Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-20182017D26107

2017D26107 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de Stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Lodders over een vrijstelling van CRISPR/Cas9 (Kamerstuk 27 428, nr. 346).

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Veldhoven

Adjunct-griffier van de commissie, Jansma

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

 

Inleiding

1

Omgang met nieuwe technieken

1

Proces

6

Agro-sector

7

Overig

8

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 13 september 2017 met betrekking tot de vrijstelling van de nieuwe genome editingtechnieken CRISPR/Cas91 van Europese wetgeving over genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Lodders (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 127) over een vrijstelling van CRISPR/Cas9 en het voorstel dat Europees is ingebracht over een wijziging van Annex I B van Richtlijn 2001/18/EC ten aanzien van nieuwe veredelingstechnieken. Hierover hebben deze leden vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Lodders over een vrijstelling van CRISPR/Cas9 en hebben daarover nog een aantal vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brief met de stand van zaken met betrekking tot CRISPR/Cas9. Deze leden hebben nog een aantal aanvullende vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de brief over de stand van zaken ten aanzien van vrijstelling van CRISPR/Cas9. Zij stellen daar enkele vragen over.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de brief over de stand van zaken ten aanzien van vrijstelling van CRISPR/Cas9. Zij hebben daar nog enkele vragen en opmerkingen over.

Omgang met nieuwe technieken

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Staatssecretaris in haar brief stelt dat er door haar ministerie uitvoering wordt gegeven aan de eerdergenoemde motie Lodders. Partijen in de agro-sector stellen het tegenovergestelde. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het door haar ingediende voorstel strijdig is met de motie Lodders, omdat voorgesteld wordt dat nieuwe genome editingtechnieken voor planten, zoals CRISPR/Cas9, onder Annex 1B komen te vallen in plaats van worden vrijgesteld van de EU-richtlijn 2001/18/EC?2 Zo nee, waarom niet?

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of de Staatssecretaris de mening deelt dat om nieuwe genome editingtechnieken, zoals CRISPR/Cas9, vrij te stellen geen aanpassing van de EU-richtlijn 2001/18/EC nodig is. Zo nee, waarom niet? Deelt de Staatssecretaris de mening dat de CRISPR/Cas9-techniek – voor gerichte mutaties van planten, zolang sprake is van planten die ook via klassieke veredeling tot stand hadden kunnen komen – vrijgesteld moet worden van de EU-richtlijn 2001/18/EC. Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie vinden het onwenselijk als door de huidige aanpak – die tot doel heeft de discussie over de EU-richtlijn 2001/18/EC te voeren – een jarenlange vertraging van het vrijstellen van CRISPR/Cas9 ontstaat. Kan de Staatssecretaris de analyse met de Kamer delen die ten grondslag ligt aan haar keuze en die van de bewindspersoon van Economische Zaken om als mogelijke oplossingsrichting alleen in te zetten op aanvulling van Annex 1B op basis van een heropening van Richtlijn 2001/18/EC? In hoeverre zijn de potentiële gevolgen van dit zware Europese middel onderzocht en meegewogen, zoals een mogelijk averechtse uitkomst, een gebrek aan resultaat op de korte termijn op het gebied van toepassing van New Breeding Techniques (NBT's) in Europa en de jarenlange onzekerheid die heropening met zich meebrengt voor de Nederlandse veredelingssector?

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het voorstel van Nederland om alle nieuwe technieken in eerste instantie als genetische modificatie te bestempelen en vervolgens uit te zonderen via de Annex van de Richtlijn nog wel van deze tijd is. Hoe verhoudt zich dit tot de eerder genoemde motie Lodders? Waarom wordt van partijen die producten maken met NBT’s vereist dat zij bewijzen dat deze even veilig zijn als producten uit conventionele methoden, terwijl er voor producten uit conventionele methoden niet standaard veiligheids- en risicoanalyses uitgevoerd worden? Waarom wordt dit laatste niet gedaan? Kan de Staatssecretaris bijvoorbeeld inzicht geven in de hoeveelheid onbedoelde effecten (unintended effects) die te vinden zijn in een plant uit conventionele veredeling afgezet tegen dezelfde plant die op basis van NBT’s is veredeld?

