouwde kom en op bedrijventerreinen vallen daarom buiten de werkingssfeer van de verordening. Deze borden kunnen wel onderworpen zijn aan gemeentelijke regelgeving.
EEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Uit artikel 20.1 van de Omgevingswet volgt dat voor iedere vastgestelde omgevingswaarde moet worden bewaakt of aan de omgevingswaarde wordt voldaan (verplichte monitoring). De omgevingsverordening bepaalt de methode van monitoring en wijst het bestuursorgaan of een andere instantie aan die met de uitvoering van de monitoring is belast (artikel 20.2, eerste lid Ow).
In deze gevallen is dat het waterschap en het gaat daarbij om:
omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen en
omgevingswaarden met het oog op de afvoer- en bergingscapaciteit van regionale wateren (tegengaan van wateroverlast)
Het bestuursorgaan dat met de monitoring is belast zorgt voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan de omgevingswaarden wordt voldaan (artikel 20.14 Omgevingswet). In de omgevingsverordening is bepaald dat over de frequentie van de verslaglegging afstemming plaats vindt tussen de provincie en het waterschap.
FFFFFF
Voor sectie 16.8 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Uit artikel 20.1 van de Omgevingswet volgt dat voor iedere vastgestelde omgevingswaarde moet worden bewaakt of aan de omgevingswaarde wordt voldaan (verplichte monitoring). De omgevingsverordening bepaalt de methode van monitoring en wijst het bestuursorgaan of een andere instantie aan die met de uitvoering van de monitoring is belast (artikel 20.2, eerste lid Ow).
In deze gevallen is dat het waterschap en het gaat daarbij om:
omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen en
omgevingswaarden met het oog op de afvoer- en bergingscapaciteit van regionale wateren (tegengaan van wateroverlast)
Het bestuursorgaan dat met de monitoring is belast zorgt voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan de omgevingswaarden wordt voldaan (artikel 20.14 Omgevingswet). In de omgevingsverordening is bepaald dat over de frequentie van de verslaglegging afstemming plaats vindt tussen de provincie en het waterschap.
GGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructieregels van het Rijk over kwaliteit en beheer van zwemlocaties in het belang van veilig gebruik van deze locaties. De provincie heeft als taak om zwemlocaties (jaarlijks) aan te wijzen en heeft daarvoor de instemming nodig van de waterbeheerder. Ook stelt de provincie per locatie de duur van het badseizoen vast. De provincie en de waterbeheerder moeten samen ervoor zorgen dat de kwaliteit van het zwemlocatie voldoet aan de omgevingswaarde die het Rijk daarvoor heeft gesteld. Daarbij is de provincie verantwoordelijk voor de veiligheid van zwemlocaties en heeft de waterbeheerder de zorg voor de kwaliteit van het zwemwater en de monitoring daarvan. De provincie heeft als taak het publiek voor te lichten over de kwaliteit van het de zwemlocatie en eventuele risico’s voor gezondheid en veiligheid. Als het moet kan de provincie een waarschuwing, negatief zwemadvies geven of een zwemverbod instellen. Dat kan als de kwaliteit van de zwemlocatie te grote risico’s oplevert voor de bezoekers.
De Omgevingswet regelt voor zwemlocaties alleen de taken en verantwoordelijkheden van de provincie en de waterbeheerders. De wet geeft geen regels voor de mede van belang zijnde verantwoordelijkheden en dagelijkse werkzaamheden van houders van zwemlocaties om de deze locaties schoon en veilig te houden. De houder van een zwemlocatie is degene bij wie en voor wiens rekening en risico het beheer van een zwemlocatie en daarmee samenhangende infrastructuur en voorzieningen berust. Dat kan de gemeentelijke overheid zijn, maar ook de eigenaar of exploitant die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie.
Om de taken en de verdeling van verantwoordelijkheden van de provincie, de waterbeheerder en de houders van zwemlocaties nader te regelen en verduidelijken, zijn in de artikelen 2.206 artikel 17.10 en 2.207 artikel 17.11 de houders van zwemlocaties aangewezen en regels gesteld over de zorgplicht van de houders van deze locaties.
HHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat, in aanvulling op afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, regels over de zorgplicht en verantwoordelijkheden van de aangewezen houders van zwemwaterlocaties. De achtergrond om houders van zwemlocaties aan te wijzen, wordt toegelicht bij artikel 2.206 artikel 17.10. De in dit artikel opgenomen elementen van de zorgplicht sluiten overwegend aan op de vóór inwerkingtreding van het Besluit kwaliteit leefomgeving bestaande praktijk en contacten tussen de provincie en de bij zwemlocaties betrokken overheden en partijen. Wanneer in de praktijk behoefte zou ontstaan aan uitleg over de reikwijdte en toepassing van deze regels in concrete gevallen, dan zal in overleg tussen de provincie, betrokken waterbeheerder en houder van de betreffende zwemlocatie naar een passende oplossing worden gezocht, in samenhang met doel en strekking van afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
IIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 518 van de verordening richt zich op gemeenten, waterschappen, gedeputeerde staten en fauna beheereenheden en bevat voor hen instructieregels. Met een instructieregel wordt beoogd dat de omgevingswaarden of andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Ow).
De provincies kan met rechtsregels andere bestuursorganen instrueren hun taken en bevoegdheden op een specifieke wijze uit te voeren. Er zijn provinciale belangen die vereisen dat de bevoegdheden van decentrale overheden worden ingekaderd of dat inhoudelijk wordt gestuurd op de uitoefening van een taak door een gemeente, waterschap of binnen de provincie door gedeputeerde staten. Een deel van de provinciale taken wordt in deze omgevingsverordening geregeld via instructieregels.
JJJJJJ
Voor sectie 18.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Noodzaak van de instructieregels aan gemeente in verband met provinciaal belang is gelegen in een zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit en openheid van het buitengebied. Tevens streeft de provincie naar herstructurering van bestaande terreinen. De provincie wil verrommeling van het landschap tegengaan, ook in relatie tot de neveneffecten op het landschap en de bestaande woningvoorraad.
Binnenhavens
De provincie stelt zichzelf ten doel een sterk netwerk van laad- en loslocaties ten behoeve van de binnenvaart te behouden. Ingezet wordt op de regionale dekking, kwaliteit en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. Provinciaal belang is gelegen in het behoud van een sterk provinciaal netwerk van laad- en losfaciliteiten voor de binnenvaart. Dit betekent behoud van de bestaande binnenhavens in Zeeland.
Kantoren
Het provinciaal belang is gelegen in zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit/openheid van het buitengebied. Verder draagt het beleidsdoel van bundeling en concentratie bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de stadscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden.
KKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.1.1 afdeling 18.1 worden regels gesteld over de ontwikkeling van bedrijven. Noodzaak in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit / openheid van het buitengebied. Tevens streeft de Provincie naar herstructurering van bestaande terreinen.
In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat de ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid in beginsel moet plaatsvinden op locaties waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening al een bedrijf is toegestaan. Dit kan op grond van een omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning.
Voorts mag bedrijvigheid worden toegelaten op nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen, binnen het kader zoals bedoeld in de ladder duurzame verstedelijking. Een beleidsmatige doelstelling is verder dat het overgrote deel van de nieuw te ontwikkelen bedrijvigheid wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen. Voor de begrenzing van deze terreinen is uitgegaan van de ten tijde van de voorbereiding van de verordening geldende bestemmingsplannen waarin deze terreinen voor bedrijven zijn bestemd. Daarbij is gekozen voor een (bruto) begrenzing van de terreinen met inbegrip van de groenstroken rond de terreinen. Met aansluitend wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. De aanwijzing in deze verordening als "grootschalig bedrijventerrein" is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. Het betreft terreinen met een zekere ontwikkelingspotentie gezien de ligging, de ontsluiting en het economisch belang.
De bestaande grootschalige bedrijventerreinen zijn:
Regio De Bevelanden
Hertenweg (gemeente Borsele)
De Poel I en IV, De Poel II en III en Deltaweg (gemeente Goes)
Smokkelhoek en Smokkelhoek II (gemeente Kapelle)
Nishoek en Olzendepolder en De Poort (gemeente Reimerswaal)
Regio Schouwen-Duiveland
Regio Tholen
Regio Walcheren
Arnestein en Mortiere I (gemeente Middelburg)
Kenniswerf (Edisonweg, Binnenhavens), Poortersweg en Souburg (gemeente Vlissingen)
Regio Zeeuws-Vlaanderen
Handelspoort, Koegorspolder en Noorderdokken (gemeente Terneuzen)
Hogeweg en Hogeweg V (gemeente Hulst)
In aanvulling op bovengenoemde bestaande grootschalige bedrijventerreinen is nieuwvestiging van nieuwe grootschalige bedrijventerreinen op grond van deze verordening niet uitgesloten. Bij de indeling tussen grootschalige en kleinschalige terreinen geldt in het algemeen dat kleinschalige bedrijventerreinen ruimte bieden aan bedrijven tot en met milieuhindercategorie 3 en met een kavelgrootte van maximaal 0,5 hectare. Kleinschalige bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats of de omgeving waar het toe hoort. Grootschalige bedrijventerreinen worden over het algemeen gekenmerkt door een grotere kavelgrootte en de mogelijkheid voor het accommoderen van bedrijfsactiviteiten tot en met milieuhindercategorie 4. Bedrijvigheid op grootschalige terreinen heeft veelal een regionale of bovenregionale schaal.
Een omgevingsplan dat nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt, maakt tevens aannemelijk dat de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is en dat duurzaam beheer en onderhoud gewaarborgd is.
Klimaatbestendig wil zeggen dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de mate waarin een gebied bestendig is tegen hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingsrisico’s. Dit uitgangspunt sluit aan bij het landelijke en Zeeuwse beleid voor klimaatadaptatie. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig moet zijn ingericht. In Zeeland is dit met de mede-overheden uitgewerkt in de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland 2021-2026 (KasZ) inclusief bijbehorende Uitvoeringsagenda en convenant. Deze documenten zijn door alle bevoegde gezagen vastgesteld. In beginsel is daarmee elk bevoegd gezag gehouden aan de opgave. In de KasZ staat over het klimaatbestendig inrichten van de buitenruimte dat (…) voor alle nieuwe ontwikkelingen, binnen en buiten het bestaand bebouwd gebied de klimaatopgave verplicht wordt meegenomen in de brede (o.a. ruimtelijke) afweging (…). Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling in eerste instantie vanuit zichzelf klimaatbestendig moet zijn. Daarnaast moet afgewogen worden of de ontwikkeling bij kan dragen aan het oplossen van de klimaatopgave van de omgeving waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt.
Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.
Daarnaast maakt de motivering bij een omgevingsplan, dat nieuwvesting of uitbreiding mogelijk maakt, aannemelijk dat in de woonbehoefte van de toekomstige werknemers wordt voorzien (tweede lid onder sub e). Dit is vooral nodig als er sprake is van een substantiële toename van werkgelegenheid en is nog meer van belang als de verwachting is dat een deel van deze arbeidskrachten in het buitenland geworven zal worden of als de bedrijvigheid veel tijdelijke arbeidskrachten aantrekt. Een dergelijke motivering kan gebaseerd zijn op een effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid, waarvoor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking heeft gemaakt.
Wat een goede landschappelijke inpassing ten behoeve van biodiversiteit en landschap is hangt af van de locatie en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Als indicatie geldt voor een afschermende groengordel een breedte van 10 meter als algemene norm. Dit met een passende hoogte en gebiedseigen soorten. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een plan voor de landschappelijke inpassing dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
Een beschrijving van de ontwikkeling;
Kenmerken van de locatie en visualisaties;
Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, verharding, beplanting, perceelsranden;
Een beheerplan;
Een beplantingslijst.
Kleinschalige bedrijventerreinen hebben beperkte uitbreidingsmogelijkheden. De hoofdregel in lid drie biedt de mogelijkheid voor een eenmalige beperkte afronding, waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Het begrip éénmalig is voor het eerst benoemd in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Eénmalig betekent daarom dat kleinschalige bedrijventerreinen die na 7 november 2018, de datum van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, al zijn uitgebreid niet meer in aanmerking komen voor een verdere uitbreiding. IJkpunt hierbij is de datum van het onherroepelijk worden van het betreffende bestemmingsplan. Ook terreinen die al als afgerond kunnen worden beschouwd, door het bereiken van landschappelijke of infrastructurele grenzen kunnen niet verder uitgebreid worden. Onder een beperkte afronding waaronder wordt verstaan een netto afronding of uitbreiding van ten hoogste 20% of maximaal 0,5 hectare. Onder een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt in ieder geval niet verstaan het verwezenlijken van een gebruikelijke landschappelijke inpassing (groenstrook van 5 tot 10 meter breed). Die maakt immers deel uit van de in artikel 18.1, tweede lid benoemde reguliere eisen die aan dergelijke ontwikkelingen mogen worden gesteld. Tevens wordt opgemerkt dat de verplaatsing van bedrijven uit de kern niet per definitie een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein met zich mee brengt. Onder een verbetering van ruimtelijke kwaliteit wordt onder andere verstaan een meer dan gebruikelijke groenstructuur rond het bedrijventerrein of het oplossen van bedrijfsgerelateerde knelpunten door de aanwezigheid/uitbreiding van het bedrijf op die locatie. Voorbeelden hiervan zijn een aanzienlijke verbetering van de openbare ruimte/de inrichting of de ontsluiting van het terrein of de directe omgeving ervan, het oplossen van hinder door geur, trilling, geluid, stof, het oplossen van knelpunten op het gebied van externe veiligheid, enzovoorts.
Hoewel de hoofdregel in het derde lid staat, zijn er specifieke situaties denkbaar waarin een win-win situatie kan ontstaan voor zowel de ondernemer als de provinciale en algemene belangen en het noodzakelijk is meer dan de norm uit te breiden. Deze situaties zijn altijd per geval te beoordelen.
Het vierde lid biedt de mogelijkheid om meer uit te breiden dan 20%. Bij de beoordeling is het een voorwaarde dat elders in de Provincie Zeeland alle uitbreiding boven de gegeven norm wordt gesaneerd en de mogelijkheid van bedrijfsvestiging uit het omgevingsplan wordt gehaald. Het doel hiervan is dat er netto geen uitbreiding van bedrijventerreinen plaatsvindt. Daarnaast is dit wel een extra mogelijkheid voor bedrijven. De win-win situatie kan met name ontstaan als er naast de eenmalige uitbreiding bovendien aanwezige en/of te verwachten andere knelpunten tegelijkertijd verminderen/oplossen. Daarnaast is deze regeling een instrument om de herstructurering/sanering van verouderde bedrijventerreinen verder te stimuleren.
Het vijfde lid biedt de mogelijkheid van een aanwijzing van een kleinschalig bedrijventerrein als kleinschalig-plus bedrijventerrein. Deze aanwijzing als 'kleinschalig-plus bedrijventerrein' is gebaseerd op de door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's. De kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn bedoeld om meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan lokale economische bedrijvigheid t.b.v. de economische vitaliteit en leefbaarheid van de omliggende kern(en). Kleinschalige-plus bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluiten bij de plaats en omgeving. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein is uitdrukkelijk geen grootschalig bedrijventerrein, door het onderscheid in kavelgrootte, milieucategorie en schaalniveau. Een kleinschalig-plus bedrijventerrein heeft niet de beperking van 20% uitbreiding die kleinschalige bedrijventerrein wel hebben. De overige randvoorwaarden voor ruimte, landschap en ontsluiting zijn gelijk aan die van kleinschalige bedrijventerreinen.
Economie en bedrijvigheid zijn zowel een gemeentelijk als een regionaal vraagstuk. Bedrijfsverplaatsingen vinden voor het grootste deel plaats binnen gemeentegrenzen en met gemeenten in de regio, veelal de buurgemeenten. Grootschalige bedrijventerreinen hebben een regionale en soms bovenregionale functie. De provincie heeft een coördinerende rol in het afstemmingsproces en ziet erop toe dat lokaal beleid in lijn is met de regionale economische ontwikkeling en de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen. De provincie benoemt in lid zes vijf regio's waarbinnen dit afstemmingsproces plaats moet vinden. Dit zijn de regio's Schouwen-Duiveland, Tholen, de Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen.
Afstemming vindt plaats in de regionale bedrijventerreinenprogramma's. Regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gemaakt door de gemeenten in de regio. De door de regio's opgestelde bedrijventerreinenprogramma's behoeven de instemming van gedeputeerde staten. Zonder regionale bedrijventerreinenprogramma's kunnen bedrijventerreinontwikkelingen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Regionale bedrijventerreinafspraken moeten uiterlijk binnen één jaar na de provinciale bedrijventerreinenprognose tot stand zijn gekomen en worden vervolgens tweejaarlijks geactualiseerd. Indien afspraken niet tijdig tot stand komen kunnen gedeputeerde staten regionale bedrijventerreinenprogramma's vaststellen. Dit doen gedeputeerde staten alleen in uitzonderingssituaties in het provinciaal belang.
De regionale bedrijventerreinenprogramma's worden gebaseerd op de dan meest actuele provinciale bedrijventerreinenprognose. Van de inzichten uit de provinciale prognose kan bij het maken van regionale bedrijventerreinenafspraken alleen gemotiveerd worden afgeweken als hier gegronde redenen voor zijn en voor zover de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.
Om op het beleid aan te sluiten moet een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale bedrijventerreinenprogramma's: afspraken over de economische ambitie, plannen en inzet op de bestaande bedrijventerreinenvoorraad (verduurzaming, herstructurering en beter benutten) en een overzicht van alle plannen voor nieuwe bedrijventerreinen met onderscheid naar planstatus en beoogde realisatie.
De hoofdregel dat bedrijven alleen zijn toegestaan op een bedrijventerrein en locaties waarop reeds bedrijven zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, is niet van toepassing op enkele in het vijfdeelfde lid genoemde bedrijven, voorzieningen en activiteiten. Het betreft onder andere specifieke voorzieningen zoals afvalstort, grondstoffenwinning, olie en gaswinning, horeca- en recreatiebedrijven. Daarnaast zijn hier ook genoemd de zogenaamde nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied.
Nieuwe economische dragers en andere niet-agrarische activiteiten in het landelijke gebied
De verwachting bestaat dat een substantieel deel van de agrarische ondernemers de agrarische activiteiten zal beëindigen. Herbestemming of sanering van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om verpaupering te voorkomen. Nieuwe economische dragers leveren een bijdrage aan het behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. De Provincie streeft naar voldoende ruimte voor nieuwe en uitbreiding van bestaande niet- agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Bovendien wil de Provincie onnodige verstening van het landelijk gebied tegengaan. Een nieuwe activiteit dient daarom een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Wat in het landelijk gebied wordt gerealiseerd wordt echter niet in de kern of op een bedrijventerrein gerealiseerd. Dit vraagt om afstemming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied en de mogelijkheden in of aansluitend aan de kernen.
Naast de ontwikkelingsruimte voor wonen en recreatie biedt de Provincie in het landelijk gebied ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe economische dragers. Het gaat per definitie om kleinschalige activiteiten die qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied.
In bijlage III is een voorbeeldlijst opgenomen van mogelijke activiteiten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun omgevingsplan een vergelijkbare lijst opnemen met toegestane activiteiten.
Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun afweging het waterschap betrekken zodat de waterschapsbelangen (verkeersontsluiting) geborgd zijn.
Wanneer realisatie, uitbreiding of nieuwvestiging van een nieuwe economische drager in het landelijk gebied infrastructurele aanpassingen noodzakelijk maken, zijn de kosten voor deze aanpassingen voor rekening van de initiatiefnemer of de gemeente die de ontwikkeling mogelijk maakt. Initiatieven mogen niet leiden tot belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. In het veertiende lid is bepaald dat nieuwvestiging in nieuwe bebouwing is toegestaan als de motivering van het omgevingsplan aannemelijk maakt dat het aantal bouwvlakken in de regio niet toeneemt. Met de regio wordt bedoeld Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, Tholen, Schouwen-Duiveland of de Bevelanden.
Waar de Nieuwe Economische Drager een verblijfsrecreatieve voorziening is, wordt verwacht dat deze voldoet aan een aantal kwalitatieve voorwaarden t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau van logiesaccomodaties.
Waar de Nieuwe Economische Drager een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf is (met bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen, wordt verwacht dat deze voldoet aan een aantal kwalitatieve voorwaarden t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau van ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf. Buiten de kustzone is ruimte voor (nieuwe ontwikkelingen van) Nieuwe Economische Dragers voor recreatief nachtverblijf, maar uitsluitend onder strikte voorwaarden. Zo moet de ontwikkeling beperkt blijven tot 15 eenheden en 60 slaapplaatsen mogen er op dezelfde locatie geen andere ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf aanwezig zijn. Uitgangspunt is ook dat een Nieuwe Economische Drager wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op een bestaand bouwvlak of bij een bestaande woning. Binnen de kustzone is een (nieuwe) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf als Nieuwe Economische Drager alleen mogelijk met het oog op het in stand houden van een cultuurhistorisch waardevol gebouw.
Bij een NED is een uitgangspunt inderdaad (gebruik van) bestaande bebouwing, maar er kan ook sprake zijn van uitbreiding (onder voorwaarden) dan wel nieuwvestiging (onder voorwaarden/sanering). Afhankelijk van bestaand/nieuw/uitbreiding/sanering zal er in relatie met het omringende landschap en dichtheid/omvang bebouwing passendheid moeten worden gezocht. Passend in het landschap kan betekenen dat gebouwen wegvallen in het landschap, evenals dat er aandacht is voor de structuur en karakter van het (oorspronkelijke) erf, voor elementen uit het (cultuurhistorisch) landschap rondom en het DNA van de leefomgeving.
De hier beschreven mogelijkheden zijn niet van toepassing op nieuwvestiging van bedrijven die zich richten op de industriële verwerking van producten. Nieuwvestiging van dergelijke bedrijven is uitsluitend mogelijk op bedrijventerreinen/zeehavens.
Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening legaal aanwezige activiteiten die niet voldoen aan de hiervoor genoemde uitgangspunten mogen in beginsel worden gecontinueerd.
Onder "overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid" worden onder meer begrepen: gemalen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en vergelijkbare milieudienstverlening, radarinstallaties etc.
Lijst nieuwe economische dragers
In het beleid ten aanzien van het realiseren van Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied wordt voor de toegestane activiteiten onderscheid gemaakt in het hergebruiken van bestaande bebouwing en nieuwvestiging. Daar waar het gaat om het hergebruiken van bestaande bebouwing bepaalt de gemeente welke activiteiten kunnen worden toegestaan. Hiertoe neemt de desbetreffende gemeente een lijst met toegestane activiteiten op in het omgevingsplan.
De lijst in bijlage III kan daarbij worden beschouwd als een voorbeeldlijst. Dit is niet het geval voor de mogelijkheden voor nieuwvestiging van een nieuwe economische drager. Daarvoor heeft deze lijst een limitatief karakter. Voor activiteiten waarvoor nieuwvestiging tot de mogelijkheden behoort is dit apart met een X aangegeven. Gemeenten kunnen van de in de tabel voor nieuwvestiging aangegeven activiteiten afwijken voor activiteiten die naar aard, verkeersaantrekking en invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met de in de tabel genoemde activiteiten.
Voorwaarde nieuwvestiging agrarisch bouwvlak
Voor agrarische bedrijven, bedoeld in het vijfde lid artikel 18.1, elfde lid, sub g, van dit artikel, geldt het volgende. In de afgelopen periode is een groot aantal agrarische bedrijven gestopt. Dit is een proces dat de komende jaren zal doorzetten. Vrijkomende agrarische bebouwing wordt hergebruikt door andere (nieuwe) agrarische ondernemers, herbestemd of gesaneerd. Door het afnemend aantal agrarische ondernemers zijn nieuwe agrarische bouwblokken niet noodzakelijk en willen we hiervoor ook geen mogelijkheden bieden om de openheid van het landelijk gebied te beschermen en hergebruik van bouwvlakken te bevorderen. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk in de gevallen zoals die zijn beschreven in het artikel (elfdezeventiende lid). Ook in die gevallen gelden voorwaarden die zijn gericht op behoud van de openheid van het landelijk gebied.
