Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-XV nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-XV nr. E |
Ontvangen 26 mei 2026
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de Eerste Kamer over de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026. De leden van de BBB-fractie, de leden van de SP-fractie en het lid van 50PLUS hebben enkele vragen gesteld aan de regering. Deze vragen worden hieronder behandeld. De oorspronkelijke tekst van het verslag is integraal opgenomen in deze nota en cursief weergegeven, waarbij ook de vragen van het lid van 50PLUS zijn genummerd. Na de vragen volgt telkens de reactie van de regering.
De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de Begrotingsstaten Sociale zaken en Werkgelegenheid 2026 en maken graag van de gelegenheid gebruik om de regering hierover nog enkele vragen te stellen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel. Deze leden constateren dat de voorliggende begroting, in samenhang met voorgenomen beleidswijzigingen zoals aangekondigd in recente Kamerbrieven en het regeerakkoord, belangrijke gevolgen kan hebben voor de inkomenspositie van gezinnen en de positie van werkenden. Voor deze leden is van belang dat deze keuzes bijdragen aan het verkleinen van ongelijkheid en het ondersteunen van gezinnen die dat het hardst nodig hebben. Tegen deze achtergrond hebben deze leden enkele vragen, met name over de afbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), de voorgenomen nieuwe kindregeling en de rol van vakbonden bij de uitvoering van beleid.
Het lid van de 50PLUS-fractie heeft kennisgenomen van het voorstel en heeft naar aanleiding van het debat over de regeringsverklaring van 7 april 2026 nog enkele vragen en opmerkingen op het gebied van de AOW en pensioenen.
De leden van de BBB-fractie lezen in de memorie van toelichting van de voorliggende begroting dat het aantal werkenden in absolute aantallen nog nooit zo hoog is geweest. Vervolgens wordt op dezelfde pagina voor het aantal mensen in armoede een percentage gehanteerd.1
1.
Deze leden vernemen graag wat het percentage (in plaats van het aantal) werkenden is over de jaren heen. Waarom heeft de regering voor dit verschil in weergave en benadering gekozen?
De onderstaande tabel geeft de netto arbeidsparticipatie over de jaren heen weer2. De netto arbeidsparticipatie betreft het aandeel werkenden in de bevolking van 15 tot 75 jaar. De onderstaande tabel komt overeen met tabel 84 in de memorie van toelichting (te vinden op pagina 130). Het presenteren van cijfers over armoede of arbeidsdeelname kan doorgaans zowel in aantallen als in percentages. Er ligt geen bewuste keuze achter het verschil in weergave op pagina 10 van de memorie van toelichting.
|
Jaartal |
Netto arbeidsparticipatie |
|---|---|
|
2015 |
66,7 |
|
2016 |
67,1 |
|
2017 |
67,9 |
|
2018 |
69,1 |
|
2019 |
70,0 |
|
2020 |
69,6 |
|
2021 |
70,4 |
|
2022 |
72,2 |
|
2023 |
73,1 |
|
2024 |
73,2 |
|
2025 |
73,2 |
Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 01-05-2026.
Deze leden lezen daarnaast in de memorie van toelichting dat het medisch advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de toets op re-integratie inspanningen.3 Hiermee wordt het stelsel eenvoudiger en het ontlast de verzekeringsartsen van het UWV. Deze leden merken op dat grote bedrijven in de regel een eigen bedrijfsarts op de loonlijst hebben staan, waardoor zij ook eenvoudig toegang hebben tot deze bedrijfsarts. Het midden- en kleinbedrijf (MKB) is voor de beoordeling door een bedrijfsarts afhankelijk van een externe (meestal via een arbodienst ingehuurde) bedrijfsarts waarmee in de praktijk geen korte lijnen bestaan. Ook bij (externe) bedrijfsartsen bestaan tekorten en een hoge werkdruk.
2.
Is de regering het met de leden van de BBB-fractie eens dat door meer verantwoordelijkheid te leggen bij de bedrijfsarts en de toets op re-integratie inspanningen door een onafhankelijke derde te schrappen, de situatie ontstaat dat de bedrijfsarts als het ware zijn eigen vlees keurt?
Nee, daar is het kabinet het niet mee eens. Het wetsvoorstel verandert niets aan de plicht van de bedrijfsarts om een onafhankelijke (medische) inschatting te maken van de belastbaarheid van de zieke werknemer. Daarnaast behoudt de werknemer gedurende de twee ziektejaren de ruimte om, indien deze het niet eens is met de inschatting of het advies van de bedrijfsarts, een second opinion (bij een andere bedrijfsarts) of een deskundigenoordeel bij UWV aan te vragen. Tot slot voorziet het wetsvoorstel niet in het schrappen van de toets door UWV op de door de werkgever en werknemer verrichte re-integratie-inspanningen. UWV toetst of de door de werkgever verrichte re-integratie-inspanningen aansluiten op de professionele inschatting van de (medische) belastbaarheid door de bedrijfsarts.
3.
Is de regering het met deze leden eens dat er ongelijkheid tussen bedrijven kan ontstaan wanneer grote bedrijven door een werkgever-werknemer relatie invloed uit kunnen oefenen op een bedrijfsarts, waar kleine bedrijven die afhankelijk zijn van een externe bedrijfsarts die invloed niet uit kunnen oefenen?
Nee, daar is het kabinet het niet mee eens. Het wetsvoorstel verandert niets aan de plicht van de bedrijfsarts om een onafhankelijke (medische) inschatting te maken van de belastbaarheid van de zieke werknemer. Die plicht bestaat ongeacht de omvang van het bedrijf waar de werknemer werkzaam is en ongeacht of de bedrijfsarts bij het bedrijf in dienst is of niet. Daarnaast behoudt de werknemer bij zowel kleine als grote bedrijven gedurende de twee ziektejaren de ruimte om, indien deze het niet eens is met de inschatting of het advies van de bedrijfsarts, een second opinion (bij een andere bedrijfsarts) of een deskundigenoordeel bij UWV aan te vragen.
4.
Is de regering het met deze leden eens dat op deze wijze ook ongelijkheid tussen werknemers kan ontstaan, waarbij de grootte van het bedrijf en/of het in dienst hebben van een eigen bedrijfsarts een bepalende factor is?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deze leden ontvangen graag een toelichting op bovenstaande vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er 60 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld vanuit de SZW begroting voor cofinanciering van het Europese Social Climate Fund.4
5.
Kan de regering duiden waarom deze uitgave ten laste zou moeten gaan van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid in plaats van de begroting Klimaat en Groene Groei, waar miljarden zijn gereserveerd voor de energietransitie?
Het doel van een energiefonds is om huishoudens in een kwetsbare positie te ondersteunen bij het betalen van hun energierekening. Dat sluit goed aan op het armoedebeleid dat onder verantwoordelijkheid valt van SZW. Het vorige kabinet heeft er daarom voor gekozen om vanuit de envelop «Groepen in de knel» een reservering van € 60 miljoen te treffen voor een energiefonds in 2026. Inmiddels is er in totaal € 193 miljoen voor het energiefonds gereserveerd. Het kabinet wil deze middelen inzetten voor een energiefonds in de winter van 2026/2027 nu een publiek energiefonds volgens de richtlijnen van het Europese Sociaal Klimaatfonds onuitvoerbaar is gebleken5.
Deze leden lezen daarnaast in de memorie van toelichting dat de regering het cao-stelsel wil versterken.6 De laatste zin van die alinea luidt: «En we willen de onafhankelijkheid van vakbonden versterken».
6.
Wat wordt met deze zin exact bedoeld? Gaat het om de onafhankelijkheid van werknemers van vakbonden of gaat het om de onafhankelijkheid van vakbonden van werknemers? En wat zou, ongeacht om welke onafhankelijkheid het gaat, daarmee bereikt moeten worden? De leden van de BBB-fractie ontvangen graag een duidelijke en concrete uitleg.
De onafhankelijkheid van een vakbond ten opzichte van een werkgever(sorganisatie) geldt als uitgangspunt in ons cao- en avv (algemeen verbindend verklaring)-stelsel. Dit vereiste vloeit voort uit artikel 2 van het ILO-verdrag nr. 98, waarin staat dat verenigingen van werkgevers en werknemers vrij moeten zijn van inmenging van de één in de zaken van een ander bij de oprichting, de uitoefening van hun werkzaamheden en bij het beheer van hun organisaties. Dit vereiste is niet in nationale wetgeving vastgelegd. Bij het ratificeren van ILO-verdrag nr. 98 is vastgesteld dat het niet nodig was om deze eis op te nemen in de wet, omdat er in de praktijk geen problemen bestonden.
Verschillende ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het kabinet de onafhankelijkheid van vakbonden ten opzichte van (verenigingen van) werkgevers verder wil waarborgen. Daarom is het kabinet voornemens het onafhankelijkheidsvereiste op te nemen in de Wet op de cao en op deze manier deze onafhankelijkheid te versterken.
Afbouw inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)
De leden van de SP-fractie lezen in de beantwoording van de regering op vragen die in de Tweede Kamer over deze begroting zijn gesteld dat de afbouw van de IACK per 2027 doorgaat en hiermee met € 134 wordt verlaagd voor dat jaar.7 Tegelijkertijd constateren deze leden dat de invoering van de (bijna) gratis kinderopvang wederom is uitgesteld van 2027 naar 2029.8 Hierdoor ontstaat een situatie waarin de afbouw van de IACK al van start gaat terwijl de invoering van de (bijna) gratis kinderopvang nog niet is gerealiseerd. Dit kan in de tussenliggende periode gevolgen hebben voor de inkomenspositie van ouders met jonge kinderen. Gelet op het feit dat de effecten van beleid uit de voorliggende begroting doorwerken in de daaropvolgende jaren, achten deze leden het van belang om inzicht te krijgen in de gevolgen van deze samenloop voor de inkomenspositie van ouders met jonge kinderen.
1.
Is in de voorliggende begroting rekening gehouden met de afbouw van de IACK en het uitstel van de (bijna) gratis kinderopvang?
De SZW-begroting 2026 houdt rekening met geleidelijk hogere vergoedingspercentages en de invoering van het nieuwe financieringsstelsel van de kinderopvang per 2029.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) is een van de fiscale maatregelen op het beleidsterrein van SZW. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In tabel 16 van de SZW-begroting is het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De hoogte van de IACK wordt vanaf 2027 stapsgewijs afgebouwd. De afbouw is wettelijk geregeld via het Belastingplan 2024.
2.
Kan de regering toelichten welke gevolgen zij verwacht van de afbouw van de IACK in combinatie met het uitstel van de invoering van (bijna) gratis kinderopvang voor ouders met jonge kinderen?
De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt per 2027 in stappen afgebouwd totdat deze in 2035 nul euro bedraagt. In het Belastingplan 2023 wordt ingegaan op de overwegingen bij het afschaffen van de IACK. Het doel van de IACK is het stimuleren van jonge ouders om werk en zorg te combineren. Eerdere kabinetten hebben ervoor gekozen om niet langer met de IACK in te zetten op dit doel, maar met de herziening van het financieringsstelsel van kinderopvang. Daarnaast draagt het afschaffen van de IACK bij aan vereenvoudiging van het belastingstelsel en verkleint het de verschillen in belastingdruk tussen eenverdieners en tweeverdieners met kinderen. In 2027 daalt de maximale hoogte van de IACK met 117 euro, en in 2028 met 358 euro.
De introductie van het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang is in 2025 uitgesteld van 2027 tot 2029. Wel worden de vergoedingspercentages voor de kinderopvang stapsgewijs verder verhoogd, net zoals dat in 2025 en 2026 al is gebeurd. Hoe deze twee maatregelen per saldo uitpakken voor werkende ouders met jonge kinderen in 2027 en 2028 hangt af van het belastbaar huishoudinkomen, het gebruik van formele kinderopvang en bij paren van het arbeidsinkomen van de minstverdienende partner. De stapsgewijze verhoging van de vergoedingspercentages maakt het mogelijk om de markt geleidelijk te laten wennen aan de hogere vraag naar kinderopvang, wat plotselinge vraagschokken voorkomt.
Nieuwe kindregeling
In de memorie van toelichting van de voorliggende begroting lezen de leden van de SP-fractie dat de regering werkt aan een vereenvoudiging van inkomensondersteuning als onderdeel van de bestaanszekerheid.9 Hierin wordt verwezen naar de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning en een uitwerking hiervan in de Kamerbrief van 11 juli 2025. In deze brief wordt gerefereerd naar de eerdergenoemde optie voor één vereenvoudigde regeling (kindgebonden budget en kinderbijslag) met één wettelijk kader.10Inmiddels is bekend dat de regering streeft naar de invoering van een nieuwe kindregeling met een hoger vast en een lager variabel bedrag.11
Hoewel een versimpeling van het toeslagensysteem voordelen met zich meebrengt, hebben deze leden hun zorgen over de kindregeling die de regering in gedachten heeft. Uit berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) is gebleken dat hogere inkomens meer van deze nieuwe regeling zullen profiteren dan de lagere.12 Hogere inkomens zullen er per saldo meer op vooruitgaan dan lagere inkomens. Bovendien gaan lagere inkomens er qua mediane koopkracht meer op achteruit dan hogere inkomens, onder andere omdat zij minder profiteren van de nieuwe kindregeling.13
Voornoemde leden vinden dit een ongewenste ontwikkeling aangezien hierdoor het verschil tussen hogere en lagere inkomens toeneemt en de inkomensondersteuning minder gericht wordt op gezinnen die deze het hardst nodig hebben. Hierover hebben deze leden de volgende vragen:
3.
Kan de regering toelichten waarom de voorgestelde kindregeling zodanig is vormgegeven dat hogere inkomens per saldo meer profiteren dan lagere inkomens?
Het coalitieakkoord stelt een nieuwe kindregeling voor waarin de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd tot één regeling die bestaat uit een hoger vast en een lager variabel deel. Dit kabinet wil een nieuwe kindregeling die meer zekerheid en eenvoud biedt aan alle gezinnen. In de doorrekening van het coalitieakkoord is een voorlopige technische invulling van de nieuwe kindregeling opgenomen14, waardoor hogere inkomens relatief meer profiteren dan lagere inkomens. De daadwerkelijke invulling van het vaste en variabele deel verdient nog nadere uitwerking. Er zijn verschillende keuzes mogelijk, die vragen om nadere politieke besluitvorming. Bij de politieke besluitvorming zullen inkomenseffecten en de effecten op kinderarmoede in beeld worden gebracht. Voor de zomer wordt u geïnformeerd over de eerste uitgangspunten voor een nieuwe kindregeling en de te maken keuzes.
4.
Hoe weegt de regering de voordelen van deze specifieke vereenvoudiging van het stelsel af tegen het nadeel dat de ondersteuning minder terechtkomt bij gezinnen met de laagste inkomens?
Zie het antwoord op vraag 3.
5.
Acht de regering het wenselijk dat een vereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning gepaard gaat met een relatieve verslechtering van de positie van lagere inkomens?
Zie het antwoord op vraag 3.
6.
Welke alternatieve varianten heeft de regering overwogen, en waarom is niet gekozen voor een variant waarbij de ondersteuning sterker gericht blijft op lage inkomens en een grotere bijdrage levert aan het verminderen van kinderarmoede?
Zie het antwoord op vraag 3.
7.
Hoe beoordeelt de regering de constatering van het CPB dat de kindregeling bijdraagt aan het uitblijven van koopkrachtverbetering voor lagere inkomens?
Zie het antwoord op vraag 3.
8.
Acht de regering het wenselijk dat een maatregel binnen het stelsel van inkomensondersteuning bijdraagt aan het uitblijven van koopkrachtverbetering voor huishoudens met lage inkomens?
Zie het antwoord op vraag 3.
9.
Deelt de regering de opvatting dat inkomensondersteuning voor gezinnen in de eerste plaats gericht moet zijn op het ondersteunen van de laagste inkomens? Hoe verhoudt de voorgestelde kindregeling zich tot dit uitgangspunt?
Nee, deze opvatting deelt het kabinet niet. De huidige kinderbijslag is immers een volksverzekering voor alle ouders, bedoeld om te voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen tot 18 jaar. Het huidige kindgebonden budget is een toeslag, vooral bedoeld als extra financiële ondersteuning voor ouders met lagere inkomens. De nieuwe kindregeling is bedoeld om alle ouders een bijdrage te geven in de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Deze bijdrage zal bestaan uit een vast en een variabel deel.
10.
Hoe verhoudt de voorgestelde kindregeling zich tot de doelstelling van de regering om met ambitieuze inzet zoveel mogelijk mensen uit de armoede te halen of te voorkomen dat ze hierin belanden15, nu uit doorrekeningen blijkt dat lagere inkomens er relatief minder op vooruitgaan?
Zie het antwoord op vraag 3.
11.
In de memorie van toelichting van de voorliggende begroting wordt voorgesteld het kindgebonden budget sterker te richten op lagere en middeninkomens door een steilere afbouw bij hogere inkomens (Verhoging afbouwpercentage kindgebonden budget voor inkomens vanaf € 60.000).16 Hoe verhoudt deze keuze zich tot de voorgenomen kindregeling, waarbij hogere inkomens per saldo relatief meer profiteren dan lagere inkomens?
Het is niet zo dat hogere inkomens per definitie per saldo meer zullen profiteren van de nieuwe kindregeling dan lagere inkomens (zie het antwoord op vraag 3). De afgelopen jaren hebben intensiveringen en koopkrachtmaatregelen eraan bijgedragen dat de kindbedragen van het kindgebonden budget fors zijn verhoogd. Steeds meer gezinnen hebben recht gekregen op het kindgebonden budget. Ook gezinnen met relatief hogere inkomens. Daarom is besloten het kindgebonden budget vanaf € 57.950 (prijspeil 2024) sneller af te bouwen. In de vormgeving van de nieuwe kindregeling zal rekening worden gehouden met het waarborgen van de doelmatigheid.
Vakbonden
12.
De regering benadrukt in de memorie van toelichting van deze begroting het belang van samenwerking met sociale partners en het overleg met hen bij de uitvoering van beleid. Hoe beoordeelt de regering de huidige stand van overleg met vakbonden? Acht zij dit toereikend om de geformuleerde doelstellingen, zoals beschreven in de memorie van toelichting, te realiseren?
13.
Welke gevolgen heeft het uitblijven van deelname van vakbonden aan overleg met de regering voor de uitvoering van de voorliggende begroting SZW-begroting 2026?
14.
Is de regering van mening dat zij een actieve verantwoordelijkheid heeft om vakbonden weer volwaardig aan tafel te krijgen? Zo ja, welke concrete stappen heeft zij daartoe gezet of is zij voornemens te zetten onder andere in het kader van de uitvoering van deze begroting?
Het kabinet heeft goed gehoord wat de bonden zeggen. Het kabinet hoopt uiteraard zo spoedig mogelijk weer met sociale partners in gesprek te komen, want we hechten zeer aan een breed maatschappelijk draagvlak voor de voorgenomen maatregelen op het terrein van de sociale zekerheid. Het kabinet komt daarom vandaag met een brief, waarmee het hoopt vakbonden en werkgevers weer aan tafel te kunnen krijgen.
Het lid van de fractie van 50PLUS heeft naar aanleiding van het debat van 7 april 2026 over de regeringsverklaring nog een aantal openstaande vragen op het gebied van de AOW en pensioenen.17 In het debat is aangegeven dat de Minister van SZW deze vragen per brief zal beantwoorden. Ten behoeve van de volledigheid en gelet op de actualiteit brengt dit lid de vragen opnieuw in dit verslag.
Het plan uit het coalitieakkoord om de AOW-leeftijd te verhogen stuit op veel (maatschappelijke) weerstand, meent dit lid. De Tweede Kamer roept middels de motie van de leden Stoffer en Markuszower daarom op tot verzachting van de voorgenomen versnelde stijging van de AOW-leeftijd.18 De coalitiepartijen steunen deze motie ook, wat betekent dat de regering de plannen moet herzien om de lasten voor ouderen te beperken, meent dit lid. CNV is bijvoorbeeld fel tegenstander van deze motie.19
1.
Er wordt in het Algemeen Dagblad (AD) aangegeven dat er alternatieven zijn voor plannen uit het coalitieakkoord om de AOW-leeftijd te verhogen.20 Klopt deze bewering van het AD? Op welke alternatieven wordt gedoeld en waar liggen deze nu klaar?
In een interview met het AD geeft de Minister van SZW aan dat hij nadrukkelijk aan fiscalisering van de AOW denkt.21 Denkt de regering na over ingrijpen in de AOW-uitkeringen zelf? Zo ja, aan welke maatregelen denkt de regering, naast fiscalisering uit de lijst van de 18e Studiegroep begrotingsruimte22 of de Ombuigingslijst 2025?23 Zo nee, zoekt de regering dan de alternatieven buiten de AOW-uitkeringen zelf? Waar wordt dan aan gedacht?
Het klopt dat het kabinet verschillende alternatieven in beeld aan het brengen is voor de plannen uit het coalitieakkoord om de AOW-leeftijd te verhogen. Het betreft primair alternatieven binnen de inkomensvoorziening ouderen. Het kabinet kijkt hierbij zowel naar de uitgaven- als de inkomstenkant.
Het aan het woord zijnde lid wijst in dit verband op een aantal artikelen en publicaties van deskundigen, die allen laten zien dat de AOW als percentage van het BNP betaalbaar blijft en juist niet stijgt maar zelfs daalt ten opzichte van 1980.24
2.
In de prognoses van het Centraal Plan Bureau voor 2040 (waarin het aandeel van de AOW-uitgaven oploopt tot 5,7% van het BBP) zit zelfs de aanname zit dat de AOW-uitkeringen worden gekoppeld aan de reële loonstijgingen.25 Acht de regering dit niet hoogst onwaarschijnlijk, gezien de weerstand die diverse partijen al hebben met koppeling aan het minimumloon?
Het klopt dat het Centraal Plan Bureau voor de schuldprojectie in 2040 de aanname hanteert dat de AOW-uitkeringen meebewegen met de gemiddelde loonontwikkeling. Het argument van CPB om dit te doen is dat het CPB uitgaat van de «intentie van huidig beleid». En volgens CPB is de intentie van huidig beleid dat de verdeling van welvaart tussen werkenden, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden in de toekomst gelijk blijft. Het CPB is onafhankelijk, en gaat dus zelf over de aannames die zij maken bij hun raming en licht dit toe in hun reactie bij het ESB-artikel «Hogere pensioenleeftijd niet nodig voor beteugeling AOW-uitgaven» (28 april 2026).26 Het kabinet gaat uit van de macro-economische ramingen van het CPB, zoals ook is vastgelegd in de Wet houdbare overheidsfinanciën en wil politisering van de ramingen voorkomen.
Het kabinet zal, zoals de motie-Grinwis/Flach verzoekt, nagaan hoe de AOW-uitgaven als percentage van het bbp zich de komende decennia ontwikkelen indien wordt uitgegaan van een stijging van de hoogte van de AOW conform de wettelijke indexatiesystematiek.
Uit de zelfgekozen persmomenten van het kabinet lijkt het dat de AOW onbetaalbaar dreigt te worden: «Het klinkt boekhouderig, maar de vraag blijft echt hoe we de lasten blijven betalen in de toekomst,» aldus de Minister van SZW. 27
3.
Hoe kan de regering volhouden dat de lasten van de AOW niet meer betaalbaar zijn in de toekomst, als je naar berekeningen van een aantal deskundigen kijkt? Econoom Martin Visser noemt de stijging van de AOW ten opzichte van de zorgkosten «een muis vergeleken met de vergrijzingsolifant die de gezondheidszorg is.»28 Visser stelt dat er geen probleem met de AOW is. Kan de regering aangeven waar het kabinet eventuele knelpunten ziet ten aanzien van de toekomstige betaalbaarheid?
De AOW-uitgaven nemen de komende jaren vanwege de vergrijzing nog steeds toe. Deze uitgaven stijgen van 4,7% bbp in 2025 naar 5,7% bbp in 2040. Daarnaast hebben we te maken met een veranderende situatie in de wereld. Daarom kijkt het kabinet ook naar de AOW-uitgaven.
4.
Het CBS meldt, op basis van cijfers over 2024 van de overheidsfinanciën, dat in 2024 voor het eerst in de geschiedenis de AOW-uitkeringen voor meer dan de helft uit de algemene belastingmiddelen moesten worden betaald.29 Het kwam op dit lid over alsof het een natuurverschijnsel is als gevolg van de vergrijzing. Maar is de regering het eens met dit lid, dat het pure regie is van de wetgever, door het verlagen van de grondslag van de AOW-premie van werkenden?
Met name het verschil in heffingskortingen voor werkenden in de eerste schijf van de inkomstenbelasting ten opzichte van die van uitkeringsgerechtigden en AOW-gerechtigden wordt steeds groter. Hoogleraar Algemene Staatsleer Jos Teunissen legt dit fenomeen al in 2019 uit. Hij noemt het «stiekem belastingen verhogen», en doelt daarmee, volgens dit lid, op de hógere belasting van uitkeringsgerechtigden en AOW-gerechtigden als gevolg van die lágere kortingen.30 Het verschil is inmiddels, zes jaar later, verder toegenomen, volgens het aan het woord zijnde lid. Dit hangt met name samen met de arbeidskorting die ten laste komt van de eerste schijf in de inkomstenbelasting en die feitelijk druk zet op de opbrengst van de AOW-premie. Hierdoor betalen werkenden in de lage en middeninkomens nog slechts circa 40% van de volledige AOW-premie. Dit verklaart dat de financiering van de AOW steeds vaker uit algemene middelen plaatsvindt. Is de regering het eens met de verklaring van dit lid? Waarom wordt deze onderliggende oorzaak van de dalende premie-inkomsten niet expliciet benoemd door de regering?
Dat Nederland vergrijst is onmiskenbaar. AOW-gerechtigden betalen geen AOW-premie, en het tarief van de AOW-premie is gemaximeerd. Als gevolg hiervan stijgen de uitgaven aan de AOW harder dan de opbrengsten van de AOW-premie. Hierdoor wordt een steeds groter deel van de AOW-uitgaven betaald uit de algemene middelen.
Dat neemt niet weg dat naast de vergrijzing inderdaad ook de heffingskortingen en andere fiscale parameters invloed hebben op hoeveel AOW-premie er daadwerkelijk wordt geïnd. Bij de heffingskortingen is het zo dat de arbeidskorting flink is gestegen. Dit jaar is de maximale arbeidskorting 5.685 euro. In 2018 was dat 3.249 euro, een stijging van 75 procent. De maximale algemene heffingskorting steeg in dezelfde periode met 38 procent, en de ouderenkorting met 46 procent. De totale omvang van de heffingskortingen (in gederfde belasting- en premie-inkomsten) steeg met 60 procent. Dat de arbeidskorting harder steeg dan de andere kortingen is terug te zien in het feit dat de omvang van de kortingen voor AOW-gerechtigden met 51 procent steeg, en voor niet-AOW-gerechtigden met 61 procent. De regering publiceert deze omvang van de heffingskortingen tweemaal per jaar bij het vaststellen van de bedragen van de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK), de bijdrage in de kosten van heffingskortingen die het Rijk overmaakt naar de fondsen voor de AOW en de Wet langdurige zorg. Naast de ontwikkeling van de heffingskortingen speelt overigens ook een rol dat voor iedereen geboren in of na 1946 de lengte van de eerste schijf niet volledig wordt geïndexeerd. Ook dit zorgt voor een lagere groei van de grondslag voor het heffen van de premies volksverzekeringen, die immers alleen over de eerste schijf worden geheven.
Het klopt dat heffingskortingen de opbrengst van de premies voor de volksverzekeringen meer dan halveren. De hoogte van de heffingskortingen kan echter niet los worden gezien van de vormgeving van het hele stelsel van inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen. In een stelsel zonder heffingskortingen zouden schijflengtes en tarieven waarschijnlijk sterk afwijken van de huidige situatie, anders zou de belasting- en premiedruk van lage- en middeninkomens sterk toenemen. Het voorkomen van een sterk stijgende premiedruk voor werkenden is in het verleden ook de reden geweest om het tarief van de AOW-premie te maximeren.
5.
Voor de totale belastingdruk van werkenden maakt het niets uit als AOW-gerechtigden weer AOW-premie zouden moeten gaan betalen. Maar de last wordt dan eenzijdig bij AOW-gerechtigden gelegd, omdat zij in het geval van fiscalisering31 veel meer AOW-premie gaan betalen dan werkenden.32 Met name de armere AOW-gerechtigden betalen veel meer vanwege het verlies aan heffingskortingen. Is dit ook de bedoeling?33 Zij betalen dan toch belasting over het kleinste deel van hun pensioen? Is dit beoogd en zo ja, wat is hiervan dan de motivering?
Het lid van de fractie van 50PLUS wijst hierbij op het feit dat AOW-gerechtigden niets meer opbouwen. Zij genieten de AOW-uitkering en hebben daar al in hun werkzame leven voor betaald. Dit lid vraagt de regering wat er wordt gestimuleerd door AOW-gerechtigden opnieuw (zelfs veel meer) AOW-premie te laten betalen dan werkenden? Hoe ziet de regering het voor zich dat AOW-gerechtigden zich aanpassen aan de forse inkomensderving van ongeveer 15% netto? Als het doel is alleen eenzijdig en specifiek ten koste van deze groep een begrotingstekort te dichten, kan de regering dan nog wel spreken over een rechtvaardige belastingheffing? Wat is de motivering om bij alleen deze groep een heffing van nominaal 17,9% neer te leggen?34
Kan de regering aangeven of het risico wordt onderkend dat op grond van artikel 1 en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in combinatie, evenals bij box 3, een rechter tot de beoordeling komt dat er een individuele en buitensporige belasting wordt opgelegd bij een specifieke bevolkingsgroep, zonder fundamenteel en specifiek doel (discriminatie)? Kan de regering hier nog spreken van proportionaliteit?
Bij het in beeld brengen van alternatieven kijkt het kabinet primair naar alternatieven binnen de inkomensvoorziening ouderen aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant. Het kabinet heeft hierbij oog voor de juridische, budgettaire, uitvoerbaarheids- en inkomenseffecten van de verschillende varianten. In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Inkomensvoorziening ouderen worden verschillende beleidsopties waaronder fiscalisering AOW ambtelijk uitgewerkt. Het kabinet zal het IBO dit najaar aan de Tweede Kamer doen toekomen.
6.
Kan de regering reageren op het voorstel van het lid van de fractie van 50PLUS, zoals genoemd in het debat van 7 april 2026, om personen die in Nederland AOW-rechten hebben opgebouwd maar vervolgens terugkeren naar hun land van herkomst, de betaalde AOW-premie in de vorm van een eenmalige afkoop te laten verrekenen?35 Kan de regering daarbij ingaan op de uitvoerbaarheid, de verwachte aantallen betrokken personen en de budgettaire consequenties, en de Sociale Verzekeringsbank hierbij betrekken?
Het voorstel houdt een verplichte afkoop van het toekomstige AOW-pensioen in voor mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben op het moment dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Zij krijgen dan geen AOW-uitkering bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Een dergelijke maatregel brengt met zich dat deze groep op grond van hun nationaliteit anders wordt behandeld dan Nederlanders en het zou tot gevolg hebben dat in feite geen export van een AOW-uitkering voor deze groep mogelijk is. Een dergelijke maatregel is niet in lijn met het Europese recht en het is zeer twijfelachtig of dit wel in lijn is met internationaal recht. In het IBO Inkomensvoorziening ouderen worden wel andere varianten voor afkoop van AOW-rechten ambtelijk verkend. Het kabinet zal het IBO dit najaar aan uw Kamer doen toekomen.
7.
De grote groep gepensioneerden met een aanvullend pensioen heeft ook sinds 2009 een koopkrachtverlies opgelopen, bijvoorbeeld een koopkrachtverlies tot maar liefst 25% bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek36, dat, volgens dit lid, nooit meer «gerepareerd» wordt omdat het pensioenstelsel ingrijpend gewijzigd wordt. De pensioentransitie waar Nederland middenin zit, lijkt volgens dit lid niet goed uit te pakken, terwijl daar bij de wetsbehandeling in de Tweede en Eerste Kamer nadrukkelijk door de oppositie voor is gewaarschuwd.37 Hoe kijkt de regering naar deze ontwikkeling?
Het kabinet gaat niet in op het indexatiebeleid van een specifiek fonds. Onder de regels van het Financieel Toetsingskader (FTK) was het voor veel fondsen vanwege de lagere rente moeilijk om te indexeren omdat zij grotere buffers aan moesten houden. In de transitiefase naar het nieuwe pensioenstelsel, konden fondsen gebruikmaken van een versoepeld indexatieregime indien zij voornemens waren over te stappen naar het nieuwe stelsel. Veel fondsen hebben hiervan de afgelopen jaren gebruikgemaakt en konden daardoor al vooruitlopend op het nieuwe pensioenstelsel meer indexeren voor hun deelnemers. Onder de regels van het nieuwe pensioenstelsel wordt het voor fondsen namelijk eerder mogelijk om bij goede financiële resultaten de uitkeringen te verhogen, omdat er kleinere buffers worden aangehouden. Uit de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – winter 202638 blijkt tevens dat deelnemers van fondsen die over zijn gegaan naar het nieuwe stelsel een gemiddelde verhoging van 14% in hun uitkeringen hebben ontvangen.
8.
Het gevaar voor de transitie zit, volgens dit lid, in het feit dat het invaarmoment afhankelijk is van de rekenrente van het stelsel van de Pensioenwet 2007. De lange termijn rente ligt op dit moment rond 3,6%, het hoogste niveau in 15 jaar. Dit lid tekent aan dat het afrenten op dit renteniveau ook tot oprenten op hetzelfde niveau moet leiden. Dit is met name van belang voor de waardeoverdracht naar het nieuwe stelsel, «invaren» genaamd.
De timing van deze pensioentransitie kan, volgens dit lid, nauwelijks slechter. Pensioenfondsen die vanaf 2027 overgaan op het nieuwe stelsel zullen dat naar alle waarschijnlijkheid doen tegen een aanzienlijk hogere rekenrente. Ziet de regering ook dat dat een direct gevolg heeft? Deelnemers, vooral gepensioneerden, krijgen in 2027 een veel kleiner vermogen overgeboekt ter dekking van hun opgebouwde – maar feitelijk «verdampte» – pensioentoezegging. Dat lagere startvermogen vormt vervolgens de basis voor hun toekomstige pensioen, dat daardoor ook lager uitvalt. Is dat niet simpelweg het onvermijdelijke gevolg van een hogere rekenrente?
Vooralsnog is niet bekend onder welke economische omstandigheden pensioenfondsen vanaf 2027 zullen invaren. Pensioenfondsen dienen bij de overgang naar het nieuwe stelsel rekening te houden met verschillende economische omstandigheden, hoe zich dit vertaalt naar de afgesproken doelstellingen en welke maatregelen fondsen treffen om bepaalde risico’s te mitigeren. Dit is onderdeel van het implementatieplan waarop DNB toeziet. In zijn algemeenheid geldt dat een hogere rente leidt tot een hogere dekkingsgraad. Ook dergelijke scenario’s moeten zijn uitgewerkt door fondsen en in afstemming met sociale partners en deelnemersorganen vastgelegd hoe evenwichtig kan worden overgestapt naar het nieuwe stelsel.
9.
Voor die waardeoverdracht meldde PensioenPro op 13 april 2026 dat de Gas Unie in januari 2026 aandelenputopties en swaptions aangekocht heeft om de dekkingsgraad te beschermen.39 Kan de regering aangeven hoe het de eventuele dreigende kortingen van pensioenen gaat uitleggen?
Het kabinet gaat niet in op het beleggingsbeleid van een individueel fonds. Fondsen hebben de verantwoordelijkheid om hun beleggingsbeleid ten behoeve van deelnemers en gepensioneerden in te richten. DNB houdt hier toezicht op door te controleren of het prudent person beginsel voldoende door fondsen wordt gewaarborgd. Op dit moment zijn er geen signalen over aanstaande kortingen. Zoals ook in antwoord 8 opgemerkt, dienen fondsen bij de overgang naar het nieuwe stelsel rekening te houden met diverse economische scenario’s.
10.
Het AFM en Bas Werker (hoogleraar finance en econometrie) waarschuwden er herhaaldelijk voor dat duidelijk gecommuniceerd moet worden dat onder het nieuwe stelsel grotere verlagingen van de pensioenen kunnen optreden dan onder het oude stelsel met de rekenrente.40 Tot op heden wordt daar, volgens dit lid, geen gehoor aangegeven. Waarom geeft de regering geen gehoor aan deze oproep?
Op de site van pensioenduidelijkheid.nl wordt aangegeven dat fluctuaties in pensioenen kunnen optreden. In het algemeen verwachten pensioenfondsen dat pensioenuitkeringen in het nieuwe stelsel eerder stijgen dan dalen. Maar als de economie jaren achter elkaar tegenzit en de reserve leeg is, kan de pensioenuitkering lager worden. Ook als mensen werken, kan hun pensioenopbouw minder worden als de economie jaren achter elkaar tegenzit. Onder de oude regels kon dit ook gebeuren.
Als de reserve gebruikt is, moet deze weer worden aangevuld. Werkgevers en werknemers hebben hier afspraken over gemaakt. In een heel slecht economisch scenario kan het gebeuren dat de reserve onvoldoende is om verlagingen te voorkomen. Dan kan het pensioen omlaag gaan. Zie ook vraag 4 op de site: Economische ontwikkelingen | Pensioenduidelijkheid.
11.
Is de keuze van de wetgever om de rekenrente en dus de boekhoudkundige koppeling in de Pensioenwet 2007 als uitgangspunt te nemen voor de waardeoverdracht (het invaren) naar de Wet toekomst pensioenen niet verantwoordelijk voor de afhankelijkheid van dat moment van rente en beurzen? Er werd, volgens dit lid, toch juist aangegeven dat men af wilde van het systeem van de rekenrente? Waarom is dat «weggaan» van de rekenrente niet gelukt en is gekozen het invaarmoment met alle onzekerheden over wat het pensioen in de toekomst gaat worden juist te koppelen aan die «vermaledijde» rekenrente?
Dezelfde economische wetmatigheden gelden zowel wanneer niet ingevaren zou zijn en de pensioenopbouw zou zijn voortgezet in het oude stelsel als wanneer wel ingevaren wordt en de pensioenopbouw wordt voortgezet in het nieuwe stelsel. Bij een relatief hoge rentestand zou dus ook een relatief hoog pensioen uitgekeerd kunnen worden, ook al hebben hoge rentestanden meestal een negatieve invloed op het belegde vermogen (door dalende obligatie- en aandelenkoersen). In die zin is er geen sprake van een waterscheiding tussen de dag vóór en de dag na invaren.
Passend binnen de risicohouding van deelnemers en gepensioneerden kan in het nieuwe stelsel de gewenste blootstelling aan aandelen- en renterisico geboden worden. Op deze manier hebben pensioenuitvoerders ook de mogelijkheid om bijvoorbeeld bij relatief hoge dekkingsgraden vóór het moment van invaren al meer renteafdekking in het huidige stelsel toe te gaan passen, zodat deze hoge dekkingsgraden minder gevoelig worden voor de rentestand op het moment van invaren. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
12.
De voorzitter van het ABP, Harmen van Wijnen, zegt «dat «pensioenfondsen er zijn voor de lange termijn»»41 Hoe kijkt de regering naar de koppeling aan korte termijn renteschommelingen en aandelenbewegingen op de beurs in het licht van de logica van bestuursvoorzitter Van Wijnen? Kan hier nog iets aan gedaan worden door de regering? Dit lid wijst in dit verband ook naar het artikel «Karaktermoord» van actuaris Arno Eijgenraam.42
Pensioenfondsen hebben een strategisch beleggingsbeleid voor de lange termijn. Dit is ook logisch, omdat pensioenvermogens decennialang worden opgebouwd om vervolgens tot uitkering te komen. Dit neemt niet weg dat ook pensioenfondsen gevoelig zijn voor korte termijn ontwikkelingen op de financiële markten. Zij hebben dan ook mechanismen om korte termijn schokken op te vangen, bijvoorbeeld door spreiding van schokken of door de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve.
13.
De regering geeft, volgens het aan het woord zijnde lid, steeds aan dat de sociale partners de regels bepalen, maar de regering als medewetgever en zorgplichtdrager ten behoeve van de pensioengerechtigden bepaalt toch de wetgeving en dus de regels? Zo niet, kan de regering dan aangeven waarom dit niet het geval is? Dit lid doelt ook op het feit dat de spelregels voor bepaalde groepen expliciet onrechtvaardig uitpakken. Is de regering het hiermee eens? Wat maakt dat de regering niet ingrijpt?
Een voorbeeld van dit feit ligt in de juridische analyse voor de Tweede Kamer door professor Niek Peters in juni 2024, waarin hij nadrukkelijk waarschuwt voor een inbreuk op het eigendomsrecht zoals genoemd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, als er met vermogens geschoven wordt.43 Op basis van vele transitieplannen gebeurt het tóch dat vermogen van gepensioneerden wordt gebruikt om de pensioenpremies voor werkgevers te verlagen ten koste van het vermogen dat is opgebouwd door gepensioneerden. Herkent de regering dat de waarschuwing van prof. Peters ook hierop kan doelen?
De regering als medewetgever is verantwoordelijk voor het wettelijk kader, het is daarbinnen aan sociale partners om invulling te geven aan de pensioenregeling en de transitie. Door de in de wet opgenomen waarborgen dient de transitie voor alle groepen deelnemers evenwichtig te verlopen en indien bepaalde groepen nadeel ondervinden, dan is daarvoor compensatie geboden.
Professor Peters heeft getoetst of inmenging in het eigendomsrecht gerechtvaardigd is. Aan de voorwaarden voor inmenging van het eigendomsrecht is voldaan, waarmee het gerechtvaardigd is. Dit blijkt uit zowel de analyse van Peters als de onderbouwing en behandeling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Bij de totstandkoming van de Wtp is uitvoerig stilgestaan bij de juridische houdbaarheid van de stelselherziening. Er is een zeer uitgebreid en zorgvuldig wetgevingsproces doorlopen. De Raad van State heeft daarbij geoordeeld dat invaren gerechtvaardigd is en de maatregelen proportioneel zijn.
14.
Het hoorrecht voor gepensioneerden werd, volgens de gepensioneerdenverenigingen, door een aantal pensioenfondsen, waaronder het ABP, niet serieus genomen, waardoor gepensioneerden, volgens hen, geen zeggenschap hebben gehad op wat er gebeurde en nu gebeurt.44 Wat maakt dat de regering niet ingrijpt op deze ontwikkeling? Het mag kennelijk allemaal van de regering, De Nederlandsche Bank als toezichthouder en aangestelde regeringscommissaris.
Draagvlak onder alle betrokken partijen is belangrijk. In het transitieproces zijn daarom meerdere waarborgen ingebouwd. Zo stelt het hoorrecht verenigingen van gepensioneerden en verenigingen van gewezen deelnemers in de gelegenheid een oordeel over het transitieplan van sociale partners te geven. Het betreft arbeidsvoorwaardelijke afspraken en het is dan ook aan de sociale partners, en niet aan het pensioenfonds, het ministerie of de toezichthouder, om het hoorrecht vorm te geven.
Vervolgens wordt het transitieplan, na eventuele aanpassingen naar aanleiding van het hoorrecht, voorgelegd aan achterbannen van werkgevers en bonden. Daarna volgt het verzoek aan het pensioenfonds de opdracht te aanvaarden. In het daaropvolgende traject zullen de werknemers, gepensioneerden en werkgevers opnieuw een rol spelen, bijvoorbeeld aan de hand van het versterkt adviesrecht van de verantwoordingsorganen van pensioenfondsen. Mocht het vervolgtraject ertoe leiden dat in het transitieplan substantiële wijzigingen plaatsvinden, dan worden verenigingen opnieuw in de gelegenheid gesteld het hoorrecht uit te kunnen oefenen. Ook dan geldt dat de wijze waarop dit plaatsvindt vormvrij is en het aan de betrokken sociale partners is om hier invulling aan te geven.
Tot slot dient opgemerkt te worden dat er in 2024 een onafhankelijk onderzoek is uitgevoerd naar de vraag of (1) het hoorrecht in de praktijk voldoet aan de wensen van de deelnemers en (2) of het ook juridisch voldoet. Er zijn drie onafhankelijke onderzoeken uitgevoerd en er is een rondetafelgesprek georganiseerd met een aantal bij het hoorrecht betrokken partijen. Uit deze onderzoeken blijkt dat het hoorrecht een serieus instrument is als onderdeel van de waarborgen voor een evenwichtige transitie en dat het hoorrecht juridisch voldoet. Uw Kamer is uitgebreid geïnformeerd over deze bevindingen met de verzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2024.45
15.
Dit lid vraagt tevens of de regering erkent dat die spelregels van sociale partners toch in hoge mate het beleggingsbeleid van de pensioenfondsen bepalen? Zo nee, waarom niet? Het aan het woord zijnde lid wijst ook op de consequenties die deskundigen schetsen voor pensioengerechtigden, die daardoor gewoon veel lagere pensioenen krijgen.
De regering onderschrijft niet de stelling dat sociale partners in hoge mate het beleggingsbeleid van pensioenfondsen bepalen. Het wettelijk kader schrijft voor dat het bestuur van een pensioenfonds na overleg met de pensioenfondsorganen waarin onder meer deelnemers zijn vertegenwoordigd, zorg draagt voor de vastlegging van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding van het pensioenfonds.46 De beleidsuitgangspunten bevatten onder andere de beleggingsbeginselen van het pensioenfonds (art. 102a Pw). De beleidsuitgangspunten en doelstellingen, waaronder de risicohouding, zijn een uitgangspunt voor vaststelling van het strategisch beleggingsbeleid. Bij de vaststelling van het strategisch beleggingsbeleid dient het pensioenfonds aan te sluiten bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding. De vaststelling van het strategisch beleggingsbeleid door het pensioenfonds dient dan ook gebaseerd te zijn op gedegen onderzoek. DNB ziet op de naleving van deze wettelijke vereisten toe.
Het uitgangspunt hierbij is dat dit beleggingsbeleid in ieder geval in overeenstemming is met de prudent-person regel. Dit houdt in dat de financiële waarden (beleggingen etc.) worden belegd in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden (art. 135 Pw). In ieder geval wordt daarmee bedoeld het financiële belang van deelnemers te waarborgen.
Zo reageerde op 16 april 2026 opnieuw oud-hoofdeconoom van ABN-Amro Han de Jong in Wynia’s Week: «Het duurzaamheidsdenken lijkt inmiddels zo ingebakken te zitten in het DNA, de cultuur en de dagelijkse praktijk bij APG dat het een focus op het behalen van tenminste marktconforme rendementen danig in de weg zit. Feitelijk is APG verworden tot een activistische duurzaamheids-NGO die het beheer van de pensioenen van bijna vijf miljoen mensen als een enigszins irritante nevenactiviteit beschouwt. Activisten hebben meer invloed op het beleggingsbeleid dan de deelnemers aan de pensioenfondsen die de eigenaren van het geld zijn. Door weinig transparantie te verschaffen blijft het onder de deelnemers van de pensioenfondsen rustig. Het zal niet meevallen om de koers van zo’n groot schip te verleggen.»47
De miljoenen pensioengerechtigden bij het ABP zijn nog rustig, omdat, volgens dit lid, het slechte nieuws niet richting hen gecommuniceerd wordt. Mensen weten het niet. Het kabinet doet, volgens dit lid, niets om de beeldvorming te nuanceren en te verhelderen dat het bij het invaren niet uitsluitend om grote verhogingen gaat.
In de Telegraaf van 17 april 2026 berichtte ook Prisco Battes het volgende: «De koerswinsten die pensioenfondsen mislopen door »duurzaam» beleggen lopen in de miljarden. APG vernietigt evenveel kapitaal als er tijdens de financiële crisis van 2008 aan staatssteun moest worden uitgegeven.»48
16.
Hoe kijkt de regering naar de harde feiten van mogelijk flink lagere pensioenen voor miljoenen deelnemers, slapers en gepensioneerden die nog moeten invaren, omdat het verplicht is? Hoe kijkt de regering naar het feit dat hier, volgens dit lid, nauwelijks over wordt gecommuniceerd door de pensioenfondsen, terwijl er wel optimistische verwachtingen worden gewekt waarvan bij «inzoomen» blijkt dat het veel genuanceerder ligt? Wat maakt dat de regering die beelden niet bijstelt, maar juist aanmoedigt?49 Loopt de regering geen gevaar op juridische «zeperds?» Dit lid wijst daarbij ook op het ontwikkelende consumentenrecht. Bedenk daarbij dat de aanvullende pensioenen verplicht zijn en dat de Wet toekomst pensioenen de autonome contractpartij deelnemer, slaper en gepensioneerde, geheel uitschakelt bij de sluiting van de uitkeringsovereenkomsten en het aangaan van de premieovereenkomst zonder behoud van rechten. Zie in dit verband het artikel van Ilona van Mechelen en Anne de Groot in de Actuaris van april 2026.50 Zo nee, waarom niet?
De wetgeving zorgt ervoor dat pensioenuitvoerders deelnemers goed informeren over de (aanstaande) transitie. Het belang hiervan is evident en wordt onderschreven door de Minister. Er is dan ook doorlopend aandacht voor. Zo heeft de Minister afgelopen jaar nog een aantal maatregelen afgekondigd ter verbetering van het draagvlak voor en informatievoorziening over de transitie.51 Over de juridische houdbaarheid van de transitie is eveneens uitgebreid gesproken, hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
17.
In de Tweede Kamer werd de motie Struijs en Van Brenk ingediend om onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door onder anderen niet-Nederlandse deskundigen naar de omvang en oorzaken van de slechtere prestaties van de Nederlandse pensioenfondsen sinds 2020 in vergelijking met de relevante internationale indexen en benchmarks, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren.52 Heeft de regering een verklaring voor uitstellen van het onderzoek? Kan de regering aangeven of er een commissie wordt ingesteld? Zo ja, wat wordt de exacte opdracht, wat is de samenstelling en zullen ook gepensioneerden daarin vertegenwoordigd zijn? Is de regering bereid De Nederlandsche Bank (DNB) als adviseur te betrekken? Wanneer wordt het onderzoek afgerond en wanneer wordt de Eerste Kamer daarover geïnformeerd? Indien geen commissie wordt ingesteld, wat is dan, mede gezien de teleurstellende beleggingsresultaten, de onderbouwing daarvan?
De motie Struijs en Van Brenk (50PLUS) is aangehouden.53 Aan de Tweede Kamer is een brief over rendementen van Nederlandse pensioenfondsen toegezegd.54 Deze zal voor de zomer met de Kamer worden gedeeld. Ik zal een afschrift van deze brief ook aan de Eerste Kamer doen toekomen.
18.
Dit lid diende al op 25 november 2025 twee moties in met het verzoek om halfjaarlijks inzicht te geven in de vermogensontwikkeling van Nederlandse pensioenfondsen, inclusief de achterliggende oorzaken.55 Was het dan niet in het licht van het bovenstaande voor deelnemers van groot belang te weten hoe hun pensioenaanspraken zijn omgezet in pensioenvermogen («het pensioenpotje») en welk feitelijk rendement sinds de transitie is behaald? Zo nee, waarom niet?
Voorafgaand aan het invaren, en ook er na, krijgen deelnemers bij een fonds het transitieoverzicht waarin hen wordt uitgelegd wat hun pensioenaanspraak zou zijn geweest onder de oude regeling. Ook krijgen deelnemers te zien hoeveel hun pensioen wordt onder de regels van het nieuwe stelsel. Om te weten wat het feitelijke rendement is dat een pensioenfonds heeft gehaald, kan worden verwezen naar de jaarverslagen die door het fonds worden gepubliceerd en waar ook uitgebreide informatie kan worden gevonden over de jaarlijkse beleggingsresultaten over het collectieve fondsvermogen. Bovendien maken fondsen op periodieke basis voor de individuele deelnemers inzichtelijk hoe het persoonlijk voor de uitkering gereserveerde vermogen zich heeft ontwikkeld.
19.
De hiervoor genoemde moties benadrukken dat deze informatie actief met deelnemers moet worden gedeeld en verzoeken de regering de ingevaren pensioenfondsen daartoe te verplichten en de Kamers hierover tijdig te informeren. Hoewel deze twee moties zijn aangehouden, onderstrepen recente ontwikkelingen en toenemende berichtgeving ook de noodzaak ervan. Het lid van de 50PLUS-fractie verzoekt daarom om uitvoering van deze aangehouden moties. Kan de regering dit toezeggen?
In de aangehouden moties wordt de regering verzocht om de ingevaren pensioenfondsen te vragen om hun deelnemers informatie te verschaffen over de omzetting van hun pensioenvermogen, alsook om in het algemeen informatie te verstrekken over de ontwikkeling van het vermogen dat ze beheren. Op dit moment ziet het kabinet geen reden om hier additionele actie op te ondernemen, omdat deelnemers door middel van het transitieoverzicht al geïnformeerd worden over de omzetting van hun pensioenvermogens. Financiële resultaten van pensioenfondsen worden jaarlijks gepubliceerd in hun jaarverslagen.
20.
Over de beleggingsresultaten zelf heeft dit lid de volgende vragen: is het beleggingsresultaat van APG negatief 1,6%? Het totaal van de actief beheerde portefeuilles boekte vorig jaar niet de beoogde «sterke outperformance», maar een rendement dat liefst 3,0% achterbleef bij de benchmark. Klopt dat? Is dan het overig rendement negatief 5%? Dit lid wenst graag een toelichting.
Het is niet aan het kabinet om een inhoudelijk oordeel te hebben over de beleggingsresultaten van een specifiek fonds of pensioenuitvoeringsorganisatie. In het jaarverslag van het APG kunt u de beleggingsresultaten alsook de toelichting van deze resultaten vinden. Een pensioenfonds dient een beleggingsbeleid te voeren dat is afgestemd op de doelstellingen van de pensioenregeling en passend bij de risicohouding van de deelnemers. DNB houdt hier toezicht op en het fonds legt hierover verantwoording af aan de deelnemersorganen.
21.
Het aan het woord zijnde lid heeft voorspeld dat het op een complete loterij zou uitdraaien en dat is, volgens dit lid, precies wat er naar alle waarschijnlijkheid gaat gebeuren. Kunnen sociale partners dit zo maar laten gebeuren of heeft het kabinet als medewetgever hier geen eigenstandige verantwoordelijkheid naar haar burgers? Wat gaat de regering doen als het invaren in de Wet toekomst pensioenen inderdaad een loterij is? Welke concrete maatregelen worden genomen om deze grote risico’s te beperken?
Met hetgeen nu gebeurt bij de pensioenfondsen als gevolg van de «wettelijke regels» verdwijnt helaas ook een deel van onze toekomstige belastingopbrengsten. Zelfs bij een bescheiden rendement van 3% over de afgelopen 5 jaar, zou het pensioenvermogen volgens dit lid zijn gestegen tot zo’n 1.950 miljard euro. Hadden alleen de extra inkomsten van dat hogere vermogen, met andere regels zich niet vertaald naar hogere pensioenuitkeringen en persoonlijke pensioenrekeningen? Had je dan niet in de toekomst meer dan voldoende belasting kunnen heffen om de AOW-leeftijd niet te hoeven verhogen? Lijkt dat de regering geen hele wrange conclusie?
Had dan de wet er niet juist voor kunnen zorgen dat de aanvullende pensioenen zouden zorgen voor een «pensioenboost» van onze economie met een knipoog naar de vele reclames en marketting nu van commerciële bedrijven?56 Daar gaat de winst (rendement) naar de private aandeelhouders en niet naar pensioengerechtigden. Kijk naar het lot van de havenpensioenen.57 Vindt de regering dat wenselijk?
De pensioentransitie wordt met grote zorgvuldigheid uitgevoerd door alle betrokken partijen. Over de gemaakte keuzes vindt uitgebreide afstemming en verantwoording plaats. Daarbij geldt bovendien dat er breed draagvlak is voor de plannen die pensioenfondsen uitvoeren. Er is in geen enkel opzicht sprake van een loterij.
Met de pensioentransitie is verder geen sprake van vermogen dat verdwijnt. Al het vermogen blijft binnen het pensioenfonds. Ook is er geen sprake van dat het rendement op het vermogen van het pensioenstelsel, dat toebehoort aan alle deelnemers en gepensioneerden van het pensioenfonds, gebruikt zou kunnen worden voor andere doeleinden, zoals de betaalbaarheid van de AOW.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
De Volkskrant, Plan voor bijna gratis kinderopvang opnieuw uitgesteld, 20 april 2026, geraadpleegd via: https://www.volkskrant.nl/politiek/plan-voor-bijna-gratis-kinderopvang-opnieuw-uitgesteld~bb88a464/
CPB, Analyse coalitieakkoord 2026–2030, februari 2026, p. 13, geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-coalitieakkoord-2026-2030.
De technische invulling bestaat uit een verhoging van het maximale vaste bedrag met 170 euro in 2027 en met 339 euro vanaf 2028. Het variabele bedrag wordt voor alle kinderen met 100 euro verlaagd in 2027 en met 208 euro vanaf 2028.
Dit betreft het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20260407/verslag.
«De alternatieve AOW-plannen liggen allang klaar, maar doen gepensioneerden óók pijn», Laurens Kok, Algemeen Dagblad, 28 februari 2026, geraadpleegd via: https://www.ad.nl/politiek/de-alternatieve-aow-plannen-liggen-allang-klaar-maar-doen-gepensioneerden-ook-pijn~a5dab557/.
«Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen», Laurens Kok en Hans van Soest, Algemeen Dagblad, 11 april 2026, geraadpleegd via: Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen | Nieuws | AD.nl
Rapport 18e Studiegroep Begrotingsruimte, «De toekomst begint nu», 2024, p. 32 en 33, geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/5c71238d-ee9a-43e7-86ff-8fe29bc19938/file
Zie onder meer: «Opinie: coalitiepartijen schatten toekomstige kosten van AOW hoger in dan nodig is», de Volkskrant, geraadpleegd via: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-coalitiepartijen-schatten-toekomstige-kosten-van-aow-hoger-in-dan-nodig-is~becea4c5/, «De AOW wordt helemaal niet onbetaalbaar», Crystal Clear Economics, 22 juli 2025, geraadpleegd via: https://crystalcleareconomics.nl/index.php/2025/07/22/de-aow-wordt-helemaal-niet-onbetaalbaar/, «Ingrijpen in de AOW maakt mensen kwaad en is ook helemaal niet nodig», Wynia’s Week, geraadpleegd via: https://www.wyniasweek.nl/ingrijpen-in-de-aow-maakt-mensen-kwaad-en-is-ook-helemaal-niet-nodig/ en «Nieuw AOW-plan onnodig, want betaalbaarheid is geen probleem», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/martin-visser-nieuw-aow-plan-onnodig-want-betaalbaarheid-is-geen-probleem/ 145542869.html
Rapport 18e Studiegroep Begrotingsruimte, «De toekomst begint nu», 2024, p. 32 en 33, geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/5c71238d-ee9a-43e7-86ff-8fe29bc19938/file
«Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen», Laurens Kok en Hans van Soest, Algemeen Dagblad, 11 april 2026, geraadpleegd via: https://www.ad.nl/politiek/minister-vijlbrief-wil-niemand-pesten-maar-het-mes-gaat-wel-in-de-uitkeringen~a7b312fb/
«Nieuw AOW-plan onnodig, want betaalbaarheid is geen probleem», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/martin-visser-nieuw-aow-plan-onnodig-want-betaalbaarheid-is-geen-probleem/ 145542869.html
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), «AOW voor het eerst meer dan de helft bekostigd uit belastinggeld», 17 juli 2025, geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/29/aow-voor-het-eerst-meer-dan-de-helft-bekostigd-uit-belastinggeld.
Jos Teunissen, «Stiekem belastingen verhogen», Me Judice, 9 april 2019, geraadpleegd via: https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/stiekem-belastingen-verhogen.
Dit betreft het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20260407/verslag.
«Gepensioneerden gaan strijd aan: «Pensioenfonds PMT heeft geld genoeg»», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/gepensioneerden-gaan-strijd-aan-pensioenfonds-pmt-heeft-geld-genoeg
Zie de handelingen van het debat over de Wet Toekomst Pensioenen: Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 32, item 3; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 33, item 2; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 33, item 8; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 34, item 2.
«Ook fonds Gasunie beschermt dekkingsgraad», Pensioen Pro, geraadpleegd via: https://pensioenpro.nl/ook-fonds-gasunie-beschermt-dekkingsgraad/.
Zie onder meer Olaf Boschman. (17 maart, 2026). AFM: communicatie over kans op verlaging in Wtp moet beter. Pensioen Pro, geraadpleegd via: https://pensioenpro.nl/afm-communicatie-over-kans-op-verlaging-in-wtp-moet-beter/ en «Deelnemer heeft recht op realistische communicatie over pensioen», FD.nl, 17 december 2024, geraadpleegd via: https://fd.nl/opinie/1540403/deelnemer-heeft-recht-op-realistische-communicatie-over-pensioen?utm_source en AFM: «Wie 20 jaar pensioen ontvangt, loopt gerede kans een forse daling mee te maken», geraadpleegd via https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2025/okt/tb-bas-werker
Een goed gesprek, Blog Harmen, 22 december 2025, geraadpleegd via: Blog van Harmen: Een goed gesprek | ABP.
Peters, N. e.a., Juridische analyse inzake Motie Joseph over risico’s van invaren, rapport opgesteld in opdracht van de Commissie Parameters (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), 2023, p. 63.
M. van Andel, «APG is verworden tot een activistische duurzaamheids-NGO die het beheer van de pensioenen van vijf miljoen mensen als een enigszins irritante nevenactiviteit beschouwt», Wynia’s Week, 16 april 2026. Zie ook: M. Tamminga, «Het eigen gelijk van pensioengigant ABP kost werknemers bij overheid en onderwijs miljarden», Wynia’s Week, 14 april 2026
Ilona van Mechelen en Anne de Groot, Gemiddelden bestaan niet: het nieuwe stelsel biedt kans om de stap te zetten van model naar mens», Actuaris, april 2026, p. 22–23.
Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen, nr. 268 en Kamerstukken II 2024/25, 36 578, nr. 28.
Toezegging 4800 aan lid Van Brenk tijdens de begrotingsbehandeling 2026, 19 maart 2026: De Kamer ontvangt een brief over beleggingsrendementen van pensioenfondsen.
De Volkskrant, Plan voor bijna gratis kinderopvang opnieuw uitgesteld, 20 april 2026, geraadpleegd via: https://www.volkskrant.nl/politiek/plan-voor-bijna-gratis-kinderopvang-opnieuw-uitgesteld~bb88a464/
CPB, Analyse coalitieakkoord 2026–2030, februari 2026, p. 13, geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-coalitieakkoord-2026-2030.
De technische invulling bestaat uit een verhoging van het maximale vaste bedrag met 170 euro in 2027 en met 339 euro vanaf 2028. Het variabele bedrag wordt voor alle kinderen met 100 euro verlaagd in 2027 en met 208 euro vanaf 2028.
Dit betreft het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20260407/verslag.
«De alternatieve AOW-plannen liggen allang klaar, maar doen gepensioneerden óók pijn», Laurens Kok, Algemeen Dagblad, 28 februari 2026, geraadpleegd via: https://www.ad.nl/politiek/de-alternatieve-aow-plannen-liggen-allang-klaar-maar-doen-gepensioneerden-ook-pijn~a5dab557/.
«Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen», Laurens Kok en Hans van Soest, Algemeen Dagblad, 11 april 2026, geraadpleegd via: Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen | Nieuws | AD.nl
Rapport 18e Studiegroep Begrotingsruimte, «De toekomst begint nu», 2024, p. 32 en 33, geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/5c71238d-ee9a-43e7-86ff-8fe29bc19938/file
Zie onder meer: «Opinie: coalitiepartijen schatten toekomstige kosten van AOW hoger in dan nodig is», de Volkskrant, geraadpleegd via: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-coalitiepartijen-schatten-toekomstige-kosten-van-aow-hoger-in-dan-nodig-is~becea4c5/, «De AOW wordt helemaal niet onbetaalbaar», Crystal Clear Economics, 22 juli 2025, geraadpleegd via: https://crystalcleareconomics.nl/index.php/2025/07/22/de-aow-wordt-helemaal-niet-onbetaalbaar/, «Ingrijpen in de AOW maakt mensen kwaad en is ook helemaal niet nodig», Wynia’s Week, geraadpleegd via: https://www.wyniasweek.nl/ingrijpen-in-de-aow-maakt-mensen-kwaad-en-is-ook-helemaal-niet-nodig/ en «Nieuw AOW-plan onnodig, want betaalbaarheid is geen probleem», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/martin-visser-nieuw-aow-plan-onnodig-want-betaalbaarheid-is-geen-probleem/ 145542869.html
Rapport 18e Studiegroep Begrotingsruimte, «De toekomst begint nu», 2024, p. 32 en 33, geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/5c71238d-ee9a-43e7-86ff-8fe29bc19938/file
«Minister Vijlbrief wil niemand pesten, maar het mes gaat wél in de uitkeringen», Laurens Kok en Hans van Soest, Algemeen Dagblad, 11 april 2026, geraadpleegd via: https://www.ad.nl/politiek/minister-vijlbrief-wil-niemand-pesten-maar-het-mes-gaat-wel-in-de-uitkeringen~a7b312fb/
«Nieuw AOW-plan onnodig, want betaalbaarheid is geen probleem», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/martin-visser-nieuw-aow-plan-onnodig-want-betaalbaarheid-is-geen-probleem/ 145542869.html
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), «AOW voor het eerst meer dan de helft bekostigd uit belastinggeld», 17 juli 2025, geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/29/aow-voor-het-eerst-meer-dan-de-helft-bekostigd-uit-belastinggeld.
Jos Teunissen, «Stiekem belastingen verhogen», Me Judice, 9 april 2019, geraadpleegd via: https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/stiekem-belastingen-verhogen.
Dit betreft het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring, geraadpleegd via: https://www.eerstekamer.nl/verslag/20260407/verslag.
«Gepensioneerden gaan strijd aan: «Pensioenfonds PMT heeft geld genoeg»», De Telegraaf, geraadpleegd via: https://www.telegraaf.nl/financieel/gepensioneerden-gaan-strijd-aan-pensioenfonds-pmt-heeft-geld-genoeg
Zie de handelingen van het debat over de Wet Toekomst Pensioenen: Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 32, item 3; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 33, item 2; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 33, item 8; Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, nr. 34, item 2.
«Ook fonds Gasunie beschermt dekkingsgraad», Pensioen Pro, geraadpleegd via: https://pensioenpro.nl/ook-fonds-gasunie-beschermt-dekkingsgraad/.
Zie onder meer Olaf Boschman. (17 maart, 2026). AFM: communicatie over kans op verlaging in Wtp moet beter. Pensioen Pro, geraadpleegd via: https://pensioenpro.nl/afm-communicatie-over-kans-op-verlaging-in-wtp-moet-beter/ en «Deelnemer heeft recht op realistische communicatie over pensioen», FD.nl, 17 december 2024, geraadpleegd via: https://fd.nl/opinie/1540403/deelnemer-heeft-recht-op-realistische-communicatie-over-pensioen?utm_source en AFM: «Wie 20 jaar pensioen ontvangt, loopt gerede kans een forse daling mee te maken», geraadpleegd via https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2025/okt/tb-bas-werker
Een goed gesprek, Blog Harmen, 22 december 2025, geraadpleegd via: Blog van Harmen: Een goed gesprek | ABP.
Peters, N. e.a., Juridische analyse inzake Motie Joseph over risico’s van invaren, rapport opgesteld in opdracht van de Commissie Parameters (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), 2023, p. 63.
M. van Andel, «APG is verworden tot een activistische duurzaamheids-NGO die het beheer van de pensioenen van vijf miljoen mensen als een enigszins irritante nevenactiviteit beschouwt», Wynia’s Week, 16 april 2026. Zie ook: M. Tamminga, «Het eigen gelijk van pensioengigant ABP kost werknemers bij overheid en onderwijs miljarden», Wynia’s Week, 14 april 2026
Ilona van Mechelen en Anne de Groot, Gemiddelden bestaan niet: het nieuwe stelsel biedt kans om de stap te zetten van model naar mens», Actuaris, april 2026, p. 22–23.
Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen, nr. 268 en Kamerstukken II 2024/25, 36 578, nr. 28.
Toezegging 4800 aan lid Van Brenk tijdens de begrotingsbehandeling 2026, 19 maart 2026: De Kamer ontvangt een brief over beleggingsrendementen van pensioenfondsen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-XV-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.