De leden van de CDA-fractie hebben ook vragen over de inhoud. Deze leden vinden dat het voeren van een fundamentele discussie over de structuur van de Europese regelgeving ten aanzien van biotechnologie geen adequate uitvoering is van de motie Lodders die vraagt om specifiek voor één techniek bij plantveredeling te pleiten voor een uitzondering op Europees niveau. Zij zijn het met de Staatssecretaris eens dat een fundamentele discussie op Europees niveau gevoerd moet worden en juichen het toe dat zij het initiatief hiertoe genomen heeft. Deze leden vinden het echter jammer dat niet twee paden bewandeld worden, te weten specifiek het nationaal en Europees toelaten van de CRISPR/Cas9-techniek en ten algemene een Europese discussie over nieuwe technieken, waarbij niet ingezet wordt op één voorstel maar op meerdere mogelijkheden. Was het inzetten op het opnieuw openen van de discussie over nieuwe technieken op Europees niveau niet afdoende geweest? Waarom wordt nu alleen het concrete voorstel gedaan om Annex I B te wijzigen en daarop de discussie bij voorbaat te richten? Kan de Staatssecretaris de analyse met de Kamer delen om als mogelijke oplossingsrichting alleen in te zetten op aanvulling van Annex I B van Richtlijn 2001/18/EC? In hoeverre zijn de potentiële gevolgen van dit zware Europese middel onderzocht en meegewogen, zoals een mogelijk averechtse uitkomst, een gebrek aan resultaat op de korte termijn en jarenlange onzekerheid die heropening met zich meebrengt voor de Nederlandse veredelingssector? Is het niet zo dat het aanpassen van de richtlijn 2001/18/EC niet beperkt kan worden tot de Annex en dat daarom het voorstel zal leiden tot jarenlange discussies over alle aspecten van medische, industriële en groene biotechnologie? Hoe verhoudt deze ingezette, naar verwachting lange, discussie zich tot het snel verkrijgen van duidelijkheid? Zijn er andere voorstellen mogelijk als oplossing voor deze discussie over nieuwe technieken? Waarom is niet gekozen ervoor te pleiten om sommige nieuwe technieken niet te zien als genetische modificatie? De leden van de CDA-fractie vragen waarom de inzet niet gericht is op het uitzonderen van CRISPR/Cas9 van richtlijn 2001/18/EC, wat toch wordt beoogd met de motie.

De leden van D66-fractie lezen in het discussievoorstel van de regering dat er door Nederland wordt ingezet op een uitzondering voor het gebruik van New Plant Breeding Techniques (NPBT’s), zolang deze planten minstens «equally safe» zijn als planten die door klassieke veredeling worden geproduceerd. In de eerder genoemde motie Lodders werd echter een uitzondering bepleit, alleen zolang «sprake is van planten die ook via klassieke veredeling tot stand hadden kunnen komen.» Dit zijn twee verschillende definities. Waarom heeft de Staatssecretaris voor een andere definitie gekozen dan in de motie? Wat zijn de consequenties van deze verschillende benaderingen?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn thans geen voorstander dat CRISPR/Cas9 een algemene vrijstelling krijgt van GMO wet- en regelgeving. Deze leden zijn van mening dat het onvoldoende duidelijkheid is over de risico’s van CRISPR/Cas9 en dat onvoldoende duidelijk is in hoeverre de sector hier voldoende zorg voor kan dragen, ook als mutaties plaatsvinden in planten die ook via klassieke veredeling tot stand hadden kunnen komen. Is de Staatssecretaris dat met de leden van de GroenLinks-fractie eens? Welke onderzoeken zijn er gedaan over de CRISPR/Cas9 techniek die de Staatssecretaris als uitgangspunt in haar beleid neemt?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toelichten hoe zij de criteria, zoals beschreven op pagina 6 punt 3 onder B sub 1 en 2 voor zich ziet uit de «Proposal for discussion on actions to improve the exemption mechanism for genetically modified plants under Directive 2001/18/EC», in de praktijk juist en veilig kunnen worden toegepast. Is de Staatssecretaris bereid om een omvattend wetenschappelijk advies te vragen inzake de wenselijkheid en veiligheidsrisico’s bij toepassing van CRISPR/Cas9 voor planten? Daarbij zou wat betreft deze leden specifiek aandacht moeten worden gevraagd voor de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van specifiek inperkende criteria van dit gebruik. Kan de Staatssecretaris tevens nader toelichten hoe Nederland het proces in dat verband voor zich ziet?