Het gaat dan om gevallen waarin:
Sprake is van verplaatsing binnen een gemeente of regio, mits op het oude bouwblok ten minste alle agrarische opstallen worden gesaneerd en herbouw hiervan wordt tegengegaan of, ingeval van cultuurhistorische waardevolle bebouwing, op adequate wijze wordt herbestemd;
Sprake is van nieuwvestiging en geen vrijkomende agrarische bouwblokken beschikbaar zijn, de bedrijfseconomische noodzaak aantoonbaar is, en een bijdrage wordt geleverd in de sanering van agrarische opstallen elders.
Sanering van een eventueel aanwezige agrarische bedrijfswoning is daarbij niet noodzakelijk.
Voor het bepalen van de bijdrage voor sanering van agrarisch opstallen elders wordt verwezen naar het in 2013 afgesloten convenant tussen de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten (VZG) en de provincie waarbij afspraken zijn gemaakt over het door gemeenten te hanteren vereveningsprincipe, gebaseerd op een bij dat convenant behorende Handreiking Verevening. In de handreiking wordt uitleg gegeven over de achtergronden en de hoogte van de benodigde financiële compensatie en inzet van deze compensatie.
LLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Provincie Zeeland wil de vestiging van grootschalige logistiek en datacentra op ongewenste plekken en met weinig regionale meerwaarde voorkomen. Door de aardGrootschalige logistiek en omvangdatacentra hebben grootschalige logistiek (waaronder distributiecentra)door hun aard en datacentraomvang een grote invloed op de ruimte, het landschap, de energie-infrastructuur en het omliggende wegennet. GrootschaligeVoor grootschalige logistiek en datacentra metgeldt daarom een maximale oppervlakte van meer dan 5 hectare worden daarom niet toegestaan, tenzij kan. Voor datacentra geldt een maximale kaveloppervlakte van 2,5 hectare en een maximale bruto vloeroppervlakte van 50.000 m². Ontwikkelingen die deze grenzen overschrijden worden aangetoond dat de ontwikkeling eenuitsluitend toegestaan indien sprake is van significante regionale meerwaarde heeft. In het geval van logistieke bedrijvigheid moet daarnaast worden voorzien in een goede verkeersontsluiting in afstemming met de wegbeheerder.
Voor datacentra geldt naast een maximale kaveloppervlakte ook een maximum voor de bruto vloeroppervlakte. Een begrenzing uitsluitend op basis van kaveloppervlakte biedt onvoldoende waarborg voor de feitelijke omvang van een datacentrum. Door intensief ruimtegebruik, bijvoorbeeld door hogere of meerlaagse bebouwing, kan binnen een relatief beperkte kavel een aanzienlijk groter datacentrum worden gerealiseerd. Met de combinatie van een maximale kaveloppervlakte en een maximale bruto vloeroppervlakte worden zowel horizontale als verticale schaalvergroting begrensd. Hiermee wordt gewaarborgd dat datacentra die een bepaalde schaal overschrijden onderwerp zijn van een provinciale afweging.
Het is ongewenst dat meerdere bedrijfskavels zodanig (kunnen) worden samengevoegd dat daardoor alsnog aaneengesloten bedrijfskavels ontstaan met een totale omvang grotergrotere oppervlakte dan 5 hectaretoegestaan in het eerste lid onder a en b. Dit is geregeld in het eerste lid onder sub bc en d. Gemeenten kunnen op grond van het tweede lid Gedeputeerde Staten verzoeken om ontheffing te verlenen van het eerste lid.
Om te beoordelen of sprake is van een significante regionale meerwaarde worden een aantal criteria gehanteerd die aansluiten bij de provinciale doelen uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. De beoordeling vindt plaats naar de aard van de voorgenomen ontwikkeling. Niet ieder beoordelingsaspect zal voor iedere ontwikkeling in gelijke mate relevant zijn.
1. Regionale binding: onderbouwd moet worden in hoeverre er reeds sprake is van regionale binding of hoe het bedrijf die binding tot stand wil brengen (beoordelingsaspecten: binding van de eindgebruiker aan de bedrijfskavel, inzicht in het aantal en de herkomst van de werknemers, relatie met afnemers of toeleveranciers in de regio, relatie met Zeeuwse kennis- en onderwijsinstellingen).
2. Maatschappelijke en economische meerwaarde: onderbouwd moet worden dat de vestiging of uitbreiding van het bedrijf maatschappelijke en economische meerwaarde heeft (beoordelingsaspecten: aansluiting bij bestaande clusters of versterking van de regionaal economische structuur, innovatieniveau van product of dienst, aansluiting bij regionale arbeidsmarkt, mate van circulariteit en duurzaamheid).
3. Wijze van benutten schaarse ruimte (fysiek, milieu en energie) en landschappelijke inpassing: onderbouwd moet worden dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en goede landschappelijke inpassing (beoordelingsaspecten: intensiteit ruimtegebruik (fysiek, milieu en energie), toegevoegde waarde per hectare, kwaliteit van de inpassing in de omgeving).
De beoordelingsaspecten dienen voldoende onderbouwd te worden om te kunnen concluderen dat er sprake is van een significante regionale meerwaarde. Het gaat hierbij om een integrale afweging per potentiële (nieuw)vestiger. Er is dus een significante mate van regionale binding en maatschappelijke- en economische meerwaarde vereist in combinatie met een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing op de nieuwe (of uit te breiden) bedrijfslocatie. Daarbij dient de eindgebruiker van de nieuwe bedrijfsvestiging bekend te zijn, anders is het toetsen of er sprake is van regionale meerwaarde niet mogelijk. De verantwoordelijkheid voor de onderbouwing ligt bij de gemeente, al dan niet in afstemming met de initiatiefnemer.
MMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt ruimte geboden aan loonwerkbedrijven in het landelijk gebied. De begripsbepaling van loonwerkbedrijf is opgenomen in bijlage I behorende bij artikel 1.1 van deze verordening. Alleen bedrijven die loonwerk in het landelijk gebied als hoofdactiviteit verrichten vallen onder de begripsbepaling. Bedrijven die dit type werkzaamheden als neventak verrichten vallen onder artikel 5.1 artikel 18.1, vijfde elfde lid, onder h en bijlage III bij deze verordening (regeling voor de vestiging van nieuwe economische dragers).
In het eerste lid zijn de voorwaarden opgenomen die gelden voor nieuwvestiging van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied.
De activiteiten op een loonwerkbedrijf gaan gepaard met verkeersbewegingen van grote landbouwmachines. Vaak over grotere afstanden tussen agrarische percelen en het bedrijf. Om deze verkeersbewegingen te bundelen op wegen die daarvoor geschikt zijn, kan gebruik worden gemaakt van het voorgeschreven netwerk uit het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland. De meest recente versie van dit netwerk is in 2022 opgesteld (www.kaarten.zeeland.nl/map/verkeersintensiteiten).
In het tweede lid zijn de voorwaarden opgenomen die gelden voor uitbreiding van een loonwerkbedrijf in het landelijk gebied.
Voor zowel nieuwvestiging als uitbreiding geldt dat de ontwikkeling niet ten koste mag gaan van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het betreffende gebied en dat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en een goede verkeersontsluiting in afstemming met de wegbeheerder.
NNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie stelt zichzelf ten doel een sterk netwerk van laad- en loslocaties ten behoeve van de binnenvaart te behouden. Ingezet wordt op regionale dekking, kwaliteit en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. Provinciaal belang is gelegen in het behoud van een sterk provinciaal netwerk van laad en losfaciliteiten voor de binnenvaart. Dit betekent behoud van de bestaande binnenhavens in Zeeland. In artikel 5.2 artikel 18.4 is hiertoe een instructieregel opgenomen. Geregeld is dat een functieverandering van één van de bestaande binnenhavens en loswallen alleen acceptabel is als er binnen 30 kilometer (over de weg) voldoende en passende overslagmogelijkheden of mogelijkheden voor bedrijfsvestiging zijn om de daar plaatshebbende overslag en gevestigde watergebonden bedrijven op te vangen.
OOOOOO
Voor sectie 18.6 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In afdeling 18.2 zijn belangrijke onderdelen van het detailhandelsbeleid verwoord. Behoud en versterking van het aanbod aan detailhandelsvoorzieningen en bundeling en concentratie die bijdraagt aan de vitaliteit van binnensteden en dorpscentra worden als elementen van provinciaal belang aangemerkt. Het beleidsdoel is bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden. Dit draagt bij aan het bevorderen van de leefbaarheid van de binnensteden en dorpscentra en het voorkomen van leegstand in deze gebieden.
Onder nieuwe detailhandelsvoorzieningen wordt mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. In de toelichting bij een omgevingsplan waarin nieuwe detailhandelsvoorzieningen, met inbegrip van de uitbreiding van bestaande voorzieningen, worden toegelaten, wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden.
Detailhandel buiten de kern van steden en dorpen kan alleen als de winkels te groot zijn voor het kernwinkelgebied of de producten te risicovol of volumineus (bijvoorbeeld meubels) zijn.
PPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 18.6 is bepaald dat een nieuwe detailhandelsvoorziening en uitbreiding van een bestaande detailhandelsvoorziening, primair kan worden gerealiseerd in een bestaand kernwinkelgebied. Een omgevingsplan dat geen bijdrage levert aan bundeling en concentratie is in beginsel strijdig met het beleidsdoel. Hierop zijn wel enkele uitzonderingen benoemd in de artikelen 5.4 tot en met 5.6 artikelen 18.6 tot en met 18.8. Hierbij bestaat wel afwegingsruimte. Bijvoorbeeld een supermarkt die ruimtelijk (in verband met omvang en verkeersontsluiting) aantoonbaar niet inpasbaar is in het kernwinkelgebied mag op enige afstand van het kernwinkelgebied, binnen stedelijk gebied worden toegestaan. Ook een bestaande winkel buiten het kernwinkelgebied kan enige ontwikkelingsruimte worden geboden. Hiervoor is wel een goede motivering nodig omdat een dergelijke situatie per definitie niet bijdraagt aan bundeling en concentratie in het kernwinkelgebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval een zorgvuldige belangenafweging dient te worden gemaakt.
Wat de motiveringsplicht betreft zoals opgenomen in het tweede lid wordt nog het volgende opgemerkt. Een beperkte uitbreiding of een nieuwvestiging van beperkte omvang vergt geen uitvoerige motivering. Naarmate de inbreuk op het geldende planologisch regime geringer is worden er ook minder zware eisen gesteld aan de motivering. Bij het toelaten van detailhandelsvoorzieningen binnen een kernwinkelgebied (binnenstad, dorpscentrum) is geen motivering per individuele winkel noodzakelijk maar kan worden volstaan met een algemene motivering die betrekking heeft op het desbetreffende gebied.
In het derde lid zijn enkele specifieke detailhandelsvoorzieningen opgenomen die onder voorwaarden ook buiten een bestaand kernwinkelgebied kunnen worden gerealiseerd. Onder volumineuze goederen worden verstaan: auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen en naar aard en omvang vergelijkbare goederen. Onder gevaarlijke goederen worden begrepen explosiegevaarlijke goederen, bestrijdingsmiddelen en naar aard vergelijkbare goederen. Handel in volumineuze en gevaarlijke goederen wordt doorgaans op bedrijventerreinen aan de rand van de stad gevestigd.
Onder een kleinschalige detailhandelsvoorziening wordt verstaan: een kleinschalige voorziening met een verzorgingsgebied dat zich in hoofdzaak beperkt tot de dorpskern.
Een voorbeeld van functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is: een benzinestation langs een (rijks)weg.
QQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Wonen is een regionaal vraagstuk. Verhuisbewegingen vinden voor het grootste deel plaats binnen gemeentegrenzen en vervolgens met gemeenten in de regio, veelal de buurgemeenten. De provincie heeft een coördinerende rol. In de Zeeuwse Woondeal is afgesproken dat de provincie Zeeland een coördinerende rol vervult in het afstemmingsproces en erop toeziet dat lokaal beleid in lijn is met de afspraken uit de woondeal. In het Ontwerp-besluit versterking regie volkshuisvesting wordt dit bovendien juridisch verankerd. Daartoe wijst de provincie vijf regio’s aan waarbinnen dit afstemmingsproces plaats moet vinden. Dit zijn de regio’s Schouwen-Duiveland, Tholen, De Bevelanden, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen.
Wonen is een regionaal vraagstuk. Verhuisbewegingen vinden grotendeels plaats binnen gemeenten en tussen nabijgelegen gemeenten. Voor een evenwichtige ontwikkeling van de woningvoorraad en een doelmatige inzet van plancapaciteit is samenwerking op regionaal niveau noodzakelijk.
Met de Wet versterking regie op de volkshuisvesting wordt deze regionale samenwerking juridisch verankerd. Provinciale Staten wijzen op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) één of meer woningbouwregio’s aan in de omgevingsverordening. Binnen deze woningbouwregio wordt de gezamenlijke woningbouwopgave bepaald en moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, waaronder de doelstellingen voor betaalbaarheid.
In deze verordening is ervoor gekozen om de provincie Zeeland aan te wijzen als één woningbouwregio. Daarmee wordt aangesloten bij de bestaande Zeeuwse samenwerking, onder meer in het kader van de Zeeuwse Woondeal en de regionale afstemming over woningbouw. Deze schaal sluit aan bij de omvang van de woningmarkt, de benodigde plancapaciteit en de gewenste samenhang in de programmering van de woningbouw.
Binnen de Zeeuwse woningbouwregio worden vijf subregio’s onderscheiden: Walcheren, De Bevelanden, Zeeuws-Vlaanderen, Schouwen-Duiveland en Tholen. Deze subregio’s sluiten aan bij bestaande bestuurlijke en functionele samenwerkingsverbanden, zijn in geografisch opzicht met elkaar verbonden en vormen een werkbaar schaalniveau voor de verdere uitwerking van de woningbouwopgave.
De subregio’s vormen het schaalniveau waarop gemeenten gezamenlijk uitvoering geven aan de programmering van de woningbouwopgave. Op dit niveau vindt de afstemming plaats over woningbouwplannen, de fasering en de verdeling van woningbouw over locaties en segmenten (betaalbaarheid en wonen en zorg). Hiermee wordt de regionale opgave concreet gemaakt en wordt bijgedragen aan een doelmatige inzet van plancapaciteit.
De aanwijzing van subregio’s doet geen afbreuk aan de positie van de woningbouwregio als juridisch kader. De woningbouwregio blijft het niveau waarop de gezamenlijke opgave wordt bepaald en waarop moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. Binnen deze kaders vindt de nadere uitwerking in Zeeland plaats via de subregio’s, de regionale woonafspraken en de volkshuisvestingsprogramma’s.
De regionale woonafspraken (artikel 18.10) en de volkshuisvestingsprogramma’s (artikel 18.11) vervullen daarbij ieder een eigen rol. De regionale woonafspraken vormen het instrument waarin gemeenten en provincie in subregionaal verband afspraken maken over de verdeling en afstemming van de woningbouwopgave. De volkshuisvestingsprogramma’s bevatten de uitwerking van deze opgave in concrete maatregelen en beleidskeuzes per gemeente.
Deze bepaling ziet uitsluitend op de indeling van de woningbouwregio en de organisatie van de woningbouwprogrammering. De aanwijzing van een woningmarktregio op grond van de Huisvestingswet 2014 behoort tot de bevoegdheid van gedeputeerde staten.
RRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zonder regionale woonafspraken kunnen woningbouwontwikkelingen vanaf vier woningen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Om het afstemmingsproces te stroomlijnen worden woonafspraken gemaakt binnen de aangewezen woningbouwregio’s. Regionale woonafspraken worden gemaakt door de gemeenten in de regio en de provincie Zeeland. Er is sprake van regionale woonafspraken zodra gedeputeerde staten van de provincie Zeeland hiermee per brief instemmen. Regionale woonafspraken moeten uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van deze verordening (op 1 januari 2025) tot stand zijn gekomen en worden vervolgens jaarlijks geactualiseerd. Indien afspraken niet tijdig tot stand komen kunnen gedeputeerde staten regionale woonafspraken vaststellen. Dit doen gedeputeerde staten alleen in uitzonderingssituaties in het provinciaal belang.
Uitgangspunten voor het maken van regionale woonafspraken
Bij de regionale woonafspraken worden de dan meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland (KWOZ) en de provinciale planmonitor wonen betrokken (zie ook paragraaf 5.3.4). Van de inzichten uit de provinciale prognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen kan bij het maken van regionale woonafspraken alleen gemotiveerd worden afgeweken als hier gegronde redenen voor zijn en voor zover de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.
Regionale woonafspraken vormen in Zeeland het instrument waarmee gemeenten in subregionaal verband invulling geven aan de onderlinge afstemming van de woningbouwopgave. Deze afspraken zorgen voor een concrete verdeling en programmering van de woningbouwopgave binnen de woningbouwregio.
De regionale woonafspraken worden voorafgaand aan en in samenhang met de gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s opgesteld. Zij vormen daarmee een belangrijke schakel in de uitwerking van de woningbouwopgave, waarbij de gezamenlijke opgave wordt vertaald naar concrete afspraken tussen gemeenten binnen een subregio. Deze werkwijze sluit aan bij de Zeeuwse praktijk van samenwerking en bij de behoefte om de woningbouwopgave eerst regionaal te concretiseren, voordat deze wordt uitgewerkt in gemeentelijk beleid.
De woningbouwregio vormt het juridisch kader waarbinnen moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), onder meer ten aanzien van de woningbouwopgave en de betaalbaarheid. De regionale woonafspraken vormen het instrument waarmee gemeenten onderling afspraken maken om deze doelstellingen gezamenlijk te realiseren.
De regionale woonafspraken hebben daarmee een verbindende rol tussen de provinciale kaders en de gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s. Zij zorgen voor samenhang, een evenwichtige verdeling van de opgave en een uitvoerbare programmering van de woningbouw.
Gedeputeerde staten kunnen, indien noodzakelijk, toepassing geven aan de instrumenten uit afdeling 2.5 van de Omgevingswet. Het gaat daarbij onder meer om instructieregels en instructies ter borging van de provinciale belangen op het gebied van volkshuisvesting. Deze bevoegdheden worden uitsluitend ingezet indien gemeenten er onderling niet in slagen om tot een evenwichtige, uitvoerbare en met de provinciale doelstellingen verenigbare programmering van de woningbouwopgave te komen.
Lid 1
Het eerste lid bepaalt dat gemeenten binnen de woningbouwregio in subregionaal verband gezamenlijk regionale woonafspraken maken. Hiermee wordt aangesloten bij de Zeeuwse werkwijze, waarbij de woningbouwopgave niet alleen op regionaal niveau, maar ook op subregionaal niveau wordt geconcretiseerd. Dit draagt bij aan de uitvoerbaarheid en onderlinge afstemming van woningbouwplannen.
Lid 2
Het tweede lid bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders de regionale woonafspraken vast moeten stellen en gedeputeerde staten hierover informeren door de vastgestelde stukken toe te zenden. Gedeputeerde staten vervullen hierbij een regisserende en toezichthoudende rol en bewaken de samenhang met de provinciale en landelijke volkshuisvestelijke doelstellingen.
Lid 3
Het derde lid regelt de uitgangspunten bij het maken van de regionale woonafspraken. Bij het opstellen van de regionale woonafspraken worden de op dat moment meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland (KWOZ) en de provinciale planmonitor wonen betrokken (zie ook de artikelen 20.5 tot en met 20.7). Deze vormen de gezamenlijke feitenbasis voor de regionale woonafspraken.
130% programmeren
Lid 4
Het vierde lid bepaalt dat indien van de inzichten uit de provinciale prognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen wordt afgeweken, dit moet worden gemotiveerd. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze de gekozen uitgangspunten zich verhouden tot de regionale woningbehoefte en de uitvoerbaarheid van de woningbouwopgave.
In aansluiting op de Zeeuwse woondeal wordt bij de regionale woonafspraken ingezet op 130% programmeren van de behoefte. Hiermee kan planuitval worden opgevangen en worden doorgebouwd. Hiervoor beschikken woningbouwregio’s over 130% plancapaciteit ten opzichte van de behoefte voor de komende tien jaar. Bij de plancapaciteit gaat het over alle plannen, zowel hard (onherroepelijk) als zacht. Richtlijn is voor de komende vijf jaar 100% harde plancapaciteit te hebben om de bouwstroom op gang te houden.
Realisatie woningbouwplannen
Om realisatie van woningbouwplannen te bevorderen wordt onbenutte plancapaciteit voor woningbouw die reeds vijf jaar niet is benut bij de regionale woonafspraken heroverwogen en waar nodig geschrapt uit het omgevingsplan. Hiermee wordt ruimte gemaakt voor plannen die wel gerealiseerd worden. De provinciale prognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor vormen de uitgangspunten bij deze heroverweging. Gemeenten worden aangemoedigd in plan- en contractvorming te sturen op realisatie van woningen. Wanneer uit de heroverweging blijkt dat een plan niet in een behoefte voorziet maakt de gemeente een plan van aanpak waarmee het woningbouwplan ofwel in een behoefte gaat voorzien ofwel geschrapt wordt. In dit laatste geval wordt ook aangegeven hoe dit met maximale voortvarendheid gaat conform de provinciale beleidsnotitie ruimte voor woonkwaliteit. De vijfjaarsperiode gaat in bij het onherroepelijk worden van het betreffende plan.
Lid 5
Het vijfde lid benoemt de onderwerpen die in ieder geval in de regionale woonafspraken worden opgenomen. Het gaat daarbij om de verdeling van de woningbouwopgave, programmering naar betaalbaarheid, spreiding van woningbouwlocaties en de programmering en verdeling van woningen voor aandachtsgroepen en wonen met zorg.
Deze onderwerpen hangen samen met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin is bepaald dat op regionaal niveau moet worden voldaan aan doelstellingen voor onder meer betaalbaarheid en de huisvesting van aandachtsgroepen. De regionale woonafspraken vormen het instrument waarmee gemeenten binnen de subregio onderling afspraken maken om deze doelstellingen gezamenlijk te realiseren en onderling te verdelen.
Lid 6
Het zesde lid regelt dat gemeenten die als enige gemeente deel uitmaken van een subregio zelfstandig invulling geven aan de onderwerpen uit het derde lid in hun volkshuisvestingsprogramma. Hiermee wordt voorkomen dat deze gemeenten, Schouwen-Duiveland en Tholen, worden verplicht om regionale woonafspraken op te stellen zonder dat sprake is van een feitelijk samenwerkingsverband. Deze gemeenten zijn onderdeel van de woningbouwregio en dragen bij aan de gezamenlijke opgave, maar geven hieraan zelfstandig invulling binnen hun eigen volkshuisvestingsprogramma.
Lid 7
Het zevende lid bepaalt dat de regionale woonafspraken het uitgangspunt vormen voor het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma en worden betrokken bij de actualisatie daarvan. Hiermee wordt geborgd dat de regionale afspraken doorwerken in het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan. Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat de regionale woonafspraken en het volkshuisvestingsprogramma in samenhang worden opgesteld, waarbij de regionale afspraken richting geven aan de gemeentelijke uitwerking in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma.
Lid 8
Het achtste regelt dat de regionale woonafspraken ten minste eenmaal per drie jaar worden geactualiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de dynamiek van de woningbouwopgave en de gebruikelijke beleidscycli. Een periodieke actualisatie is noodzakelijk om in te kunnen spelen op veranderingen in de woningmarkt, de voortgang van woningbouwprojecten en nieuwe beleidsontwikkelingen.
SSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Om het beleid aan te laten sluiten op afspraken uit de woondeal moeten een aantal onderwerpen minimaal terugkomen in de regionale woonafspraken. Hiermee wordt aangesloten op de onderwerpen uit de woondeal en voorgesorteerd op het Ontwerp-besluit versterking regie volkshuisvesting. Regionale woonafspraken vormen daarmee de doorvertaling van afspraken uit de woondeal en vormen een bouwsteen voor lokaal woonbeleid.
In regionale woonafspraken worden in ieder geval afspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:
De plannen, realisatie en verdeling van de kwantitatieve woningbouwopgave, dit betreft in ieder geval een overzicht van alle plannen voor woningbouw met onderscheid naar planstatus;
De plannen, realisatie en verdeling van de kwalitatieve woningbouwopgave, waaronder ook de woon(zorg)opgave voor ouderen en aandachtsgroepen;
De plannen, realisatie en verdeling van woningen in de betaalbare koop, middenhuur, sociale huur, dure koop en dure huur;
De plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad;
Regionale afstemming over woningbouwontwikkelingen die zijn voorzien buiten bestaand stedelijk gebied.
Aandachtsgroepen zijn omschreven in het programma ‘Een thuis voor iedereen’ dat valt onder de Nationale Woon- en Bouwagenda.
De begrippen sociale huurwoning, betaalbare koop, middenhuur en dure koop/huur zijn omschreven in de begrippenlijst van de rijksoverheid, zie Dashboard - Begrippenlijst - Nederland (datawonen.nl).
Gedeputeerde staten zorgen voor een format als houvast bij te maken regionale woonafspraken.
Arbeidsmigranten zijn aangeduid als aandachtsgroep vanwege hun kwetsbare positie op de woningmarkt. Het is wenselijk dat gemeenten als onderdeel van de regionale woonafspraken integraal beleid opstellen voor de huisvesting van arbeidsmigranten als basis voor (de actualisatie van) de gemeentelijke woonzorgvisie en het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma.
Dit artikel geeft een nadere invulling aan de inhoud van het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma, zoals bedoeld in artikel 4.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De daarin opgenomen eisen vormen het wettelijke kader voor de inhoud van het volkshuisvestingsprogramma. Dit artikel bevat geen zelfstandige aanvullende inhoudelijke eisen ten opzichte van het Bkl, maar concretiseert welke aspecten gemeenten vanwege provinciale belangen in Zeeland expliciet moeten betrekken en motiveren bij het opstellen van hun volkshuisvestingsprogramma.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
Provinciale accenten op onderwerpen die reeds onderdeel uitmaken van de instructieregels van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl); en
Aanvullende Zeeuwse aandachtspunten die van belang zijn voor de woningmarkt, de woningvoorraad en de uitvoerbaarheid van de woningbouwopgave in Zeeland.
De regionale woonafspraken (artikel 18.10) vormen de basis voor de verdeling en afstemming van de woningbouwopgave binnen de woningbouwregio. Het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma bevat de gemeentelijke uitwerking hiervan in beleid, programmering en maatregelen.
Lid 1
Het eerste lid bepaalt dat gemeenten bij het opstellen van hun volkshuisvestingsprogramma invulling geven aan de provinciale woningbouwopgave in samenhang met de woningbouwregio en de subregio. Hiermee wordt geborgd dat de gemeentelijke uitwerking aansluit bij de regionale woonafspraken en de provinciale woningbouwopgave en dat samenhang bestaat tussen de verschillende schaalniveaus.
Lid 2
Het tweede lid bevat provinciale accenten op onderwerpen die reeds onderdeel uitmaken van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hiermee wordt verduidelijkt welke aspecten gemeenten in Zeeland in ieder geval expliciet betrekken bij de uitwerking van hun volkshuisvestingsprogramma.
Het tweede lid onder a (plancapaciteit) bepaalt dat gemeenten dienen te zorgen voor een plancapaciteit van ten minste 130% van de woningbouwopgave. Onder een plancapaciteit van 130% wordt verstaan een programmering die rekening houdt met planuitval en fasering, zodat gedurende de gehele planperiode voldoende harde en zachte plannen beschikbaar zijn om de woningbouwopgave te realiseren. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun volkshuisvestingsprogramma inzichtelijk maken hoe zij hier invulling aan geven.
Onderdeel b (borging betaalbaarheid) ziet op de wijze waarop gemeenten de betaalbaarheid van woningen juridisch, planologisch en programmatisch borgen. Het gaat daarbij om de vertaling van de betaalbaarheidsdoelstellingen naar concrete instrumenten en maatregelen, zoals regels in het omgevingsplan, anterieure overeenkomsten en de inzet van het gemeentelijk grondbeleid. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting, waarin niet alleen de programmering van betaalbare woningen, maar ook de daadwerkelijke realisatie en instandhouding daarvan centraal staat.
Onderdeel c ziet op het beter benutten, aanpassen en doorontwikkelen van de bestaande woningvoorraad. De bestaande woningvoorraad biedt veel kansen om de woningvoorraad te vergroten en daarmee ook de kwaliteit van wijken en voorzieningen te vergroten en te behouden. Gemeenten betrekken daarom expliciet de mogelijkheden voor transformatie, splitsen en optoppen.
Onderdeel d ziet op het kwalitatief op peil houden van de bestaande woningvoorraad. In Zeeland vormt de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad een van de belangrijk onderdelen van de volkshuisvestelijke opgave. Daarom is het belangrijk dat gemeenten in hun volkshuisvestingsprogramma duidelijk maken welke aanpak zij hebben op o.a.:
De verduurzamingsopgave:
Het levensloopbestendig maken van woningen; en
De leefbaarheid van wijken en dorpen.
Hiermee wordt beoogd dat de bestaande woningvoorraad niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief blijft aansluiten op de huidige en toekomstige woonbehoefte.
Onderdeel e ziet op de regionale afstemming van wonen met zorg en de huisvesting van aandachtsgroepen. Binnen deze aandachtsgroepen wordt onderscheid gemaakt tussen urgente en niet-urgente aandachtsgroepen.
Voor urgente aandachtsgroepen geldt op grond van de Huisvestingswet 2014 en de Wet versterking regie volkshuisvesting een verplichting tot regionale afstemming en evenwichtige verdeling via de urgentieregeling en de huisvestingsverordening. De daarmee samenhangende fair share-afspraken over de huisvesting van aandachtsgroepen behoren eveneens een plaats te krijgen in het volkshuisvestingsprogramma en de regionale woonafspraken.
Daarnaast wordt in Zeeland specifiek aandacht gevraagd voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten vormen voor Zeeland een belangrijke aandachtsgroep vanwege hun betekenis voor de regionale economie, onder meer in sectoren als haven, logistiek, industrie, landbouw en recreatie.
Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun volkshuisvestingsprogramma aandacht besteden aan:
de aard en omvang van de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten;
de kwaliteit en geschiktheid en het beheer van de huisvestingsvoorzieningen;
de wijze waarop wordt bijgedragen aan de regionale afstemming van deze opgave;
de effecten van de huisvesting van arbeidsmigranten op de leefbaarheid en de woningmarkt;
de wijze waarop zicht wordt gehouden op feitelijke bewoning en gebruik van huisvestingslocaties; en
de wijze waarop handhaving, draagvlak, integratie en toegang tot zorg en voorzieningen worden betrokken bij de huisvestingsopgave.
Daarbij is van belang dat de huisvesting van arbeidsmigranten op een goede en verantwoorde wijze plaatsvindt, dat de leefbaarheid van wijken en dorpen niet onder druk komt te staan en dat verdringing op de woningmarkt zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Lid 3
Het derde lid bevat aanvullende Zeeuwse aandachtspunten die gemeenten, voor zover relevant voor de lokale woningmarkt en woningvoorraad, in beeld brengen en betrekken bij hun volkshuisvestingsprogramma.
Onderdeel a (wonen en recreatie) ziet op de relatie tussen wonen en recreatie en de invloed van tweede woningen en toeristische verhuur op de beschikbaarheid van woningen. In Zeeland kan recreatief gebruik van woningen invloed hebben op de beschikbaarheid van woonruimte. Gemeenten brengen deze effecten, voor zover relevant voor de lokale woningmarkt, in beeld en motiveren of en op welke wijze zij hierop sturen. Dit beleid bevat tenminste:kan, indien passend, plaatsvinden via instrumenten zoals het omgevingsplan of de huisvestingsverordening.
In onderdeel b (onbenutte plancapaciteit) wordt van gemeenten gevraagd de beschikbare en onbenutte plancapaciteit in beeld te brengen, in het bijzonder plancapaciteit die gedurende een periode van vijf jaar niet tot realisatie is gekomen. De vijfjaarsperiode gaat in bij het onherroepelijk worden van het plan. Indien sprake is van dergelijke plancapaciteit, wordt van gemeenten verwacht dat zij motiveren hoe hiermee wordt omgegaan. Dit kan inhouden dat plannen alsnog worden gerealiseerd, aangepast of heroverwogen. Indien blijkt dat een plan niet (meer) in een behoefte voorziet, ligt het in de rede dat deze plancapaciteit wordt aangepast of beëindigd in het omgevingsplan. Met deze bepaling wordt beoogd dat de beschikbare plancapaciteit actueel en realistisch blijft en dat ruimte wordt gemaakt voor plannen die daadwerkelijk bijdragen aan de woningbouwopgave.
Lid 4
Lid vier bepaalt dat gemeenten de verdeling van de woningbouwopgave naar betaalbaarheid, wonen met zorg en de huisvesting van aandachtsgroepen uitwerken in overeenstemming met de regionale woonafspraken. Hiermee wordt geborgd dat de regionale afspraken doorwerken in de gemeentelijke programmering en uitvoering van het woonbeleid.
Lid 5
In lid vijf wordt bepaald dat indien binnen een subregio de programmering onvoldoende is om te voldoen aan de geldende instructieregels voor betaalbaarheid uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, de betrokken gemeenten binnen de subregio er zorg voor dragen dat dit tekort binnen de woningbouwregio wordt gecompenseerd. Hiermee wordt geborgd dat binnen de woningbouwregio gezamenlijk wordt voldaan aan de instructieregels voor betaalbaarheid, terwijl er ruimte blijft bestaan voor verschillen tussen subregio’s en gemeenten in de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven. Gemeenten maken hierover onderling afspraken binnen de woningbouwregio. De afspraken over deze compensatie maken onderdeel uit van de regionale woonafspraken en worden daarmee tevens betrokken bij de toezending aan gedeputeerde staten.
Lid 6
Lid zes verplicht gemeenten om de gemaakte keuzes en afwegingen expliciet te motiveren in hun volkshuisvestingsprogramma. Dit draagt bij aan transparantie, regionale afstemming en de mogelijkheid voor de provincie om haar regierol uit te oefenen.
TTTTTT
Na sectie 18.11 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
UUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ruim baan voor woningbouw binnen stedelijk gebied
Alle woningbouwplannen die voorzien in vier of meer woningen moeten onderdeel zijn van de regionale woonafspraken. Aan woningbouw binnen stedelijk gebied (waaronder ook ontwikkelingen van minder dan vier woningen) wordt ruim baan geboden, ze maken programmatisch en getalsmatig wel deel uit van de regionale woonafspraken.
Woningbouwontwikkelingen binnen stedelijk gebied die (nog) geen onderdeel zijn van de regionale woonafspraken, kunnen in het omgevingsplan worden opgenomen als regiogemeenten en gedeputeerde staten hierover zijn geïnformeerd en worden vervolgens in de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonafspraken meegenomen.
Woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied vanaf vier woningen worden alleen toegelaten in het omgevingsplan als hierover regionale afstemming heeft plaatsgevonden en deze ontwikkeling als zodanig is opgenomen in de regionale woonafspraken. Als een woningbouwontwikkeling buiten stedelijk gebied geen onderdeel is van regionale woonafspraken kan een omgevingsplan vooruitlopend op de actualisatie toch worden toegelaten als regiogemeenten hun zienswijzen hebben kunnen geven en gedeputeerde staten hiermee instemmen.
[Vervallen]
VVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeester en wethouders documenteren in het monitorsysteem van initiatieffase tot realisatie. Burgemeester en wethouders dragen daarbij minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de actualiteit van de documentatie in het monitorsysteem. Van deze uitgangspunten kan alleen gemotiveerd worden afgeweken mits hier gegronde redenen voor zijn en de bij de regionale afspraken betrokken partijen hiermee akkoord zijn.
Burgemeester en wethouders documenteren in het monitorsysteem van initiatieffase tot realisatie. Burgemeester en wethouders dragen daarbij minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de actualiteit van de documentatie in het monitorsysteem.
WWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1a: Onderbouwing binnen of buiten stedelijk gebied
Als woningen worden gebouwd buiten stedelijk gebied gaat dit ten koste van andere functies en heeft het gevolgen voor het landschap. Dit vraagt om een goede afweging van alle belangen. Om deze afweging te kunnen maken geeft de Zeeuwse Omgevingsvisie een viertal afwegingsfactoren die hiervoor ingezet kunnen worden. Vooral belangrijk in dit kader zijn de factoren ‘Doe meer met minder grond’, waarbij wordt gepleit om nieuw ruimtebeslag op land en water zoveel mogelijk te beperken en te combineren, en ‘Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten’, waarbij wordt gepleit om van elke verandering een verrijking te maken met behulp van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Dit is ook vertaald in subdoelen 1 en 2 onder paragraaf 7.3 (deel B). Hierin gaat het om het bereiken van toekomstbestendige woongebieden op de goede plek, bundeling van functies voor het uitlokken van gezond gedrag, duurzaamheid en veiligheid.
Voor woningbouwontwikkelingen die volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangemerkt kunnen worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt een zwaardere motivatieplicht. Een woningbouwontwikkeling van 12 of meer woningen geldt in 2024 nog als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is daarom ‘ladderplichtig’. Met ingang van de wet versterking regie op de volkshuisvesting ligt de grens waarschijnlijk op 50 woningen. Voor woningbouwontwikkelingen die boven deze grens liggen geldt een wettelijke motivatievereiste. Aangetoond moet worden dat de woningbouwontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Om gemeenten hierbij te ondersteunen is het Dashboard ladderruimte en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland beschikbaar.
Bij woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met een omvang van minder dan 50 woningen is het nodig om aan te tonen dat deze ontwikkeling redelijkerwijs niet binnen stedelijk gebied plaats kan vinden. Het gaat hierbij om een lichte vorm van een ruimtelijke afweging van belangen en functies, met gebruik van de omgevingsfactoren en kernkwaliteiten uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. Het volkshuisvestelijke belang, (versnelling woningbouw, betaalbaarheid, woningen voor aandachtsgroepen) weegt hierbij zwaar. Een uitgebreide locatiestudie is dan ook niet nodig.
Voor woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied met meer dan 50 woningen wordt een uitgebreidere toelichting gevraagd. Om te kunnen voldoen aan de motivatievereiste van de Ladder voor duurzame verstedelijking en voor een goede regionale afstemming is een uitgebreide locatiestudie nodig. Het gaat hierbij om een afweging van eventuele alternatieve locaties binnen de marktregio van de woningbouwontwikkeling. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties spelen hierbij een rol.
Als de woningen buiten het stedelijk gebied worden geprojecteerd, wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk gebied te bouwen. De beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen stedelijk gebied spelen hierbij een rol. Redenen dat binnen stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn, gaan bijvoorbeeld over:
kwalitatieve aspecten van de behoefte bijvoorbeeld woonmilieus die niet binnen stedelijk gebied passen, zoals waterrijk wonen, grote landgoederen;
andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of volgens ruimtelijk beleid, zoals in de omgevingsvisie, worden beoogd, bijvoorbeeld park, maatschappelijke functie, andere woonplannen die later worden beoogd;
aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplaatsen, bijvoorbeeld voor milieuaspecten die zich voordoen op inbreidingslocaties.
kwalitatieve aspecten van de behoefte bijvoorbeeld woonmilieus die niet binnen stedelijk gebied passen, zoals waterrijk wonen, grote landgoederen;
andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of volgens ruimtelijk beleid, zoals in de omgevingsvisie, worden beoogd, bijvoorbeeld park, maatschappelijke functie, andere woonplannen die later worden beoogd;
aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplaatsen, bijvoorbeeld voor milieuaspecten die zich voordoen op inbreidingslocaties.
Bij het bouwen van maximaal drie woningen waarmee een gat volledig in een bebouwingslint wordt gevuld en die qua stedenbouwkundige structuur passen bij het bebouwingslint, is geen sprake van het toevoegen van een woning buiten stedelijk gebied.
Van een bebouwingslint is sprake als er een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten.
Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.
1b en 1c Locatie en inpassing
Woningbouwontwikkelingen buiten stedelijk gebied kunnen alleen aansluitend opaan het stedelijk gebied worden gerealiseerd, tenzij sprake is van een nieuwe grootschalige woningbouwlocatie zoals bedoeld in het derde lid. Met aansluitend aan wordt bedoeld niet doorsneden door doorgaande wegen, waterwegen, spoorwegen of waterlopen of oppervlaktewaterlichamen waarvoor een peilbesluit geldt. Daarbij moeten de woningen landschappelijk goed worden ingepast. Het is aan de gemeenteraad, of burgemeester en wethouders (bij delegatie) van de gemeente waar de woningen beoogd zijn om dit te motiveren. Wat een goede landschappelijke inpassing is hangt af van de locatie, hoogte en de omvang van de bebouwing in relatie tot het omliggende gebied. Er is ruimte voor maatwerk om op de betreffende locatie tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Belangrijk hierbij is dat rekening wordt gehouden met artikel 5.45 artikel 18.48 over landschap en erfgoed en de kansenkaart uit de provinciale bosvisie. De landschappelijke inpassing wordt toegelicht in een inpassingsplan dat bestaat uit een inrichtingstekening van de ruimtelijke ontwikkeling, met een toelichting van tekst en beeldmateriaal.
Daarin zijn opgenomen:
Een beschrijving van de woningbouwontwikkeling;
Kenmerken van de locatie en visualisaties;
Een tekening van de inrichting voor en na de ontwikkeling met locaties en omvang van gebouwen, beplanting, perceelsranden en zichtlijnen vanuit de omgeving;
Een beheerplan;
Een beplantingslijst.
2. Realisatie van nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties buiten stedelijk gebied – artikelen 5.46 artikel 18.49 en 5.47artikel 18.50
In de artikelen artikel 5.46 18.50 en 5.47artikel 18.51 van paragraaf 5.1.10 worden afdeling 18.10 Landschap en erfgoed wordt gesproken over kleinschalige woninglocaties buiten stedelijk gebied benoemd die. Deze zijn gericht zijn op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied (bijvoorbeeld bouwmogelijkheden door middel van 'ruimte-voor-ruimte'). Onder een kleinschalige woningbouwlocatieswoningbouwlocatie verstaan we een locatie waar de bouw of toevoeging anderszins van drie of minder woningen mogelijk wordenwordt gemaakt. Het provinciale belang is gelegen in het streven naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door het saneren van bebouwing en het creëren van een aantrekkelijk landschap. Buiten- en niet aansluitend aan stedelijk gebied zijn nieuwe burgerwoningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een van de uitzonderingen uit de artikelen 5.46 artikel 18.50 of 5.47artikel 18.51 van toepassing is.
3. Nieuwe grootschalige woningbouwlocaties
Gedeputeerde staten besluiten of een woningbouwlocatie qua aard en schaal voldoende omvang heeft om als grootschalige woningbouwlocatie te kunnen worden aangewezen die niet direct aansluitend aan stedelijk gebied wordt ontwikkeld, maar wel in de nabijheid. Deze locatie moet ook passen binnen de provinciale verstedelijkingsstrategie en opgenomen worden in de regionale woonafspraken en het provinciale en het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma.
XXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Huisvesting van tijdelijke werknemers vindt in principe plaats binnen stedelijk gebied. Vanwege het veelal tijdelijk verblijf van deze werknemers kan de leefbaarheid onder druk komen te staan als er veel woningen voor de huisvesting van deze werknemers gebruikt worden. Er is daarom ook behoefte aan centrale huisvesting, met name voor mensen die minder dan een jaar aaneengesloten in Zeeland verblijven.
Bijlage III, behorende bij artikel 18.1, vijfdeelfde lid onder h, maakt het daarom mogelijk om centrale huisvesting voor tijdelijke werknemers buiten stedelijk gebied te realiseren binnen de regels voor Nieuwe Economische Dragers artikel 18.1, lid 612, 7 13 en 814). Deze regels geven geen duiding aan het aantal eenheden dat op een locatie gerealiseerd kan worden. Dit is namelijk afhankelijk van de situatie ter plaatse zoals de aanwezige bebouwing, de nabijheid van andere bebouwing en andere functies. Uitgaande van de kwaliteitseisen uit het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (“Geen tweederangsburgers!”) en de omvang van een gemiddeld agrarisch bedrijf zal op de meeste locaties een voorziening voor 75 tot 100 werknemers mogelijk zijn.
Uitgangspunt is dat tijdelijke werknemers huisvesting kunnen vinden in de regio waar ze werken. Het streven is daarom dat er voldoende goede huisvesting beschikbaar komt, maar ter behoud van de omgevingskwaliteit ook niet meer dan dat. Het is dan ook van belang dat de behoefte aan de huisvesting wordt aangetoond.
Voor het bevorderen van de leefbaarheid en het welzijn van de tijdelijke werknemers wordt van gemeenten verwacht dat ze een minimale kwaliteit eisen ten aanzien van de huisvesting (conform die van de Stichting Normering Flexwonen). Ook wordt ervan uitgegaan dat gemeenten toezien op een goed beheer van de huisvesting en dat daarnaast wordt toegezien op de scheiding tussen huur- en arbeidsovereenkomst conform de Wet goed verhuurderschap. Verder wordt ook de registratie van deze werknemers in de Basisregistratie Personen (BRP) van belang geacht.
YYYYYY
Voor sectie 18.17 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De provincie wil de ontwikkeling van windenergie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap wordt ingezet op concentratie in globaal aangeduide gebieden (locaties). Deze bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. Het maatwerk voor de begrenzing en de invulling van deze locaties wordt aan de gemeenten overgelaten.
De provincie wil ook de ontwikkeling van zonne-energie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap, zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied wordt ingezet op concentratie binnen stedelijk gebied en op of grenzend aan specifiek benoemde locaties buiten stedelijk gebied. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht.
ZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 18.17 is het concentratiebeleid voor windenergie neergelegd. De provincie wil de ontwikkeling van windenergie stimuleren. Vanuit de gedachte van de kwetsbaarheid van het landschap wordt ingezet op concentratie in globaal aangeduide gebieden (locaties). Deze bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht. Het maatwerk voor de begrenzing en de invulling van deze locaties wordt aan de gemeenten overgelaten.
Voor de begrenzing van de windenergie concentratielocaties zijn de volgende locatieaanduidingen medebepalend:
Voor de begrenzing van de windenergie concentratielocaties zijn de volgende locatieaanduidingen medebepalend:
Oosterscheldekering inclusief het gebied tussen damaanzet en de N255 op Noord-Beveland;
Sloegebied inclusief de locatie buitenzijde Bernhardweg en de locatie bij de Totalsteiger;
Kreekraksluizen/Schelde Rijnkanaal in de gemeente Reimerswaal;
Kanaalzone in de gemeente Terneuzen;
Krammersluizen (Philipsdam/Grevelingendam) in de gemeente Schouwen-Duiveland;
Willempolder / Abraham Wissepolder in de gemeente Tholen;
Anna Vosdijkpolder in de gemeente Tholen;
Gemaalweg in de gemeente Tholen;
Willem Annapolder in de gemeente Kapelle;
Hoofdplaatpolder in de gemeente Sluis;
Toegangswegen Zeelandbrug in de gemeenten Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland.
Om de realisatie van de provinciale ambitie voor het stimuleren van windenergie mogelijk te maken, wordt in het derde lid een mogelijkheid opgenomen om, buiten de nader door gemeenten te begrenzen windenergie concentratielocaties, in beperkte mate extra projecten toe te voegen. In lijn met het bestaand concentratiebeleid wordt deze mogelijkheid uitsluitend geboden indien de locatie ligt langs een grootschalige infrastructuurlijn, zoals auto(snel)wegen, dijken langs de grote wateren of op of grenzend aan een grootschalig bedrijventerrein. Verder dient aannemelijk gemaakt te worden dat de aanwezige omgevingskwaliteiten zich niet verzetten tegen een nieuwe windenergielocatie en dient er sprake te zijn van een concentratie van tenminste drie windturbines. De afwegingskaders die gelden voor natuur en landschap dienen bij nieuwe locaties te worden betrokken.
Onder nieuwe windturbines zoals bedoeld in het eerste lid worden verstaan: windturbines die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet in een geldend omgevingsplan of een ander besluit zijn toegelaten.
Onder bestaande windturbines worden begrepen: windturbines die, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, reeds in een omgevingsplan of in een ander besluit zijn toegelaten.
De regeling heeft geen betrekking op windturbines met een lagere tiphoogte dan 2123 meter en maximale ashoogte van 15 meter.
AAAAAAA
Na sectie 18.18 worden twee secties ingevoegd, luidende:
De provincie wil ruimte bieden voor de ontwikkeling van batterijsystemen als onderdeel van een duurzaam en robuust energiesysteem. Batterijsystemen kunnen bijdragen aan het beter benutten van duurzaam opgewekte elektriciteit uit zon en wind, het beperken van invoedingspieken en het vergroten van de flexibiliteit van het elektriciteitsnet. Daarmee kunnen batterijsystemen een belangrijke rol vervullen in het mitigeren van netcongestie en het ondersteunen van de energietransitie.
Tegelijkertijd kunnen batterijsystemen, afhankelijk van omvang en locatie, een aanzienlijke ruimtelijke impact hebben. Vanuit de gedachte van zorgvuldig ruimtegebruik, clustering van energievoorzieningen en bescherming van de Zeeuwse omgevingskwaliteiten wordt ingezet op concentratie nabij bestaande energie-infrastructuur en op functionele koppeling met duurzame energieopwekking. Hiermee wordt verdere verstening en versnippering van het buitengebied zoveel mogelijk voorkomen. Deze aspecten worden van provinciaal belang geacht.
In artikel 18.19 zijn instructieregels opgenomen voor de locatiekeuze van batterijsystemen. De provincie acht het van belang dat batterijsystemen zorgvuldig worden ingepast en zoveel mogelijk worden gekoppeld aan bestaande energie-infrastructuur en duurzame energieopwekking. Het provinciaal belang is daarbij gericht op het buitengebied. Voor locaties in stedelijk gebied dienen gemeenten een afweging te maken.
In het eerste lid is bepaald dat een omgevingsplan een batterijsysteem buiten stedelijk gebied uitsluitend toestaat direct aansluitend aan een hoogspanningsstation. Hiermee wordt ingezet op clustering van energievoorzieningen en wordt voorkomen dat batterijopstellingen verspreid in het buitengebied ontstaan. Tevens is bepaald dat een omgevingsplan een batterijsysteem uitsluitend toestaat buiten stedelijk gebied bij locaties waar sprake is van zon- en/of windopwekking en het functioneel en ruimtelijk verbonden is aan deze opwekfunctie. Hiermee wordt meervoudig ruimtegebruik gestimuleerd en wordt geborgd dat batterijsystemen ondersteunend zijn aan duurzame energieopwekking, bijvoorbeeld door het opvangen van invoedingspieken of tijdelijke opslag van duurzaam opgewekte elektriciteit.
Het tweede lid bevat aanvullende voorwaarden voor batterijsystemen waaraan in de motivering bij een omgevingsplan aandacht moet worden besteed.
Onderdeel a sluit batterijsystemen uit in wettelijk beschermde natuurgebieden en waterwingebieden ter bescherming van natuurwaarden, drinkwaterbelangen en kwetsbare gebieden.
Onderdeel b bevat voorwaarden ter bescherming van de veilige werking en toekomstige instandhouding van de elektriciteitsinfrastructuur. In dit onderdeel worden de volgende begrippen gehanteerd:
beheerskaarten: kaarten die door de netbeheerder worden gebruikt voor het beheer van de elektriciteitsinfrastructuur. Op deze kaarten staan onder meer kabels, verbindingen, veiligheidszones en reserveringen voor toekomstige uitbreidingen aangegeven;
belemmerde strook: een veiligheids- en beschermingszone rondom een hoogspanningsverbinding waar beperkingen gelden voor bouwen en gebruik van gronden. Deze strook is bedoeld om de veilige werking, bereikbaarheid en instandhouding van de hoogspanningsverbinding te waarborgen;
vigerende kadastrale kaarten: de op dat moment geldende en officieel geregistreerde kaarten waarop perceelsgrenzen, eigendommen en ruimtelijke aanduidingen zijn vastgelegd.
Onderdeel c voorkomt dat batterijontwikkelingen toekomstige uitbreidingen van hoogspanningsstations en hoogspanningstracés belemmeren.
Onderdeel d verplicht tot het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Hiermee wordt geborgd dat batterijsystemen ruimtelijk zorgvuldig worden ingepast en rekening wordt gehouden met de aanwezige omgevingskwaliteiten. Dit is van belang omdat batterijopstellingen, veelal bestaande uit containers en technische installaties, een relatief grote ruimtelijke uitstraling kunnen hebben.
Onderdeel e bepaalt dat bij grotere batterij-initiatieven afstemming met de netbeheerder moet plaatsvinden indien nieuwe of aanvullende transportcapaciteit benodigd is. Bijvoorbeeld als naast reeds bestaande invoedingscapaciteit ook nog afnamecapaciteit gewenst is om de batterij op te laden. Hiermee wordt beoogd dat batterijsystemen zorgvuldig worden ingepast binnen het bestaande elektriciteitsnet en geen onevenredige belasting veroorzaken op de beschikbare netcapaciteit. In dit onderdeel worden de volgende begrippen gehanteerd:
Aanvullende transportcapaciteit: extra afname of invoedingscapaciteit op het elektriciteitsnet die nodig is om een batterijsysteem aan te sluiten of te laten functioneren.
Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer een batterijsysteem naast teruglevering ook elektriciteit van het net afneemt om de batterij op te laden;
net-impacttoets: een onderzoek of onderbouwing waarin de effecten van een voorgenomen ontwikkeling op het elektriciteitsnet inzichtelijk worden gemaakt.
In een net-impacttoets wordt beoordeeld of voldoende netcapaciteit beschikbaar is voor de gevraagde aansluiting;
Opgesteld vermogen: het maximale elektrische vermogen dat een installatie gelijktijdig kan leveren of opnemen, uitgedrukt in megawatt (MW).
Hiermee wordt geborgd dat het batterijsysteem ondersteunend blijft aan de duurzame opwekfunctie van het zonne- of windpark. Het uitgangspunt daarbij is dat de batterij primair wordt ingezet voor het opslaan, afvlakken of tijdelijk verplaatsen van lokaal opgewekte duurzame energie. Met deze bepaling wordt voorkomen dat in het buitengebied grootschalige zelfstandige batterijsystemen ontstaan bij relatief beperkte opweklocaties, waarbij de batterij feitelijk wordt ingezet voor autonome handel op het elektriciteitsnet in plaats van ter ondersteuning van de gekoppelde opwekfunctie. In dit onderdeel worden de volgende begrippen gehanteerd:
batterijopstelling: de fysieke opstelling van een batterijsysteem op een locatie, waaronder batterijcontainers, transformatoren, technische installaties en bijbehorende voorzieningen;
piekvermogen: het maximale vermogen dat een zon- of windopwekinstallatie onder optimale omstandigheden kan produceren.
In dit artikel zijn regels opgenomen over de tijdelijkheid en verwijdering van batterijsystemen. In het eerste lid is bepaald dat een omgevingsplan een batterijsysteem gekoppeld aan zonne- of windparken toestaat voor de duur waarvoor het bijbehorende zonnepark of windpark planologisch is toegelaten en functioneel in gebruik is. Hiermee wordt aangesloten bij de exploitatieperiode van duurzame energieprojecten en de bijbehorende omgevingsvergunning. Batterijsystemen moeten na beëindiging van de exploitatieperiode volledig worden verwijderd binnen zes maanden en de locatie moet worden hersteld. Hiermee wordt voorkomen dat installaties langdurig aanwezig blijven in het buitengebied nadat de functie is beëindigd.
Het tweede lid bepaalt dat deze verwijderingsverplichting eveneens geldt voor batterijsystemen gekoppeld aan hoogspanningsinfrastructuur indien de opslagfunctie ophoudt te bestaan. Hiermee wordt voorkomen dat ongebruikte batterijlocaties permanent aanwezig blijven in de fysieke leefomgeving.
BBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCC
Voor sectie 18.19 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Toerisme en recreatie zijn belangrijk voor de leefbaarheid en economie in Zeeland. Gezien de aantrekkingskracht van de Zeeuwse kust, wordt daaraan specifieke aandacht gegeven in relatie tot (verblijfs)recreatieve ontwikkelingen, recreatieactiviteiten en, mede vanwege het grote, ook nationale belang, waterveiligheid.
Het provinciale beleid m.b.t. activiteiten op stranden en in duingebieden is gericht op het borgen van de bijhorende kwaliteiten als waterkeringszone en aaneengesloten natuurgebied enerzijds en aan het bieden van recreatiemogelijkheden anderzijds. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden.
Het provinciale beleid m.b.t. tot logiesaccommodaties is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is enerzijds deze waarden te beschermen, versterken en waar nodig te herstellen en anderzijds te zorgen dat de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector wordt geborgd en versterkt, vanuit productinnovatie en –differentiatie, passend bij het lokale DNA. Hierbij is er nadrukkelijk aandacht voor de samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden, en de draagkracht van een gebied. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de gedachtegang uit de Zeeuwse kustvisie, maar in heel Zeeland van toepassing.
Wanneer wordt gesproken over een gedifferentieerd product, gaat het over een aanbod dat inspeelt op verschillende vragen en behoeften vanuit de markt, dus bestaand uit verschillende type accommodaties, voor diverse doelgroepen, op verschillende locaties en met uiteenlopende faciliteiten en voorzieningen. Het draagt bij aan een aantrekkelijk toeristisch product en aan de spreiding van bezoekers over de regio’s.
DDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Zeeuwse kust is van groot belang voor Zeeland én Nederland vanwege het behoud en de versterking van de waterveiligheid en natuurwaarden, het Zeeuwse DNA in landschap en erfgoed, alsmede de economie en werkgelegenheid. De diversiteit aan functies maakt mede dat er discussie over de gewenste ontwikkeling van de Zeeuwse kust is ontstaan. Met het opstellen van de Zeeuwse Kustvisie is invulling gegeven aan de opgaven in de kustzone en wordt tegemoet gekomen aan de afspraken in het Nationale Kustpact. De beleidsmatige borging en uitvoering van de Zeeuwse kustvisie is vastgelegd in het convenant ‘Samen sterk voor de Zeeuwse kust’, getekend op 9 oktober 2017.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
Verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in de kustzone zijn mogelijk onder specifiek in artikel 18.19 18.21 en bijlageBijlage IV genoemde voorwaarden.
Gemeenten met kustzone zijn: Sluis, Vlissingen, Veere, Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland.
Dit artikel
Artikel 18.21 is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament.
In het eerste lid is geregeld dat nieuwvestiging en uitbreiding van verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementen, kampeerterreinen) mogelijk is binnen de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen. Ontwikkelingen dienen wel te voldoen aan de in bijlage IV, onderdeel 1Deel I, opgenomen voorwaarden B tot en met D. Deze hebben betrekking op de economische haalbaarheid, de marktuitvoerbaarheid en het onderscheidend vermogen van het conceptondernemerschap, milieu en duurzaamheid en de sociaal maatschappelijke bijdrage en impact die de ontwikkeling oplevert. Indien er sprake is van een aandachtsgebied binnen de badplaatsen dan moet - conform het tweede lid - tevens aannemelijk gemaakt worden dat voldaan wordt aan de in bijlage IV, Deel II, 1 tot en met 5, onderdeel 2, opgenomen uitgangspunten. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is het Nollebos in de gemeente Vlissingen.
In afwijking van het eerste lid zijn in het derde tot en met achtste lid ook mogelijkheden opgenomen om buiten de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen nieuwe verblijfsrecreatie of uitbreiding van bestaande terreinen te realiseren.
In afwijking van het eerste lid zijn in het derde tot en met achtste lid ook mogelijkheden opgenomen om buiten de begrenzing van de Zeeuwse badplaatsen nieuwe verblijfsrecreatieterreinen of uitbreiding van bestaande terreinen te realiseren. Het overgangsrecht in het derde lid komt voort uit de afspraken die in de Zeeuwse Kustvisie en de ‘Notitie Overgangsbeleid in relatie tot de Zeeuwse Kustvisie’ zijn gemaakt over plannen met een vastgesteld bestemmingsplan of vergunning (de categorie 1 projecten) of de zogenaamde pijplijnprojecten (de categorie 2 projecten). In de evaluatie Zeeuwse Kustvisie is de aanbeveling opgenomen om afspraken te maken over de resterende (categorie 1) projecten in relatie tot de bestemmingsplannen en wat dit betekent voor eventuele ruimte voor deze projecten binnen vigerende bestemmingsplannen. In het vierde lid is de invulling van deze in het Bestuurlijk Overleg Zeeuwse Kustvisie gemaakte afspraak opgenomen. Door middel van een overgangstermijn van drie jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2025, hebben de gemeenten de gelegenheid om de toegestane resterende projecten in bestemmingsplannen van vóór 2018 uit te voeren. Na deze termijn dienen de betreffende omgevingsplannen te zijn aangepast waardoor nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein die in strijd is met deze verordening niet langer is toegelaten.
Na deze termijn dienen de betreffende omgevingsplannen te zijn aangepast waardoor nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein die in strijd is met deze verordening niet langer is toegelaten.
In het vijfde lid is de mogelijkheid opgenomen om in zogenaamde aandachtsgebieden nieuwe verblijfsrecreatieterreinen te realiseren. In bijlageBijlage IV , Deel 2 wordt tevens verwezen naar de beschreven strategie voor de aandachtsgebieden in de desbetreffende regiovisies in de Zeeuwse kustvisie. In het zevende lid zijn de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande verblijfsrecreatieterreinenverblijfsrecreatieterrein geregeld. De specifieke voorwaarden die hieraan gesteld worden zijn opgenomen in bijlageBijlage IV, Deel 1, onder A (1). , onderdeel 1. Uitgangspunt is dat kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven plaats vindt binnen de bestaande oppervlakte en eenheden van het bedrijf. Een uitbreiding van oppervlakte en eenheden is onder voorwaarden toegestaan.
In het zesde lid, onder b is aangegeven dat uitbreiding niet is toegestaan in zogenaamde beschermingsgebieden en Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden.
In het zevende lid, onder b is aangegeven dat uitbreiding niet is toegestaan in zogenaamde beschermingsgebieden en Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden.
In het achtste lid is een uitzondering opgenomen voor gebieden waarop verschillende ‘aanduidingen’ van toepassing zijn.
In het zevende lid, onder b is aangegeven dat uitbreiding niet is toegestaan in zogenaamde beschermingsgebieden en Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden. In het achtste lid is hierop een uitzondering opgenomen voor uitbreiding in de beschermingsgebieden. Dit is mogelijk mits aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
In het negende lid is een uitzondering opgenomen voor gebieden waarop verschillende ‘aanduidingen’ van toepassing zijn. Een voorbeeld van een dergelijk gebied is Nehalennia in de gemeente Veere. Deze gebieden hebben naast een aanduiding Groene Zeeuws Topkwaliteit gebied tevens een aanduiding Aandachtsgebied. In dergelijke gebieden is uitbreiding toegestaan indien aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van deze Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden niet significant worden aangetast. Voor de kenmerken en waarden van de Groene Zeeuwse Topkwaliteit gebieden wordt verwezen naar de Zeeuwse kustvisie met bijbehorende bijlage ‘Analyse Bosch Slabbers: waardering en strategieën voor het behoud en versterken van de landschappelijke kwaliteit van de Zeeuwse kust’, zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening.
In bijlage IV onderdeel 1 en 2, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het Ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen.
In Bijlage IV Deel I (Ontwikkelkader) en Deel II (Aandachtsgebieden), zijn de specifieke voorwaarden voor recreatief nachtverblijf nader gespecificeerd. In bijlage IV Deel I zet het Ontwikkelkader in op de samenhang tussen ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf met bijbehorende verblijfsrecreatieve voorzieningen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van recreatieve nachtverblijven en voorzieningen met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen.
Een
Voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in de kustzone wordt – onder A (1) - gesproken over een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelenrecreatieve nachtverblijven (huisjes/campingstandplaatsen etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.
Met de voorwaarde dat ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV Bijlage IV, onderdeel 1Deel I, onder A (1), wordt bedoeld dat een ontwikkeling zich voegt in het landschap en daar onderdeel van uitmaakt.
Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en de toekomstige accommodatie' in bijlage IV Bijlage IV, onderdeel 1Deel I, onder A (1), wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod en kwaliteitsverbetering.
Met de voorwaarde dat 'er sprake is van een maximale invulling van 13% van het totale (uitbreidings)oppervlakte ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden eenheden voor recreatief nachtverblijf' in bijlageBijlage IV, Deel I, onder A (1), onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld dat die 13% nadrukkelijk over de verblijfsrecreatieve eenheden voor recreatief nachtverblijf gaat, inclusief hetgeen ten behoeve van die eenheden aanwezig is, zoals sanitair en/of bergingen die één-op-één eraan zijn gekoppeld. De centrale voorzieningen, zoals een gemeenschappelijk sanitair gebouw, horen daar dus niet bij.
Met de voorwaarde ‘economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap’ in bijlage IV Bijlage IV, onderdeel 1Deel I, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit c.q. toegevoegde waarde van de ontwikkeling in relatie tot bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.2518.28 en artikel 5.2618.29 van deze verordening.
Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV Bijlage IV, onderdeel 1Deel I, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden.
Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen intijdens de ontwikkelingbouw, aanleg en inrichting van aanbodgebouwen en terreinen en aan maatregelen bij de exploitatie. Het gaat dan enerzijds over circulair materiaalgebruik (bouwmet focus op herkomst, losmaakbaarheid en hergebruik) en waardebehoud (middels bv. flexibiliteit in de exploitatie gaat het omfunctie en indeling, demontage en hergebruik, onderhoud strategie). Maatregelen zijn gericht op verminderen van het ontwikkelengebruik van circulaire verdienmodellennieuwe materialen en grondstoffen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffenhergebruik en hergebruikrecyclen van grondstoffenmaterialen. Bijv. zo min mogelijk afval en materialendit gescheiden inzamelen, bouwen met hergebruikte of biobased bouwmaterialen, een plan voor circulaire inrichting. Van gebouwen kan de milieu- of circulariteitsprestatie berekend worden (BCI/MPG); en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.
Met de voorwaarden ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IV, onderdeel 1Deel I, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten.
In bijlage IV, Deel II staat uitgewerkt wat onder een aandachtsgebied wordt verstaan, onder welke voorwaarden dit tot stand kan komen, hoe dit verder moet worden uitgewerkt tot een streefbeeld en gebiedsaanpak en wat de specifieke voorwaarden binnen (onder 5) en buiten de kustzone (onder 6) zijn m.b.t. ontwikkelruimte voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen. Van belang is hier te benadrukken dat de ontwikkeling van het (aandachts)gebied centraal moet staan en dus leidend is. Een (door een ontwikkelaar/initiatiefnemer) gewenste ontwikkeling kan niet redengevend zijn om van deze uitzondering gebruik te maken.
EEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verblijfsrecreatie buiten de kustzone vraagt in de toekomst om een kwaliteitsverbetering en productinnovatie en –differentiatie. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Dit streven is gebaseerd op de gedachtegang in de Zeeuwse kustvisie. Daar waar in artikel 18.1918.21 specifieke voorwaarden voor ontwikkelingen voor de kustzone worden benoemd, geldt dat in artikel 18.2018.22 voor ontwikkelingen buiten de kustzone, waarbij in ruimtelijk zin wordt volstaan met meer algemene uitgangspunten. Voor het gebied buiten de kustzone wordt beoogd via een gebiedsgerichte aanpak de voorkomende knelpunten in gezamenlijkheid op te lossen en de regionale kansen te verzilveren. Dit kan op termijn leiden tot specifieke uitgangspunten voor specifieke regio’s of gebieden. Tot die tijd gelden de in artikel 18.2018.22 opgenomen algemene kaders voor nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven.
Nieuwvestiging
In artikel 18.22 wordt geduid dat nieuwvestiging en uitbreiding isvan verblijfsrecreatieterreinen mogelijk is binnen de begrenzing stedelijk gebied. In afwijking hierop is nieuwvestiging ook mogelijk indien gezamenlijke partijen – vooruitlopend op de uitkomsten van een gebiedsgerichte aanpak – in gezamenlijkheid een specifiek aandachtsgebied aanwijzen en gaan ontwikkelen. Dit is nader verwoord in bijlage IV, onderdeelDeel II, 1 tot en met 4 en 6.
Voor bestaande bedrijven ligt de focus op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie. Eventuele daarvoor noodzakelijk uitbreiding in eenheden en/of oppervlakte is mogelijk indien deze voldoet aan het Ontwikkelkader zoals benoemd in bijlage IV, Deel I.
Een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’ betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de verblijfsaccommodatiedelen (huisjes/camping etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.
Lid 4 maakt bij uitzondering de nieuwvestiging van een verblijfsrecreatieterrein buiten stedelijk gebied toe. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat de ontwikkeling onderdeel uitmaakt van een door gemeente aangewezen aandachtsgebied en dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de voor aandachtsgebieden geldende uitgangspunten, zoals verwoord in bijlage IV, Deel II.
Van belang is hier te benadrukken dat de ontwikkeling van het (aandachts)gebied centraal moet staan en dus leidend is. Een (door een ontwikkelaar/initiatiefnemer) gewenste ontwikkeling kan niet redengevend zijn om van deze uitzondering gebruik te maken.
In bijlage IV, Deel I (Ontwikkelkader) en Deel II (Aandachtsgebieden) zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd.
In bijlage IV Deel I zet het ontwikkelkader in op de samenhang tussen ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van recreatieve nachtverblijven en voorzieningen met het (deels te creëren) landschap, natuur en met de cultuur en economie van de betreffende plekken en omgeving. Voor ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf buiten de kustzone wordt – onder A (2) – gesproken over een ‘beperkte uitbreiding in oppervlakte’. Dit betreft maximaal 20% van de bestaande oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein. Deze beperkte uitbreiding is gerelateerd aan die delen van het bestaande verblijfsrecreatieterrein waarop de (verblijfs)recreatieve bestemming zit in het Omgevings-/bestemmingsplan; in de praktijk omvat dit het totale oppervlak van de recreatieve nachtverblijven (huisjes/standplaatsen, etc.), evt. strand met slaaphuisjes, de centrumvoorzieningen, zwembaden, haven en groen of water als het dusdanig is bestemd, en dus behorend bij het verblijfsrecreatieve product als geheel.
In bijlage IV, onderdeel 3 en 4, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) landschap, natuur en met de cultuur en economie van de omgeving. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 3, bijlage IV, Deel I, onder A (2), wordt bedoeld dat ontwikkelingen zich voegen in het landschap en daar onderdeel van gaan uitmaken.
Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie’ in bijlage IVbijlage IV, Deel I, onderdeel 3, onder A (2), wordt bedoeld dat het bestaande en nieuwe deel van het bedrijf als één samenhangend geheel kwalitatief worden ontwikkeld met aandacht voor productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatieve aanbod en kwaliteitsverbetering.
Met de voorwaarde 'economische haalbaarheid en ondernemerschap' in bijlage IV, Deel I, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot de bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 18.28 en artikel 18.29 van deze verordening.
