Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | CXLVI nr. AC |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | CXLVI nr. AC |
Vastgesteld 19 december 2023
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft in haar commissievergadering van 26 september 2023 haar leden gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen over de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juli 2023 betreffende de kabinetsreactie op het POC-rapport «Gelijk recht doen».2 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt.
Naar aanleiding hiervan is op 4 oktober 2023 een brief gestuurd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De Minister heeft op 15 december 2023 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Den Haag, 4 oktober 2023
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft tijdens haar commissievergadering van 26 september 2023 haar leden gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen over uw brief van 7 juli 2023 betreffende de kabinetsreactie op het POC-rapport «Gelijk recht doen».3 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De signalering van discriminatie is van groot belang bij het oplossen van dit maatschappelijk probleem. De meldings- en aangiftebereidheid is daarom van wezenlijk belang bij het vinden van oplossingen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarom een aantal vragen hierover.
De meldings- en aangiftebereidheid is laag. Wat zijn de belangrijkste oorzaken? Wat is uw concrete ambitie ten aanzien van het vergroten van de meldings- en aangiftebereidheid? Per wanneer moet deze ambitie behaald zijn? Wat zijn volgens u effectieve maatregelen om de meldings- en aangiftebereidheid te vergroten? Waarop is dit gebaseerd? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat deze effectieve maatregelen breed worden geïmplementeerd? Hoe is de monitoring van de resultaten geborgd? Hoe weten we of de maatregelen effect hebben?
In reactie op het deelrapport onderwijs is te lezen dat er onderzoek wordt gedaan naar de klachtenprocedures. Bijvoorbeeld naar de vraag of «het anoniem melden van klachten het vertrouwen in deze procedures vergroot». Daarbij wordt ook onderzocht of «een onafhankelijk punt voor steun en advies waar slachtoffers terecht kunnen buiten de instellingen meerwaarde heeft».4
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen u waarom onderzoek noodzakelijk/wenselijk wordt geacht? Is er inmiddels niet voldoende (nationaal dan wel internationaal) wetenschappelijk dan wel empirisch onderzoek, eventueel in andere sectoren, dat aantoont welke maatregelen effectief zijn om de meldingsbereidheid te vergroten? Waarom niet op basis van reeds bekend onderzoek concrete acties in gang zetten?
Een van de gesignaleerde knelpunten bij de lage meldings- en aangiftebereidheid is dat ieder loket eigen criteria heeft voor verschillende klachten/meldingen en dat deze dan niet in behandeling worden genomen. De betrokkene moet dan zelf op zoek naar het juiste loket. Wat gaat u doen om dit knelpunt op te pakken? En hoe gaat het merkbaar worden voor de betrokkenen? Hoe worden de resultaat gemonitord?
Een van de zes thema’s in het rapport «Gelijk recht doen» betreft het vertrouwen van de overheid in de burger. De leden missen in de kabinetsreactie een gedegen aanpak op dit onderwerp. Graag ontvangen de leden alsnog een reflectie op het thema vertrouwen. Wat gaat u concreet doen om hier invulling aan te geven?
In de kabinetsreactie wordt aangegeven dat er «wordt gewerkt aan het vergroten van transparantie over beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, door te werken aan spoedige implementatie van de Europese richtlijn loontransparantie».5 Wat is de tijdsplanning hiervan?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA ontvingen een brief van de Branchevereniging van Discriminatie.nl met een oproep om de landelijk beschikbare ADV-middelen te oormerken, zodat gemeenten deze daadwerkelijk aan anti-discriminatie besteden, en deze middelen te indexeren. Omdat gemeenten belangrijk zijn bij de preventie van discriminatie is het van belang dat dit op lokaal niveau serieus wordt opgepakt. Bent u bereid om deze middelen te oormerken? Zo nee, waarom niet?
In de kabinetsreactie wordt gesproken over bedoelde en onbedoelde discriminatie. Waarom maakt u dit onderscheid?
