Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | CLXXVI nr. A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | CLXXVI nr. A |
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2026
Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 21, 132 en 140 van het Reglement van Orde stellen wij een Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 voor. Ons voorstel en de bijbehorende toelichting treft u bijgevoegd aan. Het hoofddoel van de nieuwe Regeling is dat fracties in de toekomst doelmatiger en bestendiger kunnen begroten.
Rosenmöller Klip-Martin Van Meenen
Met verwijzing naar de artikelen 21, 132 en 140 van het Reglement van Orde wordt de volgende Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 voorgesteld:
Artikel 1. Definities
In deze Regeling wordt verstaan onder:
een door de fractie of het bestuur van de stichting aangewezen registeraccountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
de Auditdienst Rijk, bedoeld in artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016;
de financiële middelen, berekend overeenkomstig artikel 3, die elk kalenderjaar door de Eerste Kamer worden verstrekt aan een fractie of aan een stichting ten behoeve van de bij de stichting behorende fractie;
College van Voorzitter en Ondervoorzitters bedoeld in artikel 12 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
het controleprotocol, bedoeld in bijlage 2 bij deze Regeling;
de verklaring van een accountant omtrent de verantwoording waarin de accountant verklaart dat de verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten is opgesteld in overeenstemming met de Regeling;
de Eerste Kamer der Staten-Generaal als onderdeel van de Staat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
een financiële reserve bedoeld voor toekomstige kosten in volgende kalenderjaren;
een fractie als bedoeld in artikel 17 tot en met artikel 21 van het Reglement van Orde;
een samengaan van twee of meer fracties als bedoeld in artikel 18 van het Reglement van Orde
de Griffier van de Eerste Kamer, bedoeld in artikel 22 tot en met artikel 25 van het Reglement van Orde van Eerste Kamer;
de modelstatuten, bedoeld in bijlage 1 bij deze Regeling;
deze Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026;
het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
een splitsing tot twee of meer fracties als bedoeld in artikel 20 van het Reglement van Orde;
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die overeenkomstig de modelstatuten is opgericht ten behoeve van een fractie;
de balans en de staat van baten en lasten van een stichting ofwel een overzicht van alle inkomsten en uitgaven van een fractie, inclusief de toelichting daarop, die zijn opgesteld overeenkomstig het verantwoordingsmodel en in geval van een stichting, de statuten van de stichting;
het verantwoordingsmodel, bedoeld in bijlage 3 bij deze Regeling;
een zitting als bedoeld in artikel 1 onder f van het Reglement van Orde.
de Voorzitter van de Eerste Kamer, bedoeld in artikel 1 onder a van het Reglement van Orde.
Artikel 2. Oprichting en (model)statuten stichting
1. Elke fractie die een egalisatiereserve wil opbouwen als bedoeld in artikel 6 richt onverwijld na haar ontstaan een stichting op. De fractie draagt er zorg voor dat de bij haar behorende stichting deze Regeling naleeft.
2. De statuten van de stichting zoals op te nemen in de akte van oprichting, evenals iedere daaropvolgende wijziging van de statuten van de stichting, behoeven de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
3. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is bevoegd tot wijziging van de modelstatuten. Bij wijziging van de Regeling of de modelstatuten bepaalt het College van Voorzitter en Ondervoorzitters wat de gevolgen van deze wijziging voor de statuten van reeds opgerichte stichtingen zijn, met dien verstande dat een reeds opgerichte stichting verplicht is de statuten te wijzigen overeenkomstig de Regeling of de modelstatuten indien het College van Voorzitter en Ondervoorzitters daartoe besluit. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters deelt iedere wijziging van de modelstatuten en de gevolgen daarvan voor de reeds opgerichte stichtingen mee aan de Eerste Kamer.
Artikel 3. Hoogte bijdrage en zetelbedrag
1. De jaarlijkse bijdrage aan de fracties bestaat uit een basisbedrag van € 120.976 voor elke fractie en een bedrag van € 8.476 per Kamerzetel.
2. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters indexeert ieder kalenderjaar de in het eerste lid genoemde bedragen aan de hand van de prijs- en loonontwikkelingen van de Handleiding Overheidstarieven die jaarlijks wordt vastgesteld.
Artikel 4. Bestemming bijdrage
1. De bijdrage wordt betaald rechtstreeks aan de fractie, of rechtstreeks aan de stichting ten gunste van de fractie en onder de voorwaarde dat door de fractie dan wel stichting alle rechten en verplichtingen uit deze Regeling worden aanvaard en nageleefd.
2. De bijdrage is bestemd ter dekking van de personele en materiële kosten van de bij de stichting behorende fractie of fractie zonder stichting in een kalenderjaar, met als doel het functioneren van de fractie te bevorderen door de fractie in staat te stellen de daarvoor naar het redelijk oordeel van het bestuur van de stichting dan wel fractie noodzakelijke activiteiten te ontplooien, medewerkers aan te stellen en de daarmee gemoeide kosten te laten bekostigen door de stichting of fractie. De bijdrage is ook bestemd voor het laten uitvoeren van een accountantscontrole en het oprichten van een stichting zoals bepaald in deze Regeling.
3. De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:
a) Uitgaven in strijd met wettelijke bepalingen;
b) betalingen aan politieke partijen, dan wel met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van prestaties (diensten of goederen) geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie;
c) giften, behoudens in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke geschenken in het kader van bijzondere gebeurtenissen;
d) uitgaven die dienen te worden bestreden uit vergoedingen die de leden ingevolge de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer toekomen, of;
e) kantoor- en werkruimte buiten de gebouwen van de Staten-Generaal, behoudens incidentele huur van een vergaderruimte.
4. Investeringsgoederen kunnen slechts worden aangeschaft voor zover die niet door de Eerste Kamer ter beschikking worden gesteld, en met inachtneming van de voor de Eerste Kamer geldende inkoopregelingen. Hierover dient steeds tevoren overleg plaats te vinden met de Griffier. Aangeschafte investeringsgoederen zijn eigendom van de Eerste Kamer en worden geacht in bruikleen aan de desbetreffende fractie te zijn verstrekt.
5. Bij twijfel over de aanvaardbaarheid van uitgaven in de zin van deze Regeling, besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Artikel 5. Bevoorschotting
De stichtingen ten gunste van de fracties of de fracties zonder stichting ontvangen per kalenderjaar de volgende voorschotten:
− Vóór 15 januari 60 procent van de bijdrage en,
− vóór 15 juli 40 procent van de bijdrage.
Artikel 6. Egalisatiereserve
1. Elke stichting kan, voor zover er een uit de verantwoording blijkend positief exploitatieresultaat is, dit exploitatieresultaat als egalisatiereserve aanhouden voor toekomstige kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, ten behoeve van de bij haar behorende fractie. Een uit de verantwoording blijkend positief dan wel negatief exploitatieresultaat komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve van de stichting.
2. De egalisatiereserve mag niet groter zijn dan 75 procent van het jaarlijkse basisbedrag als bedoeld in artikel 3. Bij een uit de verantwoording blijkende overschrijding van de egalisatiereserve wordt het bedrag van de overschrijding van de egalisatiereserve door de stichting terugbetaald aan de Eerste Kamer.
3. De egalisatiereserve bestaat uit vrij opneembare tegoeden bij een bancaire of financiële instelling met een vergunning van De Nederlandsche Bank N.V.
4. Slechts kosten die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, voor een bijdrage in aanmerking komen, mogen ten laste van de egalisatiereserve worden gebracht.
Artikel 7. Gevolgen van verkiezingen
1. Indien een fractie als gevolg van verkiezingen nieuw in de Kamer komt, heeft deze fractie of de bij haar behorende stichting vanaf de verkiezingsdatum recht op de bijdrage. Indien een fractie als gevolg van verkiezingen niet terug in de Kamer komt, is artikel 10 van toepassing.
2. Indien het zeteltal van een fractie door verkiezingen wijzigt, gaat de verandering van de bijdrage in:
a. bij vermindering van het zeteltal: op de eerste dag van de vierde maand na de eerste vergadering van de nieuwgekozen kamer; en
b. bij toename van het zeteltal: op de eerste dag van de kalendermaand waarin de eerste vergadering van de nieuwgekozen Kamer plaatsvindt.
3. De vermogensbestanddelen van de stichting behorende bij een fractie blijven na verkiezingen beschikbaar voor de stichting behorende bij de fractie die onder de identieke naam als de oorspronkelijke fractie terugkeert.
4. Indien een fractie als gevolg van verkiezingen nieuw in de Kamer komt, maar naar objectieve maatstaven beschouwd moet worden als een voortzetting van een fractie tijdens de vorige zitting, is bij vermindering of toename van het zeteltal het tweede lid van toepassing op deze fractie.
5. Bij twijfel besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Artikel 8. Gevolgen van splitsing
1. Bij een splitsing wordt het basisbedrag als bedoeld in artikel 3, tussen de oorspronkelijke fractie en de nieuwgevormde fracties ofwel aan de hierbij behorende stichting of stichtingen, verdeeld naar rato van het aantal Kamerzetels van de betrokken fracties. Hierbij wordt, indien nodig, afgerond tot hele bedragen.
2. De oorspronkelijke fractie en de nieuwgevormde fractie of fracties hebben daarnaast aanspraak op een bedrag per Kamerzetel.
3. Bij een splitsing van een fractie die gebruik maakt van een stichting, worden alle vermogensbestanddelen van de stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie, voor zover in redelijkheid mogelijk, verdeeld naar evenredigheid van het zeteltal van elk van de nieuwgevormde fracties in verhouding tot het zeteltal van de oorspronkelijke fractie. Hiertoe maakt het bestuur van de stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie een tussentijdse vermogensopstelling op, als ware er sprake van een vereffening van de stichting. De vermogensopstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. De stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie draagt het aldus berekende, evenredige deel van de vermogensbestanddelen onverwijld over aan de fractie(s) of aan de stichting(en) behorende bij de nieuwgevormde fracties.
Artikel 9. Gevolgen van fusie
1. Bij een fusie tijdens een zitting, heeft de nieuwe fractie aanspraak op een basisbedrag als bedoeld in artikel 3 en op een bedrag per Kamerzetel.
2. Bij een fusie van fracties, worden alle vermogensbestanddelen van deze fracties behorende bij de oorspronkelijke fracties, voor zover in redelijkheid mogelijk, samengevoegd. Hiertoe maken de fracties hetzij de besturen van de stichtingen behorende bij de oorspronkelijke fracties een tussentijdse vermogensopstelling op, waarbij voor de stichtingen geldt als ware er sprake van een vereffening van de stichtingen. De vermogensopstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. De stichtingen behorende bij de oorspronkelijke fracties of de oorspronkelijke fracties dragen de vermogensbestanddelen onverwijld over aan de stichting behorende bij de samengevoegde fractie of aan de samengevoegde fractie.
Artikel 10. Gevolgen van ophouden te bestaan
1. Indien een fractie ophoudt te bestaan, vervalt de bijdrage aan deze fractie dan wel aan de bij haar behorende stichting, op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de aanvang van het ophouden te bestaan.
2. Indien een fractie ophoudt te bestaan, worden de bestaande vermogensbestanddelen van de bij haar behorende stichting, overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving en statuten van de stichting, gebruikt voor het afwikkelen van lopende verplichtingen van de stichting. In de statuten van de stichting is bepaald hoe een eventueel financieel overschot wordt aangewend.