Met de voorwaarde ‘milieu en duurzaamheid’ in bijlage IV bijlage IV, Deel I, onderdeel 3, onder C, wordt aandacht gevraagd voor maatregelen die dit ten positieve beïnvloeden.
Zo kan bij duurzame energie gedacht worden aan hernieuwbare energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa; bij klimaat aan maatregelen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken. Bv. Maatregelen gericht op voorkomen van hittestress, wateroverlast, waterschaarste in de exploitatie en in het gebouw en de inrichting: minder verharding, terrein inrichten met klimaat adaptieve maatregelen (water langer vasthouden, wadi’s, kreekherstel, groen tegen hittestress, …); bij circulariteit aan maatregelen intijdens de ontwikkelingbouw, aanleg en inrichting van aanbodgebouwen en terreinen en aan maatregelen bij de exploitatie. Het gaat dan enerzijds over circulair materiaalgebruik (bouwmet focus op herkomst, losmaakbaarheid en hergebruik) en waardebehoud (middels bv. flexibiliteit in de exploitatie gaat het omfunctie en indeling, demontage en hergebruik, onderhoud strategie). Maatregelen zijn gericht op verminderen van het ontwikkelengebruik van circulaire verdienmodellennieuwe materialen en grondstoffen, omschakeling naar hernieuwbare (biobased) grondstoffenhergebruik en hergebruikrecyclen van grondstoffenmaterialen. Bijv. zo min mogelijk afval en materialendit gescheiden inzamelen, bouwen met hergebruikte of biobased bouwmaterialen, een plan voor circulaire inrichting. Van gebouwen kan de milieu- of circulariteitsprestatie berekend worden (BCI/MPG); en bij natuurinclusief werken aan het actief integreren van de natuurlijke omgeving in de inrichting van het concept. Doel hiervan is om de biodiversiteit te bevorderen, ecosystemen te bevorderen, natuurlijke processen te ondersteunen en menselijke gebruiksfuncties. Voorbeelden van een natuurinclusieve inrichting zijn het gebruik van inheemse beplanting, nestplaatsen voor dieren en waterberging, wandelpaden en natuurobservatiepunten.
Met de voorwaarde ‘Leefbaarheid: sociaal maatschappelijke bijdrage en impact’ in bijlage IVbijlage IV, Deel I, onderdeel 3, onder D, wordt enerzijds gedoeld op mogelijkheden tot het toevoegen van voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners en anderzijds op de impact van een initiatief op de leefomgeving en leefbaarheid van haar bewoners in algemene zin (waaronder bereikbaarheid en connectiviteit, gezondheid, kwaliteit van de openbare ruimte, toegankelijkheid van natuur (‘groen’ en ‘blauw’), (sociale) veiligheid en cohesie). Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen in hoeverre het initiatief hieraan bijdraagt vanuit lokale behoeften en knelpunten.
Met de voorwaarde 'economische haalbaarheid en ondernemerschap' in bijlage IV, onderdeel 3, onder B, wordt tevens bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot de bestaande accommodatie. Daarnaast wordt de link gelegd met artikel 5.25 en artikel 5.26 van deze verordening.
In Bijlage IV Deel II staat uitgewerkt wat onder een aandachtsgebied wordt verstaan, onder welke voorwaarden dit tot stand kan komen, hoe dit verder moet worden uitgewerkt tot een streefbeeld en gebiedsaanpak en wat de specifieke voorwaarden binnen (onder 5) en buiten de kustzone (onder 6) zijn m.b.t. ontwikkelruimte voor recreatief nachtverblijf en bijhorende verblijfsrecreatieve voorzieningen.
FFFFFFF
Na sectie 18.20 worden vier secties ingevoegd, luidende:
Voor de uitbreiding van ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf geldt binnen het gehele werkingsgebied van de verordening een maatwerkoptie die zich beperkt tot een oppervlakte uitbreiding. In die gevallen zal de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een uitbreiding uitgebreid gemotiveerd moeten worden. Een uitbreiding is alleen voorstelbaar als de landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied waarin de uitbreiding voorziet worden versterkt. Ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit staan voorop. Een uitbreiding van de oppervlakte van een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf is alleen mogelijk als deze kwaliteiten aantoonbaar worden versterkt.
In gemeenten zonder kustzone wordt onder voorwaarden de mogelijkheid geboden om kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf te realiseren. De gemeenten zonder kustzone zijn: Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg,
Reimerswaal, Terneuzen en Tholen. Kleinschalige ontwikkelingen zijn ontwikkelingen met een maximum van 15 eenheden en 60 slaapplaatsen (zie ook de definitie in bijlage I). Afwijking van het maximumaantal eenheden en slaapplaatsen is alleen mogelijk in gevallen waarin de omgevingsverordening expliciet voorziet (zie artikel 18.26 en artikel 18.30).
De regeling is nadrukkelijk bedoeld voor onderscheidende en kwalitatieve initiatieven die bijdragen aan diversificatie van het Zeeuwse verblijfsrecreatieve aanbod, waaronder een sterker aanbod in gemeenten verder weg van de kust en in de schouderseizoenen (tussenseizoen, de periode tussen het hoog- en laagseizoen in).
Deze regeling biedt - met andere woorden - geen (recht op) generieke ontwikkelruimte voor nieuwe verblijfsrecreatie in het landelijk gebied.
Doel en strekking van de regeling
De regeling is bedoeld als instrument voor kwalitatieve en gebiedsgerichte bestemmingsontwikkeling in gemeenten zonder kustzone. Het betreft een specifieke ontwikkelmogelijkheid die uitsluitend kan worden overwogen indien deze aantoonbaar past binnen een gemeentelijke of regionale visie op bestemmingsontwikkeling (zie hierna). Het toevoegen van eenheden voor recreatief nachtverblijf is daarbij geen doel op zich, maar moet ondersteunend zijn aan een bredere gebiedsontwikkeling of bestemmingsstrategie. Ontwikkelingen die hoofdzakelijk leiden tot toevoeging van regulier recreatief verblijf zonder aantoonbare meerwaarde voor gebiedskwaliteit, bestemmingsontwikkeling of recreatieve kwaliteit passen niet binnen de bedoeling van deze regeling.
Gemeenten dienen te motiveren welke opgaven, ontwikkeldoelen of kwaliteitsverbeteringen met een ontwikkeling worden ondersteund en waarom toevoeging van verblijfsrecreatie op de betreffende locatie wenselijk is.
De regeling richt zich nadrukkelijk op onderscheidende, kleinschalige en gebiedsgebonden initiatieven die bijdragen aan variatie en vernieuwing van het(verblijfs)recreatieve aanbod.
Om het kleinschalige en kwalitatieve karakter te waarborgen zijn uitponding enversnipperd eigendom uitgesloten en dient sprake te zijn van duurzame centrale bedrijfsmatige exploitatie. Permanente bewoning is niet toegestaan. Tevens geldt als uitgangspunt dat ontwikkelingen omkeerbaar zijn en niet leiden tot aantasting van natuur, landschap of woonfuncties.
Visie op bestemmingsontwikkeling
Nieuwvestiging of uitbreiding is uitsluitend mogelijk indien de ontwikkeling past binnen een gemeentelijke of regionale visie op bestemmingsontwikkeling. Daaronder worden in ieder geval verstaan een omgevingsvisie; een ruimtelijk uitgewerkt toeristisch-recreatief beleidsplan; een thematisch of gebiedsgericht omgevingsprogramma; of een andere ruimtelijk onderbouwde gebiedsvisie, waarin de gewenste ontwikkeling van recreatief verblijf ruimtelijk en kwalitatief is onderbouwd. Uit deze visie moet blijken:
welke ontwikkelrichting voor het gebied wordt nagestreefd;
welke kwaliteiten en identiteitsdragers in het gebied aanwezig zijn;
welke doelgroepen of type gasten wordt beoogd;
waarom toevoeging van recreatief nachtverblijf op de betreffende locatie wenselijk en van meerwaarde is;
op welke wijze de ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijker, onderscheidender en kwalitatief sterker recreatief aanbod en ondersteunend is aan een vitaal en multifunctioneel gebruik van het gebied.
Daarbij kan gedacht worden aan gebieden waar sprake is van (ontwikkeling van) een samenhangend aanbod van landschap, natuur, cultuurhistorie, erfgoed, culinair aanbod, recreatieve infrastructuur of andere economische en maatschappelijke functies die gezamenlijk bijdragen aan de ontwikkeling van het gebied als bestemming.
Voor ontwikkelingen aan of nabij de oevers van de Deltawateren gelden aanvullende voorwaarden (zie artikel 18.25). Van gemeenten wordt verwacht dat zij motiveren waarom toevoeging van kleinschalig recreatief nachtverblijf in een bepaald gebied wenselijk en passend is en op welke wijze dit bijdraagt aan bovengenoemde bredere ruimtelijke, economische en recreatieve doelstellingen.
Kleinschaligheid en voorkomen van parkvorming
De regeling is nadrukkelijk bedoeld voor kleinschalige ontwikkelingen. Om te voorkomen dat feitelijk recreatieparken of concentraties van recreatief verblijf ontstaan, geldt per locatie een absoluut maximum van 15 eenheden voor recreatief nachtverblijf en 60 slaapplaatsen. Ook stapeling van verschillende logiesvormen op één locatie of binnen één functionele eenheid is niet passend binnen deze regeling.
Met het eerste lid onder d wordt verder bewerkstelligd dat een kleinschalige ontwikkeling niet wordt toegelaten op een locatie waar al een andere ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf aanwezig is. Hiermee wordt voorkomen dat verblijfsrecreatieve mogelijkheden gestapeld worden, waardoor de groei onbeheersbaar wordt. Initiatieven die feitelijk leiden tot reguliere vakantieparken, een grootschalig recreatief concept of gestandaardiseerde recreatieve concepten zonder gebiedsgerichte meerwaarde passen niet binnen de bedoeling van deze regeling.
Omkeerbaarheid en ruimtelijke kwaliteit
Uitgangspunt is dat ontwikkelingen zoveel mogelijk plaatsvinden in bestaande bebouwing. Indien nieuwe bebouwing wordt toegevoegd, dient sprake te zijn van een omkeerbare ontwikkeling.
In het tweede lid van artikel 18.24 is daarom een verbod op (verdere) verstening opgenomen. Een kleinschalige ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf moet in beginsel worden gerealiseerd in bestaande bebouwing. Dat is alleen anders als de ontwikkeling omkeerbaar van aard is en geen permanente funderingen of niet-verplaatsbare bouwwerken bevat. Met “omkeerbaar” wordt bedoeld dat:
het binnen een bepaalde termijn verwijderbaar is, inclusief nutsvoorzieningen;
zonder blijvende aantasting van bodem of landschap of gebiedsstructuur (dus herstel mogeljk);
en de ontwikkeling niet bestaat uit permanente funderingen of andere niet-verplaatsbare bouwwerken.
Hiermee wordt beoogd recreatieve verstening van, en mini-vakantieparken in het landelijk gebied te voorkomen en zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen.
Exploitatie, beheer en toezicht
Om de recreatieve kwaliteit, leefbaarheid, veiligheid en handhaafbaarheid te waarborgen dient sprake te zijn van een duurzame centrale bedrijfsmatige exploitatie. Daarbij past dat het beheer structureel is georganiseerd en dat adequaat toezicht aanwezig is.
De gemeente dient zich er bij de besluitvorming van te vergewissen dat de exploitatie duurzaam is geborgd en dat de initiatiefnemer aannemelijk maakt op welke wijze beheer, toezicht en recreatieve exploitatie centraal, duurzaam en permanent worden georganiseerd en geborgd.
Constructies die feitelijk leiden tot recreatief vastgoed, afzonderlijke exploitatie van eenheden, versnipperd beheer of langdurig niet-recreatief gebruik passen niet binnen de bedoeling van deze regeling. Eigendom, beheer en exploitatie blijven duurzaam in één hand (ter voorkoming van het risico op permanente bewoning, verminderde beheerkwaliteit en verlies van het kleinschalige recreatieve karakter).
Nieuwvestiging van kleinschalige ontwikkelingen is in beginsel uitgesloten op of nabij de oevers van de Deltawateren. Uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 18.25, tweede lid. Eén van die uitzonderingen is een ontwikkeling in een aandachtsgebied (ook als dat aandachtsgebied in een kustgemeente ligt, maar buiten de kustzone). Waar een ontwikkeling op een uitzonderingsgrond toch toegelaten wordt moeten de kusten, oevers en waterkanten toegankelijk blijven voor wandelen en fietsen. Ook geldt nadrukkelijk dat nieuwvestiging op en in het water, aan de waterlijn, buitendijks en op dijken en dammen per definitie uitgesloten is.
Voor ontwikkelingen rondom het Veerse Meer, geldt de provinciale visie (gebiedsvisie Veerse Meer) daaromtrent onverkort. Nieuwvestiging is niet toegestaan, behoudens in de in het vijfde lid genoemde gevallen.
Het is in het provinciaal belang dat cultuurhistorisch waardevolle gebouwen behouden blijven. Om dat te bereiken is het onder voorwaarden ook mogelijk om dergelijke gebouwen een nieuwe bestemming te geven als recreatief nachtverblijf, al dan niet als Nieuwe Economische Drager. Dat is echter geen automatisme: wonen, werken, dagrecreatie of een maatschappelijke functie zijn voorkeursfuncties boven verblijfsrecreatie.
Die voorkeursvolgorde komt tot uitdrukking in lid 4: gemotiveerd zal moeten worden dat in het cultuurhistorisch waardevolle gebouw geen andere functie dan verblijfsrecreatie mogelijk is t.b.v. restauratie, duurzaam beheer en behoud.
Kleinschaligheid is ook hier een relevant criterium. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om grootschalige verblijfsrecreatieve mogelijkheden te scheppen voor grotere marktpartijen, maar om initiatiefnemers de mogelijkheid te geven om een cultuurhistorisch waardevol gebouw een nieuw leven te geven. Het aantal toegelaten eenheden en slaapplaatsen mag tegen deze achtergrond niet groter zijn dan bedrijfseconomisch en met het oog op het in stand houden van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw noodzakelijk. Het behoud van het erfgoed staat voorop.
Ter onderbouwing van de invulling van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw (wat voor functie er in zou kunnen of moeten) is een positief advies van een onafhankelijk erfgoeddeskundige vereist. Dat toont ook aan welke functies en grootte passend is voor het gebouw en omgeving. Hiervoor kan bijvoorbeeld beroep worden gedaan op het Zeeuws Erfgoed Expertteam, waar experts met verschillende disciplines samenkomen.
Voor gebouwen zonder beschermde status moet er ook een onafhankelijk, deskundig advies komen over de cultuurhistorische waarde, zoals een bouwhistorische verkenning. Dat betekent dan dus zowel een onderbouwing van de cultuurhistorische waarde als van de transformatiemogelijkheden.
Voor gebouwen zonder beschermde status moet er ook een onafhankelijk, deskundig advies komen over de cultuurhistorische waarde, zoals een bouwhistorische verkenning. Dat betekent dan dus zowel een onderbouwing van de cultuurhistorische waarde als van de transformatiemogelijkheden.
GGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het provinciale beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde terreinen en complexen. Hiermee worden bedoeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementencomplexen en kampeerterreinen. Een doelstelling is dergelijke bestemmingen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze bestemmingen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie (zie artikel 5.26zie artikel 18.29) en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijk weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd op bestemmingen die daarvoor niet zijn bedoeld. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht. Individuele burgerwoningen in het buitengebied worden niet tot de verblijfsrecreatieve complexen gerekend. De regel is bedoeld voor nieuwe plannen en besluiten die verblijfsrecreatieve complexen of de uitbreiding daarvan toelaten. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vigerende omgevingsplannen kennen veelal reeds de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan. Bij een wijziging van deze vigerende omgevingsplannen dient de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan.
IIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de toelichting op artikel 18.22 is aangegeven dat het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht.
Het is mogelijk op of aansluitend aan bedoelde complexen gronden aan te wijzen voor 'dienstwoning' (waar, in verband met noodzaak vanuit de bedrijfsvoering, permanente bewoning is toegestaan). Dergelijke woningen worden, voor de toepassing van deze verordening, geacht niet te behoren tot het 'verblijfsrecreatieterrein' zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 18.19, artikel 18.20, artikel 18.22 en artikel 18.23.
In artikel 18.23, vierde lid is de instructie opgenomen dat een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein regels bevat die betrekking hebben op duurzaam beheer en onderhoud van een terrein. Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.
Bij de toelichting op artikel 18.28 is aangegeven dat het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van (kleinschalige) ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen met alle zich daarin bevindende eenheden voor recreatief nachtverblijf ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg en op onwenselijke locaties extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht.
Het is mogelijk op of aansluitend aan bedoelde complexen gronden aan te wijzen voor 'dienstwoning' (waar, in verband met noodzaak vanuit de bedrijfsvoering, permanente bewoning is toegestaan). Dergelijke woningen worden, voor de toepassing van deze verordening, geacht niet te behoren tot het verblijfsrecreatieterreinen en/of (kleinschalige) ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf zoals bedoeld in artikel 18.21, artikel 18.22, artikel 18.24 tot en met 18.26 en artikel 18.30 en artikel 18.31.
In het derde lid is de instructie opgenomen dat een omgevingsplan dat voorziet in nieuwvestiging of uitbreiding van een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf regels bevat die betrekking hebben op duurzaam beheer en onderhoud van een terrein. Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting.
Dit kan bijvoorbeeldmede worden gewaarborgd door in het omgevingsplan de eis van een centrale bedrijfsmatige exploitatie op te nemen. Ook kan worden gedacht aan privaatrechtelijke afspraken over het in eigendom houden van de grond die tot het complex behoort dan wel de gronden waarop de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd alsmede omtrent de kwalitatieve instandhouding van het complex.
JJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel worden enkele concrete onderdelen van het provinciale beleid voor kleinschalig kamperen geregeld. Gezien het grote aantal kleine kampeerterreinen in de provincie, de betekenis voor de bijdrage aan de differentiatie van het toeristisch product en het behoud van een landschappelijk aantrekkelijke omgeving (ruimtelijke kwaliteit) worden deze onderdelen van het recreatiebeleid als provinciaal belang aangemerkt.
Een kleinschalig kampeerterrein (minicamping) is een kampeerterrein dat in gebruik is als neventak bij een agrarisch bedrijf of bij een ander bedrijf of behorende bij een burgerwoning in het landelijk gebied. Het is gekoppeld aan een permanent bewoonde (dienst-)woning op het betreffende terrein.
Het begrip agrarisch bedrijf is opgenomen in Bijlage I Begrippen bij deze verordening. Een agrarisch bedrijf is een bedrijf voor het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
Het kleinschalig kampeerterrein is voornamelijk gericht op toeristisch kamperen met een maximum van 20% aan permanente kampeermiddelenstandplaatsen, met een maximum van 5. Daarmee wordt het maximaal aantal permanente kampeermiddelen gekoppeld aan het totaalmaximale aantal kampeermiddelen én niet-permanente kampeermiddelenstandplaatsen.
Functies die niet passend zijn op een bedrijventerrein worden daar niet toegestaan.
Bij een kleinschalig kampeerterrein is de oppervlakte van een permanent kampeermiddel gemaximeerd op 55m2.
Een ondersteunende voorziening wordt beschouwd als onderdeel van een permanent kampeermiddel, bedoeld ter fundering, bevestiging, aansluiting, koppeling dan wel ondersteuning anderszins, zoals een vlonder.
Nieuwvestiging van kleinschalige kampeerterreinen binnen de kustzone is niet toegestaan. Uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein binnen de kustzone is wel toegelaten. Buiten de kustzone is nieuwvestiging én uitbreiding mogelijk.
Omwille van het grote aantal kleine kampeerterreinen en de gewenste differentiatie van het Zeeuwse verblijfsrecreatieve product geldt ook bij kleinschalige kampeerterreinen dat bij nieuwvestiging en uitbreiding ervan, aan een aantal kwalitatieve voorwaarden moet worden voldaan, t.b.v. een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau. Deze voorwaarden zijn enerzijds ruimtelijk van aard, zoals benoemd in het artikel, en zijn anderzijds te vinden in het ontwikkelkader verblijfsrecreatie, gericht op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie en verbinding met de omgeving. Verdere duiding is te vinden onder de toelichting bij bijlage IV, 3 B tot en met D.Bijlage IV, Deel I, B tot en met D.
Kustgemeenten die in hun omgevingsplan binnen de kustzone een maximumaantal kleinschalige kampeerterreinen hebben opgenomen, worden op grond van lid 5 in de gelegenheid gesteld om dit maximumaantal te handhaven. Dat betekent ook dat waar binnen die gemeenten een kleinschalig kampeerterrein vervalt, een nieuw kleinschalig kampeerterrein opgericht mag worden.
Met het zevende lid wordt bewerkstelligd dat een kleinschalig kampeerterrein niet wordt toegelaten op een locatie waar al een andere ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf aanwezig is. Hiermee wordt voorkomen dat verblijfsrecreatieve mogelijkheden gestapeld worden, waardoor de groei onbeheersbaar wordt.
KKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 18.2518.31 worden regels gesteld voor het toevoegen van nieuwe ligplaatsen in jachthavens. In het eerste lid is bepaald dat nieuwe ligplaatsen primair zijn toegelaten in bestaande jachthavens. Het woord ‘primair’ geeft aan dat ook nieuwe ligplaatsen buiten de bestaande jachthavens mogelijk zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld in het kader van integrale gebiedsontwikkeling. Hierbij bestaat afwegingsruimte waarbij afgewogen dient te worden in hoeverre bij nieuwvestiging buiten bestaande jachthavens de kansen voor transformatie of verplaatsen van een bestaande jachthaven zijn benut.
Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust en Deltawateren te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
Jachthavens en waterrecreatie vormen een belangrijk onderdeel van het (verblijfs)recreatief product van Zeeland. Jachthavens worden de afgelopen periode geconfronteerd met een teruglopende bezetting. Inmiddels neemt het aantal nieuwe gebruikers toe door de inzet op de huur van boten. Daarnaast is een positieve trend te zien binnen de funsporten (op en aan het water). Voor bestaande bedrijven blijft kwaliteitsverbetering en innovatie van groot belang.
Prioriteit wordt gegeven aan de kwaliteitsverbetering en herinrichting/transformatie van de bestaande jachthavens. Het doel is dat het totale aantal ligplaatsen in Zeeland per saldo niet toeneemt. Een beperkt aantal extra ligplaatsen binnen een bestaande haven of een tijdelijke toename in het kader van gebiedsontwikkeling zijn mogelijk. In dat kader dienen gemeenten per initiatief en gebiedsaanpak een beoordeling te maken van de economische uitvoerbaarheid van het initiatief en de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en sanering. Daarbij kan de gemeente rekening houden met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld zeezeilers), de bezettingsgraad van jachthavens in de buurt en alternatieve mogelijkheden in bestaande jachthavens.
De toekomstbestendigheid van jachthavens rondom de Deltawateren is van provinciaal belang, evenals de verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van,p en rondom jachthavens . Begrensde mogelijkheden voor het toevoegen van een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf kunnen een bijdrage leveren aan de beoogde ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van het gebied. Het kan daarbij gaan om ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf op het land – op plekken die al bebouwd/versteend zijn - of op het water door bestaande ligplaatsen voor vaartuigen te vervangen door drijvende logiesaccommodaties. Ook dat laatste geldt als een ontwikkeling voor recreatief nachtverblijf, waarvoor dezelfde maximumaantallen en voorwaarden gelden. Artikel 18.31, derde lid maakt het toevoegen van kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf tegen de hiervoor geschetste achtergrond mogelijk.
Van de maximumaantallen van respectievelijk 15 en 60 kan alleen gemotiveerd worden afgeweken aan de landzijde, binnen een door de gemeente aangewezenaandachtsgebied buiten de kustzone, als wordt voldaan aan de daartoe geldend aanvullende voorwaarden.