De Minister voor Rechtsbescherming heeft toegezegd om in de aanwijzingen voor de regelgeving op te nemen dat altijd moet worden vermeld of er een hardheidsclausule komt. Als er geen hardheidsclausule komt moet vermeld worden waarom niet en hoe in dat geval de rechten van kwetsbare mensen worden geborgd. Wanneer wordt deze toezegging gestand gedaan? Op welke wijze wordt dit per wetsvoorstel inzichtelijk voor de Tweede Kamer en Eerste Kamer?
Er is ook een flink aantal organisaties gelieerd aan de overheid. Denk aan de organisaties die gesubsidieerd worden of in opdracht van de overheid werken. Ook voor deze organisaties is het van belang om werk te maken van de preventie en aanpak van discriminatie. Hoe gaat u, in afstemming met gemeenten, provincies en waterschappen, zorgen dat deze organisaties hiermee aan de slag gaan?
Op een aantal onderdelen geeft u aan dat de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over het vervolg. Bijvoorbeeld bij de nadere reactie op het deelrapport politie en de monitor integrale veiligheid mbo en de reactie van de Minister hierop (medio 2023). Bent u bereid om deze twee rapportages ook aan de Eerste Kamer te sturen?
De commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 december 2023
Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de antwoorden op de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de kabinetsreactie op het rapport «Gelijk recht doen» van de parlementaire onderzoekscommissie effectiviteit discriminatiewetgeving (POC).6
Melden van discriminatie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat de oorzaken zijn van de lage meldings- en aangiftebereidheid. Uit onderzoek blijkt dat er verschillende oorzaken zijn, die benoemd zijn in het rapport van Berenschot over «Inrichting, takenpakket en financiering van ADV’s».7 Mensen herkennen discriminatie niet altijd en ervaren drempels om discriminatie te benoemen of hiervan een melding te maken. Achterliggende oorzaken zijn: een gebrek aan bekendheid van meldpunten, een laag vertrouwen in instituties, weinig zicht op het resultaat van melden, het gebrek aan contact met de gemeenschap en in sommige gevallen speelt een taalbarrière een rol. Andere redenen zijn gewenning aan structurele discriminatie, het melden als pijnlijk en stressvol ervaren, angst om niet serieus genomen te worden, schuld en schaamte en andere «copingstrategieën» voor het omgaan met discriminatie. Het komt ook voor dat slachtoffers van racisme en discriminatie dit niet melden omdat zij zich niet herkennen in de besturen en klachtenbehandelaars van de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s).
Voorts vragen deze leden wat de concrete ambitie is ten aanzien van het vergroten van de meldings- en aangiftebereidheid en wanneer deze behaald moet zijn. Ook vragen deze leden naar effectieve maatregelen en de implementatie en monitoring daarvan.
We weten dat de meldingsbereidheid laag is. De cijfers over discriminatiemeldingen vergen echter een zeer zorgvuldige interpretatie. De ervaring leert dat meer aandacht voor discriminatie en de bestrijding ervan meer bewustwording genereert en daarmee het aantal meldingen doet toenemen, evenals het aantal gevallen waarin discriminatie is ervaren. De jaarlijkse rapportage van alle meldcijfers en ook het onderzoek naar ervaren discriminatie geven daarom altijd een uitgebreide toelichting op wat deze cijfers wel en niet zeggen.8
Ik ben terughoudend in het noemen van een concreet streefcijfer. We streven ernaar dat meer mensen ervaren discriminatie gaan melden en ik juich het toe als meer mensen de stap naar een ADV gaan zetten. De meldcijfers geven een indruk van wat er speelt in de samenleving en waar discriminatie het meeste wordt ervaren (bijvoorbeeld op welke gronden of terreinen). De cijfers zeggen echter niet alles en vergen, zoals hierboven aangegeven, zorgvuldige interpretatie. Met het toenemen van de cijfers weten we niet per definitie of discriminatie in Nederland toeneemt of afneemt. In het aankomende Nationaal Programma van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, dat in december 2023 zal worden uitgebracht, zal ook nog niet met streefcijfers worden gewerkt, maar er wordt wel bezien hoe in een volgend nationaal programma meer met concrete doelstellingen of streefcijfers kan worden gewerkt op een wijze die kan bijdragen aan de beoordeling van de effectiviteit van de maatregelen.9
Los van de cijfers gaat het erom wat er met de meldingen wordt bereikt en of de ervaren discriminatie stopt. Dat is waar melders behoefte aan hebben. Verder moeten de meldpunten goed vindbaar en toegankelijk zijn voor burgers die discriminatie willen melden. Het bovengenoemde rapport van Berenschot biedt een aantal goede bouwstenen voor verbetering. Deze punten zullen worden meegenomen in het traject voor versterking van het ADV stelsel, waarover ik de Tweede Kamer recent heb geïnformeerd.10 Dit traject is gericht op de totstandkoming van een stevig gepositioneerde, kundige en breed inzetbare landelijke organisatie tegen discriminatie voor burgers. Als eerste stap in dit traject hebben in november jl. drie werkconferenties plaatsgevonden, waarin het meldproces één van de aandachtspunten was.
Met betrekking tot het meldproces vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA tevens hoe het knelpunt, dat betrokkenen zelf op zoek moeten naar het juiste loket, zal worden opgepakt.
Eén centrale organisatie, die voor burgers goed bekend en vindbaar is, zal ook bijdragen aan het sneller vinden van het juiste loket voor meldingen over discriminatie en racisme. De centrale organisatie kan burgers in voorkomende gevallen ook doorverwijzen naar het juiste loket als het om andersoortige meldingen gaat. De verwachting is dat het aantal meldingen zal toenemen en dat dit gemonitord kan worden op grond van de jaarlijkse rapportages van meldcijfers, zoals hierboven genoemd.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen tevens naar de bereidheid om de landelijk beschikbare middelen voor ADV’s te oormerken. Uit het eerder genoemde rapport van Berenschot «Inrichting, takenpakket en financiering van ADV’s» komt duidelijk naar voren dat financiering van de ADV’s onafhankelijk van de gemeenten zou moeten plaatsvinden. Zoals ik ook in de brief aan de Tweede Kamer over de versterking van het ADV-stelsel heb vermeld, heeft het mijn voorkeur om de komende jaren toe te werken naar één stevige centrale organisatie, die ook centraal gefinancierd zal worden. De financiële afhankelijkheid van de gemeenten zal daarmee verdwijnen. Vanzelfsprekend zal de relatie tussen de gemeenten en de centrale organisatie wel behouden moeten blijven. De vraag hoe dat vormgegeven kan worden is ook een van de thema’s op de werkconferenties in november. Verder heeft het kabinet bij Voorjaarsnota 2023 € 2,5 miljoen extra structurele middelen gereserveerd voor een nieuwe preventietaak van ADV’s. De komende tijd wordt bezien hoe die taak er precies uit moet komen te zien en op welke manier de middelen aan gemeenten kunnen worden uitgekeerd. De vraag of oormerken van deze gelden mogelijk is zal hierbij worden betrokken. Het streven is om hiervoor begin 2024 een nieuwe regeling te maken.
Onderwijs
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen waarom onderzoek naar klachtenprocedures bij onderwijsinstellingen noodzakelijk/wenselijk wordt geacht. Is er inmiddels niet voldoende (nationaal dan wel internationaal) wetenschappelijk dan wel empirisch onderzoek, eventueel in andere sectoren, dat aantoont welke maatregelen effectief zijn om de meldingsbereidheid te vergroten? Waarom niet op basis van reeds bekend onderzoek concrete acties in gang zetten, zo vragen deze leden.
Er is inderdaad onderzoek gedaan naar meld- en klachtenvoorzieningen, zoals het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs. Die constateerde (op basis van vragenlijsten onder studenten) dat een aanzienlijk deel van de studenten geen vertrouwen heeft in een goede afhandeling van klachten.11 Het onderzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft als doel om in beeld te brengen hoe het nu feitelijk gesteld is met de procedures en voorzieningen bij de universiteiten en hogescholen (voor zowel studenten als onderzoekers). Dit beeld is er nu niet. Het is belangrijk omdat we op basis daarvan onder meer kunnen beoordelen wat er mist of wat er al is, maar niet goed functioneert. Dan wordt ook duidelijk of het logisch is om een extern meldpunt op te zetten, bijvoorbeeld.12Uiteraard zal daarbij gebruik worden gemaakt van het onderzoek dat er al ligt. Ook zal de motie Westerveld hierin worden meegenomen, die ziet op hoe de bekendheid van klachtenprocedures vergroot kan worden.13 Tot slot zal worden onderzocht of anoniem melden het vertrouwen in de klachtenprocedures vergroot.