De leden van de GroenLinks-fractie horen graag in hoeverre het uitgewerkte voorstel dat op 1 september 2017 openbaar gemaakt is rekening houdt met keuzevrijheid van consumenten maar ook producten, zoals in de aangenomen motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 27 428 nr. 338) wordt bepleit.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat met nieuwe technieken als CRISPR/Cas9 er geen zichtbaar onderscheid is tussen genetisch en niet-genetisch gemodificeerde planten. Is daarmee de vraag of met CRISPR/Cas9 genetisch gemodificeerde gewassen aan andere wet en regelgeving moet voldoen niet al beantwoord, namelijk dat het schier onmogelijk is om met behulp van CRISPR/Cas9 gemodificeerde planten aan specifieke regelgeving te onderwerpen? Zijn er mogelijkheden om met CRISPR/Cas9 gemodificeerde gewassen te onderscheiden en als zodanig te labelen, zodat consumenten goed geïnformeerd zijn over de producten die zij kopen?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de handelwijze van het (demissionaire) kabinet ten aanzien van bestaande Europese regels voor genetisch gemanipuleerde organismen. Er is sprake van nieuwe gentechnieken waarvan ten eerste onduidelijk is wat de lange termijneffecten zullen zijn en ten tweede hoe de bestaande regels voor gentech geïnterpreteerd moeten worden met het oog op deze nieuwe technieken. Voor deze leden is het helder: het voorzorgsbeginsel zal te allen tijde gerespecteerd moeten worden en daarom kunnen nieuwe technieken niet zomaar worden uitgezonderd van de geldende regels. Het lijkt erop dat het kabinet wel ongeclausuleerd aanstuurt op uitzonderingen. Deze leden menen dat het kabinet daarmee onverantwoord en zonder mandaat handelt.

De leden van de PvdD-fractie merken op dat in de belangrijkste Europese GGO-regelgeving (Richtlijn 2001/18, Verordening 1829/2003 en Verordening 1830/2003) is opgenomen dat bij het werken met GGO’s de risicoanalyse, detecteerbaarheid en herkenbare labels noodzakelijke elementen zijn. Doel van deze regelgeving is om volksgezondheid, milieu, diergezondheid en dierenwelzijn te beschermen. In overweging 8 van Richtlijn 2001/18 staat onder andere: «The precautionary principle has been taken into account in the drafting of this Directive and must be taken into account when implementing it.» Deelt de Staatssecretaris de uitgangspunten van deze Europese richtlijnen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie merken op dat eind 2016 weliswaar de motie-Lodders is aangenomen die vraagt om in te zetten op een vrijstelling voor CRISPR/Cas9-techniek, maar dat de Kamer zich in februari 2017, middels het aannemen van de motie-Ouwehand/Smaling (Kamerstuk 27 428, nr. 337) duidelijk uitsprak voor het behoud van veiligheid én keuzevrijheid van telers en consumenten in relatie tot GGO’s. Bovendien nam de Kamer de motie-Ouwehand (Kamerstuk 27 428, nr. 338) aan die stelt dat eindproducten van veredelingstechnieken waarbij op DNA-niveau is ingegrepen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Met andere woorden: als er al wordt ingezet op vrijstellingen dan zullen deze randvoorwaarden gewaarborgd moeten zijn. Dat lijkt vooralsnog niet het geval. Het kabinet heeft tot verbazing van deze leden tijdens een stakeholdermeeting op Europees ambtelijk niveau een voorstel gedaan om het uitzonderingsmechanisme voor nieuwe gentechtechnieken te verruimen waardoor aanpassing nodig is van Richtlijn 2001/18. Hoe valt dit te rijmen met de eerdergenoemde aangenomen motie-Ouwehand/Smaling en motie-Ouwehand? De verbazing ontstond voorts omdat er momenteel via de Franse Raad van State een rechtszaak loopt bij het Europees Hof van Justitie over de omgang met de Europese gentechregels. Het ligt zeer voor de hand om af te wachten hoe het Europese Hof oordeelt over de vraag hoe de bestaande Richtlijnen precies moeten worden geïnterpreteerd. Doorgaans respecteert het Nederlandse kabinet zulke lopende rechtszaken, waarom nu dan niet? Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat Nederland met het voorstel om nu al uitzonderingen te creëren nogal voor zijn beurt spreekt. Wat deze leden bovendien veel ernstiger vinden is dat dit volkomen voorbij gaat aan het vereiste voorzorgsprincipe.

De leden van de PvdD-fractie merken op dat de Europese lobbywaakhond Corporate Europe Observatory terecht waarschuwt dat het toekennen van vrijstellingen voor nieuwe gentechtechnieken, zoals CRISPR/Cas9, betekent dat er dan geen verdere risicoanalyse en monitoring meer plaats zal vinden, onder andere op het gebied van de reële milieu en voedselveiligheidrisico’s van GGO’s. Bovendien voldoen nieuwe gentechtechnieken, zoals CRISPR/Cas9, automatisch niet aan de voorwaarde die de Europese regelgeving stelt aan de toekenning van uitzonderingen, namelijk dat er sprake moet zijn van «certain techniques of genetic modification which have conventionally been used in a number of applications and have a long safety record» (overweging 17). Onderschrijft de Staatssecretaris deze analyse? Zo nee, kan zij uitvoerig toelichten waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie wijzen er met klem op dat met het toelaten van allerlei uitzonderingen het voor boeren, telers en consumenten niet meer te achterhalen zal zijn of er sprake is van genetische manipulatie. Dat is een forse en vergaande inperking van de keuzevrijheid voor boeren, burgers en telers. Boeren die zonder gentech willen werken, zoals de biologische en biodynamische boeren, worden daarmee zeer fors benadeeld. Zij worden voor een voldongen feit geplaatst en kunnen niet langere aan hun klanten garanderen dat hun producten gentechvrij zijn, terwijl een belangrijke motivatie van burgers om biologische producten te kopen gelegen is in de afwijzing van genetisch geknutsel met ons voedsel. Dit druist bovendien lijnrecht in tegen het oorspronkelijke doel van de Europese GGO-regelgeving. Deze leden roepen het kabinet op haar koers bij te stellen en te handelen vanuit de door de Kamer gevraagde keuzevrijheid voor boeren, burgers en telers.

Proces

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staatssecretaris een voorstel heeft gedaan met betrekking tot de vrijstelling van CRISPR/Cas9. Deze leden vragen waarom zij heeft besloten om de introductie van het voorstel, de stakeholderconsultatie, de publicatie en de bespreking in Brussel in het afgelopen zomerreces te laten plaatsvinden.

De leden van de VVD-fractie wil graag zo snel mogelijk duidelijkheid over de implementatie van de motie Lodders inzake de vrijstelling van CRISPR/Cas9 en vragen het kabinet dan ook zo spoedig mogelijk – het liefst uiterlijk maandag 25 september 2017 – de beantwoording van de vragen uit dit schriftelijk overleg toe te zenden aan de Kamer. Is de Staatssecretaris hiertoe bereid?

De leden van de CDA-fractie hebben allereerst vragen over het proces. Deze leden zouden graag in kennis zijn gesteld van de voorstellen gericht op het actualiseren en toekomstbestendig maken van de regelgeving die uitgewerkt zouden gaan worden (Kamerstuk 27 428, nr. 345), nog voordat hierover Europees de discussie wordt aangegaan. Zij vragen waarom hiervoor niet gekozen is. Daarnaast vragen deze leden wat stakeholders hebben ingebracht en of de Nederlandse inzet is gewijzigd naar aanleiding van de gesprekken die met stakeholders zijn gehouden. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom het advies van stakeholders om het voorstel niet voor te leggen aan andere lidstaten niet is opgevolgd? Al is er zeker meer actie nodig ten opzichte van de Europese discussie over nieuwe technieken, de leden van de CDA-fractie stellen het op prijs om de voorstellen met de Staatssecretaris te bespreken voordat deze Europees worden ingebracht.

De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris welke verschillen er over de inhoudelijke aspecten met andere lidstaten bestaan. Ook willen deze leden graag meer informatie over het krachtenveld en willen zij weten welke lidstaten voor- of juist tegenstander van het voorstel zijn en welke lidstaten hierover nog positie moeten bepalen.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat in de brief van de Staatssecretaris van 12 december 2016 zij stelt dat «Ze [ontwikkelingen in de biotechnologie] roepen ethische vragen en maatschappelijke dilemma’s op over onder meer toelaatbaarheid, regelgeving, eigendomsrechten en hoe om te gaan met internationale verschillen en benaderingen». Zijn deze ethische vragen en maatschappelijke dilemma’s al voldoende besproken zodat nieuw beleid ontwikkeld kan worden? Zo ja, op welke manier is dat besproken en met wie?

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de Trendanalyse Biotechnologie 2016 van de Gezondheidsraad en COGEM3 waarin wordt gesteld dat de huidige wet- en regelgeving voor genetisch veranderde organismen niet meer houdbaar is. Welke aanpassingen van regels en besluiten worden op Europees niveau gevraagd en op welke termijn verwacht de Staatssecretaris dat de wijzigingen kunnen worden doorgevoerd?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke manier het maatschappelijk debat over GGO's wordt gevoerd. Hoe staat het met het eerder aangekondigde voornemen om maatschappelijke waarden beter te betrekken bij de afweging van nut en noodzaak van specifieke biotechnologische toepassingen?4 GGO is nu nog gedefinieerd als een organisme waarin het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die niet door voortplanting of natuurlijke processen mogelijk is, waarbij genetisch materiaal wordt ingebracht dat buiten het organisme is geprepareerd. Is herziening van deze definitie in de plantkunde ook onderdeel van het Europese besluitvormingsproces? Op welke termijn wordt besluitvorming voorzien?

Agro-sector

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Staatssecretaris in haar brief stelt dat de afwachtende houding van de afgelopen jaren plaatsgemaakt heeft voor daadkracht. De noodzaak tot meer daadkracht en de algehele inzet van de Staatssecretaris is volgens de brief bevestigd door de agro-sector. Tegelijkertijd zijn er veel geluiden uit dezelfde sector die kritisch van aard zijn. Daarnaast zijn er diverse brieven – onder andere van HollandBio en Keygene – naar het ministerie verzonden waarin deze partijen een uiterst kritische houding aannemen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat zij deze brieven ontvangen heeft? Zo ja, hoe kwalificeert zij deze brieven?

De leden van de VVD-fractie kennen grote waarde toe aan de Nederlandse plantenveredelingssector, die een leidende rol heeft in de wereld. De uitvoering van de motie Lodders kan eraan bijdragen dat de Nederlandse plantenveredelingssector deze leidende rol behoudt. Kritische geluiden uit de sector moeten daarbij serieus genomen worden, en waar mogelijk geïmplementeerd in voorstellen die door de Staatssecretaris worden gedaan. Is de Staatssecretaris voornemens het huidige voorstel in te brengen tijdens de «High Level conference Modern Biotechnologies in Agriculture – Paving the way for responsible innovation» op 28 september 2017? In hoeverre is dit voorstel afgestemd met de sector en zijn er wijzigingen aangebracht die zijn aangedragen vanuit de sector? Indien dit niet het geval is, waarom niet?

De leden van de D66-fractie willen graag weten in welke gremia tot nu toe over het voorstel is gesproken en wat daarvan de uitkomsten waren. Ook zijn zij benieuwd naar het vervolgproces. Welke vervolgafspraken zijn er gemaakt met de commissie en de andere lidstaten? Wat is precies de status van de besprekingen bij de «High Level conference Modern Biotechnologies in Agriculture – Paving the way for responsible innovation»?

De leden van de PvdD-fractie gaan ervanuit dat de eerdergenoemde motie-Ouwehand/Smaling en motie-Ouwehand op ordentelijke wijze zullen worden uitgevoerd. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen? Het eerstvolgende moment waarbij dat van belang is, lijkt de conferentie «Modern Biotechnologies in Agriculture – Paving the way for responsible innovation» te zijn. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat iedere inzet van de vertegenwoordigers van de Nederlandse regering gebaseerd zal zijn op de uitspraken die de Kamer met het aannemen van deze moties heeft gedaan? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris schetsen wat haar inzet op deze conferentie en bij andere gelegenheden zal zijn? Kan zij ook de stand van zaken meedelen in het uitvoeren van deze moties tot nu toe en de inzet die hieruit voortvloeit voor de toekomst?

Overig

De leden van de Christenunie-fractie vragen hoe wordt ervoor gezorgd dat CRISPR/Cas9 ook beschikbaar is voor kleine veredelaars en niet alleen voor de «grote reuzen» als Bayer-Monsanto. Wie heeft de patenten voor CRISPR/Cas9 en wie gaat hiermee verdienen? Hoe kunnen boeren hiervan profiteren?

II Reactie van de bewindspersoon


X Noot
1

Clustered Regularly Interspaced Short Palindromic Repeats/ enzym cas9

X Noot
2

Richtlijn 2001/18/EG van het Europees parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad.