Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | CLXX nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | CLXX nr. C |
Ontvangen 10 september 2025
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden het belangrijk dat er een gedragscode komt voor de omgangsvormen in de Eerste Kamer en hebben het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal daarom met belangstelling gelezen. De leden hebben enkele vragen over de opzet van de Gedragscode, de benaming, de reikwijdte en enkele overige inhoudelijke vragen.
De leden van de VVD-fractie willen hun dank uitspreken voor het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer. Het is een belangrijk document dat bijdraagt aan een veilige en respectvolle werkomgeving. De leden hebben met belangstelling naar de inhoud gekeken en zouden graag enkele vragen willen stellen ter verduidelijking en verbetering van bepaalde onderdelen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en wensen hierover enkele vragen te stellen.
De leden van de SP-fractie hebben over de Gedragscode een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer. Naar aanleiding van het voorstel hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van het voorstel en hebben hierover een vraag.
De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer, zoals dat ontwikkeld is naar aanleiding van artikel 131 van het Reglement van Orde. In zijn algemeenheid is het lastig om commentaar te leveren op een gedragscode over ongewenste omgangsvormen, omdat het daarmee zou kunnen lijken op ontwijken van deze problematiek. Echter, de kwetsbaarheid van klagers en beklaagden, en van het proces dat beschreven wordt, noopt tot zorgvuldige behandeling. Daarom hebben deze leden enkele algemene vragen en ook vragen per artikel.
Het College heeft met belangstelling kennisgenomen van alle vragen en opmerkingen, waarvoor het de leden van de genoemde fracties hartelijk wil bedanken. In de reactie van het College hieronder wordt de volgorde van het verslag aangehouden. Tegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag wordt een nota van wijziging naar de Kamer gezonden.
Voor het wetsvoorstel «Gedragscode tegen ongewenst gedrag» is recent de internetconsultatie afgerond. Deze wet regelt een verplichte gedragscode voor organisaties met meer dan tien medewerkers. Hierover hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de volgende vragen. In dit wetsvoorstel is als vereiste opgenomen dat in een gedragscode dient te zijn opgenomen «een duidelijke en begrijpelijke omschrijving van voorbeelden van gedragingen die in ieder geval ongewenst zijn». Voldoet de Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal aan deze verplichting? Zo nee, is het wenselijk om hier ook aan te voldoen? Indien dit niet wenselijk is, waarom niet? Voldoet de Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal aan de andere vereisten in dit wetsvoorstel? Zo nee, op welke onderdelen niet? Is het niet wenselijk om ook aan deze vereisten te voldoen? Zo nee, waarom niet?
Voor het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet waarnaar deze leden verwijzen, is momenteel alleen de internetconsultatie afgerond.1 Het voorstel is nog niet ingediend bij de Tweede Kamer, kan tijdens de behandeling daar nog worden gewijzigd en moet ook nog door beide Kamers worden aanvaard.
De voorgestelde Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer is bedoeld om ongewenste gedragingen door Kamerleden tegen te gaan. Kamerleden zijn geen werknemers van de Eerste Kamer (noch van een politieke partij of fractie). De voorgestelde Gedragscode valt daarmee op dit moment buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel dat in consultatie was gebracht.
Met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hecht het College aan maximale duidelijkheid over welke gedragingen als ongewenste omgangsvormen zijn te kwalificeren. De Gedragscode draagt door de definiëring van uiteenlopende ongewenste omgangsvormen (in artikel 1) bij aan de kenbaarheid van gedragsvormen die in het normale verkeer tussen personen ongewenst en laakbaar zijn. Deze sluiten bovendien zoveel mogelijk aan bij bestaande wettelijke definities, en daarmee ook bij de wetsuitleg en jurisprudentie hierover. Hierdoor wordt duidelijkheid geboden, kunnen misverstanden worden voorkomen en wordt gezorgd voor een uniforme toepassing.
Artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde Gedragscode draagt aan het College verder op beleid te maken gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen door Kamerleden. Als onderdeel van dit beleid kan dit ongewenste gedrag worden toegelicht en verduidelijkt met concrete voorbeelden.
In de Gedragscode hoofdstuk II, artikel 4, lid 1 staat: «Deze Gedragscode is niet van toepassing op gedragingen en bejegeningen van een Kamerlid die hebben plaatsgevonden in het kader van de plenaire beraadslagingen of in het kader van vergaderingen van commissies.». In de toelichting op dit artikel wordt gemotiveerd dat hiervoor gekozen is omdat «het onwenselijk [is] om hiervoor, naast het reglement van orde, een alternatieve of parallelle proceduremogelijkheid te creëren.». In het Reglement van Orde van de Eerste Kamer (artikel 69 t/m 76) worden andere definities gehanteerd voor gewenste en ongewenste omgangsvormen op basis waarvan, vervolgens ook anders kan worden ingegrepen. Daarmee is er sprake van niet gelijksoortige proceduremogelijkheden. Graag ontvangen deze leden een nadere toelichting op de stelling waarom het niet wenselijk is om gelijktijdig, een andere proceduremogelijkheid te creëren. Welke nadelen worden voorzien?
De kern van de bepaling in artikel 4, eerste lid, van de voorgestelde Gedragscode zijn de woorden «in het kader van». Daarbij gaat het om het spreken, interrumperen en het met gebaren woorden kracht bij zetten door woordvoerders in het debat en de commissievergadering. Of gedrag wél of niet «in het kader» van de plenaire vergadering of commissievergadering plaatsvindt, bepaalt of de ordemaatregelen (artikelen 69 t/m 71, eerste lid) uit het Reglement van Orde van toepassing kunnen zijn, óf dat wat in de Gedragscode is geregeld.
Gedragingen en bejegeningen die onderdeel zijn van de beraadslagingen in de plenaire vergadering en in vergaderingen van commissies vallen niet onder de voorgestelde Gedragscode. Als daar grenzen worden overschreden, kan de Kamervoorzitter (en naar analogie in de commissies: de commissievoorzitter) maatregelen treffen. Tegen de zwaardere sancties van de Kamervoorzitter staat beroep op de Kamer open, tegen de overige niet. Het is niet wenselijk dat deze gedragingen en daarmee ook het leiden van de vergadering door de Voorzitter achteraf ook nog eens kunnen worden beoordeeld in het kader van de Gedragscode.
Een Kamerlid kan gedurende een plenair debat of een commissievergadering echter ook ongewenste omgangsvormen aan de dag leggen die niets of niet direct met de beraadslagingen van doen hebben. Deze kunnen daarom wél op grond van deze Gedragscode worden behandeld en afgedaan.
De leden van de VVD-fractie vragen of de definitie van ongewenste omgangsvormen duidelijker kan worden afgebakend. «Iedere vorm van gedrag en bejegening» die «als ongewenst wordt ervaren» is erg breed en eenzijdig. Ligt het niet voor de hand om uit te sluiten die omgangsvormen die redelijkerwijs kunnen worden gerekend tot normale werkverhoudingen en de spanningen die daarbij kunnen horen, zulks uiteindelijk ter beoordeling van de klachtencommissie? Kan de terugwerkende termijn van een jaar worden verkort tot 6 maanden? Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lijken te veronderstellen dat enkel de ervaring dat gedrag ongewenst is, maakt dat het Kamerlid zich schuldig zou hebben gemaakt aan ongewenste omgangsvormen. Dat is niet wat bedoeld is. In artikel 1, eerste lid, onder a volgt in aanvulling op het citaat van deze leden namelijk nog een essentieel tweede deel van de definitie, namelijk dat het gedrag als ongewenst wordt ervaren, «vanwege het bedreigende, intimiderende of vernederende karakter ervan, waaronder begrepen pesten, intimidatie, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie, geweld en stalken, zoals nader omschreven onder b tot en met h». Anders gezegd, de subjectieve ervaring dient een grond te hebben in het feitelijk gedrag dat het Kamerlid heeft vertoond. Alleen wanneer dat aan de hand is, zal een klachtencommissie adviseren (en het College besluiten) dat van ongewenste omgangvormen sprake is en de klacht (deels) gegrond is. Om op dit punt geen enkele onduidelijkheid te laten bestaan, heeft het College de definitie aangepast door het schrappen van de woorden «die als ongewenst worden ervaren» (zie onderdeel A I van de nota van wijziging).
Ongewenste omgangsvormen zijn gedefinieerd in artikel 1 van de voorgestelde Gedragscode. Alles wat niet daaronder valt, na zorgvuldig onderzoek door een onafhankelijke klachtencommissie en besluitvorming door het College, kan gerekend worden tot de normale werkverhoudingen en de spanningen die daarbij horen.
De redenen voor keuze van de termijn van maximaal één jaar zijn de volgende. Ten eerste leert de ervaring dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd worden ingediend, nadat de klager de schroom heeft overwonnen een klacht in te dienen en/of op andere wijzen tevergeefs naar oplossingen heeft gezocht. Om te bepalen wat daarvoor een redelijke termijn is, is gekeken naar de termijnstelling in andere gedragscodes ongewenste omgangsvormen. De verschillen die daarin werden aangetroffen, waren groot. Het College kwam termijnen tegen van vijf jaar, drie jaar, twee jaar en één jaar. De laatste twee termijnen lijken het meest te worden gehanteerd. Met de uiteindelijke keuze voor één jaar sluit het College aan bij de termijn genoemd in artikel 9:8, eerste lid, onder b van de Awb voor het indienen van een klacht bij een bestuursorgaan. Het overweegt daarbij dat naast het belang van de klager, het ook onwenselijk is dat de beklaagde na lange tijd alsnog beschuldigd wordt. Ook heeft bij de keuze voor één jaar meegespeeld dat een onderzoek naar de feiten moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat mogelijk ongewenste omgangsvormen hebben plaatsgevonden.
Waarom zou de melder of klager niet eerst, zoals nu al, naar de Kamervoorzitter kunnen gaan voor een gesprek, voordat andere stappen worden genomen, zeker nu daar in de voorbije jaren goede ervaringen mee zijn opgedaan?
Het staat iedereen vrij zich te wenden tot de Kamervoorzitter met een melding of klacht over omgangsvormen door Kamerleden. Ook anderen kunnen worden benaderd, zoals bijvoorbeeld een Ondervoorzitter, fractievoorzitter, de Griffier of (voor de griffiemedewerkers of fractiemedewerkers) een leidinggevende. Anders gezegd, het hebben van een Gedragscode verplicht niet om van de daarin genoemde procedures gebruik te maken wanneer iemand een melding of klacht wil doen. Voor sommigen kan de stap naar een Kamervoorzitter echter te groot zijn, bijvoorbeeld omdat politiek-ambtelijke of hiërarchische verhoudingen hierin een rol spelen. De mogelijkheid van een melding of klacht bij onafhankelijke, op dit terrein gespecialiseerde personen van buiten de organisatie is dan laagdrempeliger, en voorkomt dat in die gevallen mogelijk ongewenste omgangsvormen onder de radar blijven.
Is het mogelijk om onderscheid te maken tussen gasten en medewerkers in termen van procedures, termijnen en bewijslast? Zo nee, wat zijn de redenen hiervoor?
Hiervoor is niet gekozen, om gasten en medewerkers zoveel als mogelijk hetzelfde niveau van bescherming te geven. Het is niet goed in te zien waarom bijvoorbeeld bewindspersonen, ambtenaren die een bewindspersoon vergezellen, of deskundigen die door een commissie zijn uitgenodigd voor een commissiebijeenkomst niet op dezelfde wijze beschermd zouden moeten worden als Kamerleden of medewerkers. Dat neemt niet weg dat met de definitie van het begrip «gast» de kring van mogelijk betrokken derden al is verkleind.
In hoeverre is het toepassingsbereik van de Gedragscode duidelijk genoeg omschreven om eventuele misverstanden te voorkomen, en welke aanvullingen zouden kunnen bijdragen aan meer helderheid?
De definities van ongewenste omgangsvormen in artikel 1, eerste lid, van de voorgestelde Gedragscode zorgen voor kenbaarheid van ongewenste omgangsvormen. Veelal aansluitend bij wettelijke definities, de uitleg daarvan door de wetgever en vervolgens door de rechter (jurisprudentie) zijn het ijkpunten aan de hand waarvan een onafhankelijke klachtencommissie de feiten en omstandigheden van concrete gevallen onderzoekt en beoordeelt of sprake is geweest van ongewenste omgangsvormen. De commissie past bij haar onderzoek hoor en wederhoor toe en weegt ook dat mee in haar advies, waarover het College in tweede instantie besluit. Het College meent daarom dat aanvullingen niet nodig zijn, maar dat het beleid dat het College moet maken (artikel 2, tweede lid) behulpzaam kan zijn met voorbeelden (casuïstiek) om de ongewenste omgangsvormen nader in te kleuren.
In de Gedragscode (hoofdstuk III) is verder ook een meldingsprocedure opgenomen, om te voorkomen er geen andere keuze is dan het indienen van een formele klacht tegen een Kamerlid. Het College blijft benadrukken dat in voorkomende gevallen de Gedragscode alle ruimte moet bieden (en biedt) aan het onderlinge gesprek over mogelijke ongewenste omgangsvormen. In zo’n gesprek kan naar een oplossing voor de melder worden gezocht. Het gedrag dat aanleiding heeft gegeven tot de melding zal worden besproken, eventuele misverstanden kunnen worden weggenomen, grenzen in de omgangsvormen kunnen (opnieuw) worden afgebakend, gedragsverandering kan worden toegezegd enzovoort. Om de kans op een onderlinge oplossing te maximaliseren, biedt de Gedragscode (artikel 7, onder b en c) niet alleen de mogelijkheid dat de melder en het Kamerlid in kwestie direct met elkaar om de tafel gaan zitten, desgewenst onder leiding van een externe bemiddelaar, maar ook de optie dat de vertrouwenspersoon het Kamerlid in kwestie benadert, zonder de identiteit van de melder te onthullen. In dat geval kan het gedrag van het Kamerlid door de vertrouwenspersoon in algemene zin aan de orde worden gesteld, waarop de melder bij terugkoppeling van het gesprek door de vertrouwenspersoon kan besluiten dat dit voor hem/haar voldoende is en de zaak daarmee verder uit de wereld is. Teneinde de kans te vergroten om door middel van een onderling gesprek tussen melder en Kamerlid tot een oplossing te komen, stelt het College voor dat een melding en het daarop volgende gesprek van melder met de vertrouwenspersoon voorwaardelijk worden voor het indienen van een klacht. Dit is geregeld in de nota van wijziging in onderdeel B. Deze wijziging betekent niet dat een gesprek tussen melder en Kamerlid verplicht wordt gesteld (dat zou een onwenselijke drempel opwerpen), maar wel dat de vertrouwenspersoon met melder kan bespreken of een gesprek een reële mogelijk is om tot een oplossing te komen.
De deur naar het onderlinge gesprek wordt ook in de klachtenprocedure bewust opengehouden (artikel 11, derde lid), waarmee het belang dat het College hieraan hecht ook in die fase wordt onderstreept.
Wordt er een externe audit uitgevoerd om de naleving van de Gedragscode te controleren?
De goede naleving van de voorgestelde Gedragscode is de verantwoordelijkheid van de Kamer zelf, zoals ook blijkt uit de formulering van artikel 131 van het Reglement van Orde, dat de rechtsgrondslag voor de regeling biedt. In de Gedragscode is vastgelegd dat zowel de vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen (artikel 7, onder e en f) als de klachtencommissie ongewenste omgangsvormen (artikel 27) bij het College van Voorzitter en Ondervoorzitters knelpunten kunnen signaleren in de uitvoering van deze Gedragscode en kunnen adviseren over de mogelijkheden tot voorkoming en bestrijding van ongewenste omgangsvormen. Het (geanonimiseerde) verslag van de commissie wordt bovendien aan de Kamer gezonden en gepubliceerd op de website. Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan de Gedragscode bovendien worden gewijzigd volgens de procedure die daarvoor is vastgelegd in hoofdstuk XV van het Reglement van Orde.
Artikel 1 lid 1 sub a stelt: «In deze Gedragscode wordt verstaan onder: a. ongewenste omgangsvormen: iedere vorm van verbaal, non-verbaal en fysiek gedrag dat en bejegening door een Kamerlid die als ongewenst wordt ervaren vanwege het bedreigende, intimiderende of vernederende karakter ervan, waaronder begrepen pesten, intimidatie, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie, geweld en stalken, zoals nader omschreven onder b tot en met h.». Enkele termen hierin zijn vaag en rekkelijk van aard. Graag ontvangen de leden van de PVV-fractie een nadere omschrijving en beoordelingscriteria van wat kan worden verstaan onder «iedere vorm», «non-verbaal», «ongewenst», «wordt ervaren» en «vernederende». Idem bij sub d ten aanzien van een «kwetsende omgeving».
Met het gebruik van deze woorden wordt aangesloten bij wettelijke definities. Een goed voorbeeld is de definitie van seksuele intimidatie in artikel 1a, onder 3 van de Algemene wet gelijke behandeling: «Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.» De door de PVV-leden genoemde woorden zijn in deze definitie terug te vinden. Door aan te sluiten bij wettelijke definities hebben de klachtencommissie en het College houvast bij het beoordelen van de klacht. Ze kunnen aansluiten bij de wetsuitleg door de wetgever en de jurisprudentie wanneer ze moeten beoordelen en besluiten of de klacht gegrond is. Aansluiten bij bestaande terminologie vergroot bovendien de kenbaarheid vooraf.
Sub e van artikel 1 noemt vormen van discriminatie die reeds wettelijk verboden zijn en daarmee al een plek kennen binnen het juridische systeem, waarom deze dan toch opnemen in een gedragscode? Ook de algemene toelichting stelt op pagina 15: «Het voorkomen van ongewenste omgangsvormen op de werkplek, inclusief het optreden tegen dit gedrag, volgt uit wetgeving. Zo bevat de Grondwet in artikel 1 het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Dit is onder andere nader uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het in de Awgb neergelegde verbod van onderscheid, waaronder dat naar godsdienst, levensovertuiging, ras of geslacht, houdt bovendien een verbod van intimidatie en seksuele intimidatie in (zie artikel 1a Awgb).». Wat al onder wettelijke bescherming valt en waar de wet dus al in maatregelen voorziet, hoeft niet nog een keer expliciet geregeld te worden in een gedragscode, dus waarom is dit er toch in opgenomen?
Een gedragscode is belangrijk om discriminatie aan te pakken, zelfs of misschien wel juist als er wettelijke maatregelen zijn. Het opnemen van discriminatie als ongewenste omgangsvorm versterkt het bewustzijn dat discriminatie niet thuishoort in de Eerste Kamer. Voor Kamerleden, medewerkers en gasten biedt de voorgestelde Gedragscode een duidelijk kader om discriminatie te melden en erover te klagen. Mocht uit de klachtenprocedure voortvloeien dat sprake is geweest van discriminatie, dan kan daarop een sanctie (en/of een maatregel) volgen. Het helpt om een cultuur van respect en inclusie te creëren, waarin discriminatie niet getolereerd wordt, ongeacht of er al wettelijke maatregelen zijn.
Als de Kamer niet zou beschikken over een Gedragscode, dan zou in de tweede plaats iemand in de organisatie die meent dat hij/zij te maken heeft gehad met een mogelijke vorm van discriminatie bij gebrek aan alternatieven zich eerder gedwongen kunnen voelen om aangifte te doen. Dat is een grote en zware stap voor alle betrokkenen, waarbij bijvoorbeeld ook onzeker is of het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaat en of de ervaren discriminatie daadwerkelijk een strafbaar feit oplevert. De voorzieningen (melding en klacht) in de Gedragscode zijn dan veel toegankelijker, waarbij – zeker bij een melding – gezocht kan worden naar een oplossing zonder verdere juridisering in een onderling gesprek. Ten derde, de Gedragscode ondersteunt het beleid van werkgevers binnen de Kamerorganisatie (denk aan de Griffier, maar ook aan fracties) gericht op voorkoming en – indien dat niet mogelijk is – beperking van de psychosociale arbeidsbelasting (PSA). Het College stelt tot slot vast dat «discriminatie» standaard wordt genoemd in codes die ongewenste omgangsvormen moeten tegengaan.
Artikel 1 lid 2 sub e noemt een «gast» van de Kamer in relatie tot deze gedragscode. Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat bijvoorbeeld een bezoeker van de publieke tribune een (ongefundeerde) klachtenprocedure kan starten om Kamerleden met een andere mening politiek/publiekelijk te beschadigen middels deze gedragscode? Dit met name gelet op vage bepalingen over bijvoorbeeld «non-verbaal» en een «kwetsende omgeving».
De code biedt gasten (als gedefinieerd in artikel 1, tweede lid, onder e) altijd de mogelijkheid een klacht in te dienen. De klacht kan door de klachtencommissie niet-ontvankelijk worden verklaard (artikel 12, derde lid) en ook kan zij besluiten de klacht niet inhoudelijk in behandeling te nemen (artikel 13, tweede lid e.v.). Hiertoe kan zij besluiten als het belang van de klager of de ernst van de gedragingen kennelijk onvoldoende is. Wordt de klacht van de gast wél inhoudelijk in behandeling genomen, dan komt de klachtencommissie met een advies aan het College of de klacht ongegrond, deels gegrond of gegrond is (artikel 17, vierde lid onder e, juncto vijfde lid). Het College neemt het advies over, tenzij het zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken.
Zoals eerder in reactie op een vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA fractie is geantwoord, vallen gedragingen en bejegeningen van Kamerleden die onderdeel zijn van de beraadslagingen in de plenaire vergadering en in vergaderingen van commissies niet onder de voorgestelde Gedragscode. Dat is in artikel 4 van de Gedragscode ook met zoveel woorden vastgelegd. Daarbij gaat het in hoofdzaak om het spreken, interrumperen en gebaren door woordvoerders in een plenair debat of in een commissievergadering. Wanneer hierover een klacht zou worden ingediend, zal deze niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 12, derde lid onder c van de voorgestelde Gedragscode.
Wanneer dit evenwel niet het geval is, dan vallen die gedragingen wél onder de Gedragscode en kunnen door de onafhankelijke klachtencommissie worden onderzocht en beoordeeld. Over het advies ter zake besluit het College.
Sub k stelt «maatregelen: maatregelen die tot doel hebben dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of die zijn gericht op gedragsverandering van een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen, waaronder begrepen een contactverbod of een verplichte cursus.». Daarnaast stelt de algemene toelichting op pagina 26: «Het opleggen van een sanctie aan een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen is juridisch begrensd.». Hier wordt gesproken over «schuldig». Hoe kan hier over schuldigheid worden gesproken – wat een strafrechtelijk begrip is – zónder dat er een rechter aan te pas is gekomen?
De leden van de PVV-fractie interpreteren het woord «schuldig» in de voorgestelde Gedragscode ten onrechte als een exclusief strafrechtelijk begrip. Hier is het bedoeld in de meer algemene betekenis die ook de Van Dale eraan toekent: «schuld hebbende, een begane overtreding of tekortkoming tot zijn last hebbende». Overigens is het zo dat het opleggen van een sanctie en/of eventuele maatregelen de uitkomst is van een zorgvuldige procedure door de onafhankelijke klachtencommissie waarin de klacht is onderzocht en zorgvuldig hoor en wederhoor is toegepast. De klachtencommissie kan in haar advies, wanneer zij de klacht (deels) gegrond acht, een voorstel voor een sanctie of maatregelen doen. Het College neemt het advies over, tenzij het zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Maatregelen zijn bovendien niet bedoeld als straf, maar erop gericht dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of dat een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen zich bewuster wordt van zijn of haar gedrag en dat verandert.
De algemene toelichting stelt op pagina 15 «Deze Gedragscode ongewenste omgangsvormen biedt voor griffiemedewerkers, fractiemedewerkers en anderen die in de Eerste Kamer werkzaamheden verrichten waarborgen tegen ongewenst gedrag door Eerste Kamerleden. Deze Kamerregeling beoogt aldus een veiliger werkomgeving voor al die werknemers te creëren.». Dit is ten aanzien van fractiemedewerkers tegenstrijdig met wat op pagina 20 wordt gesteld, namelijk «Gelet op het feit dat fractiemedewerkers in dienst zijn van de fracties, ligt het voor de hand dat de fracties zelf regelingen hebben op grond waarvan een melding en/of klacht kan worden gedaan over ongewenst gedrag door een van hun medewerkers.». Kan worden aangegeven hoe deze Gedragscode zich verhoudt tot fractiemedewerkers, nu deze niet in dienst zijn van de Eerste Kamer, maar bij de fracties zelf?
De tegenstrijdigheid is er niet. Het citaat uit de toelichting op bladzijde 20 verduidelijkt het toepassingsbereik van de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen – ambtelijke organisatie Eerste Kamer. Op grond van die regeling kunnen Kamerleden en fractiemedewerkers geen klacht indienen tegen (kort gezegd) griffiemedewerkers.2
In de hier voorgestelde Gedragscode worden fractiemedewerkers gerekend tot «medewerkers», zoals blijkt uit de definitiebepaling van deze groep artikel 1, tweede lid, onder l. Fracties kunnen dus zelf over een gedragscode ongewenste omgangsvormen beschikken. Zo’n code zal fractiemedewerkers kunnen beschermen tegen ongewenst gedrag door medewerkers die in dienst zijn van en Kamerleden die lid zijn van die fractie. Maar niet tegen ongewenste omgangsvormen door een Kamerlid dat deel uitmaakt van een andere fractie, die immers niet gebonden kan worden aan een regeling van de fractie. De nu voorgestelde Gedragscode biedt fractiemedewerkers deze bescherming wel.
Er zullen in het verleden casussen zijn geweest, die onder de toekomstige gedragscode vallen. Is de gedragscode, kijkend naar de casussen die er reeds geweest zijn, toereikend, zo vragen de leden van de SP-fractie.
In het verleden kon reeds een oplossing worden gezocht in een onderling gesprek of een melding bij de Kamervoorzitter, een Ondervoorzitter, een fractievoorzitter, of bij de Griffier of leidinggevende. Met de voorgestelde Gedragscode worden de mogelijkheden uitgebreid, zonder dat de eerder genoemde mogelijkheden verdwijnen. De Gedragscode is een hulpmiddel als iemand niet of nauwelijks mogelijkheden ziet om ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen en een mogelijke stok achter de deur als het onderlinge gesprek hierover moeilijk lijkt of onmogelijk blijkt.
De «integriteitskaart» wordt lokaal regelmatig als politiek wapen ingezet, je verdedigen tegen de integriteitskaart is moeilijk. Hoe voorkomen we dat deze Gedragscode als (politiek) wapen ingezet kan worden?
De volgende overwegingen brengen het College tot de conclusie dat de Gedragscode eerder depolitiseert dan dat zij de kans op het «trekken van de integriteitskaart» vergroot:
Zonder de nu voorgestelde Gedragscode moet in het concrete geval ad hoc naar oplossingen worden gezocht, en het bewandelen van een bepaalde weg en de keuzes die daarbij worden gemaakt, kunnen gemakkelijker worden uitgelegd als politiek gemotiveerd dan wanneer zij vooraf reeds vastliggen in een Gedragscode die is opgesteld los van het concrete geval.
De meldings- en klachtenprocedures in de Gedragscode zijn nauwkeurig vastgelegd, waarbij er scherp op is gelet dat het principe van hoor en wederhoor alle ruimte krijgt, het onderzoek van de klacht is opgedragen aan een onafhankelijke klachtencommissie los van de politiek, en de termijnen voor de verschillende procedurestappen zodanig zijn bepaald dat zowel de gewenste voortgang als de zorgvuldigheid van het onderzoek naar de klacht zijn gewaarborgd.
Wanneer de onafhankelijke klachtencommissie tot een advies is gekomen, neemt het College dat advies over, tenzij het zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Van deze afwijking wordt in het besluit melding gemaakt, met vermelding van die zwaarwegende redenen. Het College heeft dus weinig tot geen (politieke) manoeuvreerruimte.
De geheimhouding die beide partijen in de klachtenprocedure moeten betrachten over hetgeen in deze procedure wordt gewisseld, draagt er ook aan bij dat dat de kwestie minder snel publiekelijk (bijvoorbeeld in de pers) zal worden uitgevochten en daarmee de zweem van een politieke afrekening zou kunnen krijgen.
In de artikelsgewijze toelichting geeft het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (hierna: het College) aan dat ongewenste omgangsvormen door een Kamerlid alleen verwijtbaar zijn als het Kamerlid voor aanvang van dit gedrag bekend was met de grenzen en gedragsnormen. Dit houdt verband met de kenbaarheid van de te hanteren normen. Terecht merkt het College in de toelichting op dat er uiteenlopende opvattingen kunnen bestaan over grenzen en gedragsnormen. Het begrip «ongewenste omgangsvorm» is tot op zekere hoogte subjectief. Op welke wijze is het College voornemens die subjectiviteit en de noodzakelijke kenbaarheid met elkaar in overeenstemming te brengen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Zoals eerder in het antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie aangegeven, zal de deels subjectieve ervaring van ongewenste omgangsvormen altijd een grond moeten hebben in het feitelijk gedrag dat het Kamerlid heeft vertoond. Dat gedrag moet een bedreigend, intimiderend of vernederend karakter hebben gehad, waaronder begrepen pesten, intimidatie, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie, geweld en stalken. Het College heeft naar aanleiding van de vragen van de leden van de fracties van VVD, ChristenUnie en SGP ervoor gekozen om door middel van de begeleidende nota van wijziging (onderdeel A I) de definitie van ongewenste omgangsvormen zodanig te wijzigen dat er niet langer onduidelijkheid over kan bestaan dat in de klachtenprocedure uiteindelijk het feitelijke (geobjectiveerde) gedrag wordt getoetst en beoordeeld.
Die gedragingen zijn vervolgens nader omschreven onder b tot en met h van artikel 1, eerste lid, van de voorgestelde Gedragscode, waarbij is aangesloten bij wettelijke definities. Dit draagt bij aan de objectivering (ook door de wetsuitleg en jurisprudentie) van het ongewenste gedrag en de noodzakelijke kenbaarheid.
Het College, bijgestaan door de Griffier, kan in zijn beleid, waartoe de code het College verplicht in artikel 2, tweede lid, concrete voorbeelden geven van welk gedrag wel of niet als ongewenste omgangsvorm moet worden beschouwd onder de Gedragscode. Dit kan in de vorm van informatiemateriaal, maar ook door trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten.
De verslaglegging over de werkzaamheden, de signalering van knelpunten in de uitvoering van de Gedragscode en het geven van inlichtingen gelet op voorkoming van ongewenste omgangsvormen bij het College door de vertrouwenspersoon (artikel 7, onder e en f) en door de klachtencommissie (artikel 27) kunnen dit beleid versterken en de kenbaarheid van de Gedragscode en alles wat daarin staat vergroten.
Deze leden maken uit het voorgestelde artikel 1 lid 2 sub h op dat ook klachten kunnen worden ingediend tegen of door oud-Kamerleden. Daarbij geldt een termijn van maximaal één jaar na beëindiging van het Kamerlidmaatschap. Kan het College de keuze voor deze termijn toelichten en relateren aan soortgelijke regelingen die elders in zwang zijn?
Vooraf wordt opgemerkt dat artikel 30 van de voorgestelde Gedragscode bepaalt dat de code bij inwerkingtreding geen terugwerkende kracht kent. Op gedragingen van Kamerleden die vóór de datum van inwerkingtreding van deze Gedragscode hebben plaatsgevonden, is deze code namelijk niet van toepassing.
De verjaringstermijn van één jaar voor ongewenste omgangsvormen door oud-Kamerleden is ingegeven door de overweging dat Kamerleden die zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenste omgangsvormen hiermee niet zomaar wegkomen, omdat ze bijvoorbeeld bij verkiezingen niet herkozen zijn of hun Kamerzetel hebben opgegeven. Ook is het billijk dat oud-Kamerleden die ongewenste omgangsvormen hebben ervaren een jaar de tijd krijgen om hierover een klacht in te dienen.3
In artikel 2 lid 2 wordt gewag gemaakt van «beleid» dat het College maakt. Uit de toelichting lijkt echter te volgen dat het veeleer gaat om het daadwerkelijk bevorderen van een cultuur waarin geen plaats is voor ongewenste omgangsvormen. Kan het College dit bevestigen?
Het beleid dat het College, bijgestaan door de Griffier, op grond van artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde Gedragscode moet ontwikkelen, dient ten minste twee doelen. Het beleid is gericht op het meer algemeen bevorderen van een cultuur van respectvolle omgang door Eerste Kamerleden (artikel 2, eerste lid). Het draait daarbij om het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. Dit zal onder andere betekenen dat bekendheid wordt gegeven aan de Gedragscode. Het beleid zal bijvoorbeeld onder de aandacht moeten blijven brengen dat bepaald gedrag niet is toegestaan en deze omgangsvormen staan beschreven in de definitiebepalingen van artikel 1, die geïllustreerd kunnen worden met voorbeelden.4 Een ander onderdeel van het beleid zou erop gericht kunnen zijn dat betrokkenen worden gestimuleerd om in voorkomende gevallen waarin gedragsgrenzen overschreden dreigen te worden of omgangsvormen escaleren elkaar durven aan te spreken en onderling met elkaar hierover in gesprek gaan om tot een oplossing te komen. Trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten kunnen deze cultuur helpen bevorderen.
In de Gedragscode worden omgangsvormen geregeld tussen Kamerleden onderling, tussen Kamerleden en medewerkers en tussen Kamerleden en gasten. De leden van de PvdD-fractie vragen zich af of het niet het belangrijkste is om een regeling te treffen die alleen betrekking heeft op de omgang tussen Kamerleden en medewerkers en eventueel tussen Kamerleden onderling? Dat sluit aan bij regelingen die ook elders al gelden voor werksferen.
Voor wat betreft de omgang tussen Kamerleden onderling vragen deze leden zich af of de regeling die betrekking heeft op een ingediende klacht, uitvoerbaar is.
De omgang tussen Kamerleden en de gast behoeft wat de leden betreft geen regeling in een gedragscode die betrekking heeft op omgangsvormen. Zoals hierna uit de geschetste situaties blijkt, zijn problemen bij de toepassing te voorzien. Niet goed valt in te zien waarom een intimiderende of vernederende bejegening van een gast wel zou moeten worden geregeld als die persoon zich in het Kamergebouw bevindt, maar niet als die buiten voor de deur zo door het Kamerlid bejegend zou worden. In beide gevallen is het een ongewenste omgangsvorm, en die vorm wordt niet anders als de persoon het Kamergebouw betreedt of verlaat. Bovendien is de Gedragscode op zo’n intimiderende of vernederende bejegening weer niet van toepassing als de gast wordt bejegend in een situatie die in het kader van een vergadering van een commissie of een plenaire vergadering plaatsvindt (artikel 4, eerste lid). Eigenlijk is dat dus in vrijwel alle situaties als de term «in het kader van» ruim wordt geïnterpreteerd. Daar komt nog bij dat de gast geen klacht kan indienen, maar alleen een melding kan doen bij de vertrouwenspersoon. In artikel 1, tweede lid sub i van de voorgestelde Gedragscode is namelijk aangegeven dat onder klacht moet worden verstaan een «schriftelijke klacht (...) door een Kamerlid.», dus een ongewenste omgang met een gast kan alleen leiden tot een melding bij en een optreden door de vertrouwenspersoon.
In artikel 7 zijn de bevoegdheden van de vertrouwenspersoon geregeld. Naar de mening van de leden zijn die echt toegesneden op een melding van een medewerker of van een mede-senator over een ongewenste bejegening door een Kamerlid. Het is niet goed voorstelbaar dat een gast iets opschiet met zijn melding als je ziet wat de vertrouwenspersoon tot taak heeft. Kortom, beperk de Gedragscode tot omgang tussen Kamerleden en medewerkers en tussen Kamerleden onderling.
Het College heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de voorgestelde Gedragscode, voor zover het de omgang tussen Kamerleden onderling betreft, bij een ingediende klacht niet of slecht uitvoerbaar is.
Met het opnemen van de omgang tussen Kamerleden en gasten in de voorgestelde Gedragscode beoogt het College een middenweg te bewandelen. Het uitbreiden van de werking van de Gedragscode tot de omgang van leden met álle derden waar dan ook (zie de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA verderop in paragraaf 3) voert naar het oordeel van het College te ver voor een interne regeling. Daarbij speelt mee dat Eerste Kamerleden hun ambt in deeltijd uitoefenen en ook in hun nevenfuncties veelvuldig in contact staan met derden, waarbij niet steeds duidelijk is in welke hoedanigheid dat is. Zo’n verstrekkende regeling lijkt het College ook niet goed uitvoerbaar. Aan de andere kant acht het College het ook niet bevredigend als ten aanzien van de omgang met derden helemaal niets in de Gedragscode wordt geregeld. Voor de sociale veiligheid binnen het Kamergebouw draagt de Kamer, en daarmee het College, een bijzondere verantwoordelijkheid. Eenzelfde verantwoordelijkheid wordt gevoeld voor bijeenkomsten georganiseerd door de Eerste Kamer op externe locaties, of deze bijeenkomsten nu formeel of informeel van aard zijn. Kortom, ook gedragingen door een Kamerlid tijdens een werkbezoek in het land, bij een petitieaanbieding voor het Kamergebouw of op een door de Kamer georganiseerde receptie, kunnen vallen onder de Gedragscode. Het College is bekend met voorbeelden van gedragscodes elders waarin ook de omgang met gasten is geregeld5 en meent dan ook dat dit niet uitzonderlijk is. Het feit dat een derde soms wel en soms niet (meer) als gast kan worden gekwalificeerd, betekent naar het oordeel van het College niet dat «problemen bij de toepassing te voorzien» zijn.
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat als de uitsluitingsgrond van artikel 4, eerste lid, («in het kader van de plenaire beraadslagingen of in het kader van vergaderingen van commissies») ruim wordt geïnterpreteerd, dit betekent dat over veel gedragingen door Kamerleden geen melding kan worden gemaakt of een klacht kan worden ingediend. Voor een ruime interpretatie is volgens het College echter geen aanleiding. Zoals in reactie op een vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA fractie is vermeld, vallen alleen die gedragingen door Kamerleden onder het artikel die daadwerkelijk onderdeel zijn van de plenaire beraadslagingen en de discussies tijdens de commissievergaderingen. Gedragingen die niet tot de eigenlijke vergadering te rekenen zijn, vallen wél onder de voorgestelde Gedragscode.
De leden van de PvdD-fractie stellen ten onrechte dat gasten geen klacht kunnen indienen. De woorden «door een Kamerlid» in artikel 1, tweede lid, onder i hebben betrekking op de woorden direct daaraan voorafgaand, namelijk «ongewenste omgangsvormen». Ze slaan dus niet op de woorden «schriftelijke klacht», zoals de leden van de PvdD-fractie menen te mogen lezen. Artikel 3 van de voorgestelde Gedragscode stelt buiten twijfel dat ook gasten klachten kunnen indienen.
Het is het College ten slotte niet duidelijk waarom de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon niet zouden zijn toegesneden op meldingen van gasten. Ook gasten kunnen baat hebben bij opvang, begeleiding en advies. Ook gasten kunnen er baat bij hebben als de vertrouwenspersoon contact opneemt met een Kamerlid om diens gedrag bespreekbaar te maken en als de vertrouwenspersoon probeert, al dan niet met behulp van een mediator, tot overleg tussen gast en Kamerlid te komen. En ten slotte kunnen ook gasten baat hebben bij ondersteuning en begeleiding bij het indienen van een klacht, nu deze mogelijkheid als gezegd wel degelijk voor hen openstaat. Wellicht ten overvloede meldt het College nog dat de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon in artikel 7 niet limitatief zijn («in ieder geval»).
De leden wensen het College enkele concrete situaties voor te leggen, waarbij de vraag opkomt of de Gedragscode voor omgang met een gast wel heldere en uitvoerbare voorschriften bevat.
Het College wenst vooraf op te merken dat in de voorgestelde Gedragscode een grote rol is weggelegd voor een externe vertrouwenspersoon en een externe klachtencommissie. De vertrouwenspersoon en de leden van de commissie worden weliswaar door de Kamer benoemd, maar zij oefenen hun taken en bevoegdheden onafhankelijk uit. Voor de commissie geldt dat zij zelfstandig de feiten en omstandigheden van concrete gevallen onderzoekt en beoordeelt of daarin sprake is geweest van ongewenste omgangsvormen. Voor het College is pas weer een rol weggelegd als de commissie een advies heeft uitgebracht (artikel 19). In het navolgende zal het College dan ook voornamelijk verwijzen naar de relevante bepalingen die vertrouwenspersoon en commissie moeten toepassen. De concrete interpretatie daarvan is aan hen.
