Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2025
Met deze brief doe ik u een antwoord toekomen op de vraag van de heer Janssen (SP),
tijdens het plenaire debat over de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 april 2025, om bij de provinciale financiële toezichthouders
na te vragen wat hun verwachtingen zijn ten aanzien van het aantal gemeenten dat in
2026 onder preventief toezicht zal komen te staan.
Ik heb, evenals de provinciale financiële toezichthouders, gesignaleerd dat een toenemend
aantal gemeenten geen sluitend meerjarenperspectief 2026–2028 heeft gepresenteerd.
Zoals ik ook tijdens het debat heb aangegeven, geeft op basis van de huidige meerjarenramingen
2026–2028 68% van de gemeenten aan dat ze het jaar 2026 niet kunnen rondkrijgen. Dat
betekent dat structurele lasten niet geheel worden gedekt door structurele baten.
Ook voor de jaren daarna liggen die cijfers rond de 60%, waar deze in het verleden
rond de 30% lagen. Daar zit dus zeker een zichtbare zorg en daar ben ik van doordrongen.
Tegelijkertijd zien we de afgelopen jaren dat begrote tekorten niet altijd gerealiseerd
worden. Waar gemeenten tekorten in de begroting raamden, sloten ze het jaar uiteindelijk
in de jaarrekening af met overschotten. De afgelopen jaren lieten de gemeenten gezamenlijk
overschotten zien met een bandbreedte van € 1,7–€ 3,7 miljard per jaar, doordat niet
alle middelen in het begrotingsjaar tot besteding kwamen.
In bovengenoemde meerjarenramingen 2026–2028 is bovendien nog geen rekening gehouden
met de in de Voorjaarsnota 20251 extra vrijgemaakte middelen voor gemeenten. Dit betekent voor 2025 tot en met 2027
dat er circa 3 miljard euro cumulatief voor gemeenten beschikbaar komt voor jeugdzorg
en voor de terugval in 2026 in het gemeentefonds.
Ten aanzien van het aantal preventieve gemeenten in 2026 hebben de provinciale toezichthouders
aangegeven dat het nu nog te vroeg is om hiervan een inschatting te maken. Gemeenten
zijn immers nu nog bezig met het opstellen van hun begroting voor 2026 en dus nog
in de gelegenheid om bij te sturen. Daarbij geldt dat elke gemeente zelf verantwoordelijk
is voor haar eigen financieel beleid en beheer. De meerwaarde van het financieel toezicht
is dat het een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van de democratische horizontale
verantwoording en de sturing en controle door de raad. Onderdeel van deze meerwaarde
is de onafhankelijke positie van de toezichthouder en diens breder inzicht in problematiek
en ontwikkelingen, waar meerdere gemeenten mee geconfronteerd worden. Financieel toezicht
is een onderdeel van de «checks and balances» rondom de gemeentelijke financiën. De
toezichthouder versterkt het inzicht in de stand van zaken van de gemeentelijke financiën
als geheel en geeft signalen af ten behoeve van het publiek debat. Toezicht houden
is niet zo zeer «bemoeien met», maar veeleer «betrokken zijn bij». Het gaat om een
constructieve dialoog, waarin betrokken partijen met behoud van ieders rol en verantwoordelijkheid
elkaar aanspreken en kritisch bevragen.
De definitieve beoordeling of er sprake is van structureel en reëel evenwicht in begrotingen
2026 (en dus van preventief toezicht of niet) door de provinciale toezichthouders
vindt plaats na vaststelling van de begrotingen (voor 15 november) door de gemeenteraad.
Daar nu al op vooruitlopen, kan de bovengenoemde rol en meerwaarde van de financiële
toezichthouders doorkruisen. Ook moeten eerst de betreffende gemeenten door de toezichthouders
geïnformeerd worden, alvorens dit breder wordt gecommuniceerd. Begin 2026 is een overall
beeld te maken van het aantal preventieve gemeenten over 2026.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark