CLXX Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal

E TWEEDE VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Vastgesteld 11 november 2025

1. Inleiding

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de antwoorden op de gestelde vragen. Hierover hebben deze leden nog een beperkt aantal aanvullende vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging en wensen naar aanleiding hiervan nog enkele vragen te stellen.

2. Sancties

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat naar aanleiding van de gestelde vragen de gedragscode wordt aangepast voor wat betreft de op te leggen sancties. In de aangepaste gedragscode wordt het mogelijk om ook een «vertrouwelijke berisping» op te leggen. In het oorspronkelijke voorstel was bepaald dat een berisping altijd openbaar wordt gemaakt door middel van een openbare brief aan de Kamer.

De balans tussen de op te leggen sancties, openbaar versus vertrouwelijk, is met deze aanpassing verschoven naar meer opties voor vertrouwelijkheid. Er zijn nu namelijk twee vertrouwelijke sancties (een waarschuwing en een berisping) en er is slechts één openbare sanctie, namelijk de openbare berisping. Openbaarheid kan juist ook helpen bij het doel van de gedragscode, namelijk naleving van de afgesproken regels bevorderen en ongewenst gedrag ontmoedigen. Is overwogen om ook een «openbare waarschuwing» toe te voegen als optie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?

3. Begrippen en algemene bepalingen

De leden van de PVV-fractie lezen op pagina zeven van de nota naar aanleiding van het verslag het volgende: «Als de Kamer niet zou beschikken over een Gedragscode, dan zou in de tweede plaats iemand in de organisatie die meent dat hij/zij te maken heeft gehad met een mogelijke vorm van discriminatie bij gebrek aan alternatieven zich eerder gedwongen kunnen voelen om aangifte te doen. Dat is een grote en zware stap voor alle betrokkenen, waarbij bijvoorbeeld ook onzeker is of het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaat en of de ervaren discriminatie daadwerkelijk een strafbaar feit oplevert.».1

Nu het de vraag is óf er sprake is van een strafbaar feit bij «ervaren discriminatie» kan dit betekenen dat de Gedragscode verstrekkender van aard is dan wat strafrechtelijk bepaald is. Kan worden aangegeven of de Gedragscode hiermee niet haar doel voorbijschiet en er bij het toepassen van de Gedragscode bij een dergelijk geval van «ervaren discriminatie» – die dus niet per definitie strafrechtelijk van aard is – er ook verstrekkende consequenties voor betrokkenen zich aan kunnen dienen?

Voorts lezen deze leden op pagina acht van de nota naar aanleiding van het verslag het volgende met betrekking tot het begrip gast: «Wanneer dit evenwel niet het geval is, dan vallen die gedragingen wél onder de Gedragscode en kunnen door de onafhankelijke klachtencommissie worden onderzocht en beoordeeld. Over het advies ter zake besluit het College.».

Kan meer duiding worden gegeven aan situaties waarbij bijvoorbeeld geen sprake is van een commissievergadering of een plenair debat, maar bijvoorbeeld het in ontvangst nemen van een petitie in of buiten het gebouw, waarbij een gast een klacht indient voor bijvoorbeeld «ervaren discriminatie»? Of bij iemand die zich richting Kamerleden opdringerig opstelt bij de ingang van het Kamergebouw met vragen of verzoeken?

Ook wordt op pagina acht gesteld: «(...) interpreteren het woord «schuldig» in de voorgestelde Gedragscode ten onrechte als een exclusief strafrechtelijk begrip. (...) Maatregelen zijn bovendien niet bedoeld als straf, maar erop gericht dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of dat een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen zich bewuster wordt van zijn of haar gedrag en dat verandert.».

Hoe komt het College tot deze conclusie als in dezelfde alinea nog nadrukkelijk wordt gesproken over «sanctie». Wat wordt dan met «sanctie» bedoeld als het geen straf is? En als «schuld» niet juridisch bedoeld is, met welke afwegingscriteria wordt schuld dan door het College vastgesteld?

«Fracties kunnen dus zelf over een gedragscode ongewenste omgangsvormen beschikken. Zo’n code zal fractiemedewerkers kunnen beschermen tegen ongewenst gedrag door medewerkers die in dienst zijn van en Kamerleden die lid zijn van die fractie. Maar niet tegen ongewenste omgangsvormen door een Kamerlid dat deel uitmaakt van een andere fractie, die immers niet gebonden kan worden aan een regeling van de fractie.», lezen de PVV-fractieleden op pagina negen van de nota naar aanleiding van het verslag.

Kan het College bevestigen dat deze Gedragscode geen betrekking heeft op de fractiemedewerkers van de eigen fractie?

4. Klachtencommissie

De leden van de PVV-fractie lezen op pagina 26 van de nota naar aanleiding van het verslag het volgende: «Diversiteit gaat over de verschillen tussen mensen (in onder andere gender, leeftijd of etnisch-culturele achtergrond). Dat de commissie deze diversiteit zoveel als mogelijk weerspiegelt, en niet eenzijdig is samengesteld, draagt bij aan een gezaghebbend optreden en vertrouwen in haar onafhankelijke en onpartijdige werkwijze en beoordeling.».

Kan het College onderbouwen wat deze diversiteitsscorekaart bijdraagt aan «gezaghebbendheid» en is zij voornemens de commissie gericht langs dergelijke lijnen in te vullen? Zo ja, in welke verhoudingen, op welke wijze en met welke criteria wordt de «etnisch-culturele achtergrond» geselecteerd? En wat zegt dit diversiteitsprofiel over inhoudelijke kwaliteit? Kunnen bovendien culturele uitingen worden uitgesloten die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid in twijfel kunnen trekken?

5. Besluit van het College

Op pagina 36 van de nota naar aanleiding van het verslag lezen de leden van de PVV-fractie dat «Hoewel een openbare berisping mogelijk is, zal deze naar verwachting alleen in ernstige gevallen van ongewenste omgangsvormen worden opgelegd.».

Kan het College een nadere duiding geven van «ernstige gevallen»?

Voorts lezen deze leden het volgende: «Het onpartijdige optreden van het College is verder gewaarborgd doordat Collegeleden in concrete gevallen worden vervangen wanneer een Collegelid zelf klager of beklaagde is, (...).».

Kan het College in het kader van onpartijdigheid uitsluiten dat in dat geval de vervanger een fractiegenoot van het Collegelid is indien in de casus een partijpolitieke context meespeelt?

6. Nota van wijziging

De nota van wijziging2 stelt bij onderdeel A: «(...) de subjectieve ervaring dient een grond te hebben in het feitelijk gedrag dat het Kamerlid heeft vertoond.».

Kan het College aangeven hoe dit «feitelijk gedrag» bewijsbaar moet worden geacht, zo vragen de leden van de PVV-fractie.

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het tweede verslag.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Lagas

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman


X Noot
1

Kamerstukken I 2024/25, CLXX, C, p. 7.

X Noot
2

Kamerstukken I 2024/25, CLXX, D, onderdeel A.

Naar boven