Situatie 1: Een journalist volgt kritisch een Kamerlid met wie hij al eens eerder een vete heeft gehad over diens steun aan Poetin. Iedere commissievergadering waarin een onderwerp wordt behandeld dat betrekking heeft op de betrekkingen tussen Europa en Poetin, wordt door de journalist bijgewoond, wat door het Kamerlid als stalking wordt ervaren. In de commissiekamer ontstaat direct na sluiting van de vergadering een woordenwisseling tussen het Kamerlid en de journalist. Het Kamerlid beschuldigt de journalist dat hij zich «als een bloedzuiger gedraagt» en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om «fikse maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren».
Is de journalist gast als bedoeld in de Gedragscode?
Ja, de journalist is een bezoeker van het Eerste Kamergebouw en valt daarmee onder de definitie van «gast» in artikel 1, tweede lid, onder e.
Vallen de gedragingen van het Kamerlid onder artikel 4, eerste lid, zodat de Gedragscode niet van toepassing is?
Dat is aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling door de klachtencommissie, maar het College meent prima facie van niet. Een woordenwisseling met een journalist is niet tot de eigenlijke commissievergadering te rekenen. Die is immers gericht op de uitwisseling van gedachten en argumenten tussen de Kamerleden. In dit geval geldt bovendien dat de vergadering reeds voorbij is.
Maakt het voor de toepassing van de Gedragscode uit of de woordenwisseling plaatsvindt op een moment dat de vergadering nog niet is afgesloten?
Als gezegd is er geen reden uit te gaan van een ruime interpretatie van artikel 4, eerste lid, van de Gedragscode. De uitzondering van dit artikel zou van toepassing kunnen zijn wanneer het betreffende Kamerlid tijdens de commissievergadering tegenover zijn collega-Kamerleden een betoog houdt waarin hij zich beklaagt over (vermeende) stalking door een journalist en daarbij de geciteerde taal bezigt. Een dergelijk betoog is tot de eigenlijke commissievergadering te rekenen, wat betekent dat een eventueel ingrijpen aan de commissievoorzitter is en de Gedragscode niet van toepassing is. Uit de beschrijving van de situatie blijkt echter dat sprake is van een directe woordenwisseling tussen een journalist en een Kamerlid. Die is naar het oordeel van het College niet tot de eigenlijke commissievergadering te rekenen, al is het is aan de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie om dit in concreto te beoordelen.
Valt het gedrag van het Kamerlid onder de Gedragscode wanneer hij tijdens de vergadering een bericht aan de journalist stuurt waarin hij de journalist beschuldigt dat hij zich als een bloedzuiger gedraagt en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren?
Dat is aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling door de klachtencommissie. Het zenden van een bericht met deze inhoud kan naar het oordeel van het College evenwel niet gekwalificeerd worden als behorend tot de vergadering. De uitzonderingsgrond van artikel 4, eerste lid, is dan niet van toepassing, waarmee het gedrag onder de Gedragscode valt.
Valt het gedrag van het Kamerlid onder de Gedragscode als hij een uur na de vergadering een e-mail aan de journalist stuurt waarin hij de journalist beschuldigt dat hij zich als een bloedzuiger gedraagt en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren?
Het is aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling door de klachtencommissie of een journalist een uur na de vergadering nog als gast te kwalificeren is. Dat zou het geval kunnen zijn als er een zeer nauw verband is tussen het versturen van het bericht en de aanwezigheid van de journalist bij de betreffende commissievergadering.
Valt het gedrag van het Kamerlid onder «ongewenste omgangsvormen» of «intimidatie» als bedoeld in artikel 1 sub a en c?
Het is aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling door de klachtencommissie of er in concreto sprake is van ongewenste omgangsvormen en, zo ja, welke. Mocht het tot een procedure bij de commissie komen en mocht deze een advies uitbrengen, dan is vervolgens het College aan zet, waarbij het College in beginsel het advies van de commissie volgt (artikel 19, tweede lid).
Situatie 2: Twee vertegenwoordigers van een organisatie «Stop de genocide in Gaza» zijn op bezoek geweest in de fractiekamer van een partij die in de Eerste Kamer is vertegenwoordigd. Doel was om de senatoren te informeren en over te halen de organisatie niet langer in een kwaad daglicht te stellen. Hun actie heeft geen succes. Twee weken later geeft een senator, die bij het gesprek aanwezig was, een interview waarin hij vertelt dat hij bezoek heeft gehad van die twee vertegenwoordigers en waarin hij hen aanmerkt als «een stelletje antisemieten die snel eens een pak rammel verdienen».
Opent de Gedragscode voor deze twee vertegenwoordigers de mogelijkheid om een melding te doen?
Een melding bij de vertrouwenspersoon acht het College mogelijk, nu de taak van de vertrouwenspersoon in de eerste plaats is de melder op te vangen, te helpen en te adviseren. De vertrouwenspersoon kan aangeven welke mogelijkheden en onmogelijkheden er zijn. De vraag is of ook een klacht bij de commissie over het interview mogelijk is, dan wel of de commissie een dergelijke klacht ontvankelijk zal verklaren en dus inhoudelijk zal beoordelen. Het is aan de commissie zelf om hier een oordeel over te geven, waarbij in dit geval niet alleen het grote tijdsverloop tussen het bezoek aan de Eerste Kamer en het interview een rol speelt, maar ook het gegeven dat de twee vertegenwoordigers in deze casus niet rechtstreeks door het Kamerlid bejegend worden. Ten aanzien van het tijdsverloop kan het College alleen maar aangeven dat een nauw verband tussen de gedraging van het Kamerlid en de aanwezigheid van personen in het Kamergebouw eerder zal worden aangenomen wanneer het gaat om een uur (zie Situatie 1) dan om twee weken (zie Situatie 2). Mocht overigens de klachtencommissie de klacht niet-ontvankelijk verklaren, dan kunnen de vertegenwoordigers overwegen aangifte te doen bijvoorbeeld wegens bedreiging of belediging.
Valt het gedrag van het Kamerlid onder «ongewenste omgangsvormen» of «intimidatie» als bedoeld in artikel 1 sub a en c?
Het is aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling door de klachtencommissie of er in concreto sprake is van ongewenste omgangsvormen en, zo ja, welke. Mocht het tot een procedure bij de commissie komen en mocht deze een advies uitbrengen, dan is vervolgens het College aan zet, waarbij het College in beginsel het advies van de commissie volgt (artikel 19, tweede lid).
Is het antwoord anders wanneer het Kamerlid een dag na het bezoek in een e-mail aan de twee vertegenwoordigers zou hebben meegedeeld «dat ze een stelletje antisemieten zijn die een pak rammel verdienen»?
Ook in dat geval is het aan de inschatting van de vertrouwenspersoon en ter beoordeling van de klachtencommissie. Relevant is in dit geval dat het tijdsverloop nu korter is (een dag vs. twee weken) en dat er sprake is van een rechtstreekse bejegening.
Het valt de leden van de JA21-fractie op hoeveel aandacht er in de Gedragscode is voor vermeende slachtoffers, maar dat het woord «assertiviteit» niet één keer wordt gebruikt. Zou het niet logisch zijn om als onderdeel van deze Gedragscode ook weerbaar gedrag aan te moedigen, onder andere door jaarlijks een assertiviteits- en/of weerbaarheidscursus aan te bieden voor senatoren en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie benadrukken terecht het belang van weerbaarheid. De voorgestelde Gedragscode is een hulpmiddel als iemand nauwelijks mogelijkheden ziet om ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen en een mogelijke stok achter de deur als het onderlinge gesprek hierover moeilijk lijkt of onmogelijk blijkt. De code draagt daarmee bij aan de weerbaarheid van een mogelijk slachtoffer en de gespreksbereidheid en zelfreflectie van het Kamerlid dat mogelijk over de schreef is gegaan. Het enkele feit dat de Eerste Kamer over zo’n code beschikt, zonder dat in het concrete geval gebruik hoeft te worden gemaakt van een meldings- of klachtenprocedure, zal naar verwachting bijdragen aan een cultuur van onderling gesprek en individuele weerbaarheid.
Ook een Kamerlid dat onder vuur ligt weet zich gesteund door de Gedragscode. De code definieert wat ongewenste omgangsvormen zijn (en wat dus niet), er is een onafhankelijk onderzoek naar een klacht door deskundigen, de beklaagde krijgt alle mogelijkheden zich te verweren en kan uiteindelijk ook vrijgepleit worden. De beklaagde wordt aldus weerbaarder, want hij kan erop vertrouwen dat de klachtencommissie ook oog heeft voor zijn belangen.
Hiërarchische en politiek-ambtelijke verhoudingen kunnen desondanks het onderlinge gesprek over vermeend grensoverschrijdend gedrag bemoeilijken, ondanks de versterkte individuele weerbaarheid. De cultuur van elkaar onderling aanspreken met aandacht voor weerbaarheid en kritische zelfreflectie moet verder worden bevorderd door initiatieven in het kader van het beleid dat het College ontwikkelt (artikel 2, tweede lid). Trainingen kunnen daar onderdeel van zijn.6
Het belang van dit beleid moet niet worden onderschat. Het tot stand brengen van een cultuur op de werkvloer van de Eerste Kamer waarin het onderlinge gesprek over ongewenste omgangsvormen mogelijk en laagdrempeliger is, draagt eraan bij dat in de toekomst minder vaak van de formele procedures in de Gedragscode gebruik hoeft te worden gemaakt. Iemand zal bij een veilige open cultuur minder snel geneigd zijn een melding of een klacht te doen, en eerder het gesprek durven aangaan. De Gedragscode fungeert dan slechts als een hulpmiddel en stok-achter-de-deur, voor die gevallen waarin het gesprek moeilijk is of onmogelijk blijkt. Er is tot slot bewust voor gekozen om in de nu voorgestelde Gedragscode zowel bij de melding bij de vertrouwenspersoon als gedurende bijna de gehele klachtenprocedure de mogelijkheid open te houden dat melder/klager en het Kamerlid in kwestie in onderling gesprek of door tussenkomst van een mediator met elkaar tot een oplossing komen. Ook is met de nota van wijziging (onderdeel B) het doen van een melding als voorwaarde gesteld voor het indienen van een klacht. Deze wijziging betekent niet dat een gesprek tussen melder en Kamerlid verplicht wordt gesteld (dat zou een onwenselijke drempel opwerpen), maar wel dat de vertrouwenspersoon met melder kan bespreken of een gesprek een reële mogelijk is om tot een oplossing te komen.
De leden van de SGP-fractie zijn op de hoogte van het bestaan van de Gedragscode Integriteit voor de leden van de Eerste Kamer. Wat is de motivatie om de Gedragscode omgangsvormen Eerste Kamer niet samen te voegen met de Gedragscode Integriteit, temeer daar in de Gedragscode omgangsvormen Eerste Kamer naar het regime van de Gedragscode Integriteit Eerste Kamer wordt verwezen? In hoeverre overlappen deze gedragscodes? Indien in voorkomende gevallen beide gedragscodes toepasbaar zijn, welke wordt dan toegepast? Is het bij voortschrijdend inzicht denkbaar om de Gedragscode omgangsvormen onderdeel te laten worden van de Gedragscode Integriteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er dan nodig, naast een eventuele aanpassing van de Gedragscode Integriteit?
Het College is van mening dat de Kamer bij de meest recente wijzing van het Reglement van Orde terecht heeft gekozen voor twee aparte regelingen, zoals volgt uit de tekst «[b]ij afzonderlijke regeling» in de artikelen 130 en 131 van dat reglement.
Politieke integriteit houdt nadrukkelijk verband met het politieke functioneren in het ambt van Kamerlid. Daarbij gaat het om het omgaan met belangen, met derden, i.c. het waken voor oneigenlijke beïnvloeding, het aannemen van geschenken, buitenlandse reizen en de openbaarmaking van functies naast het Kamerlidmaatschap, geheimhouding in vergaderingen en de omgang met vertrouwelijke stukken. Ongewenste omgangsvormen (bijvoorbeeld seksuele intimidatie, pesten, stalken of agressie) hebben geen rechtstreeks verband met het ambt van Kamerlid (iedereen kan zich hieraan schuldig maken) en hebben niet noodzakelijkerwijs ook een politieke lading. Een tweede verschil is dat bij ongewenste omgangsvormen, anders dan bij een politieke integriteitsschending als het niet openbaren van nevenfuncties of gemaakte reizen, er sprake is van een slachtoffer dat direct is geraakt.
Beide codes vullen elkaar aan, en de gedragingen waar het om gaat, zijn zo verschillend van aard dat niet veel overlap is te verwachten. Voor de uitzonderlijke gevallen dat dit toch het geval mocht blijken, is voorzien met de bepaling van artikel 4, tweede lid van de voorgestelde Gedragscode.
In de Tweede Kamer van de Staten-Generaal is geen Gedragscode omgangsvormen ongewenste omgangsvormen vastgesteld. Is overwogen om hierin samen op te trekken?
Bij de voorbereiding van de voorgestelde Gedragscode is het College niet gebleken dat de Tweede Kamer een soortgelijke code voorbereidt, zodat samen opgetrokken zou kunnen worden. Anders dan het Reglement van Orde van de Eerste Kamer schrijft het Reglement van Orde van de Tweede Kamer dat ook niet voor.7
Er bestaat wel een Gedragscode ongewenste omgangsvormen ambtelijke organisatie Eerste Kamer. Waarom is geen volledige aansluiting gezocht bij dit document? Waarom worden bijvoorbeeld de begrippen niet op dezelfde wijze beschreven in de beide Gedragscodes? Wat zijn moverende redenen om twee documenten te hanteren die behoorlijk verschillend zijn? Het gaat toch zowel bij de ambtelijke staf als bij de Kamerleden om menselijke verhoudingen?
Voor de ambtelijke organisatie zijn in 2022 drie besluiten vastgesteld: (1) Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen – ambtelijke organisatie, (2) Beleid ongewenste omgangsvormen – ambtelijke organisatie Eerste Kamer en (3) Gedragscode ongewenste omgangsvormen ambtelijke organisatie Eerste Kamer.8
Er is inspiratie gezocht in de genoemde Gedragscode voor griffieambtenaren, maar omdat Kamerleden geen werknemers zijn, kunnen de bepalingen uit die code niet een op een worden overgenomen. In de Gedragscode voor de ambtelijke organisatie is het bijvoorbeeld de Griffier die uiteindelijk besluit op de klacht, op advisering van de klachtencommissie. Als degene die de leiding heeft van de ambtelijke organisatie kan de Griffier vervolgens tegenover de griffiemedewerker een arbeidsrechtelijke sanctie treffen variërend van een schriftelijke waarschuwing tot ontslag, afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag. In geval van grensoverschrijdende omgangsvormen door Kamerleden is dat niet mogelijk.
De definitiebepalingen van ongewenste omgangsvormen in de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen – ambtelijke organisatie Eerste Kamer zijn ontleend aan de Gedragscode Integriteit Rijk.9 Dat is een kader voor integer handelen binnen de rijksoverheid, maar het is geen juridisch bindende regeling. In de nu voorgestelde Gedragscode is bij de definitie van ongewenste omgangsvormen zoveel als mogelijk aangesloten bij wettelijke definities. Hierbij aansluiten (inclusief de wetsuitleg en eventuele jurisprudentie) biedt duidelijkheid, voorkomt misverstanden en zorgt voor een uniforme toepassing. Het is daarom van groot belang voor het kenbaar zijn van de ontoelaatbaarheid van bepaalde gedragingen.
Het concept van de nu voorgestelde Gedragscode is in een eerder stadium ter kennis gebracht van het managementteam en de Ondernemingsraad van de Eerste Kamer. Toen is geconcludeerd dat het de voorkeur verdient de ambtelijke regeling aan te passen aan de Gedragscode, wanneer deze door de Kamer zou worden vastgesteld.10
In het algemeen hebben deze leden twijfels bij de rechtmatigheid van bepaalde keuzes in dit document, bijvoorbeeld door effectief geen rechtsmiddel open te laten voor de betrokken partijen, of het gebrek aan transparantie omtrent de onpartijdigheid van de Collegeleden, terwijl deze wel tot besluitvorming moeten komen.
In reactie verwijst het College graag naar de in juni 2023 vastgestelde profielschets van de Kamervoorzitter en de beide Ondervoorzitters.11 Aangenomen mag worden dat de huidige leden van het College aan de profielschets voldeden en nog altijd voldoen. De profielschets bepaalde dat ze «ervaring en/of affiniteit [hebben] met vraagstukken op het gebied van sociale veiligheid», maar ook dat ze «het vermogen [hebben] om in het belang van de Kamer boven de partijen te staan». De voorgestelde Gedragscode bevat nog aanvullende waarborgen voor het onpartijdig functioneren van het College in het kader van de Gedragscode. Op grond van artikel 19, tweede lid van de voorgestelde Gedragscode neemt het College het advies van de onafhankelijke klachtencommissie over, tenzij het College zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Van deze afwijking wordt in het besluit melding gemaakt, met vermelding van de zwaarwegende redenen die daaraan ten grondslag liggen. Anders gezegd: de (politieke) manoeuvreerruimte van het College is beperkt. Artikel 20 bevat nadere waarborgen voor onpartijdigheid. Mede naar aanleiding van de vraag van de leden van de SGP-fractie zijn die door middel van de bijgevoegde nota van wijziging verduidelijkt en versterkt. Kortheidshalve verwijst het College naar de toelichting bij onderdeel E van deze nota van wijziging, met de vervangingsregeling bij klachten gericht tegen en ingediend door een Collegelid (gewijzigd artikel 20, eerste lid) en de verschoningsmogelijkheid bij betrokkenheid op enige andere wijze (nieuw artikel 20, tweede lid).
Overwogen is om het instellen van beroep op de Kamer tegen het besluit van het College mogelijk te maken. Hiervan is afgezien, omdat dan 75 Kamerleden voor een goede weging kennis zouden moeten kunnen nemen van de ins en outs van een klachtendossier om te beoordelen of het besluit van het College (en in de meeste gevallen: het advies van de klachtencommissie) terecht is genomen. Dat is een te grote inbreuk op de privacy van betrokkenen. Hoewel een besluit van het College indirecte politieke gevolgen kan hebben voor het Kamerlid tegen wie een klacht was ingediend die uiteindelijk (deels) gegrond werd verklaard, is de beoordeling van ongewenste omgangsvormen – anders dan bijvoorbeeld politieke integriteit – niet primair een politieke aangelegenheid. Daarnaast zijn tijdens de gehele klachtenprocedure voldoende waarborgen ingebouwd voor zorgvuldige hoor en wederhoor. Tot slot zijn ook de mogelijk te treffen sancties en/of maatregelen (gelet op het (grond)wettelijk kader) naar verhouding relatief beperkt in zwaarte. Om deze redenen is afgezien van een beroepsmogelijkheid op de Kamer.
Op welke wijze is deze Gedragscode getoetst aan de rechtstatelijke, grondwettelijke en algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
Het College heeft in de voorgestelde Gedragscode gezocht naar een optimale balans tussen de rechten en plichten van melder/klager enerzijds en het beklaagde Kamerlid anderzijds. Tevens is gezocht naar een balans tussen snelheid en zorgvuldigheid.12 Bij de eventueel op te leggen sancties aan Kamerleden heeft het College voortgebouwd op het eerder door de Kamer ingenomen standpunt dat schorsingen of ontzetting van het lidmaatschap zich niet verdragen met het grondwettelijk verankerde vrije mandaat van de leden.13 In de Gedragscode is een belangrijke rol weggelegd voor de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie, die beide onafhankelijk en onpartijdig opereren. Zorgvuldig feitenonderzoek, hoor en wederhoor, en motivering van oordelen en adviezen zijn kerngrippen voor het functioneren van de commissie.
Welke professionele adviezen zijn ingewonnen bij het opstellen van deze Gedragscode? Is er bijvoorbeeld een expert op het gebied van integriteitscode geraadpleegd?
Er is gedurende het opstellen van het voorstel eenmaal extern advies ingewonnen, namelijk bij het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP), dat onder andere beschikt over expertise op het terrein van sociale veiligheid en integriteit. Er is ook een ECPRD-uitvraag14 gedaan met betrekking tot vergelijkbare codes van andere parlementen in Europa. Verder is de Ondernemingsraad van de Eerste Kamer geraadpleegd over het concept. Daarnaast is gebruikgemaakt van gepubliceerde gedragscodes en literatuur.