Voor de kleinschalige ontwikkelingen voor recreatief nachtverblijf die dit artikel mogelijk maakt gelden ook voor het overige, dezelfde eisen als voor dat type ontwikkeling. Gelet op de functie van een jachthaven geldt aan de landzijde niet de eis dat ontwikkelingen omkeerbaar moeten zijn.
LLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is het (terughoudende) beleid voor lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen verwoord. Dit beleid is reeds lange tijd onderdeel van provinciale beleidsplannen, waaronder het streekplan Zeeland 1997, het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012, het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en het Omgevingsplan Zeeland 2018.
Provinciale belangen hierbij zijn het tegengaan van hinder voor mens en natuur, behoud van stilte in de grote natuurgebieden van Zeeland (met inbegrip van de Deltawateren) en het behoud van de waarde van een rustig platteland.
Het aanwijzen van nieuwe terreinen en de uitbreiding van bestaande terreinen voor bedoelde sporten is slechts mogelijk in de in artikel 18.2618.32, eerste lid, benoemde gevallen.
In het eerste lid, onder b, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bestaande lawaaisportterreinen die langdurig worden gebruikt voor vergunde activiteiten ook planologisch mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan als de doelstelling van het beleid, tegengaan van geluidhinder, niet in het geding is. Daarom is als voorwaarde gesteld dat aannemelijk moet zijn dat er geen toename van geluidhinder zal ontstaan. Onder langdurig gebruik wordt in dit kader gebruik verstaan waar vóór de datum van 1 januari 2003 een vergunning voor is verleend. Dit is een termijn van 20 jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening.
Wat het eerste lid, onder c betreft is een uitzondering gemaakt voor modelvliegtuigen. Afstand tot het NNN is belangrijk. Met het NNN worden de gebieden bedoeld zoals geregeld in de artikelen artikel 18.3818.44 t/m artikel 18.4018.46 van deze verordening. Ook modelvliegtuigterreinen kunnen voor overlast zorgen. Van de gemeente wordt verwacht dat in voorkomend geval een afweging wordt gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het aanhouden van afstand tot gevoelige functies zoals woon- en verblijfsrecreatieve functies.
Met de zinsnede aan het eind van het tweede lid "op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot" wordt bedoeld dat geen verdergaande uitbreiding of nieuwvestiging mag worden toegelaten, die uitgaat boven in een vigerend plan of op basis van een eerder verleende vrijstelling/ontheffing reeds toegelaten ontwikkelingen.
MMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel en de bijbehorende bijlage beschrijven de eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer. Deze eisen vloeien voort uit de gebiedsvisie voor het Veerse Meer 2020-2030. Deze visie is gericht op bescherming en kwaliteitsvolle ontwikkeling van een veilig, economisch aantrekkelijk en (ecologisch) gezond en (be)leefbaar gebied als onderdeel van de Zeeuwse Delta. Met de Gebiedsvisie (en actieprogramma) wordt toegewerkt naar een nieuw ijkmoment in 2030, rekening houdend met het gegeven dat maatschappelijke opgaven en bescherming van het gebied uiteraard een bredere tijdsspanne betreffen.
Artikel 18.2718.33 en de bijbehorende uitgangspunten in Bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 18.2018.22 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veerse Meer blijft dus ook artikel 18.2018.22 gelden.
NNNNNNN
Voor sectie 18.28 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Het provinciale belang is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied.
Het concentratiebeleid voor glastuinbouw wordt als provinciaal belang aangemerkt. Zowel vanuit economisch als vanuit omgevingsperspectief (bundeling en tegengaan van versnippering van het landelijk gebied) heeft concentratie voordelen boven een gespreide ontwikkeling.
De provincie voert al jaren een stringent vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij. Dit stringente beleid is in dit artikel neergelegd. De provinciale belangen voor het stellen van regels omtrent het vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij zijn gelegen in het streven naar het behoud van landschappelijke waarden (in verband daarmee o.a. het tegengaan van grote industrieel aandoende bedrijven), het tegengaan van stankhinder, behoud van een goed toeristisch product ('het toeristisch product Zeeland'), het bevorderen van recreatief medegebruik van het landelijk gebied en het bevorderen van een vitale, grondgebonden landbouw als belangrijke 'drager' van het landelijk gebied
Het provinciaal belang voor het reguleren van agrarische onderzoeksbedrijven is gelegen in het behoud van omgevingskwaliteit en het tegengaan van verstening en versnippering van het buitengebied. Agrarische onderzoeksbedrijven zijn bedrijven die zich uitsluitend richten op onderzoek naar nieuwe en verbetering van bestaande agrarische gewassen ten behoeve van de agrarische sector. Qua verschijningsvorm zijn deze bedrijven een combinatie van grondgebonden akkerbouw, glasopstallen, laboratorium en kantoor.
OOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie voert al jaren een stringent vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij. Dit stringente beleid is in dit artikel neergelegd. De provinciale belangen voor het stellen van regels omtrent het vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij zijn gelegen in het streven naar het behoud van landschappelijke waarden (in verband daarmee o.a. het tegengaan van grote industrieel aandoende bedrijven), het tegengaan van stankhinder, behoud van een goed toeristisch product ('het toeristisch product Zeeland'), het bevorderen van recreatief medegebruik van het landelijk gebied en het bevorderen van een vitale, grondgebonden landbouw als belangrijke 'drager' van het landelijk gebied.
In de verordening wordt voor het gehele provinciale grondgebied een regeling getroffen en worden beperkingen gesteld aan de ontwikkeling van intensieve veehouderij. In verreweg de meeste gemeentelijke plannen is reeds een regeling opgenomen voor dit onderwerp. Regeling bij provinciale verordening gebeurt voor dit thema vooral vanuit de 'waarborgfunctie'. Ook in toekomstige gemeentelijke plannen mogen de in de provinciale verordening gestelde normen niet worden overschreden. Wel bestaat voor gemeenten de ruimte om, vanuit een lokale afweging, verdergaande beperkingen te stellen aan bijvoorbeeld de omvang van het bedrijfsvloeroppervlak.
Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, het omschakelen naar een intensieve veehouderij en nieuwe neventakken intensieve veehouderij zijn uitgesloten. Verplaatsing van een in Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of –vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst is wel toegelaten. Bij een dergelijke verplaatsing dient wel aannemelijk te worden gemaakt dat de omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf.
Een doelstelling voor bestaande hoofdtakken intensieve veehouderij is te 'verduurzamen'. Bij verduurzaming wordt maatwerk geleverd, waarbij de volgende criteria worden afgewogen: dierenwelzijn, milieuwinst, omgevingskwaliteiten, maatschappelijk verantwoord ondernemen en een vanuit bedrijfsvoering verantwoord ontwikkelingsperspectief. Niet op alle onderdelen hoeft er sprake te zijn van het toepassen van bovenwettelijke normen. Uit het gemeentelijk maatwerk moet blijken dat een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf met een belangrijke kwaliteitsimpuls voor de omgeving en dat het gaat om een ontwikkeling die meer betekent dan het voldoen aan wettelijke eisen. De provincie hecht waarde aan het treffen van maatregelen die leiden tot 'milieuwinst' (bijvoorbeeld het beperken van stankhinder en het verminderen van stikstofuitstoot) en het versterken van omgevingskwaliteiten (bijvoorbeeld een verbeterde landschappelijke inpassing). Verduurzaming is uitgangspunt en de door gemeenten via maatwerk te verlenen uitbreidingsruimte is daaraan gerelateerd en daarvan afhankelijk. Dergelijke maatregelen zijn in de regel economisch haalbaar bij volwaardige bedrijven en niet of veel minder bij kleinere neventakken. In lid 5 is een regeling opgenomen voor bestaande bedrijven die kleiner zijn dan 5000m2. Deze mogen onder voorwaarden groeien tot maximaal 5000m2 bedrijfsvloeroppervlak. In het zesde lid is een regeling opgenomen voor bestaande bedrijven die al groter zijn dan 5000m2. Uitgangspunt voor deze bedrijven is dat deze onder voorwaarden mogen doorgroeien tot maximaal 8000m2. Er is een enkel bedrijf dat in de huidige situatie al nagenoeg de oppervlakte van laatstgenoemde maximale maat heeft. Voor die situatie is in de regeling voorzien dat in dat geval onder gelijkluidende voorwaarden een maximale uitbreiding van 20% is toegestaan, dit om ook in dat geval verduurzaming mogelijk te maken. Reeds bestaande neventakken behouden een ontwikkelingsmogelijkheid (die is neergelegd in het zevende lid).
In het achtste lid is een regeling opgenomen die ruimte laat voor het vergroten van het bedrijfsvloeroppervlak indien wettelijke regels in verband met dierenwelzijn worden aangescherpt. In het negende lid is een regeling opgenomen voor het zogenaamde Beter Leven Keurmerk. Bij een uitbreiding op basis van het Beter Leven Keurmerk is het verschil in toegestane dierbezetting tussen regulier en Beter Leven Keurmerk van belang. Hier worden ook andere voorschriften vanuit het Beter Leven Keurmerk bij betrokken die beperkingen opleveren ten opzichte van een gebruikelijke reguliere bedrijfsvoering. Door het faciliteren van een gelijkwaardige positie qua dieraantallen wordt de deelname aan het Beter Leven Keurmerk gestimuleerd. Voor beide regelingen geldt dat bij toepassing daarvan het aantal dieren niet zal toenemen.
Wat de regels voor nieuwvestiging betreft wordt nog opgemerkt dat onder nieuwvestiging niet wordt begrepen de situatie waarin sprake is van een bedrijf met vestigingen op verschillende locaties in Zeeland waarbij concentratie plaatsvindt op één locatie terwijl de activiteit op de andere locatie(s) wordt beëindigd.
SSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Voor sectie 18.33 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De Wet ammoniak en veehouderij, die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, beschermt natuurgebieden die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen.
Op grond van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij hebben provinciale staten al zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze aangewezen gebieden zijn één op één overgenomen in de omgevingsverordening. De aanwijzing van dergelijke kwetsbare gebieden is gebaseerd op de artikelen 2 en 3 van de voormalige Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij.
Ook onder de Omgevingswet is er aandacht nodig voor de bescherming van natuurgebieden, die gevoelig zijn voor verzuring door de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. Artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft dit voor. Hierbij heeft de provincie Zeeland gekozen voor een beleidsneutrale omzetting. De provincie heeft de weigeringsgronden voor omgevingsvergunningen voor veehouderijen van de voormalige Wet ammoniak en veehouderij overgenomen in deze paragraaf.
UUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikellid wordt aangegeven onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van het uitbreidingsverbod van artikel 18.3418.40, tweede lid, onder a van deze omgevingsverordening.
De regeling is vergelijkbaar met de regeling die in artikel 18.3518.41 is uitgewerkt voor bestaande veehouderijen die vergunningplichtig worden, omdat ze buiten de werkingssfeer van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de voormalige Wet milieubeheer zouden komen te vallen.
Op basis van het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, geldt bij uitbreiding van het aantal dieren een emissieplafond dat wordt vastgesteld door de vergunde emissie te corrigeren naar de “beste beschikbare technieken”. Uitbreiding is alleen mogelijk door het toepassen van verdergaande emissiearme technieken.
Het eerste lid, onder a, onderdeel 2°, voorkomt dat de emissie kan toenemen bij een veehouderij die al een lagere emissie heeft dan overeenkomt met toepassing van de “beste beschikbare technieken”.
Het eerste lid, onder b, bevat de bijzondere regeling voor melkrundveehouderijen. Voor een toelichting wordt verwezen naar artikel 18.35artikel 18.41, eerste lid, onder c.
Onder c tot en met e is evenals in artikel 18.35artikel 18.41 een bijzondere regeling opgenomen voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden. Voor een toelichting hiervoor wordt verwezen naar artikel 18.35artikel 18.41, eerste lid, onder a tot en met f.
Met het tweede lid wordt voorkomen, dat wanneer met gebruikmaking van de afwijkende regeling voor melkrundveehouderijen of die voor veehouderijen waar dieren grondgebonden worden gehouden het aantal dieren is uitgebreid, de met deze uitbreiding samenhangende emissietoename later door middel van een wijziging van de vergunning voor het houden van andere diercategorieën, zoals varkens of kippen, wordt gebruikt. Daarmee wordt oneigenlijk gebruik van de regeling tegengegaan.
YYYYYYY
Voor sectie 18.37 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Het behoud van een veilige waterkering wordt als provinciaal belang aangemerkt. Behoud van een veilige waterkering is in het belang van de veiligheid van de inwoners van Zeeland. Bij een doorbraak van de primaire waterkering is het van belang de gevolgen zo beperkt mogelijk te houden. Dit kan onder meer door het in stand houden van een stelsel van regionale keringen (zie ook artikel 16.1). In deze verordening zijn daarom regels opgenomen voor de bescherming van de regionale waterkeringen.
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is mede opgesteld in verband met afdeling 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze rijksregeling zijn instructieregels opgenomen met het oog op de bescherming van het natuurnetwerk Nederland.
Er is een regeling opgenomen voor het beschermen van natuurnetwerk Nederland. Het doel is een planologisch beschermingsregime te bieden voor de aangewezen natuurgebieden. Voor de begrenzing van de gebieden is aangesloten bij de begrenzing van de gebieden in het geldende Natuurbeheerplan Zeeland. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan vermeld. Daartoe wordt verwezen naar het overzicht van beheertypen. Wat agrarische gebieden van ecologische betekenis betreft wordt verwezen naar de in het Natuurbeheerplan aangeduide agrarische gebieden van ecologische betekenis met daarbij behorende beheertypen waarin de beoogde natuurkwaliteit is beschreven.
Het provinciale belang (dat in dit geval tevens een gedeeld rijksbelang is) is gelegen in behoud en ontwikkeling van een bovenlokaal netwerk van natuurgebieden en bescherming van deze gebieden. Voorts levert dit beleid een bijdrage aan het behoud van belangrijke kenmerken van de provincie (open, 'groen en blauw' estuariën deltagebied). De bedoelde gebieden zijn tevens belangrijk voor de recreatie in Zeeland.
Het bovenstaande geldt tevens voor de agrarische gebieden van ecologische betekenis als ook voor het waarborgingsbeleid voor natuurontwikkelingsgebieden en de afwegingszone rond natuurgebieden.
In artikel 18.3818.44 zijn de regels voor bestaande natuur opgenomen. Uit het eerste lid van artikel 18.38artikel 18.45 (instructieregel) volgt de plicht voor de gemeenteraad om in een omgevingsplan dat van toepassing is op bestaande natuur regels te stellen die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland en verzekert dat de kwaliteit en oppervlakte daarvan niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden. Aan locaties binnen bestaande natuur dient in ieder geval de functie natuur te worden toegekend. Dit houdt overigens niet in dat in de bedoelde gebieden uitsluitend een natuurfunctie is toegestaan. Ook andere functies kunnen worden toegelaten. Daarbij kan worden gedacht aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing zoals bedoeld in het derde lid.
Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten in de bedoelde gebieden is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland. Voor zover het Natura 2000-gebieden betreft of andere gebieden die onder de werking van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, zal ook via het beschermingsregime van deze wetten een beoordeling plaatsvinden.
Uitzonderingen hierop zijn mogelijk voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de begrenzing van bestaande natuur te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.
In artikel 18.3918.45 zijn regels opgenomen voor agrarische gebieden van ecologische betekenis. In het eerste lid is een instructie opgenomen om in een omgevingsplan dat van toepassing is op deze gebieden zowel regels op te nemen die van toepassing zijn op agrarische activiteiten en regels die de ecologische waarde van de gronden tot uitdrukking brengen. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn opgenomen in het geldende Natuurbeheerplan Zeeland.
Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen worden gecontinueerd.
Met betrekking tot het toestaan van nieuwe activiteiten of de wijziging van bestaande activiteiten is het uitgangspunt dat in een omgevingsplan geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten worden toegestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden, kunnen leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden of kunnen leiden tot een vermindering van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland. In de motivering van het omgevingsplan dient aannemelijk gemaakt te worden dat nadelige gevolgen en vermindering zich niet voordoen.
In het vijfde lid is een instructie opgenomen waarin de gemeenteraad bepaalde reguliere agrarische activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor wezenlijke waarden en kenmerken van de gronden dient te verbinden aan een omgevingsvergunningenplicht. Deze plicht is van toepassing op activiteiten die het reguliere agrarische gebruik betreffen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aanbrengen van drainage (voor een betere ontwatering van percelen), diepploegen, scheuren van grasland, het planten of vellen van bomen. Dergelijk regulier agrarisch gebruik kan nadelige gevolgen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. De bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning berust bij het college van burgemeester en wethouders. Het college kan dan afwegen of de wezenlijke kenmerken en waarden worden geschaad. Eventueel kan een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden verleend.
Evenals bij de instructieregels voor bestaande natuur is in het zesde lid een uitzondering opgenomen voor activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten waarbij sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd. Wat het begrip “groot openbaar belang” betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Individuele en korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. In het zevende lid is aangegeven wat in ieder geval tot een groot openbaar belang wordt gerekend.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van agrarische gebieden van ecologische betekenis te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.
Artikel 18.4018.46 bevat een regeling voor het waarborgingsbeleid van begrensde natuurontwikkelingsgebieden (begrenzing nieuwe natuur; Natuurbeheerplan Zeeland). Aan bestaand (agrarisch) gebruik worden geen beperkingen gesteld (geen 'planologische schaduwwerking'). Nieuwe onomkeerbare ontwikkelingen/ingrepen, anders dan ten behoeve van natuurdoeleinden, zijn daarentegen niet toegelaten. De verordening verzet zich niet tegen tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van natuurontwikkelingsgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.
Artikel 18.4118.47 bevat regels voor de afwegingszone van 100 meter rond bestaande natuurgebieden. Artikel 18.41Artikel 18.48 is niet van toepassing op binnendijken. Niet beoogd is beperkingen te stellen aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Voorafgaand aan het toestaan van nieuwe activiteiten dient een afweging te worden gemaakt waarbij de natuurwaarden van het naastgelegen natuurgebied moeten worden betrokken.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing Afwegingszone natuurgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland. Er bestaat een relatie tussen de begrenzing van bestaande natuur en de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden. Wijziging van de begrenzing van bestaande natuur kan leiden tot een wijziging van de begrenzing van de afwegingszone natuurgebieden.
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Nieuw is een regeling voor werelderfgoederen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, artikel 7.4, derde lid) is bepaald dat bij Omgevingsverordening in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige lijst werelderfgoed, regels worden gesteld over omgevingsplannen en projectbesluiten (4.2, eerste lid Ow).
De provincie bevordert instandhouding en ontwikkeling van agrarisch en religieus erfgoed en historische windmolens. Het Zeeuwse erfgoed is een belangrijk onderdeel van de Zeeuwse identiteit; het geeft een beeld van het verleden, het draagt bij aan de culturele identiteit in het heden en het geeft richting aan (ruimtelijke) ontwikkelingen in de toekomst. De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang, het behoud van de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving.
In overleg met gemeenten, Stichting Landschapsbeheer Zeeland en Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland zijn de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap geïnventariseerd. Verwezen wordt naar het rapport "Handreiking landschap" – het landschap van Zeeland, beschrijving van het landschaps-DNA en ontwikkelingsperspectief – Bosch Slabbers Landschapsarchitecten d.d. april 2012. De in bijlage VII aangegeven landschappen, landschapselementen en cultuurhistorische elementen vinden hun grondslag in dat rapport en zijn, gezien de herkenbaarheid en bijzondere identiteit, als van provinciaal belang aangemerkt. Ook de begrenzing van gebieden of de aanduiding van elementen (lijnen, punten en vlakken) zijn gebaseerd op bovengenoemd rapport.
De aanduiding van cultuurhistorische waardevolle boerderijen is gebaseerd op de inventarisatie uit 2018 van Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) en de Stichting Landschapsbeheer Zeeland (SLZ) in opdracht van de Provincie Zeeland (https://kaarten.zeeland.nl/map/cultuurhistorie). Op basis van deze inventarisatie is een lijst gemaakt met de meest waardevolle boerderijen. Deze selectie is opgenomen op de kaart in bijlage VII. De lijst wordt echter continu aangepast aan de hand van de actuele staat van instandhouding en aanmelding voor opname op de lijst door de eigenaar. De actuele lijst is voor de gemeente beschikbaar bij de Provincie Zeeland.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd de begrenzing (van gebieden) en beschrijving (van elementen) van landschap en erfgoed te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het delegatiebesluit.
In het eerste lid is de instructieregel voor de gemeenteraad opgenomen om in de motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor bovengenoemde landschappen, elementen en gebieden inzicht te geven in de landschappelijke respectievelijke cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen.
In het tweede lid is met betrekking tot het toestaan van activiteiten het uitgangspunt opgenomen dat in een omgevingsplan geen activiteiten worden toegestaan die het mogelijk maken dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast, kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of kunnen leiden tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. Dit artikel is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen als bedoeld in bijlage VII.
Voor het toestaan van functies van groot openbaar belang die tot een significante aantasting leiden, zijn in het vijfde lid waarborgen en criteria aangegeven. Wat het begrip 'groot openbaar belang' betreft wordt opgemerkt dat het moet gaan om zwaarwegende belangen. Korte termijn belangen kwalificeren niet als zwaarwegend. Per concrete ruimtelijke ontwikkeling zullen gedeputeerde staten beoordelen of er sprake is van een ‘groot openbaar belang’.
Een nadere precisering van de begrenzing van bovengenoemde elementen, landschappen en gebieden heeft plaatsgevonden aan de hand van de hierna genoemde uitgangspunten.
Een nadere precisering van de begrenzing van bovengenoemde elementen, landschappen en gebieden heeft plaatsgevonden aan de hand van de hierna genoemde uitgangspunten.
Deltawateren, schorren en slikken:
Is gelijk aan de begrenzing van alle buitendijks gelegen natura 2000-gebieden. De schorren en slikken zijn nader aangeduid aan de hand van de begrenzing daarvan uit het Natuurbeheerplan 2016.
Duin- en strandlandschappen + vroongronden:
Begrensd op basis van de provinciale spatial database engine (sde) en nader bepaald aan de hand van bodemkaart (duinzandgebieden) en luchtfoto's (daadwerkelijk zichtbare duinen, stranden en vroongronden).
Bijzondere open poelgebieden:
Schouwen (bijzondere open poelgebieden tussen Burgh-Haamstede en Oosterschelde)
Landschap van de Deltawateren:
Kenmerken: Buitendijkse gebieden met de grootschalige weidsheid van het open water, de dynamiek van wind en getij en zilte gradiënten. De begrenzing omvat alle buitendijkse Natura 2000-gebieden van de Deltawateren.
Duinlandschap:
Kenmerken: Het duinlandschap kenmerkt zich door de aanwezigheid van veel reliëf, een zandige bodem en een sterk door de zee beïnvloed klimaat. Van de kust naar het binnenland is er een gradiënt in zout, kalkgehalte en ouderdom van de bodem. Die gradiënt uit zich in een karakteristieke opeenvolging van biotopen: strand, zeereep, open-duinvalleien, struweelduinen en binnenduinrandbossen. Hoe meer landinwaarts, hoe meer de duinen als gevolg van natuurlijke successie zijn begroeid met struiken, zoals duindoorn en meidoorn. Verder bevatten de duinen meren en plassen, moerassen, droge en natte duingraslanden en heiden. Het kustgebied heeft van nature veel dynamiek, zoals stuivende duinen. De mens heeft in het verleden deze dynamiek aan banden gelegd, door het aanleggen van zeedijken en door helmaanplant om de zeewering in stand te houden en overstuiving van het achterland tegen te gaan. Tegenwoordig probeert men de dynamiek weer te bevorderen door verstuiving toe te laten (bron: clo)
De begrenzing betreft herkenbare duinen, stranden en vroongronden. Vooral het strand, maar ook een deel van de duinen zijn dynamisch, waardoor de grenzen in de praktijk kunnen variëren.
Oudland:
Kenmerken: Bijzondere open poelgebieden in contrast met de meer besloten kreekruggen, structuur van verkaveling, beplanting, microreliëf en wegen.
Poelgebieden waarvan op basis van topografie en luchtfoto's is bepaald dat hun ruimtelijk karakter zeer open is. De precieze grenzen zijn zo veel als mogelijk bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting en bebouwd gebied.
Schouwen-Duiveland (bijzondere open poelgebieden tussen Burgh-Haamstede en Oosterschelde)
Het gaat hier om het bijzondere open landschap tussen enerzijds de Oosterschelde en anderzijds het besloten binnenduinlandschap tussen Westenschouwen en Haamstede. Tussen Haamstede en de Schelphoek is gekozen voor een logische ruimtelijke begrenzing door de N57.
De begrenzing van het gebied moet worden gezien als een doortrekking van het landschapstype van de open zilte weidegebieden (Plan Tureluur-natuur) tussen de Schelphoek en Zierikzee. In beide gevallen gaat het om vanouds open poelgebieden met een sterke landschappelijke band met de Oosterschelde.
Tholen (bijzondere open poelgebieden (Scherpenissepolder, Poortvliet- en Mallandpolder Zuid, Schakerloopolder West))
Tholen
Het gaat hier om de sterk open poelgebieden aan de zuidkant van Tholen die een sterke landschappelijke band hebben met de Oosterschelde. Er is gekozen voor een logische ruimtelijke begrenzing langs (van west naar oost): Gorishoekse Dijk, bebouwd gebied Scherpenisse, de N286 (Postweg), N659 (Reimerswaalse Weg), Ceresweg en Boomdijk.
Walcheren (Bijzondere open poelgebieden (openheid, structuur van verkaveling, beplanting, (micro)reliëf en wegen)
Walcheren
Poelgebieden waarvan op basis van topografie en luchtfoto's is bepaald dat hun ruimtelijk karakter zeer open is. De precieze grenzen zijn zo veel als mogelijk bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting en bebouwd gebied.
Zuid-Beveland (Bijzondere open poelgebieden (openheid, structuur van verkaveling, beplanting, (micro)reliëf en wegen)
Zuid-Beveland
Poelgebieden waarvan op basis van topografie en luchtfoto's is bepaald dat hun ruimtelijk karakter zeer open is. De precieze grenzen zijn zo veel als mogelijk bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting, waterlopen en bebouwd gebied.
Zeeuws-Vlaanderen (openheid en structuur van verkaveling, wegenpatroon en microreliëf)
Zeeuws-Vlaanderen
Het gaat hier om:
1.het enige poelgebied in West-Zeeuws-Vlaanderen, de Veerhoekpolder. De begrenzing is dezelfde als die van de polder zelf.
2.de Grote Putting in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. De begrenzing is bepaald door een logische, ruimtelijke begrenzing in de vorm van wegen, beplanting waterlopen en bebouwd gebied.
Overige NNN-gebieden:
Kreken en kreekrestanten
Kenmerken: Open water, kreekoevers (afhankelijk van de oorsprong steil of juist vlak).
De sporen van de strijd tegen het water met landwinst en -verlies zijn in het landschap zichtbaar in de vorm van dijken, kreken en kreekrestanten. Behalve ingedamde zeearmen (zoals Dijkwater, Pluimpot, Bruintjeskreek, Schenge, Zwaakse Weel en Braakman), betreft het ook geulenstelsels van militaire oorsprong. De Axelse Kreek, De Vogel en het Groot Eiland zijn restanten uit de 80-jarige oorlog. Van recenter oorsprong zijn de inundatiekreken op Walcheren die overbleven na geallieerde bombardementen uit 1944(Rammekenskreek, Nollekreek, Veerse en Westkapelse Kreek). Aan de zuidkust van Schouwen-Duiveland ontstonden tijdens de waternoodramp van 1953 diepe stroomgaten, waarvan de kreken van Schelphoek en Ouwerkerk resteren in het landschap.
Overige NNZ-gebieden:
Begrenzing gebaseerd op Natuurbeheerplan 2016. Open entree van Zeeland:.
Voorts is in bijlage VII de 'open entree van Zeeland' aangegeven. Hiermee worden de open polders in de omgeving van
Open entree van Zeeland:
Voorts is in bijlage VII de 'open entree van Zeeland' aangegeven. Hiermee worden de open polders in de omgeving van Rilland bedoeld. Komend vanuit de provincie Noord-Brabant ontvouwt zich een 'open venster'. De waardevolle openheid van dit gebied wordt als van provinciaal belang aangemerkt.
Het gebied is in de provinciale ruimtelijke verordening (2010) reeds aangegeven als het 'venster Reimerswaal'. Wat de begrenzing betreft is uit eerdere analyse gebleken dat sprake is van een zeer open poldergebied dat vanaf de snelweg kan worden beleefd. Aan de zuidzijde heeft dit venster een zeer grote reikwijdte. Gezien het feit dat toepassing van het criterium openheid in de omgeving van Rilland tot een venster met een aanzienlijke oppervlakte zou leiden en mede gelet op het feit dat de kern Rilland en het bedrijventerrein "De Poort" het zicht vanaf de snelweg beperken is ervoor gekozen de omvang van het venster te begrenzen op de volgende wegen: Bergkilweg, Kapucijneweg, Bathseweg.
Westelijk van Krabbendijke zijn dusdanig veel boomgaarden aanwezig dat van een open venster geen sprake meer is. Daarom eindigt het venster ter hoogte van Krabbendijke en Gawege. Bij de begrenzing van het venster is besloten de bebouwde kom van dorpen buiten het venster te laten vallen. Niet beoogd is voor de dorpen beperkingen in het leven te roepen. Solitaire bebouwing in het buitengebied en het bedrijventerrein vallen wel binnen het venster. Bij ontwikkelingen in het venster moet rekening worden gehouden met beeldkwaliteit en gevolgen voor het omringende landschap.
Deltawerken en overige grote ingenieurswerken, zoals de Zeelandbrug:
Deltawerken en overige grote ingenieurswerken, zoals de Zeelandbrug:
De daadwerkelijke, fysieke contouren van deze ingenieurswerken gebaseerd op de topografie en luchtfoto's.
Atlantikwall:
De Atlantikwall is niet op kaart aangegeven omdat noodzakelijk data nog ontbreken. Van gemeenten wordt verwacht dat restanten zoals bunkers en versterkingen uit de Tweede Wereldoorlog, in het kader van de voorbereiding van een omgevingsplan, worden geïnventariseerd en dat beschermende regels worden gesteld. Op provinciaal niveau wordt een inventarisatie uitgevoerd. Zodra de resultaten beschikbaar zijn zullen deze worden toegevoegd aan de kaart van de cultuurhistorische hoofdstructuur.
Landfront Vlissingen:
Provinciale spatial database engine (bunkers, tankgracht en Höckerhindernisse). Het schootsveld is het gebied aan de "vijandkant" van het Landfront Vlissingen, waar sprake is van het ontbreken of nagenoeg ontbreken van bebouwingsconcentraties en opgaande beplanting alsmede van landschappelijke openheid en zichtlijnen vanaf het lijnelement "Landfront Vlissingen" (de anti-tankgracht) op de puntelementen van het "Landfront Vlissingen" (de bunkers).
De zuidgrens van het schootsveld is gelijk aan het lijnelement "Landfront Vlissingen" (de voormalige antitankgracht en versperringen van "drakentanden" (Höckerhindernisse)). De noordgrens wordt gevormd door de meest nabijgelegen ruimtelijke scheiding, zoals weg(beplanting)en en waterlopen.
Alleen van het westelijk deel van het Landfront (gedeelte Valkenisse – Middelburg) is het schootsveld begrensd, omdat alleen hier de ruimtelijke openheid van het schootsveld ook daadwerkelijk beleefd kan worden.
Staats-Spaanse Linies:
Landfront Vlissingen:
De Atlantikwall is een verdedigingslinie voor Nazi-Duitsland, daterend uit de Tweede Wereldoorlog. De linie bestaat uit verschillende onderdelen bestaand relict, strekkend over verschillende landen van totaal 5000 kilometer. Deze linie bevat relicten zoals bunkers, tankgrachten, drakentanden, kazematten en ander antitankgeschut.
Onderdeel van deze Atlantikwall is het Landfront Vlissingen, een linie van bunkers en tankgracht. Deze linie is van landschappelijke waarde vanwege de open ligging in het landschap, lijnelementen en beperkte opgaande beplanting wat de zichtbaarheid en beleving van het schootsveld van de bijhorende bunkers versterkt.
Staats-Spaanse Linies:
Bestaat uit alle nog meer of minder zichtbare restanten van fortificaties in Zeeuws-Vlaanderen uit de periode 1568 – 1795. Ook de tracés van de historische verdedigingslinies uit die periode zijn begrensd en worden gevormd door dijken, wegen en waterlopen.
Herkenbare overgangen naar kleinschalige dekzandlandschappen in Zeeuws-Vlaanderen:
Lijnen ingetekend op plaatsen waar op basis van topografie en luchtfoto's een duidelijk contrast te zien is tussen enerzijds een besloten, kleinschalig landschap (dichte concentratie van opgaande beplanting, wegen en/of waterlopen; onregelmatige structuur van wegen en percelen) en anderzijds een open, grootschalig landschap (weinig tot geen opgaande beplanting en een regelmatige structuur van wegen en percelen).
Groeve Nieuw-Namen:
Valt samen met de begrenzing van het gelijknamige natuurgebied (NNZ-begrenzing Natuurbeheerplan 2016).
Inlagen, karrevelden en open zilte weidegebieden:
Gebaseerd op de provinciale spatial database engine en Plan Tureluur (Natuurbeheerplan 2016).
Bossen en landgoederen:
Provinciale spatial database engine (voor bossen de kaartlaag "natuur bos").
De begrenzing van de volgende elementen is gebaseerd op de gegevens uit de provinciale spatial database engine.
Vliedbergen
Welen
Paalhoofden
Molenbiotopen
Landgoederen en buitenplaatsen:
Een terrein bestaande uit een buitenhuis of monumentale woning, veelal met bijgebouwen en daaromheen aangelegde tuin-, park- en/bos, dat als geheel grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigd.
Vliedbergen:
Kunstmatig aanlegde verhoging in het in het landschap, van oudsher ter bescherming tegen hoogwater en/of voormalige vestiging mottekasteel.
Welen:
Een klein type oppervlaktewater, veelal ter gevolg van vroegere dijkdoorbraak.
Paalhoofden:
Rij op kleine afstand van elkaar, haaks op de oever of zeelijn geplaatste palen, die van oorsprong tot doel hadden golfslag te breken.
Molenbiotopen:
Gebied rondom traditionele windmolen binnen straal van 400 en 100 meter, ingericht om hoogte bebouwing en opgaande bosschage te beperken ter bescherming van windvang, aanzicht en cultuurhistorische waarde van traditionele windmolens.
Forten :
Relicten van vroegere militaire bouw- en verdedigingswerken.
Kastelen
Hollestelles
Oesterputten
Kreken en kreekrestanten
Deltadijken
Binnendijken
Muraltmuurtjes
Duinbeken
Houtwallen
Elzenmeten
Kastelen:
Versterkte voormalige residentie van een heer of ander adellijk persoon, dat veelal diende als zowel woning en verdedigingswerk.
Hollestelles:
Een poel op de top van een verhoging (stelleberg) in (voormalig) buitendijks aan de zee grenzende gebieden, veelal in het verleden gebruikt als drinkwaterbron voor vee.
Oesterputten:
Waterbassin of reservoir (voormalig) in gebruik voor het bewaren en zuiveren van oesters.
Kreken en kreekrestanten:
Een (restant van) smalle, natuurlijke watergeul.
Deltadijken:
Dijken en waterkeringen gebouwd na de Watersnoodramp 1953, bestand en bestemd voor bescherming tegen extreme weersomstandigheden en hoog water.
Binnendijken:
Dijkenstructuur in Zeeland ten gevolg van graafwerkzaamheden zoals inpoldering en aanleg verdedigingslinies.
Muraltmuurtjes:
(Relicten van) muurtjes zoals uitgevonden door jonkheer ir. R.R.L. de Muralt, veelal opgebouwd door gestapelde betonnen platen tussen rechtopstaande betonnen paaltjes, op de kruin van een dijk.
Duinbeken:
Helder, koel en voedselarm beekje aan de binnenduinrand, veelal snelstromend waarin kwelwater uit de duinen afstroomd naar lager gelegen land.
Houtwallen:
Lijnvormig, langgerekte aarden wal begroeid met bomen en struiken.
Elzenmeten:
Kleine percelen met meten of ‘bedden’ (veelal 4 meter breed), waar elzen op worden geplant voor hakhout, met tussen de meten door lopende greppels.
Inlagen:
Stuk land gelegen tussen de buiten- en binnendijk, waaruit vaak de grond werd afgegraven voor een dijkverhoging.
Karrevelden:
Langgerekte plassen en greppels met daar tussen in dammetjes gelegen in een (voormalige) inlaag, veelal ontstaan bij het afgraven van de desbetreffende inlaag.
Artikel 5.35
Artikel 18.48
benoemt waarden van provinciaal belang. In het tweede lid is bepaald dat een omgevingsplan voor een gebied waarin de benoemde waarden aan de orde zijn geen activiteiten toestaat die leiden tot een significante aantasting of vermindering van waarden.
Dit betekent niet dat andere functies ter plaatse van of in de omgeving van waardevolle landschappen en cultuurhistorisch waardevolle elementen geheel zijn uitgesloten. Er bestaat afwegingsruimte voor gemeentebesturen. Bij de regeling in het omgevingsplan dienen echter de benoemde waarden in overwegende mate te worden behouden en beschermd. Dit geldt eveneens voor ontwikkelingen in de nabijheid van landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen.
De rood-voor-rood regeling biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties toe te staan buiten stedelijk gebied, met als doel het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied.
De regeling vormt een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw, die niet aansluit op het stedelijk gebied niet is toegestaan, zoals in artikel 5.14 artikel 18.14 is opgenomen. Daarom gelden belangrijke kwalitatieve voorwaarden en wordt de regeling alleen ingezet als woningbouw aantoonbaar bijdraagt aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden én de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.1
Het eerste lid maakt duidelijk in welke gevallen het artikel van toepassing is. In het tweede en derde lid zijn de randvoorwaarden opgenomen. Gemeenten dienen bij het toepassen van deze regeling te onderbouwen waarom er een kwalitatieve versterking van het landelijk gebied ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Elke randvoorwaarde dient hierbij aan bod te komen.
In het eerste lid zijn de twee voorwaarden opgenomen op grond waarvan een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie buiten stedelijk gebied mogelijk kan worden gemaakt. De regeling ken twee sporen:
Lid 1 sub a
Dit betreft een neutrale verplaatsing van bestaande woningen binnen het landelijk gebied, zonder toename van het aantal. De functie wonen vervalt elders (in het omgevingsplan) en wordt verplaatst naar een andere locatie, zonder netto toevoeging van woningen. Dit kan wenselijk zijn als op de nieuwe locatie sprake is van betere inpassing of verkeersontsluiting.
Lid 1 sub b
Behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waarbij woningbouw wordt ingezet als financiële drager voor instandhouding. Provincie Zeeland erkent dat deze gebouwen een belangrijk onderdeel vormen van het Zeeuwse landschap en de identiteit van het landelijk gebied. Tegelijkertijd is het behoud ervan onder druk komen te staan door leegstand, functieverlies of gebrek aan investeringsruimte. Door onder voorwaarden woningbouw in de bestaande gebouwen toe te staan, wordt een nieuwe functie geboden die kan bijdragen aan het behoud en beheer van deze gebouwen. Het gaat hierbij niet om het toevoegen van nieuwe woningen op het bouwvlak zelf.
De regeling beperkt zich tot gebouwen met erkende cultuurhistorische waarde. Onder iii wordt aangegeven dat het ook kan gaan om gebouwen die niet onder i of ii vallen, maar wel op basis van een onafhankelijk advies als cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt.
Cultuurhistorisch waardevol
Een object of een ensemble is cultuurhistorisch waardevol wanneer de landschappelijke context en de bovengrondse bebouwing niet of weinig is aangetast, de zeldzaamheid kan worden aangetoond en het bijdraagt aan het versterken van de identiteit van die plek.
Om cultureel erfgoed in kaart te brengen en hier waarde aan toe te kennen wordt vaak gewerkt met bestaande lijsten zoals het register van rijksmonumenten en de aangewezen gemeentelijke monumenten. Deze gegevens en lijsten bevatten echter niet al het beschermwaardige cultureel erfgoed. Met een cultuurhistorisch onderzoek kunnen gebouwen, hun omgeving, landschappen en landschapselementen geïnventariseerd en gewaardeerd worden.
Een cultuurhistorisch onderzoek dient door een onafhankelijke deskundige te worden opgesteld. Dit onderzoek moet voldaan aan de richtlijnen zoals onderschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Voor een overzicht van de soorten onderzoek, met daarbij de juiste voorwaarden en richtlijnen, raadpleeg de website van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:
Binnen dit onderzoek wordt de cultuurhistorische waarde bepaald aan de hand van een 'waardestelling'.
De waardestelling heeft als doel om waarden toe te kennen aan de objecten, zo ook mogelijk in relatie tot elkaar, bijvoorbeeld als onderdeel van een samenhangend agrarisch erf. Voor de richtlijnen hoe een waardestelling opgesteld moet worden, wordt verwezen naar bovengenoemde richtlijnen.
Lid 2:
Het tweede lid regelt aan welke randvoorwaarden een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid moet voldoen (rood-voor-rood):
De woningbouwlocatie moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het bouwvlak en de omgeving;
De vormgeving en situering van de nieuw te bouwen woningen op een plek elders zoals bedoeld in het eerste lid onder sub a, of in een bestaand cultuurhistorisch waardevol gebouw zoals bedoeld in het eerste lid onder sub b, moeten passen bij het landschap, de bestaande bebouwing op het bouwvlak en eventuele erfgoedwaarden. Dit voorkomt verrommeling en borgt samenhang tussen de bestaande groen- en landschapsstructuren, bestaande bebouwingen en eventuele nieuwe gebouwen (bij toepassing lid 1 sub a). Hierbij wordt aanbevolen om in de nieuwe situatie te zorgen voor een collectief eigendom van de buitenruimte.
Lid 3:
Het derde lid regelt aanvullende voorwaarden voor een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie als bedoeld in het eerste lid onder sub b (cultuurhistorisch spoor):
Woningbouw moet daadwerkelijk bijdragen aan instandhouding van het erfgoed;
Ongewenste en in onbruik geraakte bebouwing op het bouwvlak moeten worden gesloopt. Hiermee wordt verpaupering en een negatief aanzicht van het bouwvlak voorkomen en wordt de ruimtelijke kwaliteit hersteld;
De agrarische functie wordt omgezet naar de functie wonen, zodat er geen ongewenste functiemenging ontstaat. Een combinatie met andere niet-agrarische functies vanuit de Nieuwe Economische Dragers regeling zoals bedoeld in artikel 5.1 afdeling 18.1 is mogelijk.
De ruimte-voor-ruimte regeling is bedoeld om de kwaliteit van het landelijk gebied te versterken door het saneren van ongewenste of in onbruik geraakte bedrijfsbebouwing. In ruil daarvoor wordt woningbouw mogelijk gemaakt onder strikte voorwaarden. De regeling richt zich op de sloop van verouderde stallen, schuren of glastuinbouw die geen landschappelijke of cultuurhistorische waarde meer vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding of het hergebruik niet meer wenselijk is.
Door sloop te combineren met zorgvuldige nieuwbouw op passende locaties, wordt een impuls gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit. Tegelijk wordt verrommeling van het buitengebied tegengegaan. Woningbouw is hierbij geen doel op zich, maar een middel om kwaliteitsverbetering te realiseren. De regeling vormt daarmee een uitzondering op het algemene uitgangspunt dat woningbouw buiten stedelijk gebied slechts beperkt mogelijk is.
In het eerste lid zijn de hoofduitgangspunten van de regeling opgenomen. Er moet altijd sprake zijn van:
ongewenste of in onbruik geraakte bebouwing buiten en niet aansluitend aan stedelijk gebied. Dit betreft bebouwing die haar functie heeft verloren, niet meer past binnen het toekomstig ruimtelijk beleid en afbreuk doet aan de kwaliteit van het landschap.
sloop van alle bedrijfsbebouwing op het bouwvlak, tenzij het een cultuurhistorisch waardevolle boerderij betreft. Bij bedrijfsbebouwing gaat het om de gebouwen die gebruikt werden voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning en bijgebouwen worden hier niet toe gerekend. Bij cultuurhistorisch waardevolle boerderijen gaat het om boerderijen die ofwel monumentaal zijn dan wel voorkomen op de lijst cultuurhistorisch waardevolle gebouwen van bijlage VII, zoals omschreven in artikel 5.47 lid 1 sub i en ii. artikel 18.49.
garantie dat heroprichting wordt uitgesloten, om te voorkomen dat eerst gesloopte bebouwing op een andere plek op het bouwvlak opnieuw verrijst. Dit dient in het omgevingsplan vastgelegd te worden.
onderdeel d specificeert waar de woningen mogen komen. Dit kan op het bouwvlak zelf zijn waar de ongewenste bedrijfsbebouwing is gesloopt of, zoals beschreven in artikel 5.14 artikel 18.14, aansluitend aan stedelijk gebied of in- of aansluitend aan een bebouwingslint. Dit zijn locaties die vanuit landschappelijk oogpunt het best passend zijn en bijdragen aan ruimtelijke samenhang. De kleinschalige woningbouwlocatie mag verspreid over de drie mogelijke locaties worden ontwikkeld, dus bijvoorbeeld één woning op het voormalige bouwvlak, één aansluitend aan stedelijk gebied en één in- of aansluitend aan een bebouwingslint.
Van een bebouwingslint is sprake als een aaneengesloten rij van minimaal vier percelen met een woonbestemming is aan dezelfde kant van een weg, waarbij op elk perceel een woning gebouwd mag worden. Een bedrijfswoning wordt in dit geval ook gezien als een perceel met een woonbestemming. Een landelijke bebouwingsconcentratie of buurtschap kan bestaan uit één of meerdere bebouwingslinten.
Als een rij bestaat uit drie of vier niet aaneengesloten woningen is er dus geen sprake van een bebouwingslint. In dat geval mag één woning toegevoegd worden zodat alsnog een bebouwingslint ontstaat met vier of meer aaneengesloten woningen.
per toepassing van de regeling zijn maximaal drie woningen toegestaan.
Lid 2:
Hier worden de minimale sloopverplichtingen benoemd. De norm 500m2 per te slopen woning sluit aan bij de opbrengstwaarde van woningen in het landelijk gebied. Voor glastuinbouw geldt als minimale oppervlakte aan kas 0,5 ha om een compensatiewoning in het landelijk gebied te mogen realiseren, of andere vergelijkbare bebouwing. Hiermee wordt gezorgd voor goede balans tussen sloopinspanning en de waarde van het kunnen bouwen van een woning in het landelijk gebied,
Lid 3:
Het derde lid is een vangnet. De hoofdregel is en blijft: slopen volgens de norm van het tweede lid en maximaal drie woningen bouwen.
Alleen in uitzonderlijke situaties mag daarvan worden afgeweken.
Financiële onderbouwing: de initiatiefnemer moet open boek houden. Een onafhankelijk bureau stelt een helder en controleerbaar kosten- en opbrengstenoverzicht op. Het bureau mag geen belang hebben bij het project. De provincie kan een lijst met erkende bureaus vaststellen.
Beperking tot het minimum: de afwijking mag niet groter zijn dan strikt nodig. Het kan gaan om iets minder te slopen oppervlak of één of twee extra woningen. De gemeente moet dit onderbouwen in het omgevingsplan.
Ruimtelijke meerwaarde: elke afwijking moet het landschap verbeteren. Denk aan het herstel van sloten, houtwallen of zichtlijnen of aan de sloop van meerdere kleine opstallen elders op het bouwvlak. Voor het begrip goede landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage I bij deze verordening en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1.
De bescherming van molenbiotopen betreft vooral behoud van een vrije windvang en het behoud van de belevingswaarde / het historisch karakter van de omgeving. De verordening schrijft voor dat de motivering bij een omgevingsplan inzicht moet bieden in de cultuurhistorische waarde van traditionele windmolens en het omringende gebied.
Het plan dient eveneens waarborgen te bieden ter bescherming van de molenbiotopen en van (een bepaalde mate van) vrije windvang. De zwaarste eisen gelden binnen een zone van 100 meter rond de molen. Het bepaalde in artikel 18.45 18.51, derde lid wordt beoogd een mogelijkheid te bieden voor herstructureringsprojecten / vervangende nieuwbouw met als doel het verhogen van ruimtelijke kwaliteit.
Er mag in dat geval per saldo geen nadelig effect optreden voor de windvang van de molen of de cultuurhistorische waarde van de molen. Dit kan enige creativiteit vergen, zoals het compenseren van de door de vervangende nieuwbouw verminderde windvang elders binnen de zone van 100 meter. In de tekst van de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan aannemelijk moet worden gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden. Dit betekent in dit geval dat door middel van berekeningen duidelijk moet worden aangetoond dat er per saldo geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang van de molen.
Ook binnen de zone van 400 meter zullen beperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. Dit zal echter goed moeten worden beargumenteerd waarbij met het belang van het behoud van een vrije windvang nadrukkelijk rekening dient te worden gehouden. Het plan zal waarborgen moeten bevatten voor het behoud van een zekere mate van vrije windvang. Het is voorts denkbaar in het omgevingsplan regels op te nemen, bijvoorbeeld met het oog op beplanting in een zone rond de molen, waarbij verplichte advisering door een molendeskundige wordt voorgeschreven. Het is daartoe noodzakelijk van de molen en de bij de molen behorende zone (molenbiotoop) in de regels te benoemen.
Veelal (niet in alle gevallen) zal ook de omgeving van de molen als cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevol moeten worden aangemerkt. Het ligt, in voorkomend geval, voor de hand ook deze waarden in het omgevingsplan te beschermen. Van Provinciezijde wordt gevraagd bij plannen tevens rekening te houden met de 'Handleiding Molenbiotoop' van de Vereniging de Hollandse Molen.
CCCCCCCC
Voor sectie 18.46 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming op de provinciale wegen en vaarwegen. Gemeenten moeten bij het opstellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg en de provinciale vaarweg.
DDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het aanwijzen en beschermen van stiltegebieden is een bestaande (functionele) taak van de provincie. De provincie stelt regels om stiltegebieden tegen geluidoverlast van bronnen binnen en buiten dat gebied te beschermen (artikel 2.27 Ow). Deze paragraaf bevat diverse instructieregels voor gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsplan of het stellen van maatwerkvoorschriften.
In artikel 18.48 is aangegeven bij welke besluiten het bevoegd gezag rekening moet houden met de doelstellingen uit artikel 6.3. Dit kan zijn op grond van een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschriften.
Aangezien in hoofdstuk 19 en hoofdstuk 20 de instructieregels voor omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op projectbesluiten, geldt dit artikel ook voor projectbesluiten.
1. Het bevoegd gezag moet rekening houden met de doelstellingen uit artikel 6.5 bij het vaststellen van een omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van maatwerkvoorschriften.
Aangezien in hoofdstuk 19 en hoofdstuk 20 de instructieregels voor omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op projectbesluiten, geldt dit artikel ook voor projectbesluiten.
2. Als streefwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen Oase en Onthaasting wordt een niveau, per etmaalgemiddelde, van 30 dB(A) in acht genomen, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen.
Dit artikel bevat de instructie aan het bevoegd gezag voor de richtwaarden die in acht genomen moeten worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van maatwerkvoorschriften voor activiteiten, die plaatsvinden binnen het invloedsgebied en die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen de stiltegebieden A en B. Van belang daarbij is dat de te hanteren richtwaarde kan wisselen per gebied, of deel van een gebied, omdat de te hanteren richtwaarde afhankelijk is van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid, zoals omschreven in de Algemene toelichting onder Passende beoordeling. Het te hanteren toetsingskader is dus per definitie niet het maximale geluidniveau voor de verschillende gebieden. Dit maximum is alleen van toepassing indien het gemeten/berekende referentieniveau meer bedraagt dan de doelstellingen.
1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten binnen Attentiezone gebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden Oase en Onthaasting, worden als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten de richtwaarden, bedoeld in het tweede en derde lid, of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied in acht genomen.
2. Voor activiteiten binnen Attentiezone gebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden Oase, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau van deze activiteiten 40 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied. Als uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dagperiode (voor avond en nacht een correctie van 5 respectievelijk 10 dB(A)):
a. meer bedraagt dan 40 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 40 dB(A) gehanteerd; of
b. minder bedraagt dan 30 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 30 dB(A) gehanteerd.
3. Voor activiteiten binnen Attentiezone gebieden, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen stiltegebieden Onthaasting, wordt bij het verlenen van een omgevingsvergunning en het stellen van een maatwerkvoorschrift voor activiteiten als richtwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau (dag periode) van deze activiteiten 40 dB(A) of het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het stiltegebied in acht genomen. Het referentieniveau bedraagt in de dag, avond en nacht periode niet meer dan 48 dB(A).
Aan aantal activiteiten is vrijgesteld van de toetsing aan de doelstellingen uit de stiltegebieden. Het gaat hier enerzijds om bestaande activiteiten die van oudsher in of op de grenzen van de gebieden plaatsvinden. Anderzijds betreft het activiteiten die noodzakelijk zijn voor onderhoud van dijkwerkzaamheden, of andere werkzaamheden ten behoeve van de waterkeringen. Daarnaast geldt een uitzondering voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening, indien deze activiteiten niet structureel plaatsvinden en een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is afgegeven, of geen vergunning op basis van deze wet noodzakelijk is. Deze vrijstelling is gebaseerd op het algemeen belang dat met de aard van deze werkzaamheden gemoeid is. Daarnaast zijn ook tijdelijke activiteiten die wel tot een tijdelijke verstoring van de rust en stilte kunnen leiden maar niet leiden tot een structurele aantasting van de stilte van het gebied vrijgesteld, zoals evenementen met een maximum van 12 keer per jaar per gebied. Voor deze activiteiten ligt het voor de hand dat niet wordt getoetst aan de doelstellingen die gelden voor de stiltegebieden, maar aan de eisen die worden gesteld in het kader van de Wet Natuurbescherming (verstoringsaspecten in relatie tot de instandhoudingsdoelstelling).
Artikel 18.55 en artikel 18.56 gelden niet voor:
het verrichten van activiteiten op een bedrijventerrein buiten de stiltegebieden Oase en Onthaasting , dat op 1 februari 1999 was toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli 2008;
mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarische activiteit;
laad- en losactiviteiten van scheepsvaart;
"windenergie concentratielocatie" als bedoeld in artikel 18.17;
bestaande wegen door stiltegebieden Oase en Onthaasting;
activiteiten als bedoeld de hoofdstuk 6, waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;
maximaal drie evenementen per jaar waarbij sprake is van versterkt geluid, voor zover het stiltegebieden Onthaasting betreft;
voor het onderhoud van het gebied inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; en
de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening als deze activiteiten niet structureel plaatsvinden of geen vergunning op basis van de Omgevingswet noodzakelijk is.
Dit artikel bevat de verplichting en de wijze van meting voor de bepaling van het referentieniveau. De beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag dat het besluit neemt over een omgevingsvergunning waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.
De richtwaarden zijn gemiddelde waarden ten aanzien van de feitelijk optredende geluidsniveaus gedurende alle etmaalperioden (dag-, avond,- en nachtperiode). Richtwaarden zijn langtijd gemiddelde geluidsniveaus en worden, per periode, bepaald op grond van metingen volgens de in de Omgevingsregeling voorgeschreven methode. Het ter plaatse heersende achtergrondniveau moet worden gemeten volgens de Omgevingsregeling (aanvullingsregeling geluid).
1. Metingen en beoordelingen om het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid en het langtijdgemiddeld geluidsniveau van nieuwe activiteiten te bepalen, worden uitgevoerd volgens de Omgevingsregeling.
2. Beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag dat het besluit neemt over een omgevingsvergunning waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.
Dit artikel bevat een instructie aan het bevoegd gezag om er in een omgevingsplan er rekening mee te houden, dat, alvorens het bevoegd gezag een besluit kan nemen op grond van de Omgevingswet, degene die de activiteit uitoefent verplicht is het referentieniveau te meten en de uitgangsituatie vast te leggen.
1. In een omgevingsplan dat betrekking heeft op stiltegebieden Oase of Onthaasting of Attentiezone gebieden wordt bepaald dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning gegevens over de uitgangssituatie voor geluid worden verstrekt, in overeenstemming met de Omgevingsregeling.
2. De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning, waarvan de betreffende activiteiten deel uitmaken.
HHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De bepalingen in deze paragraaf hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het waterbeheerprogramma conform artikel 3.7 Omgevingswet. Uit artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van het waterbeheerprogramma. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling, in samenhang met de geldende omgevingswaarden en de in het regionaal waterprogramma neergelegde doelen voor de waterkwaliteit.
[Red: Sectie 19.1 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.1. ]
Uit artikel 3.7 van de Omgevingswet volgt dat het algemeen bestuur van het waterschap voor de watersystemen die bij het waterschap in beheer zijn een waterbeheerprogramma vaststelt, waarbij het rekening houdt met het regionale waterprogramma voor die watersystemen, voor zover het gaat om de onderdelen die uitvoering geven aan EU-richtlijnen. Uit artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van het waterbeheerprogramma. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling.
[Red: Sectie 19.2 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.1. ]
Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de taakuitoefening van het waterschap als omschreven in artikel 2.17 van de Omgevingswet. Met het oog op goede afstemming op het terrein van het regionale waterbeheer is in de omgevingsverordening neergelegd dat de provincie en het waterschap periodiek (bestuurlijk) overleg voeren over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma en dat jaarlijks een verslag wordt toegezonden over de uitvoering van het waterbeheerprogramma in het voorgaande jaar.
Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een peilbesluit. Deze paragraaf bevat dergelijke instructieregels.
[Red: Sectie 19.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.2. ]
Uit artikel 2.41 van de Omgevingswet volgt dat het waterschapsbestuur peilbesluiten vaststelt voor bij omgevingsverordening aangewezen regionale wateren. Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een peilbesluit. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling.
In beginsel stelt het waterschap voor alle oppervlaktewateren in Zeeland die onder zijn beheer vallen peilbesluiten vast. In overleg met gedeputeerde staten kan op basis van een onderbouwd verzoek van het waterschap (aanvraag ontheffing op basis van artikel 1.3) een uitzondering worden gemaakt als een gebied zich door ligging of hoedanigheid niet goed leent voor een peilbesluit.
Het waterschap is wettelijk bevoegd gezag voor het vaststellen of wijzigen van peilbesluiten. Indien ten behoeve van een proefproject op een specifieke locatie behoefte bestaat van een peilbesluit af te wijken, kan het waterschap instemmen met de provincie bezien of daartoe een wijziging van een peilbesluit nodig is of een ontheffing van artikel 19.3, eerste lid van de verordening. Het is van belang dat peilbesluiten actueel worden gehouden en zonodig worden aangepast. Een en ander vloeit ook voort uit het beleid in de provinciale omgevingsvisie.
Bij peilbesluiten volgt het waterschap uitgangspunten die voortvloeien uit kaderstelling in de provinciale omgevingsvisie, en, waar mogelijk, landelijk gebruikelijke methodieken (met betrekking tot de samenhang tussen grond- en oppervlaktewater en drooglegging (GGOR)).
Artikel 2.23 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in de omgevingsverordening instructieregels op te nemen over de inhoud of motivering van een waterschapsverordening en vergunningverlening van het waterschap op basis van artikel 5.3 van de Omgevingswet. Deze paragraaf bevat dergelijke instructieregels.
[Red: Sectie 19.4 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.3. ]
Uit artikel 2.23 van de Omgevingswet volgt dat in de omgevingsverordening instructieregels kunnen worden opgenomen over de inhoud of motivering van een waterschapsverordening en vergunningverlening van het waterschap op basis van artikel 5.3 van de Omgevingswet. Dit artikel in de omgevingsverordening geeft hieraan invulling en bevat instructieregels voor de vergunningverlening door het waterschap voor activiteiten bestaande uit het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water. Deze instructieregel houdt verband met provinciaal beleid dat volgt uit de Zeeuwse Omgevingsvisie, het Regionaal Waterprogramma en het Natuurbeheerplan Zeeland.
Doel is onder meer bescherming van verdrogingsgevoelige natuurgebieden met kwetsbare natuurwaarden en beheertypen tegen nadelige gevolgen van een tekort aan grondwater. Deze natuurgebieden zijn aangegeven in bijlage XI. De aanwijzing en selectie van deze gebieden vloeit voort uit het geldende Natuurbeheerplan, dat de motivering bevat van de ligging van deze gebieden en relevante beheertypen. Wijzigingen zijn mogelijk op basis van een besluit tot wijziging van het natuurbeheerplan. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van verdrogingsgevoelige natuurgebieden te wijzigen. Deze bevoegdheid is opgenomen in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland.
Verder strekken de instructieregels tot bescherming van een duurzame kwantitatieve en kwalitatieve toestand van het grondwater in het gehele beheergebied van het waterschap. Daarbij is van belang dat aanwezig (zoet) grondwater duurzaam wordt beheerd op plaatsen waar dat in aanmerking komt voor onttrekkingen ten behoeve van landbouwkundig gebruik (zoals beregening), zodat dit aanwezige grondwater als gevolg van benuttingsmogelijkheden niet uitgeput raakt. Met het oog daarop worden in de waterschapsverordening regels opgenomen over vergunning- en meldplichten en meet- en opgaveverplichtingen. Het toezicht en waar nodig handhaven van deze regels berust bij het waterschap.
[Red: Sectie 19.5 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.3. ]
Uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer bedraagt dan 150.000 m3 per jaar, en ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem. Voor andere grondwateronttrekkingen of infiltraties is het waterschap het bevoegd gezag. Dit artikel in de omgevingsverordening bevat de instructieregel dat de provincie en het waterschap, elk voor zover bevoegd gezag, zorg dragen dat de gegevens van houders van inrichtingen of werken bestemd tot het onttrekken van grondwater worden ingeschreven in het daarvoor bestemde landelijk register. Dit register is van belang met het oog op de provinciale grondwaterheffing. Deze heffing geldt voor alle onttrekkingen waarvoor vergunning is verleend door de provincie dan wel het waterschap. Het landelijk register moet daarom worden gevuld met relevante gegevens waarover het waterschap en de provincie beschikken.
[Red: Sectie 19.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.3. ]
Deze instructieregel is, mede in belang van de taakuitoefening door het waterschap, gericht tot de provincie en geeft aan dat de provincie zorg draagt voor een grondwatermeetnet met het oog op het monitoren van gegevens die van belang zijn voor het regionale grondwaterbeleid en daarvoor benodigde onderzoeken. Hierover vindt afstemming plaats tussen de provincie en het waterschap.
Op het nemen van een projectbesluit door het waterschapsbestuur zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project.
[Red: Sectie 19.7 ongewijzigd verplaatst van sectie 19 naar sectie 19.1.4. ]
Op het nemen van een projectbesluit door het waterschapsbestuur zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project. Deze instructieregel waarborgt dat de gewijzigde regels van het omgevingsplan voldoen aan de provinciale instructieregels voor omgevingsplannen.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten moeten zorgdragen dat het stiltegebied goed zichtbaar is door het plaatsen van een bord op diverse plaatsen langs grenzen van zo’n gebied.
Gedeputeerde staten moeten zorgdragen dat het grondwaterbeschermingsgebied goed zichtbaar is door het plaatsen van een bord op diverse plaatsen langs grenzen van zo’n gebied.
Op het nemen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project.
[Red: Sectie 20.3 ongewijzigd verplaatst van sectie 20 naar sectie 20.1.3. ]
Op het nemen van een projectbesluit door gedeputeerde staten zijn de instructieregels die gelden voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Het projectbesluit wijzigt immers het omgevingsplan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van het project. Deze instructieregel waarborgt dat de gewijzigde regels van het omgevingsplan voldoen aan de provinciale instructieregels voor omgevingsplannen.
Uitgangspunten voor te maken regionale woonafspraken zijn de dan meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen. Gedeputeerde staten stellen hiertoe ten minste eens per drie jaar een prognose beschikbaar en voeren hierop volgend het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland uit. Hierin wordt onder meer de kwaliteit van de bestaande voorraad in beeld gebracht. Dit dient als basis voor plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad. De provincie stimuleert daarbij het samenwerken met gemeenten, corporaties en zorgpartijen naar een structurele en langjarige gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast beheren gedeputeerde staten een provinciaal monitorsysteem, de planmonitor wonen, voor het bijhouden van de plancapaciteit en realisaties van woningbouw per gemeente.
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 8.1, derde lid van de Omgevingswet bepaalt dat provincies regels opstellen over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. Dit om ervoor te zorgen dat het duurzame beheer van populaties van in het wild levende dieren, de uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht door jachthouders transparant en samenhangend gebeurt.
Provinciale staten stellen in de omgevingsverordening vast aan welke eisen een faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van gedeputeerde staten (artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet).
[Red: Sectie 21.2 verplaatst van sectie 21 naar sectie 21.1. ]
Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat er in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet een faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Het is wenselijk dat onder regie van de faunabeheereenheid deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar worden afgestemd.
De eis dat het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid is in de uitvoeringspraktijk van de afgelopen decennia een bruikbare en werkbare maat gebleken en wordt daarom gecontinueerd.
Naast een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is er mogelijk ook een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig, wanneer het beheer in één of meerdere Natura 2000-gebieden plaatsvindt. In het faunabeheerplan moet dit zijn aangegeven.
[Red: Sectie 21.3 verplaatst van sectie 21 naar sectie 21.1. ]
Voor duurzaam beheer van populaties fungeert het faunabeheerplan als onderbouwing voor omgevingsvergunningen. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom exacte uitwerking van de eisen genoemd in dit artikel. Het faunabeheerplan dient als het ware het complete faunabeheer te beschrijven. Daarbij moet onder andere aandacht zijn voor de uitvoering van het beheer in verleden en toekomst, de opgetreden schade in het verleden en de dreigende schade in de toekomst, de trends qua aantallen en de gewenste stand in relatie tot de staat van instandhouding. Ook kan de natuurlijke draagkracht van gebieden in het plan worden betrokken.
Met kwantitatieve gegevens gedurende het jaar wordt bedoeld de aantallen van de te beheren of te bestrijden diersoort en wanneer (welke maanden) deze soort aanwezig is. Vogels kunnen bijvoorbeeld wegtrekken en zijn dan niet aanwezig in Nederland.
In het faunabeheerplan moet de huidige en gewenste stand van de te beheren of te bestrijden diersoort worden opgenomen. Het is ook mogelijk om hiervan af te wijken, zodat adaptief beheer mogelijk is. In dat geval moet de huidige en nagestreefde omvang van de schade, veroorzaakt door deze diersoorten, worden vastgelegd. Hierbij moet te allen tijde rekening gehouden worden met de staat van instandhouding of gunstige referentiepopulatie.
De nagestreefde omvang van de schade is in het geval van landbouwschade de maatschappelijk geaccepteerde schade. In het faunabeheerplan moet worden aangegeven hoe deze schade is berekend. In het geval van schade aan flora en fauna wordt gekeken naar de Natura 2000-doelstellingen of de staat van instandhouding van Vogel- of Habitatrichtlijnsoorten.
Het is belangrijk dat alle mogelijke andere bevredigende oplossingen, die in redelijkheid kunnen worden genomen, in kaart worden gebracht in het faunabeheerplan. Bij elke mogelijke maatregel moet het volgende worden opgenomen:
Aard van de andere bevredigende oplossing;
Periode van de inzet van de andere bevredigende oplossing;
Omvang van de andere bevredigende oplossing;
Effectiviteit van de andere bevredigende oplossing;
Waarom deze andere bevredigende oplossing wel of niet zal worden toegepast.
Voor de lijst en omschrijving van andere bevredigende oplossingen is de Faunaschade Preventiekit van BIJ12 leidend, maar niet uitsluitend. Effectieve middelen die er niet in staan, kunnen wel worden meegenomen in het faunabeheerplan. Hoe deze andere bevredigende oplossingen worden gecoördineerd moet in de werkplannen duidelijk worden gemaakt.
Daarbij moet onder andere aandacht zijn voor de uitvoering van het beheer in het verleden. Het faunabeheerplan bevat een evaluatie van de voorgaande faunabeheerperiode en deze bevat in ieder geval:
Een beschrijving van de mate waarin de onder f bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
Een beschrijving van de maatregelen die zijn verricht, en, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;
Per diersoort, kwantitatieve gegevens over het beheer in voorgaande periode.
De provinciale staat van instandhouding en de landelijke staat van instandhouding, dienen te worden omschreven, inclusief de relatie tussen beide. Dit betekent dat moet worden uitgelegd waarom de provinciale staat van instandhouding en de landelijke staat van instandhouding overeenkomen of juist verschillen.
[Red: Sectie 21.4 verplaatst van sectie 21 naar sectie 21.1. ]
Voor schadebestrijding fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is.
In onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1545, is bepaald dat voor zowel de provinciaal vrijgestelde soorten als de landelijk vrijgestelde soorten geldt dat moet worden onderbouwd dat aan de eisen zoals genoemd in artikel 8.74j, eerste lid, 8.74k, eerste lid, of 8.74l, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is voldaan.
[Red: Sectie 21.5 verplaatst van sectie 21 naar sectie 21.1. ]
Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt gebruik genaaktgemaakt van de verplicht doorplicht van houders van een omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiteneen jachtgeweeractiviteit (hierna: jachtaktehouders) om afschotgegevens te overleggen afschotgegevens (artikel 6.3, vierde lid, Omgevingsbesluit van het Omgevingsbesluit) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en - waar redelijkerwijs mogelijk - trendtellingen. Deze gegevens kunnen door soortengegevensverzamelende organisaties worden verstrekt. De jachthouder moetJachtaktehouders moeten, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijnhet jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Daarnaast staat de uitoefening van de jacht in dienst van schadebestrijding. Deze samenhang met schadebestrijding en een inschatting van de mate waarin wildsoorten jacht verdragen, moet uit het faunabeheerplan blijken.
[Red: Sectie 21.6 ongewijzigd verplaatst van sectie 21 naar sectie 21.1. ]
Gelet op de samenhangende aanpak van duurzaam beheer van populaties, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Dit artikel bepaalt daarom dat een faunabeheerplan een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. In uitzonderlijke gevallen kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Deze verlenging is alleen mogelijk als er concreet zicht is op de vaststelling van een nieuw plan.
Buiten stedelijk gebied en een aandachtsgebied zijn geen nieuwe permanente dagrecreatieve ontwikkelingen meer mogelijk – zie hoofdstuk 3 In het open agrarisch gebied gelden voor de vestiging van recreatieve voorzieningen de kaders voor NED in het landelijk gebied. Terug naar link van noot.
Een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan (aanvraag voor het buitenplans afwijken van een bestemmingsplan) is een aanvraag gebaseerd op artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wabo. Bij een dergelijke aanvraag moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De aanvraag moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. Terug naar link van noot.
Een raadsbesluit betekent dat de gemeenteraad in een formele zitting besloten heeft dat een voorgenomen initiatief gewenst is en dat de initiatiefnemer wordt uitgenodigd het betreffende initiatief verder uit te werken tot een aanvraag omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan of in een bestemmingsplan. Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-13026.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.