3. Het bestuur van een stichting is verplicht om binnen twaalf kalendermaanden nadat de bij haar behorende fractie is opgehouden te bestaan, de stichting te hebben ontbonden en, indien nodig, vereffend. Zodra de stichting is opgehouden te bestaan, stuurt het bestuur van de stichting aan het College van Voorzitter en Ondervoorzitters een bewijs van uitschrijving van de registers waaraan van de ontbinding van de betreffende stichting opgaaf is gedaan.
4. Bij twijfel over het moment van ophouden te bestaan besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Artikel 11. Indienen verantwoording
1. Iedere fractie dient voor 1 juli van elk kalenderjaar bij de Griffier de verantwoording over het voorgaande kalenderjaar in. Deze verantwoording dient:
a. overeenkomstig het verantwoordingsmodel als opgenomen in bijlage 3 te zijn opgesteld;
b. overeenkomstig het controleprotocol als opgenomen in bijlage 2 door de accountant te zijn onderzocht; en
c. van een goedkeurende controleverklaring te zijn voorzien. De fractie, dan wel het bestuur van de stichting behorende bij de fractie stelt het controleprotocol en het verantwoordingsmodel aan de accountant ter beschikking.
2. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is bevoegd tot wijziging van het controleprotocol en het verantwoordingsmodel. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters deelt iedere wijziging van het controleprotocol of verantwoordingsmodel mee aan de Eerste Kamer.
3. De Auditdienst Rijk kan op eigen initiatief de accountant verzoeken inzicht te bieden in zijn controlewerkzaamheden. De accountant verleent zijn medewerking hieraan en stelt desgevraagd alle relevante documentatie ter beschikking van de Auditdienst Rijk. De kosten die de accountant voor deze werkzaamheden in rekening brengt, worden door de fractie of stichting behorende bij de fractie betaald.
Artikel 12. Goedkeuren verantwoording en vaststellen definitieve bijdrage
1. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dient voor 1 november van elk kalenderjaar de verantwoording, bedoeld in artikel 11, eerste lid, goed te keuren en de definitieve bijdrage van een stichting over het voorafgaande kalenderjaar vast te stellen.
2. De definitieve bijdrage wordt overeenkomstig artikel 3 en de Handleiding Overheidstarieven van het voorgaande kalenderjaar vastgesteld. Indien de in artikel 5 bedoelde voorschotbetalingen over een kalenderjaar gezamenlijk meer bedragen dan de definitieve bijdrage, dan wordt het verschil door de fractie of het bestuur van de stichting behorende bij de fractie terugbetaald aan de Eerste Kamer.
3. Indien de voorschotbetalingen, bedoeld in artikel 5, over een kalenderjaar gezamenlijk minder bedragen dan de definitieve bijdrage, dan wordt het verschil door de Eerste Kamer aan de betreffende fractie of het bestuur van de stichting behorende bij de fractie betaald.
4. Kosten van de fractie die niet passen binnen de bestemming van de bijdrage, bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden door de fractie of het bestuur van de stichting behorende bij de fractie terugbetaald aan de Eerste Kamer. Voor de fracties zonder stichting geldt dat de leden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling.
Artikel 13. Openbaarmaking
1. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters zendt, na vaststelling van de definitieve bijdrage, de door de stichtingen behorende bij de fracties of de fracties zonder stichting ondertekende verantwoording, voorzien van de goedkeurende controleverklaring, aan de Eerste Kamer.
2. De stukken, bedoeld in het eerste lid, zijn openbaar.
Artikel 14. Maatregelen bij niet-nakoming
1. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters kan bij het door de stichting behorende bij de fractie of de fractie zonder stichting niet nakomen van de Regeling besluiten de bijdrage geheel of gedeeltelijk stop te zetten of geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters informeert de Kamer hierover.
2. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters stelt de fractie vooraf in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 15. Onvoorziene gevallen en tijdelijke maatregelen
1. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters kan tijdelijke maatregelen treffen die afwijken van de artikelen 8 tot en met 10, om de voldoening mogelijk te maken van verplichtingen die tegenover de medewerkers van een oorspronkelijke fractie bestaan bij een splitsing, fusie of ophouden te bestaan.
2. In alle gevallen waarin niet bij of krachtens deze Regeling is voorzien, besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Artikel 16. Uitvoering Regeling
De Griffier, of een door de Griffier daartoe gemachtigde medewerker van de Eerste Kamer, is namens het College van Voorzitter en Ondervoorzitters verantwoordelijk voor de uitvoering van deze Regeling.
Artikel 17. Intrekkingsbepaling
1. De Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2023 wordt, met uitzondering van artikel 9 daarvan, ingetrokken.
2. Artikel 9 van de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2023 vervalt per 1 januari 2027.
Artikel 18. Inwerkingtreding
1. Deze Regeling treedt de dag na aanvaarding door de Kamer in werking, met uitzondering van artikel 11.
2. Artikel 6 van de Regeling werkt terug tot en met 1 januari 2025.
3. Artikel 11 van de Regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.
Artikel 19. Overgangsrecht
1. Fracties die de jaarlijkse bijdrage over het kalenderjaar 2024 niet volledig hebben benut kunnen voor 15 juli 2026 aangeven dat zij het overschot alsnog willen aanwenden ter dekking van kosten als bedoeld in artikel 4 in het kalenderjaar 2026.
2. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters verstrekt de in het vorige lid bedoelde bedragen binnen de begrotingsstaten van de Staten-Generaal voor het jaar 2026.
Artikel 20. Citeertitel
Deze Regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026.
TOELICHTING
Inleiding
Met ingang van 1 januari 2024 is de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 20231 gewijzigd met als doel de politiek-inhoudelijke ondersteuning van de fracties uit te breiden en versterken en het goed werkgeverschap door fracties te bevorderen.2
Naar aanleiding van een evaluatie van deze regeling stellen de fractievoorzitters van GroenLinks-PvdA, VVD en D66, zijnde de leden Rosenmöller, Klip-Martin en Van Meenen, voor de regeling aan te passen.
In dit document wordt een toelichting op verschillende onderdelen van de Regeling gegeven.
Aanleiding
Uit de recente evaluatie van de herziene Regeling blijkt dat het merendeel van de fracties graag gebruikmaakt van de regeling en versterking van de kwaliteit van de ondersteuning ervaart. Vooral de kleine fracties beschouwen deze ondersteuning als onmisbaar bij het goed uitvoeren van hun taak als senator(en). De meeste fracties gebruiken de regeling voor de inzet van fractieondersteuners en geven aan dat deze fractieondersteuners bijdragen aan de professionalisering van de fractie. Bovendien biedt de herziene bijdrage fracties de mogelijkheid om marktconforme salarissen te betalen en een goede pensioenregeling, verzekeringen, en scholing te organiseren.
Verschillende fracties signaleren echter dat het door de methode van jaarlijkse afwikkeling moeilijk is om tegenvallers op te vangen en reserves op te bouwen. Hierdoor is het mogelijk dat er in het ene jaar veel budget onbenut is gebleven en is teruggestort, terwijl in het volgende jaar een tekort ontstaat. Fracties worden hierdoor ontmoedigd om (vaste) dienstverbanden aan te gaan, omdat ze na een Kamerwisseling mogelijk niet meer aan hun wettelijke financiële verplichtingen (zoals een transitievergoeding) kunnen voldoen. Onzekerheid is inherent aan de politiek, en met de huidige regeling zijn fracties niet in staat die onzekerheid financieel op te vangen.
Gelet hierop stellen de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD en D66 voor om de Regeling aan te passen. De wijziging moet het mogelijk maken dat fracties een egalisatiereserve aanhouden. Dit bevordert doelmatig en schokbestendig begroten, zoals gebruikelijk in vergelijkbare publieke organen, waaronder de fracties in de Tweede Kamer. Om de fracties in staat te stellen zich financieel voor te bereiden op de Kamerwisseling in 2027 wordt daarnaast voorgesteld dat fracties gebruik kunnen maken van het in 2024 overgebleven budget. Op 24 februari 2026 heeft het College van fractievoorzitters ingestemd met voornoemde uitgangspunten voor aanpassing van de Regeling.
Gelet op voorgaande ontwikkelingen wordt bijgaande herziene regeling voorgesteld.
Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023
Bij het opstellen van de herziene regeling is aansluiting gezocht bij de Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023. Deze regeling van de Tweede Kamer is in etappes en in overleg en afstemming met Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gemoderniseerd en bevat onder meer de mogelijkheid voor fracties om een egalisatiereserve op te bouwen en gebruik te maken van trekkingsrechten.3
De Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023 schrijft voor dat elke fractie of groep onverwijld na het ontstaan een stichting op moet richten. Het vereiste van rechtspersoonlijkheid is in 2006 ingevoerd. Aanleiding hiervoor was het feit dat de bijdrage als bedoeld in de regeling de facto werd beschouwd als overdracht van rijksmiddelen in de vorm van subsidie in het kader van de regeling. Gelet op de hieruit voortvloeiende eis van ordelijk beheer, achtte het Presidium het noodzakelijk dat aan de ontvanger van de bijdrage de eis van rechtspersoonlijkheid werd gesteld.4
Bij een wijziging in 2014 is vanuit het oogpunt van transparantie en vereenvoudiging de eis van rechtspersoonlijkheid verbijzonderd naar de eis van een stichting. Bij die gelegenheid is ook de egalisatiereserve ingevoerd om de bestedingsvrijheid te verruimen en de mogelijkheid beter in te spelen op de gevolgen in zeteltal als gevolg van verkiezingen. Ook is gekozen voor openbaarmaking van de verantwoording om tegemoet te komen aan de maatschappelijke discussie over meer transparantie.5
Bij de integrale herziening van 2023 is de hele regeling opnieuw vastgesteld, waarbij onder meer een verantwoordingsmodel is opgesteld waarin de onderwerpen worden genoemd die minimaal moeten worden benoemd in de verantwoording.6 De Tweede Kamer faciliteert daar waar nodig. Iedere stichting dient een accountantsverklaring te overleggen en een jaarverantwoording op te leveren. Deze jaarverantwoording wordt gepubliceerd. Fracties die nog geen stichting hebben worden door de Tweede Kamer tijdelijk geholpen door betalingen uit te laten voeren door de financiële administratie van de Tweede Kamer.
Stichting enkel verplicht bij egalisatiereserve
In het licht van voorgaande, meer in het bijzonder vanuit het oogpunt van ordentelijk beheer van overheidsgelden en transparantie wordt voorgesteld dat elke fractie die een egalisatiereserve wil opbouwen als bedoeld in artikel 6 een stichting opricht overeenkomstig de modelstatuten die zijn opgenomen in Bijlage 1. Voor bestaande fracties die reeds gebruik maken van een stichting, al dan niet in samenwerking met de fractie in de Tweede Kamer, heeft dit in beginsel geen gevolgen.
Door de rechtsvorm van de stichting te kiezen vervalt de hoofdelijke aansprakelijkheid die in de huidige regeling is opgenomen. Het stichtingsbestuur is verantwoordelijk voor eventuele schulden en niet langer het fractielid persoonlijk, tenzij sprake is van onbehoorlijk bestuur.
Omdat uit de evaluatie is gebleken dat niet alle fracties behoefte hebben aan de mogelijkheid een egalisatiereserve op te bouwen, wordt voorgesteld om, anders dan in de Tweede Kamer, het oprichten van een stichting niet verplicht te stellen.
De fracties die er voor kiezen geen gebruik te maken van een stichting kunnen geen egalisatiereserve opbouwen. In feite blijft de situatie voor deze fracties onveranderd: zij kunnen enkel gebruik maken van de bijdrage als bedoeld in artikel 3 met dien verstande dat zij – anders dan de regeling 2023 – niet langer jaarlijks een bestedingsspecificatie indienen, maar evenals de fracties met een stichting een accountantscontrole verrichten en verantwoording indienen. Op die manier wordt financiële afwikkeling gelijkgetrokken en geprofessionaliseerd.
Bijlagen
In de bijlagen zijn opgenomen modelstatuten voor het oprichten van den Stichting (bijlage 1) als bedoeld in artikel 2 alsook een Controleprotocol (bijlage 2) en een model verantwoording fractiekosten (bijlage 3) als bedoeld in de artikelen 11 en 12.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Definities
Het nieuwe artikel 1 is aangevuld met definities die verband houden met de mogelijkheid voor de fracties om een egalisatiereserve op te bouwen.
Artikel 2. Oprichting en (model)statuten stichting
Dit artikel bepaalt dat fracties die een egalisatiereserve willen opbouwen en aanhouden, een stichting moeten oprichten. Deze stichting is de rechtspersoon waaraan de bijdrage wordt verstrekt. Het bestuur van de stichting is verantwoordelijk voor het rechtmatig beheer van de ontvangen bijdrage en legt daarover ook verantwoording af.
Een fractie draagt er zorg voor dat de bij haar behorende stichting de Regeling naleeft.
In de (model)statuten van de stichting is bepaald dat het stichtingsbestuur uit leden van de fractie bestaat, maar ook anderen (i.e. niet-fractieleden) kunnen lid worden van het stichtingsbestuur.
Een stichting wordt ten behoeve van de fractie in lijn met de modelstatuten opgericht. De modelstatuten zijn als bijlage bij de Regeling opgenomen. Hoewel de modelstatuten in de basis niet verplicht zijn voorgeschreven, bepaalt de Regeling, dat:
a. een aanpassing van de modelstatuten en iedere daaropvolgende wijziging van de statuten van de stichting de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters behoeven;
b. het College van Voorzitter en Ondervoorzitters te allen tijde kan besluiten tot wijziging van de modelstatuten; en
c. bij wijziging van de Regeling of de modelstatuten het College van Voorzitter en Ondervoorzitters bepaalt wat de gevolgen van deze wijziging voor de statuten van reeds opgerichte stichtingen zijn.
Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dient iedere wijziging van de modelstatuten, inclusief de gevolgen daarvan voor de reeds opgerichte stichtingen, aan de Eerste Kamer mee te delen.
Artikel 3. Hoogte bijdrage en zetelbedrag
De bijdrage in de thans geldende Regeling bestaat uit een bedrag per zetel (zetelbedrag) vermenigvuldigd met het zetelaantal en een basisbedrag per fractie. De hoogte van deze bedragen is historisch zo gegroeid.7 Op voorstel van het lid Van Meenen is toentertijd het basisbedrag per fractie verhoogd.8
Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters gaat jaarlijks over tot indexatie van de bijdrage en maakt daarbij gebruik van de loon- en prijsontwikkelingen van de Handleiding Overheidstarieven.
Met de nieuwe Regeling wordt de bijdrage verhoogd ten behoeve van de jaarlijkse accountantscontrole en eventuele kosten voor oprichting van een stichting.
Artikel 4. Bestemming bijdrage
Het uitgangspunt van artikel 4 is en blijft dat de financiële bijdrage die fracties ontvangen kan worden gebruikt ter bekostiging van alle vormen van inhoudelijke, administratieve en organisatorische ondersteuning van deze fracties. De bijdrage mag alleen niet worden aangewend ten behoeve van de in het tweede lid genoemde uitgaven en activiteiten. De fracties dienen te overleggen met de Griffier over de aanschaf van niet door de Kamer ter beschikking gestelde investeringsgoederen. Bij twijfel over de aanvaardbaarheid van uitgaven besluit conform het vijfde lid het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Nieuw toegevoegd aan lid 2 is dat de bijdrage ook is bestemd voor het jaarlijks laten uitvoeren van een accountantscontrole en – indien gewenst eenmalig – de kosten voor het oprichten van een stichting zoals bepaald in deze Regeling.
Artikel 5. Bevoorschotting
Het systeem van bevoorschotting van artikel 5 is identiek aan het thans geldende systeem. Tweemaal per kalenderjaar wordt een voorschot aan de (stichting behorende bij de) fracties overgemaakt. Het voordeel van dit systeem is dat fracties die ervoor kiezen om geen stichting op te richten, en dus geen egalisatiereserve kunnen opbouwen, op deze manier toch in de gelegenheid zijn om ook grote(re) uitgaven te doen.
Artikel 6. Egalisatiereserve9
Met dit nieuwe artikel worden stichtingen (met terugwerkende kracht) met ingang van 1 januari 2025 in staat gesteld om hun eigen reserves op te bouwen. Voor de besteding c.q. bestemming van deze middelen gelden dezelfde regels als voor de reguliere bijdrage (zie artikel 4 van de Regeling). De voeding van de egalisatiereserve kan plaatsvinden uit de onderuitputting op de toegekende bijdrage. Voor zover er een uit de verantwoording blijkend positief exploitatieresultaat is, kan de stichting dit exploitatieresultaat als egalisatiereserve aanhouden voor toekomstige kosten van de stichting. Een uit de verantwoording blijkend positief dan wel negatief exploitatieresultaat komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve van de stichting.
Er zijn twee specifieke punten voor de egalisatiereserve van belang:
1. De reserve moet worden aangehouden in de vorm van vrij opneembare tegoeden bij een door De Nederlandsche Bank N.V. erkende bancaire of financiële instelling. De financiële middelen moeten direct inzetbaar zijn en mogen dus niet meerjarig vastzitten in bijvoorbeeld obligaties. De reserve moet immers gebruikt kunnen worden voor het afwikkelen van verplichtingen die samenhangen met wisselingen in omvang van de fractieondersteuning; en
2. de hoogte van de egalisatiereserve blijft gemaximeerd op 75 procent van het jaarlijkse basisbedrag als bedoeld in artikel 3. De egalisatiereserve maakt het voor stichtingen mogelijk om lopende verplichtingen, ook bij forse krimp in het zetelaantal van de bijbehorende fractie, zorgvuldig af te ronden. Indien uit de verantwoording van de stichting blijkt dat de egalisatiereserve van een stichting meer dan voornoemd maximaal bedrag bedraagt dient de stichting het verschil aan de Eerste Kamer terug te betalen.
Artikel 7. Gevolgen van verkiezingen
In de thans geldende Regeling is evenals in de Tweede Kamer gekozen voor een gedifferentieerde ingangsdatum voor de aanpassing van de omvang van de bijdrage. Dat is ook in deze Regeling niet gewijzigd. Wel is de bepaling aangevuld met hoe om te gaan met vermogensbestanddelen van stichtingen, een en ander in lijn met hetgeen de Tweede Kamer hierover heeft geregeld.
De logica van differentiëren is gelegen in het feit dat de in dit artikel genoemde wijzigingen in zeteltal ná de verkiezingen fundamenteel van elkaar verschillen. Het ligt voor de hand fracties waarvan het zeteltal als gevolg van de verkiezingen vermindert langer de oorspronkelijke bijdrage te verlenen dan fracties die geheel uit de Kamer verdwijnen. Het is immers moeilijk uit te leggen dat wanneer een fractie geheel verdwijnt, deze toch nog lange(re) tijd uit publieke middelen een bijdrage ontvangt. Bij verlaging van het zeteltal is het daarentegen redelijk om een fractie enige tijd te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen, bijvoorbeeld omdat sprake kan zijn van nog lopende verplichtingen die voor de verkiezingen waren aangegaan. Om deze reden is al in 2023 ervoor gekozen bij fracties die verdwijnen uit de Kamer de bijdrage te laten vervallen op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de eerste vergadering van de nieuwgekozen Kamer en bij een fractie waarvan het zeteltal is verminderd de wijziging te laten ingaan op de eerste dag van de vierde maand na de eerste vergadering van de nieuwe gekozen Kamer.
Komt een fractie nieuw binnen als gevolg van Kamerverkiezingen dan is het redelijk onmiddellijk vanaf de datum van de verkiezing een bijdrage toe te kennen om haar werkzaamheden – die immers feitelijk reeds vóór de eerste vergaderdag aanvangen – te ondersteunen.
Het is denkbaar dat een fractie als gevolg van verkiezingen formeel uit de Kamer verdwijnt, maar materieel doorgaat in de nieuwe Kamer. Voorbeelden zijn de situatie dat een politieke partij onder een andere naam aan verkiezingen deelneemt, dat twee partijen met een gezamenlijke lijst deelnemen of dat een na een fractiesplitsing opgerichte politieke partij bij de verkiezingen zetels behaalt. Daarom bepaalt artikel 7 dat indien een fractie als gevolg van verkiezingen nieuw in de Kamer komt, maar naar objectieve maatstaven beschouwd moet worden als een voortzetting van een fractie tijdens de vorige zitting, bij vermindering of toeneming van het zeteltal het tweede lid van toepassing is op deze fractie. Het derde lid is niet van toepassing. De fractie wordt dus beschouwd als ware zij in de vorige zitting ook al in de Kamer vertegenwoordigd met een bepaald zeteltal.
Bij twijfel besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Artikel 8. Gevolgen van splitsing
Bij een splitsing binnen een fractie wordt het basisbedrag tussen de betrokken fracties verdeeld naar rato van aantal Kamerzetels en het moment van afsplitsing. Hierbij kan naar boven en naar beneden worden afgerond tot hele bedragen (geen cijfers achter de komma). Dit is in de thans geldende Regeling financiële ondersteuning fracties reeds het geval en artikel 8 lid 1 van voorliggende Regeling brengt hierin geen wijziging aan.
In aanvulling hierop is in lid 2 overeenkomstig de regeling in de Tweede Kamer een bepaling opgenomen over de gevolgen voor de vermogensbestanddelen van de stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie. Net als de regeling voor de Tweede Kamer, geldt dat bij een splitsing alle vermogensbestanddelen (zoals liquide middelen, egalisatiereserve, schulden, etc.) van de stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie naar evenredigheid van het zeteltal van elk van de nieuwgevormde fracties in verhouding tot het zeteltal van de oorspronkelijke fractie te worden verdeeld (voor zover in redelijkheid mogelijk). Om tot een gelijke boedelverdeling (gelijke verdeling van de vermogensbestanddelen) te kunnen komen, dient het bestuur van de stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie een tussentijdse vermogensopstelling op te stellen. Het bestuur dient de tussentijdse vermogensopstelling op te stellen, als ware er sprake van een vereffening van de stichting. Dit betekent dat het bestuur overeenkomstig de bepalingen omtrent liquidatie (i.e. ontbinding en vereffening) uit de wet- en regelgeving en de statuten van de stichting een tussentijdse vermogensopstelling opstelt. De tussentijdse vermogensopstelling dient te worden opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde verantwoording van de stichting zijn toegepast, tenzij het bestuur van de stichting daarvan gemotiveerd kan afwijken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. De stichting behorende bij de oorspronkelijke fractie dient vervolgens het aldus berekende, evenredige deel van de vermogensbestanddelen over te dragen aan de stichting(en) behorende bij de nieuwgevormde fracties.
De aanspraak op de herziene bijdrage ontstaat vanaf het moment dat de splitsing een feit is. Het is dus van belang dat de betrokken fracties hierover duidelijk richting de Voorzitter en de griffie communiceren.
Tot slot wordt vermeld dat in artikel 15 een bepaling is opgenomen voor onvoorziene gevallen alsook de mogelijkheid voor College van Voorzitter en Ondervoorzitters om tijdelijke maatregelen te treffen die afwijken van de artikelen 8 tot en met 10, om de voldoening mogelijk te maken van verplichtingen die tegenover de medewerkers van een oorspronkelijke fractie bestaan bij een splitsing, fusie of houden te bestaan.
Artikel 9. Gevolgen van fusie
Op grond van artikel 21, tweede lid, van het Reglement van Orde, dient de Kamer de gevolgen te bepalen van een samenvoeging (fusie) van fracties. In de thans geldende Regeling voorziet artikel 6 hierin. De fusiefractie heeft aanspraak op één basisbedrag. Artikel 9 lid 1 van voorliggende Regeling brengt hierin geen wijziging aan.
In aanvulling hierop is in lid 2 overeenkomstig de regeling in de Tweede Kamer een bepaling opgenomen over de gevolgen voor de vermogensbestanddelen van de stichtingen behorende bij de samen te voegen fracties. Als er sprake is van een fusie worden alle vermogensbestanddelen (zoals liquide middelen, egalisatiereserve, schulden, etc.) van de stichtingen behorende bij de oorspronkelijke fracties en/of groepen, voor zover in redelijkheid mogelijk, samengevoegd. Om tot een samenvoeging van de vermogensbestanddelen te kunnen komen, dient het bestuur van de betreffende stichtingen een tussentijdse vermogensopstelling op te stellen, als ware er sprake van een vereffening van de stichting. Dit betekent dat het bestuur overeenkomstig de bepalingen omtrent liquidatie (i.e. ontbinding en vereffening) uit de wet- en regelgeving en de statuten van de stichting een tussentijdse vermogensopstelling opstelt. De tussentijdse vermogensopstelling dient o.a. ter bescherming van de betrokken stichtingen, bijvoorbeeld ingeval één der stichtingen een negatief vermogen (i.e. meer lasten dan baten) heeft en de andere stichting(en) na samenvoeging daarmee belast (kunnen) worden c.q. daarvoor aansprakelijk (kunnen) worden gehouden. De tussentijdse vermogensopstelling dient te worden opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde verantwoording van de stichting zijn toegepast, tenzij het bestuur van de stichting daarvan gemotiveerd kan afwijken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. De stichtingen behorende bij de oorspronkelijke fracties en/of groepen dienen vervolgens het aldus berekende, evenredige deel van de vermogensbestanddelen over te dragen aan de stichting behorende bij de samengevoegde fractie of groep.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de aanspraak op de herziene bijdrage net als in de thans geldende Regeling ontstaat vanaf het moment dat de fusie ingaat. Het is dus van belang dat de betrokken fracties hierover duidelijk richting de Voorzitter en de griffie communiceren.
Tot slot wordt vermeld dat in artikel 15 een bepaling is opgenomen voor onvoorziene gevallen alsook de mogelijkheid voor College van Voorzitter en Ondervoorzitters om tijdelijke maatregelen te treffen die afwijken van de artikelen 8 tot en met 10, om de voldoening mogelijk te maken van verplichtingen die tegenover de medewerkers van een oorspronkelijke fractie bestaan bij een splitsing, fusie of houden te bestaan.
Artikel 10. Gevolgen van ophouden te bestaan10
In de Regeling is een separaat artikel gewijd aan de (financiële) gevolgen voor een fractie of stichting in het geval een fractie ophoudt te bestaan (o.a. als gevolg van verkiezingen). Dit artikel bepaalt dat indien een fractie ophoudt te bestaan, de bijdrage aan de fractie of bijbehorende stichting vervalt op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de aanvang van het ophouden te bestaan. Bij twijfel over het moment van ophouden te bestaan besluit het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (vierde lid).
Artikel 10, tweede lid, van de Regeling bevat een bepaling voor de afwikkeling van de bestaande vermogensbestanddelen van de stichting behorende bij de fractie die is opgehouden te bestaan. Een dergelijke stichting dient alle bestaande vermogensbestanddelen, overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving en statuten van de stichting, te gebruiken voor de afwikkeling van de lopende verplichtingen van de stichting. In de (model)statuten van de stichting is bepaald hoe een eventueel financieel overschot (surplus) dient te worden aangewend.
Artikel 10, derde lid, van de Regeling bevat voor het bestuur van de stichting de verplichting om de stichting binnen één jaar nadat de bijbehorende fractie is opgehouden te bestaan, te hebben ontbonden en vereffend (indien nodig). Het bestuur van de stichting dient onverwijld nadat de ontbinding c.q. vereffening van de stichting is voltooid (i) de stichting uit te (laten) schrijven bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel (de KvK) en (ii) het College van Voorzitter en Ondervoorzitters een bewijs van uitschrijving uit het handelsregister van de KvK toe te (laten) sturen. Een bewijs van uitschrijving kan bijvoorbeeld de KvK-bevestiging van de uitschrijving, of een KvK-uittreksel waaruit de uitschrijving blijkt, zijn.
Tot slot wordt vermeld dat in artikel 15 een bepaling is opgenomen voor onvoorziene gevallen alsook de mogelijkheid voor College van Voorzitter en Ondervoorzitters om tijdelijke maatregelen te treffen die afwijken van de artikelen 8 tot en met 10, om de voldoening mogelijk te maken van verplichtingen die tegenover de medewerkers van een oorspronkelijke fractie bestaan bij een splitsing, fusie of houden te bestaan.
Artikel 11. Indienen verantwoording
In de thans geldende Regeling is in artikel 9 bepaald dat iedere fractie ieder kalenderjaar voor 1 april een bestedingsspecificatie in bij de Griffier moet indienen over het voorgaande kalenderjaar. Dat onderdeel wordt met ingang van 1 januari 2027 vervangen door het indienen van goedkeurende accountantsverklaring. Tot die tijd dienen de fracties overeenkomstig de thans geldende Regeling bij wijze van overgangssituatie een bestedingsspecificatie in.
Er is een verantwoordingsmodel opgesteld waarin de onderwerpen worden genoemd die minimaal moeten worden benoemd in de verantwoording. Dit verantwoordingsmodel maakt als bijlage onderdeel uit van de Regeling en overgenomen van de financiële Regeling uit de Tweede Kamer. Het staat (het bestuur van een stichting behorende bij) de fractie vrij om aanvullende gegevens in de verantwoording op te nemen.
De fractie dan wel het bestuur van bij de fractie behorende stichting dient jaarlijks voor 1 juli (voorheen: 1 april)11 de door het bestuur ondertekende verantwoording, tezamen met de goedkeurende controleverklaring, bij de Griffier in. Deze verantwoording dient overeenkomstig het verantwoordingsmodel en de statuten van de stichting te zijn opgesteld en overeenkomstig het controleprotocol door een accountant te zijn onderzocht. Het bestuur van de stichting dient het controleprotocol en verantwoordingsmodel aan de accountant ter beschikking te stellen. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dient jaarlijks voor 1 november de definitieve bijdrage over het voorgaande jaar vast te stellen en de verantwoording van de stichting goed te keuren (artikel 12 van de Regeling). Vervolgens biedt het College van Voorzitter en Ondervoorzitters de ingediende verantwoording (inclusief goedkeurende controleverklaringen) van de stichtingen aan de Eerste Kamer aan (zie artikel 13 van de Regeling). Op dat moment wordt de verantwoording openbaar.
Als gezegd (zie toelichting bij artikel 2) is anders dan in de Tweede Kamer, bewust gekozen het oprichten van een stichting niet verplicht te stellen. Bij de financiële verantwoording is uit oogpunt van vereenvoudiging en professionalisering gekozen hierbij geen onderscheid te maken tussen fracties met of zonder stichting.
Hieronder volgt een overzicht van de handelingen, verantwoordelijke partij en bijbehoren termijnen betreffende de verantwoording:
|
Handeling (verantwoordelijke partij) |
Termijn |
Referentie |
|---|---|---|
|
Opmaken verantwoording (door bestuur van stichting of van fractie) |
Uiterlijk zes maanden na afloop boekjaar |
Artikel 10.3 van de Modelstatuten |
|
Indienen verantwoording (door bestuur van stichting of fractie bij CVO) |
Uiterlijk 1 juli van elk kalenderjaar |
Artikel 11 van de Regeling |
|
Vaststellen definitieve bijdrage (door CVO) |
Uiterlijk 1 november van elk kalenderjaar |
Artikel 12 van de Regeling |
|
Goedkeuren verantwoording (door CVO) |
Uiterlijk 1 november van elk kalenderjaar |
Artikel 12 van de Regeling |
|
Openbaarmaking verantwoording (d.m.v. toezending door CVO aan de Eerste Kamer) |
Zo spoedig mogelijk na bovenstaande handelingen |
Artikel 13 van de Regeling |
Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters is bevoegd tot wijziging van het controleprotocol en verantwoordingsmodel. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dient de Eerste Kamer van iedere wijziging van het controleprotocol of verantwoordingsmodel te informeren. Artikel 12, derde lid, van de Regeling regelt de onderlinge afstemming tussen de door het bestuur van de stichting aangewezen accountant en de Auditdienst Rijk. De kosten die de accountant voor deze werkzaamheden in rekening brengt, worden door de stichting of de fractie betaald. De bijdrage als bedoeld in artikel 3 voorziet in een vergoeding ten behoeve van de jaarlijkse accountantscontrole (zie ook toelichting bij artikel 3).
Artikel 12. Goedkeuren verantwoording en vaststellen definitieve bijdrage
Het is het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dat, namens de Eerste Kamer, de bijdrage verstrekt en uiteindelijk verantwoordelijk is voor de definitieve vaststelling van de bijdrage. Het doet dit op basis van de verantwoording zoals opgesteld door de stichting behorende bij de fractie of de fractie en de bijgevoegde controleverklaring van de accountant. Wanneer de accountant een goedkeurende controleverklaring over de getrouwheid en de rechtmatigheid van de verantwoording conform het controleprotocol afgeeft, kan het College van Voorzitter en Ondervoorzitters overgaan tot het goedkeuren van de verantwoording en de bijdrage definitief vaststellen. Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters dient jaarlijks voor 1 november de verantwoording van de (stichting behorende bij de) fractie goed te keuren en de definitieve bijdrage over het voorgaande jaar vast te stellen.
Als de definitieve bijdrage minder bedraagt dan de voorschotbetalingen van de bijdrage, dan wordt het verschil daartussen door de stichting aan de Eerste Kamer terugbetaald. Als de definitieve bijdrage daarentegen meer bedraagt dan de voorschotbetalingen van de bijdrage, wordt het verschil daartussen door de Eerste Kamer aan de betreffende (stichting behorende bij de) fractie betaald.
Als een stichting behorende bij de fractie of de fractie kosten heeft bekostigd die niet passen binnen het doel c.q. bestemming van de bijdrage, als bedoeld in artikel 4 van de Regeling of artikel 3 van de (model)statuten van de stichting, dan worden deze kosten door de stichting aan de Eerste Kamer terugbetaald.
Artikel 13. Openbaarmaking
In de thans geldende Regeling is in artikel 11 bepaald dat uit oogpunt van transparantie over de besteding van de door de Kamer beschikbaar gestelde financiële bijdrage de bestedingsspecificaties op de website van de Eerste Kamer worden gepubliceerd. Fractie kunnen hier geen bezwaar tegen maken. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat er geen redenen zijn te bedenken waarom eventuele bezwaren gehonoreerd zouden moeten worden nu het gaat om de besteding van publiek geld, terwijl tegelijkertijd geldt dat de vastgestelde bestedingsspecificaties door eenieder op grond van de Wet open overheid (Woo) kunnen worden opgevraagd.
In de voorliggende Regeling is de bestedingsspecificatie vervangen door een verantwoording als bedoeld in artikel 11. Het principe van openbaarmaking is ongewijzigd gebleven. Het College van Voorzitter en ondervoorzitters zendt, na vaststelling van de definitieve bijdrage, de door de (stichting behorende bij de) fractie opgestelde en ondertekende verantwoording, voorzien van de goedkeurende controleverklaring, aan de Eerste Kamer. Dit kan in beginsel gezamenlijk voor alle (stichtingen behorende bij de) fracties door middel van een aanbiedingsbrief.
Artikel 14. Maatregelen bij niet-nakoming
Bij niet-nakoming van de Regeling, of een gedeelte daarvan, door een stichting behorende bij een fractie of een fractie kan het College van Voorzitter en Ondervoorzitters besluiten de bijdrage tussentijds te stoppen of (deels) terug te vorderen. Voordat het College van Voorzitter en Ondervoorzitters een maatregel aan de stichting behorende bij de fractie of de fractie oplegt, stelt het College van Voorzitter en Ondervoorzitters de fractie dan wel het bestuur van de stichting in de gelegenheid te worden gehoord (principe van hoor- en wederhoor).
Artikel 15. Onvoorziene gevallen
Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters besluit in alle gevallen waarin niet bij of krachtens de Regeling is voorzien.
Artikel 16. Uitvoering Regeling
De Griffier, of een door de Griffier daartoe gemachtigde ambtenaar van de Eerste Kamer, is namens het College van Voorzitter en Ondervoorzitters verantwoordelijk voor de uitvoering van deze Regeling. De Griffier, of de door de Griffier daartoe gemachtigde ambtenaar van de Eerste Kamer, kan – zoals dat ook nu reeds gebeurt – de voorkomende werkzaamheden opdragen aan zijn/haar medewerkers.
Artikel 17. Intrekkingsbepaling
Met inwerkingtreding van de Regeling wordt de Regeling 2023 ingetrokken, met uitzondering van het artikel over de bestedingsspecificatie.
Artikel 18. Inwerkingtreding
De Regeling treedt de dag nadat zij door de Kamer is aanvaard in werking. Artikel 6 van de Regeling werkt terug tot en met 1 januari 2025 om mogelijk te maken dat de stichtingen behorende bij de fracties vanaf dat moment een egalisatiereserve kunnen opbouwen. Omdat het niet redelijk is te verwachten dat alle fracties per direct overgaan tot het aanleveren van een goedkeurende accountantsverklaring kent artikel 11 een latere ingangsdatum. Op deze manier hebben de fracties voldoende tijd de nieuwe wijze van verantwoording goed voor te bereiden.
Artikel 19. Overgangsrecht
In het jaar 2024 hebben de meeste fracties hun bijdrage niet geheel kunnen of willen gebruiken. Voor de fracties die voor 15 juli 2026 aangeven dit bedrag alsnog te willen aanwenden, wordt bezien of in de lopende begroting hiervoor ruimte beschikbaar is. Mocht die ruimte er niet zijn dan wordt bij de najaarsnota 2026 een eenmalige claim gedaan. Op deze manier kan alsnog gebruik worden gemaakt van de niet benutte bijdrage uit 2024. Vanaf 2025 kunnen de fracties, mits georganiseerd in een stichting, een egalisatiereserve opbouwen.
Artikel 20. Citeertitel
Tot slot is de citeertitel van de Regeling in artikel 20 opgenomen.
MODELSTATUTEN
Naam en zetel
Artikel 1
1.1. De stichting draagt de naam: Stichting ter ondersteuning Eerste Kamer [fractie].
1.2. Zij heeft haar zetel in de gemeente 's-Gravenhage.
Doel
Artikel 2
2.1. De stichting heeft – met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 – ten doel:
a. het in dienst nemen van personeelsleden ter ondersteuning van de [Eerste Kamerfractie (de Fractie), zowel op het organisatorisch-, beleids- en administratief gebied. Met Eerste Kamerfractie wordt in deze statuten bedoeld een fractie als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid en Eerste lid, van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Reglement van Orde).
b. het verwerven van apparatuur die noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het functioneren van de Fractie en de onder a. genoemde personeelsleden;
c. het vaststellen van salarissen en andere arbeidsvoorwaarden voor de onder a. genoemde personeelsleden; en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
Vermogen
Artikel 3
3.1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door:
a. bijdragen van de Staat, waaronder de bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 (de Regeling), welke bijdrage is bestemd ter dekking van de personele en materiële kosten van de Fractie in een kalenderjaar, met als doel het functioneren van de Fractie te bevorderen door de Fractie in staat te stellen de daarvoor naar het redelijk oordeel van het bestuur van de stichting noodzakelijke activiteiten te ontplooien, medewerkers aan te stellen en de daarmee gemoeide kosten te laten bekostigen door de stichting;
b. hetgeen wordt verkregen door erfstellingen en legaten, met dien verstande dat erfstellingen niet anders kunnen worden aanvaard dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving;
c. andere baten, met dien verstande dat de stichting geen actieve handelingen zal verrichten dan wel activiteiten zal ontplooien die (mede) ten doel hebben haar vermogen te doen toenemen.
3.2. Het vermogen van de stichting mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:
a. kosten waarvoor de leden van de Fractie een vergoeding (kunnen) ontvangen ingevolge de Wet schadeloosstelling leden Eerste Kamer;
b. kosten waarvoor politieke partijen een vergoeding (kunnen) ontvangen ingevolge de Wet financiering politieke partijen;
c. betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen anders dan een stichting, als bedoeld in artikel 1 van de Regeling, of natuurlijke personen anders dan de bestuurders of medewerkers van de stichting, met uitzondering van betalingen ter vergoeding van diensten of goederen geleverd ten behoeve van de Fractie op basis van een gespecificeerde en marktconforme declaratie; of
d. giften, met uitzondering van giften mogelijk in het kader van de Regeling.
Bestuur: samenstelling, benoeming en defungeren
Artikel 4
4.1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie (3) natuurlijke personen. In ontstane vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
4.2. Tot bestuurder kunnen slechts worden benoemd leden van de Fractie. Het College van Voorzitter en ondervoorzitters, bedoeld in artikel 12, van het Reglement van Orde (het College van Voorzitter en ondervoorzitters), kan voor iedere afzonderlijke benoeming ontheffing verlenen van deze kwaliteitseis. Deze ontheffing wordt in elk geval verleend indien de Fractie uit minder dan drie (3) leden bestaat.
4.3. Indien het College van Voorzitter en ondervoorzitters ontheffing verleent van de kwaliteitseis, bedoeld in artikel 4.2, dan geldt dat:
a. als bestuurder van de stichting niet kunnen worden benoemd de echtgeno(o)t(e), geregistreerd partner en/of bloed- en aanverwant tot en met de vierde graad van een van de bestuurders. Onder echtgenoot wordt voor de toepassing van dit artikel 4.3 onder a. ook verstaan de ongehuwde persoon waarmee een bestuurder een notarieel samenlevingscontract is aangegaan, dan wel, met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de Basisregistratie Personen (BRP); en
b. een beoogd bestuurder, niet zijnde een lid van de Fractie, slechts benoemd kan worden indien hij/zij aan het College van Voorzitter en ondervoorzitters een verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zonder welke verklaring de beoogd bestuurder niet kan worden benoemd.
4.4. De bestuurders worden – met inachtneming van artikel 4.2 en, voor zover toepasselijk, artikel 4.3 – benoemd door het bestuur.
4.5. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan, dan wel in de plaats van de beide laatsten een secretaris-penningmeester.
4.6. Bestuurders worden benoemd voor de tijd van ten hoogste vier (4) jaren en treden af volgens een door het bestuur vast te stellen rooster van aftreden; een volgens het rooster aftredende bestuurder is onmiddellijk herbenoembaar. De in een tussentijdse vacature benoemde bestuurder neemt op het rooster van aftreden de plaats in van degene in wiens vacature hij werd benoemd.
4.7. Een bestuurder defungeert:
a. door zijn overlijden;
b. doordat hij failliet wordt verklaard, surseance van betaling aanvraagt of verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in de Faillissementswet, dan wel een daaraan gelijk te stellen wettelijke regeling naar buitenlands recht die op de betreffende bestuurder van toepassing is;
c. door zijn ondercuratelestelling of doordat hij anderszins het vrije beheer over zijn vermogen verliest;
d. door zijn vrijwillig aftreden, al dan niet volgens het in artikel 4.6 bedoelde rooster;
e. door zijn ontslag, verleend door de rechtbank in de gevallen in de wet voorzien;
f. door zijn ontslag, verleend door het bestuur om gewichtige redenen;
g. doordat hij geen lid meer is van de Fractie, anders dan doordat de Fractie ophoudt te bestaan; of
h. door het niet langer voldoen aan de in artikel 4.3 onder a. gestelde kwaliteit.
4.8. De bestuurder van wie het ontslag, bedoeld in artikel 4.7 onder f., aan de orde is, dient voor het te nemen besluit tot ontslag gehoord te worden.
4.9. Een besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 4.7 onder f. behoeft ten minste twee derden (2/3) van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het bestuur waarin ten minste twee derden (2/3) van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Is in een vergadering van het bestuur niet ten minste twee derden (2/3) van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd, dan wordt een Eerste(2e) vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee (2) en niet later dan vier (4) weken na de eerste (1e) vergadering, in welke Eerste(2e) vergadering rechtsgeldig omtrent dit ontslag kan worden besloten met een meerderheid van ten minste twee derden (2/3) van de uitgebrachte stemmen, mits in deze vergadering ten minste de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Bij de oproeping tot de Eerste(2e) vergadering moet worden vermeld dat en waarom een besluit tot dit ontslag kan worden genomen in een vergadering waarin slechts de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd behoeft te zijn. Het bepaalde in artikel 8.4, Eerste volzin, is op een besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 4.7 onder f. niet van toepassing.
4.10. In geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders, berust het bestuur tijdelijk bij de overblijvende bestuurders, met dien verstande dat indien er slechts twee (2) bestuurders in functie zijn het bestuur niet bevoegd is tot het nemen van een besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 4.7 onder f. In geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders of de enig bestuurder, berust het bestuur tijdelijk bij een of meer door het CVO – voor zover mogelijk in overleg met de Fractie – aan te wijzen personen.
4.11. Bestuurders melden nevenfuncties vooraf aan het bestuur. Minimaal jaarlijks worden de nevenfuncties in het bestuur besproken.
Bestuur: taak en bevoegdheden
Artikel 5
5.1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. De bestuurders zullen zich in hun handelen, nalaten daaronder begrepen, mede laten leiden door de van tijd tot tijd geldende Regeling.
5.2. Het bestuur is niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt en tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.
5.3. Bestuurders ontvangen voor de door hen in die hoedanigheid voor de stichting verrichte werkzaamheden geen beloning, middellijk noch onmiddellijk. Onder beloning wordt niet verstaan:
Bestuur: vertegenwoordiging
Artikel 6
6.1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting.
6.2. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede toe aan de voorzitter tezamen met de secretaris of de penningmeester dan wel, indien beide laatstbedoelde functies in één (1) persoon zijn verenigd, tezamen met de secretaris-penningmeester.
6.3. Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van volmacht aan één (1) of meer bestuurders, alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
Bestuur: vergaderingen
Artikel 7
7.1. Vergaderingen van het bestuur worden gehouden zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee (2) van de overige bestuurders een vergadering bijeenroepen, doch ten minste eenmaal per jaar.
7.2. De bijeenroeping van de vergaderingen van het bestuur geschiedt schriftelijk door de in artikel 7.1 bedoelde personen, dan wel namens deze door de secretaris van het bestuur op een termijn van ten minste zeven (7) dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.
7.3. De vergaderingen van het bestuur worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, te bepalen door degene die de vergadering bijeenriep dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan het bestuur niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige bestuurders vóór het tijdstip van de vergadering schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten.
7.4. Toegang tot de vergaderingen van het bestuur hebben de bestuurders en degenen die daartoe door het bestuur zijn uitgenodigd.
7.5. Een bestuurder is bevoegd zich ter vergadering te doen vertegenwoordigen door een medebestuurder. De volmacht hiertoe dient schriftelijk te zijn verleend. Aan de eis van schriftelijkheid van de volmacht wordt voldaan indien de volmacht elektronisch is vastgelegd. De volmacht tot vertegenwoordiging werkt niet privatief. Een bestuurder kan slechts één (1) medebestuurder ter vergadering vertegenwoordigen.
7.6. Vergaderingen kunnen voorts op afstand worden gehouden met toepassing van elektronische communicatiemiddelen waaronder begrepen een conference call of een videoconferentie, mits iedere bestuurder via het elektronisch communicatiemiddel kan worden geïdentificeerd, rechtstreeks kan kennisnemen van de verhandelingen ter vergadering en kan deelnemen aan de beraadslaging.
7.7. De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur. Bij zijn afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding; tot dat ogenblik wordt het voorzitterschap waargenomen door de ter vergadering aanwezige bestuurder die het langst als zodanig fungeert.
Bestuur: besluitvorming
Artikel 8
8.1. De voorzitter van de vergadering bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergadering worden gehouden, met dien verstande dat op verzoek van een of meer bestuurders stemmingen over personen schriftelijk geschieden.
8.2. Voor zover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden alle besluiten van het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
8.3. Iedere bestuurder is bevoegd tot het uitbrengen van één (1) stem. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. Bij staking van stemmen over zaken is het voorstel verworpen. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist het lot. Indien bij verkiezing tussen meer dan twee (2) personen door niemand van hen een volstrekte meerderheid is verkregen, wordt herstemd tussen de twee (2) personen die het grootste aantal stemmen kregen, zo nodig na tussenstemming.
8.4. Tenzij in deze statuten anders wordt bepaald, kan het bestuur slechts geldige besluiten nemen in een vergadering waarin ten minste de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Is in een vergadering minder dan de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd, dan wordt een Eerste(2e) vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee (2) en niet later dan vier (4) weken na de eerste (1e) vergadering, in welke Eerste(2e) vergadering ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders rechtsgeldig kan worden besloten omtrent de onderwerpen welke in de eerste (1e) vergadering op de agenda waren geplaatst doch waarover in die vergadering bij ontbreken van het quorum niet kon worden besloten. Bij de oproeping tot de Eerste(2e) vergadering moet worden vermeld dat en waarom een besluit kan worden genomen onafhankelijk van het aantal ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders.
8.5. Het door de voorzitter van de vergadering ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van een stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid van de vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.
8.6. Van het verhandelde in de vergaderingen van het bestuur worden door de secretaris of door de daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen persoon notulen gehouden. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en worden ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist van die vergadering ondertekend.
8.7. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in vergadering besluiten nemen, mits alle bestuurders in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en zij allen schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen deze wijze van besluitvorming te verzetten. Een besluit is alsdan genomen zodra de vereiste meerderheid van alle bestuurders zich schriftelijk vóór het voorstel heeft verklaard. Van een buiten vergadering genomen besluit wordt door de secretaris van het bestuur een relaas opgemaakt, dat in de eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de notulist van die vergadering wordt ondertekend. Het aldus vastgestelde relaas wordt tezamen met de in de eerste zin van artikel 8.7 bedoelde stukken bij de notulen gevoegd.
8.8. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. Deze bestuurder wordt niet meegerekend bij de bepaling van het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders met betrekking tot het desbetreffende bestuursbesluit.
8.9. Wanneer op grond van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 8.8 geen enkele bestuurder aan de beraadslaging en besluitvorming kan deelnemen, wordt het besluit alsnog genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. In dat geval is de tweede volzin van artikel 8.8 niet van toepassing.
Egalisatiereserve: Uitkeringenregister
Artikel 9
9.1. Het bestuur is verplicht een egalisatiereserve te vormen met inachtneming van het bepaalde in de Regeling.
9.2. Een uit de balans en de staat van baten en lasten van de stichting blijkend positief dan wel negatief exploitatieresultaat komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.
9.3. De eventueel van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. Eventueel verschuldigde rente wordt ten laste van de egalisatiereserve gebracht.
9.4. De egalisatiereserve mag niet het bedrag overschrijden zoals opgenomen in de Regeling. Bij een overschrijding als bedoeld in de vorige volzin, is de stichting het verschil verschuldigd aan de Staat.
9.5. De egalisatiereserve wordt aangehouden bij een te goeder naam en faam bekendstaande bancaire of financiële instelling met een vergunning van De Nederlandsche Bank N.V. en dient vrij opneembaar te zijn.
9.6. Het bestuur houdt een register bij waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent (25%) van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan.
Boekjaar en jaarstukken
Artikel 10
10.1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.
10.2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend.
10.3. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes (6) maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de stichting, inclusief de toelichting daarop, te maken en op papier te stellen. Het bestuur zal, alvorens tot de vaststelling van de balans en de staat van baten en lasten over te gaan, deze stukken, inclusief de toelichting daarop, doen onderzoeken door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent in de zin van artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die is aangewezen door het bestuur. Deze deskundige brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit aan het bestuur en geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een controleverklaring. De balans en de staat van baten en lasten, inclusief de toelichting daarop, en de controleverklaring voldoen in elk geval aan het hieromtrent bepaalde in de Regeling. Bij de aanstelling van voormelde registeraccountant of accountant-administratieconsulent door het bestuur bedingt het bestuur dat de accountant aan de Auditdienst Rijk, bedoeld in artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016, alle informatie verschaft die hij verlangt en voor de uitoefening van zijn controlewerkzaamheden nodig acht.
10.4. Na vaststelling van de balans en de staat van baten en lasten door het bestuur worden deze stukken, inclusief de toelichting daarop, door het bestuur, vergezeld van het verslag van de accountant en de controleverklaring, toegezonden aan het CVO.
10.5. Het bestuur is verplicht de in de voorgaande leden bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven (7) jaar te bewaren.
Reglementen
Artikel 11
11.1. Het bestuur is bevoegd reglementen, waarin nadere regels worden gegeven over het functioneren van de stichting en haar bestuur, vast te stellen, te wijzigen of op te heffen.
11.2. Op de vaststelling, wijziging en opheffing van reglementen is het bepaalde in artikel 12.2 en artikel 12.3, van overeenkomstige toepassing.
Statutenwijziging
Artikel 12
12.1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Fractie en van het College van Voorzitter en ondervoorzitters.
12.2. Een besluit van het bestuur tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van twee derden (2/3) van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het bestuur waarin ten minste twee derden (2/3) van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Is in een vergadering van het bestuur waarin een besluit tot statutenwijziging aan de orde is voormeld quorum niet aanwezig, dan wordt een tweede (2e) vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee (2) en niet later dan vier (4) weken na de eerste (1e) vergadering, in welke tweede (2e) vergadering rechtsgeldig kan worden besloten met een meerderheid van twee derden (2/3) van de uitgebrachte stemmen, mits in deze vergadering ten minste de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Bij de oproeping tot de tweede (2e) vergadering moet worden vermeld dat en waarom een besluit tot statutenwijziging kan worden genomen in een vergadering waarin slechts de helft van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd behoeft te zijn. Het bepaalde in artikel 8.4,tweede volzin, is op een besluit tot statutenwijziging niet van toepassing.
12.3. Bij de oproeping tot de vergadering waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks steeds te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee (2) weken.
12.4. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Iedere bestuurder is bevoegd deze akte te doen verlijden.
12.5. De bestuurders zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het handelsregister.
Ontbinding en vereffening
Artikel 13
13.1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in geval de Fractie ophoudt te bestaan ook het College van Voorzitter en ondervoorzitters bevoegd is tot ontbinding van de stichting te besluiten, in welk geval – in afwijking van artikel 13.3 – het College van Voorzitter en ondervoorzitters de vereffenaars van het vermogen van de stichting benoemt.
13.2. Op het besluit van het bestuur tot ontbinding is het bepaalde in artikel 12.1, artikel 12.2 en artikel 12.3, eerste volzin en derde volzin, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de goedkeuring van de Fractie niet is vereist indien deze heeft opgehouden te bestaan.
13.3. Voor zover de rechter geen andere vereffenaars heeft benoemd, worden de bestuurders vereffenaars van het vermogen van de ontbonden stichting.
13.4. De vereffenaars doen aan het handelsregister opgaaf van de ontbinding alsmede van hun optreden als zodanig en van de gegevens over henzelf die van een bestuurder worden verlangd.
13.5. Het overschot na vereffening komt toe aan de Staat. In het besluit tot ontbinding wordt tevens aangewezen een bewaarder voor de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting.
13.6. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden «in liquidatie».
13.7. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende zeven (7) jaren nadat de stichting heeft opgehouden te bestaan onder berusting van de in het ontbindingsbesluit aangewezen bewaarder.
Slotbepaling
Artikel 14
14.1. Voor de eerste maal wordt het bestuur bij deze akte benoemd.
14.2. Het eerste boekjaar van de stichting eindigt op **.
[Dit artikel 14 opnemen bij oprichting van de stichting. Als eerste boekjaar een kort boekjaar opnemen.]
EINDE STATUTEN
Controleprotocol
Regeling financiële ondersteuning fracties. Eerste Kamer 2026 (de Regeling)
Hoofdstuk 1 Uitgangspunten
De Regeling is met ingang van xx 2026 in werking getreden. De Regeling is van toepassing vanaf het verantwoordingsjaar 2026.
Bij het opstellen van dit controleprotocol is rekening gehouden met de schrijfwijzer accountantsprotocollen, opgesteld door de werkgroep Controleprotocollen (de COPRO) van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. De COPRO bestaat uit vertegenwoordigers van openbare accountantskantoren en de Auditdienst Rijk.
Doelstelling
De doelstelling van de Regeling is dat de stichting (Ontvanger) een bijdrage (i.e. financiële middelen) ontvangt van de Eerste Kamer (Verstrekker) ter dekking van kosten of uitgaven van personele en materiële aard, met als doel het functioneren van de bij de stichting behorende fractie te bevorderen.
Het bestuur van een stichting dient voor 1 juli van elk kalenderjaar bij het College van Voorzitter en ondervoorzitters (i.e. de Stafdienst Financieel-Economische Zaken van de Eerste Kamer) een door het bestuur van de stichting ondertekende verantwoording in. De bij het College van Voorzitter en ondervoorzitters in te dienen verantwoording van de stichting dient (i) overeenkomstig het verantwoordingsmodel en de statuten van de betreffende stichting te zijn opgesteld, (ii) overeenkomstig dit controleprotocol door de accountant te zijn onderzocht en (iii) van een controleverklaring te zijn voorzien.12 Het bestuur van de stichting dient dit controleprotocol en het verantwoordingsmodel aan de accountant ter beschikking te stellen13. Het College van Voorzitter en ondervoorzitters dient vervolgens voor 1 november van elk kalenderjaar de definitieve bijdrage van een stichting over het voorgaande jaar vast te stellen en de door het bestuur van de stichting ingediende verantwoording goed te keuren.14
De doelstelling van de controleverklaring van de accountant is het verschaffen van zekerheid bij de verantwoording dat de verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten is opgesteld in overeenstemming met de Regeling, waaronder begrepen het in hoofdstuk 2 van het controleprotocol opgenomen referentiekader,15 op basis waarvan het College van Voorzitter en ondervoorzitters de bijdrage definitief kan vaststellen.
Definities
Tenzij anders in dit controleprotocol is bepaald, hebben termen, woorden en uitdrukkingen die in dit controleprotocol worden gebruikt, de betekenis die daaraan wordt gegeven in artikel 1 van de Regeling (Definities). Hieronder wordt in aanvulling op de definities uit de Regeling voor een aantal begrippen een definitie gegeven.
1. Verstrekker; de Eerste Kamer, als gedefinieerd in artikel 1 van de Regeling.
2. Ontvanger; De stichting, als gedefinieerd in artikel 1 van de Regeling.
Procedure
Het proces van het opstellen van de verantwoording tot het aanbieden daarvan aan het CVO
1. het bestuur van de stichting maakt jaarlijks voor 1 juli van elk kalenderjaar een verantwoording, overeenkomstig het verantwoordingsmodel en de statuten van de betreffende stichting, op over het voorgaande kalender- (tevens boek-)jaar;16
2. de accountant controleert de door het bestuur opgemaakte verantwoording, in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), de Nederlandse controlestandaarden (in het bijzonder Standaard 805) en dit controleprotocol, en stelt een controleverklaring op;17
3. het bestuur van de stichting of de fractie dient, voor 1 juli van elk kalenderjaar, de verantwoording in bij hetde Stafdienst Financieel-Economische Zaken van de Eerste Kamer. Deze verantwoording dient (i) door alle bestuursleden van de stichting te zijn ondertekend, (ii) overeenkomstig het verantwoordingsmodel en de statuten van de betreffende stichting te zijn opgesteld, (iii) overeenkomstig het controleprotocol door de accountant zijn onderzocht en (iv) van een controleverklaring te zijn voorzien;18
4. het CVO dient, op basis van de door het bestuur van de stichting of fractie ingediende verantwoording, de controleverklaring en het advies van de Directeur Organisatie van de Eerste Kamer, voor 1 november van elk kalenderjaar de verantwoording goed te keuren en de definitieve bijdrage aan de stichting vast te stellen;19
5. het CVO zendt, na vaststelling van de definitieve bijdrage, de door het bestuur van de stichting of de fractie opgestelde en ondertekende verantwoording, voorzien van de goedkeurende controleverklaring, aan de Eerste Kamer.20Hierdoor worden deze stukken openbaar.21
Communicatie en contactpersonen
De Griffier is namens het College van Voorzitter en ondervoorzitters verantwoordelijk voor de uitvoering van de Regeling. 22 In materiële zin is de Directie Organisatie, belast met de uitvoering van de Regeling. Dat betekent dat informatie over de Regeling, het normenkader, de procedure, het aanleveren van documenten (verantwoording en controleverklaring), et cetera is in te winnen bij;
de Directie Organisatie, bij Business Controller, via het volgende mailadres: control@eerstekamer.nl
Hoofdstuk 2 Aanpak onderzoek
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal aandachtspunten bij de controle, de relevante wet- en regelgeving, de toleranties en foutdefinities die voor het onderzoek van de accountant gelden.
Controleaanpak
De accountant voert zijn controlewerkzaamheden uit in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden (in het bijzonder Standaard 805) en dit accountantsprotocol. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het plannen en uitvoeren van voldoende controlewerkzaamheden ter verkrijging van voldoende en geschikte controle-informatie ter onderbouwing van zijn oordeel over de verantwoording; Eerste Kamer geeft in dit controleprotocol alleen een aantal aandachtspunten mee voor de controle. De bijdrage die de stichting ontvangt heeft als doel het functioneren van de bij de stichting behorende fractie of groep te bevorderen en dient ter dekking van personele en materiële kosten of uitgaven conform de bestemming, bedoeld in artikel 4 van de Regeling en artikel 3 van de modelstatuten. Voor een nadere uitleg over het begrip «het functioneren van de fractie of groep te bevorderen» en het normenkader, wordt verwezen naar de toelichting bij de Regeling.
In dat kader gaat de aandacht uit naar;
• kosten die geen relatie hebben met het functioneren van de bij de stichting behorende fractie of groep;
• schuiven van personeel tussen fractie/groep en politieke partij (arbeids-, detacherings- of inhuurovereenkomst moet aanwezig zijn);
• gezamenlijke kosten of uitgaven tussen fractie/groep en partij voornamelijk bij informatieverstrekking (website, partijblad, et cetera). Duidelijk dient te zijn dat de opgevoerde kosten of uitgaven redelijk en billijk zijn ten aanzien van het totaal en de rol als fractie of groep daarin;
• de voorschriften gericht op het beheer en aanwenden van de egalisatiereserve;
• het normenkader opgenomen in de toelichting bij de Regeling;
• het in acht nemen van algemeen aanvaarde normen die in het maatschappelijk verkeer gelden (representatie, Balkenendenorm, et cetera).
Referentiekader
De relevante wet- en regelgeving is:
• Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
• Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026(inclusief dit bijbehorende controleprotocol, het verantwoordingsmodel, de modelstatuten en de toelichting op de Regeling);
• Wet schadeloosstelling leden Eerste Kamer;
• Wet financiering politieke partijen;
• Algemene wet bestuursrecht;
• Comptabiliteitswet;
• Burgerlijk Wetboek (o.a. Titel 6 van Boek 2 BW inzake Stichtingen);
• Aanbestedingswet (*);
• Alle wet- en regelgeving die van toepassing is op het werkgeverschap.
(*) Een stichting die voor meer dan 50% van de totale beschikbare middelen wordt gesubsidieerd door een aanbestedende dienst, wordt zelf ook een aanbestedende dienst (Aanbestedingswet 2012 – artikel 8 lid 2).
De accountant stelt vast dat:
• Kosten van de stichting zijn gemaakt in overeenstemming met artikel 4 van de Regeling en de statuten van de betreffende stichting;23
• Kosten van de stichting zijn besteed conform het doel van de Regeling, zijnde het functioneren van de bijbehorende fractie of groep te bevorderen;24
• In de verantwoording geen onkostenvergoedingen, beloningen of andere bijdragen aan individuele leden van de fractie of groep zijn opgenomen (samenloop met wet schadeloosstelling leden Eerste Kamer) (voorbeeld: reiskosten van leden van fracties en);25
• In de verantwoording geen kosten/ bijdragen aan politieke partijen of aan activiteiten van politieke partijen opgenomen (voorbeeld: verkiezingscampagnes mogen niet bekostigd worden uit de bijdrage van de stichting);26
• De accountant stelt vast dat de bijdrage niet besteed is aan:27
○ betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen anders dan een stichting, of natuurlijke personen anders dan de bestuurders of medewerkers van een stichting, met uitzondering van betalingen ter vergoeding van diensten of goederen geleverd ten behoeve van de fractie of groep op basis van een gespecificeerde en marktconforme declaratie; of
○ giften, met uitzondering van giften mogelijk in het kader van de Regeling (bijvoorbeeld als gevolg van een afscheiding, deling, samenvoeging, splitsing, of ophouden te bestaan van de bij de stichting behorende fractie of groep).
• De accountant stelt vast dat de bepalingen inzake de egalisatiereserve zijn nageleefd: 28
○ de reserve wordt aangehouden in de vorm van vrij opneembare tegoeden bij een door De Nederlandsche Bank N.V. erkende bancaire of financiële instelling. De financiële middelen moeten direct inzetbaar zijn en mogen dus niet meerjarig vastzitten in bijvoorbeeld obligaties; en
○ de hoogte van de egalisatiereserve lager of gelijk is aan 75% van het jaarlijkse basisbedrag van een fractie;
• De accountant stelt vast dat ingeval sprake is van een aanbestedende dienst, de bepalingen van de aanbestedingswet 2012 zijn nageleefd;
• Bepalingen ingeval van splitsing, samenvoeging, afscheiding, op houden te bestaan als gevolg van verkiezingen, zijn nageleefd;29
• De accountant stelt de juistheid en volledigheid vast van de in de verantwoording opgenomen giften;
• De accountant stelt de juistheid en volledigheid vast van de in de verantwoording opgenomen schulden per balansdatum van het verantwoordingsjaar.
Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De controle behoort zodanig te worden ingepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen afwijkingen (fouten) van materieel belang bevat. Indien laatstgenoemd begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95%.
Een goedkeurende controleverklaring impliceert dat, gegeven de eerdergenoemde betrouwbaarheid, in de verantwoording geen afwijkingen (fouten) en in de controle geen onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Het referentiekader is opgenomen in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol.
Het totaalbedrag van de kosten van de stichting volgens de verantwoording over het betreffende kalenderjaar, vormt de omvangsbasis waarop de toleranties van onderstaande tabel moeten worden toegepast. Voor de strekking van de controleverklaring gelden de volgende toleranties:
|
Materialiteitstabel |
Controleverklaring |
||
|---|---|---|---|
|
Goedkeurende controleverklaring |
Verklaring met beperking |
Oordeelonthouding/Afkeurende controleverklaring |
|
|
Fouten in het financieel verslag en onzekerheden in de controle |
≤ 2% |
> 2% en ≤ 4% |
> 4% |
Indien de accountant zowel fouten in de verantwoording als onzekerheden in de controle aantreft, dan weegt hij deze bij zijn oordeelsvorming altijd in onderlinge samenhang.
• Van fouten in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van de uitgevoerde controle is gebleken dat de verantwoording onjuistheden bevat omdat deze niet voldoen aan de normen van het in de Regeling bedoelde referentiekader. Fouten worden in absolute zin opgevat. Salderen van fouten is daarom niet toegestaan.
• Van een onzekerheid in de controle is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om posten in de verantwoording als goed of fout aan te merken. Kortom, als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de normen van het referentiekader.
Omgaan met geconstateerde fouten
Voor fouten die worden geconstateerd tijdens de controle geldt dat deze, voor zover dat mogelijk is, worden gecorrigeerd.
Hoofdstuk 3 Controleverklaring
Conform de bepalingen in de Regeling en de basisgedachte die ten grondslag ligt aan het anders inrichten van de controle, verwacht het CVO een controleverklaring die voldoet aan de standaard NV COS 805. Hiertoe is een model van de controleverklaring opgesteld, die als bijlage bij dit controleprotocol is gevoegd.
Zoals bij de doelstelling van dit controleprotocol in hoofdstuk 1 is aangegeven, omvat de controleverklaring niet alleen een oordeel of de verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten is opgesteld in overeenstemming met de Regeling, maar ook een oordeel over (i) de rechtmatige besteding door de stichting van de ontvangen bijdrage, (ii) de juistheid van de stand van de egalisatiereserve van de stichting en (iii) de volledigheid van zowel schulden van EUR 25.000 of meer (berekend per crediteur) als van giften van EUR 4.500 of meer (berekend per schenker/gever). Deze zaken worden expliciet benoemd in de controleverklaring, opdat het oordeel van de accountant helder is.
Hoofdstuk 4 Beheer en Vaststellen controleprotocol
Dit controleprotocol is opgesteld door de Directie Organisatie en vastgesteld door de Eerste Kamer.
Het controleprotocol geldt sinds de controle van de verantwoording over boekjaar 2027. Het CVO is bevoegd tot wijziging van dit controleprotocol (en het verantwoordingsmodel).30 Het CVO deelt iedere wijziging van dit controleprotocol (of verantwoordingsmodel mee) aan de Eerste Kamer.
Model controleverklaring bij de verantwoording van de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer
Aan het bestuur van
Stichting <naam>
CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT
Ons oordeel
Wij hebben de bijgevoegde verantwoording over boekjaar 202[*] van Stichting <naam> (hierna: de Stichting) te Den Haag (hierna: de verantwoording) in het kader van de Regeling financiële ondersteuning fracties. Eerste Kamer 2023 (hierna: de Regeling) gecontroleerd.
Naar ons oordeel31:
• is de verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten opgesteld in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving zoals opgenomen in het referentiekader zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van het controleprotocol, bedoeld in bijlage 2 bij de Regeling (hierna: het controleprotocol); en
• zijn de in de verantwoording verantwoorde baten en lasten over boekjaar 202[*], de balansmutaties en de mutaties in de egalisatiereserve <en de trekkingsrechten – indien van toepassing> in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand gekomen in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in het referentiekader in hoofdstuk 2 van het controleprotocol.
De verantwoording bestaat uit:
1. de balans per 31 december 202[*];
2. de staat van baten en lasten fractie- of groepskosten 202[*];
3. overzicht giften van € 4.500 of meer (berekend per schenker/gever);
4. overzicht schulden van € 25.000 of meer (berekend per crediteur) per 31 december 202[*]; en
5. de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
De basis voor ons oordeel
Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden en hoofdstuk 2 van het controleprotocol vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie «Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de verantwoording».
Wij zijn onafhankelijk van de Stichting zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.
Benadrukking van de basis voor financiële verslaggeving en beperking in gebruik
Wij vestigen de aandacht op de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en de keuzes die het bestuur van de Stichting (hierna: het Bestuur) daarbij heeft gemaakt. De verantwoording is opgesteld door de Stichting voor het CVO, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (hierna: het CVO) met als doel de Stichting in staat te stellen te voldoen aan artikel 14 van de Regeling. Hierdoor is de verantwoording mogelijk niet geschikt voor een ander doel. Onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor het Bestuur en voor het CVO en dient niet te worden gebruikt door anderen. Ons oordeel is niet aangepast als gevolg van deze aangelegenheid.
Verantwoordelijkheden van het Bestuur voor de verantwoording
Het Bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de verantwoording in overeenstemming met de de relevante wet- en regelgeving zoals opgenomen in het in hoofdstuk 2 van het controleprotocol opgenomen referentiekader.
In dit kader is het Bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het Bestuur noodzakelijk acht om het opstellen van de verantwoording en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude.
Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de verantwoording
Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controleinformatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.
Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten en fraude ontdekken.
Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze verantwoording nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.
Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben, waar relevant, professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het controleprotocol, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen. Onze controle bestond onder andere uit:
• het identificeren en inschatten van de risico’s;
○ dat de verantwoording afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fouten of fraude, het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;
• het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de Stichting;
• het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van de verantwoording, en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het Bestuur en de toelichtingen die daarover in de verantwoording staan.
• het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de verantwoording en de daarin opgenomen toelichtingen; en
• het evalueren of de verantwoording de onderliggende transacties en gebeurtenissen zonder materiële afwijkingen weergeeft.
Wij communiceren met het Bestuur onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.
<Plaats en datum>
<ONDERTEKENING>
Model verantwoording fractiekosten jaar 202[*]33
Balans per 31 december 202[*]
<BALANS>
|
Baten |
|||
|
1. Ontvangen bijdrage1 |
€ ...... |
||
|
2. Ontvangen giften |
€ ...... |
||
|
3. Overige baten |
€ ...... |
||
|
Totaal baten |
€ A |
||
|
Personeelskosten |
|||
|
6. Overige personeelskosten |
€ ...... |
||
|
1. Salarissen |
€ ...... |
||
|
2. Werkgeverslasten |
€ ...... |
||
|
3. Pensioenverzekering |
€ ...... |
||
|
4. Opleidingskosten |
€ ...... |
||
|
5. Inhuur externe medewerkers/detacheringen |
€ ...... |
||
|
Totaal personeelskosten |
€ ...... |
||
|
Organisatie-/Bureaukosten |
|||
|
1. Administratie- en Accountantskosten |
€ ...... |
||
|
2. Advies- en onderzoekskosten |
€ ...... |
||
|
3. ICT-kosten |
€ ...... |
||
|
4. Reprografische en mediakosten |
€ ...... |
||
|
5.5. Overige organisatie-/bureaukosten |
€ ...... |
||
|
Totaal organisatie-/bureaukosten |
€ ...... |
||
|
Fractie- of groepskosten |
|||
|
1. Media- en publiekskosten |
€ ...... |
||
|
2. Reis-, verblijf- en vervoerskosten |
€ ...... |
||
|
3. Onderzoekskosten (informatiegaring) |
€ ...... |
||
|
4. Overige fractie- of groepskosten |
€ ...... |
||
|
Totaal fractie- of groepskosten |
€ ...... |
||
|
Gemeenschappelijke kosten met partij |
|||
|
1. Informatievoorziening (website, informatiebladen, partijblad, et cetera) |
€ ...... |
||
|
2. Onderzoekskosten (informatiegaring) |
€ ...... |
||
|
3. Overige gemeenschappelijke kosten met partij |
€ ...... |
||
|
Totaal gemeenschappelijke kosten met partij |
€ ...... |
||
|
Overige kosten |
€ ...... |
||
|
Totaal kosten |
€ B |
||
|
Exploitatieresultaat (overschot of tekort) (A -/- B) |
€ C |
||
|
Egalisatiereserve |
|||
|
Stand egalisatiereserve jaar 202[*]X -/- 1 Exploitatieresultaat (overschot of tekort)2 |
€ D € C |
||
|
Stand egalisatiereserve jaar 202[*] (D +/- C)3 |
€ E |
||
In de Regeling wordt onder «bijdrage» verstaan: «de financiële middelen, berekend overeenkomstig artikel 3, die elk kalenderjaar door de Eerste Kamer worden verstrekt aan een stichting ten behoeve van de bij de stichting behorende fractie of groep;»
Toelichting, in relatie tot artikel 7 lid 2 en 3 van de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 202[*]:
«...
...»
Bij een overschot van het exploitatieresultaat resulteert dit in D+/+C en bij een tekort van het exploitatieresultaat resulteert dit in D-/-C.
|
Naam gever |
Adres gever |
Bedrag of waarde van Gift |
Datum gift |
Toelichting |
1 In deze verantwoording wordt een overzicht opgenomen van de giften van in totaal € 4.500 of meer die de stichting in het kalenderjaar heeft ontvangen, met daarbij de naam en het adres van de gever, het bedrag of de waarde van de bijdrage en de datum van de gift;
|
Naam |
Adres |
Bedrag of waarde |
Gegevens instelling |
Toelichting |
1 In deze verantwoording wordt een overzicht opgenomen van de schulden ultimo boekjaar van € 25.000 of meer, met daarbij de naam en de het adres van de crediteur onderscheidenlijk geldverstrekker en, indien van toepassing, de gegevens van de instelling.
Toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor de verantwoording
<tekst>
Toelichting op de balans per 31 december 202[*] en de staat van baten en lasten 202[*]
<tekst>
Kamerstukken II 2007/08, 23 686, nr. 21, Kamerstukken II 2013/14 23 686, nr. 22, Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2.
Toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Regeling financiële ondersteuning fracties Tweede Kamer op de wijziging van de fractiekostenregeling in de Tweede Kamer van de Werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties (WHOF) in 2006 onder Ad I (Kamerstukken II 2007/08, 23 686, nr. 21).).
Dit bedrag is gebaseerd op de oude basisbijdrage van 11.500 + 10.000 overige kosten + 1 FTE schaal 12 uit de Handleiding Overheidstarieven verminderd met 16,37% IKB.
Bij de formulering van de toelichting is zoveel mogelijk aangesloten bij de toelichting op het artikel over de egalisatiereserve zoals opgenomen in de Regeling van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2, p. 16) en aangepast daar waar nodig op de situatie in de Eerste Kamer.
Bij de formulering van de toelichting is deels aangesloten bij de toelichting op het artikel over trekkingsrechten zoals opgenomen in de Regeling van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2, p. 23) en aangepast daar waar nodig op de situatie in de Eerste Kamer.
Qua datum is aangesloten bij de werkwijze van de Tweede Kamer. Bovendien geeft dat meer ruimte om aan de vereisten van de nieuwe regeling (waaronder accountantsverklaring) te voldoen.
Wanneer op een van de twee onderwerpen een aanpassing in het oordeel van toepassing is, kunnen twee kopjes worden gebruikt. Bijvoorbeeld «Ons oordeel betreffende de verantwoording» en «Ons oordeel met beperking betreffende de rechtmatigheid».
Overeenkomstig artikel 10.1 van de modelstatuten valt het boekjaar van de stichting samen met het kalenderjaar.
Kamerstukken II 2007/08, 23 686, nr. 21, Kamerstukken II 2013/14 23 686, nr. 22, Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2.
Toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Regeling financiële ondersteuning fracties Tweede Kamer op de wijziging van de fractiekostenregeling in de Tweede Kamer van de Werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties (WHOF) in 2006 onder Ad I (Kamerstukken II 2007/08, 23 686, nr. 21).).
Dit bedrag is gebaseerd op de oude basisbijdrage van 11.500 + 10.000 overige kosten + 1 FTE schaal 12 uit de Handleiding Overheidstarieven verminderd met 16,37% IKB.
Bij de formulering van de toelichting is zoveel mogelijk aangesloten bij de toelichting op het artikel over de egalisatiereserve zoals opgenomen in de Regeling van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2, p. 16) en aangepast daar waar nodig op de situatie in de Eerste Kamer.
Bij de formulering van de toelichting is deels aangesloten bij de toelichting op het artikel over trekkingsrechten zoals opgenomen in de Regeling van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022/23 36 386, nr. 2, p. 23) en aangepast daar waar nodig op de situatie in de Eerste Kamer.
Qua datum is aangesloten bij de werkwijze van de Tweede Kamer. Bovendien geeft dat meer ruimte om aan de vereisten van de nieuwe regeling (waaronder accountantsverklaring) te voldoen.
Wanneer op een van de twee onderwerpen een aanpassing in het oordeel van toepassing is, kunnen twee kopjes worden gebruikt. Bijvoorbeeld «Ons oordeel betreffende de verantwoording» en «Ons oordeel met beperking betreffende de rechtmatigheid».
Overeenkomstig artikel 10.1 van de modelstatuten valt het boekjaar van de stichting samen met het kalenderjaar.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-CLXXVI-A.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.