36 957 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen

Op 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden. Bij de behandeling van de Wtp is toegezegd de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk te maken en ook de definitie van het «kind» te uniformeren in de Pensioenwet. Deze twee zaken worden doorgevoerd met voorliggend wetsvoorstel. Het wetsvoorstel bevat daarnaast een verruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel fondsen als verzekeraars. Gebleken is dat de huidige vormgeving van het overgangsrecht leidt tot knelpunten in de uitvoering. De Tweede Kamer is hierover al geïnformeerd, evenals het voornemen om de wet op dit punt te verruimen.1

Dit wetsvoorstel bevat meer dan alleen de toezeggingen die zijn gedaan aan de Eerste Kamer ten tijde van de behandeling van de Wtp. Zo is ook een aanpassing aan de regeling gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst in dit wetsvoorstel opgenomen en wordt de verplichte voortzetting van risicodekking van het nabestaandenpensioen op grond van een cao of periodieke uitkering geregeld. Ook naar aanleiding van de internetconsultatie zijn nog enkele wijzigingen doorgevoerd (zie paragraaf 4.1). Het wetsvoorstel bevat verder enkele (technische) aanpassingen en verduidelijkingen. Deze voorstellen beogen bij te dragen aan het initiële doel van de stelselherziening die ten grondslag lag aan de Wtp en aan een soepele transitie naar het nieuwe stelsel.

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de voorstellen. Hoofdstuk 3 gaat in op de gevolgen voor burger, bedrijven en overheid. In hoofdstuk 4 worden de consultatie en toetsen van eerdere versies van dit wetsvoorstel verantwoord.

Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen

2.1 Vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen

Op grond van de Wtp is het partner- en wezenpensioen ter dekking van het overlijden vóór pensioendatum enkel nog op risicobasis verzekerd. Kenmerkend aan een partner- en wezenpensioen op risicobasis is dat de risicodekking vervalt op het moment dat er niet langer sprake is van deelnemerschap in de pensioenregeling. Om het risico te verkleinen dat iemand die tussen twee dienstverbanden in zit of iemand die werkloos of zelfstandige wordt, tijdelijk geen of een lagere dekking voor partnerpensioen heeft, is in de Wtp een aantal maatregelen opgenomen.2 Een van die maatregelen betreft de mogelijkheid voor gewezen deelnemers om het ouderdomspensioen uit te ruilen voor het voortzetten van het partnerpensioen vóór pensioendatum op risicobasis.3 In de Wtp is deze uitruilmogelijkheid niet mogelijk gemaakt voor het voortzetten van het wezenpensioen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wtp is een motie van het lid Oomen-Ruijten c.s. aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht om ook de dekking voor het wezenpensioen voort te zetten op dezelfde wijze als voorzien voor de vrijwillige voortzetting van de dekking voor partnerpensioen vóór pensioendatum.4 Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan deze motie. De regering stelt voor de gewezen deelnemer de mogelijkheid te geven om de risicodekking voor het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten en daarmee eventuele financiële risico’s te beperken op het moment waarop de voortzetting van het nabestaandenpensioen op risicobasis eindigt.

Het vervolg van deze paragraaf richt zich op de keuzemogelijkheid van de gewezen deelnemer om te kiezen voor vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor het wezenpensioen en de financiering daarvan.

In paragraaf 2.1.1 wordt kort ingegaan op de vraag waarom het wenselijk kan zijn om de risicodekking voor het wezenpensioen voort te zetten. Paragrafen 2.1.2 en 2.1.3 gaan vervolgens in op de duur van de vrijwillige voortzetting en op de situatie wanneer geen recht (meer) bestaat op de vrijwillige voortzetting. In de paragrafen 2.1.4 en 2.1.5 wordt kort aangestipt voor welk kind het wezenpensioen vrijwillig kan worden voortgezet. Ook wordt ingegaan op het feit dat de gewezen deelnemer afzonderlijk kan kiezen voor de vrijwillige voortzetting van het partner- of wezenpensioen. In de paragrafen 2.1.6 en 2.1.7 staat de financiering van de vrijwillige voortzetting centraal. Ten slotte ziet paragraaf 2.1.8 op overgangsrecht voor pensioenuitvoerders die al vóór de inwerkingtreding van deze Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen (hierna: Toezeggingenwet) zijn overgestapt op de uitvoering van de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel.

2.1.1 Vrijwillige voortzetting risicodekking wezenpensioen

Vanuit het perspectief van de gewezen deelnemer kan het wenselijk zijn om de risicodekking voor het wezenpensioen langer voort te zetten na de afgesproken uitloopperiode, dan wel na afloop van de voortzetting van de risicodekking gedurende de Ziektewet- of Werkloosheidswet-periode of de combinatie daarvan.5 Een voortzetting van de risicodekking kan voor de gewezen deelnemer een manier zijn om het financiële risico af te dekken dat achterblijvende kinderen kunnen hebben bij overlijden van de gewezen deelnemer voor de pensioendatum. De regering stelt daarom voor de gewezen deelnemer bij het einde van de uitloopperiode dan wel na afloop van de risicodekking gedurende de Ziektewet- of de Werkloosheidswet-periode een keuzemoment te geven om de risicodekking voor het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten. Voor de financiering van deze vrijwillige voortzetting wordt het reeds opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen gebruikt. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat ook het partnerpensioen vanaf pensioendatum hiervoor gebruikt kan worden als dit in de pensioenovereenkomst is opgenomen.6 Deze wijze van financiering wordt ook wel uitruilen genoemd. Opgemerkt dient te worden dat er geen sprake is van bovengenoemde uitloopperiode als er direct aansluitend aan de beëindiging van de deelneming een dienstverband wordt aangegaan. In dat geval is vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor het wezenpensioen niet aan de orde.7

2.1.2 Minimale duur vrijwillige voortzetting wezenpensioen

Bij de parlementaire behandeling van de Wtp is een amendement aangenomen over de duur van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen.8 Gewezen deelnemers die gekozen hebben om het partnerpensioen op risicobasis vrijwillig voort te zetten, kunnen minimaal 15 jaar gebruikmaken van deze vrijwillige voortzetting.9 Desgewenst kunnen sociale partners de vrijwillige voortzetting ook voor een langere periode dan 15 jaar aanbieden. De minimale duur kan overigens korter zijn bijvoorbeeld vanwege het bereiken van het maximum voor de omvang van de uitruil indien een dergelijke voorwaarde is opgenomen in de pensioenregeling.10 Ook kunnen gewezen deelnemers besluiten van een kortere periode gebruik te maken.

De regering acht het wenselijk om voor vrijwillige voortzetting van de risicodekking voor het wezenpensioen aan te sluiten bij de hiervoor omschreven minimale periode van voortzetting van de vrijwillige risicodekking partnerpensioen. Een gewezen deelnemer kan ervoor kiezen om na afloop van de uitloopperiode of het einde van de Ziektewet- of Werkloosheidswet-periode, de risicodekking voor het wezenpensioen voort te zetten door uitruil van het reeds opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen en indien dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst ook voor het partnerpensioen vanaf pensioendatum.11 De vrijwillige voortzetting loopt door tot de maximale duur wordt bereikt, tenzij al eerder een van de volgende situaties van toepassing is:12

  • de gewezen deelnemer besluit eerder te stoppen met de vrijwillige voortzetting;

  • de partner verleent geen toestemming (meer) voor de uitruil naar de toekomst toe als de financiering deels ten laste komt van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen op of na pensioendatum;13

  • de afkoopgrens van klein ouderdomspensioen wordt bereikt; of

  • het maximum voor de omvang van de uitruil wordt bereikt, als deze voorwaarde is opgenomen in de pensioenregeling.

2.1.3 Geen recht op uitruil

In de Wtp was al opgenomen wanneer er geen recht bestaat op uitruil voor de voortzetting van de dekking van het partnerpensioen vóór pensioendatum. Het recht op de voorgestelde uitruil voor voortzetting risicodekking van het wezenpensioen stopt of is er ook niet in onderstaande situaties:

  • 1. Als het ouderdomspensioen onder de afkoopgrens klein pensioen14 komt, is vrijwillige voortzetting niet toegestaan.

  • 2. Als de pensioenregeling voorziet in een maximale duur voor de vrijwillige voortzetting die langer dan of gelijk is aan vijftien jaar, bij het bereiken van de maximale duur.

  • 3. Voor zover de pensioenregeling voorziet in een maximum voor de omvang van de uitruil bij het bereiken van dat maximum. Bij een maximum voor de omvang van de uitruil kan bijvoorbeeld worden bepaald dat jaarlijks niet meer dan een bepaald percentage van het pensioenvermogen kan worden uitgeruild of dat na uitruil een bepaald pensioenvermogen moet resteren (hoger dan de afkoopgrens). Voor de goede orde zij opgemerkt dat een afspraak in de pensioenregeling over een maximum van de omvang van de uitruil feitelijk met zich kan brengen dat een duur van de vrijwillige voortzetting korter dan vijftien jaar kan zijn.

  • 4. Voor zover de financiering voor de vrijwillige voortzetting (deels) ten laste komt van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen op of na pensioendatum (uitruil), en de partner die begunstigde is voor dit pensioen niet (meer) instemt met de uitruil. Overigens is deze voorwaarde ook nieuw voor de vrijwillige voortzetting van de dekking van het partnerpensioen vóór de pensioendatum. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de uitruil ten laste mag komen van het pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen of van het pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen op of na pensioendatum. De wijze van financieren volgt uit de pensioenregeling.15

2.1.4 Vrijwillige voortzetting kinddefinitie

Met dit wetsvoorstel wordt ook de kinddefinitie geüniformeerd.16 Het wezenpensioen kan vrijwillig worden voortgezet ten behoeve van kinderen die onder de definitie van «kind» vallen op het moment van de start van de vrijwillige voortzetting. Als een gewezen deelnemer kiest voor vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen, kan dit wezenpensioen ook gelden ten behoeve van kinderen die gedurende de vrijwillige voortzetting aan de definitie van kind voldoen. In de laatste situatie is sprake van een zogenaamd onbepaald systeem bij de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen. Bij dit systeem wordt pas op moment van overlijden onderzocht welke kinderen aanspraak maken op een wezenpensioen. In de pensioenregeling is opgenomen waarvan sprake is.

2.1.5 Keuze tussen vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen en/of wezenpensioen

Vanuit het perspectief van de gewezen deelnemer is het wenselijk dat zowel het wezenpensioen als het partnerpensioen vóór pensioendatum afzonderlijk kan worden voortgezet. De regering stelt voor dat de gewezen deelnemer de mogelijkheid heeft om bij de start van de vrijwillige voortzetting te kiezen voor zowel de risicodekking voor het partner- én wezenpensioen of afzonderlijk te kiezen voor de vrijwillige voortzetting van het partner- of wezenpensioen. Hierdoor heeft een gewezen deelnemer zonder partner, maar met kinderen het recht te kiezen om alleen het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten. En ook de gewezen deelnemer met partner en kinderen heeft met dit voorstel het recht te kiezen om bijvoorbeeld alleen het wezenpensioen voort te zetten.

2.1.6 Financiering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen

De huidige Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling regelen dat de financiering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen ten laste komt van het opgebouwde ouderdomspensioen (artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). Met dit wetsvoorstel wordt een tweede financieringswijze voorgesteld. De uitruil voor de vrijwillige voortzetting mag ook ten laste komen van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen én partnerpensioen op of na pensioendatum.

In overleg met de uitvoerende partijen is geconcludeerd dat niet alle pensioenuitvoerders in de opbouwfase eenvoudig onderscheid kunnen maken tussen pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioeningang. De uitvoering van deze specifieke uitruil is daarmee veelal lastig uitvoerbaar. Daarnaast is de uitruil van invloed op de verhouding van het ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum. De uitruil van alleen het ouderdomspensioen zorgt ervoor dat de hoogte van het partnerpensioen op of na pensioendatum meer dan 70% van het ouderdomspensioen kan bedragen.

Daarom wordt een tweede financieringswijze voorgesteld als de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op of na pensioendatum. In die situatie kan de uitruil voor de vrijwillige voortzetting van de risicodekking van het partnerpensioen vóór pensioendatum en/of het wezenpensioen17 ten laste komen van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen of het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum. Een van beide financieringsvormen moet in de pensioenovereenkomst worden opgenomen. Met deze aanpassing kan een keuze worden gemaakt tussen twee financieringsvormen voor de vrijwillige voortzetting.

Bij de financieringswijze «ten laste van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen én partnerpensioen op of na pensioendatum» geldt de voorwaarde dat de uitruil niet van invloed is op de verhouding tussen het partnerpensioen op of na pensioendatum en het ouderdomspensioen. Ook is bij deze financieringswijze de uitruil alleen mogelijk als de partner, die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum, toestemming geeft voor de uitruil naar een partnerpensioen en/of wezenpensioen op risicobasis. De toestemming is vereist omdat het opgebouwde partnerpensioen na pensioendatum lager wordt door de uitruil. Ook bij een latere scheiding zal het bijzonder partnerpensioen lager zijn vanwege de uitruil. Het toestemmingsvereiste voor uitruil van het opgebouwde partnerpensioen is al bestaande praktijk voor uitruil op pensioendatum.

Voor de volledigheid merkt de regering op dat de bestaande aanspraken op bijzonder partnerpensioen – het deel van het nabestaandenpensioen waarop een ex-partner recht heeft na een scheiding – geheel buiten beschouwing worden gelaten bij de uitruil.

Heeft de gewezen deelnemer (met partner) gekozen voor vrijwillige voortzetting van de risicodekking, dan dient de gewezen deelnemer ieder jaar geïnformeerd te worden over de gevolgen van de vrijwillige voortzetting. Het pensioenvermogen wordt namelijk lager door uitruil voor de vrijwillige voortzetting. De uitruil wordt stopgezet als de gewezen deelnemer aangeeft de uitruil niet te willen voortzetten.18

2.1.7 Keuze financiering van de vrijwillige voortzetting met het bij invaren opgebouwde partnerpensioen

In de Wtp is overgangsrecht voor het opgebouwde partnerpensioen getroffen zodat een partner die voor het invaren begunstigde is voor het opgebouwde partnerpensioen geen rechten kwijtraakt door de transitie.19 Dit overgangsrecht is met name van belang voor het opgebouwde partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden vóór pensioendatum. Het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum is immers onder het nieuwe pensioenstel op risicobasis. Het overgangsrecht in de Wtp ziet echter zowel op het behouden van het opgebouwde partnerpensioen vóór pensioendatum als na pensioendatum. In de Wtp zijn geen specifieke regels opgenomen over de wijze waarop pensioenuitvoerders het opgebouwde en behouden partnerpensioen moeten administreren.

Zoals aangegeven in de vorige paragraaf maakt dit wetsvoorstel een tweede financieringswijze van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking mogelijk als de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op of na pensioendatum. Bij deze financieringswijze komt de vrijwillige voortzetting ten laste van het pensioenvermogen voor ouderdomspensioen én partnerpensioen op of na pensioendatum. Hierbij is de uitruil niet van invloed op de verhouding tussen het partnerpensioen op of na pensioendatum en het ouderdomspensioen.

In overleg met de uitvoerende partijen kwam naar voren dat het betrekken van het opgebouwde en behouden partnerpensioen bij de uitruil voor verschillende pensioenuitvoerders complexiteit in de uitvoering zou toevoegen. Daarom wordt voorgesteld dat (een deel van) het opgebouwde en behouden partnerpensioen op of na pensioendatum van vóór de transitie niet bij de financiering van de vrijwillige voortzetting betrokken hoeft te worden. De keuze wordt vastgelegd in de pensioenovereenkomst.

Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat de bij invaren opgebouwde en behouden aanspraken van het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum geheel buiten beschouwing worden gelaten voor de uitruil ten behoeve van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking. Een belangrijk argument hiervoor is dat de uitvoering van deze specifieke uitruil lastig uitvoerbaar is voor veel pensioenuitvoerders. Daarnaast is het moeilijk uitlegbaar als het opgebouwde partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum (dat na invaren behouden is) uitgeruild zou worden voor een partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum op risicobasis.

Bij overlijden vóór de pensioendatum komt het vrijwillig voortgezette nabestaandenpensioen tot uitkering als de gewezen deelnemer hiervoor gekozen heeft, als ook het opgebouwde partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum.

2.1.8 Overgangsrecht vrijwillige voortzetting

De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in volle gang. Vanaf 1 juli 2023 zijn er rechtstreeks verzekerde regelingen die onder het nieuwe pensioenstelsel vallen en ook steeds meer pensioenfondsen stappen over naar het nieuwe pensioenstelsel.

In dit wetsvoorstel is ook overgangsrecht opgenomen voor deze pensioenregelingen. De voorgestelde aanpassingen zijn een tweede financieringsvorm van de vrijwillige voortzetting waarbij het reeds opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen en het partnerpensioen vanaf pensioendatum wordt gebruikt als dit in de pensioenovereenkomst is opgenomen. Ook wordt voorgesteld de vrijwillige voortzetting uit te breiden met wezenpensioen.

2.1.8.1 Wezenpensioen

Er kunnen gewezen deelnemers zijn die het partnerpensioen niet vrijwillig hebben voortgezet, wel vrijwillig hebben voortgezet of nog steeds voortzetten, vóórdat de Toezeggingenwet in werking is getreden.

In dit wetsvoorstel wordt het volgende voorgesteld met betrekking tot het wezenpensioen. Voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, blijft de situatie gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet.

Dit betekent concreet dat de gewezen deelnemer niet (opnieuw) de keuze krijgt om het partner- en/of wezenpensioen voort te zetten. Het aanbieden van vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen, al dan niet met terugwerkende kracht, brengt hoge uitvoeringskosten met zich, brengt risicoselectie met zich en is uitvoeringstechnisch complex.

Overigens bestaan in de praktijk pensioenregelingen onder het nieuwe pensioenstelsel maar voor de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet waarbij voortzetting van het wezenpensioen mogelijk is via de vangnetbepaling artikel 62 Pensioenwet respectievelijk artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ook die situatie blijft gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet.

2.1.8.2 Aangepaste financiering vrijwillige voortzetting

In dit wetsvoorstel wordt het volgende voorgesteld met betrekking tot de financiering van vrijwillige voortzetting. De mogelijkheid wordt geboden om over te stappen naar een andere financieringswijze, in plaats van alleen het ouderdomspensioen. De keuze hoe de vrijwillige voortzetting van de risicodekking wordt gefinancierd, is vastgelegd in de pensioenovereenkomst (en het pensioenreglement).

Voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, kan de wijze van financiering worden gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet. Pensioenuitvoerders mogen, voor gewezen deelnemers die gekozen hebben om partnerpensioen vrijwillig voort te zetten, deze aangepaste financieringswijze wijzigen vanaf de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet. In dat geval verstrekt de pensioenuitvoerder informatie over de gevolgen om de financiering in plaats van ouderdomspensioen te kiezen voor ouderdomspensioen en partnerpensioen vanaf pensioendatum. De informatie ziet in ieder geval op de gevolgen van deze vrijwillige voortzetting, de toestemming van de partner en de omvang van het pensioenvermogen dat wordt uitgeruild bij voortzetting in het volgende jaar.20

De gewijzigde financieringswijze wordt vastgelegd in de pensioenovereenkomst (en het pensioenreglement). Indien de gewezen deelnemer en de partner niet instemmen met de gewijzigde financieringswijze wordt de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen beëindigd (op grond van artikel 61a PW en artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). Wel bestaat de mogelijkheid om het partnerpensioen vrijwillig voort te zetten via de vangnetbepaling (artikel 62 Pensioenwet en artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

2.1.8.3 Overwogen alternatieven

Overwogen is in hoeverre voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel, waarbij de Toezeggingenwet nog niet in werking is getreden, vanaf het moment dat dit wetsvoorstel in werking treedt alsnog met terugwerkende kracht het wezenpensioen aangeboden moet worden. Dit alternatief wordt om een aantal redenen niet als wenselijk beschouwd. Bij de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet krijgen de gewezen deelnemers die gekozen hebben voor wel of geen voortzetting van de risicodekking niet de mogelijkheid hun keuze nog te wijzigen. De risicodekking zoals die bestond, wordt dan ook na inwerkingtreding van de Toezeggingenwet voortgezet. De keuze om met terugwerkende kracht de risicodekking te wijzigen is vanuit het oogpunt van risicoselectie en beheerste uitvoering zeer onwenselijk. Ook is de communicatie richting de gewezen deelnemer complex. Er is risicopremie betaald voor een bepaalde dekking, die dekking is ook gegeven en de gekozen dekking had tot uitkering kunnen komen.

Een wijziging met terugwerkende kracht heeft correctie van premie, vermogensrendementen en biometrische rendementen (plus of min) tot gevolg. Fondsen moeten de betreffende gewezen deelnemer informeren over de correcties in het persoonlijke pensioenvermogen en moeten de verschillen verklaren. Dit is complex in communicatie en keuzebegeleiding richting de gewezen deelnemer.

2.2 Een uniforme definitie van «kind» voor het wezenpensioen

De Wtp regelt onder andere één uniform partnerbegrip en tot welke leeftijd kinderen recht hebben op een wezenpensioen. Het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot het kind 25 jaar wordt.21 In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel toekomst pensioenen is aangekondigd om in navolging van de uniformering van het partnerbegrip ook het wezenbegrip verdergaand te uniformeren.22

In de huidige Pensioenwet23 wordt een wezenpensioen beschreven als «een geldelijke uitkering, die vastgesteld of variabel is, voor een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer.» Deze definitie geeft de pensioenuitvoerders enige ruimte voor nadere invulling aangezien niet precies wordt voorgeschreven in welke situaties er sprake is van een stiefkind of pleegkind. Deze nadere invulling wordt in de praktijk in de pensioenregeling gegeven en kan daardoor verschillen van pensioenregeling tot pensioenregeling. Dit betekent dat het mogelijk is dat een kind op basis van de pensioenregeling van de ene ouder wel recht kan hebben op een wezenpensioen en op basis van de pensioenregeling van de andere ouder dit recht niet heeft, alleen omdat de gebruikte definities in beide pensioenregelingen niet dezelfde zijn. Dit is moeilijk uitlegbaar. Op verzoek van de Eerste Kamer heeft de regering toegezegd om ook de definitie van kind voor het wezenpensioen te uniformeren.24

Om zoveel mogelijk een einde te maken aan de verschillende voorwaarden voor wezenpensioen per pensioenregeling wordt met dit wetsvoorstel één wettelijke definitie voorgesteld die geldt voor alle wezenpensioenen in de tweede pijler.25 Het doel van dit wetsvoorstel is om deelnemers en nabestaanden (partner en kinderen) meer helderheid te geven over waar zij op kunnen rekenen. Bij het formuleren van de voorgestelde kinddefinitie is nauw overlegd met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Het is van groot belang dat de nieuwe definitie in de praktijk begrijpelijk en uitvoerbaar is.

2.2.1 Doel wezenpensioen en kinddefinitie

Het doel van het wezenpensioen is een financiële bijdrage geven aan het kind dat zijn ouder(s) heeft verloren. Het is een uitkering voor kinderen indien één of beide ouders komen te overlijden.

Direct na het overlijden van de ouder(s) keert de pensioenuitvoerder het wezenpensioen uit. Als beide ouders zijn overleden, is het mogelijk dat een kind van meerdere pensioenuitvoerders een wezenpensioen ontvangt of een dubbel wezenpensioen. Bij een dubbel wezenpensioen kan de hoogte van het wezenpensioen worden verdubbeld.

Het wezenpensioen zorgt voor een financiële compensatie vanwege het wegvallen van de financiële zorg die de ouder bij leven gaf. Vanuit dit doel geredeneerd is de kern van de kinddefinitie dat het gaat om een relatie tussen de ouder en het kind waarbij sprake is van financiële zorg voor het kind. Bij jonge kinderen zal het kind meestal behoren tot het huishouden van de ouder. Bij jongvolwassenen tussen 18 en 25 jaar oud zal dit minder vaak het geval zijn, omdat zij bijvoorbeeld uitwonend zijn vanwege studie of werk. Dat een kind uitwonend is, wil echter niet zeggen dat er geen financiële band meer is tussen de ouder en het kind. De kinddefinitie zoals deze nu wordt voorgesteld, houdt ook rekening met deze situatie. Zoals hierboven reeds vermeld, hebben kinderen aanspraak op een wezenpensioen tot 25 jaar.

Voor veel van de situaties die vallen onder de voorgestelde uniforme definitie van kind, is sprake van een onderhoudsplicht van de ouder voor het kind op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voorgestelde uniforme kinddefinitie is echter breder dan de doelgroep voor wie de onderhoudsplicht geldt. Het wezenpensioen geldt voor wezen tot de leeftijd van 25 jaar, terwijl de onderhoudsplicht maximaal tot de leeftijd van 21 jaar geldt.

Daarnaast beoogt de regering bij de voorgestelde uniforme kinddefinitie zo veel mogelijk aan te sluiten bij de definities die al gehanteerd worden in de pensioenregelingen. Dit leidt tot een bredere toepassing dan de situaties waar een onderhoudsplicht ingevolge afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 van het BW aan de orde is.

Met bovenstaande als uitgangspunt bestaat de voorgestelde uniforme kinddefinitie uit een eigen kind, een stiefkind en een pleegkind. Aan de hand van de volgende situaties wordt uiteengezet wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden:

  • eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders);

  • samengestelde gezinnen;

  • stiefgezinnen; en

  • pleeggezinnen.

In navolgende paragrafen wordt op deze situaties ingegaan.

2.2.2 Eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders)

Bij een eenouder- of tweeoudergezin (juridische ouders) is aansluiting gezocht bij de artikelen 198 en 199 van Boek 1 van het BW. In vijf situaties wordt voldaan aan de voorgestelde definitie van een «eigen kind». Dit zijn de volgende situaties waarbij een kind in afstammingsrechtelijke relatie staat tot de deelnemer:

  • 1. een kind dat is geboren uit de deelnemer, of dat is geboren tijdens huwelijk of geregistreerd partnerschap van de deelnemer;

  • 2. een kind dat is erkend door de deelnemer;

  • 3. een kind waarbij het ouderschap van de deelnemer gerechtelijk is vastgesteld; en

  • 4. een kind dat door de deelnemer is geadopteerd.

In deze situaties wordt in het kader van de kinddefinitie verondersteld sprake te zijn van financiële zorg voor het kind. Elke ouder is richting zijn kinderen onderhoudsplichtig op basis van het BW, althans tot 21 jaar. Dat vanaf de leeftijd van 21 jaar de onderhoudsplicht vervalt, wil niet zeggen dat de financiële band met het kind op dat moment verdwijnt. Om die reden hoeft die financiële zorg niet door de ouders aangetoond te worden voor kinderen voor wie de onderhoudsplicht geldt of heeft gegolden.

Ten slotte ziet de vijfde situatie op het overlijden van de deelnemer voor de geboorte van het kind. Bij deze vijfde situatie moet de deelnemer gehuwd of geregistreerd partner zijn met de ouder uit wie het kind wordt geboren. Het kind valt onder de definitie van «eigen kind» als het kind wordt geboren binnen 306 dagen na het overlijden van de deelnemer. En in het geval van kunstmatige donorbevruchting als het overlijden van de deelnemer plaatsvindt na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind. Ook bij de vijfde situatie staat het kind in afstammingsrechtelijke relatie tot beide ouders, zowel degene uit wie het kind is geboren, als de overleden deelnemer.

Voor de definitie van «eigen kind» is het ook niet noodzakelijk dat het kind onderdeel uitmaakt van het huishouden van deze ouders. Wanneer een kind uitwonend is, heeft dat in deze situaties geen invloed op de vraag of er recht is op wezenpensioen.

2.2.3 Samengestelde gezinnen

Er is sprake van een samengesteld gezin als één of beide partners kinderen hebben uit een eerdere relatie. De juridische ouders van een kind26 zijn gehuwd met een andere partner of vormen één huishouden met een andere partner.

Als de juridische ouders van een kind zijn gescheiden of niet langer samenwonen en met een andere partner samenleven of getrouwd zijn, dan wordt er per huishoudenssituatie bekeken of het kind voldoet aan de kinddefinitie zoals neergelegd in dit wetsvoorstel.

Hierbij wordt als het ware een tweetrapsraket voorgesteld in het geval van de deelnemer, die niet de juridisch ouder is. Allereerst moet de juridische ouder als partner op grond van de partnerdefinitie gekwalificeerd worden.27 Is dit het geval, dan wordt vervolgens beoordeeld of het kind voldoet aan de kinddefinitie van «stiefkind».28 Is dat ook het geval, dan komt dit kind in aanmerking voor een wezenpensioen bij het overlijden van de partner van de juridische ouder.

Voor de goede orde merkt de regering op dat het kind voor beide huishoudenssituaties aangemerkt kan worden als kind op grond van de kinddefinitie in dit wetsvoorstel; dus zowel voor de pensioenregeling met een wezenpensioen van de juridisch ouders als van hun partners. Dit is een bewuste keuze.

Een alternatieve beleidsoptie die overwogen is, was maximaal één huishoudenssituatie toe te staan. Dit zou betekenen dat in de praktijk beoordeeld moet worden in welke van de twee huishoudenssituaties het kind gezien moet worden als kind. Dat is erg lastig objectief vast te stellen en stuitte op uitvoeringstechnische bezwaren. Om die reden wordt hiervan afgezien. Dit betekent wel dat het kind in theorie voor vier «ouders» een wezenpensioen kan ontvangen.

2.2.4 Stiefgezinnen

In het BW is ook de onderhoudsplicht van de stiefouder voor het stiefkind geregeld.29 Deze plicht geldt alleen voor de stiefouder die met de partner is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan en waarbij het kind tot het gezin behoort.

In dit wetsvoorstel (en dus in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling) gaat het bij een «stiefkind» om een kind van de partner dat niet het eigen kind is, maar dat wel als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden. Bij de voorwaarden voor een stiefkind wordt geen onderscheid gemaakt tussen de stiefouder die met de partner is gehuwd of die met de partner ongehuwd samenwoont. Voor de invulling van het begrip partner verwijst de regering naar de definities in de Pensioenwet.30 Wanneer een werknemer een relatie heeft met de (juridische) ouder van de kinderen, dan kunnen deze kinderen onder voorwaarden ook worden beschouwd als stiefkinderen voor de pensioenregeling van de werknemer.

Om vast te stellen of een kind van de partner dat niet het eigen kind is, als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden, wordt gekeken naar de verschillende voorwaarden die zijn benoemd in het nieuwe artikel 2b Pensioenwet respectievelijk artikel 2b Wet verplichte beroepspensioenregeling. Of het kind als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden, kan ook worden vastgesteld door een aantoonbare bijdrage in het levensonderhoud van het kind van de partner vanuit het huishouden van de (gewezen) werknemer. In de vier paragrafen hierna zijn de situaties beschreven waarin het stiefkind in aanmerking kan komen voor een wezenpensioen.

2.2.4.1 Ingeschreven op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer

Het kind valt onder de voorgestelde definitie van stiefkind als de (gewezen) werknemer en het kind van de partner van de (gewezen) werknemer ingeschreven staan op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen (BRP). Op grond van inschrijving in de basisregistratie personen wordt beoordeeld of het kind behoort tot het huishouden van de (gewezen) werknemer. Als het kind op hetzelfde adres staat ingeschreven als de (gewezen) werknemer, dan heeft het kind recht op een wezenpensioen.

2.2.4.2 Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden

Als het kind tijdelijk elders verblijft, en daardoor niet langer ingeschreven staat op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer, wordt het kind geacht tot het huishouden te behoren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een kind in het kader van een uitwisselingsprogramma of opname in een inrichting of ziekenhuis tijdelijk elders verblijft. Een dergelijk verblijf van het kind wordt als tijdelijk beschouwd indien dit verblijf niet langer dan zes maanden zal duren. Als het verblijf korter dan zes maanden duurt, dan behoort het kind tot het huishouden en komt in aanmerking voor een wezenpensioen. Als het kind niet meer ingeschreven staat bij de (gewezen) werknemer en (achteraf bezien) tijdelijk langer dan zes maanden elders verblijft, dan wordt het kind na afloop van die periode niet meer geacht tot het huishouden te behoren. Na een verblijf van zes maanden is er geen sprake meer van een tijdelijk verblijf.

Voor de goede orde zij opgemerkt dat onder tijdelijk verblijf niet wordt beschouwd wanneer het kind uitwonend is, bijvoorbeeld vanwege studie of werk. In zo’n geval gaat het om een langdurig verblijf op een ander adres, waar het kind een zelfstandig woonadres heeft. Het kind heeft daar een vaste woonplek.

In dat geval voldoet het kind niet aan de definitie van stiefkind op grond van het onderdeel «Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden» en komt het op grond daarvan niet in aanmerking voor een wezenpensioen. Dit laat onverlet dat het kind op een andere grond «Bijdrage kosten levensonderhoud kinderen» wel kan voldoen aan het begrip «stiefkind» (zie 2.2.4.4).

2.2.4.3 Co-ouderschap

Co-ouderschap is een omgangsregeling waarin de juridische ouders, na een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenwonen met een kind, afspraken maken hoe de zorg over de kinderen wordt verdeeld en wanneer de kinderen bij welke ouder verblijven. Als er sprake is van co-ouderschap, een overeenkomst of rechterlijke beschikking, kunnen kinderen tot twee gezinnen behoren. Voor het wezenpensioen is sprake van co-ouderschap als het kind ten minste 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van de (gewezen) werknemer. Aan de eis van 156 dagen is voldaan als de juridische ouders deze afspraak hebben vastgelegd in een ouderschapsplan. Uit het ouderschapsplan moet blijken dat het kind ten minste 156 dagen van een kalenderjaar in het huishouden van de (gewezen) werknemer verblijft.

Vóórdat op 1 maart 2009 de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking trad, bestond deze verplichting (ouderschapsplan) niet. Op grond van deze wet moeten alle scheidende ouders die getrouwd waren of een geregistreerd partnerschap hadden of die gezamenlijk het gezag hebben over minderjarige kinderen vanaf die datum een ouderschapsplan maken wanneer zij uit elkaar gaan. De personen die getrouwd waren of een geregistreerd partnerschap hadden, moeten dit ouderschapsplan indienen bij de rechter; de personen met gezamenlijk gezag die ongehuwd samenwoonden hebben deze verplichting niet. In de praktijk werden voor de inwerkingtreding van deze wet al regelmatig afspraken gemaakt over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en in welk huishouden het kind verblijft. Als in een overeenkomst, bijvoorbeeld een vaststellingsovereenkomst of echtscheidingsconvenant, van vóór maart 2009, de verdeling van het kind over beide huishoudens is vastgelegd, dan worden deze afspraken gelijkgesteld aan een ouderschapsplan zoals deze vanaf 1 maart 2009 verplicht is geworden. Ook wanneer op grond van een rechterlijke beschikking de verdeling is bepaald, wordt dit gelijk gesteld aan een ouderschapsplan.

2.2.4.4 Bijdrage kosten levensonderhoud kinderen

Het kind wordt ook als stiefkind van de (gewezen) werknemer aangemerkt als de (gewezen) werknemer of de partner aantoonbaar bijdraagt aan het levensonderhoud van het kind. Hiervan is sprake bij een bedrag per kalenderkwartaal dat gelijk is aan of hoger is dan € 522,– per kalenderkwartaal (norm 2025).31 Dit bedrag sluit aan bij de norm die vastligt bij het kindgebonden budget. Bij deze bijdrage in de kosten van levensonderhoud wordt verondersteld dat een kind in belangrijke mate onderhouden wordt. Om in aanmerking te komen voor het wezenpensioen op grond van dit onderdeel moet de financiële bijdrage worden aangetoond. Er zijn verschillende manieren mogelijk waarop deze verplichte financiële bijdrage aangetoond kan worden, enkele voorbeelden daarvan zijn:

  • er worden uitgaven gedaan voor het kind;

  • er worden betalingen gedaan aan het kind;

  • er worden betalingen gedaan aan derden;

  • er worden betalingen gedaan aan de verzorger van het kind.

2.2.4.5 Samenvattend: vier situaties waarin stiefkinderen in aanmerking komen voor wezenpensioen

Zoals hierboven gesteld, worden er vier situaties onderscheiden waarbij het stiefkind in aanmerking komt voor een wezenpensioen. Om te beginnen moet de (gewezen) werknemer als partner op grond van de partnerdefinitie (art. 1 jo art. 2a Pensioenwet) gekwalificeerd worden. Aan de voorgestelde definitie van «stiefkind» wordt vervolgens voldaan als een kind van de partner dat niet het eigen kind is, wel als eigen kind wordt opgevoed en onderhouden.

Het stiefkind wordt als eigen kind opgevoed en onderhouden als het op hetzelfde adres woont als de (gewezen) werknemer, op hetzelfde adres woonde, maar nu gedurende maximaal zes maanden tijdelijk elders verblijft, op grond van een ouderschapsplan ten minste 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden van de (gewezen) werknemer verblijft of er sprake is van een aantoonbare financiële bijdrage in het levensonderhoud van het kind vanuit het huishouden van de (gewezen) werknemer.32

2.2.5 Pleeggezinnen

Als een kind niet kan worden opgevoed en verzorgd door de eigen ouder(s), dan kan het kind in een pleeggezin worden geplaatst. In dat geval woont een kind tijdelijk of permanent in een pleeggezin. Een pleegkind komt alleen in aanmerking voor een wezenpensioen indien de deelnemer of de partner die als pleegouder is aangemerkt voor dit pleegkind kinderbijslag ontvangt. Wanneer het pleegkind ouder is dan 18 jaar ontvangen de pleegouders geen kinderbijslag meer. In dat geval heeft een pleegkind recht op een wezenpensioen wanneer de deelnemer of de partner als pleegouder is of was aangemerkt, de deelnemer of partner voor dit pleegkind kinderbijslag heeft ontvangen tot 18 jaar en de deelnemer of de partner aantoonbaar bijdraagt aan het levensonderhoud van het pleegkind voor een bedrag van minimaal € 522,– per kalenderkwartaal (norm 2025). Bij pleegkinderen wordt, in tegenstelling tot de situatie van stiefkinderen, geen onderscheid gemaakt tussen thuiswonende en uitwonende kinderen, voor beide kinderen gelden dezelfde voorwaarden.

Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het kind geen recht heeft op een wezenpensioen als sprake is van een pleegkind waarvoor de deelnemer of de partner een pleegvergoeding ontvangt of ontving. De pleegvergoeding is namelijk in beginsel kostendekkend. De pleegouders dragen daarmee niet zelf financieel bij aan de kosten van dit pleegkind. Bij het overlijden van één van beide pleegouders valt er dus ook geen inkomen weg dat anders was besteed aan het kind. Er is geen aanleiding om in die gevallen een wezenpensioen te verstrekken. Deze kinderen vallen dus niet onder de definitie van pleegkind in dit wetsvoorstel.

2.2.6 Overgangsrecht

Personen die voorafgaand aan inwerkingtreding van deze nieuwe definitie in de pensioenregeling van de deelnemer werden aangemerkt als kind van de deelnemer, zullen in het kader van het overgangsrecht aangemerkt blijven als kind. Personen die volgens de pensioenregeling niet voldeden aan de kinddefinitie, maar wel voldoen aan de definitie zoals deze nu wordt voorgesteld, komen niet in aanmerking voor het opgebouwd wezenpensioen van voor de inwerkingtreding van deze nieuwe definitie dan wel over de periode voor het overgangstijdstip naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wtp.33 Immers, bij de premiestelling en opbouw van dit wezenpensioen is er geen rekening gehouden met de met dit wetsvoorstel geïntroduceerde wijziging. De opbouw voor kinderen die wel onder de nieuwe definitie vallen, start op het invaarmoment naar het nieuwe pensioenstelsel of – als dit wetsvoorstel later in werking treedt dan het invaarmoment – bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

2.2.7 Overwogen alternatieven

In de voorbereiding van dit wetsvoorstel (uniformering van de kinddefinitie) zijn verschillende alternatieven overwogen voor de definitie van «kind». Een van de alternatieven die is onderzocht, is om de definitie van het kind in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) te hanteren. Uiteindelijk werd deze definitie als te beperkend beoordeeld. Uitgangspunt van het wezenpensioen is om een financiële bijdrage te geven aan het kind dat zijn ouder heeft verloren.

Er is ook onderzocht in hoeverre «stiefkind» eenvoudiger gedefinieerd kan worden dan nu wordt voorgesteld. Eén van de opties die is overwogen was de voorwaarde «tot het gezin behorend». Stiefkinderen die tot het gezin behoren, zouden in aanmerking komen voor het wezenpensioen. Het blijkt voor pensioenuitvoerders te ingewikkeld om de invulling van deze open norm uit te voeren. Uiteindelijk is geconcludeerd, onder andere vanwege de uitvoeringstechnische complexiteit, dat dit geen oplossing biedt voor de pensioensector.

2.3 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid

Dit wetsvoorstel regelt verder een verruiming van het overgangsrecht voor de voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid voor zowel pensioenfondsen als verzekeraars.

2.3.1 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij pensioenfondsen

In artikel 220h van de Pensioenwet en in artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is overgangsrecht opgenomen voor pensioenfondsen die een beëindigde pensioenregeling uitvoeren (gesloten pensioenfondsen) en waarvan de onderneming van de werkgever heeft opgehouden te bestaan. Dit overgangsrecht geeft deze fondsen de mogelijkheid om de pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst, die als gevolg van premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, te blijven voortzetten. Hiermee wordt voorkomen dat deze fondsen een nieuwe pensioenregeling moeten afspreken. Er is immers geen werkgever meer om een wijziging van de pensioenregeling mee overeen te komen.

Door het overgangsrecht te beperken tot gesloten regelingen waarbij er geen werkgever meer is, is de consequentie dat alle gesloten pensioenfondsen waarbij nog wel een werkgever bestaat, de premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond van de uitkeringsovereenkomst moeten omzetten naar een pensioenovereenkomst die voldoet aan artikel 10 van de Pensioenwet; oftewel een premieovereenkomst.

In de praktijk zal het aantal deelnemers dat, binnen gesloten pensioenfondsen waarbij nog wel een werkgever bestaat, recht heeft op premievrije voortzetting op grond van een uitkeringsovereenkomst beperkt zijn. Hierdoor worden gesloten fondsen gedwongen om voor deze relatief kleine groep deelnemers een nieuwe pensioenregeling op te zetten of bij een andere pensioenuitvoerder onder te brengen. Het gevolg hiervan is dat gesloten fondsen voor een relatief kleine groep deelnemers hoge kosten moeten maken voor het opzetten van een nieuwe pensioenregeling. De regering is van mening dat dit ongewenst is.

Zodoende wordt voorgesteld artikel 220h van de Pensioenwet en artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aan te passen. Met de voorgestelde aanpassing wordt mogelijk gemaakt dat alle (gesloten) fondsen de mogelijkheid hebben om bij een beëindigde pensioenregeling de premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst voort te zetten, ongeacht of de onderneming van de werkgever nog bestaat. Voor een algemeen pensioenfonds geldt dat deze mogelijkheid wordt toegepast per collectiviteitkring. Ook wordt de voorwaarde dat het pensioenfonds gesloten is voor 1 juli 2023 aangepast naar uiterlijk voor het einde van de transitietermijn.

Ook wordt in dit wetsvoorstel het overgangsrecht verruimd voor deelnemers die ziek zijn geworden onder het oude stelsel (in de beëindigde regeling), maar op een later moment, na afloop van een wachttijdperiode, arbeidsongeschikt worden. In die situatie is premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid onder het oude stelsel mogelijk.

Als aanvullende voorwaarde voor artikel 220h Pensioenwet en artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is opgenomen dat het pensioenfonds geen collectieve waardeoverdracht doet als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet respectievelijk artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Wordt immers wel voor die collectieve waardeoverdracht gekozen, dan wordt de pensioenregeling gewijzigd en worden alle aanspraken en rechten omgezet, ook van de deelnemers met het recht op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid. Volledigheidshalve merkt de regering op dat als de pensioenregeling wel wordt gewijzigd, arbeidsongeschikte deelnemers niet in de oude pensioenregeling kunnen blijven, terwijl de overige deelnemers wel invaren. Een uitzondering op deze hoofdregel maken, past niet bij de afspraken rond de stelselherziening en is volgens de regering niet wenselijk.

Tot slot wordt geregeld dat in het geval van een collectieve waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder, die plaatsvindt na de transitieperiode en waarbij het pensioenfonds al dan niet liquideert, de pensioenregeling voor de deelnemers met premievrije voortzetting kan worden voortgezet bij de nieuwe uitvoerder.

Dat geldt ook voor een algemeen pensioenfonds waarbij een collectieve waardeoverdracht plaatsvindt naar een andere collectiviteitkring. De premievrije voortzetting ziet op een collectieve waardeoverdracht vanwege beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever, in geval van overgang van onderneming of de liquidatie van het fonds (artikel 83, eerste lid, onderdelen a, b en d of artikel 84 van de Pensioenwet en artikel 91 eerste lid, onderdeel a, artikel 4a lid 4 of artikel 92 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

De overige voorwaarden uit artikel 220h van de Pensioenwet en artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling blijven ongewijzigd.

2.3.2 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij verzekeraars

In het huidige artikel 220ha van de Pensioenwet en in het huidige artikel 214fa van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is overgangsrecht getroffen voor premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid wanneer deze wordt uitgevoerd door een verzekeraar. Artikel 220ha regelt dat in bepaalde situaties deze premievrije voortzetting onder het karakter van de oude regeling voortgezet mag worden. Het verwerven van pensioenaanspraken bij een verzekeraar mag worden voortgezet als dit het gevolg is van premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid waarbij:

  • zowel de eerste ziektedag als ook het doorlopen van de wachttijd (veelal 104 weken) onder het oude pensioenstelsel heeft plaatsgevonden; of

  • de deelnemer ziek uit dienst treedt onder het oude pensioenstelsel en de wachttijd plaatsvindt na de uitdiensttreding.

In de verzekeringsovereenkomst (inclusief de polisvoorwaarden) is veelal bepaald dat de arbeidsongeschikte (ex-)werknemer een rechtstreekse vordering op de verzekeraar heeft op voortzetting van de betaling van overeengekomen premiebedragen voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Daarbij is veelal overeengekomen dat de pensioenregeling waarin een (ex-) werknemer deelnam op het moment dat hij ziek werd, bepalend is voor de hoogte en voortzetting van deze premiebedragen. Dit betekent dat in de gevallen waarin de premievrijstelling vanwege arbeidsongeschiktheid al is ingegaan, de verplichtingen van de verzekeraar en de premierechten van de arbeidsongeschikte (ex-)werknemer vaststaan en niet zonder instemming van de (voormalige) werkgever, (ex-)werknemer en verzekeraar aangepast kunnen worden. Het is niet wenselijk om in deze situatie te verplichten dat voormalig werkgevers en ex-werknemers de pensioenovereenkomst aanpassen zodat de verzekeringsovereenkomst en het pensioenreglement met de verzekeraar aangepast worden. Zonder overgangsrecht zouden de afspraken in de verzekeringsovereenkomst niet geëerbiedigd kunnen worden.

Het huidige overgangsrecht geldt niet voor deelnemers die in dienst zijn bij de werkgever en die op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel ziek zijn maar nog niet de wachttijd hebben doorlopen. Deze deelnemers kwalificeren dan nog niet als arbeidsongeschikt conform het pensioenreglement. De pensioenovereenkomst van deze deelnemers kan gewijzigd worden conform de daarvoor geldende regels.

In dit wetsvoorstel wordt het overgangsrecht verruimd. Met de voorgestelde wijziging van artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet wordt het overgangsrecht verruimd zodat ook deelnemers die in dienst zijn bij de werkgever en op het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel ziek zijn en op een later moment, na afloop van de wachttijd, vrijgesteld worden van premiebetaling vanwege arbeidsongeschiktheid, hieronder kunnen vallen. De voorgestelde aanpassing ziet zowel op de situatie waarbij de werkgever de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel onderbrengt bij een andere verzekeraar, als bij dezelfde verzekeraar. Met de voorgestelde aanpassing kan de bestaande praktijk gehandhaafd blijven.

De voorgestelde wijziging van artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet heeft twee subonderdelen. Het eerste subonderdeel gaat uit van de situatie dat het recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan onder het oude stelsel, het tweede subonderdeel daarentegen gaat uit van de situatie dat de eerste ziektedag moet zijn aangevangen onder het oude pensioenstelsel.

Situatie

Artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b van de Pensioenwet:

1e ziektedag en de wachttijdperiode zijn in het oude pensioenstelsel

subonderdeel 1

1e ziektedag is in het oude pensioenstelsel; de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe pensioenstelsel

subonderdeel 2

1e ziektedag en tijdens de wachttijdperiode ziek uit dienst in het oude pensioenstelsel; de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe pensioenstelsel

subonderdeel 2

1e ziektedag in het oude pensioenstelsel; en tijdens de wachttijdperiode ziek uit dienst in het nieuwe pensioenstelsel; de wachttijdperiode (deels) in het nieuwe pensioenstelsel

subonderdeel 2

Door het overgangsrecht te verruimen wordt voorkomen dat er kwetsbare groepen deelnemers bij wijziging van de regeling en bij een mogelijke wisseling van de uitvoerder mogelijk tussen wal en schip vallen. Voor de goede orde, artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, verplicht niet tot verruiming van het toepassingsbereik maar geeft slechts de bevoegdheid om hier tussen werkgever, werknemer en verzekeraar afspraken over te maken.

In lijn met de voorgestelde aanpassingen in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals hiervoor toegelicht, wordt ook voorgesteld het overgangsrecht in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) overeenkomstig aan te passen.

2.4 Verplichte voortzetting risicodekking van het nabestaandenpensioen op grond van een cao of periodieke uitkering

In het nieuwe pensioenstelsel geldt een verplichte uitloopperiode voor het nabestaandenpensioen op risicobasis van drie of zes maanden bij het einde van een dienstverband.34 De risicodekking wordt ook voortgezet zolang er sprake is van een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet (WW) of de Ziektewet (ZW).

Indien de pensioenregeling voorziet in een nabestaandenpensioen op risicobasis, wordt de risicodekking bij werkloosheid direct aansluitend op het einde van de deelname voortgezet, zolang de gewezen deelnemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van de WW of een werkloosheidsuitkering van zijn woonland en de gewezen deelnemer deze uitkering ook ontvangt.

De maximale duur van de wettelijke WW-uitkering is per 2016 stapsgewijs teruggebracht van 38 naar 24 maanden.35 Daarbij is ook afgesproken dat de sociale partners via cao-afspraken de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor privaat gefinancierde aanvullende uitkering na afloop van de maximale duur van de wettelijke WW-uitkering.

In de praktijk, voor de inwerkingtreding van de Wtp, was het voortzetten van het nabestaandenpensioen op risicobasis tijdens deze bovenwettelijke WW-periode, veelal een onderdeel van de cao-afspraken. De financiering daarvan kwam niet ten laste van het pensioenvermogen van de gewezen deelnemer, maar werd vanuit het collectief gefinancierd door middel van een opslag op de risicopremie voor de werkgever.

De Wtp houdt geen rekening met de loongerelateerde werkloosheidsuitkering op grond van een cao of periodieke uitkering ter vervanging van gederfd loon of te derven loon. De regering vindt dit onwenselijk en wil dit met een aanpassing corrigeren. Zonder aanpassing kan dit leiden tot een versobering van de pensioenregeling. Als de gewezen deelnemer de risicodekking wil voortzetten, zou de gewezen deelnemer deze dekking zelf vrijwillig moeten voortzetten en financieren vanuit het persoonlijke pensioenvermogen, door uitruil op grond van artikel 61a Pensioenwet of artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Dit terwijl de uitloopdekking van het nabestaandenpensioen op risicobasis vóór de Wtp automatisch was geregeld en gefinancierd werd vanuit de collectieve risicopremie.

De voorgestelde aanpassing zorgt ervoor dat de gewezen deelnemer pas na afloop van de privaat gefinancierde aanvullende werkloosheidsuitkering het nabestaandenpensioen op risicobasis vrijwillig hoeft voort te zetten door uitruil van het persoonlijke pensioenvermogen (artikel 61a Pensioenwet of artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).36 De pensioenuitvoerder die dekking van het nabestaandenpensioen biedt gedurende deze privaat gefinancierde aanvullende werkloosheidsuitkering, zorgt ervoor dat bij beëindiging van deze private aanvullende werkloosheidsuitkering tijdig een aanbod voor vrijwillige voortzetting wordt gedaan. De pensioenuitvoerders zijn ervoor verantwoordelijk dat zij tijdig door de werkgever of gewezen deelnemer worden geïnformeerd dat de (gewezen) deelnemer een private werkloosheidsuitkering ontvangt en de beëindiging daarvan. Deze informatie is relevant voor het tijdig doen van een aanbod voor vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen aan de gewezen deelnemer en de keuzebegeleiding daarbij. Gelet op het gegeven dat deze verlengde uitloopperiode in feite al staande praktijk is en de pensioensector heeft aangegeven de betreffende informatie van de werkgever en/of de (gewezen) deelnemers te kunnen ontvangen, zal er geen wettelijke grondslag volgen tussen pensioenuitvoerders en de stichtingen die de private werkloosheidsuitkeringen uitvoeren, zoals PAWW. Deze gegevensuitwisseling is niet noodzakelijk.

Voorgesteld wordt om het huidige artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, te wijzigen en rekening te houden met eventuele aanvullingen op de werkloosheidsduur via cao-afspraken of periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd loon of te derven loon, indien dit in de pensioenovereenkomst is opgenomen. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de verplichte voortzetting van het nabestaandenpensioen op risicobasis bij een private werkloosheidsuitkering, alleen van toepassing is als dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst. Het kan dus ook voorkomen dat de cao-afspraak wel voorziet in een private werkloosheidsuitkering, maar de pensioenovereenkomst niet voorziet in voortzetting van de dekking tijdens de duur van de private werkloosheidsuitkering.

2.5 Gelijke aanpassingen direct na pensionering

2.5.1 Gelijke aanpassingen direct na pensionering

Binnen het collectief toedelingsmechanisme is het mogelijk om gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en het spreiden van financiële resultaten te realiseren. In de eerste jaren direct na pensioendatum van een pensioengerechtigde is het in de praktijk uitvoeringstechnisch complex om het collectief toedelingsmechanisme zodanig in te richten dat de pensioenuitkeringen van een net pensioengerechtigde in gelijke mate meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden. Veel pensioenuitvoerders kiezen er daarom voor om bij de flexibele premieregeling de pensioenuitkeringen van net pensioengerechtigden niet in gelijke mate aan te passen. Daardoor krijgen net gepensioneerden een andere verhoging of verlaging van de pensioenuitkering. Dit past niet bij het doel van gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en zorgt voor een complexe uitvoering, ook op communicatief vlak. De regering stelt daarom een aanpassing aan de regeling gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst voor.

Om gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen van net gepensioneerden minder complex en zonder ex-ante herverdeling mogelijk te maken, zijn er een aantal aanpassingen noodzakelijk. Zo is het nodig dat uiterlijk bij ingang van het pensioen rekening kan worden gehouden met de toekomstige aanpassingen van uitkeringen voor reeds gepensioneerden die veroorzaakt zijn door het financiële resultaat van eerdere jaren voorafgaand aan de ingang van het pensioen van de net gepensioneerde. Wanneer in het collectief toedelingsmechanisme gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om het financiële resultaat te spreiden over een spreidingperiode van bijvoorbeeld tien jaar, dan heeft dit geen invloed op het kapitaal van degene wiens pensioen vijf jaar na dit financiële resultaat ingaat. De regering wil het mogelijk maken dat bij pensioneren rekening gehouden kan worden met de aanpassingen die op dat moment nog niet volledig zijn verwerkt vanwege de spreiding van eerdere financiële resultaten. Dit kan door het eenmalig alloceren van een deel van het kapitaal op pensioeningang voor de toekomstige gelijke aanpassingen. De pensioenuitkering van de net gepensioneerde kan hiermee in de eerste jaren van het pensioen zonder ex-ante herverdeling in gelijke mate meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden. Deze handelwijze is voor pensioenuitvoerders beter uitvoerbaar en communicatief eenvoudiger uitlegbaar. Pensioenuitvoerders kunnen kiezen om hier gebruik van te maken.

Bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme via een uiterlijk op pensioeningang vastgestelde variatie is op voorhand geen herverdeling mogelijk. Dit is vastgelegd in het voorgestelde artikel 63a, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Omdat de op pensioeningang vastgestelde variatie afhankelijk is van de gelijke aanpassingen die op dat moment bekend zijn en deze gelijke aanpassingen enkel wijzigen als gevolg van nieuwe financiële resultaten die ook aan de nieuwe pensioengerechtigde toekomen, is er ook geen ex-ante herverdeling nodig om gelijke aanpassingen te realiseren.

In artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is ook verduidelijkt dat bij de mate van variatie in een variabele uitkering de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren, buiten aanmerking blijft. Omdat er bij de solidaire premieovereenkomst sprake is van een verdeling bij pensioeningang tussen het uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen om gelijke aanpassingen te realiseren wordt in artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, verwezen naar de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren in het algemeen. Dit ziet zowel op de mechanismen om gelijke aanpassingen te realiseren van de solidaire als de flexibele premieregeling.

2.5.2 Nabestaandenpensioen vóór pensioendatum en gelijke aanpassingen

Gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en spreiden van financiële resultaten kan ook worden toegepast bij het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum (partner- en/of wezenpensioen). In dat geval bestaat bij een solidaire premieregeling het voor pensioenuitkering bestemd vermogen bij het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum vanaf het moment van pensioeningang van dit nabestaandenpensioen uit een uitkeringsvermogen en spreidingsvermogen. In het geval van de flexibele premieregeling kan uiterlijk op ingangsdatum een kapitaal worden gealloceerd. Het spreidingsvermogen of het kapitaal wat wordt gealloceerd kan positief of negatief zijn en heeft daarmee een positief of negatief effect op de hoogte van de uitkering vanaf ingangsdatum van het nabestaandenpensioen.

Door toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden kan de uitkering van het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum of het wezenpensioen de begrenzingen van 50% respectievelijk 20% of 40% voor volle wezen van het laatstgenoten pensioengevend loon overschrijden.37 Het overschrijden van deze begrenzingen kan bijvoorbeeld plaatsvinden als het spreidingsvermogen dat op pensioendatum nodig is of het kapitaal dat wordt gealloceerd negatief is en dit negatieve vermogen wordt verrekend met het vermogen of het kapitaal bestemd voor de uitkering. Hierdoor is op ingangsdatum de uitkering hoger en wordt het negatieve spreidingsvermogen of negatieve kapitaal dat is gealloceerd gedurende de spreidingsperiode verwerkt in het vermogen of het kapitaal bedoeld voor de uitkering en tenslotte in de uitkering zelf. Daarnaast kan een pensioenuitvoerder er ook voor kiezen dat er vanuit de risicopremie zowel een vermogen bestemd voor de uitkering als een spreidingsvermogen of kapitaal dat wordt gealloceerd op pensioendatum wordt gefinancierd. Op ingangsdatum kan vanuit het vermogen bestemd voor de uitkering het afgesproken percentage, bijvoorbeeld 50%, van het laatstgenoten pensioengevend loon worden uitbetaald. Daarnaast kan met de risicopremie ook het spreidingsvermogen of gealloceerd kapitaal worden gefinancierd. Als het spreidingsvermogen of gealloceerd kapitaal positief is, dan wordt met de risicopremie een partnerpensioen van 50% van het laatstverdiende loon plus een positief spreidingsvermogen of te alloceren kapitaal gefinancierd. Hierdoor is het totale vermogen of kapitaal op ingangsdatum hoger dan benodigd voor een uitkering van 50% van het laatstverdiende loon. In het geval dat het spreidingsvermogen of het gealloceerd kapitaal negatief is, dan is het totale vermogen of kapitaal lager dan benodigd voor een partnerpensioen van 50% van het laatstverdiende loon. Op deze manier wordt rekening gehouden met negatieve resultaten in voorgaande jaren die nog niet volledig zijn verwerkt. Dit hoeft overigens niet altijd te leiden tot verlagingen van de uitkering. Een verlaging kan immers worden voorkomen door inzet van de risicodelings- of solidariteitsreserve38 of door positieve resultaten na ingangsdatum.

Met dit wetsvoorstel wordt geregeld met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023 dat de hiervoor genoemde overschrijdingen van de begrenzingen voor de fiscaliteit buiten beschouwing blijven (en dus fiscaal toegestaan zijn). Het wordt hiermee fiscaal mogelijk om uiterlijk op de ingangsdatum van het nabestaandenpensioen een spreidingsvermogen te vullen of kapitaal te alloceren in het geval van gelijke aanpassingen met spreiden.39 Voor de terugwerkende kracht is gekozen zodat ook eventuele situaties waarin dit al is toegepast onder deze verruiming vallen.

Door toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden kan op ingangsdatum de uitkering van het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum of het wezenpensioen hoger of lager zijn dan een in de pensioenregeling opgenomen percentage van het laatstgenoten pensioengevend loon. Ook is de toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden relevant voor het verloop van de uitkeringen en of deze waarschijnlijk zullen dalen, stijgen of gelijk blijven. Het blijft essentieel dat pensioenuitvoerders deelnemers en hun nabestaanden hierover correct, tijdig, evenwichtig en duidelijk informeren. In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zal worden geregeld dat de pensioenuitvoerder concrete en persoonlijke informatie over het verloop van de uitkeringen aan de deelnemer en de nabestaande moet verstrekken.

Voor de goede orde, het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum is op risicobasis verzekerd. Indien het spreidingsvermogen of te alloceren kapitaal wordt gefinancierd vanuit de risicopremie, dan heeft dit vóór pensioeningang (dus voor overlijden van de deelnemer) geen waarde. Het leidt niet tot kapitaalopbouw; het gaat om een risicokapitaal op risicobasis en vervalt bij einde deelneming. Voor zover de risicopremie in rekening wordt gebracht door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds moet sprake zijn van een doorsneepremie (artikel 17, tweede lid, van de Pensioenwet).

2.6 Technische aanpassingen en verduidelijkingen

Met dit wetsvoorstel wordt een aantal technische zaken die de Wtp heeft geregeld aangepast of verduidelijkt. Ook worden enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

2.6.1 Aanpassing in verwijzing bij definities gedetacheerde werknemeren gedetacheerd beroepsgenoot

In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt voor het begrip «gedetacheerde werknemer» respectievelijk «gedetacheerd beroepsgenoot» verwezen naar Verordening (EEG) 1408/71. Evenwel bestaat Vo. 1408/71 al niet meer sinds 1 mei 2010. De opvolger van Vo. 1408/71 is Verordening (EG) 883/2004. De verwijzing wordt aangepast zodat deze weer juist is.

2.6.2 Uitsluiten meerderjarig pleegkind en aanverwantschap bij partnerdefinitie

In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt de definitie van «partner» aangepast. Meerderjarig voormalig pleegkind wordt vervangen door meerderjarig pleegkind, om te voorkomen dat een meerderjarig pleegkind zowel als kind als partner van de deelnemer kan kwalificeren.

Ook wordt een aanverwant in de eerste graad of in de tweede graad in de rechte lijn uitgezonderd van het partnerbegrip. De uitsluiting van een aanverwant in de eerste graad in rechte lijn was tot de inwerkingtreding van de Wtp reeds opgenomen in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964. Sinds de Wtp wordt in dit artikel verwezen naar de begripsbepaling van partner in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Door de voorgestelde aanpassing wordt een aanverwant in de eerste of tweede graad in rechte lijn (weer) uitgesloten van het partnerbegrip.

2.6.3 Wijziging artikel 63 Pensioenwet en artikel 75 Wet verplichte beroepspensioenregeling

In deze artikelen staat een onjuiste verwijzing opgenomen naar artikel 18d van de Wet op de Loonbelasting. Er wordt verwezen naar het derde lid, terwijl dit het tweede lid zou moeten zijn. Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.

2.6.4 Wijziging artikel 171 Wet verplichte beroepspensioenregeling

In de Pensioenwet en in de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vastgelegd bij welke overtredingen de toezichthouder een bestuurlijke boete kan opleggen. In het betreffende artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling was de verwijzing naar de artikelen niet meer correct en klopte de volgorde van de artikelen niet meer. Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.

2.6.5 Wijziging artikelen 214f en 214fa van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet

In het opschrift van zowel de artikelen 214f en 214fa van de Wet verplichte beroepspensioenregeling als de artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet zit dezelfde typefout: voorzetting i.p.v. voortzetting. Dit wordt aangepast met dit wetsvoorstel.

2.6.6 Uitvoering pensioen op het loonstrookje

Artikel XIIB van de Wtp wijzigt art. 626, tweede lid, van Boek 7 van het BW, zodat op de loonstrook van de werknemer wordt aangegeven of er in het betreffende tijdvak ouderdomspensioen is opgebouwd. De inwerkingtreding van dit artikel is uitgesteld tot deze bepaling uitvoerbaar was. In overleg met uitvoerende partijen is geconcludeerd dat de huidige wettekst te moeilijk uitvoerbaar is, nu in de salarisadministratie niet altijd zichtbaar is wanneer een werknemer ouderdomspensioen opbouwt.

Goed denkbaar is bijvoorbeeld de situatie dat er wel een pensioenregeling aanwezig is, maar de werknemer bij een pensioengevend salaris lager dan de franchise toch geen ouderdomspensioen opbouwt. Ook in het geval van een pensioenregeling waar de premiebetaling volledig ten laste komt van de werkgever, is in de salarisadministratie veelal niet direct zichtbaar welke werknemer ouderdomspensioen opbouwt.

Deze en andere voorbeelden kunnen leiden tot onnodig alarmerende meldingen. Om dit te voorkomen wijzigen we het artikel zodat er op de loonstrook melding moet worden gemaakt van de aanwezigheid van een pensioenregeling. Dit verhelpt veel foute positieven en negatieven over de opbouw van ouderdomspensioen. Deze bepaling zorgt voor een betere uitvoering en leidt niet tot additionele regeldruk.

De voorgestelde wijziging is geen nieuw politiek besluit, maar een aanpassing om de politieke wens van het beter zichtbaar maken van pensioen voor de werknemer, beter uitvoerbaar te maken. De achterliggende gedachte is om werknemers erop te attenderen dat zij door de afwezigheid van een pensioenregeling mogelijk te weinig ouderdomspensioen opbouwen om hun inkomen bij pensionering adequaat te vervangen. Voor een werknemer met een pensioengevend salaris lager dan de franchise geldt dat de AOW het inkomen doorgaans adequaat vervangt. Een melding zou daarmee onnodig alarmerend zijn. Deze melding op de loonstrook is één van de instrumenten om de informatievoorziening over pensioen te verbeteren. Het politieke besluit over dit instrument is reeds genomen bij de behandeling en aanname van de Wet toekomst pensioenen.

2.6.6 Schrappen overbodige voorwaarde artikel 150e Pensioenwet/145d Wet verplichte beroepspensioenregeling

De in artikel 150e, derde lid, onderdeel c, van de Pensioenwet (artikel 145d, derde lid, onderdeel c, Wet verplichte beroepspensioenregeling) genoemde voorwaarde dat geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet (artikel 214d Wet verplichte beroepspensioenregeling) is overbodig en daarom geschrapt. In de situatie dat er gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht is art. 150e van de Pensioenwet, als onderdeel van hoofdstuk 6b, sowieso niet van toepassing.

2.6.7 Verduidelijking reikwijdte compensatieregeling artikel 150f Pensioenwet

De Pensioenwet schrijft voor dat compensatie ten behoeve van het afschaffen van de doorsneesystematiek kan worden verstrekt aan deelnemers, maar verplicht dit niet. Sociale partners kunnen voor de compensatie een compensatieregeling overeenkomen. Als er een compensatieregeling wordt afgesproken, gelden er specifieke voorwaarden waar de compensatieregeling aan moet voldoen. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in artikel 150f. Vanwege onduidelijkheid of vrijwillige voortzetters ook voor de compensatieregeling in aanmerking komen, wordt met dit wetsvoorstel verduidelijkt dat indien vrijwillige voortzetters zijn opgenomen in de compensatieregeling, de specifieke voorwaarden die zijn voorgeschreven op grond van artikel 150f Pensioenwet, van toepassing zijn op vrijwillige voortzetters. Vrijwillige voortzetters zijn namelijk op grond van de Pensioenwet deelnemers. Het is daarom logisch dat de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 150f gelden voor vrijwillige voortzetters, indien zij zijn opgenomen in de compensatieregeling. Dit wordt met dit wetsvoorstel expliciet gemaakt. Hierbij wordt opgemerkt dat sociale partners afspraken maken over een eventuele compensatieregeling. Omdat compensatie toekennen niet verplicht is, kunnen sociale partners er ook bewust voor hebben gekozen om de vrijwillige voortzetters uit te sluiten van de compensatieregeling. De voorwaarden uit artikel 150f van de Pensioenwet zijn dan niet van toepassing. Bij de bepaling of de compensatieregeling wel of niet geldt voor vrijwillige voortzetters, dient de evenwichtigheid centraal te staan.

Hoofdstuk 3 Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid

Dit wetsvoorstel heeft beperkte gevolgen in termen van regeldruk voor burgers, bedrijven en de overheid. Enkel de maatregelen rondom het wezenpensioen en het uniformeren van de kinddefinitie hebben regeldrukgevolgen voor burgers en pensioenuitvoerders.

Dit wetsvoorstel geeft naar verwachting met name meer regeldruk aan de zijde van burgers en pensioenuitvoerders. Het voorstel regelt onder andere de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen, één uniforme kinddefinitie en de verruiming van het overgangsrecht voor pensioenfondsen en verzekeraars.

3.1 Regeldrukeffecten vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen

Op dit moment hebben de gewezen deelnemers niet de mogelijkheid om de risicodekking voor het wezenpensioen voort te zetten. In dit voorstel wordt geregeld dat de gewezen deelnemer na afloop van de uitloopperiode dan wel na het einde van de WW-uitkering of ZW-uitkering het nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen) vrijwillig kan voortzetten.40 Om in aanmerking te komen voor deze (keuze)mogelijkheid moet de burger een inspanning verrichten: het nabestaandenpensioen wordt pas voortgezet nadat de (gewezen) deelnemer hiertoe een verzoek heeft ingediend. Wanneer de (gewezen) deelnemer gekozen heeft voor de vrijwillige voortzetting dan loopt die dekking door totdat de deelnemer de risicodekking stopt of het recht op uitruil voor de voortzetting van de dekking niet meer bestaat. Het is hierbij van belang om op te merken dat de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen geen verplichting is. Zodra de (gewezen) deelnemer heeft besloten om gebruik te maken van deze mogelijkheid, heeft dit gevolgen voor de (gewezen) deelnemer en voor pensioenuitvoerders. Deze extra aanvragen zorgen voor extra regeldruk voor pensioenuitvoerders. Het is op voorhand niet aan te geven wat de exacte omvang van de regeldruk zal zijn. De omvang van de regeldruk is namelijk afhankelijk van de vraag of de pensioenuitvoerder zo’n regeling aanbiedt (dekking nabestaandenpensioen) en zo ja, of de (gewezen) deelnemer hier daadwerkelijk gebruik van wil maken. Daarbovenop komen de kosten om de deelnemer goed en tijdig te informeren (informatieverplichtingen pensioenuitvoerders). Het betreft hier regelmatig terugkerende kosten (het verwerken van de aanvraag). Deze kosten worden geraamd op € 110,60 per aanvraag.41 Op voorhand is niet te bepalen hoeveel aanvragen worden ingediend. Stel dat er per jaar 150 aanvragen worden ingediend en de gemiddelde kosten per aanvraag bedragen € 110,60, dan worden de totale kosten per jaar € 16.590 (kosten per aanvraag vermenigvuldigd met aantal aanvragen).

Veel van deze terugkerende regeldrukkosten zijn vergelijkbaar met kosten die pensioenuitvoerders nu ook maken voor de uitvoering van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen.

3.2 Regeldrukeffecten uniformering kinddefinitie

In de Wtp is één uniform partnerbegrip opgenomen. Hiermee is het partnerbegrip duidelijker geworden voor de deelnemers en hun partners. Verzoek vanuit de Eerste Kamer was om het wezenbegrip óók te uniformeren. Dit voorstel regelt wanneer er sprake is van een kind.

Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet dan wel na het overgangstijdstip naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wtp is het niet meer mogelijk dat een kind op basis van de pensioenregeling van de ene ouder wel recht kan hebben op een wezenpensioen en op basis van de pensioenregeling van de andere ouder dit recht niet heeft, terwijl met beide ouders dezelfde relatie bestaat. Onder het nieuwe pensioenstelsel gaan we uit van één definitie van kind.

Als gevolg van dit voorstel moet de pensioenregeling aangepast worden en wel zodanig dat het wezenpensioen één uniforme kinddefinitie kent. De (gewezen) deelnemer en zijn nabestaanden weten vooraf wat ze kunnen verwachten (duidelijkheid) en er worden geen regels en/of ingewikkelde processen (regeldruk) geïntroduceerd. In alle pensioenregelingen wordt de definitie gelijk. De gevolgen voor de regeldruk, wat betreft de uniformering van de kinddefintie, zijn naar verwachting nihil.

3.3 Regeldrukeffecten voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid

Voorts wordt met het voorstel een verruiming van het overgangsrecht voorgesteld voor de voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid voor zowel gesloten pensioenfondsen als verzekeraars. Beoogd is hiermee te voorkomen dat (gesloten) pensioenfondsen met een beëindigde pensioenregeling waarbij nog wel een werkgever bestaat gedwongen zijn om voor een zeer kleine groep deelnemers binnen het pensioenfonds een nieuwe pensioenregeling op te zetten of bij een andere pensioenuitvoerder onder te brengen, met navenant hoge kosten. Terwijl de overige groep (gewezen deelnemers en gepensioneerden) niet over hoeven gaan naar een nieuwe pensioenregeling. Het voorstel regelt dat alle (gesloten) fondsen de mogelijkheid hebben om bij de beëindigde pensioenregeling de premievrije opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst voort te zetten, ongeacht of de onderneming van de werkgever nog bestaat. De (gesloten) pensioenfondsen met een beëindigde pensioenregeling waarbij nog wel een werkgever bestaat, worden zodoende dezelfde mogelijkheden geboden als gesloten pensioenfondsen zonder werkgever, ten aanzien van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid. Deze wijziging heeft daarmee een regeldrukverlagend effect voor deze gesloten pensioenfondsen. De wijziging beoogt immers onevenredige regeldruk en bijkomende kosten te voorkomen.

Voor verzekeraars wordt iets soortgelijks geregeld. De verruiming wordt voorgesteld om te voorkomen dat een groep zieke deelnemers in een specifieke situatie, namelijk bij wisseling van pensioenuitvoerder, tussen wal en schip valt. De verruiming sluit aan bij de bestaande praktijk. Ook sluit de voorgestelde verruiming aan bij het «Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen».42 In dit convenant hebben verzekeraars onderling afspraken gemaakt over onder andere de premievrijstelling in pensioenregelingen bij collectieve beëindigingen. Zodoende heeft deze wijziging geen regeldrukeffecten voor verzekeraars. De wijziging beoogt juist de huidige praktijk en de afspraken uit het convenant wettelijk vast te leggen.

3.4 Regeldrukeffecten overige onderwerpen

De Verplichte voortzetting risicodekking van het nabestaandenpensioen op grond van een cao of periodieke uitkering heeft geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers, bedrijven en overheid. De wijziging beoogt juist de huidige praktijk wettelijk vast te leggen. Ook is de wijziging een mogelijkheid; het is geenszins een verplichting.

De aanpassing aan de regeling gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst heeft naar verwachting op de korte termijn beperkte regeldrukverhogende gevolgen voor pensioenfondsen die ervoor kiezen om dit aan te bieden. Het is niet verplicht om dit te doen. De verwachting is, voor de pensioenfondsen die hiervoor kiezen, dat dit op langere termijn (binnen 1 tot 2 jaar) een sterk regeldrukverlagend effect heeft. Immers hoeft de administratie hiervoor maar één keer ingeregeld te worden.

3.5 Regeldrukeffecten technische verduidelijkingen

De technische verduidelijkingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers, bedrijven en de overheid.

3.6 Andere gevolgen (waaronder privacy, doenvermogen, gendergelijkheid)

Met behulp van het Beleidskompas is bekeken welke verplichte gevolgenbeoordelingen (toetsen) voor dit voorstel van toepassing zijn.43 Omdat het voorstel geen gevolgen heeft voor bijvoorbeeld privacy, doenvermogen (anders dan hierboven al toegelicht), gendergelijkheid of mkb-ondernemingen zijn verder geen toetsen uitgevoerd.

Hoofdstuk 4 Consultatie en toetsen

Over de conceptversie van dit wetsvoorstel is in verschillende fasen commentaar en advies ingewonnen waar dankbaar gebruik van is gemaakt. De eerste conceptversie heeft vanaf 1 juni 2024 tot en met 27 juli 2024 opengestaan in internetconsultatie. In deze periode zijn 19 openbare reacties ontvangen. Parallel aan de internetconsultatie is advies gevraagd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op het advies van het ATR, vervolgens wordt ingegaan op hoe is omgegaan met de reacties uit de internetconsultatie.

Advies ATR

Het ATR heeft de regeldrukgevolgen getoetst aan een toetsingskader met daarin vier criteria, waaronder:

  • Nut en noodzaak

  • Minder belastende alternatieven

  • Werkbaarheid

  • Gevolgen regeldruk

Het college concludeert dat bij elk van de voorgenomen maatregelen van het wetsvoorstel toereikend onderbouwd is waarom deze nodig en nuttig zijn. Het college heeft geen opmerkingen over minder belastende alternatieven en de werkbaarheid van de voorstellen. Ook de regeldrukgevolgen zijn toereikend beschreven en berekend. Het eindoordeel van het college ten aanzien van dit wetsvoorstel is daarmee positief.

4.1 Reacties internetconsultatie

In deze paragraaf wordt ingegaan op commentaren die betrekking hebben op het voorliggende wetsvoorstel. De ingebrachte reacties zijn zorgvuldig bezien en gewogen. Waar een reactie aanleiding gaf tot een andere beleidsmatige keuze wordt dat in deze paragraaf toegelicht. Dat geldt ook voor reacties die noopten tot verduidelijking, aanscherping of verdieping van de memorie van toelichting. Reacties die na weging geen aanleiding vormden voor een andere beleidsmatige keuze zijn eveneens weergegeven, evenals de reden waarom het commentaar niet is overgenomen. De reacties zijn hieronder – waar mogelijk – gecombineerd en samengevat. De paragraaf is thematisch ingedeeld overeenkomstig de volgorde van de toelichting op dit wetsvoorstel.

4.1.1 Vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen

De Kring van Pensioenspecialisten (KPS) heeft verschillende informerende vragen gesteld over het uithollingsrisico en de informatieverplichting vanwege de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van het volledige nabestaandenpensioen. Vanwege de vermindering van het pensioenkapitaal is het van belang dat een deelnemer jaarlijks een bewuste keuze maakt voor de vrijwillige voortzetting. Om het uithollingsrisico te voorkomen, zal de gewezen deelnemer jaarlijks evenwichtig geïnformeerd worden, zodat hij een juiste keuze kan maken ten aanzien van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking. Evenwichtige informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder hierover is daarbij van belang, waarbij specifiek aandacht is voor de risico’s van het voortzetten dan wel beëindigen van de vrijwillige voortzetting van risicodekking door middel van uitruil.44 De wijze van informeren bij vrijwillige voortzetting als ook het risico van uithollen van het ouderdomspensioen is uitgebreid aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling van de Wtp. Ten aanzien van de financiering van de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen en van het partnerpensioen vóór pensioendatum kan naast het ouderdomspensioen ook het partnerpensioen op opbouwbasis vanaf pensioendatum in de uitruil betrokken als dit in de pensioenovereenkomst is afgesproken. In overleg met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars zijn hierbij twee categorieën uitgezonderd. Het opgebouwde partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum (vóór de transitie) blijft buiten beschouwing. Het opgebouwde partnerpensioen vanaf pensioendatum dat bij invaren behouden is gebleven kan bij de uitruil buiten beschouwing blijven.

Verder bevestigt de regering dat in het voorgestelde artikel 61a, zevende lid, Pensioenwet en artikel 73a, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen niet ten laste mag gaan van het bijzonder partnerpensioen.

Verder moet de partner die begunstigd is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum, een schriftelijke toestemming geven voor de uitruil. De risicodekking wordt voortgezet totdat de gewezen deelnemer intrekt; de partner moet dit expliciet aan de pensioenuitvoerder doorgeven. Bij een eventuele latere scheiding zal het bijzonder partnerpensioen lager worden.

De Pensioenfederatie heeft geadviseerd om de definitie van kind uit te breiden ten behoeve van pensioen voor wezen van pensioengerechtigden. De Pensioenfederatie adviseerde om een kind van een gepensioneerde ook in aanmerking te laten komen voor een wezenpensioen. De regering heeft deze wens voor gepensioneerden overgenomen; de wens is echter niet overgenomen om wezenpensioen uit te breiden voor alle pensioengerechtigden. Een gepensioneerde is een persoon voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan; een gepensioneerde is een werknemer of gewezen werknemer. Zie voor een nadere toelichting op het kindbegrip hoofdstuk 2. De Pensioenfederatie vraagt in hun reactie verder om de uitkering per het eind van de maand te laten aflopen (slotuitkering). De aanpassing van de slotuitkering is opgenomen in de Fiscale Verzamelwet 2026.

Verder is het opschrift van artikel 61a Pensioenwet en artikel 73a Wet verplichte beroepspensioenregeling aangepast naar aanleiding van een opmerking van KPS. Hierdoor is het opschrift in lijn met de gewijzigde inhoud van beide artikelen. De uitruil kan zowel zien op het ouderdomspensioen als op het partnerpensioen op of na pensioendatum. In het opschrift wordt nu slechts benoemd dat het gaat om het keuzerecht rondom het vrijwillig voortzetten van het nabestaandenpensioen op risicobasis na afloop van artikel 55 Pensioenwet of artikel 66 Wet verplichte beroepspensioenregeling. De uitruil kan dus zowel zien op het ouderdomspensioen als op het partnerpensioen op of na pensioendatum, dit clausuleert het opschrift verder niet.

4.1.2 Uniforme kinddefinitie

De Kring van Pensioenspecialisten (KPS) geeft aan wat het doel is van de uniformering van de kinddefinitie. Het doel is namelijk «dat er geen verschil meer kan bestaan tussen regelingen met betrekking tot de vraag of een ouder wel of niet recht heeft op een wezenpensioen.» Uit de reacties komt naar voren dat men positief is over uniformering van de kinddefinitie. Een uniforme kinddefinitie geeft namelijk meer duidelijkheid aan werknemers en hun nabestaanden (partner en kinderen) over waar zij recht op hebben na het overlijden van de (gewezen) werknemer.

De internetconsultatie heeft veel reacties opgeleverd inzake het stiefkind. Het stiefkind, zoals gedefinieerd in artikel 2b van de Pensioenwet, wordt door pensioenuitvoerders en pensioenprofessionals als (te) complex en omvangrijk ervaren. Er worden veel verschillende situaties onderscheiden met de daarbij behorende criteria. Deze reacties hebben ertoe geleid dat de definitie van het begrip stiefkind is aangepast. Het uitgangspunt blijft dat het wezenpensioen een financiële compensatie is vanwege het wegvallen van de financiële zorg die een ouder bij leven gaf. In het huidige voorstel wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen een huwelijk/geregistreerd partnerschap, samenlevingscontract of ongehuwd samenwonen. Om in aanmerking te komen voor een wezenpensioen geldt als uitgangspunt het partnerbegrip van artikel 2a van de Pensioenwet. Er wordt ook geen onderscheid meer gemaakt tussen minderjarige (jonger dan 18) en meerderjarige jongeren (18 en ouder). Getoetst wordt of het kind deel uitmaakt van het gezin van de gewezen werknemer of dat er sprake is van een aantoonbare financiële bijdrage vanuit het huishouden van de (gewezen) werknemer.

4.1.3 Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid

De reacties op dit onderdeel van de wet zijn overwegend positief, maar uit de reacties blijkt ook de wens om het overgangsrecht nog meer te verruimen. De voorgestelde verruiming van het overgangsrecht, zoals opgenomen in de artikelen 220h en 220ha van de Pensioenwet, wordt ondersteund door de ingediende reacties.

Mollema Pensioenconsultancy geeft aan dat het huidige overgangsrecht ziet op de situaties van volledige arbeidsongeschiktheid. Het overgangsrecht maakt geen onderscheid tussen volledig arbeidsongeschikten en/of gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Het overgangsrecht is van toepassing als het recht op premievrije voortzetting is ontstaan voor de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel, maar uiterlijk aan het einde van de transitieperiode. Het recht op premievrije voortzetting (en arbeidsongeschiktheidspensioen) is gekoppeld aan de WIA-uitkering; het overgangsrecht is niet afhankelijk van de soort uitkering die het UWV toekent (IVA/WGA).

De onderstaande vijf punten zijn verwerkt in het wetsvoorstel.

  • 1. Een aantal partijen heeft aandacht gevraagd om de overgangsregeling uit te breiden naar de groep personen die ziek is geworden onder het oude stelsel maar nog niet arbeidsongeschikt zijn en waarbij de uitloopdekking van toepassing is.

  • 2. Achmea Pensioenservices heeft voorgesteld «om het derde lid van artikel 220h Pensioenwet niet alleen van toepassing te laten zijn op een collectieve waardeoverdracht zoals bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel a Pensioenwet, maar ook op de overige in dat lid genoemde situaties». Dit is nu het vijfde lid van artikel 220h Pensioenwet.

  • 3. Sprenkels heeft aandacht gevraagd voor de situaties waarbij gesloten fondsen gaan «invaren». Het verzoek is om mogelijk te maken dat wanneer deze fondsen invaren, de bestaande premievrije voortzetting voor de arbeidsongeschikten ongewijzigd kan worden voortgezet.

  • 4. Het Verbond van Verzekeraars merkt op «dat de verruiming van artikel 220h ook van toepassing zou moeten zijn in de situatie dat een pensioenfonds binnen twee jaar na het beëindigen van de pensioenregeling de pensioenverplichtingen door middel van een zogenaamde buy-out overdraagt naar een verzekeraar.» In lijn met de afspraken die het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie in het Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen hebben gemaakt, «moeten deelnemers die ziek waren op het moment van beëindigen van de pensioenregeling en vervolgens arbeidsongeschikt worden, een beroep kunnen doen op premievrije voortzetting van de pensioenregeling van het inmiddels gesloten pensioenfonds waarin ze deelnamen op het moment dat zij ziek werden».

  • 5. De Pensioenfederatie heeft voorgesteld om het derde lid van artikel 220h Pensioenwet (nu het vijfde lid) van toepassing te laten zijn op een collectieve waardeoverdracht zoals bedoeld in artikel 83, eerste lid, Pensioenwet. Daarnaast bepleiten zij, conform het Convenant van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars, deelnemers die op het moment van sluiting van de pensioenregeling ziek waren en vervolgens arbeidsongeschikt worden ook in aanmerking te laten komen voor premievrije voortzetting van de pensioenregeling van het inmiddels gesloten pensioenfonds waarin ze deelnamen op het moment dat zij ziek werden.

Mede naar aanleiding van deze reacties op de internetconsultatie is het wetsvoorstel aangepast en is de overgangsregeling gewijzigd. Dit betreft de volgende wijzigingen:

  • i. Het overgangsrecht geldt voor de groep waarvoor het recht op premievrije voortzetting is ontstaan voor overstap naar het nieuwe stelsel maar uiterlijk aan het einde van de transitieperiode (2028).

  • ii. Het overgangsrecht geldt voor de groep die ziek is geworden onder het oude stelsel maar arbeidsongeschikt wordt onder het nieuwe stelsel en waarbij de uitloopdekking van toepassing is.

  • iii. Het overgangsrecht geldt voor fondsen die een beëindigde pensioenregeling uitvoeren en waarvan de onderneming van de werkgever heeft opgehouden te bestaan.

  • iv. Het overgangsrecht geldt ook voor fondsen die een beëindigde pensioenregeling uitvoeren en waarvan de onderneming van de werkgever nog wel bestaat.

  • v. Het is toegestaan dat een fonds zowel een beëindigde pensioenregeling als een actieve pensioenregeling uitvoert.

  • vi. Zolang de gesloten pensioenregeling niet wordt ingevaren, kan de premievrije voortzetting in de gesloten regeling worden voortgezet.

  • vii. Op een later moment (na de transitieperiode) kan een collectieve waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder plaatsvinden, waarbij de premievrije voortzetting kan worden voortgezet bij de nieuwe uitvoerder.

  • viii. Dit geldt ook voor de situatie van een collectieve waardeoverdracht in geval van overgang van onderneming.

  • ix. Dit geldt ook als de deelnemer ziek is maar nog niet arbeidsongeschikt en waarbij de uitloopdekking nog van toepassing is.

Voortzetting pensioen bij arbeidsongeschiktheid bij verzekeraars

Het Verbond van Verzekeraars signaleerde een knelpunt bij het bestaande overgangsrecht, waarbij een beperkte groep deelnemers tussen wal en schip zou vallen. Het knelpunt ziet met name op een zieke deelnemer en een collectieve beëindiging bij een verzekeraar waarbij de werkgever de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel onderbrengt bij een andere verzekeraar. Verzekeraars hebben in een convenant45 onderling afspraken gemaakt over onder andere de premievrijstelling in pensioenregelingen bij collectieve beëindigingen. In verzekeringstermen is er sprake van een uitlooprisico; het risico dat wordt gedragen door de verzekeraar van de pensioenregeling waarin de werknemer deelnemer was op de eerste ziektedag. Dus als de werkgever de pensioenregeling onderbrengt bij een andere verzekeraar, is het uitlooprisico voor de oude verzekeraar. Deze afspraken zijn bedoeld om werknemers die ziek zijn te beschermen tegen inkomensverlies bij onder meer collectieve beëindigingen.

Over dit knelpunt en de aangekondigde wettelijke oplossing zijn de Eerste en Tweede Kamer in de kamerbrieven van 9 november 2023,46 15 januari 202447 en 8 november 202448 geïnformeerd.

Het voorstel van Sprenkels om arbeidsongeschikte personen achter te laten in de oude pensioenregeling terwijl de overige deelnemers wel invaren, neemt de regering niet over. Als uitgangspunt hierbij geldt: als een pensioenregeling invaart, dan vaart iedereen in. Uitzonderingen op dit uitgangspunt acht de regering niet passend bij het doel van de stelselherziening die ten grondslag lag aan de Wtp.

Tot slot is naar aanleiding van een opmerking van KPS de inwerkingtredingsbepaling zodanig gewijzigd dat mogelijk is dat de wijzigingen van de artikelen 220h en 220ha Pensioenwet, 214f en 214fa Wet verplichte beroepspensioenregeling en 38c Wet op de Loonbelasting 1964 in werking treden met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023. Op deze manier sluit de inwerkingtreding van de fiscale artikelen over voortzetting van pensioen bij arbeidsongeschiktheid aan bij de inwerkingtreding van de niet-fiscale artikelen hierover.

4.1.4 Overige (technische) aanpassingen en verduidelijkingen

Gedetacheerde werknemer en het VK

De Orde van Advocaten heeft een opmerking gemaakt over de werking van de bepalingen over gedetacheerde werknemers voor werknemers uit het Verenigd Koninkrijk (VK). Op grond van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid bij de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK gelden de bepalingen over gedetacheerde werknemers inderdaad ook voor werknemers uit het VK. Door de rechtstreekse werking van dit protocol geldt dit echter ook zonder dat het VK expliciet wordt genoemd in het betreffende artikel over gedetacheerde werknemers. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 1 is dit verduidelijkt.

Aanvullen eigen vermogen uit solidariteits- en risicodelingsreserve en uit de voor de pensioenuitkering bestemde vermogens

Door de Pensioenfederatie is verzocht om artikel 134 van de Pensioenwet en artikel 11a van het Besluit financieel toetsingskader te verduidelijken in het licht van het nieuwe stelsel.49 Opgemerkt moet worden dat met het Besluit toekomst pensioenen artikel 11a in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is geïntroduceerd.50 Daarnaast heeft de Pensioenfederatie verzocht om een tekort in het eigen vermogen of de operationele reserve aan te kunnen vullen vanuit de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve.

Ten aanzien van het eerste verzoek merkt de regering op dat een verduidelijking is opgenomen in het Verzamelbesluit pensioentransitie. Ten aanzien van het tweede verzoek, om het eigen vermogen of de operationele reserve aan te kunnen vullen vanuit de solidariteits- of risicodelingsreserve, wordt allereerst opgemerkt dat de term «operationele reserve» een term is die alleen van toepassing is op het transitiemoment. Na het transitiemoment wordt gesproken over de algemene reserve. De algemene reserve is onderdeel van het eigen vermogen. In het Verzamelbesluit pensioentransitie wordt een wijziging voorgesteld op grond waarvan het eigen vermogen (waar dus de algemene reserve onderdeel van is) onder voorwaarden aan kan worden gevuld vanuit de solidariteits- of risicodelingsreserve.

Geleidelijke toetreding in de flexibele premieregeling met risicodelingsreserve

De Pensioenfederatie, Achmea Pensioenservices en Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten geven aan dat het tijdsevenredig toetreden tot een collectief toedelingsmechanisme bij de flexibele premieregeling in combinatie met de vulling van de risicodelingsreserve een uitvoeringstechnisch eenvoudige en uitlegbare toetreding in de weg staat. Partijen stellen een variant voor waarbij rond de pensioendatum een uitzondering op de tijdsevenredige toetreding kan worden gemaakt. In plaats van een tijdsevenredige inbreng wordt er een afwijkende inbreng in het collectief gedaan en kan met het resterende deel de risicodelingsreserve worden gevuld. In het Commissiedebat van 21 november 2024 heeft Kamerlid Joseph (BBB) ook aandacht gevraagd voor het vullen van de risicodelingsreserve in relatie met het shoprecht. De regering begrijpt de wens van de partijen en Kamerlid Joseph. Wegens uitvoerbaarheidsredenen is besloten om artikel 10b, zevende lid, onderdeel a van de Pensioenwet en artikel 28b, zevende lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te wijzigen. Er wordt geregeld dat eenmalig in het jaar voorafgaand aan de pensioendatum afgeweken kan worden van de tijdsevenredige toetreding tot het collectieve toedelingsmechanisme. Met het resterende kapitaal kan in het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum de risicodelingsreserve worden gevuld. Het blijft mogelijk om de risicodelingsreserve pas met kapitaal te vullen nadat een deelnemer een keuze heeft gemaakt over het eventuele shoprecht op pensioendatum. Hierdoor wordt het meenemen van het volledige kapitaal bij shoprecht op pensioendatum beter uitvoerbaar voor pensioenuitvoerders. Hiermee is invulling gegeven aan de wens van de partijen en aan de toezegging in het Commissiedebat van 21 november 2024.51

Vullen solidariteitsreserve uit overrendement van een deel van de populatie

De Pensioenfederatie heeft ingebracht dat een aantal partijen de solidariteitsreserve alleen wil inzetten om de nominale verlagingen van uitkeringen van pensioengerechtigden te voorkomen. Omdat de reserve alleen ingezet wordt voor pensioengerechtigden, kan de wens bestaan om het vullen van de reserve te beperken tot het overrendement van (bijna) pensioengerechtigden. Omdat de term overrendement in artikel 1 van de Pensioenwet is gedefinieerd als het saldo van het totaal behaalde rendement op de beleggingen, de ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat en het toebedeelde beschermingsrendement op basis van de toedelingsregels, is onduidelijk of de vulling van de solidariteitsreserve uit overrendement door een deel van de fondspopulatie mogelijk is.

Op basis van artikel 1 en artikel 10d, tweede lid, van de Pensioenwet zal inderdaad het vullen van de reserve vanuit het collectief overrendement moeten komen. Daarbij is het mogelijk om na toedeling vanuit het collectief overrendement aan de solidariteitsreserve, direct weer vanuit de reserve aan een deel van de populatie van het fonds uit te delen. Daarmee wordt in principe tegemoetgekomen aan de wens van de Pensioenfederatie. Wel zijn er in artikel 10d Pensioenwet, artikel 28d Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 1h Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling regels opgenomen rondom de solidariteitsreserve waar de pensioenuitvoerder zich aan moet houden. Zo dienen de regels rondom het vullen en uitdelen van de solidariteitsreserve evenwichtig, transparant en onderling consistent te zijn. Onder de evenwichtigheid wordt onder meer verstaan dat bij de inrichting van de reserve op voorhand wordt voorkomen dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten heeft van de reserve.

Risicodelingsreserve vullen uit rendementen

Achmea Pensioenservices verzoekt het mogelijk te maken om de risicodelingsreserve uit rendement te vullen als er geen sprake is van beleggingsvrijheid, zowel in de opbouw- als in de uitkeringsfase. Het betreft hier geen eerdere toezegging. De flexibele premieregeling kent in beginsel een individueel karakter, waardoor het delen van rendementen minder past bij deze contractvorm. Het vullen van de risicodelingsreserve uit beleggingsresultaten (rendement), ook als er geen sprake is van beleggingsvrijheid, wordt daarom niet toegestaan. Dit is ook in de beantwoording van Kamervragen tijdens de behandeling van de Wtp in de Tweede Kamer aangegeven.52

Kostenvoorziening

Achmea Pensioenservices en de Pensioenfederatie hebben aangegeven dat het wenselijk is om de voorziening excassokosten onderdeel te laten zijn van het kapitaal.

Uit artikel 126 van de Pensioenwet en artikel 2 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, volgt dat pensioenfondsen verplicht zijn om toereikende voorzieningen vast te stellen met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen. De hoogte van de voorzieningen wordt vastgesteld op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. Dit betekent dat pensioenfondsen te allen tijde een toereikende voorziening moeten treffen. De voorziening voor excassokosten, ook wel de voorziening toekomstige uitvoeringskosten genoemd, valt hier ook onder.

Door het aanhouden van een adequate voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten is het pensioenfonds in staat deze uitvoeringskosten naar verwachting onder alle omstandigheden geheel zelf te dragen zonder daarbij afhankelijk te zijn van toekomstige bijdragen. Een pensioenfonds houdt deze kostenvoorziening separaat in stand als onderdeel van de technische voorzieningen voor risico van het fonds. De kostenvoorziening maakt geen deel uit van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van de deelnemers.

Het separaat administreren van de voorziening volgt tevens ook uit de richtlijnen voor de jaarverslaggeving, hoofdstuk 610 pensioenfondsen. In de richtlijnen voor de jaarverslaggeving wordt de voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten aangeduid als voorziening operationele kosten.

Gelet op bovengenoemde kan niet aan de wens tegemoet worden gekomen om de voorziening toekomstige uitvoeringskosten onderdeel te laten zijn van het kapitaal.

De Pensioenwet schrijft niets voor ten aanzien van het wel of niet aan de deelnemer mee geven van (een deel van) de voorziening toekomstige uitvoeringskosten, indien de deelnemer bij het bereiken van de pensioendatum de waarde van zijn pensioenaanspraken per de pensioendatum over wil dragen aan een andere uitvoerder.

Samenvoegen van de vaste uitkering in de FPR met niet ingevaren pensioenen

Achmea Pensioenservices en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Zorgverzekeraars (SBZ) geven aan dat de niet ingevaren pensioenvermogens momenteel moeten worden gezien als afgescheiden vermogen die onder het FTK vallen. Ook de vaste uitkeringen van de flexibele premieregeling vallen onder het FTK. De partijen vinden het onwenselijk dat deze vaste uitkeringen en deze niet ingevaren pensioenvermogens niet als één financieel geheel kunnen worden gezien. De wens van de partijen ziet op onder andere artikel 10b en 150l van de Pensioenwet. De regering begrijpt de wens van beide partijen en is voornemens om de komende periode te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Op een later moment zal worden bezien of en op welke manier deze wens in wetgeving verankerd kan worden.

Geheugenloos spreiden met gelijke aanpassingen voor iedereen in het collectief bij FPR

AZL en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Media PNO gaan in de consultatiereactie in op de situatie van de flexibele premieregeling in combinatie met de collectieve toedelingskring. De vraag daarbij is of geheugenloos spreiden mogelijk is, waarbij wordt aangegeven dat dit in de solidaire regeling reeds is mogelijk gemaakt door het besluit van 5 juli 2024 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de uitvoering van gelijke aanpassingen met spreiden in de uitkeringsfase bij een solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling.

De regering wijst erop dat het hierboven genoemde besluit van 5 juli 2024 ziet op het verduidelijken van het amendement van Palland, omdat deze zonder kaders onvoldoende duidelijkheid geeft over de voorwaarden waaraan een uitkeringsfase met gelijke aanpassingen met spreiden moet voldoen in de uitvoering van een solidaire premieregeling.

Het zogenoemde geheugenloos spreiden is en blijft zowel in de solidaire premieregeling als in de flexibele premieregeling niet mogelijk, onder andere omdat financiële schokken in maximaal 10 jaar in de uitkeringen moeten zijn verwerkt. Met de huidige wet- en regelgeving kunnen in de flexibele premieregeling financiële schokken collectief worden gespreid in een van de individuele opbouwfase gescheiden uitkeringsfase via de zogenoemde dakpansgewijze methode. In de praktijk is reeds gebleken dat deze methode uitvoerbaar is. Bovendien past de zogenoemde dakpansgewijze methode goed bij het meer individuele karakter van de flexibele premieregeling. De regering zal daarom geen beleid vormen waarmee geheugenloos spreiden in de flexibele premieregeling mogelijk wordt.

Collectieve afspraken waardoor gepensioneerden in FPR kunnen kiezen tussen vaste/variabele uitkering

Door Achmea is verzocht om pensioenfondsen de ruimte te geven om -ter uitvoering van het eenmalige shoprecht bij invaren- bij de eenmalige overgang naar het nieuwe stelsel afspraken te maken met een voorkeurspartij over een collectieve waardeoverdracht van (een groep van) gepensioneerden.

Dit verzoek wordt niet overgenomen. Allereerst dient opgemerkt te worden dat het eenmalige shoprecht bij invaren geldt voor deelnemers aan de flexibele premieregeling.

Het pensioenfonds dat een flexibele premieregeling aanbiedt, besluit of zowel een vaste als variabele uitkering wordt aangeboden of slechts één van de twee uitkeringsvormen. Hierbij weegt een fonds ook af in hoeverre het aanbieden van één uitkeringsvorm evenwichtig is. Als sociale partners er bijvoorbeeld voor kiezen dat de variabele uitkering de standaard wordt en het pensioenfonds zowel een vaste als variabele uitkering aanbiedt, dan varen gepensioneerden in principe in naar de variabele uitkering, maar kunnen zij bij hetzelfde pensioenfonds binnen een jaar ook kiezen voor een vaste uitkering. Uitsluitend als het pensioenfonds niet beide opties (de variabele uitkering en de vaste uitkering) aanbiedt, krijgt de deelnemer het recht het eenmalig shoprecht in te zetten om een uitkering bij een verzekeraar aan te kopen. De norm keuzebegeleiding is hierbij ook van toepassing.

De keuze die geboden wordt binnen de flexibele premieregeling is een individuele keuze. Zodoende kan er niet door iemand anders besloten worden welke uitkeringsvorm de gepensioneerde moet kiezen als deze gebruikmaakt van het shoprecht. Het pensioenfonds kan, in het kader van de keuze tussen een vaste en variabele uitkering, dus niet besluiten dat een collectief gezamenlijk overgaat naar een verzekeraar. Als een pensioenfonds enkel een van de twee uitkeringsvormen aanbiedt kunnen zij deelnemers, of in dit geval gepensioneerden, wel wijzen op mogelijke handelingsopties. Als de gepensioneerde bijvoorbeeld een uitvoerder van een vaste uitkering op het oog heeft, kan het pensioenfonds, na machtiging door de gepensioneerde, vervolgens behulpzaam zijn met het verstrekken van gegevens aan de door de gepensioneerde geselecteerde uitvoerder zodat berekeningen kunnen worden gemaakt.

Het huidige wettelijke kader biedt aldus voldoende mogelijkheden om ervoor te zorgen dat deelnemers een weloverwogen keuze kunnen maken voor een vaste of variabele uitkeringsvorm.

Maximale daling van de uitkering afhankelijk maken van de beleggingsmix van de individuele deelnemer

Achmea pleit ervoor de maximale vaste daling afhankelijk te maken van de beleggingsmix van een individuele deelnemer in plaats van de parameter van verwacht rendement van aandelen van de Commissieparameters. De regering gaat hier niet in mee omdat het maximum van de vaste daling uniform moet zijn voor alle deelnemers. Het gebruik van de parameter voor verwacht rendement op aandelen van Commissie Parameters en de risicovrije rente op pensioendatum zijn beiden objectief te observeren en van tevoren vastgelegd.

Delen van biometrische resultaten

De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Media PNO en de Pensioenfederatie verzoeken om het fonds te laten bepalen in welke balanspost de biometrische risico’s worden verwerkt. Momenteel worden de verschillende biometrische risico’s in verschillende begrotingsposten verwerkt. Dit voorkomt dat verschillende biometrische risico’s op een hoop worden gegooid en er herverdeling plaatsvindt tussen deze verschillende biometrische risico’s. Kortom, vanuit het oogpunt van transparantie is ervoor gekozen de verschillende biometrische risico’s in verschillende posten te verwerken.

Vrijwillige voortzetters en compensatie

Uit reactie op de internetconsultatie blijkt dat het onduidelijk is of de gewezen werknemer die ervoor heeft gekozen om de pensioenregeling vrijwillig voort te zetten op grond van artikel 54 Pensioenwet recht heeft op compensatie. De Pensioenwet schrijft voor dat compensatie kan worden verstrekt aan deelnemers, maar verplicht dit niet. Vrijwillige voortzetters zijn op grond van de Pensioenwet deelnemers. Voor werknemers zijn specifieke voorwaarden voorgeschreven in artikel 150f, indien er een compensatieregeling overeengekomen is. Met dit wetsvoorstel wordt in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling verduidelijkt dat indien vrijwillige voortzetters zijn opgenomen in de compensatieregeling, de specifieke voorwaarden die zijn voorgeschreven voor werknemers op grond van artikel 150f, ook van toepassing zijn op vrijwillige voortzetters. Dit betekent niet dat indien er een compensatieregeling overeengekomen is, deze voorwaarden automatisch gelden voor vrijwillige voortzetters. Vrijwillige voortzetters dienen op grond van de compensatieregeling recht te hebben op compensatie. Bij de bepaling of de compensatieregeling wel of niet geldt voor vrijwillige voortzetters, dient de evenwichtigheid centraal te staan.

Vrijwillige voortzetting van de regeling aansluitend of direct aansluitend op einde deelneming

De Pensioenfederatie geeft daarnaast in reactie op de internetconsultatie aan dat het niet meer logisch lijkt om te eisen dat vrijwillige voortzetting met terugwerkende kracht begint vanaf einde deelneming (artikel 54, vijfde lid, van de Pw of artikel 65, vijfde lid van de Wvb). De regering kan zich vinden in deze redenering, en heeft in overleg met het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst een oplossing gevonden via een verduidelijking van de wet met een Vraag & Antwoord van het CAP. Hierbij wordt opgemerkt dat hier dus ruimte is voor pensioenfondsen om zelf te bepalen of vrijwillige voortzetting geldt vanaf einde diensttijd of vanaf het moment van de aanvraag. Dit moet worden opgenomen in het reglement van het pensioenfonds.

4.2 Uitkomsten toezicht- en uitvoeringstoetsen

Uitkomsten toetsing wetsvoorstel door De Nederlandsche Bank (DNB)

Op 2 december 2024 heeft DNB over dit wetsvoorstel een toezichttoets uitgebracht. Uit deze toets volgde een technische aanpassing op het overgangsrecht van premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid bij een gesloten pensioenfonds. Hierdoor heeft het invaren van eventuele overige aanspraken geen invloed op het al dan niet toepassen van het overgangsrecht. Deze wijziging (van artikel 220h, eerste lid, onderdeel d, Pensioenwet en artikel 214f, eerste lid, onderdeel d, Wet verplichte beroepspensioenregeling) is doorgevoerd in het wetsvoorstel.

Uitkomsten toetsing wetsvoorstel door Autoriteit Financiële Markten (AFM)

De AFM heeft op 16 december 2024 een toezichttoets uitgebracht over dit wetsvoorstel. De AFM heeft aangegeven haar toezicht te kunnen uitvoeren en heeft daarbij geen aanvullende opmerkingen.

Uitkomsten uitvoeringstoets wetsvoorstel door de Belastingdienst

De Belastingdienst heeft in haar uitvoeringstoets dit wetsvoorstel beoordeeld als uitvoerbaar.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen I en II (wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb))

Artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel A (artikel 1 Pensioenwet en 1 Wvb)

In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 Wvb wordt een aantal aanpassingen voorgesteld.

Gedetacheerde werknemer

De definitie van gedetacheerde werknemer wordt aangepast omdat nog verwezen werd naar een oude verordening. De verordening (EEG) nr. 1408/71 is vervallen per 1 mei 2010; de correcte verordening is verordening nr. 883/2004. Onder de voorloper, verordening 1408/71, was de maximumperiode van detachering twaalf maanden (artikel 14), waarbij de periode met een periode van twaalf maanden kon worden verlengd in geval van onvoorziene omstandigheden. Onder artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels is de maximumperiode van detachering 24 maanden. Verlenging van de detacheringsperiode is niet mogelijk. Verder volgt uit artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels dat de gedetacheerde werknemer onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd. De definitie van gedetacheerde werknemer is hierop aangescherpt.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de bepalingen over gedetacheerde werknemers in de Pensioenwet op grond van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid bij de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk ook gelden voor werknemers uit het VK en voor werknemers die naar het VK gedetacheerd worden, zolang aan de voorwaarden uit dit protocol wordt voldaan.

Partner

In de definitie van partner wordt een van de uitzonderingen op de partner in de zin van de pensioenovereenkomst aangepast. Meerderjarig voormalig pleegkind wordt vervangen door meerderjarig pleegkind, om te voorkomen dat een meerderjarig pleegkind zowel als kind als partner van de deelnemer kan kwalificeren. Op grond van de nieuwe definitie van kind in artikel 1 van de Pensioenwet en de Wvb in combinatie met het nieuwe artikel 2b, tweede lid, onderdeel b, Pensioenwet en de Wvb, kan een meerderjarig pleegkind immers ook als kind kwalificeren.

Ook zijn niet alleen een bloedverwant in de eerste graad en een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn uitgezonderd van het zijn van partner, maar ook een aanverwant in de eerste graad en een aanverwant in de tweede graad in de rechte lijn. Het is immers niet de bedoeling dat bijvoorbeeld een schoonzoon of schoondochter van de deelnemer, die bij de deelnemer inwoont, als partner wordt gezien. Een schoonzoon of schoondochter is echter geen bloedverwant, maar slechts een aanverwant. Een aanverwant wordt met deze wijziging daarom ook als een van de uitzonderingen op het partnerbegrip genoemd. Zie voor een verdere toelichting ook paragraaf 2.6.2. van het algemeen deel van de toelichting.

Kind

In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) wordt een definitie van «kind» ingevoegd. Daarmee wordt het begrip «kind» geüniformeerd en is op het niveau van de wet geregeld wie er als kind geldt in de zin van de Pensioenwet en de Wvb. Het zijn van kind is een voorwaarde voor het ontvangen van wezenpensioen op grond van de Pensioenwet of Wvb. Hiervoor moet sprake zijn van een kind van een deelnemer of gewezen deelnemer aan een (beroeps)pensioenregeling. In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wvb is aangegeven dat onder een kind zowel een eigen kind als een stiefkind of pleegkind wordt verstaan. De precieze voorwaarden waaronder iemand als stiefkind of pleegkind wordt gezien, zijn uitgewerkt in het nieuwe artikel 2b (Pensioenwet en Wvb). Door deze voorwaarden niet in artikel 1 (Pensioenwet en Wvb) zelf op te nemen, blijft dit artikel goed leesbaar. Wanneer een kind als eigen kind van de (gewezen) deelnemer wordt gezien, is wel direct in artikel 1 opgenomen, omdat deze definitie vrij beknopt is. Hieronder wordt de definitie van eigen kind nader toegelicht. In de artikelsgewijze toelichting bij het nieuwe artikel 2b, worden de definities van stiefkind en pleegkind verder toegelicht.

Begripsbepaling eigen kind

Er zijn verschillende manieren waarop iemand als kind kan worden gezien. De eerste manier is die waarbij sprake is van een kind van een moeder of vader als bedoeld in artikel 198 respectievelijk 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wanneer een dergelijke ouder overlijdt en (gewezen) deelnemer was in de zin van de Pensioenwet of Wvb, heeft het kind in principe recht op wezenpensioen.

Onder deze definitie vallen ook geadopteerde kinderen, erkende kinderen en kinderen bij wie het ouderschap van de (gewezen) deelnemer gerechtelijk is vastgesteld (zie artikel 198, eerste lid, onderdelen c, d en e en artikel 199, onderdelen c, d en e, van Boek 1 van het BW).

De partner van de ouder uit wie het kind is geboren, wordt ook als ouder gezien, als sprake is van een geregistreerd partnerschap of huwelijk tussen beiden (zie artikel 198, eerste lid, onderdeel b en artikel 199, onderdeel a, van Boek 1 van het BW). Als de (gewezen) deelnemer die geregistreerd partner of huwelijkspartner is van degene uit wie het kind wordt geboren, overlijdt binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind (artikel 199, onderdeel b, van Boek 1 van het BW) of na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind (artikel 198, eerste lid, onderdeel b, van Boek 1 van het BW), geldt deze als ouder van het kind. Hierop geldt in sommige gevallen een uitzondering, wanneer er in feite sprake was van gescheiden leven (zie artikel 198, tweede lid en artikel 199, onderdeel b, tweede en derde zin, van Boek 1 van het BW). Als er sprake is van een ouder als hierboven omschreven, geldt het kind van deze ouder als kind in de zin van de Pensioenwet en de Wvb.

Een kind als hierboven omschreven wordt aangeduid als eigen kind, om het verschil met pleegkinderen en stiefkinderen te verduidelijken.

Wezenpensioen

In de begripsbepalingen van wezenpensioen in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wvb wordt enkel nog verwezen naar een kind, omdat een kind met deze wijziging van beide wetten is gedefinieerd in de artikelen 1 en 2b. In de begripsbepaling van wezenpensioen hoeft daarom niet meer uitgelegd te worden om wat voor soort kind het precies gaat.

Artikelen I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel B (artikel 2b van de Pensioenwet en artikel 2b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Begripsbepaling stiefkind

Op grond van de begripsbepaling van kind in artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wvb, vallen zowel eigen kinderen als stief- en pleegkinderen onder de definitie van kind. In het nieuwe artikel 2b (van de Pensioenwet en de Wvb), worden de voorwaarden gesteld waaronder een kind als stief- of pleegkind wordt gezien. In het eerste lid is bepaald wanneer een kind als stiefkind wordt gezien. Er kan daarbij sprake zijn van vier verschillende situaties.

Een kind wordt als stiefkind van een (gewezen) werknemer gezien als het gaat om het eigen kind van diens partner zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet. Aanvullend moet op dat kind één van de situaties van toepassing zijn die zijn beschreven in de onderdelen a tot en met d.

De eis uit onderdeel a houdt in dat het kind staat ingeschreven op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer.

Onderdeel b. Wanneer een kind eerder wel ingeschreven stond op hetzelfde adres als de (gewezen) werknemer, maar nu niet meer, kan het kind nog steeds als stiefkind kwalificeren. Dat is het geval wanneer het kind tijdelijk gedurende maximaal zes maanden ergens anders verblijft. Het gaat daarbij enkel om de zes maanden direct aansluitend aan de uitschrijving. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld een verblijf in een zorginstelling of verblijf in het buitenland in verband met een uitwisselingsprogramma. Vereist is dat het gaat om een tijdelijk verblijf. Wanneer een kind bijvoorbeeld uit huis is gegaan in verband met studie, en in een studentenkamer verblijft, is er geen sprake van een tijdelijk verblijf elders.

Wanneer een kind niet op hetzelfde adres staat ingeschreven, omdat het kind in de praktijk bij beide gescheiden ouders verblijft, kan onderdeel c mogelijk van toepassing zijn. Dat onderdeel geeft aan dat iemand ook als stiefkind van een (gewezen) werknemer wordt gezien wanneer er een ouderschapsplan, overeenkomst of rechterlijke beschikking is, waarin is opgenomen dat het kind gedurende ten minste 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van de (gewezen) werknemer. Zie voor een verdere toelichting op dit onderdeel de algemene toelichting.

In alle bovenstaande situaties wordt ervan uitgegaan dat de (gewezen) deelnemer financiële zorg levert aan het kind.

Dergelijke financiële zorg kan echter ook meer expliciet worden aangetoond. Onderdeel d noemt namelijk de laatste voorwaarde op grond waarvan een kind als stiefkind van een (gewezen) werknemer kan kwalificeren. De (gewezen) werknemer of diens partner moet in dat geval aantoonbaar bijdragen in het levensonderhoud van het kind in kwestie. Daarvan is sprake als er wordt bijgedragen voor een bedrag van minimaal € 522,00 per kalenderkwartaal (norm 2025). Dit bedrag wordt genoemd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit uitvoering Kinderbijslag (dat zijn grondslag vindt in artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet) en wordt wanneer nodig geïndexeerd. Dit bedrag kan bijvoorbeeld zijn bedoeld voor zorgkosten, huurkosten, of kosten voor de boodschappen, maar ook als een bedrag wordt verstrekt dat is bedoeld voor andersoortige kosten, kan sprake zijn van aantoonbaar bijdragen in het levensonderhoud. In een dergelijk geval wordt ervanuit gegaan dat de (gewezen) deelnemer financiële zorg levert aan het kind en wordt het kind dus gezien als stiefkind van de (gewezen) werknemer, ook als niet aan één van de andere vereisten uit artikel 2b, eerste lid, wordt voldaan.

Begripsbepaling pleegkind

Ook pleegkinderen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden gezien als kind in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of de Wvb. Deze voorwaarden zijn genoemd in het tweede lid van het nieuwe artikel 2b (van de Pensioenwet en de Wvb). Ook daarbij wordt er weer uitgegaan van de financiële zorg die bij leven door de (gewezen) werknemer aan het kind werd verleend. Er wordt van uitgegaan dat deze financiële zorg wordt gegeven, als de (gewezen) werknemer of diens partner pleegouder is en kinderbijslag voor het pleegkind ontvangt of, in het geval van een pleegkind van 18 jaar en ouder voor wie de (gewezen) werknemer of partner pleegouder is of was en kinderbijslag ontving, als de (gewezen) werknemer of partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag van minimaal € 522,00 per kalenderkwartaal (norm 2025). Het maakt daarbij niet uit of het pleegkind nog thuis woont of niet.

Artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel C (artikelen 10b Pensioenwet en 28b Wvb)

Aan het zevende lid van artikel 10b van de Pensioenwet en artikel 28b van de Wvb is een deel toegevoegd, zodat eenmalig kan worden afgeweken van de tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme, die in het zevende lid van de betreffende artikelen is voorgeschreven. Hierdoor kan bij de flexibele premieovereenkomst/premieregeling in het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum een niet-tijdsevenredige inbreng in het collectief worden gedaan, en kan met het resterende deel de risicodelingsreserve worden gevuld. Het vullen van de risicodelingsreserve kan nog plaatsvinden nadat een deelnemer er al dan niet voor heeft gekozen gebruik te maken van het shoprecht.

Artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel D (artikelen 11 Pensioenwet en 29 Wvb)

Artikel 11 van de Pensioenwet en artikel 29 van de Wvb worden redactioneel verbeterd.

Artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel E (artikelen 55 Pensioenwet en 66 Wvb)

Artikel 55, vierde lid, van de Pensioenwet (en artikel 66, vierde lid, Wvb) is redactioneel aangepast, zodat niet alle mogelijke situaties waarin uitkeringen elkaar op kunnen volgen apart hoeven te worden beschreven. In het vierde lid, onderdeel a, aanhef en subonderdeel 6°, wordt simpelweg aangegeven dat direct na beëindiging van de deelneming de voortzetting duurt zolang verschillende van de genoemde uitkeringen elkaar zonder onderbreking opvolgen. De volgorde van de uitkeringen is daarbij niet van belang.

Inhoudelijk is enkel een extra situatie toegevoegd, waarin de dekking voor het nabestaandenpensioen op risicobasis ook wordt voortgezet. Dit is verwerkt in de subonderdelen 4° en 5°. Er wordt daarbij aangesloten bij de situatie zoals deze gold voor inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. Het gaat om de situatie waarin een gewezen deelnemer op grond van een CAO of op grond van een regeling van de voormalig werkgever na de beëindiging van de voortzetting op grond van de WW of op grond van een werkloosheidsuitkering van het woonland van de gewezen deelnemer een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering krijgt, een zogenoemde privaat gefinancierde aanvullende uitkering. In beide gevallen moet in de pensioenovereenkomst zijn vastgelegd dat hiervan sprake is. Zie voor een verdere toelichting paragraaf 2.4 van het algemeen deel van de toelichting.

De voortzetting duurt dus zolang de verschillende uitkeringen elkaar opvolgen, zolang de eerste uitkering direct aansluit op de beëindiging van de deelneming en de verschillende uitkeringen vervolgens op elkaar aansluiten. Dit ongeacht de precieze volgorde van de uitkeringen. De situatie kan zich echter niet voordoen dat iemand op grond van een CAO of op grond van een regeling van de voormalig werkgever eerst een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering krijgt (subonderdelen 4° en 5°) en daarna weer een uitkering krijgt op grond van de Werkloosheidswet of op grond van een werkloosheidsuitkering van diens woonland (subonderdelen 1° en 2°). Een dergelijke bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, volgt immers altijd juist ná definitieve beëindiging van de WW-uitkering.

Op grond van onderdeel d wordt voor de hoogte van de dekking rekening gehouden met de omvang van de werkloosheid, wanneer het gaat om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (subonderdeel 1°), een uitkering op grond van een werkloosheidsuitkering van het woonland van de gewezen deelnemer (subonderdeel 2°), een loongerelateerde werkloosheidsuitkering (subonderdeel 4°), een periodieke werkloosheidsuitkering ter vervanging van gederfd loon of te derven loon (subonderdeel 5°), of een combinatie van deze uitkeringen (subonderdeel 6°). Dat geldt dus niet voor de uitkering op grond van de Ziektewet, ook niet als deze onderdeel is van de reeks uitkeringen, bedoeld in subonderdeel 6°.

Artikel I, onderdeel F, en artikel II, onderdeel F (artikelen 61a Pensioenwet en 73a Wvb)

In artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a Wvb is het keuzerecht voor uitruil van ouderdomspensioen voor de vrijwillige voortzetting van partnerpensioen op risicobasis geregeld. Het eerste lid is ten behoeve van de leesbaarheid opgesplitst in drie leden. In het nieuwe tweede lid wordt geregeld dat de gewezen deelnemer niet alleen kan kiezen voor voortzetting van het partnerpensioen, maar ook voor voortzetting van (alleen) het wezenpensioen of voor voortzetting van beiden (dus het hele nabestaandenpensioen). Daarnaast wordt de uitruil waarmee het vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen en/of het wezenpensioen gefinancierd wordt gewijzigd. De uitruil zag uitsluitend op het opgebouwde ouderdomspensioen; de uitruil wordt in het nieuwe derde lid aangepast zodat de uitruil ook ziet op het opgebouwde ouderdomspensioen én partnerpensioen vanaf pensioendatum, voor zover de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op of na pensioendatum. Het partnerpensioen vanaf pensioendatum wordt enkel in de uitruil betrokken, indien dit is vastgelegd in de pensioenovereenkomst. Verder volgt in het nieuwe derde lid dat de uitruil niet van invloed mag zijn op de verhouding tussen het deel van het partnerpensioen op of na pensioendatum dat bij de uitruil betrokken wordt en het ouderdomspensioen. Als de verhouding voor de uitruil 100:70 is, dan is deze verhouding dus na de uitruil nog steeds 100:70. Hierbij wordt benadrukt dat het gaat om het deel dat bij de uitruil betrokken wordt. Op grond van het nieuwe artikel 220ga van de Pensioenwet en het nieuwe artikel 214ea Wvb kan er, indien de pensioenovereenkomst hierin voorziet, voor gekozen worden (een deel van) het opgebouwde en na invaren behouden partnerpensioen vanaf pensioendatum niet bij de uitruil te betrekken. Voor het deel dat wel betrokken wordt bij de uitruil, geldt dat de verhouding met het ouderdomspensioen gelijk blijft.

Verder wordt in het nieuwe vierde lid een onderdeel d toegevoegd. Op grond van dit onderdeel moet de partner, die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum, toestemming verlenen voor de uitruil. De toestemming is vereist omdat het partnerpensioen op of na pensioendatum door de uitruil lager wordt. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer niet (langer) aan onderdeel d wordt voldaan, en de partner dus geen toestemming voor de uitruil (meer) geeft, de uitruil op grond van het nieuwe vijfde lid moet worden stopgezet. In het nieuwe vijfde lid, waarin een aantal verwijzingen wordt aangepast maar dat verder niet inhoudelijk wordt gewijzigd, wordt immers bepaald dat de uitruil wordt stopgezet indien er niet langer recht op uitruil op grond van het (nieuwe) vierde lid is. Wanneer de partner geen toestemming (meer) geeft, is er op grond van het (nieuwe) vierde lid geen recht op uitruil meer.

Ten slotte is een nieuw zevende lid ingevoegd. Op grond van het zevende lid (nieuw) is uitruil op grond van dit artikel niet mogelijk voor de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.

Zie voor een verdere toelichting op het vrijwillig voortzetten van het nabestaandenpensioen ook paragraaf 2.1 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel G, en artikel II, onderdeel G (artikelen 63 Pensioenwet en 75 Wvb)

In artikel 63 van de Pensioenwet en artikel 75 Wvb is in het tweede lid een foutieve verwijzing gecorrigeerd. In het vierde lid wordt de huidige tekst omgezet in een geletterde opsomming en wordt voor de duidelijkheid telkens een verwijzing toegevoegd naar artikelen waarin dat onderwerp is geregeld. Verder wordt aan het vierde lid toegevoegd, in onderdeel c, dat de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren eveneens niet wordt meegenomen bij de maximale variatie zoals bepaald in het eerste lid. Het gaat hierbij om gelijke aanpassingen vanaf pensioneren bij zowel de solidaire premieovereenkomst als de flexibele premieovereenkomst.

Artikel I, onderdeel H, en artikel II, onderdeel H (artikelen 63a Pensioenwet en 75a Wvb)

Aan artikel 63a, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 75a, tweede lid, van de Wvb wordt toegevoegd dat een pensioenuitkering na ingang kan variëren indien deze variatie bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme vaststaat. Hierdoor wordt het ook bij de flexibele premieregeling mogelijk dat in de eerste jaren na toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme de pensioenuitkeringen en -aanspraken op nabestaandenpensioen gelijk kunnen worden aangepast met de uitkeringen van al langer gepensioneerden. Voorwaarde is dat bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme de toekomstige aanpassingen reeds vaststaan, zodat een deel van het kapitaal hiervoor gealloceerd kan worden, zodat bij deze toetreding geen ex-ante herverdeling plaatsvindt. In het vierde lid wordt verduidelijkt dat de uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde variatie om gelijke aanpassingen te realiseren niet mag leiden tot ex-ante herverdeling.

Artikel I, onderdeel I, en artikel II, onderdeel I (artikelen 150e Pensioenwet en 145d Wvb)

Artikel 150e, derde lid, onderdeel c, van de Pensioenwet (respectievelijk artikel 145d, derde lid, onderdeel c, Wvb) wordt geschrapt wegens overbodigheid. Dit artikel noemt als voorwaarde dat geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet (respectievelijk artikel 214d Wvb). Art. 150e van de Pensioenwet staat in hoofdstuk 6b van de Pensioenwet. Volgens art. 150b, eerste lid, aanhef en onder c is hoofdstuk 6b alleen van toepassing als geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht bedoeld in art. 220e van de Pensioenwet. Dit is een puur technische wijziging, zonder inhoudelijke gevolgen.

Artikel I, onderdeel J, en artikel II, onderdeel J (artikelen 150f Pensioenwet en 145e Wvb)

In artikel 150f van de PW en artikel 145e van de Wvb is opgenomen dat de afspraken in een pensioenovereenkomst over compensatie aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Abusievelijk was onduidelijk of artikel 150f van de Pensioenwet (en 145e van de Wvb) ook ziet op de gewezen werknemer/gewezen beroepsgenoot die op grond van vrijwillige voortzetting deelneemt aan de pensioenregeling/beroepspensioenregeling. Artikel 150f, eerste lid, onderdelen b en c, van de Pensioenwet zijn wel van toepassing op de gewezen werknemer/ gewezen beroepsgenoot die vrijwillig voortzet. Dit is naar aanleiding van een reactie op de internetconsultatie verduidelijkt. Voor de voorwaarde genoemd in artikel 150f, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet geldt dat aangesloten wordt bij de voorwaarden voor compensatie voor vrijwillige voortzetters zoals opgenomen in de pensioenovereenkomst. In de praktijk betekent dit dus dat voor een vrijwillige voortzetter afwijkende afspraken kunnen gelden met betrekking tot compensatie. Zie voor een verdere toelichting het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel K, en artikel II, onderdeel K (artikel 150p Pensioenwet en 145o Wet verplichte beroepspensioenregeling)

In de artikelen 150p Pw en artikel 145o Wvb wordt een technische wijziging doorgevoerd. Het tweede lid wordt zodanig gewijzigd, dat niet meer naar 1 juli wordt verwezen. Door het dynamiseren van de uiterste inleverdatum van het implementatieplan kan een implementatieplan immers ook op een ander uiterst moment worden ingeleverd dan 1 juli 2025, zolang dat uiterlijk 12 maanden voor invaren gebeurt. Dit wordt geregeld in de algemene maatregel van bestuur waarnaar verwezen wordt in artikel 150p, tweede lid, Pw en artikel 145o, tweede lid, Wvb.

Verder is een redactionele fout hersteld in artikel 145o Wvb. Het tiende lid wordt vernummerd tot het negende lid, aangezien voor dat lid abusievelijk het cijfer 10 stond.

Artikel I, onderdeel L, en artikel II, onderdeel M (artikelen 220g Pensioenwet en artikel 214e Wvb)

Dit artikel regelt het overgangsrecht rondom het nabestaandenpensioen en wordt aangepast in verband met de geüniformeerde definitie van een kind in de zin van de Pensioenwet en de Wvb. Het nieuwe zesde lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe zesde lid van artikel 214e, van de Wvb, regelen dat deze nieuwe begripsbepaling niet van toepassing is op een wezenpensioen dat al is ingegaan voor het overgangstijdstip, bedoeld in artikel 220g, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 214e, eerste lid, van de Wvb. Dat betekent dat voor deze wezenpensioenen nog wordt uitgegaan van de definitie van kind zoals deze per (beroeps)pensioenregeling is bepaald.

Naar huidig recht bepalen de partijen die de pensioenovereenkomst overeenkomen in welke gevallen iemand als kind wordt aangemerkt en derhalve in aanmerking komt voor wezenpensioen. Met dit wetsvoorstel wordt de definitie van het «kind» geüniformeerd en wordt wettelijk vastgelegd wanneer iemand als kind in de zin van de Pensioenwet wordt aangemerkt. Hoewel met dit wetsvoorstel een ruime kinddefinitie wordt geïntroduceerd, is het mogelijk dat door de uniformering van de kinddefinitie en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van de pensioenovereenkomsten bepaalde personen niet langer als kind in de zin van de Pensioenwet worden aangemerkt. Het wordt onwenselijk geacht dat deze personen bij overlijden van de (gewezen) deelnemer enkel als gevolg van deze wetswijziging en de daaruit voortvloeiende wijziging van de pensioenovereenkomst niet langer aanspraak kunnen maken op wezenpensioen. Met het oog op het voorgaande wordt voorgesteld met het nieuwe zevende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe zevende lid van artikel 214e van de Wvb voor te schrijven dat een persoon die vóór het overgangstijdstip kwalificeerde als kind zoals gedefinieerd in de pensioenregeling, als kind in de zin van de Pensioenwet blijft aangemerkt zo lang de betreffende relatie tussen het kind en de (gewezen) werknemer wordt voortgezet. Dit zal in de pensioenovereenkomst vastgelegd en geborgd moeten worden.

Het nieuwe achtste lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe achtste lid van artikel 214e van de Wvb regelen dat een kind dat voor het overgangstijdstip recht had op een opgebouwd wezenpensioen, na introductie van deze nieuwe kinddefinitie nog steeds recht heeft op dat opgebouwde wezenpensioen, voor zover dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip.

Het nieuwe negende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe negende lid van artikel 214e van de Wvb regelen dat een kind dat niet onder de definitie van kind viel onder de (beroeps)pensioenregeling, niet alsnog als kind wordt gezien met een recht op wezenpensioen voor de periode vóór het overgangstijdstip, als dat kind wel voldoet aan de nieuwe definitie van kind in de Pensioenwet en de Wvb. Een dergelijk kind heeft dus pas recht op een wezenpensioen vanaf het overgangstijdstip, wanneer de nieuwe definitie van toepassing is. Het kind voldoet immers aan de nieuwe definitie van kind, maar voldeed niet aan de oude definitie.

Het nieuwe tiende lid van artikel 220g van de Pensioenwet en het nieuwe tiende lid van artikel 214e van de Wvb zijn van belang voor fondsen die overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst vóórdat de nieuwe kinddefinitie wordt geïntroduceerd met de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel. Voor hen geldt dat in het nieuwe zesde tot en met negende lid «het moment van inwerkingtreding van artikel I of II, onderdelen A en B, van de Toezeggingenwet» moet worden gelezen in plaats van «overgangstijdstip». Dit heeft tot gevolg dat fondsen die voor inwerkingtreding van deze wet overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, niet al vanaf dat moment de nieuwe kinddefinitie hoeven te hanteren, inclusief het in dit artikel geregelde overgangsrecht. Zij hoeven dat pas te doen vanaf het moment dat deze wet in werking treedt.

Zie voor een verdere toelichting over de nieuwe kinddefinitie ook paragraaf 2.2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel M, en artikel II, onderdeel N (artikelen 220ga en 220gb Pensioenwet en 214ea en 214eb Wvb)

De nieuwe artikelen 220ga en 220gb Pensioenwet (en 214ea en 214eb Wvb) regelen het overgangsrecht rondom het in dit wetsvoorstel gewijzigde artikel 61a Pensioenwet (en 73a Wvb). In artikel 220ga wordt het overgangsrecht met betrekking tot de nieuwe financieringswijze geregeld: de uitruil van het ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum.

In artikel 220ga, eerste lid wordt een mogelijkheid opgenomen om bij de uitruil van artikel 61a (en 73a Wvb) de opgebouwde aanspraak op partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum die bij invaren behouden is gebleven buiten beschouwing te laten. Volgens artikel 61a, derde lid (nieuw), wordt het partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum betrokken bij de uitruil. Dus ook het ingevaren opgebouwde partnerpensioen.Op grond van het eerste lid van artikel 220ga hoeft de aanspraak, die in artikel 220g, derde lid (214e, derde lid, Wvb) wordt genoemd, dus niet te worden meegenomen in de uitruil van artikel 61a (73a Wvb). Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat het hier gaat om een mogelijkheid de aanspraak buiten beschouwing te laten, maar het is niet verplicht van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Voor fondsen die overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst vóórdat het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt geldt dat de opgebouwde aanspraak op partnerpensioen op of na pensioendatum die bij invaren behouden is gebleven geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing kan worden gelaten vanaf de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel. Uiteraard moet deze mogelijkheid ook in dit geval wel in de pensioenovereenkomst/beroepspensioenregeling zijn opgenomen.

Het tweede lid is (ook) van belang voor fondsen die overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst voordat het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt. In een dergelijk geval kan het partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum voor de gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Toezeggingenwet gewezen deelnemer is geworden bij de uitruil worden betrokken vanaf het moment dat onderhavig wetsvoorstel in werking treedt. Uiteraard gelden ook in dat geval de voorwaarden uit artikel 61a Pensioenwet, wat betekent dat deze mogelijkheid in de pensioenovereenkomst moet zijn opgenomen en dat de partner hiermee in moet stemmen. Ook regels die op grond van artikel 61a, nieuwe achtste lid, bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld over de uitruil, zijn van toepassing.

In artikel 220gb is overgangsrecht opgenomen dat regelt dat de gewezen deelnemer, die onder het nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet gewezen deelnemer is geworden, op of na inwerkingtreding van de Toezeggingenwet niet (opnieuw) de keuze krijgt om het wezenpensioen voort te zetten.53 Voor deze gewezen deelnemers blijft dus de situatie gelden zoals deze gold voor invoering van de Toezeggingenwet.

Zie voor een verdere toelichting met betrekking tot het overgangsrecht van de nieuwe financieringswijze en het overgangsrecht met betrekking tot het wezenpensioen ook paragraaf 2.1.8 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel N, en artikel II, onderdeel O (artikelen 220h Pensioenwet en 214f Wvb)

Artikel 220h, eerste lid, onderdeel a, (en artikel 214f, eerste lid, onderdeel a, Wvb) wordt zodanig gewijzigd dat de voorwaarde dat de onderneming van de werkgever heeft opgehouden te bestaan, wordt geschrapt. Hierdoor kunnen alle (beroeps)pensioenfondsen die een beëindigde (beroeps)pensioenregeling uitvoeren, premievrij blijven voortzetten op grond van de oude uitkeringsovereenkomst, ongeacht of de werkgever al dan niet heeft opgehouden te bestaan. Voor een algemeen pensioenfonds wordt deze voorwaarde toegepast per collectiviteitkring. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat onderdeel a ook ziet op (beroeps)pensioenfondsen die zowel een beëindigde als een actieve (beroeps)pensioenregeling uitvoeren. De gewijzigde voorwaarde is immers dat een fonds een beëindigde pensioenregeling uitvoert, maar dat sluit niet uit dat een fonds óók nog een actieve pensioenregeling uitvoert.

Overigens is in het aangepaste onderdeel a geen peildatum opgenomen voor het moment waarop de pensioenregeling eindigt. Uit het nieuwe eerste lid, onderdeel c, volgt immers al wanneer het recht op de premievrije voortzetting moet zijn ontstaan. Dat in samenhang bezien is voldoende duidelijk dat het moment waarop de regeling eindigt sowieso moet plaatsvinden vóór overgang naar het nieuwe stelsel.

In onderdeel b is verduidelijkt dat het moet gaan om pensioenaanspraken in de beëindigde pensioenregeling. Dit is verduidelijkt, omdat er door de wijziging van onderdeel a sprake kan zijn van zowel een actieve als een beëindigde pensioenregeling bij een (beroeps)pensioenfonds. Artikel 220h gaat specifiek over het premievrij voortzetten op grond van de oude uitkeringsovereenkomst binnen de beëindigde pensioenregeling.

In onderdeel c is vastgelegd wanneer het recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan. Dit hoeft niet langer te zijn ontstaan voorafgaand aan 1 juli 2023 (het tijdstip van inwerkingtreding van de Wtp), maar uiterlijk op een van de momenten die in het nieuwe tweede en derde lid worden genoemd. Dit betekent dat het recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan voordat een (beroeps)pensioenfonds een beëindigde pensioenregeling uitvoert en voor uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst (tweede lid). Wanneer het (beroeps)pensioenfonds niet overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, omdat het bijvoorbeeld enkel nog gesloten regelingen uitvoert, moet de pensioenregeling uiterlijk zijn geëindigd voor het einde van de transitieperiode.

Wanneer er sprake is van een werknemer die ziek is geworden onder het oude stelsel, kan het recht op premievrije voortzetting ook zijn ingegaan na overgang op het nieuwe stelsel, wanneer de wachttijd, bedoeld in artikel 220ha, tweede lid, onderdeel a, is begonnen vóórdat het (beroeps)pensioenfonds een beëindigde pensioenregeling uitvoert (derde lid). Ook hierbij geldt weer de voorwaarde dat de pensioenregeling moet zijn beëindigd voor uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, maar uiterlijk voor het einde van de transitieperiode. Door de formulering van deze voorwaarde, valt hier zowel een werknemer onder die ziek is geworden onder het oude stelsel en ook uit dienst is gegaan onder het oude stelsel, als een werknemer die ziek is geworden onder het oude stelsel, maar pas arbeidsongeschikt wordt onder het nieuwe stelsel, als een werknemer die ziek wordt onder het oude stelsel en uit dienst gaat onder het nieuwe stelsel, nog voordat de wachttijd, bedoeld in artikel 220ha, tweede lid, onderdeel a (214fa, tweede lid, onderdeel a, Wet verplichte beroepspensioenregeling), is afgelopen.

In het nieuwe onderdeel d is de voorwaarde toegevoegd dat het (beroeps)pensioenfonds de beëindigde pensioenregeling niet mag invaren in het nieuwe stelsel.

Tot slot is er een nieuw vijfde lid ingevoegd, waarin wordt bepaald dat het mogelijk is dat na de transitieperiode een collectieve waardeoverdracht plaatsvindt naar een andere pensioenuitvoerder, waarbij opbouw van pensioenaanspraken als gevolg van premievrije voortzetting en de regeling van het nabestaandenpensioen (eerste en vierde lid) kunnen worden voortgezet bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Het moet hierbij gaan om een collectieve waardeoverdracht vanwege:

  • a. beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever (artikel 83, eerste lid, onderdeel a, Pensioenwet/artikel 91, eerste lid, onderdeel a, Wvb);

  • b. overgang van onderneming (artikel 83, eerste lid, onderdeel b, Pensioenwet/bij een beroepspensioenfonds is dit onderdeel niet aan de orde, daar is immers geen sprake van een werkgever);

  • c. het onderbrengen van de waarde in een andere collectiviteitkring bij hetzelfde algemeen pensioenfonds (artikel 83, eerste lid, onderdeel d, Pensioenwet/artikel 4a, vierde lid, in samenhang met artikel 91 Wvb), maar enkel voor zover er geen sprake is van waardeoverdracht naar een gewijzigde pensioenovereenkomst zoals bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel c, Pensioenwet/91, eerste lid, onderdeel b, Wvb; of

  • d. de liquidatie van de pensioenuitvoerder (artikel 84 Pensioenwet/92 Wvb).

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit ook geldt voor werknemers die ziek zijn geworden onder het oude stelsel, maar die pas arbeidsongeschikt worden verklaard onder het nieuwe stelsel. Ook bij hen is er immers sprake van «opbouw van pensioenaanspraken als gevolg van een premievrije voortzetting, bedoeld in het eerste lid». Hun situatie wordt in het eerste lid immers ook genoemd.

Zie voor een verdere toelichting ook paragraaf 2.3.1 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel O, en artikel II, onderdeel P (artikelen 220ha Pensioenwet en 214fa Wvb)

In het opschrift van artikel 220ha van de Pensioenwet en artikel 214fa van de Wvb is een redactionele wijziging doorgevoerd. Verder wordt het tweede lid, onderdeel b, van deze artikelen aangepast.

In de aanhef van onderdeel b is gewijzigd dat het moet gaan om het moment waarop het recht op premievrije voortzetting moet zijn ontstaan, in plaats van het moment waarop het is ingegaan. Hiermee wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In subonderdeel 1° is uitsluitend de wetstechnische verwijzing naar de datum van de overstap naar het nieuwe stelsel aangepast.

Subonderdeel 2° is inhoudelijk nieuw en regelt dat ook deelnemers die ziek worden vóórdat de verzekeraar is overgegaan naar het nieuwe stelsel, maar pas arbeidsongeschikt worden verklaard nádat de verzekeraar is overgegaan, premievrij pensioenaanspraken kunnen blijven verwerven onder het oude pensioenstelsel vanwege arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt voorkomen dat dergelijke deelnemers tussen wal en schip vallen.

Het oude subonderdeel 2° is komen te vervallen. Mogelijke situaties die onder dit subonderdeel vielen, vallen nu onder het nieuwe subonderdeel 2°. De voorwaarde dat de premievrije voortzetting uiterlijk op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip moet zijn ontstaan, wordt niet meer expliciet genoemd. Met het besluit van 4 december 2025, houdende de vaststelling van de transitietermijnen van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, is dit tijdstip vastgesteld op 31 december 2029. Dit vanuit de gedachte dat verzekeraars uiterlijk 1 januari 2028 over moeten gaan op het nieuwe stelsel.

De datum van 31 december 2029 zag op de situatie dat de eerste ziektedag, die het begin van de wachttijd markeert, onder het oude stelsel plaatsvindt, en het einde van de wachttijd van twee jaar daarmee uiterlijk op 31 december 2029. Dat is nu ook voorgeschreven in het nieuwe subonderdeel 2°, waarin wordt aangegeven dat de wachttijd moet zijn aangevangen onder het oude stelsel. Aangezien de wachttijd start met de eerste ziektedag, moet die eerste ziektedag dus ook onder het oude stelsel vallen. Inhoudelijk is hierin dus niets gewijzigd, het is enkel op een andere manier opgeschreven, zonder koppeling aan een specifieke datum. De bepaling in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling waarin dit tijdstip is bepaald, zal worden geschrapt en daarmee kan ook het vierde lid van artikel 220ha van de Pensioenwet en artikel 214fa van de Wvb vervallen, aangezien dat de voorhang voorschrijft van het besluit waarmee de desbetreffende datum zou worden bepaald.

Zie voor een uitgebreidere toelichting op de mogelijke verschillende situaties ook paragraaf 2.3.2 van de algemene toelichting.

Artikel II, onderdeel L (artikel 171 Wvb)

De in artikel 171, eerste lid, van de Wvb genoemde artikelen stonden niet meer volledig in de juiste volgorde. Met deze wijziging is de volgorde kloppend gemaakt. Ook is artikel 73a van de Wvb toegevoegd aan de opsomming in dit artikellid. Dit artikel was per abuis niet in artikel 171, eerste lid, van de Wvb opgenomen, maar het vergelijkbare artikel uit de Pensioenwet (artikel 61a Pensioenwet) stond wel in artikel 176 van de Pensioenwet (de evenknie van artikel 171 van de Wvb) genoemd.

Artikel III, onderdeel A (artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, Wet LB 1964 voorziet in een definitie van het wezenpensioen. Voorgesteld wordt om deze definitie zodanig aan te passen dat de fiscale regeling voor wezenpensioen ook voor stiefkinderen geldt. Dit voorstel hangt dan ook samen met de in dit wetsvoorstel voorgestelde uniformering van de kinddefinitie waarin ook expliciet stiefkinderen worden opgenomen. Daarnaast dient het ter codificering van de bestaande praktijk waarin ook aan stiefkinderen een wezenpensioen wordt toegekend.

Artikel III, onderdeel B (artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 is met de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023 opgenomen dat aanpassingen van de uitkeringen als gevolg van de in dat lid genoemde omstandigheden voor de toepassing van artikel 18d, eerste lid, Wet LB 1964 buiten aanmerking blijven. Voor de toepassing van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 is het niet nodig dat ook feitelijk voor een mate van variatie, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel wordt gekozen. Voor een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een wezenpensioen betekent dat, dat de in de artikelen 18b en 18c Wet LB 1964 opgenomen maxima kunnen worden overschreden als gevolg van toepassing van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964, ook wanneer niet gekozen is voor een mate van variatie als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Voorgesteld wordt om aan artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 nog een aantal situaties toe te voegen en dat lid in dat kader in verschillende onderdelen te verdelen. Hiermee wordt aangesloten bij de opbouw van het met dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. De in het voorgestelde artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 opgenomen onderdelen a, b en d komen inhoudelijk overeen met de huidige tekst van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964. De in het voorgestelde onderdeel c genoemde situatie is nieuw. Daarin wordt verwezen naar de in de artikelen 10a, vijfde en zevende lid, 10b, vierde en negende lid, en 63a, van de Pensioenwet en de artikelen 28a, vijfde en zevende lid, 28b, vierde en negende lid, en 75a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen variatiemogelijkheid om gelijke aanpassingen te realiseren. In hoofdstuk 2.5 van het algemeen deel van deze memorie is deze variatiemogelijkheid toegelicht. De fiscale wetgeving volgt hierin de voorgestelde aanpassingen in artikel 63, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 75, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ook de in het voorgestelde artikel 18d, derde lid, onderdeel e, Wet LB 1964 opgenomen situatie is nieuw. Daarin is geregeld dat de pensioenuitkering ten opzichte van de bandbreedte, genoemd in artikel 18d, eerste lid, Wet LB 1964, extra kan variëren als dat het gevolg is van een loon- of prijsontwikkeling. Hierin was nog niet voorzien, terwijl een dergelijke variatie wel is toegestaan voor vastgestelde uitkeringen.54 Voorgesteld wordt aan deze wijzigingen van artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964 terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 juli 2023, de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. Hiermee wordt deze uitbreiding ook van kracht voor eventuele bestaande situaties.

Artikel III, onderdeel C (artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel 38c Wet LB 1964 voorziet in overgangsrecht voor voortgezette premie-inleg voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Als een werknemer langdurig ziek is gaat de werknemer in de regel (doorgaans na een wachttijd van 104 weken) uit dienst bij de werkgever en wordt, als dit is verzekerd in de pensioenregeling, de pensioenopbouw onder voorwaarden voortgezet voor rekening van de verzekeraar. Met het overgangsrecht van artikel 38c Wet LB 1964 wordt een reeds bestaande voortgezette premie-inleg voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid gerespecteerd voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid die bestond voor de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. Daarnaast wordt ook een voor 1 januari 2029 ingegane voortgezette premie-inleg gerespecteerd voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid op grond van een pensioenregeling waaraan op grond van artikel 38q Wet LB 1964 is deelgenomen mits de werknemer tijdens de wachttijd van doorgaans 104 weken niet al deelnemer is geworden aan een pensioenregeling waarop hoofdstuk IIB Wet LB 1964 zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen van toepassing is (een pensioenregeling conform de Wet toekomst pensioenen). De premie-inleg mag in deze gevallen uitstijgen boven de fiscaal maximale grens van artikel 18a, eerste lid, Wet LB 1964.

Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964 wordt het mogelijk om de voortgezette premie-inleg voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid te laten plaatsvinden in de pensioenregeling waaraan de werknemer op de eerste ziektedag deelnam ongeacht de datum waarop de voortgezette premie-inleg aanvangt (de datum van 1 januari 2029 geldt niet langer) en ongeacht of de werknemer tijdens de wachttijd van doorgaans 104 weken is gaan deelnemen aan een pensioenregeling waarop het fiscale kader van toepassing is van hoofdstuk IIB Wet LB 1964 zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964 wordt voor de beoordeling of het overgangsrecht van artikel 38c Wet LB 1964 kan worden toegepast dus aangesloten bij de eerste ziektedag. Dit betekent dat als tijdens de eerste ziektedag een pensioenregeling van toepassing was op de werknemer van voor de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen of een pensioenregeling waarop het overgangsrecht van artikel 38q Wet LB 1964 van toepassing is, artikel 38c Wet LB 1964 kan worden toegepast. Daarbij wordt dus ook voorgesteld de in artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964 genoemde einddatum van 1 januari 2029 niet meer op te nemen. Deze einddatum was gekozen rekening houdend met een wachttijd van 104 weken bij ziekte alvorens de voortgezette premie-inleg aanvangt en een einddatum van de transitieperiode van 1 januari 2027. In de praktijk kan een wachttijd echter langer duren dan 104 weken waardoor het niet goed mogelijk is een vaste einddatum te bepalen.

De voorgestelde verruiming van het overgangsrecht sluit aan bij de in de bestaande verzekeringspraktijk geldende afspraken rondom het uitlooprisico zoals dit is toegelicht in paragraaf 2.3.2 van het algemeen deel van deze memorie. Vanaf de inwerkingtreding van 1 juli 2023 doorkruiste de in de Wet toekomst pensioenen opgenomen wijzigingen van artikel 38c Wet LB 1964 deze afspraken. Voorgesteld wordt daarom om de voorgestelde aanpassingen van artikel 38c Wet LB 1964 te laten terugwerken tot en met 1 juli 2023, de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.

Artikel IV, onderdeel A (artikel XIIB Wet toekomst pensioenen)

In artikel XIIB van de Wet toekomst pensioenen wordt artikel 626, tweede lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Artikel XIIB van de Wet toekomst pensioenen is nog niet bij koninklijk besluit in werking getreden. Het nog niet in werking getreden artikel wordt gewijzigd.

Door de aanpassing moet er op het loonstrookje vermeld worden of er binnen de periode waarop het loonstrookje betrekking heeft wel of geen deelname aan de pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet is. Zie verder ook paragraaf 2.6.6 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel IV, onderdeel B (artikel XIV Wet toekomst pensioenen)

Met de wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel is artikel XIV, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toekomst pensioenen gewijzigd. Daarbij is abusievelijk enkel naar het betreffende artikel uit de Pensioenwet verwezen en niet ook naar het equivalent uit de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Dat wordt hier hersteld.

Artikel V (Inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Het moment van inwerkingtreding van deze wet wordt bij koninklijk besluit vastgesteld, waarbij voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillende tijdstippen kunnen worden vastgesteld. Bij koninklijk besluit kan ook worden bepaald dat bepaalde artikelen of onderdelen daarvan met terugwerkende kracht in werking treden. Dat zal in ieder geval gelden voor de wijzigingen van de artikelen 63, 63a, 220h en 220ha Pensioenwet, 75, 75a, 214f en 214fa Wvb en 18d en 38c Wet LB 1964. Deze artikelen zullen terugwerken tot en met 1 juli 2023, het moment van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen. De terugwerkende kracht van deze artikelen heeft geen nadelige gevolgen voor betrokkenen. Voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is het van belang dat deze artikelen gelden vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.

Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris van Financiën.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24, 36 067, nr. 196.

X Noot
2

Artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 61a Pensioenwet respectievelijk artikel 66, vierde lid, en artikel 73a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
3

Artikel 61a Pensioenwet respectievelijk artikel 73a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 36 067, AR.

X Noot
5

De uitloopperiode start rechtstreeks na beëindiging van de deelneming als er geen sprake is van een aansluitend dienstverband of een WW/ZW-uitkering. De uitloopperiode duurt drie of zes maanden (als in de pensioenovereenkomst een periode van zes maanden is opgenomen) maar stopt eerder op het moment van een nieuw dienstverband of de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). In dit wetsvoorstel wordt ook voorgesteld om de periode van loongerelateerde werkloosheidsuitkering op grond van een cao of periodieke werkloosheidsuitkering ter vervanging van gederfd loon of te derven loon te verlengen. Zie ook paragaaf 2.4.

X Noot
6

Zie ook paragrafen 2.1.6 en 2.1.7.

X Noot
7

De mogelijkheid kan wel via een andere route worden aangeboden. Op grond van artikel 62 Pensioenwet respectievelijk artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kunnen sociale partners ervoor kiezen om deze uitruilmogelijkheid op te nemen in de pensioenovereenkomst/beroepspensioenregeling.

X Noot
8

Kamerstukken II 2022/23, 36 067, nr. 82.

X Noot
9

Artikel 61a van de Pensioenwet respectievelijk artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
10

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
11

Zie ook paragrafen 2.1.6, 2.1.7 en 2.4.

X Noot
12

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
13

Zie ook paragraaf 2.1.6 en paragraaf 2.1.7.

X Noot
14

De afkoopgrens wordt ieder jaar aangepast aan de Consumentenprijsindex Alle Huishoudens (CPI). Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt de afkoopgrens voor een klein pensioen € 613,52.

X Noot
15

Zie ook paragraaf 2.1.6 en paragraaf 2.1.7.

X Noot
16

Zie ook paragraaf 2.2.

X Noot
17

Een gewezen deelnemer met partner, zonder kinderen, kan ervoor kiezen om alleen het partnerpensioen voort te zetten, zie ook paragraaf 2.1.5.

X Noot
18

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
19

Artikel 220g Pensioenwet respectievelijk artikel 214e van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
20

Het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zal op dit punt worden aangepast.

X Noot
21

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en artikel 32, eerste lid onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
22

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 7, p. 149.

X Noot
23

In de huidige Wet verplichte beroepspensioenregeling is een vergelijkbaar artikel opgenomen.

X Noot
24

Handelingen I 2022/23, 36 067, nr. 33.

X Noot
25

De tweede pijler is de collectieve arbeidsgerelateerde pensioenopbouw.

X Noot
26

Zie ook paragraaf 2.2.2.

X Noot
27

De artikelen 1 en 2a Pensioenwet en de artikelen 1 en 2a Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
28

Zie ook paragraaf 2.2.4.

X Noot
29

De artikelen 395 en 395a van Boek 1 van het BW.

X Noot
30

De artikelen 1 en 2a Pensioenwet en de artikelen 1 en 2a Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
31

Aangesloten bij het bedrag in artikel 5, eerste lid, van het Besluit uitvoering Kinderbijslag, dat zijn grondslag vindt in artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet.

X Noot
32

Deze bijdrage wordt beschouwd als een gezamenlijke bijdrage van zowel de (gewezen) werknemer als zijn/haar partner. Beide partners worden als onderdeel van het hetzelfde huishouden gezien; elke uitgave vanuit het huishouden wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van beide partners.

X Noot
33

Artikel 220i, tweede lid, Pensioenwet of artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
34

De uitloopperiode start rechtstreeks na beëindiging van de deelneming als er geen sprake is van een aansluitend dienstverband of een WW/ZW-uitkering. De uitloopperiode duurt drie of zes maanden (als in de pensioenovereenkomst een periode van zes maanden is opgenomen) maar stopt eerder op het moment van een nieuw dienstverband of de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (artikel 55, vierde lid, de Pensioenwet en artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

X Noot
35

Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3.

X Noot
36

Zie paragraaf 2.1 voor de voorgestelde aanpassingen bij vrijwillige voortzetting (artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

X Noot
37

Zie artikel 18b, eerste lid en artikel 18c, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964

X Noot
38

Dit is afhankelijk van de verdeel- en uitdeelregels van de risicodelings- of solidariteitsreserve.

X Noot
39

Het spreiden van financiële resultaten en het gelijk aanpassen van de uitkering is ná ingangsdatum voor het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum en wezenpensioen reeds mogelijk. Daar verandert dit wetsvoorstel niks aan.

X Noot
40

Zie paragraaf 2.4.

X Noot
41

Bij de berekening van de geschatte regeldrukkosten wordt uitgegaan van de tarieven van de handleiding meting regeldruk.

X Noot
44

Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 36 067, nr. 16, p. 238.

X Noot
45

Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen, januari 2013.

X Noot
46

Kamerstukken II, 2022/23, 32 043, nr. 624.

X Noot
47

Kamerstukken II, 2023/24, 36 067, nr. 196.

X Noot
48

Kamerstukken I, 2024/25, 36 067, nr. BW.

X Noot
49

Voor beroepspensioenfondsen geldt het artikel 129 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
50

Stb 2023, 217.

X Noot
51

Toezegging aan het lid Joseph (BBB) om aanpassing aangaande shoprecht voor flexibele regelingen mee te nemen in het wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen d.d. 21 november 2024 (TZ202411-095).

X Noot
52

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 7, pg. 33.

X Noot
53

Voor de persoon die onder het oude pensioenstelsel gewezen deelnemer is geworden, is op grond van artikel 220i Pensioenwet, artikel 61a niet van toepassing en geldt dus ook het overgangsrecht uit de artikelen 220ga en 220gb niet.

X Noot
54

Voor partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en wezenpensioen vloeit deze mogelijkheid reeds tevens indirect voort uit artikel 18d, zesde lid, Wet LB 1964.


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24, 36 067, nr. 196.

X Noot
2

Artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 61a Pensioenwet respectievelijk artikel 66, vierde lid, en artikel 73a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
3

Artikel 61a Pensioenwet respectievelijk artikel 73a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 36 067, AR.

X Noot
5

De uitloopperiode start rechtstreeks na beëindiging van de deelneming als er geen sprake is van een aansluitend dienstverband of een WW/ZW-uitkering. De uitloopperiode duurt drie of zes maanden (als in de pensioenovereenkomst een periode van zes maanden is opgenomen) maar stopt eerder op het moment van een nieuw dienstverband of de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (artikel 55, vierde lid, Pensioenwet en artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). In dit wetsvoorstel wordt ook voorgesteld om de periode van loongerelateerde werkloosheidsuitkering op grond van een cao of periodieke werkloosheidsuitkering ter vervanging van gederfd loon of te derven loon te verlengen. Zie ook paragaaf 2.4.

X Noot
6

Zie ook paragrafen 2.1.6 en 2.1.7.

X Noot
7

De mogelijkheid kan wel via een andere route worden aangeboden. Op grond van artikel 62 Pensioenwet respectievelijk artikel 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kunnen sociale partners ervoor kiezen om deze uitruilmogelijkheid op te nemen in de pensioenovereenkomst/beroepspensioenregeling.

X Noot
8

Kamerstukken II 2022/23, 36 067, nr. 82.

X Noot
9

Artikel 61a van de Pensioenwet respectievelijk artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
10

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
11

Zie ook paragrafen 2.1.6, 2.1.7 en 2.4.

X Noot
12

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
13

Zie ook paragraaf 2.1.6 en paragraaf 2.1.7.

X Noot
14

De afkoopgrens wordt ieder jaar aangepast aan de Consumentenprijsindex Alle Huishoudens (CPI). Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt de afkoopgrens voor een klein pensioen € 613,52.

X Noot
15

Zie ook paragraaf 2.1.6 en paragraaf 2.1.7.

X Noot
16

Zie ook paragraaf 2.2.

X Noot
17

Een gewezen deelnemer met partner, zonder kinderen, kan ervoor kiezen om alleen het partnerpensioen voort te zetten, zie ook paragraaf 2.1.5.

X Noot
18

Zie ook paragraaf 2.1.3.

X Noot
19

Artikel 220g Pensioenwet respectievelijk artikel 214e van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
20

Het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zal op dit punt worden aangepast.

X Noot
21

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en artikel 32, eerste lid onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
22

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 7, p. 149.

X Noot
23

In de huidige Wet verplichte beroepspensioenregeling is een vergelijkbaar artikel opgenomen.

X Noot
24

Handelingen I 2022/23, 36 067, nr. 33.

X Noot
25

De tweede pijler is de collectieve arbeidsgerelateerde pensioenopbouw.

X Noot
26

Zie ook paragraaf 2.2.2.

X Noot
27

De artikelen 1 en 2a Pensioenwet en de artikelen 1 en 2a Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
28

Zie ook paragraaf 2.2.4.

X Noot
29

De artikelen 395 en 395a van Boek 1 van het BW.

X Noot
30

De artikelen 1 en 2a Pensioenwet en de artikelen 1 en 2a Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
31

Aangesloten bij het bedrag in artikel 5, eerste lid, van het Besluit uitvoering Kinderbijslag, dat zijn grondslag vindt in artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet.

X Noot
32

Deze bijdrage wordt beschouwd als een gezamenlijke bijdrage van zowel de (gewezen) werknemer als zijn/haar partner. Beide partners worden als onderdeel van het hetzelfde huishouden gezien; elke uitgave vanuit het huishouden wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van beide partners.

X Noot
33

Artikel 220i, tweede lid, Pensioenwet of artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
34

De uitloopperiode start rechtstreeks na beëindiging van de deelneming als er geen sprake is van een aansluitend dienstverband of een WW/ZW-uitkering. De uitloopperiode duurt drie of zes maanden (als in de pensioenovereenkomst een periode van zes maanden is opgenomen) maar stopt eerder op het moment van een nieuw dienstverband of de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (artikel 55, vierde lid, de Pensioenwet en artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

X Noot
35

Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3.

X Noot
36

Zie paragraaf 2.1 voor de voorgestelde aanpassingen bij vrijwillige voortzetting (artikel 61a van de Pensioenwet en artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).

X Noot
37

Zie artikel 18b, eerste lid en artikel 18c, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964

X Noot
38

Dit is afhankelijk van de verdeel- en uitdeelregels van de risicodelings- of solidariteitsreserve.

X Noot
39

Het spreiden van financiële resultaten en het gelijk aanpassen van de uitkering is ná ingangsdatum voor het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum en wezenpensioen reeds mogelijk. Daar verandert dit wetsvoorstel niks aan.

X Noot
40

Zie paragraaf 2.4.

X Noot
41

Bij de berekening van de geschatte regeldrukkosten wordt uitgegaan van de tarieven van de handleiding meting regeldruk.

X Noot
44

Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 36 067, nr. 16, p. 238.

X Noot
45

Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen, januari 2013.

X Noot
46

Kamerstukken II, 2022/23, 32 043, nr. 624.

X Noot
47

Kamerstukken II, 2023/24, 36 067, nr. 196.

X Noot
48

Kamerstukken I, 2024/25, 36 067, nr. BW.

X Noot
49

Voor beroepspensioenfondsen geldt het artikel 129 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

X Noot
50

Stb 2023, 217.

X Noot
51

Toezegging aan het lid Joseph (BBB) om aanpassing aangaande shoprecht voor flexibele regelingen mee te nemen in het wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen d.d. 21 november 2024 (TZ202411-095).

X Noot
52

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 7, pg. 33.

X Noot
53

Voor de persoon die onder het oude pensioenstelsel gewezen deelnemer is geworden, is op grond van artikel 220i Pensioenwet, artikel 61a niet van toepassing en geldt dus ook het overgangsrecht uit de artikelen 220ga en 220gb niet.

X Noot
54

Voor partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en wezenpensioen vloeit deze mogelijkheid reeds tevens indirect voort uit artikel 18d, zesde lid, Wet LB 1964.

Naar boven