Vervolgens hebben de leden van de fractie van de SGP een aantal vragen bij de artikelen, apart dan wel in samenhang. Bij artikel 1 hebben zij de volgende vraag. De leden constateren dat in de Gedragscode niet alle begrippen worden gedefinieerd. Zo wordt niet toegelicht wanneer sprake is van een «bedreigend», «intimiderend» of «vernederend» karakter van een gedraging in artikel 1 lid 1 sub a. Is het mogelijk om de kwalificerende bewoordingen alsnog te definiëren en operationeel te maken?
Met het gebruik van deze woorden wordt aangesloten bij wettelijke definities. Een goed voorbeeld is de definitie van seksuele intimidatie in artikel 1a, onder 3 van de Algemene wet gelijke behandeling: «Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.» De door de SGP-leden genoemde woorden zijn in deze definitie terug te vinden. Door aan te sluiten bij wettelijke definities hebben de klachtencommissie en het College houvast bij het beoordelen van de klacht. Ze kunnen aansluiten bij de wetsuitleg door de wetgever en de jurisprudentie wanneer ze moeten beoordelen en besluiten of de klacht ongegrond, deels gegrond of gegrond is. Aansluiten bij bestaande terminologie vergroot bovendien de kenbaarheid vooraf.
In artikel 2 lid 2 krijgt het College een taak toebedeeld, namelijk om beleid te maken. Wat is dat anders dan het invoeren en handhaven van de Gedragscode?
Artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde Gedragscode bepaalt dat het College, bijgestaan door de Griffier beleid maakt gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. Ook moet het College toezien op de uitvoering van dat beleid.
Dat beleid omvat op de eerste plaats het bekendheid geven aan de Gedragscode en wat daarin is bepaald, zodat deze kenbaar is. Zonder kenbaarheid vooraf is gedrag niet verwijtbaar. Zoals eerder opgemerkt in reactie op de vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kan daarbij bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan casuïstiek. Dit kan onder andere door het maken van aanvullend informatiemateriaal (korte folder over hoe de Gedragscode werkt, stroomschema procedures, overzicht rechten klager («Ik ervaar ongewenst gedrag, wat nu?»), overzicht rechten beklaagde («Er is een klacht tegen mij ingediend, wat nu?») etc.), trainingen of informatiebijeenkomsten.
Ook worden bij het College door de vertrouwenspersoon mogelijke knelpunten gesignaleerd in de uitvoering van de Gedragscode en inlichtingen verstrekt over (verdere) mogelijkheden tot voorkoming of bestrijding van ongewenste omgangsvormen (artikel 7, onder f). Daarnaast doet de vertrouwenspersoon jaarlijks verslag van de werkzaamheden in het kader van de Gedragscode (artikel 7, onder e). De klachtencommissie doet op haar beurt vanuit haar rol in de klachtenprocedure hetzelfde (artikel 27, eerste lid en tweede lid). Samen met de kennis die het College zelf opdoet in de klachtenprocedure, kan het College de aldus ontvangen informatie benutten om zo nodig de uitvoering van de Gedragscode te (laten) verbeteren.
Een derde onderdeel van het beleid, expliciet genoemd in artikel 2, tweede lid, is het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. Reeds in antwoord op de vragen van de leden van de JA21-fractie is aangegeven dat het doel is een cultuur op de werkvloer van de Kamer tot stand te brengen waarin het onderlinge gesprek over ongewenste omgangsvormen mogelijk en gewoon is. Preventie van ongewenst gedrag voorkomt dat van de Gedragscode gebruik hoeft te worden gemaakt. Iemand zal bij een veilige open cultuur minder snel geneigd zijn een melding of een klacht te doen, en eerder het onderlinge gesprek durven opzoeken. De Gedragscode fungeert dan slechts als een hulpmiddel en stok-achter-de-deur, voor die gevallen waarin het gesprek moeilijk is of onmogelijk blijkt.
Concluderend, het beleid beperkt zich niet tot het bekendmaken en goed uitvoeren van de Gedragscode alleen, maar is gericht op het bevorderen van een cultuur waarin voor ongewenste omgangsvormen geen ruimte is en betrokkenen hierover zoveel als mogelijk met elkaar in gesprek gaan, juist om ongewenst gedrag te voorkomen of om tot een oplossing te komen wanneer gedrag als ongewenst is ervaren.
In artikel 3 staat dat ieder Kamerlid een melding of een klacht kan indienen als hij of zij slachtoffer is van een ander Kamerlid. Waarom alleen door een Kamerlid? Een Kamerlid kan toch ook bedreigd, geïntimideerd of vernederd worden door een niet-Kamerlid?
Een Kamerlid dat ongewenste omgangsvormen ervaart van een medewerker kan zich met een klacht wenden tot de werkgever van die medewerker. Dit is voor griffiemedewerkers de Griffier en voor fractiemedewerkers de fractie. Deze kunnen, wanneer de klacht gegrond is, arbeidsrechtelijke sancties treffen jegens de medewerker, al naar gelang de aard en ernst van de ongewenste omgangsvormen. Hiervoor is de voorgestelde Gedragscode niet nodig.
Ook een gast kan een melding doen. In de toelichting wordt aangegeven wat de breedte van dit begrip is, waaronder journalisten. Deze leden staan op het standpunt dat iedereen op een zorgvuldige wijze moet worden benaderd. Toch kan er een situatie ontstaan dat een Kamerlid geen interview wil geven in de «wandelgangen» of dat een interview onplezierig verloopt. Stel dat een journalist genegeerd wordt door een Kamerlid, kan dat als bedreigend, intimiderend of vernederend worden ervaren? Ziet het College met deze leden dat elk Kamerlid zeer kwetsbaar wordt met een dergelijke Gedragscode? Hoe voorkom je willekeur, en hoe bewerkstellig je proportionaliteit?
Het College maakt in reactie op bovenstaande vragen graag hetzelfde voorbehoud dat het ook maakte bij de voorbeelden van concrete gedragingen die leden van PvdD-fractie hebben gegeven. In de voorgestelde Gedragscode is een belangrijke rol weggelegd voor een externe vertrouwenspersoon en een externe klachtencommissie. De vertrouwenspersoon en de leden van de commissie worden weliswaar door de Kamer benoemd, maar zij oefenen hun taken en bevoegdheden onafhankelijk uit. Voor de commissie geldt dat zij zelfstandig de feiten en omstandigheden van concrete gevallen onderzoekt en beoordeelt of daarin sprake is geweest van ongewenste omgangsvormen. Voor het College is pas weer een rol weggelegd als de commissie een advies heeft uitgebracht (artikel 19). In het navolgende zal het College dan ook voornamelijk verwijzen naar de relevante bepalingen die vertrouwenspersoon en commissie moeten toepassen. De concrete interpretatie daarvan is aan hen.
Prima facie lijkt het niet willen geven van een interview zich niet te kwalificeren als ongewenste omgangsvorm. Dat zal waarschijnlijk ook zo zijn wanneer een Kamerlid de keuze maakt met bepaalde media niet te willen spreken. Naar inschatting van het College zal een onafhankelijke klachtencommissie de klacht in zulke gevallen snel als kennelijk ongegrond aanmerken. En wanneer dit niet meteen gebeurt, na onderzoek concluderen dat zij moet adviseren dat de klacht ongegrond is. De omschrijving van de leden van de SGP-fractie van een «onplezierig» verlopen interview biedt het College te weinig houvast om daar wat over te zeggen, dat hangt af van de feiten en omstandigheden van het voorval, zulks ter beoordeling van de klachtencommissie.
De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat senatoren kwetsbaar worden en dat willekeur moet worden voorkomen. Anders dan het woord «kwetsbaar» gebruikt het College liever het woord «verantwoordelijk». Kamerleden zijn zelf verantwoordelijk voor hun omgang met anderen. Willekeur wordt voorkomen, aangezien de ongewenste omgangsvormen kenbaar zijn; ze zijn vastgelegd in de Gedragscode en er wordt aandacht aan besteed in het te ontwikkelen beleid van het College.
Is het College het met de leden eens dat de kwalificaties «bedreigend», «intimiderend» en «vernederend» subjectief van aard zijn? Wat voor de één intimiderend is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Hoe wordt de subjectieve beleving van gedrag geobjectiveerd?
In reactie op een eerdere vraag van deze leden, heeft het College reeds aangegeven dat de aangehaalde begrippen zijn ontleend aan wettelijke definities, zodat de kenbaarheid groter is, ook al omdat kan worden aangesloten bij de wetsuitleg en jurisprudentie. In reactie op een vraag van de leden van de ChristenUnie is aangegeven dat ook het door het College te ontwikkelen beleid hieraan kan bijdragen. Het College heeft er naar aanleiding van deze vraag van de leden van de SGP-fractie, alsmede soortgelijke vragen van de leden van de fracties van VVD en ChristenUnie, voor gekozen om door middel van de begeleidende nota van wijziging (onderdeel A I) de definitie van ongewenste omgangsvormen zodanig te wijzigen dat er niet langer onduidelijkheid over bestaat dat in de klachtenprocedure uiteindelijk het feitelijke (geobjectiveerde) gedrag wordt getoetst en beoordeeld.
Artikel 4 lid 1 geeft bijzondere uitzonderingen die niet gemakkelijk te definiëren zijn. Immers, veel gedragingen van Kamerleden zijn te relateren aan plenaire beraadslagingen of commissievergaderingen. Is het duidelijker te omschrijven wat de grenzen zijn van de betreffende omstandigheden?
Het College verwijst graag voor de beantwoording van deze vragen naar de antwoorden op verwante vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en van de PVV-fractie, en naar hetgeen door het College is opgemerkt bij de casussen die door de leden van de PvdD-fractie naar voren zijn gebracht.
Lid 2 laat zien dat er blijkbaar een overlap mogelijk is met de Gedragscode integriteit. Is een samenvoeging van deze Gedragscode met de Gedragscode integriteit niet voor de hand liggend? En zo ja, maakt voortschrijdend inzicht het misschien wenselijk om het Reglement van Orde op artikel 131 aan te passen? Of zijn er belangrijke redenen aan te voeren daartegen?
Deze vragen van de leden van de SGP-fractie zijn eerder in deze paragraaf reeds beantwoord.
In de Gedragscode hoofdstuk I, artikel 1, lid 2, sub m staat als melder gedefinieerd: «melder: Kamerlid, medewerker of gast bij de Eerste Kamer die zich met een melding inzake ongewenst gedrag door een Kamerlid tot de vertrouwenspersoon wendt.». De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben hierover de volgende vragen. Waarom is de groep die zich kan melden beperkt tot Kamerlid, medewerker of gast van de Eerste Kamer? Burgers, niet zijnde een gast, die te maken krijgen met ongewenste omgangsvormen van een Kamerlid kunnen geen beroep doen op deze Gedragscode. Graag ontvangen de leden een toelichting op de keuze hiervoor.
Zoals in de antwoorden op vragen van de leden van de PvdD-fractie in paragraaf 2 is aangegeven, beoogt het College met de bescherming van gasten een middenweg te bewandelen. Een interne regeling die álle derden bestrijkt die waar dan ook met Kamerleden omgaan, voert naar het oordeel van het College te ver, terwijl helemaal niets regelen over de omgang met derden ook niet bevredigend is. De definitie van een gast in de Gedragscode is ruim. Zoals de toelichting bij artikel 1 aangeeft, kan het gaan om «bewindslieden, hun begeleidende ambtenaren, uitgenodigde deskundigen, maar ook om personen die werkzaamheden komen verrichten, journalisten, en bezoekers van het gebouw en toeschouwers van vergaderingen van de Kamer en haar commissies. Bovendien maakt de definitie duidelijk dat het ook kan gaan om gasten bij een door de Eerste Kamer georganiseerde bijeenkomst, waarbij gedacht kan worden aan werkbezoeken buiten het Kamergebouw die door de Eerste Kamer worden georganiseerd.»15 Met de bescherming van gasten wordt aangesloten bij de bijzondere verantwoordelijkheid van de Kamer, c.q. het College, voor de sociale veiligheid in het Kamergebouw, dan wel tijdens bijeenkomsten georganiseerd door de Eerste Kamer op externe locaties.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de onafhankelijkheid van de vertrouwenspersonen wordt gewaarborgd gezien hun rol en verantwoordelijkheden? Worden er voldoende middelen en training beschikbaar gesteld aan vertrouwenspersonen om hun taken effectief uit te voeren?
Is anonimiteit van de melder wenselijk? Is het verstandig om contact op te nemen met het Kamerlid over een melding zonder de identiteit van de melder bekend te maken? Wordt het Kamerlid hiermee niet de mogelijkheid ontnomen om in detail van de melding kennis te nemen en er goed op te reageren? Is het niet juist zo dat het bespreken van de identiteit van de melder kan bijdragen aan het creëren van meer transparantie en wederzijds begrip, terwijl het tegelijkertijd de delicate balans moet bewaren tussen vertrouwelijkheid en rechtvaardigheid? Waarom wordt de melder niet vanaf het begin verzocht om schriftelijk uit te leggen waarom de gedraging als «ongewenst» wordt ervaren?
De onafhankelijkheid van de vertrouwenspersoon wordt in de eerste plaats gewaarborgd doordat het een externe functionaris betreft, die bij zijn of haar functioneren geen verantwoording verschuldigd is aan of afhankelijk is van enig orgaan of college. Om de onafhankelijkheid te versterken zijn ook enige incompatibiliteiten opgenomen (artikel 5, tweede lid). De vertrouwenspersoon doet weliswaar verslag aan het College over de werkzaamheden in het kader van de Gedragscode (artikel 7, onder e), maar dat is evident iets anders dan verantwoording afleggen.
In de toelichting wordt met betrekking tot de vertrouwenspersoon het volgende opgemerkt: «Hoewel de competenties van de vertrouwenspersoon niet precies zijn vastgelegd in de Gedragscode ligt het voor de hand dat hij of zij integer, onafhankelijk en onpartijdig is, levenservaring heeft, en toegankelijk, empathisch en luistervaardig is.»16 De Kamer heeft al enkele jaren ervaring opgedaan met het werven en aanstellen van vertrouwenspersonen integriteit. Die ervaringen kunnen ook worden ingezet bij de selectie van een onafhankelijke vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen. Zo kan worden gewerkt met een benoemingsadviescommissie en kan aansluiting worden gezocht bij de vacaturetekst die voor de vertrouwenspersoon integriteit is gebruikt. Indien de Kamer dat wenst, kan in de vacaturetekst bijvoorbeeld nog worden opgenomen dat er een kandidaat wordt gezocht die is aangesloten bij een beroepsvereniging die duidelijke beroepsnormen hanteert als onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, deskundigheid en objectiviteit en die verder een voor het lidmaatschap vereist criterium van permanente educatie heeft.
Een melding op grond van de Gedragscode betreft een vertrouwelijk gesprek tussen de vertrouwenspersoon en de melder, bedoeld om ongewenste omgangsvormen te bespreken en te verkennen welke vervolgstappen mogelijk zijn. Vertrouwelijkheid en anonimiteit zijn twee verschillende begrippen. De identiteit van de melder is bij de vertrouwenspersoon bekend, dus deze is niet anoniem. De vertrouwenspersoon is wel in beginsel verplicht tot geheimhouding van de identiteit van de melder tegenover het Kamerlid wiens gedrag door de melder als ongewenst wordt ervaren. Dat ligt voor de hand en is gebruikelijk. Bij ongewenste omgangsvormen is sprake van een kwetsbare positie van de melder, waarbij de vertrouwenspersoon een veilige ruimte dient te bieden. De melder moet vrij kunnen spreken, zonder angst voor repercussies. De vertrouwenspersoon heeft vervolgens op grond van artikel 7 een aantal taken en bevoegdheden om de melder verder te helpen. De optie genoemd in artikel 7, onder b, gaat inderdaad over het bespreekbaar maken van gedrag zonder dat de identiteit van de melder bekend wordt gemaakt, terwijl de optie van artikel 7, onder c, een stap verder gaat en uitgaat van een overleg waarbij de identiteit van de melder wél bekend is. Voor welke optie wordt gekozen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de wensen van de melder en de inschatting van de vertrouwenspersoon ten aanzien van de effectiviteit van elke stap.
Het College realiseert zich dat ook degene over wie een melding is gedaan kwetsbaar is, zeker wanneer door de vertrouwenspersoon contact met hem of haar wordt gezocht zonder dat de identiteit van de melder wordt bekendgemaakt (en daarmee het precieze voorval) (artikel 7 onder b). Deze mogelijkheid schrappen, betekent echter dat de mogelijkheden om zonder klacht tot een oplossing te komen, worden verkleind. Anders gezegd, juist ook diegene over wie is gemeld kan baat hebben bij de mogelijkheid die artikel 7, onder b biedt. Met de bijgevoegde nota van wijziging (onderdeel B) heeft het College verder een melding en een gesprek met de vertrouwenspersoon voorwaardelijk gemaakt voor het indienen van een klacht. Zo kan de vertrouwenspersoon in voorkomende gevallen met de melder bespreken of een gesprek in het concrete geval wellicht toch zinvol kan zijn om tot een oplossing te komen. Wellicht ten overvloede merkt het College tot slot op dat een anonieme klacht op grond van de Gedragscode niet-ontvankelijk is (artikel 12, tweede en derde lid). Bij een behandeling van een klacht weet de beklaagde dus altijd wie hij of zij tegenover zich heeft.
Het College vindt het belangrijk dat de meldingsprocedure bij de vertrouwenspersoon toegankelijk is. Het stellen van de eis schriftelijk uit te leggen waarom de gedraging als ongewenst wordt ervaren zou aan het laagdrempelige karakter van de procedure afbreuk doen en de toegankelijkheid van de vertrouwenspersoon verkleinen.
Is de huidige procedure toegankelijk indien de melder niet wenst deel te nemen aan een gesprek met de beklaagde onder leiding van de Voorzitter en/of de vertrouwenspersoon? In hoeverre is een gesprek onder leiding van de vertrouwenspersoon van toegevoegde waarde en zouden er situaties kunnen zijn waarin de Voorzitter een meer passende rol speelt in dergelijke gesprekken? Welke factoren zouden de keuze tussen deze benaderingen moeten beïnvloeden? Zijn de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon, zoals het opvangen en begeleiden van de melder bij het indienen van een klacht, goed afgebakend in de Gedragscode? Waarom begeleidt de vertrouwenspersoon wel de melder, maar niet het Kamerlid in de verdere procedure?
De persoon die meent met ongewenste omgangsvormen te maken te hebben, heeft de vrijheid zelf een keuze te maken hoe een kwestie aan de orde te stellen. Hij of zij kan met het Kamerlid in kwestie in gesprek gaan, en kan daarbij al dan niet de bemiddeling van bijvoorbeeld de Voorzitter, een Ondervoorzitter of een fractievoorzitter inroepen. De persoon kan ook een melding doen bij de vertrouwenspersoon. In het daaropvolgende gesprek tussen de vertrouwenspersoon en de melder kan dan worden besproken wat de mogelijkheden zijn om tot een oplossing te komen. Na het doen van een melding kan die persoon desgewenst ook een klacht bij de commissie indienen. Los van de genoemde mogelijkheden kan diegene die meent slachtoffer te zijn van ongewenste omgangsvormen een vordering bij de civiele rechter of – indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven – een strafrechtelijke aangifte doen. Uiteraard is het toe te juichen wanneer een kwestie kan worden opgelost in een onderling gesprek tussen betrokkenen, maar of dit mogelijk is, hangt sterk af van de omstandigheden en feiten van het geval (waaronder aard en ernst van de ongewenste omgangsvormen of machtsverschillen tussen een mogelijk slachtoffer en het Kamerlid dat mogelijk ongewenst gedrag heeft laten zien). Wat de afbakening van de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon betreft: diens taken en bevoegdheden zijn niet-limitatief, juist om de melder maatwerk te kunnen bieden.17 De vertrouwenspersoon is er voor de melder: dat is eigen aan de functie van vertrouwenspersoon. Het Kamerlid kan, wanneer over hem of haar een melding is gedaan, iemand in vertrouwen nemen, zich laten adviseren en zich in de verdere (klachten)procedure door een raadsman laten begeleiden en bijstaan. Met enkele uitzonderingen (artikel 16, zesde lid) kan iedereen als raadsman een beklaagde bijstaan.
Er lijkt een discrepantie te bestaan tussen artikelen 6 en 7, waar in artikel 6 geheimhouding van de identiteit van de melder wordt vastgesteld en in artikel 7 de vertrouwenspersoon contact kan opnemen met het Kamerlid dat beklaagd wordt. Het is voor de leden van de SGP-fractie niet duidelijk of daarmee de geheimhouding van de identiteit van de klager wordt opgeheven. Kan het College aangeven wat bedoeld wordt? Als geheimhouding van de identiteit blijft bestaan, is dat reëel ten opzichte van een beklaagde, die vervolgens moet gissen naar omstandigheden en persoon? Op welke wijze kan een beklaagde dan het probleem oplossen, in der minne schikken, buiten de vertrouwenspersoon om? Hoe is het informatierecht van de beklaagde gewaarborgd? Eenieder heeft het recht om te weten waarvan hij/zij wordt beschuldigd. Hoe komt dit recht tot uiting indien de identiteit van de klager niet wordt bekendgemaakt bij de beklaagde? Op welke wijze wordt de geheimhouding opgeheven om het verschil tussen artikel 7 lid b en artikel 7 lid c op te heffen? Klopt het dat de vertrouwenspersoon, als lid 7b en 7c niet van toepassing zijn, de melder die nog steeds zijn of haar identiteit geheim wil houden, gaat ondersteunen bij het indienen van een klacht? Wat betekent dit voor de positie van de beklaagde?
Het College merkt allereerst op dat de leden van de SGP-fractie ten onrechte spreken van «klager», «beklaagde» en een Kamerlid dat «beklaagd» wordt. De artikelen 6 en 7 gaan over een melding bij de vertrouwenspersoon en er is dus sprake van een «melder» en van een «Kamerlid wiens gedrag door de melder als ongewenst wordt ervaren». Dat gezegd hebbend, ziet het College niet de discrepantie die de leden van de SGP-fractie menen te zien. Zoals in de toelichting is aangegeven18, bevat artikel 7 een niet-limitatieve opsomming van taken van de vertrouwenspersoon, afgestemd op de behoeften en verwachtingen van de melder. In het geval van artikel 7, onder b, gaat het om het geval dat de vertrouwenspersoon contact opneemt met het betreffende Kamerlid zonder dat de identiteit van de melder daarbij wordt onthuld. Dit kan een optie zijn op het moment dat van het beweerde ongewenste gedrag veel mensen getuige waren en de identiteit van de melder dus minder relevant is. In het geval van artikel 7, onder c, zal de vertrouwenspersoon trachten te komen tot overleg tussen de melder en het Kamerlid. Dit gaat dus een stapje verder. In de vereiste schriftelijke toestemming zal de melder ook toestemming moeten geven voor het delen van diens identiteit met het Kamerlid, conform artikel 6, tweede lid. Mocht de melder onder alle omstandigheden anoniem willen blijven voor het Kamerlid, dan zal de weg van artikel 7, onder c, niet begaanbaar zijn. De vertrouwenspersoon zal de melder moeten mededelen dat in dat geval ook een klacht bij de klachtencommissie feitelijk onmogelijk is, aangezien tijdens een procedure bij de commissie de naam van de klager aan de beklaagde wordt verstrekt (vgl. artikel 12, tweede lid, onder a en artikel 13, vijfde lid). Anonieme klachten zijn niet mogelijk.19
Artikel 9 lid 3 stelt: «De commissie is divers samengesteld.». De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt verstaan onder «divers» en op basis van welke criteria wordt dit bepaald? Wat zijn voorts de criteria voor «deskundig en ervaren»?
De beide criteria voor de samenstelling van de commissie zijn gekozen omdat de commissie te maken kan krijgen met uiteenlopende vormen van ongewenst gedrag en gelet op de diversiteit onder Kamerleden, medewerkers en gasten van de Eerste Kamer, waaruit klagers en beklaagden voortkomen. Diversiteit gaat over de verschillen tussen mensen (in onder andere gender, leeftijd of etnisch-culturele achtergrond). Dat de commissie deze diversiteit zoveel als mogelijk weerspiegelt, en niet eenzijdig is samengesteld, draagt bij aan een gezaghebbend optreden en vertrouwen in haar onafhankelijke en onpartijdige werkwijze en beoordeling. De deskundigheid en ervaring houden verband met de uiteenlopende gedragingen die de commissie moet beoordelen en de procedurestappen die bij een klacht moeten worden doorlopen. Dit vereist kennis van ongewenste omgangsvormen, alsmede kennis van en ervaring met klachtenafhandeling. De criteria worden verder uitgewerkt in het kader van de werving van de commissieleden, zoals dat ook is gebeurd bij de werving van de leden van de bezwaaradviescommissie als bedoeld in de Regeling bezwaaradviescommissie Eerste Kamer.
In hoofdstuk VI, artikel 16, lid 2 staat «De hoorzittingen en documenten van de commissie zijn niet openbaar en alle betrokkenen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen zij in het klachtdossier hebben kunnen lezen of wat zij op de hoorzitting hebben gehoord.». Hierover hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de volgende vragen. Hoe is deze geheimhouding materieel geborgd? Wat als deze geheimhouding door een van de betrokkenen wordt geschonden? Heeft dit gevolgen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de garantie van geheimhouding en bescherming van de melder en beklaagde?
Nu het bij de Gedragscode gaat om een interne Kamerregeling, zijn de mogelijkheden voor handhaving en sanctionering minder groot dan bij bijvoorbeeld een wet in formele zin. De Kamer kan immers niet zelfstandig strafbare feiten creëren of bestuurlijke boetes opleggen. Als gekozen wordt voor een procedure bij de klachtencommissie mag van de betrokkenen worden verwacht dat zij zich aan de door de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA genoemde geheimhoudingsverplichting houden, nu deze mede in hun eigen belang geldt. Het is verder denkbaar dat de klachtencommissie een schending van de geheimhoudingsverplichting meeweegt in haar advies voor een sanctie of maatregel. Wordt de schending gepleegd door een medewerker, dan zal deze daar minimaal door zijn leidinggevende op aangesproken worden, terwijl het bij schending door een Kamerlid (of een fractiemedewerker) aan diens fractie is of dit gevolgen heeft. Ten slotte is het denkbaar dat schending van de geheimhoudingsverplichting valt onder artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie op opzettelijke schending van geheimen.20
In hoofdstuk VII, artikel 18, lid 1 staat «Wanneer de commissie de klacht deels gegrond of gegrond verklaart, kan zij op grond van artikel 17, vierde lid, onder f, een van beide hierna te noemen sancties aan het College adviseren:
a. een waarschuwing aan beklaagde, zijnde een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van de omgangsvormen naar voren brengt.
b. een berisping van beklaagde, zijnde een terechtwijzing die de onjuistheid van de omgangsvormen naar voren brengt en hierover een verwijtend oordeel uitspreekt.».
Een berisping is een (veel) zwaardere maatregel dan een waarschuwing. Op basis waarvan kan de commissie bepalen over te gaan tot een waarschuwing of een berisping? Is het niet wenselijk om daar, op basis van ervaringen elders, meer richting aan te geven?
Zoals in artikel 9, derde lid, is vastgelegd, zijn de leden van de commissie deskundig en ervaren op het gebied van onafhankelijke, onpartijdige en zorgvuldige afhandeling van klachtprocedures met betrekking tot ongewenste omgangsvormen. Het is dus aannemelijk dat deze leden hun ervaring (en ook hun ervaring elders) zullen inzetten om de keuze voor een waarschuwing of een berisping te motiveren. In de toelichting op artikel 18 wordt op het onderscheid nader ingegaan21, terwijl het artikel zelf al duidelijk maakt dat (de mate van) verwijtbaarheid een belangrijke rol speelt. Daarmee is het artikel al gedetailleerder dan soortgelijke artikelen in diverse (tucht)wetten.22
Dat neemt niet weg dat het College mede naar aanleiding van deze vraag de in de Gedragscode voorgestelde sanctionering heeft heroverwogen. In het oorspronkelijke voorstel was vastgelegd dat een waarschuwing vertrouwelijk blijft, terwijl een berisping altijd openbaar wordt gemaakt door middel van een openbare brief aan de Kamer. Mede gelet op het feit dat een berisping al een zwaardere sanctie is dan een waarschuwing wordt het verschil tussen een waarschuwing en een berisping zo wel erg groot. Het College gaat daarom liever uit van drie mogelijkheden: de waarschuwing (altijd vertrouwelijk), de vertrouwelijke berisping en de openbare berisping. Aldus is het voorstel aangepast door de nota van wijziging (onderdeel D).
In het systeem van de Gedragscode stelt de klachtencommissie een advies op. Indien de klacht (deels) gegrond wordt verklaard, bevat het advies ook een voorstel voor de te treffen sanctie. Aan artikel 18 wordt toegevoegd dat de commissie het College kan adviseren de berisping openbaar te maken indien zwaarwegende redenen daar aanleiding toe geven. Openbaarmaking dient alleen plaats te vinden indien dit noodzakelijk en proportioneel kan worden geacht gelet op de ernst van de vastgestelde ongewenste omgangsvormen en de urgentie deze publiekelijk aan de orde te stellen. Dit vergt een afweging tussen het belang van openbaarheid van (ernstige) misstanden enerzijds en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Die afweging zal in eerste instantie de klachtencommissie moeten maken. De commissie geeft bij de keuze voor een sanctievoorstel haar overwegingen (artikel 17, vierde lid, onder d). Stelt de commissie een openbare berisping voor, dan dient het College dit voorstel in beginsel over te nemen (artikel 19, tweede lid) en dus tevens een openbare brief aan de Kamer te sturen waarin de naam van de beklaagde wordt genoemd (artikel 21, vierde lid). Bij zwaarwegende redenen kan het College echter besluiten van het voorstel van de commissie af te wijken. Een mogelijke reden is disproportionele reputatieschade voor de beklaagde. Ook het College maakt dus nog een weging, zodat kan worden aangenomen dat de berisping met bijkomende openbaarmaking alleen in ernstige gevallen van ongewenste omgangsvormen zal worden opgelegd.
De openbare brief zal niet méér informatie bevatten dan strikt noodzakelijk en proportioneel is. Naast de naam van de beklaagde wordt beknopt weergegeven wat is voorgevallen. In principe kan volstaan worden met het noemen van de vastgestelde ongewenste omgangsvormen, bijvoorbeeld «pesten» of «discriminatie». Dit alles geschiedt op zodanige wijze dat de privacy van de klager wordt beschermd.
Op welke manier wordt de consistentie van de klachtenafhandeling gegarandeerd, vooral bij complexere meldingen, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Wat zijn de criteria om een klacht als «kennelijk ongegrond» te verklaren, en waarom zijn deze niet vooraf helder gedefinieerd?
De consistentie van de klachtenafhandeling wordt bevorderd door de samenstelling van de commissie. De commissie is divers samengesteld, deskundig en ervaren. Hierdoor mag worden aangenomen dat de commissie in staat is ook complexere klachten te behandelen en daarin consistent te oordelen en adviseren, waarbij wordt voortgebouwd op eerdere adviezen.
De term «kennelijk ongegrond» is afkomstig uit het bestuursrecht.23 Met de term is bedoeld dat uit de klacht zelf al blijkt dat de aangevoerde bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Omdat het om een volledig ingeburgerde term gaat, ook bij de afhandeling van klachten, ziet het College geen aanleiding voor nadere definiëring.
Deze leden vragen hoe de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd bij het delen van informatie tussen verschillende betrokken partijen? Waarom wordt niet in de Gedragscode opgenomen dat bij schending van de geheimhouding in beginsel de Rijksrecherche wordt ingeschakeld, tenzij de Kamervoorzitter anders beslist, om zo de verleiding tot lekken te verminderen? Artikel 11 van de Gedragscode integriteit Eerste Kamer vermeldt specifieke sancties voor schending van de geheimhouding (uitsluiting van vergaderingen en/of kennisneming van vertrouwelijke stukken), waarom voorziet de Gedragscode daar niet eveneens in? Welke maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat kwaadwillenden repercussieloos kunnen lekken?
In antwoord op de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA is reeds aangegeven dat opzettelijke schending van een geheimhoudingsplicht mogelijk valt onder artikel 272 Wetboek van Strafrecht. Ook is gewezen op eventuele andere gevolgen van een schending. Het College is er geen voorstander van om in de Gedragscode op te nemen dat bij «lekken» steeds aangifte wordt gedaan, c.q. de Rijksrecherche wordt ingeschakeld.24 De Gedragscode is een regeling die zich richt op het definiëren wat ongewenste omgangsvormen van Kamerleden zijn, op de procedure van het melden daarvan bij een vertrouwenspersoon en op het afhandelen van klachten over ongewenste omgangsvormen door eerst een klachtencommissie en vervolgens het College. Een voorschrift om in beginsel aangifte te doen staat daar te ver vanaf en kent ook geen parallel in andere regelingen van de Kamer, bijvoorbeeld de door de leden van de VVD-fractie genoemde Gedragscode integriteit.
Het College begrijpt ten slotte de verwijzing van deze leden naar artikel 11 van de Gedragscode integriteit, maar acht dit artikel niet goed toepasbaar op een procedure bij de klachtencommissie. Artikel 11 maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat een lid dat «lekt» uit een besloten commissievergadering van verdere commissievergaderingen wordt uitgesloten en een lid dat vertrouwelijke stukken «lekt» wordt uitgesloten van kennisneming van vertrouwelijke stukken. Toegepast op de klachtenprocedure zou dit ertoe leiden dat bijvoorbeeld klager of beklaagde niet naar een (tweede) hoorzitting zou mogen komen of dat hem of haar bepaalde stukken onthouden worden. Het College wil hier helder over zijn: in een klachtenprocedure kun je partijen niet weren bij hoorzittingen of stukken weigeren. Dit schaadt hun procespositie en maakt volledige hoor en wederhoor onmogelijk. Het College acht, kortom, de situaties (integriteitsschending en ongewenste omgangsvormen) naar de aard van de zaak niet goed vergelijkbaar.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat het horen van klager en beklaagde, buiten elkaars aanwezigheid, voldoet aan het principe van hoor en wederhoor?
In artikel 11, tweede lid, onder c van de Gedragscode is vastgelegd dat de klachtencommissie zorgvuldig hoor en wederhoor toepast. Het beginsel van hoor en wederhoor houdt in dat de commissie beide partijen moet horen en dat zij op elkaars argumenten moeten kunnen reageren, maar niet dat zij er recht op hebben dat dat in elkaar tegenwoordigheid gebeurt. Artikel 16, vierde lid, van de voorgestelde Gedragscode hanteerde aanvankelijk hetzelfde uitgangspunt als de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen voor de ambtelijke organisatie van de Eerste Kamer. Dat uitgangspunt is dat klager en beklaagde buiten elkaars aanwezigheid gehoord worden, omdat de confrontatie voor klager zodanig emotioneel belastend kan zijn dat deze alleen al om die reden zou kunnen afzien van het indienen van een klacht.25 Een directe confrontatie met iemand die volgens klager pest, intimideert, discrimineert, agressief of gewelddadig gedrag vertoont en/of stalkt, kan dan ook een hele opgave zijn. Het gaat immers om bijzonder gevoelige zaken, waarbij gevoelens van angst en schaamte bij klager groot zullen zijn. De status en statuur van een gekozen Kamerlid kunnen voor klager eveneens een reden zijn om maar geen klacht in te dienen als een directe confrontatie met de beklaagde nodig is.
Deze vraag van de leden van de VVD-fractie, alsmede een soortgelijke vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie, was voor het College echter aanleiding om nogmaals naar de hoorzitting te kijken en het vierde lid van artikel 16 bij nota van wijziging aan te passen. Uit nader onderzoek is het College gebleken dat horen in elkaars aanwezigheid én horen buiten elkaars aanwezigheid in de praktijk beide voorkomen. Zoals gezegd gaat de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen voor de ambtelijke organisatie van de Eerste Kamer uit van horen buiten elkaars tegenwoordigheid. Eenzelfde uitgangspunt trof het College onder andere aan in klachtenregelingen van de TU Delft, de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). De klachtenregelingen van de universiteiten van Maastricht en Utrecht gaan daarentegen uit van horen in elkaars tegenwoordigheid. In vrijwel alle klachtenregelingen zijn uitzonderingen op de hoofdregel mogelijk gelet op de specifieke omstandigheden van het geval.
Het College acht alles afwegende het ene uitgangspunt niet per definitie beter dan het andere. De feiten en omstandigheden van het concrete geval zijn bepalend voor wat wenselijk moet worden geacht. De beslissing kan daarom wat het College betreft het beste bij de onafhankelijke, deskundige klachtencommissie worden belegd (zie nota van wijziging, onderdeel C). Die kan aan de hand van de informatie in het klachtdossier oordelen of klager en beklaagde in of buiten elkaars aanwezigheid dienen te worden gehoord. Een aanvullend argument om de beslissing bij de commissie te laten is dat een klager zowel een Kamerlid als een medewerker of een gast kan zijn. Het voornaamste argument ten gunste van horen buiten elkaars aanwezigheid, namelijk dat de confrontatie voor klager zodanig emotioneel belastend kan zijn dat deze alleen al om die reden zou kunnen afzien van het indienen van een klacht, geldt mogelijk minder sterk als de klager een (collega-)Kamerlid is, maar ook dat hangt af van het concrete geval.
Op pagina 17 van de algemene toelichting staat «Ook staat het slachtoffers vrij ervoor te kiezen formeel aangifte te doen van een mogelijk strafbaar feit.». Evenals op pagina 26 van de algemene toelichting «Met betrekking tot het onderwerp sancties moet voorts worden overwogen dat voor gedragingen die zich lijken te kwalificeren als strafbaar feit, bijvoorbeeld zeden- en geweldsdelicten, voor klagers de strafrechtelijke route openstaat en dat zij aangifte kunnen doen.». Waarom zou in strafbare gevallen de Gedragscode aan de orde zijn, waar juist de strafrechtketen aan zet is? Graag ontvangen de leden van de PVV-fractie een nadere onderbouwing.
Er is van tevoren geen scherpe grens te trekken tussen gedragingen en bejegeningen die alleen maar ongewenst zijn en gedragingen en bejegeningen die ongewenst én strafbaar zijn. Het College ziet geen aanleiding om klager een bepaalde procedure op te dringen. Bij aangifte wegens een beweerd strafbaar feit is de klager afhankelijk van politie en justitie, terwijl hij of zij bij een klacht bij de commissie zelf de procedure kan opstarten. De keuze van klager kan door verschillende factoren ingegeven zijn, in het bijzonder wat klager hoopt te bereiken (bijvoorbeeld genoegdoening bij de klachtencommissie, schadevergoeding bij de civiele rechter, strafoplegging door de strafrechter).
Ook wordt op pagina 17 gesteld «De code is niet uit op juridisering van omgangsvormen.». Kan worden aangegeven of deze beoogde code dat juist niet in de hand werkt?
In de zin volgend op die welke door de leden van de PVV-fractie wordt geciteerd is aangegeven dat de Gedragscode een hulpmiddel is als iemand nauwelijks mogelijkheden ziet om ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen en een mogelijke stok achter de deur als het onderlinge gesprek hierover moeilijk lijkt of onmogelijk blijkt.26 Er zijn bij ongewenste omgangsvormen dus – ook los van de Gedragscode – altijd diverse mogelijkheden om deze aan de orde te stellen. Enkele van die mogelijkheden zijn in de toelichting ook genoemd: het betrokken Kamerlid aanspreken, hulp zoeken bij een leidinggevende, een fractievoorzitter of anderen. Het College wijst verder op de mogelijkheid dat de vertrouwenspersoon contact opneemt met een Kamerlid (artikel 7, onder b) of tracht overleg tussen melder en Kamerlid te bewerkstelligen, al dan niet met een externe bemiddelaar (artikel 7, onder c). Ook tijdens de klachtenprocedure is er de mogelijkheid van bemiddeling (artikel 11, derde lid). Ten slotte maakt het College op grond van artikel 2, tweede lid, van de Gedragscode beleid gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. Dit alles wijst naar het oordeel van het College niet op dreigende juridisering. Integendeel, wanneer de Kamer kan beschikken over een vooraf vastgestelde, zorgvuldige procedure met waarborgen voor klager en beklaagde en beoordeling door een onafhankelijke, deskundige klachtencommissie, dan is het de overtuiging van het College dat dit juridische strijd voorkomt. Het risico op het laatste neemt toe wanneer er niets is geregeld en in het concrete geval ad hoc naar een oplossing moet worden gezocht.
De leden van de SP-fractie hebben de volgende vraag met betrekking tot artikel 11 van het voorstel. Waarom moet de klacht na bemiddeling worden ingetrokken en niet als afgedaan beschouwd worden?
De term «afgedaan» suggereert dat de commissie aan een oordeel is toegekomen. Dat is hier nu juist niet het geval. De situatie is vergelijkbaar met een bestuursorgaan dat geheel of gedeeltelijk aan de indiener van een beroepschrift is tegemoetgekomen. In dat geval wordt het beroep eveneens ingetrokken en niet als «afgedaan» beschouwd.27
Wat wordt bedoel met lid 2 sub a en 2 sub b in artikel 13?
De term «kennelijk ongegrond» in het tweede lid onder a is afkomstig uit het bestuursrecht.28 Met de term is bedoeld dat uit de klacht zelf al blijkt dat de aangevoerde bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.
In het tweede lid onder b is bepaald dat een klacht niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen indien het belang van klager of de ernst van de gedraging kennelijk onvoldoende is. Ook deze formulering is ontleend aan het bestuursrecht, in het bijzonder aan het hoofdstuk in de Algemene wet bestuursrecht over klachtafhandeling.29 In feite is er sprake van een proportionaliteitstoets om zaken bij de commissie te voorkomen waarin bijvoorbeeld duidelijk sprake is van slechts geringe schade bij klager. Het College gaat ervan uit dat de commissie het tweede lid onder b niet lichtvaardig toepast.30
In artikel 16 lid 2 lezen deze leden dat de documenten niet openbaar zijn. Zijn ze dat ook niet onder de Woo? Hoe zit het met archiefvorming en uiteindelijke openbaarheid van deze archieven?
In het tweede lid van artikel 16 gaat het om de documenten van de commissie. Ingevolge het negende lid ontvangen klager en beklaagde het volledige dossier, terwijl andere betrokkenen op grond van het tiende lid alleen de relevante informatie ontvangen. Klager, beklaagde en andere betrokkenen zijn geen bestuursorganen, zodat de Wet open overheid (Woo) op hen niet van toepassing is (artikel 2.2 Woo). De Woo is mogelijk wel van toepassing op de commissie, maar het College verwacht niet dat zij verplicht is of kan worden tot openbaarmaking van de genoemde documenten. In elk geval is de actieve openbaarmakingsplicht van artikel 3.3 Woo niet van toepassing, aangezien de documenten in geen van de daar genoemde categorieën vallen (in het bijzonder niet in de categorie van het tweede lid, onder l). Bij een verzoek tot openbaarmaking op grond van hoofdstuk 4 van de Woo gelden diverse absolute en relatieve uitzonderingsgronden. Openbaarmaking blijft bijvoorbeeld achterwege indien het om bijzondere categorieën van persoonsgegevens gaat (artikel 5.1, eerste lid, onder d Woo) en blijft eveneens achterwege als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, onder e Woo). Nu het bij ongewenste omgangsvormen gaat om bijzonder gevoelige zaken, acht het College het niet aannemelijk dat hier vaak een verplichting tot openbaarmaking zal gelden. Het College merkt ten slotte op dat ook de Archiefwet beperkingen kent met het oog op persoonlijke levenssfeer (artikel 15).
Uit artikel 16 lid 9 volgt dat de beklaagde niet eerder dan bij de uitnodiging voor de hoorzitting de beschikking krijgt over alle stukken. Klopt dit vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. En zo ja, wat is de reden voor deze keuze? Belemmert dat niet de voorbereiding op de zitting en het bepalen van de rechtspositie van de beklaagde, inclusief diens recht op een deugdelijk onderbouwde en voorbereide verdediging?
De veronderstelling van de leden van de ChristenUnie-fractie is niet juist. In artikel 13, vijfde lid, is vastgelegd dat de beklaagde een afschrift van de klacht en alle bijbehorende documenten ontvangt zodra de commissie heeft besloten de klacht inhoudelijk in behandeling te nemen. De beklaagde heeft deze informatie ook nodig voor het formuleren van een reactie op de klacht als bedoeld in artikel 14.
Welke ruimte biedt dit reglement aan de commissie en/of aan anderen om een voorval dat geleid heeft tot een klacht of melding op andere wijze dan middels de voorgestelde procedure af te doen? Heeft het College overwogen om bijvoorbeeld de commissie expliciet de bevoegdheid te geven een minnelijke schikking te beproeven?
Een van de mogelijkheden bij een melding is dat de vertrouwenspersoon, met voorafgaande schriftelijke toestemming van de melder en desgewenst door middel van het inschakelen van een externe bemiddelaar, tracht te komen tot schriftelijk of mondeling overleg tussen de melder en het Kamerlid (artikel 7, onder c). Deze optie kan ertoe leiden dat de melding tot tevredenheid van de melder wordt uitgepraat. Uit artikel 11, derde lid, volgt dat in iedere fase van de procedure bij de commissie bemiddeling mogelijk is, mits partijen daarmee schriftelijk instemmen. Bemiddeling kan uiteraard ook op voorstel of suggestie van de commissie plaatsvinden. Gelet op het feit dat het bij ongewenste omgangsvormen om bijzonder gevoelige zaken gaat, gaat het het College echter te ver om de commissie bemiddeling te laten opleggen.
Het voorgestelde artikel 16 lid 2, maar ook het voorgestelde artikel 24 lid 1 bevat een vergaande geheimhoudingsverplichting. De leden van de ChristenUnie-fractie vrezen dat die belemmerend kan werken op het verlenen van effectieve rechtsbijstand aan klager en beklaagde, maar ook op het functioneren van beklaagde in fractie- en/of Kamerverband. Wat is de achtergrond van deze bepalingen en zou niet kunnen worden volstaan met een minder vergaande geheimhoudingsplicht?
De achtergrond van de geheimhoudingsverplichting is het gevoelige karakter van de zaken bij de klachtencommissie. Bij klager spelen hier doorgaans gevoelens van schaamte en angst, bij beklaagde het risico van (onterechte) reputatieschade en trial by media. Het College ziet geen belemmering van het verlenen van effectieve rechtsbijstand. Op grond van de Gedragscode kunnen partijen zich immers door een raadsman laten bijstaan (artikel 16, vijfde lid), en uiteraard kunnen zij met deze raadsman informatie delen (artikel 24, eerste lid). Het is het College niet direct duidelijk waarom sprake zou kunnen zijn van belemmering van beklaagde bij het Kamerwerk. Het is voor beklaagde wellicht lastig dat tijdens de procedure bij de commissie een geheimhoudingsverplichting geldt, maar het kan evenzeer lastig zijn als de fractie er wél van op de hoogte is dat tegen beklaagde een procedure bij de commissie loopt wegens – bijvoorbeeld – pesten, seksuele intimidatie of discriminatie.
Het voorgestelde artikel 16 lid 7 maakt het mogelijk dat de commissie getuigen en deskundigen uitnodigt. In welke mate en op welke grondslag hebben klager en beklaagde zelfstandig het recht om getuigen en deskundigen te doen horen door de commissie?
Uit artikel 16, zevende lid, volgt dat de commissie de uitnodiging voor de getuigen en deskundigen doet. Partijen kunnen voorstellen doen, maar het eindoordeel ligt bij de commissie. Zo kan voorkomen worden dat kansloze getuigen of personen aan wier deskundigheid getwijfeld mag worden toch gehoord moeten worden. Verwacht mag worden dat de commissie voorstellen van partijen serieus neemt. Geeft klager bijvoorbeeld de namen van getuigen van het voorval door (artikel 12, tweede lid, onder d), dan mag aangenomen worden dat commissie die getuigen uitnodigt.
Zou in artikel 16 lid 4 het uitgangspunt niet precies omgekeerd moeten zijn, namelijk dat klager en beklaagde in elkaars aanwezigheid gehoord worden, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten? De nu voorgestelde procedure heeft immers het grote risico in zich dat het verwordt tot een papieren werkelijkheid waarbinnen betrokkenen uitsluitend schriftelijk reageren op uitlatingen en standpunten van de ander, die ook nog eens door een derde zijn weergegeven en vastgelegd.
Het College heeft, zoals hierboven bleek in antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie, de hoorzitting heroverwogen en op grond daarvan ervoor gekozen in de voorgestelde Gedragscode vast te leggen dat het aan de commissie is te bepalen of zij klager en beklaagde hoort in of buiten elkaars aanwezigheid (nota van wijziging, onderdeel C). De feiten en omstandigheden van het concrete geval zullen bepalend zijn voor wat wenselijk moet worden geacht.
Overigens meent het College dat, in geval gekozen wordt voor het horen buiten elkaars aanwezigheid, het risico van een papieren werkelijkheid minder groot is dan de leden van de fractie van de ChristenUnie stellen. De commissie zelf hoort partijen immers in persoon en niet schriftelijk. Ten slotte is de procedure bij de commissie maar één weg om een geschil op te lossen. In elke fase van deze procedure kan met instemming van partijen bemiddeling plaatsvinden (artikel 11, derde lid).
In artikel 14 lid 1 lezen de leden de SGP-fractie dat de beklaagde in staat wordt gesteld om te reageren op de klacht. Daarbij heeft de beklaagde een recht op informatie. De beklaagde moet immers weten waartegen hij/zij zich verweert. Tegelijk zijn geen richtlijnen gegeven voor het dossier dat aan de beklaagde wordt toegezonden. Op welke wijze wordt de beklaagde goed in de gelegenheid gesteld zich te verweren? Aan welke eisen moet het dossier voldoen dat aan de beklaagde wordt toegezonden? Indien de beklaagde meer tijd nodig heeft om informatie te winnen of bewijsstukken te vergaren, is het dan mogelijk om de reactietermijn te verlengen?
In artikel 13, vijfde lid, is bepaald dat beklaagde bij de kennisgeving van de commissie een afschrift van de klacht en alle daarbij behorende documenten ontvangt. Er worden dus geen stukken achtergehouden voor beklaagde: deze ontvangt een compleet dossier. De termijn voor het indienen van een reactie op de klacht is vier weken (artikel 14, tweede lid), hetgeen ruim is en voldoende zou moeten zijn. Het is verder niet zo dat in deze reactie reeds alle argumenten van beklaagde moeten worden opgenomen. Anders gezegd, er geldt geen «argumentatieve fuik» zoals men die in het bestuursrecht wel tegenkomt. Beklaagde kan zich – om enkele voorbeelden te noemen – verweren tijdens de hoorzitting, een getuige of deskundige voorstellen, dan wel de commissie verzoeken inlichtingen in te winnen (artikel 15, zevende lid).
In artikel 15 lid 9 is een geheimhoudingverplichting opgenomen. Mogen betrokkenen in het onderzoek wel met elkaar overleggen, zowel met de klager als met de beklaagde? En mag een Kamerlid wel overleg voeren binnen de eigen fractie, of met collega’s van buiten de fractie? Datzelfde geldt voor de klager, kan die dan wel aan zijn/haar collega’s verzoeken om hem/haar niet alleen te laten? Of schendt dat de geheimhouding?
Geheimhouders kunnen in beginsel met andere geheimhouders overleggen indien daar aanleiding voor is. Dat is immers geen schending van de geheimhouding. Wel geldt op grond van artikel 24, tweede lid, voor Kamerleden een verbod op beïnvloeding. Van het «alleen» laten van klager of beklaagde is geen sprake. Zij kunnen zich laten bijstaan door een raadsman, en overleg met een raadsman is uiteraard toegestaan (artikel 16, vijfde lid, artikel 24, eerste lid). Enkele incompatibiliteiten daargelaten (artikel 16, zesde lid) kan een raadsman ook een collega of collega-fractielid zijn, indien klager of beklaagde daar behoefte aan hebben.31
In de toelichting op artikel 17 wordt bij de belangrijkste onderdelen van het advies van de commissie niet de motivering van het advies vermeld. Deze is echter verplicht in het licht van de Algemene wet bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit de Gedragscode blijkt niet aan welke vereisten de motivering van een besluit tenminste moet voldoen. Voor zover de leden van de SGP-fractie bekend is, is het gebruikelijk om tenminste enkele richtlijnen te stellen voor de deugdelijke motivering van een besluit. Waarom is ervoor gekozen om geen aandacht aan de motiveringsplicht te besteden? Is het College bereid om de vereisten omtrent motivering toe te voegen?
In artikel 17, vierde lid, onder d is voorgeschreven dat het advies de overwegingen en conclusies van de commissie bevat. De commissie dient dus aan te geven hoe zij tot haar conclusies komt. Anders dan de leden van de SGP-fractie veronderstellen, geldt er dus wel degelijk een motiveringsplicht. Het College begrijpt niet goed welke richtlijnen gesteld zouden moeten worden voor de motivering, anders dan dat de overwegingen de conclusies, en dus het advies, moeten dragen. Als de motivering gebreken vertoont, kan het College een zwaarwegende reden hebben om van het advies af te wijken (artikel 19, tweede lid).
Artikel 19 beschrijft het «Besluit van het College» en stelt onder andere in lid 5: «Tegen een besluit van het College staat geen bezwaar of beroep open.». Kan worden aangegeven of het College op deze manier niet een soort tribunaalfunctie krijgt, waar het College naar haar aard niet voor bedoeld is, zo vragen de leden van de PVV-fractie. Kan onderbouwd worden hoe deze «rechtersrol» past bij het College? Kan nader worden geduid hoe het uitsluiten van bezwaar of beroep zich verhoudt tot de rechtszekerheid van een beklaagde? Kan tevens worden geduid hoe deze Gedragscode zich verhoudt tot andere vormen van rechtszekerheid van een beklaagde, in hoeverre is het bijvoorbeeld mogelijk om naar een reguliere rechtbank/voorzieningenrechter te stappen om bijvoorbeeld in kort geding maatregelen of aanklachten uit deze Gedragscode aan te vechten?
Het College begrijpt niet goed wat de leden van de PVV-fractie bedoelen met «een soort tribunaalfunctie». De gehele klachtenprocedure voorafgaand aan het besluit van het College speelt zich af bij een onafhankelijke, divers samengestelde commissie, waarvan de leden deskundig en ervaren zijn. Bij de commissie vindt de uitwisseling van stukken plaats en bij de commissie worden partijen gehoord. Hoor en wederhoor is een fundamenteel beginsel dat de gehele procedure kenmerkt (artikel 11, tweede lid, onder c). Een en ander leidt vervolgens tot een schriftelijk advies van de commissie aan het College. Op grond van artikel 19, tweede lid, neemt het College het advies over, tenzij het zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Die zwaarwegende redenen dienen vermeld te worden. Het College ziet in deze marginale toets van het College geen «tribunaalfunctie» of «rechtersrol». Op de redenen om geen beroep op de Kamer open te stellen is in de toelichting reeds ingegaan en dit wordt ook op andere plaatsen in deze nota toegelicht.32
De sancties en maatregelen die het College, op advies van de onafhankelijke commissie, kan opleggen, hebben geen zware rechtspositionele rechtsgevolgen zoals bij een straf- of bestuursrechtelijk proces. Het besluit van het College wordt in de regel slechts door middel van vertrouwelijke brieven aan beklaagde en klager kenbaar gemaakt, niet aan anderen (artikel 19, derde lid). Hoewel een openbare berisping mogelijk is, zal deze naar verwachting alleen in ernstige gevallen van ongewenste omgangsvormen worden opgelegd. Mocht een beklaagde niettemin van oordeel zijn dat het besluit van het College een onrechtmatige daad oplevert, bijvoorbeeld omdat het leidt tot reputatieschade, dan is een gang naar de civiele rechter op grond van artikel 6:162 BW altijd mogelijk. De civiele rechter kan ook in kort geding aanvullende rechtsbescherming bieden. De Gedragscode sluit dit niet uit en kan dit ook niet uitsluiten.
Artikel 21 lid 4 stelt «Wanneer het College besluit tot berisping van beklaagde, maakt het dit onderdeel van het besluit openbaar door middel van een openbare brief aan de Kamer. In deze brief worden de naam van beklaagde en de ongewenste omgangsvormen die aanleiding hebben gegeven tot deze sanctie genoemd, op zodanige wijze dat de privacy van klager wordt beschermd.». Hoe verhoudt dit zich tot de privacy van de beklaagde, in het bijzonder ook tot onder andere de AVG? Daarbij wordt in de artikelsgewijze toelichting op pagina 27 over artikel 21 gesteld «Besluit het College evenwel tot de sanctie van een berisping, dan wordt de berisping publiek gemaakt met een openbare brief aan de Kamer, met dien verstande dat het grensoverschrijdend gedrag dat aan het Kamerlid wordt verweten zodanig wordt omschreven dat de privacy van klager niet in het geding komt. De naam van het Kamerlid tegen wie de klacht was ingediend wordt wél in die brief genoemd.». Kan worden aangegeven hoe deze werkwijze zicht verhoudt tot het rechtsstatelijke beginsel van de onschuldpresumptie?
Het noemen van een naam in een openbare brief aan de Kamer betekent dat sprake is van een verwerking van persoonsgegevens en dat hiervoor aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Algemene verordening persoonsgegevens (AVG) moet worden voldaan. In dit geval dient de verwerking ter voldoening aan de verplichting van artikel 21, vierde lid, waarmee artikel 6, eerste lid, onder c van de AVG een grondslag voor de verwerking vormt. De verwerking dient verder de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de Kamer en de klager als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f van de AVG. Het College heeft artikel 21, vierde lid, overigens aangepast (nota van wijziging, onderdeel D). Van standaard openbaarmaking van de berisping is geen sprake meer: openbaarmaking is een optie, bedoeld voor de ernstige gevallen. Het College verwijst verder naar de toelichting bij de nota van wijziging en de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA in paragraaf 5.
De onschuldpresumptie waarnaar de leden van de PVV-fractie verwijzen, houdt in dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld is bewezen. Het gaat hier om een belangrijk beginsel uit het strafrecht dat onder meer in artikel 6 van het EVRM is vastgelegd. Het beginsel is niet rechtstreeks van toepassing op de procedures uit de Gedragscode, nu deze niet tot het strafrecht behoren. Uit de Gedragscode volgt niettemin dat de klachtencommissie onpartijdig is (vgl. artikel 9, derde lid), de feiten en omstandigheden van de casus onderzoekt en vaststelt (artikel 11, tweede lid, onder b en artikel 17, vierde lid, onder c) en zorgvuldig hoor en wederhoor toepast (artikel 11, tweede lid, onder c). Door vermelding van haar overwegingen motiveert de commissie voorts haar advies (artikel 17, vierde lid, onder d). Uit het voorgaande volgt dat de commissie een beklaagde zonder vooringenomenheid zal benaderen. Op het moment dat het College het advies van de commissie tot een berisping overneemt, heeft er dus reeds een zorgvuldige procedure plaatsgevonden, waarin de rechten en belangen van de beklaagde volledig zijn gerespecteerd.
Pagina 16 van de algemene toelichting stelt: «Daarnaast kan ervan worden uitgegaan dat als de commissie een klacht (deels) gegrond verklaart en een sanctie en/of maatregelen adviseert aan het College en het College dit advies overneemt, hiervan een signaalfunctie uitgaat, waarmee ongewenste gedragingen in de toekomst worden ontmoedigd of zelfs voorkomen.». Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat hier in plaats van een signaalfunctie er een schandpaalfunctie van uit gaat?
De functie van een sanctie is drieledig: normbevestiging, genoegdoening voor het slachtoffer en de Kamerorganisatie en preventie (voorkomen dat het Kamerlid in kwestie opnieuw over de schreef gaat). De gegrondverklaring en de sanctie bevestigen derhalve de binnen de Kamerorganisatie geldende gedragsnormen, maken duidelijk dat in het concrete geval en soortgelijke gevallen zelfreflectie en gedragsverandering bij het Kamerlid noodzakelijk zijn en onderstrepen de wenselijkheid van een veilige en respectvolle werkcultuur. Dat is wat het College met «signaalfunctie» bedoelt. Tot slot kan niet vaak genoeg herhaald worden dat de gegrondverklaring van de klacht en het opleggen van de sanctie en/of maatregelen de uitkomst zijn van een zeer zorgvuldige procedure, waarin de rechten van het beklaagde Kamerlid ten volle zijn gewaarborgd.
Op pagina 17 van de algemene toelichting wordt gesteld «Hoewel een besluit van het College indirecte politieke gevolgen kan hebben voor het Kamerlid tegen wie een klacht was ingediend die uiteindelijk (deels) gegrond werd verklaard, is de beoordeling van ongewenste omgangsvormen – anders dan bijvoorbeeld politieke integriteit – niet primair een politieke aangelegenheid». Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat het een «politieke aangelegenheid» wordt?
Het College herhaalt graag wat het eerder in deze nota naar aanleiding van het verslag heeft opgemerkt bij een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP (zie paragraaf 2). Juist door te beschikken over een Gedragscode is de kans kleiner dat meldingen, beschuldigingen of klachten over ongewenste omgangsvormen een politieke aangelegenheid worden. De redenen zijn de volgende.
Zonder de nu voorgestelde Gedragscode moet in het concrete geval ad hoc naar oplossingen worden gezocht, en het bewandelen van een bepaalde weg en de keuzes die daarbij worden gemaakt, kunnen gemakkelijker worden uitgelegd als politiek gemotiveerd dan wanneer deze vooraf reeds vastliggen in een Gedragscode die is opgesteld los van het concrete geval.
De meldings- en klachtenprocedures in de Gedragscode zijn nauwkeurig vastgelegd, waarbij er scherp op is gelet dat het principe van hoor en wederhoor alle ruimte krijgt, het onderzoek van de klacht is opgedragen aan een onafhankelijke klachtencommissie los van de politiek, en de termijnen voor de verschillende procedurestappen zodanig zijn bepaald dat zowel de gewenste voortgang als de zorgvuldigheid van het onderzoek naar de klacht zijn gewaarborgd.
Wanneer de onafhankelijke klachtencommissie tot een advies is gekomen, neemt het College dat advies over, tenzij het zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Van deze afwijking wordt in het besluit melding gemaakt, met vermelding van die zwaarwegende redenen. Het College heeft dus weinig tot geen (politieke) manoeuvreerruimte.
Het onpartijdige optreden van het College is verder gewaarborgd doordat Collegeleden in concrete gevallen worden vervangen wanneer een Collegelid zelf klager of beklaagde is, en zich bovendien kunnen verschonen wanneer ze eerder op andere wijze waren betrokken bij een melding of klacht (zie nota van wijziging, onderdeel E).
De geheimhouding die beide partijen in de klachtenprocedure moeten betrachten over hetgeen in deze procedure wordt gewisseld, draagt er ook aan bij dat dat de kwestie minder snel publiekelijk (bijvoorbeeld in de pers) zal worden uitgevochten en daarmee de zweem van een politieke afrekening zou kunnen krijgen.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het voorgestelde artikel 18 onderscheid maakt tussen sancties en maatregelen en veronderstelt daarin een zekere rangorde, vergelijkbaar met die tussen hoofdstraffen en bijkomende straffen. De in het voorgestelde artikel 18 lid 2 voorziene maatregelen lijken echter indringender van aard dan de sancties. Kan het College deze keuze toelichten en bovendien ingaan op de juridische basis en de handhaafbaarheid van de eventueel op te leggen maatregelen?
Het College acht de vergelijking van sancties en maatregelen uit de Gedragscode met hoofdstraffen en bijkomende straffen uit het strafrecht onjuist. Het onderscheid tussen sancties en maatregelen zou dan eerder vergelijkbaar zijn met het onderscheid tussen straffen en maatregelen in het Wetboek van Strafrecht.
Een sanctie in de nu voorgestelde Gedragscode is een waarschuwing of berisping (artikel 1, tweede lid, onder o en artikel 18, eerste lid). Maatregelen regelen de omgang van klager en beklaagde (artikel 18, tweede lid). Ze hebben tot doel dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of kunnen gericht zijn op gedragsverandering van een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen (artikel 1, tweede lid onder k). In de toelichting wordt dan ook gesteld dat maatregelen niet direct bedoeld zijn om te straffen. Ze hebben meer een preventief en beschermend dan een repressief karakter.33 Dit onderscheid maakt volgens het College dat in de regel door een Kamerlid aan een sanctie zwaarder zal worden getild dan aan maatregelen.
Bij de Gedragscode gaat het om een interne Kamerregeling, waardoor de mogelijkheden voor handhaving en sanctionering minder groot zijn dan bij een wet in formele zin. De Kamer kan immers niet zelfstandig strafbare feiten creëren of bestuurlijke boetes opleggen. Het College besluit tot het opleggen van maatregelen en het is het gezag van dit College dat feitelijke naleving moet afdwingen. Het kan het Kamerlid daarop aanspreken, zo nodig bij herhaling. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld een digitaal contactverbod (telefoon, mail, Signal, Teams) via technische weg op de door de Eerste Kamer aan het Kamerlid verstrekte apparatuur geregeld kan worden. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor een contactverbod; ook hier kan binnen de ruimtelijke mogelijkheden van het Kamergebouw gekeken worden of (tijdelijke) oplossingen denkbaar zijn, zodat betrokkenen zo min mogelijk of niet in elkaars nabijheid hoeven of kunnen zijn.
In het voorgestelde artikel 21 lid 4 wordt aangegeven dat bij een berisping van beklaagde, het besluit openbaar wordt gemaakt door middel van een openbare brief aan de Kamer. In deze brief wordt de naam van beklaagde genoemd alsmede de ongewenste omgangsvormen die aanleiding hebben gegeven tot deze sanctie. Is hier bedoeld dat een zakelijke en beknopte weergave van het voorgevallene wordt gegeven? Deelt het College de visie dat een dergelijke publicatie gezien kan worden als een bijkomende sanctie? En welke juridische kwetsbaarheden – bijvoorbeeld een civielrechtelijke onrechtmatige daad – ziet het College verbonden aan een dergelijke publicatie?
Het gaat hier inderdaad om een beknopte weergave van wat is voorgevallen. In principe kan volstaan worden met het noemen van de vastgestelde ongewenste omgangsvormen, bijvoorbeeld «pesten» of «discriminatie». Openbaarmaking dient alleen plaats te vinden indien dit noodzakelijk en proportioneel kan worden geacht gelet op de ernst van de vastgestelde ongewenste omgangsvormen en de urgentie deze publiekelijk aan de orde te stellen. Nadere reflectie op de noodzakelijkheids- en proportionaliteitsvereisten van openbaarmaking van een sanctie, heeft het College doen besluiten om door middel van de nota van wijziging naast de openbare berisping ook een vertrouwelijke berisping als sanctie te introduceren. Op advies van de commissie kan het College besluiten de sanctie van de berisping nu wel of niet openbaar te maken. Noodzaak en proportionaliteit van openbaarmaking kunnen daardoor beter worden afgewogen; niet langer betekent het opleggen van een berisping automatisch openbaarmaking. Resumerend, door niet méér informatie openbaar te maken dan strikt noodzakelijk en proportioneel is, én door welbewust de afweging te maken of een berisping wel of niet moet worden geopenbaard, wordt de kans verkleind dat de civiele rechter zal oordelen dat openmaking van de naam onrechtmatig was.
Bij de meldingsprocedure kunnen de handelingen van de vertrouwenspersoon waarover artikel 7 gaat, effectief zijn, maar de toepassing van artikel 18, dat betrekking heeft op sancties na gegrondverklaring van een klacht, roept vragen op bij de leden van de PvdD-fractie. Wat moeten deze leden zich voorstellen bij de mogelijkheid dat het College een «contactverbod» oplegt aan een Kamerlid? En wat als dat lid zich niet houdt aan dat contactverbod? De tuchtrechtelijke sanctiebevoegdheden die in het ambtenarenrecht gelden, ontbreken hier. Kortom, de Gedragscode voor omgang tussen Kamerleden onderling kan nodig zijn -bijvoorbeeld vooral bij omgang tussen Kamerleden bij werkbezoeken (denk aan een week gezamenlijk verblijf bij bezoek aan het Caribisch gedeelte van het Koninkrijk) – maar de vraag is gewettigd of niet met de meldingsprocedure kan worden volstaan.
Het College wenst de vraag of met een meldingsprocedure kan worden volstaan ontkennend te beantwoorden. Wanneer iemand een melding doet bij de vertrouwenspersoon over ongewenste omgangsvormen door een Kamerlid, en dat Kamerlid weigert bijvoorbeeld een gesprek om tot een oplossing te komen, dan heeft de melder geen opties meer als een klachtenprocedure zou ontbreken. De leden van de PvdD-fractie lijken te betogen dat, omdat maatregelen moeilijk zouden zijn te handhaven, de klachtenprocedure beter achterwege kan blijven. Het College ziet dat anders. Een oordeel over de klacht (gegrond, deels gegrond en ongegrond) heeft op zichzelf al grote betekenis voor klager en beklaagde. Ook is hierboven in reactie op een vraag van de leden van de PVV-fractie gewezen op de drieledige betekenis van een sanctie. Een waarschuwing en berisping zijn bovendien zonder meer uitvoerbaar. Tot slot verwijst het College ook graag naar wat eerder, in reactie op vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie, is opgemerkt ten aanzien van de handhaafbaarheid van maatregelen. Alles overwegende acht het College de klachtenprocedure van grote meerwaarde.
In de Gedragscode wordt een onderscheid gemaakt tussen een waarschuwing en een berisping. Er is echter geen beoordelingskader dat helder maakt wanneer sprake moet zijn van een waarschuwing of een berisping. De leden van de SGP-fractie vragen het College of het wenselijk is dat dit kader alsnog wordt gegeven om willekeur in de toepassing te voorkomen. In lid 2 van artikel 18 gaat het over de positie van de beklaagde na gegrond of (deels)ongegrond verklaring door de commissie. Kunnen er ook maatregelen ingesteld worden tegen de klager?
De klachtencommissie adviseert over de sanctie, waarna het College hierover besluit. De berisping is daarbij een zwaardere sanctie dan de waarschuwing. In de toelichting op artikel 18 heeft het College een mogelijk afwegingskader gegeven, waarnaar de leden van de SGP-fractie vragen: «Het verschil tussen enerzijds de waarschuwing en anderzijds de berisping moet als volgt worden begrepen. Wanneer de commissie adviseert het Kamerlid in kwestie te berispen, dan is dat omdat de commissie meent dat diens handelen fout, vermijdbaar en verwijtbaar is. Zij kan een waarschuwing als sanctie adviseren, als zij het handelen onwenselijk en vermijdbaar acht, en wellicht ook verwijtbaar, maar dat het Kamerlid zich tijdens de procedure reflectief heeft getoond en bereid is tot kritische zelfevaluatie. Een waarschuwing is een zakelijk oordeel en de berisping een verwijtend oordeel. Een sanctie zou wellicht achterwege kunnen blijven wanneer het handelen onwenselijk en vermijdbaar wordt geacht, maar niet verwijtbaar.»34 Het College wijst er ten slotte op dat de nota van wijziging (onderdeel D) het onderscheid tussen een vertrouwelijke en een openbare berisping introduceert. De berisping met bijkomende openbaarmaking zal naar verwachting alleen in ernstige gevallen van ongewenste omgangsvormen worden opgelegd.
Maatregelen tegen een klager zijn niet mogelijk. Zoals eerder uiteengezet zijn maatregelen bedoeld om de omgang van klager en beklaagde (artikel 18, tweede lid) te regelen. Ze hebben tot doel dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of kunnen gericht zijn op gedragsverandering van een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen (artikel 1, tweede lid onder k). In de toelichting wordt dan ook gesteld dat maatregelen niet direct bedoeld zijn om te straffen. Ze hebben meer een preventief en beschermend dan een repressief karakter.35
Het College neemt een finaal besluit over de klacht, zo staat vermeld in artikel 19. Hoe is de onpartijdigheid van dit College gewaarborgd? In het geval een Kamermedewerker, bijvoorbeeld een plv. griffier, een klacht indient tegen een Kamerlid, welke waarborgen heeft deze klager dat zijn klacht onpartijdig wordt afgehandeld? Immers zijn de Voorzitter en Ondervoorzitters collega-Kamerleden. Welke waarborg heeft een beklaagd Kamerlid voor de onpartijdigheid van de Collegeleden? Hoe is de onpartijdigheid geregeld in die gevallen dat de klagende of de beklaagde partij een fractielid is van één van de Collegeleden?
Het College verwijst graag naar de in juni 2023 vastgestelde profielschets van de Kamervoorzitter en de beide Ondervoorzitters.36 Aangenomen mag worden dat de huidige leden van het College aan de profielschets voldeden en nog altijd voldoen. De profielschets bepaalde dat ze «ervaring en/of affiniteit [hebben] met vraagstukken op het gebied van sociale veiligheid», maar ook dat ze «het vermogen [hebben] om in het belang van de Kamer boven de partijen te staan». «Onpartijdigheid» in combinatie met aandacht voor sociale veiligheid mag dus worden verondersteld bij de leden van het College aanwezig te zijn.
De voorgestelde Gedragscode bevat nog aanvullende waarborgen voor het onpartijdig functioneren van het College in het kader van de Gedragscode. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de voorgestelde Gedragscode neemt het College het advies van de onafhankelijke klachtencommissie over, tenzij het College zwaarwegende redenen heeft om hiervan af te wijken. Van deze afwijking wordt in het besluit melding gemaakt, met vermelding van de zwaarwegende redenen die daaraan ten grondslag liggen. Anders gezegd: de (politieke) manoeuvreerruimte van het College is beperkt.
Ten derde bevat het door de begeleidende nota van wijziging (onderdeel E) aangepaste artikel 20 van de Gedragscode aanvullend de bepaling dat indien een klacht is ingediend door of gericht is tegen een lid van het College, dit lid voor deze zaak wordt vervangen. Het nieuwe tweede lid van artikel 20 voorziet in een mogelijkheid van verschoning voor het geval een lid van het College op andere wijze betrokken is of is geweest bij de klacht. Het is goed denkbaar dat, reeds voordat er sprake is van een formele klacht bij de klachtencommissie, een Kamerlid, medewerker of gast contact zoekt met de Kamervoorzitter of een Ondervoorzitter in verband met omgangsvormen door Kamerleden die zij als ongewenst ervaren. Niet ieder contact maakt dat een lid van het College direct zijn onpartijdigheid verliest: dat hangt af van de mate van betrokkenheid. Bij het louter aanhoren van een verhaal en het verstrekken van feitelijke informatie over de Gedragscode of het doorverwijzen naar de vertrouwenspersoon zal dit niet snel het geval zijn. Anders ligt het wanneer het lid van het College actief (maar kennelijk zonder resultaat) in de zaak heeft bemiddeld. Dan ligt verschoning voor de hand.
In artikel 20 is opgenomen dat indien een lid van het College in het geding is, dit lid voor deze zaak word vervangen. Wie is de vervanger in die gevallen dat een Collegelid klager is of als een Collegelid fractiegenoot van de klager of beklaagde is? Hoe functioneert dit als een Collegelid een klacht heeft over een ander Collegelid?
In de situatie dat een Collegelid fractiegenoot is van een klager of beklaagde is artikel 20 (zoals dat luidt na de nota van wijziging) niet van toepassing. In die gevallen kan worden uitgegaan van de onpartijdigheid die verbonden is aan het ambt van Kamervoorzitter en Ondervoorzitter. Het nieuwe artikel 20, tweede lid, voorziet weliswaar in een verschoningsrecht wanneer een Collegelid op andere wijze betrokken is of is geweest bij de klacht, maar voor de toepassing van deze bepaling is meer nodig dan dat men fractiegenoot is. Wanneer een of meerdere Collegeleden zelf betrokken zijn als klager of beklaagde is het nieuwe artikel 20, eerste lid, van toepassing. Het lid wordt voor deze zaak dan vervangen door het lid dat het langst zitting heeft in de Kamer. Bij gelijke zittingsduur gaat het oudste lid in leeftijd voor.
De identiteit van de klager is volledig beschermd. Dat (b)lijkt niet het geval voor de beklaagde. Is openbaarmaking bij een berisping in alle gevallen noodzakelijk en proportioneel? En waarom is dat dan wel of niet het geval bij een waarschuwing?
Zoals hierboven en in de toelichting op onderdeel D van de nota van wijziging is uiteengezet heeft het College naar aanleiding van deze en soortgelijke vragen besloten dat bij de zwaardere sanctie van de berisping niet langer automatisch openbaarmaking volgt. Door middel van de nota van wijziging is de sanctie van de vertrouwelijke berisping geïntroduceerd, waardoor noodzaak en proportionaliteit van openbaarheid beter kunnen worden afgewogen.
Het College is bevoegd het Kamerlid aan te spreken. Wat als het betreffende Kamerlid zich aan dit aanspreken niets gelegen laat liggen? Zijn er dan andere sancties of vervolgstappen te nemen?
Bij de Gedragscode gaat het om een interne Kamerregeling, waardoor de mogelijkheden voor handhaving en sanctionering minder groot zijn dan bij een wet in formele zin. De Kamer kan immers niet zelfstandig strafbare feiten creëren of bestuurlijke boetes opleggen. Het College besluit tot het opleggen van een sanctie en/of maatregelen. De sanctie (waarschuwing, vertrouwelijke of openbare berisping) kan zonder meer worden opgelegd. Een probleem in de uitvoering is hier niet goed denkbaar, want het gaat om het zenden van een brief door het College met daarin vervat het besluit over de sanctie (waarschuwing, vertrouwelijke of openbare berisping). Maatregelen waartoe het College heeft besloten moeten daarentegen worden geëffectueerd. Het gezag van het College moet in dezen naleving afdwingen. Het Kamerlid kan door het College worden aangesproken op naleving van de maatregel(en), zo nodig bij herhaling. Maar er zijn ook meer praktische oplossingen. Een digitaal contactverbod (telefoon, mail, Signal, Teams) kan langs technische weg op de door de Eerste Kamer aan het Kamerlid verstrekte apparatuur worden geregeld. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor een contactverbod; ook hier kan binnen de ruimtelijke mogelijkheden van het Kamergebouw gekeken worden of (tijdelijke) oplossingen denkbaar zijn, zodat betrokkenen zo min mogelijk of niet in elkaars nabijheid hoeven of kunnen zijn.
De leden van de SGP-fractie lezen in artikel 11 lid 3 dat als klager en beklaagde bereid zijn tot bemiddeling de procedure kan worden stopgezet. In de daaropvolgende fase kunnen beiden verzoeken om de procedure weer voort te zetten. Kan dat ook nadat bemiddeling tot een einde gebracht is, en de klager zich binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld een jaar) bedenkt?
Het derde lid van artikel 11 bepaalt dat ondanks dat een klacht is ingediend, klager en beklaagde gedurende de gehele klachtprocedure kunnen trachten via de commissie met elkaar in gesprek te komen om zo tot een oplossing te komen, zodat de commissie uiteindelijk geen advies hoeft uit te brengen. De schriftelijke wens daartoe van beiden heeft een opschortende werking op de procedure.
Als de bemiddeling naar het oordeel van klager succesvol is, trekt deze de klacht in en stopt de klachtenprocedure. Deze is daarmee ten einde, kan niet opnieuw worden opgestart en van een bedenktijd is geen sprake. In het geval de bemiddeling door klager en/of beklaagde niet als succesvol wordt ervaren, kunnen zij op elk moment tijdens de bemiddeling de commissie verzoeken om de inhoudelijke behandeling van de klacht voort te zetten. Een verzoek hiertoe van klager, beklaagde of beiden wordt binnen zeven dagen na ontvangst ervan door de secretaris aan alle betrokkenen meegedeeld, waarna de procedure onmiddellijk wordt voortgezet. De mogelijkheid van bemiddeling stopt zodra de commissie haar advies heeft uitgebracht aan het College.
Met betrekking tot de samenhang van artikelen 12, 13 en 19 hebben deze leden de volgende vraag. Het College is, voor zover deze leden bekend, een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In artikelen 12 lid 5, 13 lid 8 en 19 lid 5 van de Gedragscode wordt bezwaar, en daarmee beroep, uitgesloten. Hiermee wordt effectief ieder rechtsmiddel aan de partijen ontnomen. Hoe ziet het College dit in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel? Welke rechtsmiddelen zijn er wel? Kan worden toegelicht hoe de rechtsmiddelen zijn geregeld ten opzichte van het advies van de commissie?
Het College is geen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.37 In antwoord op een eerdere vraag van deze leden heeft het College uiteengezet waarom het niet heeft gekozen voor het creëren van een mogelijkheid van beroep op de Kamer tegen zijn besluit. Mocht een beklaagde niettemin van oordeel zijn dat het besluit van het College een onrechtmatige daad oplevert, dan is een gang naar de civiele rechter op grond van artikel 6:162 BW altijd mogelijk.
In artikel 12 lid 3 van de Gedragscode wordt een klacht die betrekking heeft op een handeling van meer dan een jaar geleden van rechtswege niet-ontvankelijk verklaard. Bij traumatische gebeurtenissen, zoals seksuele intimidatie, is het niet onredelijk dat een slachtoffer tijd nodig heeft om zich ertoe te zetten een klacht in te dienen. Sluit de termijn van een jaar aan bij wat de wetenschappelijke literatuur zegt over dergelijke verwerkingstermijnen?
De redenen voor keuze van de termijn van maximaal één jaar zijn de volgende. Ten eerste leert de ervaring dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd worden ingediend, nadat de klager de schroom, angst en/of schaamte heeft overwonnen een klacht in te dienen en/of op andere wijzen tevergeefs naar oplossingen heeft gezocht. Om te bepalen wat daarvoor een redelijke termijn is, is gekeken naar de termijnstelling in andere gedragscodes ongewenste omgangsvormen. De verschillen die daarin werden aangetroffen, waren groot. Het College kwam termijnen tegen van vijf jaar, drie jaar, twee jaar en één jaar. De laatste twee termijnen lijken het meest te worden gehanteerd. Met de uiteindelijke keuze voor één jaar sluit het College bovendien aan bij de termijn genoemd in artikel 9:8, lid 1 onder b van de Awb voor het indienen van een klacht bij een bestuursorgaan. Het overweegt daarbij dat naast het belang van de klager, het ook onwenselijk is dat de beklaagde na lange tijd alsnog beschuldigd wordt. Ook heeft bij de keuze voor één jaar meegespeeld dat een onderzoek naar de feiten moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat mogelijk ongewenste omgangsvormen hebben plaatsgevonden. Het gaat dus mede om de zorgvuldigheid en efficiëntie van de klachtenprocedure, en om de rechtszekerheid van betrokkenen.
Overigens biedt de Gedragscode mogelijke slachtoffers van ongewenste omgangsvormen ook na een jaar nog perspectief. Daar waar het indienen van een klacht binnen de termijn van één jaar moet gebeuren wil deze ontvankelijk worden verklaard (artikel 12, derde lid, onder b), is er geen termijn gesteld in geval van een melding. Een melder kan dus na een jaar nog altijd terecht bij de vertrouwenspersoon en deze kan de melder dan hulp bieden, onder andere op de manieren zoals beschreven in artikel 7, onder a tot en c. Voor artikel 7 onder d geldt dan dat een klacht indienen niet langer succesvol zal kunnen zijn (niet-ontvankelijk wegens verstrijken termijn), maar de vertrouwenspersoon kan de melder wellicht op alternatieven wijzen. Zijn er bijvoorbeeld aanwijzingen voor een strafbaar feit, dan gelden veel langere verjaringstermijnen (artikel 70 Wetboek van Strafrecht).
In artikel 13 lid 8 is opgenomen dat tegen een besluit geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Welk rechtsmiddel hebben de partijen dan? Hoe verhoudt het ontnemen van ieder rechtsmiddel zich tot het rechtstatelijke beginsel dat eenieder toegang heeft tot een onafhankelijke rechter?
In de algemene toelichting op het voorstel is uiteengezet om welk redenen het College ervoor heeft gekozen om geen mogelijkheid te creëren van bezwaar of beroep op de Kamer.38 Daar is gewezen op de bescherming van de privacy van betrokkenen en het feit dat de beoordeling van mogelijk ongewenste omgangsvormen – anders dan bijvoorbeeld politieke integriteit – niet primair een politieke aangelegenheid is. De sancties en maatregelen die het College, op advies van de onafhankelijke commissie, kan opleggen, hebben geen zware rechtspositionele rechtsgevolgen zoals bij een straf- of bestuursrechtelijk proces. Mocht een beklaagde niettemin van oordeel zijn dat het besluit van het College een onrechtmatige daad oplevert, dan is een gang naar de civiele rechter op grond van artikel 6:162 BW altijd mogelijk. De civiele rechter kan ook in kort geding aanvullende rechtsbescherming bieden. De Gedragscode sluit dit niet uit en kan dit ook niet uitsluiten.
In hoofdstuk IX, artikel 23, lid 1 staat «Bij aanvang van de procedure en gedurende de behandeling van de klacht door de commissie en de besluitvormingsprocedure in het College, kan het College, bijgestaan door de Griffier, op verzoek van de commissie voorlopige maatregelen treffen, zoals een direct fysiek en digitaal contactverbod, indien dit voor het welzijn van klager Eerste Kamer, redelijkerwijs noodzakelijk wordt geacht, of als er sprake is van een voor één of meer direct betrokkenen onhoudbare situatie.». Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan het fysiek en digitaal contactverbod? Heeft dit gevolgen, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de voorlopige maatregelen?
Voor de handhaafbaarheid van de voorlopige maatregelen (artikel 23, eerste lid) geldt hetzelfde als voor de handhaafbaarheid van de maatregelen waartoe het College op advies van de klachtencommissie kan besluiten (artikel 21, eerste lid onder f). Bij de Gedragscode gaat het om een interne Kamerregeling, waardoor de mogelijkheden voor handhaving en sanctionering minder groot zijn dan bij een wet in formele zin. De Kamer kan immers niet zelfstandig strafbare feiten creëren of bestuurlijke boetes opleggen. Wanneer het College op verzoek van de klachtencommissie besluit tot het treffen van voorlopige maatregelen, moet het gezag van dit College de feitelijke naleving ervan afdwingen. Het kan het Kamerlid in kwestie daarop aanspreken, zo nodig bij herhaling. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld een digitaal contactverbod (telefoon, mail, Signal, Teams) via technische weg op de door de Eerste Kamer aan het Kamerlid verstrekte apparatuur geregeld kan worden. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor een contactverbod; ook hier kan binnen de ruimtelijke mogelijkheden van het Kamergebouw gekeken worden of (tijdelijke) oplossingen denkbaar zijn, zodat betrokkenen zo min mogelijk of niet in elkaars nabijheid hoeven of kunnen zijn.
De fractieleden van de ChristenUnie lezen in het voorgestelde artikel 23 dat het treffen van voorlopige maatregelen mogelijk is. Op welke wijze is daarbij voorzien in effectieve wederhoor en hoe krijgt de rechtsbescherming van de beklaagde vorm in deze fase waarin van een onderbouwd commissieadvies nog (lang) geen sprake is?
Het is de klachtencommissie die het College kan verzoeken om voorlopige maatregelen te treffen. Zoals de tekst van artikel 23 stelt, zal de commissie zo’n verzoek alleen doen «indien dit voor het welzijn van klager redelijkerwijs noodzakelijk wordt geacht, of als er sprake is van een voor één of meer direct betrokkenen onhoudbare situatie». Het is de onafhankelijke en deskundige commissie die zelfstandig de afweging maakt of die noodzaak zich voordoet of dat de situatie onhoudbaar is. Zij doet dit op basis van de door klager en beklaagde op dat moment aangeleverde informatie (dat zal vaak in eerste instantie de klacht zijn en de inhoudelijke reactie van de beklaagde) of andere informatie die op dat moment behoort tot het dossier. Het verzoek aan het College wordt niet eerst voorgelegd aan klager of beklaagde, al was het maar omdat de tijd daarvoor ontbreekt. Daarbij is het goed te bedenken dat de te treffen maatregelen voorlopig zijn. Ze worden beëindigd aan het slot van de klachtenprocedure met de kennisgeving van het uiteindelijke besluit van het College aan klager en beklaagde. Bovendien zijn niet alle maatregelen geschikt om als voorlopige maatregel te worden toegepast; een cursus gericht op gedragsverandering van de beklaagde ligt bijvoorbeeld niet voor de hand. Een tijdelijk digitaal of fysiek contactverbod is wel mogelijk. Het is tot slot van belang dat maatregelen (of ze nu voorlopig zijn (artikel 23, eerste lid) of onderdeel van het uiteindelijke besluit (artikel 21, eerste lid onder f)) niet zijn op te vatten als straffen, maar als preventieve maatregelen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat in hoofdstuk 10, artikel 24 een aantal verboden op beïnvloeding is opgenomen. Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan deze verboden? Heeft dit gevolgen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de verboden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stelden in paragraaf 5 een soortgelijke vraag. Het College herhaalt dat het bij de Gedragscode gaat om een interne Kamerregeling, zodat de mogelijkheden voor handhaving en sanctionering minder groot zijn dan bij bijvoorbeeld een wet in formele zin. De Kamer kan immers niet zelfstandig strafbare feiten creëren of bestuurlijke boetes opleggen. Als sprake is van een procedure bij de klachtencommissie mag van de betrokkenen worden verwacht dat zij medewerking verlenen aan de inhoudelijke behandeling in de commissie. De Gedragscode is op hen van toepassing. Dit geldt ook voor de geheimhouding, die mede in hun eigen belang geldt. Is er sprake van schending van de geheimhoudingsverplichting, dan is het denkbaar dat dit valt onder artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie op opzettelijke schending van geheimen. Verder is het denkbaar dat de klachtencommissie het niet meewerken aan de klachtenprocedure of een schending van de geheimhoudingsverplichting meeweegt in haar advies voor een sanctie of maatregel. Indien een griffiemedewerker niet meewerkt aan de procedure of de geheimhoudingsplicht schendt, dan zal deze daar minimaal door zijn leidinggevende (ultimo de Griffier) op aangesproken kunnen worden, terwijl het bij schending door een Kamerlid (of een fractiemedewerker) aan diens fractie is of dit gevolgen heeft. Het niet meewerken of het schenden van de geheimhoudingsplicht kan dus grote gevolgen hebben.
In artikel 24 lid 1 wordt aangegeven dat een Kamerlid dat beklaagd wordt op geen enkele wijze mag communiceren met anderen. Overleg met collega’s binnen of buiten de fractie wordt daarmee onmogelijk gemaakt. Wordt hierdoor het belang van de beklaagde gediend? Kan hier een betere duiding worden gegeven van de positie van klager en beklaagde, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
Een soortgelijke vraag van de leden van de SGP-fractie is hierboven in paragraaf 6 reeds beantwoord.
In hoofdstuk XI, in artikelen 25 en 26, wordt een aantal zaken rondom geheimhouding beschreven. Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan de vereiste geheimhouding? Heeft dit gevolgen, vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de geheimhouding?
In paragraaf 5 is reeds aangegeven dat opzettelijke schending van een geheimhoudingsplicht mogelijk valt onder artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Ook enkele andere mogelijke gevolgen zijn daar reeds beschreven. Artikel 26 ziet strikt genomen niet op geheimhouding, maar op de (correcte) verwerking van persoonsgegevens. Hierop is, zoals in het artikel ook wordt aangegeven, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) toepassing, op de naleving waarvan wordt toegezien door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Hoe kan de vertrouwelijkheid tijdens en na de procedure waterdicht worden geborgd, gezien de lange doorlooptijd en het groeiend aantal betrokkenen, vragen de leden van de VVD-fractie.
In paragraaf 5 is reeds aangegeven dat opzettelijke schending van een geheimhoudingsplicht mogelijk valt onder artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Ook enkele andere mogelijke gevolgen zijn daar reeds beschreven. De doorlooptijd van een procedure bij de commissie kan variëren en hetzelfde geldt voor het aantal betrokkenen. Het is zeker niet zo dat de doorlooptijd altijd lang is en het aantal betrokkenen groot.
De benaming van de «Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal» roept vragen op bij de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Sommige organisaties kiezen voor een gedragscode met daarin ook aandacht voor gewenst gedrag en daarom ook andere benamingen zoals «gedragscode (on)gewenste omgangsvormen». Andere organisaties kiezen voor «gedragscode tegen ongewenste omgangsvormen». Waarom is gekozen voor de huidige benaming?
Artikel 131 van het Reglement van Orde schrijft voor dat er een «Gedragscode ongewenste omgangsvormen» wordt vastgesteld. Deze benaming heeft het College overgenomen. De Gedragscode formuleert ook een positieve norm. In artikel 2, eerste lid, is immers bepaald dat elk Kamerlid eenieder met wie hij in zijn werkzaamheden voor de Eerste Kamer te maken heeft op een respectvolle manier bejegent. Het op grond van artikel 2, tweede lid, door het College vorm te geven beleid is mede gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. De toelichting op dit artikel benoemt het bespreken van zowel ongewenst gedrag als gewenste omgangsvormen. Het beleid moet een cultuur bevorderen van elkaar aanspreken op gedrag zodat gedragingen niet escaleren naar ongewenste omgangsvormen.
De leden van de VVD-fractie vragen wat de procedures zijn voor het evalueren en eventueel herzien van de Gedragscode en hoe vaak zullen deze worden uitgevoerd? Hoe wordt de bewustwording en bekendheid van de Gedragscode onder alle betrokkenen bevorderd? Kunnen alle voorbeeldcodes die bij het opstellen van deze Gedragscode zijn gebruikt, alsmede andere eventuele vergelijkbare codes van aanpalende organisaties, gedeeld worden?
In de code is vastgelegd dat zowel de vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen (artikel 7, onder e en f) als de klachtencommissie ongewenste omgangsvormen (artikel 27) jaarlijks bij het College van Voorzitter en Ondervoorzitters knelpunten kunnen signaleren in de uitvoering van deze Gedragscode, alsmede inlichtingen kunnen verstrekken over de mogelijkheden tot voorkoming of bestrijding van ongewenste omgangsvormen. Het (geanonimiseerde) jaarlijkse verslag van de klachtencommissie wordt bovendien door het College aan de Kamer gezonden en openbaar gepubliceerd op de website. De ontvangen informatie over knelpunten kan voor het College aanleiding zijn om (bepalingen uit) de Gedragscode te evalueren en de Kamer wijzigingen in de Gedragscode voor te stellen. Niet alleen de leden van het College, maar alle Kamerleden hebben op grond van het Reglement van Orde de mogelijkheid wijzigingsvoorstellen in te dienen bij de Kamer. Op grond van artikel 140 Reglement van Orde is de procedure voor wijziging van de Gedragscode vastgelegd in de artikelen van hoofdstuk XV van dit Reglement. De jaarverslagen kunnen de aanleiding zijn voor een evaluatie en eventuele wijzigingsvoorstellen, maar het staat elk Kamerlid vrij om op grond van eigen overwegingen en ervaringen voorstellen te doen tot wijziging.
Artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde Gedragscode bepaalt dat het College, bijgestaan door de Griffier, beleid maakt gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen. Ook moet het College toezien op de uitvoering van het beleid. Dat beleid omvat op de eerste plaats het bekendheid geven aan de Gedragscode en wat daarin is bepaald, zodat deze kenbaar is. Zonder kenbaarheid vooraf is gedrag niet verwijtbaar. De kenbaarheid wordt overigens vergroot doordat in de definitiebepalingen in deze Gedragscode van ongewenste omgangsvormen zoveel als mogelijk is aangesloten bij bestaande wettelijke definities. Het beleid zal concreet moeten worden uitgewerkt, maar zou bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het aanbieden van aanvullend informatiemateriaal (korte folder over hoe de Gedragscode werkt, stroomschema procedures, etc.), trainingen of informatiebijeenkomsten. Ook de jaarverslagen van de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie leveren input voor dit beleid. Het beleid beperkt zich echter niet tot de Gedragscode en de uitvoering daarvan alleen, maar is ook gericht op het bevorderen van een cultuur waarin voor ongewenste omgangsvormen geen plaats is en betrokkenen hierover zoveel als mogelijk met elkaar in gesprek gaan, juist om ongewenst gedrag te voorkomen of om tot een oplossing te komen wanneer gedrag als ongewenst is ervaren.
Tijdens de bespreking van de procedure van dit voorstel in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken op 13 mei 2025 is met de Kamer een ambtelijk memo gedeeld waarin documenten worden genoemd die bij het opstellen van het voorstel voor deze Gedragscode zijn geraadpleegd. Het College verwijst hier graag naar. Ook zijn in deze nota naar aanleiding van het verslag diverse verwijzingen opgenomen naar andere gedragscodes.
Namens het College van Voorzitter en Ondervoorzitters,
Eerste Ondervoorzitter, Mei Li Vos
Dit volgt uit de definities van «Klager(s)» in artikel 2 onder g («de medewerker(s) die een klacht over ongewenste omgangsvormen indient/indienen bij de klachtencommissie») en «Medewerker» in artikel 2 onder a («degene die op basis van een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht, detachering of op basis van een uitzendovereenkomst werkzaamheden verricht of heeft verricht bij en in opdracht van de Eerste Kamer».
Zie in dit verband de klacht over plagiaat tegen een oud-medewerker van de Technische Universiteit Delft die in 2015 gegrond werd verklaard (https://www.universiteitenvannederland.nl/files/publications/2015%20TUD%20Plagiaat%20-%20gegrond.pdf)
Op grond van de arbeidsrechtelijke literatuur kunnen drie categorieën «kenbaarheid» worden onderscheiden: 1) het gedrag is evident niet toegestaan, 2) er is beleid dat kenbaar maakt dat bepaald gedrag niet is toegestaan of 3) iemand is voor hetzelfde gedrag al eerder gewaarschuwd.
Bijvoorbeeld: Gedragscode sociale veiligheid WUR en Code (on)gewenst gedrag Universiteit Twente.
Zo namen de griffiemedewerkers in het kader van een training op 13 maart 2024 deel aan een interactieve theatervoorstelling over integriteit en ongewenste omgangsvormen op de werkvloer. Een soortgelijke training, maar toen beperkt tot het onderwerp «politieke integriteit», werd gegeven aan Kamerleden op 22 juni 2024.
In de Tweede Kamer is wel recent de motie-Grinwis c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 714, nr. 15) aangenomen met het volgende dictum: «verzoekt het presidium om opdracht te geven tot het opstellen van een gedragscode en zich daarbij te laten inspireren door de gedragscode zoals recent opgesteld door de Eerste Kamer.»
Het gaat om de besluiten van de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 14 november 2022 met de nrs. 172266U, 1722267U en 172268U.
Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanpassen van de definitiebepalingen van ongewenste omgangsvormen, maar ook om de aanpassing van de definitie van «Klager(s)».
Het artikel spreekt van opzettelijke schending van een geheim dat uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift bewaard moet worden. De term «wettelijk voorschrift» wordt blijkens jurisprudentie ruim opgevat (HR 26 juni 1899 W.7307).
Zie bijvoorbeeld artikel 2 Wet tuchtrechtspraak accountants, artikel 48 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, artikel 7 Wet medisch tuchtrecht BES etc.
Bij een vermoeden van schending van de geheimhouding door een Kamerlid ligt de zaak gecompliceerder. Dan hebben we te maken met artikel 119 Grondwet: «De leden van de Staten-Generaal, de Ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.» In de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, Ministers en staatssecretarissen is geregeld hoe dat in zijn werk gaat. Het komt erop neer dat of de regering (bij koninklijk besluit) of de Tweede Kamer opdracht geeft tot vervolging van een Eerste Kamerlid wegens het plegen van een ambtsmisdrijf. Doorredenerend zou de klachtencommissie bij een vermoeden van «lekken» dan een melding moeten doen bij de regering en de Tweede Kamer.
Dat is ook in het bestuursrecht niet het geval, zie Kamerstukken 1997/98, 25 837, nr. 3, p. 19.
De Gedragscode spreekt van «een raadsman» (artikel 16) en «zijn raadsman» (artikel 24). Hoewel de enkelvoudsvorm wordt gebruikt, wil het College niet uitsluiten dat klager of beklaagde kiest voor meedere raadslieden. Het College gaat er van uit dat hierbij proportionaliteit wordt betracht. Het is niet de bedoeling dat bijvoorbeeld de hele griffie of de hele fractie als raadsman wordt aangesteld.
Overigens kunnen maatregelen ook een tijdelijk karakter hebben lopende de klachtenprocedure, wanneer dit voor het welzijn van klager redelijkerwijs noodzakelijk wordt geacht of als er sprake is van een voor één of meer direct betrokkenen onhoudbare situatie (artikel 23).
Overigens kunnen maatregelen ook een tijdelijk karakter hebben lopende de klachtenprocedure, wanneer dit voor het welzijn van klager redelijkerwijs noodzakelijk wordt geacht of als er sprake is van een voor één of meer direct betrokkenen onhoudbare situatie (artikel 23).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-CLXX-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.