Vertrouwen van de overheid in de burger
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen een reflectie op het thema vertrouwen en vragen naar concrete maatregelen om hier invulling aan te geven.
«Vertrouwen» is een van de hoofdthema’s in het rapport Gelijk recht doen. «Als we willen dat wetten minder snel tot discriminatie leiden, dan begint het bij aandacht voor de mensen die het aangaat en een basishouding van vertrouwen», zo schrijft de voorzitter van uw onderzoekscommissie. Meer concreet gaat het om een overheid die ruimte maakt voor maatwerk en de regels eenvoudiger maakt, zodat mensen niet tussen de wal en het schip vallen. Ook gaat het om het stimuleren van verantwoordelijkheid en leiderschap in organisaties en heldere en toegankelijke klachtenprocedures voor als het toch fout gaat.14
In de kabinetsreactie op het POC-rapport «Gelijk recht doen» is dit vertaald naar: ga bij het maken van beleid en wetgeving als overheid uit van de goede trouw van burgers, maar met aandacht voor verschillen in zelfredzaamheid en volwaardige participatie. De concrete uitwerking hiervan is opgenomen in de kabinetsreactie en is onder meer gelegen in nieuwe en verbeterde instrumenten voor beleids- en wetgevingsvoorbereiding zoals de constitutionele toets en het vernieuwde Beleidskompas met daarin ook een doenvermogentoets. Het vroegtijdig en in elke fase betrekken van belanghebbenden gedurende de beleidsontwikkeling staat hierbij centraal.
Verder zijn in de kabinetsreactie de uitvoerings- en invoeringstoets en een mogelijke discriminatie-effectrapportage genoemd als instrumenten om te monitoren of beleid geen onbedoelde negatieve of discriminerende effecten heeft.
In de kabinetsreactie op het rapport komt ook de tweeledigheid van het thema vertrouwen naar voren: enerzijds een overheid die uitgaat van de goede trouw van burgers en andere partijen (zoals werkgevers of uitvoeringsorganisaties) en anderzijds het vertrouwen dat burgers hebben in de overheid. Beide aspecten hangen met elkaar samen: het werken vanuit vertrouwen door de overheid kan bijdragen aan het vertrouwen van burgers in de uitvoering. In de deelrapporten bij de kabinetsreactie worden hier ook voorbeelden van genoemd, zoals in het deelrapport sociale zekerheid als het gaat om niet-gebruik van uitkeringen.
Verder komt het thema «vertrouwen» ook aan de orde in gesprekken met maatschappelijke organisaties. Daaruit komt naar voren dat voor (het behouden van) vertrouwen belangrijk is dat de overheid het goede voorbeeld geeft, bijvoorbeeld door transparant te handelen en te communiceren. Dat betekent dat de overheid het burgerperspectief steeds moet meewegen bij het maken van beleid en wetgeving, zoals het Sociaal Cultureel Planbureau recent ook heeft geadviseerd.15 Vervolgens moet zij ook duidelijk maken wat er gedaan is of zal worden met de geleverde inbreng van betrokkenen (ook als die niet wordt overgenomen). Dit sluit ook aan bij de bevindingen van Movisie dat invloed (en dan liefst van meer verschillende groepen) bijdraagt aan vertrouwen.16 Een belangrijk aspect hierbij is dat in de voorbereiding van beleid en wetgeving voldoende tijd wordt genomen om dit mogelijk te maken. De planning voor wetgevingstrajecten dient zo realistisch mogelijk te zijn. Het kost immers tijd om verschillende perspectieven te betrekken, adviezen te vragen, uitvoeringstoetsen te (laten) doen en vervolgens de ontvangen input zorgvuldig te verwerken en indien nodig alternatieven te onderzoeken en te overwegen.
