36 800 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026

36 800 C Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2026

36 600 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2025

C1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 maart 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het Integraal Overzicht Gemeenten en Provincies en Preventief toezicht gemeenten 2026. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 17 februari 2026

  • De antwoordbrief van 24 maart 2026

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 17 februari 2026

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de brieven van 11 juni, 22 september en 2 december 2025 van u en uw ambtsvoorganger met antwoorden op de vragen hoeveel gemeenten in 2026 onder preventief toezicht vallen en het Integraal Overzicht Gemeenten en Provincies.3 De leden van de fractie van de BBB, met aansluiting van het lid van de OPNL-fractie, en de leden van de fractie van de PVV hebben naar aanleiding van deze brieven en het Integraal Overzicht Gemeenten en Provincies nog enkele vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Preventief toezicht

In het Landelijk toezichtverslag 2025 wordt aangegeven dat in 2025 slechts één gemeente, Vlissingen, onder preventief toezicht staat en dat zonder de eenmalige inzet van het surplus van de algemene reserve 26 gemeenten een negatief structureel resultaat zouden hebben en daarmee mogelijk onder preventief toezicht zouden komen te staan.4

Kunt u aan deze leden aangeven welke eerste inschatting de provinciale toezichthouders nu maken van het aantal gemeenten dat in 2026 naar verwachting onder preventief toezicht valt, mede in het licht van het dempen van het zogeheten «ravijnjaar» naar een «daljaar» in 2026, de structurele toevoeging in het gemeentefonds, maar vanaf 2027 ook weer daling van het gemeentefonds?

Op welke termijn verwacht u de Kamer hierover te kunnen informeren indien deze inschatting nog niet beschikbaar is, mede gelet op de informatiebehoefte van gemeenten richting hun meerjarenramingen en de behandeling van de thans in concept zijnde begrotingsstaat gemeentefonds 2026?

Integraal overzicht financiën gemeenten en provincies

De jaarlijkse brief over het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies schetst een overwegend positief beeld van de huidige financiële positie van gemeenten, onder meer op basis van kengetallen als eigen vermogen en solvabiliteit. Tegelijkertijd laat de recente BDO Benchmark Nederlandse Gemeenten 2026, veelzeggend getiteld «Schijn bedriegt», zien dat gemeenten in hun meerjarenbegrotingen tot en met 2029 te maken krijgen met oplopende tekorten en grote onzekerheden over de financiering van maatschappelijke opgaven.5

Waarom zijn deze meerjarige risico’s, de investeringsachterstanden en de gevolgen van eerdere bezuinigingen als gevolg van het «daljaar» en aankomende nieuwe «ravijnjaar» niet explicieter en scherper in het Integraal Overzicht geadresseerd?

Bent u bereid om in toekomstige overzichten structureel aandacht te besteden aan deze langere termijn, in lijn met het uitgangspunt dat financiële informatie realistisch en toekomstgericht moet zijn?

Deelt u de opvatting van de leden van de fractie van de BBB dat de Eerste Kamer haar toetsende rol alleen goed kan vervullen als niet alleen in de «achteruitkijkspiegel» (jaarrekeningen en actuele kengetallen), maar nadrukkelijk ook naar de «weg voor ons», wordt gekeken, met inbegrip van de nog noodzakelijke maatschappelijke investeringen en de blijvende druk op het sociaal domein, jeugdzorg en de woningbouwopgave?

Hoe gaat u borgen dat deze toekomstige opgaven en bijbehorende financieringsrisico’s voortaan integraal en transparant worden meegenomen in de jaarlijkse overzichten?

In de benchmark en signalen vanuit gemeenten komt naar voren dat het verschil tussen begroting en jaarrekening al jaren aanzienlijk is, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant. Gemeenten wijzen daarbij onder meer op planningsoptimisme én op het feit dat zij vaak pas laat in het jaar (via de september- of decembercirculaire) extra rijksmiddelen ontvangen, die zij niet meer verantwoord kunnen bestemmen binnen datzelfde begrotingsjaar. Hoe wilt u dit probleem in de toekomst voorkomen en wat zijn uw mogelijke vervolgstappen?

Welke mogelijkheden ziet u om, in lijn met «helpen in plaats van hinderen», te komen tot het eerder en voorspelbaarder beschikbaar stellen van middelen aan gemeenten, zodat zij deze beter kunnen begroten en besteden?

Acht u het, mede vanuit het oogpunt van transparantie naar gemeenteraden en inwoners, wenselijk dat in het Integraal Overzicht expliciet wordt aangegeven welk deel van de positieve jaarresultaten bij gemeenten feitelijk voortvloeit uit laat toegekende middelen en onderuitputting, en welk deel uit structurele ruimte in het financiële kader? Hoe wilt u dit in toekomstige edities differentiëren?

Herijking verdeling gemeentefonds en tijdpad richting 2027

De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft in zijn tussenbericht over de verdeling van het gemeentefonds vanaf 2027 nadrukkelijk gewezen op de noodzaak van een navolgbare, uitlegbare en kostengeoriënteerde verdeling, in lijn met artikel 7 Financiële verhoudingen wet.6 Tegelijkertijd ontvangen de leden van de fractie van de BBB signalen uit het land dat het resterende tijdpad voor besluitvorming en implementatie van de herijking verdeling gemeentefonds richting 2027 zeer krap is.

Hoe verhouden, in uw ogen, kwaliteit en uitlegbaarheid van het verdeelmodel zich tot de tijdsdruk van het huidige besluitvormingstraject? Acht u het, vanuit goed bestuur, verantwoord om onder deze tijdsdruk ingrijpende herverdeeleffecten door te voeren?

In de afgelopen jaren zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de werking van het nieuwe verdeelmodel van het gemeentefonds, waarbij de conclusie is dat deze onderzoeken slechts beperkte aanleiding geven tot aanpassing van het model.7 Kunt u concreet aangeven welke grotere of kleinere aanpassingen nog in beeld zijn? Kunt u aangeven welke mogelijke uitkomsten in «deel 2» van de adviesaanvraag worden voorzien en op welke momenten ROB, VNG en beide Kamers bestuurlijk en politiek hun licht nog kunnen laten schijnen op deze uitkomsten?8

Uitlegbaarheid was in het eerdere advies van de ROB één van de belangrijkste aandachtspunten rond de herijking van het gemeentefonds. Op welke wijze denkt u de uitlegbaarheid van de uiteindelijke keuzes te toetsen – zowel richting gemeenten en hun inwoners als richting beide Kamers?

Bent u bereid om, vóórdat definitieve besluitvorming plaatsvindt, een afzonderlijke, publiek toegankelijke «uitlegnotitie» of «simulatie-set» beschikbaar te stellen waarin per type gemeente (groot/klein, stedelijk/platteland) de effecten inzichtelijk worden gemaakt?

In de brief van 7 februari 2025 is aangekondigd dat er hoe dan ook in 2027 een stap gezet zal worden in de verdeling van het gemeentefonds.9 Kunt u toelichten welke concrete scenario’s u op dit moment voor ogen heeft voor deze stap in 2027 (bijvoorbeeld: volledige implementatie, gefaseerde invoering, aanvullende flankerende maatregelen) en hoe deze scenario’s zich verhouden tot de uitgangspunten van voorspelbaarheid, uitlegbaarheid en regionale spreiding van lasten en lusten?

In de huidige systematiek zijn er meer dan honderd gemeenten die nog recht hebben op aanvullende middelen via het ingroeipad, terwijl meer dan honderd andere gemeenten lastenverzwaringen tegemoet zien. Deelt u de opvatting van de leden van de fractie van de BBB dat het essentieel is dat alle gemeenten tijdig duidelijkheid hebben over hun financiële kader voor de komende jaren? Hoe wilt u dit realiseren?

Wanneer bent u voornemens het definitieve besluit over voortzetting, aanpassing of beëindiging van het huidige ingroeipad met zowel gemeenten als de Kamers te delen?

U heeft aangegeven dat, indien de onderzoeken niet tot wezenlijke aanpassingen leiden, het bestaande ingroeipad wordt gecontinueerd. Kunt u concreet aangeven welke beslismomenten en welke rol u voor beide Kamers voorziet bij de keuze voor ófwel continuering van het ingroeipad, ófwel een alternatieve ingroeiroute of flankerende maatregelen?

Hoe wordt daarbij geborgd dat het uiteindelijke besluitvormingstraject ook voor raadsleden en inwoners «van buiten» begrijpelijk is, in de geest van de ROB-aanbeveling over navolgbaarheid?

Hoe weegt u de geschetste financiële druk en onzekerheid bij gemeenten – zoals zichtbaar in de BDO-benchmark «Schijn bedriegt» – in relatie tot de bredere opgaven waarvoor gemeenten staan (woningbouw, energietransitie, sociaal domein, uitvoering van rijksbeleid)?10

Bent u bereid om samen met gemeenten, ROB en de Kamers te verkennen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat noodzakelijke maatschappelijke investeringen blijven liggen, in het bijzonder in regio’s waar de financiële draagkracht gering is, zodat een gelijkwaardig speelveld en ontwikkelkansen ontstaat voor zowel stad als platteland?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

In uw brief stelt u: «De netto schuldquote, gecorrigeerd voor doorgeleende gelden, van provincies als groep steeg van – 137% naar – 119%; de provincies trokken meer leningen aan. De schuldquote is negatief omdat provincies meer uitlenen en aan liquide middelen hebben, dan het bedrag dat ze inlenen. De solvabiliteit van alle provincies samen daalde van 73 naar 70 procent.»11 Kunt u aan deze leden aangeven in hoeverre u dit doorlenen van middelen tussen overheden wenselijk acht, mede gelet op de bestaande afspraken over het verplicht schatkistbankieren? Kunt u aangeven in hoeverre de risico’s die met ongelimiteerd doorlenen gepaard gaan bij u in beeld zijn?

Kunt u aangeven hoeveel gemeenten er zijn waarvan de financiële kengetallen, zoals een netto schuldquote rond de 100% of hoger, of een solvabiliteit van lager dan 20%, reden tot enige of substantiële zorg zijn?

Kunt u duiden hoeveel geld provincies, gemeenten en waterschappen in totaal bij elkaar hebben uitstaan bij de NWB en PNG?

In uw brief stelt u dat overleg plaatsvindt met de koepels IPO en VNG. Kunt u aangeven in hoeverre deze privaatrechtelijke organisaties een daadwerkelijk democratisch mandaat hebben om dit overleg te kunnen voeren?

Kunt u de agenda’s en verslagen van alle reeds gevoerde Overhedenoverleggen aan de kamer sturen? Zo nee, waarom niet?

In de toelichting op de trend van financiële overschotten bij de gemeenten de afgelopen jaren stelt u dat er sprake is van te weinig uitvoeringskracht, onder meer ten gevolge van problemen bij het vervullen van vacatures. Ook bij provincies doet zich dit fenomeen voor. Onderkent u het feit dat er sprake is van concurrentie onder overheden bij het werven van personeel? Herkent u daarnaast dat gemeenten en provincies steeds méér beleid maken?

Het Rijk liet de afgelopen jaren een trend zien van fors oplopende kosten van inhuur van extern personeel, waarbij ook de Roemernorm flink fors overschreden werd. Kunt u aangeven of uit de jaarrekeningen van de gemeenten en provincies van de afgelopen jaren een dergelijke trend van steeds hogere kosten voor externe inhuur ook zichtbaar is? Zijn de kosten van externe inhuur daarbij ook stelselmatig hoger dan initieel begroot?

Als realisatie van plannen steeds achterblijft bij de begroting, maar tegelijkertijd wél de kosten van extern personeel flink groeien, wordt er dus minder gerealiseerd tegen hogere uitvoeringskosten. Ziet u mogelijkheden om middels een doelmatigheidsanalyse meer grip te krijgen op de verhouding tussen beleidsambities en uitvoeringskracht?

In uw brief schrijft u dat provincies het afgelopen jaar meer leningen aantrokken. Wat is de reden dat provincies geld zouden willen lenen als ze beschikken over grote financiële reserves en liquide middelen?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2026

Hierbij zend ik u, mede namens de medefondsbeheerder, de Staatssecretaris van Financiën, de antwoorden op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van BBB en PVV van de Eerste Kamer, naar aanleiding van het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies en preventief toezicht 2026.12

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Preventief toezicht

In het Landelijk toezichtverslag 2025 wordt aangegeven dat in 2025 slechts één gemeente, Vlissingen, onder preventief toezicht staat en dat zonder de eenmalige inzet van het surplus van de algemene reserve 26 gemeenten een negatief structureel resultaat zouden hebben en daarmee mogelijk onder preventief toezicht zouden komen te staan.

1.

Kunt u aan deze leden aangeven welke eerste inschatting de provinciale toezichthouders nu maken van het aantal gemeenten dat in 2026 naar verwachting onder preventief toezicht valt, mede in het licht van het dempen van het zogeheten «ravijnjaar» naar een «daljaar» in 2026, de structurele toevoeging in het gemeentefonds, maar vanaf 2027 ook weer daling van het gemeentefonds?

Antwoord:

Uw Kamer is bij brief van 10 februari, met kenmerk 2026-0000030515, geïnformeerd over het aantal preventieve gemeenten in 2026, op basis van een uitvraag onder provinciale toezichthouders. In 2026 staat geen enkele gemeente onder preventief toezicht vanwege de financiën. Wel staan er drie gemeenten onder preventief toezicht vanwege een herindeling op grond van de Wet algemene herindeling (ARHI). Dat zijn Wijdemeren, Best en Oirschot.

2.

Op welke termijn verwacht u de Kamer hierover te kunnen informeren, indien deze inschatting nog niet beschikbaar is, mede gelet op de informatiebehoefte van gemeenten richting hun meerjarenramingen en de behandeling van de thans in concept zijnde begrotingsstaat gemeentefonds 2026?

Antwoord:

Zie het antwoord op de vorige vraag.

Integraal overzicht financiën gemeenten en provincies

De jaarlijkse brief over het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies schetst een overwegend positief beeld van de huidige financiële positie van gemeenten, onder meer op basis van kengetallen als eigen vermogen en solvabiliteit. Tegelijkertijd laat de recente BDO Benchmark Nederlandse Gemeenten 2026, veelzeggend getiteld «Schijn bedriegt», zien dat gemeenten in hun meerjarenbegrotingen tot en met 2029 te maken krijgen met oplopende tekorten en grote onzekerheden over de financiering van maatschappelijke opgaven.

3.

Waarom zijn deze meerjarige risico’s, de investeringsachterstanden en de gevolgen van eerdere bezuinigingen als gevolg van het «daljaar» en aankomende nieuwe «ravijnjaar» niet explicieter en scherper in het Integraal Overzicht geadresseerd?

Antwoord:

Het Integraal Overzicht is bedoeld om het brede gesprek over de bestuurlijke en financiële verhouding met medeoverheden te voeden en te verrijken met betrouwbare cijfers en feiten. De focus ligt hierbij op de realisatie. Het is nadrukkelijk niet het enige relevante document op het terrein van de gemeente- en provinciefinanciën. Zo wijs ik op het door u reeds genoemde toezichtsverslag van provinciale toezichthouders, waarin nadrukkelijk oog is voor risico’s. Jaarlijks wordt bezien hoe het integraal overzicht, binnen de genoemde kaders, kan worden doorontwikkeld om beter te voorzien in de informatiebehoefte van de Kamers. Uitgangspunt hierbij is dat objectieve data worden getoond. Zo is in 2025 een blik vooruit toegevoegd met een weergave van hoe gemeenten in de afgelopen begrotingen de ontwikkeling raamden van solvabiliteit en netto schuldquote, gecorrigeerd voor doorgeleende gelden. Deze raming geeft de gezamenlijke verwachtingen van gemeenten voor de jaren 2025–2028 weer.

Verder werkt het kabinet, naar aanleiding van de adviezen «Afrekenen met disbalans» (maart 2025) en «Meters maken met medebewind» (juli 2025) van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), aan een verkenning van hoe de informatiepositie – en voorziening kan worden verbeterd, en hoe monitoring van medebewindstaken kan bijdragen aan het gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht.13

4.

Bent u bereid om in toekomstige overzichten structureel aandacht te besteden aan deze langere termijn, in lijn met het uitgangspunt dat financiële informatie realistisch en toekomstgericht moet zijn?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 3.

5.

Deelt u de opvatting van de leden van de fractie van de BBB dat de Eerste Kamer haar toetsende rol alleen goed kan vervullen als niet alleen in de «achteruitkijkspiegel» (jaarrekeningen en actuele kengetallen), maar nadrukkelijk ook naar de «weg voor ons», wordt gekeken, met inbegrip van de nog noodzakelijke maatschappelijke investeringen en de blijvende druk op het sociaal domein, jeugdzorg en de woningbouwopgave?

Antwoord:

Zoals aangegeven, is het Integraal Overzicht bedoeld om het brede gesprek over de bestuurlijke en financiële verhouding met medeoverheden te voeden en te verrijken met betrouwbare cijfers en feiten, met de focus op de realisatie. Het is niet het enige relevante document op het terrein van de gemeente- en provinciefinanciën. In algemene zin geldt dat de financiële positie in de toekomst moeilijk te ramen is. Realisaties kunnen anders uitvallen dan begroot. Juist hierom zijn de gerealiseerde cijfers ook van belang. Het kabinet voert regelmatig het gesprek met (koepels van) medeoverheden over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht.

6.

Hoe gaat u borgen dat deze toekomstige opgaven en bijbehorende financieringsrisico’s voortaan integraal en transparant worden meegenomen in de jaarlijkse overzichten?

Antwoord:

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, wordt uw Kamer met verschillende documenten op de hoogte gehouden van aspecten van de gemeentefinanciën, waarvan het Integraal Overzicht op basis van realisatiecijfers inzicht geeft in de financiële positie. In het integraal overzicht is jaarlijks aandacht voor de lastenontwikkeling in het sociaal domein, jeugd en andere terreinen. Ook wordt met het kengetal grondexploitatie, onder financiële positie, gevolgd hoe groot het risico is dat gemeenten als groep lopen op grondexploitatie.

7.

In de benchmark en signalen vanuit gemeenten komt naar voren dat het verschil tussen begroting en jaarrekening al jaren aanzienlijk is, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant. Gemeenten wijzen daarbij onder meer op planningsoptimisme én op het feit dat zij vaak pas laat in het jaar (via de september- of decembercirculaire) extra rijksmiddelen ontvangen, die zij niet meer verantwoord kunnen bestemmen binnen datzelfde begrotingsjaar. Hoe wilt u dit probleem in de toekomst voorkomen en wat zijn uw mogelijke vervolgstappen?

Antwoord:

Het kabinet vindt het uiteraard belangrijk dat gemeenten jaarlijks duidelijkheid hebben over hun financiën, als zij hun begrotingen voorbereiden. Dit is de reden dat de meicirculaire gemeentefonds, waarin gemeenten kunnen lezen wat de gevolgen zijn van de Voorjaarsnotabesluitvorming, uiterlijk 31 mei van het lopende jaar verschijnt. De meeste gemeenten gebruiken deze meicirculaire voor het opstellen van hun begroting voor het daaropvolgende jaar.

Echter, gedurende het jaar kunnen zich externe ontwikkelingen voordoen, waardoor het kabinet besluit om extra middelen aan gemeenten ter beschikking te stellen, zoals bijvoorbeeld in 2020 en 2021 met de COVID-pandemie of in 2022 en 2023 met de ontheemden uit Oekraïne en de energietoelage. Het is in het belang van gemeenten dat deze middelen snel aan hen ter beschikking worden gesteld. In deze jaren 2020–2023 waren dan ook nog relatief hoge betalingen voor het lopend jaar in de decembercirculaire. Dat was in deze jaren ruim 2% van de totale uitkering van het gemeentefonds voor dat jaar, waar dit de afgelopen jaren nog geen 0,5% was. Voor de volledigheid, aan gemeenten uitgekeerde bedragen zijn beleids- en bestedingsvrij. Gemeenten hoeven over deze bedragen geen verantwoording af te leggen aan het Rijk. Het Rijk vordert dan ook geen bedragen terug van gemeenten, mochten de middelen in enig jaar niet tot besteding zijn gekomen.

Verder heeft de politieke dynamiek ook invloed op of er na de Voorjaarsnota besluitvorming nog aanvullende besluitvorming aangaande middelen voor gemeenten plaats vindt. Zo trad in 2024 vlak voor de zomer een nieuw kabinet aan. Deze plannen vonden destijds ook hun weerslag in het toen lopende jaar 2024.

8.

Welke mogelijkheden ziet u om, in lijn met «helpen in plaats van hinderen», te komen tot het eerder en voorspelbaarder beschikbaar stellen van middelen aan gemeenten, zodat zij deze beter kunnen begroten en besteden?

Antwoord:

Zoals bij vraag 7 aangegeven, vindt het kabinet het uiteraard belangrijk dat gemeenten jaarlijks duidelijkheid hebben over hun financiën als zij hun begrotingen voorbereiden. Dit is de reden dat de meicirculaire gemeentefonds, waarin gemeenten kunnen lezen wat de gevolgen zijn van de Voorjaarsnotabesluitvorming, uiterlijk 31 mei van het lopende jaar verschijnt.

Echter soms zijn er onvoorziene externe omstandigheden, of is het de politieke dynamiek waardoor gedurende het jaar nog aanvullende middelen voor het lopende jaar beschikbaar komen.

9.

Acht u het, mede vanuit het oogpunt van transparantie naar gemeenteraden en inwoners, wenselijk dat in het Integraal Overzicht expliciet wordt aangegeven welk deel van de positieve jaarresultaten bij gemeenten feitelijk voortvloeit uit laat toegekende middelen en onderuitputting, en welk deel uit structurele ruimte in het financiële kader? Hoe wilt u dit in toekomstige edities differentiëren?

Antwoord:

Het is op landelijk niveau niet te objectiveren, in welke mate exploitatieresultaten worden beïnvloed door later in het jaar toegekende middelen en onderuitputting, omdat elke gemeente hierin andere omstandigheden heeft en andere keuzes kan maken. Gemeenteraden kunnen hier uiteraard zelf wel inschattingen van vragen aan het college. Zoals bij vraag 7 en 8 opgemerkt, zijn er soms onvoorziene externe omstandigheden of is het de politieke dynamiek, waardoor er gedurende het jaar nog aanvullende middelen voor het lopend jaar beschikbaar komen. In de jaren 2020 tot en met 2023 (Covid, ontheemden Oekraïne, energietoeslag) is bij decembercirculaire nog ruim 2% van de totale uitkering van het gemeentefonds voor dat jaar aan middelen beschikbaar gekomen, waar het de afgelopen jaren nog geen 0,5% was. In de desbetreffende circulaires kunt u zien waarvoor deze middelen beschikbaar zijn gesteld.14

Herijking verdeling gemeentefonds en tijdpad richting 2027

10.

De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft in zijn tussenbericht over de verdeling van het gemeentefonds vanaf 2027 nadrukkelijk gewezen op de noodzaak van een navolgbare, uitlegbare en kostengeoriënteerde verdeling, in lijn met artikel 7 Financiële-verhoudingen wet. Tegelijkertijd ontvangen de leden van de fractie van de BBB signalen uit het land dat het resterende tijdpad voor besluitvorming en implementatie van de herijking verdeling gemeentefonds richting 2027 zeer krap is.

Hoe verhouden, in uw ogen, kwaliteit en uitlegbaarheid van het verdeelmodel zich tot de tijdsdruk van het huidige besluitvormingstraject? Acht u het, vanuit goed bestuur, verantwoord om onder deze tijdsdruk ingrijpende herverdeeleffecten door te voeren?

Antwoord:

Op 3 februari jl. heeft mijn voorganger uw Kamer een afschrift van zijn brief aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) met betrekking tot advies «verdeling algemene uitkering vanaf 2027 – tussenbericht»15 doen toekomen. Zoals u in de bijlage bij deze brief kunt lezen, betreuren we het ook als fondsbeheerders ten zeerste dat de adviesaanvraag niet eerder aan de ROB kon worden voorgelegd.

Zoals ook vermeld in deel twee van de adviesaanvraag aan de ROB16, erkennen onze voorgangers als fondsbeheerders dat het tijdpad krap is. Ook zij hadden dit graag anders gezien. Echter, zoals in de notitie bij het eerste deel van de adviesaanvraag aangegeven, kon dit onderzoek pas in de zomer van 2025 worden opgestart, omdat op dat moment pas de jaarrekeningdata 2024 beschikbaar kwamen. Helaas heeft het onderzoek naar de kostendata meer dan een maand vertraging opgelopen, waardoor de data pas rond begin december gereed waren. Reden voor deze vertraging was onder andere dat veel benaderde gemeenten door werkdruk en personele krapte afzagen van deelname.

Zoals eveneens in de brief bij deel één van de adviesaanvraag aan de ROB vermeld, is in constructief overleg met de ROB bekeken hoe de ROB, ondanks het ontstane krappe tijdspad, zo goed mogelijk kan worden meegenomen in de adviesaanvraag. In dat kader is afgesproken om de adviesaanvraag in twee delen te splitsen. Beide delen heeft uw Kamer inmiddels in afschrift ontvangen. Het eerste deel van de adviesaanvraag was een bijlage bij de brief van 3 februari. Het tweede deel heeft uw Kamer op 16 februari jl. ontvangen. Ook met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is nauw contact en zijn nadere afspraken gemaakt.

Als fondsbeheerders zullen we een besluit nemen over de herziening van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds, na ontvangst van de adviezen van de ROB en de VNG. We zullen uw Kamer dan zo spoedig mogelijk over ons besluit informeren. Om te zorgen dat gemeenten genoeg voorbereidingstijd hebben, zullen zij uiterlijk in de komende meicirculaire worden geïnformeerd over wijzigingen in het verdeelmodel per 1 januari 2027.

11.

In de afgelopen jaren zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de werking van het nieuwe verdeelmodel van het gemeentefonds, waarbij de conclusie is dat deze onderzoeken slechts beperkte aanleiding geven tot aanpassing van het model. Kunt u concreet aangeven, welke grotere of kleinere aanpassingen nog in beeld zijn? Kunt u aangeven welke mogelijke uitkomsten in «deel 2» van de adviesaanvraag worden voorzien en op welke momenten ROB, VNG en beide Kamers bestuurlijk en politiek hun licht nog kunnen laten schijnen op deze uitkomsten?

Antwoord:

Zoals bij de vorige vraag aangegeven, heeft uw Kamer inmiddels de afschriften van de adviesaanvraag aan de ROB ontvangen. De ROB werkt op dit moment aan zijn advies. Ook de VNG zal met een advies komen, nadat de ROB zijn advies heeft uitgebracht. Op basis van het ROB-advies en het VNG-advies zullen we als fondsbeheerders een besluit nemen. We zullen uw Kamer zo spoedig mogelijk, na ontvangst van beide adviezen, over ons besluit informeren.

De ROB adviesaanvraag bevat twee type wijzigingen, ten eerste definitiewijzigingen en ten tweede voorstellen voor aanpassing van de verdeling binnen een cluster.

Het gaat om twee definitiewijzigingen, namelijk de aanpassing van de definities van de maatstaven Niet-westerse migranten en Huishoudens laag inkomen met drempel. Voor beide maatstaven geldt dat op een nieuwe maatstaf moet worden overgegaan. Voor de maatstaf Niet-westerse migranten geldt dat deze komt te vervallen. Voor de maatstaf Huishoudens laag inkomen met drempel geldt dat de huidige definitie van de drempel niet goed uitlegbaar is, aangezien de drempel uitgedrukt in aantal woonruimten groepen bevat die niet meetellen bij het aantal huishoudens met een laag inkomen. Bij deze definitiewijzigingen is voor ons van belang dat er zo min mogelijk herverdeeleffecten zijn.

Daarnaast bevat deel twee van de adviesaanvraag een voorstel voor de nieuwe verdeling van de clusters Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en Jeugd van het gemeentefonds per 1 januari 2027 en de omvang van het bedrag van de verevening van de Overige eigen middelen en de Onroerendezaakbelasting (OZB). Alleen voor het cluster Jeugd is gekomen tot een alternatief verdeelvoorstel. Voor de clusters Wmo en de Overige Eigen Middelen is niet tot een herzien verdeelvoorstel gekomen. Wat betreft de Overige eigen middelen ligt nog wel de vraag voor of het bedrag dat moet worden verevend, moet worden verlaagd dan wel afgeschaft.

Zoals ook in de adviesaanvraag aangegeven, is het voor ons als fondsbeheerders van belang eerst de reflecties van de ROB en van de VNG te vernemen alvorens de vraag te beantwoorden of de verdeling van het cluster Jeugd wordt aangepast.

12.

Uitlegbaarheid was in het eerdere advies van de ROB één van de belangrijkste aandachtspunten rond de herijking van het gemeentefonds. Op welke wijze denkt u de uitlegbaarheid van de uiteindelijke keuzes te toetsen – zowel richting gemeenten en hun inwoners als richting beide Kamers?

Antwoord:

Uitlegbaarheid is inderdaad een belangrijk aandachtspunt. Het gaat er hierbij om dat de onderzoeksresultaten ook uitlegbaar zijn vanuit de leefwereld. Zoals in deel twee van de adviesaanvraag aan de ROB hoofdstuk 4.1 vermeld, is daarom in zowel de begeleidingscommissie als de expertgroep gekeken naar de uitlegbaarheid. Zoals u in deel twee van de adviesaanvraag in hoofdstuk 4.3.1 kunt lezen zijn de doorgerekende varianten voor de clusters Wmo en Jeugd in overleg met de begeleidingscommissie en de expertgroep tot stand gekomen.

13.

Bent u bereid om, vóórdat definitieve besluitvorming plaatsvindt, een afzonderlijke, publiek toegankelijke «uitlegnotitie» of «simulatie-set» beschikbaar te stellen waarin per type gemeente (groot/klein, stedelijk/platteland) de effecten inzichtelijk worden gemaakt?

Antwoord:

De definitieve besluitvorming over het nieuwe verdeelvoorstel is aan uw Kamer. Mocht u in het kader van uw besluitvorming te zijner tijd behoefte hebben aan specifieke informatie, ben ik natuurlijk altijd bereid, zo goed als in mijn vermogen ligt, aan uw informatiebehoefte tegemoet te komen.

14.

In de brief van 7 februari 2025 is aangekondigd dat er hoe dan ook in 2027 een stap gezet zal worden in de verdeling van het gemeentefonds. Kunt u toelichten welke concrete scenario’s u op dit moment voor ogen heeft voor deze stap in 2027 (bijvoorbeeld: volledige implementatie, gefaseerde invoering, aanvullende flankerende maatregelen) en hoe deze scenario’s zich verhouden tot de uitgangspunten van voorspelbaarheid, uitlegbaarheid en regionale spreiding van lasten en lusten?

Antwoord:

Zoals bij vraag 10 en 11 reeds aangegeven, zullen we als fondsbeheerders op basis van het ROB-advies en het VNG-advies een besluit nemen over aanpassingen per 1 januari 2027. Dit betreft ook de besluitvorming over het ingroeipad. We zullen uw Kamer zo spoedig mogelijk, na ontvangst van beide adviezen, over ons besluit informeren.

15.

In de huidige systematiek zijn er meer dan honderd gemeenten die nog recht hebben op aanvullende middelen via het ingroeipad, terwijl meer dan honderd andere gemeenten lastenverzwaringen tegemoet zien. Deelt u de opvatting van de leden van de fractie van de BBB dat het essentieel is dat alle gemeenten tijdig duidelijkheid hebben over hun financiële kader voor de komende jaren? Hoe wilt u dit realiseren?

Antwoord:

Ja, deze opvatting deel ik met u. Daarom, zoals reeds bij vraag 10 aangegeven, zullen gemeenten uiterlijk in de komende meicirculaire worden geïnformeerd over wijzigingen in het verdeelmodel per 1 januari 2027. De meeste gemeenten gebruiken deze meicirculaire voor het opstellen van hun begroting voor het daaropvolgende jaar.

16.

Wanneer bent u voornemens het definitieve besluit over voortzetting, aanpassing of beëindiging van het huidige ingroeipad met zowel gemeenten als de Kamers te delen?

Antwoord:

Zoals bij vraag 14 aangegeven, zullen we als fondsbeheerders op basis van het ROB-advies en het VNG-advies een besluit nemen over aanpassingen per 1 januari 2027. Dit betreft ook de besluitvorming over het ingroeipad. We zullen uw Kamer zo spoedig mogelijk, na ontvangst van beide adviezen, over ons besluit informeren.

Zoals bij vraag 10 en 15 aangegeven, zullen gemeenten uiterlijk in de komende meicirculaire worden geïnformeerd over wijzigingen in het verdeelmodel per 1 januari 2027.

17.

U heeft aangegeven dat, indien de onderzoeken niet tot wezenlijke aanpassingen leiden, het bestaande ingroeipad wordt gecontinueerd. Kunt u concreet aangeven welke beslismomenten en welke rol u voor beide Kamers voorziet bij de keuze voor ófwel continuering van het ingroeipad, ófwel een alternatieve ingroeiroute of flankerende maatregelen?

Antwoord:

Zoals bij vraag 13 aangegeven, is de definitieve besluitvorming over het nieuwe verdeelvoorstel inclusief het bijbehorende ingroeipad aan uw Kamer. Zoals bij vraag 14 en 16 aangegeven, zullen we u als fondsbeheerders over ons besluit zo spoedig mogelijk na ontvangst van de adviezen van de ROB en de VNG informeren.

18.

Hoe wordt daarbij geborgd dat het uiteindelijke besluitvormingstraject ook voor raadsleden en inwoners «van buiten» begrijpelijk is, in de geest van de ROB-aanbeveling over navolgbaarheid?

Antwoord:

Als fondsbeheerders trachten we het gehele proces zo transparant mogelijk in te richten. Daarom zijn in deel twee van de adviesaanvraag aan de ROB ook expliciet de opmerkingen van de begeleidingscommissie en de expertgroep opgenomen. Verder zijn daarom de ROB adviesaanvragen deel één en deel twee openbaar gemaakt. Tevens zullen de adviezen van de VNG en de ROB en de reactie van ons als fondsbeheerders daarop eveneens openbaar worden gemaakt.

19.

Hoe weegt u de geschetste financiële druk en onzekerheid bij gemeenten – zoals zichtbaar in de BDO-benchmark «Schijn bedriegt» – in relatie tot de bredere opgaven waarvoor gemeenten staan (woningbouw, energietransitie, sociaal domein, uitvoering van rijksbeleid)?

Antwoord:

Als medebeheerder van het Gemeentefonds – samen met de Staatssecretaris van Financiën – ben ik er scherp op dat er voor gemeenten een goede balans bestaat tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Het coalitieakkoord memoreert dat goede interbestuurlijke verhoudingen essentieel zijn om de grote maatschappelijke vraagstukken effectief aan te pakken. Het kabinet verkent met medeoverheden hoe afspraken en een gezamenlijke aanpak kunnen bijdragen aan maatschappelijke opgaven.

20.

Bent u bereid om samen met gemeenten, ROB en de Kamers te verkennen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat noodzakelijke maatschappelijke investeringen blijven liggen, in het bijzonder in regio’s waar de financiële draagkracht gering is, zodat een gelijkwaardig speelveld en ontwikkelkansen ontstaat voor zowel stad als platteland?

Antwoord:

Het kabinet heeft de ambitie om met regio’s te werken aan strategische agenda’s. In veel regio’s is het Rijk al als partner aanwezig om samen met medeoverheden en andere partijen te werken aan oplossingen voor de aanpak van (vaak een stapeling van) opgaven. Als voorbeeld noem ik het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR). Het NPVR is erop gericht om samen met elf specifieke regio’s aan de randen van het land langjarige agenda’s op te stellen. Daarnaast worden signalen opgehaald het NPVR, andere gebiedsgerichte aanpakken zoals NOVEX en het NPLV en vanuit regio’s, gemeenten en provincies om de beleids- en investeringslogica van het rijk door te ontwikkelen. Een ander voorbeeld is de Rural Policy Review, die thans op verzoek van het Ministerie van LVVN door de EU in samenwerking met de OESO wordt uitgewerkt, om de kansen die het platteland biedt te benutten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

21.

In uw brief stelt u: «De netto schuldquote, gecorrigeerd voor doorgeleende gelden, van provincies als groep steeg van – 137% naar – 119%; de provincies trokken meer leningen aan. De schuldquote is negatief omdat provincies meer uitlenen en aan liquide middelen hebben, dan het bedrag dat ze inlenen. De solvabiliteit van alle provincies samen daalde van 73 naar 70 procent.»17 Kunt u aan deze leden aangeven in hoeverre u dit doorlenen van middelen tussen overheden wenselijk acht, mede gelet op de bestaande afspraken over het verplicht schatkistbankieren? Kunt u aangeven in hoeverre de risico’s die met ongelimiteerd doorlenen gepaard gaan bij u in beeld zijn?

Antwoord:

Op grond van de Wet Financiering decentrale overheden (Fido) mogen gemeenten en provincies ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen. Daarnaast mogen gemeenten en provincies hun liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat openbare lichamen geen leningen kunnen verstrekken aan openbare lichamen ten aanzien waarvan zij met het financiële toezicht zijn belast. Voor het overige houden zij hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aan. Over het algemeen geldt dat gemeenten en provincies hun belangrijkste risico’s opnemen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicomanagement van hun begroting en deze risico’s afzetten tegen de aanwezige buffer (weerstandscapaciteit). De provinciale financiële toezichthouders toetsen dit bij gemeenten en BZK bij provincies.

22.

Kunt u aangeven hoeveel gemeenten er zijn waarvan de financiële kengetallen, zoals een netto schuldquote rond de 100% of hoger, of een solvabiliteit van lager dan 20%, reden tot enige of substantiële zorg zijn?

Antwoord:

Op basis van de jaarrekening 2024 zijn er 25 gemeenten met een solvabiliteit lager dan 20% en 10 gemeenten met een netto schuldquote van meer dan 100%. Op zichzelf is een lage solvabiliteit of hoge schuldquote geen reden van zorg; kengetallen moeten altijd in samenhang worden bezien. Zoals hierboven gemeld, staan er in 2026 geen gemeenten vanwege de financiën onder preventief toezicht.

23.

Kunt u duiden hoeveel geld provincies, gemeenten en waterschappen in totaal bij elkaar hebben uitstaan bij de NWB en PNG?

Antwoord:

Ik beschik niet over (macro) cijfers over de omvang van de uitzettingen van publieke lichamen bij de NWB en BNG. Zolang voldaan wordt aan de vereisten van de Wet Financiering decentrale overheden (Fido), gaan de decentrale overheden hier zelf over.

24.

In uw brief stelt u dat overleg plaatsvindt met de koepels IPO en VNG. Kunt u aangeven in hoeverre deze privaatrechtelijke organisaties een daadwerkelijk democratisch mandaat hebben om dit overleg te kunnen voeren?

Antwoord:

Overleg tussen deze koepels en het Rijk vindt al heel lang plaats. Dit is in 1994 ook in de Gemeentewet opgenomen (art. 114). Dit was blijkens de toelichting al bestaande praktijk en kon worden voortgezet. (Kamerstukken II, 1985–1986, 19 403, nr. 3, p. 25). De overlegverplichting is op hetzelfde moment in de Provinciewet opgenomen. De besluitvorming van regering en parlement is democratisch ingebed. De VNG en het IPO binden hun leden niet, maar representeren hen in overleg met het Rijk.

25.

Kunt u de agenda’s en verslagen van alle reeds gevoerde Overhedenoverleggen aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De agenda’s van reeds gevoerde Overhedenoverleggen kunnen wij met uw Kamer delen, zie bijlage. Verder wordt er bij een Overhedenoverleg gewerkt met een afsprakenlijst en wordt er geen verslag gemaakt. Na een Overhedenoverleg worden indien van belang de uitkomsten van een Overhedenoverleg met beide Kamers gedeeld via een Kamerbrief (zie Kamerstukken 33 047, nr. 30; 33 047, nr. 30; 36 600 VII, nr. 136).

26.

In de toelichting op de trend van financiële overschotten bij de gemeenten de afgelopen jaren stelt u dat er sprake is van te weinig uitvoeringskracht, onder meer ten gevolge van problemen bij het vervullen van vacatures. Ook bij provincies doet zich dit fenomeen voor. Onderkent u het feit dat er sprake is van concurrentie onder overheden bij het werven van personeel? Herkent u daarnaast dat gemeenten en provincies steeds méér beleid maken?

Antwoord:

Het is mij bekend dat de personeelskrapte ook leidt tot concurrentie tussen overheden. Zo besteedt het AenO fonds Gemeenten er in zijn Personeelsmonitor aandacht aan. In algemene zin is het takenpakket van vooral gemeenten de laatste jaren gegroeid.

27.

Het Rijk liet de afgelopen jaren een trend zien van fors oplopende kosten van inhuur van extern personeel, waarbij ook de Roemernorm flink fors overschreden werd. Kunt u aangeven of uit de jaarrekeningen van de gemeenten en provincies van de afgelopen jaren een dergelijke trend van steeds hogere kosten voor externe inhuur ook zichtbaar is? Zijn de kosten van externe inhuur daarbij ook stelselmatig hoger dan initieel begroot?

Antwoord:

Hieronder treft u de totale begrote en gerealiseerde lasten op externe inhuur van gemeenten en provincies, op basis van door deze organisaties aangeleverde Iv3-data.

Tabel 1. Begrote en gerealiseerde inhuur gemeenten (€ mln.)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

BEGROOT

630

710

761

805

791

809

808

932

GEREALISEERD

1.837

1.925

2.030

2.061

2.332

2.595

2.975

3.145

AFWIJKING

291%

271%

267%

256%

295%

321%

368%

337%

Tabel 2. Begrote en gerealiseerde inhuur provincies (€ mln.)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

BEGROOT

48

45

59

54

68

71

78

63

GEREALISEERD

151

160

180

201

168

189

210

226

AFWIJKING

311%

353%

307%

374%

248%

266%

270%

360%

28.

Als realisatie van plannen steeds achterblijft bij de begroting, maar tegelijkertijd wél de kosten van extern personeel flink groeien, wordt er dus minder gerealiseerd tegen hogere uitvoeringskosten. Ziet u mogelijkheden om middels een doelmatigheidsanalyse meer grip te krijgen op de verhouding tussen beleidsambities en uitvoeringskracht?

Antwoord:

Die afweging is aan gemeenten en provincies zelf. Lokale rekenkamers kijken naar doelmatigheid van decentrale overheden.

29.

In uw brief schrijft u dat provincies het afgelopen jaar meer leningen aantrokken. Wat is de reden dat provincies geld zouden willen lenen als ze beschikken over grote financiële reserves en liquide middelen?

Antwoord:

Als groep hebben provincies een liquiditeitsoverschot, maar dit is niet gelijk verdeeld over alle provincies. Provincies met minder liquiditeit moeten wel schulden aangaan om investeringen te doen, wat bijdraagt aan groei van de totale schuld. In algemene zin is de afweging van hoe wordt gefinancierd, aan provincies zelf. Het Ministerie van BZK toetst als toezichthouder of begrotingen reëel en structureel in evenwicht zijn. Dit is in 2026 het geval.

BIJLAGEN

Volgnummer

Naam

Classificatie

1

Agenda Overhedenoverleg 21 november 2024

2

Agenda Overhedenoverleg 17 maart 2025

3

Agenda Overhedenoverleg 16 april 2025


X Noot
1

De letter C heeft alleen betrekking op 36 800 B.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25 36 600 B, M. Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, P. Kamerstukken I 2025/26, 36 800 B/36 800 C, B.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 36 600 B/36 600 C, 48.

X Noot
5

BDO-Benchmark Nederlandse Gemeenten 2026: https://www.bdo.nl/nl-nl/branches/overheid/benchmark-gemeenten

X Noot
7

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.

X Noot
8

Brief Minister van BZK: Tussenbericht ROB over verdeling algemene uitkering gemeentefonds vanaf 2027 (179786).

X Noot
9

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 B/36 800 C, p. 3.

X Noot
12

Kenmerk 179887

X Noot
13

Kamerstukken 2025–2026, 33 047, nr. 43

X Noot
15

Tweede Kamer, 2025–2026, 36 800 B, nr. 17

X Noot
16

Tweede Kamer, 2025–2026, 36 800 B, nr. 18

X Noot
17

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.


X Noot
1

De letter C heeft alleen betrekking op 36 800 B.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25 36 600 B, M. Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, P. Kamerstukken I 2025/26, 36 800 B/36 800 C, B.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 36 600 B/36 600 C, 48.

X Noot
5

BDO-Benchmark Nederlandse Gemeenten 2026: https://www.bdo.nl/nl-nl/branches/overheid/benchmark-gemeenten

X Noot
7

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.

X Noot
8

Brief Minister van BZK: Tussenbericht ROB over verdeling algemene uitkering gemeentefonds vanaf 2027 (179786).

X Noot
9

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 B/36 800 C, p. 3.

X Noot
12

Kenmerk 179887

X Noot
13

Kamerstukken 2025–2026, 33 047, nr. 43

X Noot
15

Tweede Kamer, 2025–2026, 36 800 B, nr. 17

X Noot
16

Tweede Kamer, 2025–2026, 36 800 B, nr. 18

X Noot
17

Kamerstukken I 2024/25, 29 362/36 000 B, R.

Naar boven