Hardheidsclausule
Voorts vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA naar de toezegging van de Minister voor Rechtsbescherming om in de aanwijzingen voor de regelgeving op te nemen dat altijd moet worden vermeld of er een hardheidsclausule komt. Als er geen hardheidsclausule komt moet vermeld worden waarom niet en hoe in dat geval de rechten van kwetsbare mensen worden geborgd. Wanneer wordt deze toezegging gestand gedaan? Op welke wijze wordt dit per wetsvoorstel inzichtelijk voor de Tweede Kamer en Eerste Kamer, zo vragen deze leden.
Bij brief van 11 juli 2022 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, een visie op hardheidsclausules gegeven17, mede naar aanleiding van de moties van de leden Ploumen en Jetten18 en van het lid Van Brenk.19 Deze visie is nader toegelicht bij brief van 18 januari 2023, zie het verslag van het schriftelijk overleg van de Tweede Kamer met de Minister van BZK over de eerstgenoemde brief.20
In deze brieven is aangegeven dat de inzet van het kabinet er primair op is gericht het proces van totstandkoming van wet- en regelgeving zo aan te passen dat bij het opstellen van wetten en regels beter wordt nagedacht en toegelicht hoe hardheden bij de uitvoering kunnen worden voorkomen of tegengegaan. Het voorkomen van hardvochtigheden dient naar de mening van het kabinet primair gerealiseerd te worden door meer aandacht te geven aan dat aspect bij het opstellen van wetten en regels om daar dan vervolgens adequate maatregelen voor te treffen. Afhankelijk van het karakter van de regeling kan het noodzakelijk zijn daartoe een algemene of specifieke hardheidsclausule op te nemen indien er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen en de normstelling in de regeling mogelijk onvoldoende ruimte zal bieden om dit te voorkomen.
Deze visie op het gebruik van hardheidsclausules zal worden vastgelegd in de Aanwijzingen voor de regelgeving, door wijziging van aanwijzing 5.25. Bovendien zal een wijziging worden doorgevoerd in aanwijzing 2.11 over het tegengaan van onevenredige gevolgen. De strekking daarvan zal zijn dat wetgeving bestuursorganen voldoende in staat moet stellen om onevenredige besluiten te kunnen voorkomen. Dat resultaat kan worden bereikt door meer categorisering in de normstelling toe te passen of door op specifieke onderdelen van de regeling meer beslisruimte aan bestuursorganen toe te kennen.
Deze aanpassingen zijn opgenomen in het ontwerp voor de eerstvolgende wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dat op 11 juli 2023 voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd. De Afdeling heeft op 8 november 2023 advies uitgebracht over dit voorstel waarna, na verwerking van dat advies, de vaststelling van de wijziging kan plaatsvinden.
Overige vragen
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen voorts naar de tijdsplanning van de implementatie van de Europese richtlijn loontransparantie. De Minister van SZW werkt aan de implementatie van de Europese richtlijn loontransparantie (EU 2023/970), die op 7 juni 2023 in werking is getreden. Lidstaten hebben drie jaar om deze richtlijn te implementeren in nationale wetgeving. De aanname van deze richtlijn is een belangrijke stap om gelijke beloning te bevorderen. De Minister van SZW streeft naar spoedige implementatie. Hierbij worden sociale partners en andere experts betrokken om te komen tot een uitvoerbare en effectieve implementatie in Nederlandse wetgeving. Streven is dit wetsvoorstel begin 2024 ter internetconsultatie aan te bieden en in de tweede helft van 2024 aan de Tweede Kamer te kunnen aanbieden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom in de kabinetsreactie een onderscheid wordt gemaakt tussen bedoelde en onbedoelde discriminatie. Hiermee wordt gedoeld op de begrippen direct en indirect onderscheid, die in de gelijke behandelingswetgeving worden gehanteerd. Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutraal criterium nadelig uitpakt voor bepaalde groepen. Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven is het van groot belang dat óók onbedoelde discriminatoire effecten voorkomen worden. Dit vergt in de eerste plaats bewustwording dat er mogelijk onbedoelde effecten kunnen zijn en daarnaast dient bij het maken van beleid en wetgeving tijdig en zorgvuldig onderzoek naar mogelijk discriminatoire effecten te worden gedaan. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie is het verbeterde Beleidskompas hiervoor bedoeld.
Er is ook een flink aantal organisaties gelieerd aan de overheid. Denk aan de organisaties die gesubsidieerd worden of in opdracht van de overheid werken. Ook voor deze organisaties is het van belang om werk te maken van de preventie en aanpak van discriminatie. Hoe gaat u, in afstemming met gemeenten, provincies en waterschappen, zorgen dat deze organisaties hiermee aan de slag gaan, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA.
In de rijksinkoopstrategie «Inkopen met impact, Strategie voor duurzaam, sociaal en innovatief opdrachtgeverschap door de Rijksoverheid» wordt diversiteit en inclusie als één van de mogelijke toepasbare MVI thema’s (Maatschappelijk Verantwoord Inkopen) genoemd bij inkoop door de Rijksoverheid.21 Het Rijk evalueert in 2024 de rijksinkoopstrategie «Inkopen met impact». Op basis van de bevindingen en aanbevelingen wordt in 2024 een verder actualisatietraject opgestart. In deze fase worden de mogelijkheden om een beleidskader voor het MVI-thema D&I voor rijksinkoop vast te stellen onderzocht.
Verder heeft een groot aantal overheidsorganisaties, waaronder de ministeries, provincies en een groot aantal gemeenten en waterschappen het manifest «Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen» (MVOI 2022–2025) ondertekend. Diversiteit, inclusie en gelijke behandeling is hierbij een van de thema’s. Om concrete invulling aan het manifest te geven worden door betrokken organisaties actieplannen opgesteld, gepubliceerd, uitgevoerd en geanalyseerd.
Tot slot vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA om twee rapportages ook aan de Eerste Kamer te zenden. De reactie op het rapport «Gelijk recht doen deelrapport politie» is opgenomen in het eerste halfjaarbericht politie, dat op 27 juni 2023 aan de Tweede Kamer is verzonden. In bijlage 3 «Integriteit, discriminatie en racisme» van het halfjaarbericht wordt ingegaan op de voorgestelde aanknopingspunten uit het deelrapport politie.22 Beide stukken zijn opgenomen als bijlage bij deze brief.
De Monitor Integrale Veiligheid mbo verschijnt dit najaar. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zal de monitor aan de Eerste en de Tweede Kamer toesturen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge
Samenstelling:
Lagas (BBB) (voorzitter), Kroon (BBB),Van Langen (BBB), Fiers (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Janssen-Van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rovers (GroenLinks-PvdA), Van den Berg (VVD), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Doornhof (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66), Van Meenen (D66), Van Hattem (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Kox (SP), Talsma (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (BBB)
Kamerstukken II 2022/23, 30 950, nr. 335, zie par. 3.5 «Meldingstoegankelijkheid en meldingsbereidheid».
Motie van het lid Azarkan, Kamerstukken II, 2021/22, 35 925 VII, nr. 36 over de beoordeling van de effectiviteit van het beleid, motie van het lid Van Baarle Kamerstukken II 2021/22, 30 950, nr. 290.
POC Hoofdrapport «Gelijk recht doen», uitwerking van de thema’s Vertrouwen en Verantwoordelijkheid en leiderschap.
Rapport van 6 juli 2023, zie Roep om een overheid die verantwoordelijkheid neemt | Publicatie | Sociaal en Cultureel Planbureau (scp.nl).
Artikel «Naar vertrouwen in een betrouwbare overheid», 5 mei 2023, zie «Als de overheid betrouwbaar is, komt vertrouwen vanzelf» | Movisie.
Brief van 28 oktober 2019, zie ww.rijksoverheid.nl/documenten/Kamerstukken/2019/10/28/kamerbrief-over-inkoopstrategie-rijksoverheid
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-CXLVI-AC.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.