36 748 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)

G TWEEDE VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 29 mei 2026

Inleiding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag. Deze leden hebben naar aanleiding van de antwoorden van de regering en het gesprek met deskundigen op 19 mei 2026 nog een aantal belangrijke vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag over de Wet werkelijk rendement box 3. Deze leden hebben naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag nog een aantal vervolgvragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en waarderen de voortvarendheid waarmee de regering de vragen heeft beantwoord. In aanvulling daarop hebben de leden van de VVD-fractie nog enkele nadere vragen, met name gericht op de uitvoerbaarheid, het invoeringspad en de juridische houdbaarheid van het voorstel. De leden van de ChristenUnie-fractie sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag aangaande de Wet werkelijk rendement box 3. Deze leden waarderen de inspanningen van de regering om te komen tot dit wetsvoorstel en vertrouwen op een voorspoedige behandeling. Naar aanleiding van de beantwoording en de deskundigenbijeenkomsten van afgelopen week hebben deze leden nog een aantal vervolgvragen.

De leden van de CDA-fractie en het lid van de fractie van 50PLUS hebben met interesse kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag «Wet werkelijk rendement Box 3». Naar aanleiding van de Nota naar aanleiding van het Verslag hebben de leden van deze fracties gezamenlijk nog enkele aanvullende vragen.

De leden van de SP-fractie danken de regering voor de nota naar aanleiding van het verslag en hebben nog enkele vervolgvragen voor de regering.

De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en willen hierover graag enkele zaken nader toegelicht zien.

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag van de regering om de wet op de inkomstenbelasting te veranderen voor box 3. Dat geeft de betreffende leden aanleiding tot een aantal vragen.

De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag van de Wet werkelijk rendement Box 3. Deze leden stellen de duidelijke en complete antwoorden op de door de Kamer gestelde vragen op prijs. Desalniettemin hebben de betreffende leden nog een aantal vervolgvragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA stellen vast dat iedereen blij is dat er gewerkt wordt aan een nieuw stelsel voor vermogensbelasting, om zo alle onzekerheden en onduidelijkheden tot een einde te brengen. De overgangsregeling, de tegenbewijsregeling, heeft grote bezwaren, en dient daarom zo kort mogelijk te duren. De overgangsregeling is namelijk complex en roept veel vragen over rechtvaardigheid bij betrokken op, menen deze leden.

In de Tweede Kamer zijn moties aangenomen om het voorliggende wetsvoorstel met een hybride systeem met vermogensaanwasbelasting (VAB) en vermogenswinstbelasting (VWB) zo spoedig mogelijk na invoering in 2028 te vervangen door een volledige vermogenswinstbelasting.2 Dat zou betekenen dat het voorliggend wetsvoorstel een tweede tijdelijke overgangsregeling betreft, menen de aan het woord zijnde leden. Kan de regering aangeven hoelang deze periode minimaal en maximaal zou duren? Na alle chaos en rechtsonzekerheid van de laatste jaren zou het, volgens deze leden, wenselijk zijn niet weer enkele jaren in een overgangssituatie de geraken. Deze leden vragen de regering welke inhoudelijke hobbels nog moeten worden genomen om een volledige VWB in te kunnen voeren. In hoeverre acht de regering invoering van een volledige VWB op korte termijn realistisch, mede nu hierover in de Tweede Kamer nog geen uitvoerige inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden? De vragen die dit oproept bij deze leden, sluiten aan bij verschillende aandachtspunten die ook tijdens de deskundigenbijeenkomst naar voren zijn gebracht.

Allereerst vragen deze leden of de regering de opvatting van verschillende deskundigen onderschrijft dat dat een VWB en een VAB op principieel niveau tot dezelfde uitkomst leiden, zowel voor burgers als voor de overheid, omdat in beide stelsels hetzelfde tarief geldt en de structurele opbrengst voor de overheid daarmee gelijk zou moeten zijn. Ook de Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024 vastgesteld dat waardestijging als winst of rendement kan worden aangemerkt.3 Uiteindelijk bestaat er volgens deze leden dus geen principieel verschil tussen een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting. Onderschrijft de regering deze redenering, of is dit een niet nader onderbouwd «droombeeld»?

Er zijn immers in de praktijk wel grote verschillen, menen deze leden. Het belangrijkste verschil dat wordt genoemd is dat bij een VWB de heffing pas bij verkoop plaatsvindt, en de burger daardoor geprikkeld wordt de winstneming uit te stellen, omdat dan ook het afrekenmoment met de belastingen vooruit wordt geschoven. Dit kan ook door te sparen/beleggen in fondsen, die geen dividend of rente uitkeren, zodat je alleen wordt afgerekend op vermogenswinst bij verkoop. Voor kleine spaarders is uitstelgedrag niet gunstig, omdat zij dan ook het jaarlijkse voordeel van het heffingsvrije rendement missen. Ziet de regering ook dat om deze reden VWB vooral in het voordeel is van hogere vermogens? Zij kunnen met de uitgestelde belastingen doorsparen of beleggen (waarbij zij rente op rente stapelen), dus in feite meer vermogen opbouwen op kosten van de overheid? Diverse deskundigen wijzen op mogelijkheden om dit louter fiscaal gedreven uitstelgedrag tegen te gaan. Zo wees professor Heithuis op de mogelijkheid reguliere voordelen (dividend, rente en huur) tegen 36% te belasten en verkoopwinsten met 40%.4 Kan de regering een overzicht geven van de manieren waarop fiscaal gedreven uitstelgedrag kan worden voorkomen? Overigens hebben hoogleraren, VNO-NCW en Van Lanschot Kempen in de deskundigenbijeenkomst van 19 mei, gehouden in de Eerste Kamer, ook aangegeven hiervoor suggesties te kunnen aandragen.

Een tweede vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA betreft hoe de regering het uitstellen van belasting betalen voor de overheidsfinanciën gaat compenseren. Immers, het dóórbeleggen met uitgestelde belasting (rente op rente) slaat een gat in de rijksinkomsten, menen deze leden. Gelden hier de begrotingsregels dat een tegenvaller moet worden opgevangen in dezelfde vermogenscategorie? Wordt dan de benadering van de berekening van professor Jacobs onderschreven dat dit uitstel tot 14 miljard kan kosten tijdens de transitie, waardoor het belastingtarief niet 36%, maar wellicht ca 40–42% moet worden?5 Is daarnaast de conclusie van professor Jacobs, en andere deskundigen, juist dat uitstelgedrag niet alleen de schatkist benadeelt, maar juist ook de andere belastingbetalers die wel jaarlijks (moeten) betalen? Gaan kleine vermogens hierdoor volgens de regering via een hoger tarief meebetalen aan voordelen voor grotere vermogens, en acht de regering deze horizontale ongelijkheid acceptabel?

De derde vraag van deze leden over een volledige VWB betreft de uitvoerbaarheid. Kunnen banken en andere financiële instellingen volgens de regering de aankoopkoers, het rendement en de verkoopkoers tijdig en juist bijhouden en aan burgers en de Belastingdienst doorgeven, met name bij complexere portefeuilles met bijvoorbeeld claims, aandelensplitsingen en tussentijdse aankopen? Zoals Van Lanschot Kempen heeft opgemerkt in de deskundigenbijeenkomst van 19 mei 2026, gehouden in de Eerste Kamer, is dit complex en kan dit ertoe leiden dat veel, zo niet alle, vermogende belastingplichtigen jaarlijks uitstel voor het doen van aangifte moeten aanvragen. Welke oplossingen heeft de regering hierover al besproken met financiële instellingen? Is een finale voorheffing bij financiële instellingen overwogen, zoals die in andere landen ook veel voorkomt en burgers en de Belastingdienst veel administratieve rompslomp kan besparen? Acht de regering een dergelijke voorheffing bij een vlak tarief ook eerlijk? Uiteraard kan men altijd zelf aangiftecorrecties vragen als daar reden toe zou zijn, maar ook een finale voorheffing helpt tegen uitstelgedrag, volgens deze leden. En kunnen burgers die zelf beleggen wel op een eenvoudige wijze jarenlange administratie bijhouden, om per aandeel het bedrag van aankoop verkoop en winst aan de fiscus kunnen opgeven?

Onroerend goed

Ten aanzien van de eigen woning zijn nog enkele vragen blijven liggen. Er is in de internetconsultatie gewezen op het feit dat bij een aflossingsvrije hypotheek uiteraard geen renteaftrek in box 1 mag plaatsvinden, maar dat de rente op deze schuld mogelijk wel automatisch in box 3 in aftrek kan worden gebracht.6 Is de regering het met deze leden eens dat daarmee langs een eenvoudige omweg toch de hypotheekrenteaftrek overeind blijft, althans voor alleen de vermogenden in box 3? Geldt deze onbeperkt in tijd of de wettelijke 30 jaar? Is de regering bereid deze sluiproute af te sluiten? Dit is ook gevraagd bij behandeling in de Tweede Kamer, maar de regering heeft, naar het inzien van deze leden, nog geen duidelijkheid verschaft.7 Professor Heithuis wees er onder andere op dat hierdoor consumptief krediet langs een omweg is ingevoerd, en dat er een aftrekpost is gecreëerd in Box 3 waar geen bron van inkomen tegenover staat. Hij suggereert dit op te lossen door de waardestijging van het eigen huis (bij verkoop) te belasten.8 Deelt de regering deze opinie?

Voor overige bezittingen, waaronder vastgoed, geldt een forfait van 5.88% in 2025 (6% in 2026), zonder kostenaftrek. Dit levert bij een tarief van 36% een belastingdruk van 2.16% op. Dat is bijna het dubbele van de «oude» heffing in box 3 van 1.2% en ook van het voorziene in het onderhavige wetsontwerp vanaf 2028, nl. 1,1% (3,3% maal 36%).9 De aan het woord zijnde leden constateren dat deze tussentijdse verhoging hard aan al komen in de vastgoedwereld, waaronder ook bij mensen met een recreatiewoning. Kan door de regering worden toegelicht waarom niet voor een meer stabiele tariefstructuur is gekozen?

Vluchtroute naar Box3 en BOR

Ook het Centraal PlanBureau (CPB) en de Ambtelijke Rapportage over de 30-jaarstermijn van aflossingsvrije hypotheken wijzen op de vluchtroutes van Box 3 naar Box 2.10, 11 De regering heeft de leden van GroenLinks-PvdA helaas niet van een antwoord voorzien op de vragen of Box 2 niet uitsluitend beperkt zou kunnen worden voor echte ondernemers, die ondernemersrisico dragen, en dat het niet louter een beleggingsbox meer mag zijn. Professor Heithuis geeft dezelfde suggestie weer in zijn position paper.12 Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering op deze suggestie. Graag ontvangen deze leden dan ook een reactie op het voorstel van professor Heithuis om de tarieven van de drie boxen meer gelijk te trekken, waar die nu nog uiteenlopen van 36% in Box 3, 38,5% tot 48,8% in Box2+VPB, tot maximaal 45% in Box 1. Zou dit voorstel volgens de regering niet kunnen samenvallen met een bredere route naar een synthetisch stelsel, waarin het huidige boxenstelsel verdwijnt? Daarbij kunnen verschillende grondslagen voor verschillende categorieën, zoals arbeidsinkomen, ondernemersinkomen en belegd vermogen, blijven bestaan. Is de regering het met deze leden eens dat Nederland daarmee niet langer een van de weinige landen zou zijn met een boxenstelsel en dat ook de fiscale arbitragemogelijkheden die met dat stelsel samenhangen, zouden kunnen worden beperkt?

Wil de regering vanaf 2028 overwegen een vermogenswinstvoorheffing in box 2 in te voeren? Een jaarlijkse voorheffing over (beleggings)vermogen die bij verkoop wordt verrekend met de vermogenswinstbelasting. Hiermee verdwijnt (grotendeels) de prikkel om vermogen van box 3 naar een beleggings-bv in box 2 te verschuiven, zoals professor Jacobs dit voorstelt.13

Een regeling die, volgen deze leden, vaak als niet-doelmatig is gekenschetst, de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), kwam ook veelvuldig langs in de deskundigen bijeenkomst. Deelt de regering de suggestie die regeling om te zetten in een leenfaciliteit, waardoor gelijke behandeling met andere vermogens-categorieën wordt hersteld, en liquiditeitsproblemen eenvoudig worden ondervangen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van BBB

Renteaftrek

  • 1. Welke concrete criteria zal de Belastingdienst hanteren om te beoordelen of een schuld kwalificeert als een box-3-schuld, waarvan de rente aftrekbaar is? Acht de regering daarbij de feitelijke aanwending van de geleende middelen relevant?

  • 2. Kan de regering limitatief uiteenzetten welke kosten en rentelasten expliciet van renteaftrek worden uitgesloten onder het begrip «werkelijk rendement»? Hiermee hebben belastingplichtigen vooraf rechtszekerheid over de fiscale behandeling van financieringskosten en vermogen gerelateerde uitgaven, menen de leden van de fractie van BBB.

  • 3. Blijft rente op consumptieve leningen in beginsel aftrekbaar in box 3? Zo ja, hoe beoordeelt de regering het risico op arbitrage, waarbij belastingplichtigen privéconsumptie financieren met aftrekbare schulden? Overweegt de regering aanvullende antimisbruikmaatregelen of wettelijke beperkingen?

  • 4. Waarom wordt in verschillende toelichtende stukken afwisselend gesproken over «betaalde rente» en «verschuldigde rente»?14 Welke terminologie sluit uiteindelijk aan bij de beoogde wettelijke systematiek?

  • 5. Kan de regering expliciet bevestigen of voor renteaftrek in box 3 wordt aangesloten bij een zuiver kasstelsel, dan wel bij het moment waarop rente civielrechtelijk verschuldigd wordt? Indien het begrip «verschuldigde rente» ruimer is dan feitelijk betaalde rente, op welk exact moment ontstaat dan het recht op aftrek: bij opeisbaarheid, bij bijschrijving, bij kapitalisatie of uitsluitend bij daadwerkelijke betaling? Kan de regering verduidelijken hoe wordt omgegaan met de aftrekbaarheid van rente die contractueel verschuldigd is, maar nog niet feitelijk is voldaan, in gevallen waarin onzekerheid bestaat over de daadwerkelijke inning of betaling daarvan?

  • 6. Hoe wordt omgegaan met gekapitaliseerde rente, zoals rente die wordt toegevoegd aan de hoofdsom bij effectenkredieten, family loans, bullet loans of payment-in-kind-structuren?

  • 7. Welke antimisbruikmaatregelen acht de regering noodzakelijk om te voorkomen dat belastingplichtigen door middel van uitgestelde betaling, rentebijschrijving of interne financieringsstructuren timingvoordelen creëren binnen het box-3-stelsel?

Verhuurd onroerend goed

  • 8. Blijven kosten van verhuurd vastgoed aftrekbaar gedurende tijdelijke leegstand, mits het vastgoed bestemd blijft voor het genereren van box-3-inkomsten? Welke objectieve maatstaf zal daarbij worden gehanteerd?

  • 9. Kan de regering nader preciseren welke criteria bepalend zijn voor het onderscheid tussen aftrekbaar onderhoud en niet-aftrekbare verbeteringskosten bij verhuurd vastgoed, in het bijzonder bij renovaties, verduurzaming en vervanging van onderdelen zoals keukens, badkamers en installaties?

  • 10. Hoe dienen gemengde vastgoeduitgaven te worden behandeld, indien een werkzaamheid zowel onderhouds- als verbeteringsaspecten bevat? Acht de regering hiervoor een verplichte splitsingsmethodiek noodzakelijk?

  • 11. Hoe wordt onder het voorgestelde stelsel omgegaan met vastgoed dat gedeeltelijk privé wordt gebruikt of slechts gedeeltelijk wordt verhuurd?

  • 12. Hoe kwalificeert de regering verduurzamingsuitgaven binnen het onderscheid tussen onderhoud, verbetering en investeringsuitgaven?

  • 13. Hoe worden bijdragen aan VvE-reserves en uitgaven voor groot onderhoud behandeld onder het nieuwe box 3-stelsel: op het moment van betaling door de eigenaar, op het moment van besteding door de VvE, of via activering in de waarde van het vastgoed? Hoe kijkt de regering aan tegen het risico van uiteenlopende administratieve verwerking door de VvE en de individuele eigenaar, indien bijdragen aan VvE-reserves pas worden betrokken bij besteding door de VvE of via activering in de waarde van het vastgoed?

  • 14. Welke vastgoedgebonden investeringen zijn niet aftrekbaar? Kan de regering toelichten hoe dubbele economische belastingheffing wordt voorkomen in situaties waarin vastgoedgebonden investeringen niet direct aftrekbaar zijn, terwijl de daarmee samenhangende waardestijging tot belastbaar rendement leidt?

  • 15. Kan de regering bevestigen of buitenlandse vastgoedkosten, lokale belastingen, valutaverliezen en buitenlandse financieringskosten volledig in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het werkelijke rendement in box 3?

  • 16. Acht de regering het wenselijk om bij algemene maatregel van bestuur of beleidsbesluit een limitatieve of illustratieve lijst van aftrekbare en niet-aftrekbare vastgoedkosten te publiceren teneinde rechtszekerheid en uitvoerbaarheid te bevorderen?

  • 17. Kan de regering nader toelichten op welke wijze het belastbare vervreemdingsresultaat bij verkoop van verhuurd vastgoed exact wordt vastgesteld, in het bijzonder wanneer gedurende de bezitstermijn meerdere investeringen, renovaties en verbeteringen hebben plaatsgevonden? Welke uitgaven worden van de fiscale verkrijgingsprijs expliciet uitgesloten?

  • 18. Hoe dienen belastingplichtigen verbeteringsinvesteringen administratief te onderbouwen, als deze over een lange bezitstermijn verspreid plaatsvinden? Welke bewijsmaatstaf acht de regering daarbij redelijk en uitvoerbaar? Hoe verhoudt zich dat tot de wettelijke bewaartermijn? Hoe dienen belastingplichtigen om te gaan met investeringen waarvoor geen afzonderlijke facturen of historische bewijsstukken meer beschikbaar zijn bij vastgoed dat langdurig in bezit is geweest?

  • 19. Kan de regering verduidelijken hoe moet worden omgegaan met investeringen die deels kwalificeren als onderhoud en deels als verbetering, indien deze relevant zijn voor zowel jaarlijkse kostenaftrek als de latere berekening van het vervreemdingsresultaat?

  • 20. Kan de regering bevestigen dat investeringen die eerder niet direct aftrekbaar waren wegens kwalificatie als verbetering integraal in aanmerking worden genomen bij de latere berekening van het vervreemdingsvoordeel?

  • 21. Hoe wordt omgegaan met waardeveranderingen die voortvloeien uit inflatie of algemene marktontwikkelingen, als tegelijkertijd investeringen en verbeteringen in het vastgoed hebben plaatsgevonden? Zou er bij de vaststelling van de vervreemdingswinst geen ruimte moeten zijn voor een inflatiecorrectie?

  • 22. Overweegt de regering overgangsrecht of forfaitaire vereenvoudigingen voor vastgoed dat al vóór invoering van het nieuwe stelsel langdurig in bezit was, gelet op de praktische moeilijkheid om historische investeringen volledig te reconstrueren?

  • 23. Welke aanvangswaardering zou redelijk zijn wanneer de WOZ-waarde een onvoldoende reële waarde geeft?

  • 24. Kan de regering verduidelijken of verbeteringsinvesteringen afzonderlijk moeten worden geactiveerd per kalenderjaar, dan wel cumulatief onderdeel vormen van één aangepaste fiscale kostprijs van het vastgoed? Welke verantwoordelijkheid rust in de jaarlijkse aangifte op de belastingplichtige ten aanzien van het vastleggen en onderbouwen van de aangroei van deze kostprijs?

  • 25. Kan de regering verduidelijken hoe de Belastingdienst in de praktijk onderscheid zal maken tussen een tweede woning met een rendementsdoelstelling en vastgoed dat hoofdzakelijk voor privégenot wordt aangehouden?

  • 26. Kan de regering verduidelijken in hoeverre kosten van recreatief vastgoed (tweede woning) aftrekbaar blijven, indien het vastgoed slechts beperkt wordt verhuurd of gedurende een deel van het jaar leegstaat? Welke administratieve bewijslast ligt er bij het vaststellen van leegstand en/of eigen gebruik? Welke verdeelsleutel dient volgens de regering te worden toegepast bij gemengde aanwending van recreatief vastgoed, bijvoorbeeld naar rato van verhuurdagen, beschikbaarheidsdagen of feitelijk privégebruik?

  • 27. Welke criteria zijn bepalend voor de fiscale kwalificatie van recreatief vastgoed, zoals een tweede woning, als rendementsvermogen indien feitelijke verhuur slechts incidenteel plaatsvindt?

  • 28. Acht de regering het voor de aftrekbaarheid van kosten relevant of de eigenaar van een tweede woning een subjectieve verhuurintentie heeft, of is uitsluitend bepalend of daadwerkelijk opbrengsten zijn gerealiseerd?

  • 29. Zijn vaste lasten van recreatief vastgoed (tweede woning) – zoals gemeentelijke lasten, verzekeringen, VvE-bijdragen, energiecontracten en onderhoudskosten – aftrekbaar gedurende perioden waarin geen huurinkomsten worden gerealiseerd? Hoe gaan servicekosten fiscaal behandeld worden? Daarbij kan onder meer worden gedacht aan parkfees, servicekosten, kosten voor parkonderhoud en abonnementen op diensten die samenhangen met het vastgoed of met de verhuur daarvan.

  • 30. Kan de regering bevestigen of marketing- en bemiddelingskosten voor recreatief vastgoed (tweede woning) aftrekbaar zijn, ook indien daadwerkelijke verhuur uiteindelijk beperkt blijft?

Inflatie

  • 31. Waarom kiest de regering ervoor om nominale vermogensgroei te belasten zonder inflatiecorrectie, terwijl een aanzienlijk deel van de vermogensaanwas bij langdurig aangehouden activa uitsluitend inflatiecompensatie kan betreffen? Waarom is niet gekozen voor een systeem waarbij de verkrijgingsprijs van vermogensbestanddelen jaarlijks wordt geïndexeerd met een objectieve inflatiemaatstaf?

  • 32. Hoe beoordeelt de regering de fiscale rechtvaardigheid van belastingheffing over schijnrendementen, indien de reële koopkracht van het vermogen niet of nauwelijks stijgt?

  • 33. Hoe verhoudt belastingheffing over nominale vermogensgroei zich volgens de regering tot het draagkrachtbeginsel, indien belastingplichtigen reëel gezien geen vermogenswinst realiseren?

  • 34. Kan de regering kwantificeren welk deel van de historische waardestijging van vastgoed en langjarige beleggingen (aandelen en obligaties) in de afgelopen decennia feitelijk samenhing met algemene inflatie?

  • 35. Heeft het kabinet onderzocht welke effectieve belastingdruk ontstaat bij langdurig verhoogde inflatie, met name wanneer nominale rendementen grotendeels bestaan uit monetaire ontwaarding?

  • 36. Is onderzocht in hoeverre belastingheffing zonder inflatiecorrectie bij vastgoed cumulatief kan leiden tot effectieve belastingdrukken die substantieel hoger liggen dan het reële rendement?

  • 37. Kan de regering toelichten waarom renteaftrek nominaal volledig in aanmerking wordt genomen, terwijl positieve vermogensgroei eveneens volledig nominaal wordt belast?

  • 38. Hoe wordt voorkomen dat asymmetrie ontstaat tussen enerzijds volledig nominale belastingheffing over waardestijgingen en anderzijds reële financieringslasten die door inflatie economisch worden uitgehold?

  • 39. Heeft de regering internationale vergelijkingen gemaakt met landen die wel vormen van inflatiecorrectie toepassen binnen vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting?

  • 40. Welke mogelijkheden ziet de regering voor een forfaitaire of beperkte inflatiecorrectie om de uitvoerbaarheid van het stelsel te behouden en tegelijkertijd belastingheffing over zuivere monetaire inflatie te beperken?

  • 41. Kan de regering toelichten hoe het ontbreken van inflatiecorrectie zich verhoudt tot de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad over belastingheffing op fictieve of niet-reële rendementen in box 3?15

Budgettair

  • 42. Kan de regering aangeven welke langjarige aannames over aandelenrendementen, dividendrendementen, vastgoedrendementen en renteontwikkelingen zijn gebruikt bij de budgettaire projecties van de vermogensaanwasbelasting? Welke scenario’s zijn gebruikt? Kan de regering per scenario de gehanteerde uitgangspunten, parameters en geraamde budgettaire uitkomsten delen?

  • 43. Heeft de regering ook analyses gemaakt op basis van scenario’s, waarin in de eerste jaren negatieve beursrendementen gerealiseerd worden? Welke scenario’s zijn gebruikt? Kan de regering per scenario de gehanteerde uitgangspunten, parameters en geraamde budgettaire uitkomsten delen?

  • 44. Kan de regering de impact van voorliggende wetgeving ook simuleren op basis van historische data bijvoorbeeld de afgelopen 15 jaar of de periode waarin de beurscrash na 2008 zich bevindt en daarvan uitgangspunten en uitkomsten delen?

  • 45. Wat is, gelet op het voorgaande, de potentiële impact van negatieve beursrendementen op de voorspelbaarheid en stabiliteit van de belastingopbrengsten? Welke scenario’s en instrumenten heeft de regering overwogen om eventuele opbrengsttekorten op te vangen?

  • 46. Welke beoordeling heeft de Algemene Rekenkamer op het voorliggend wetsvoorstel en achterliggende documentatie?

Vermogenswinstbelasting

  • 47. Kan de regering bevestigen of scenario’s zijn onderzocht voor invoering van een bredere vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 in plaats van, of naast, de voorgestelde vermogensaanwasbelasting?

  • 48. Welke signalen heeft de regering ontvangen van banken, brokers, verzekeraars en overige financiële instellingen over hun technische capaciteit om een vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 administratief te ondersteunen?

  • 49. Kan de regering toelichten waarom eerder werd aangenomen dat een brede vermogenswinstbelasting uitvoeringstechnisch niet haalbaar zou zijn, terwijl tijdens de parlementaire behandeling aanwijzingen zijn gegeven dat financiële instellingen kostprijzen, transacties en gerealiseerde winsten wel degelijk kunnen administreren?

  • 50. Heeft de regering concrete gesprekken gevoerd met financiële instellingen over de mogelijkheid van geautomatiseerde registratie van historische verkrijgingsprijzen, transacties en gerealiseerde vermogenswinsten?

  • 51. Kan de regering aangeven welke onderdelen van een vermogenswinstbelasting volgens financiële instellingen technisch uitvoerbaar zijn per 1 januari 2028, en welke onderdelen niet?

  • 52. Welke additionele administratieve lasten voor financiële instellingen verwacht de regering bij een overgang naar een vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028?

  • 53. Kan de regering aangeven onder welke voorwaarden zij bereid zou zijn alsnog over te stappen op een bredere vermogenswinstbelasting als de financiële sector aangeeft dat implementatie per 1 januari 2028 technisch haalbaar is?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van VVD

Invoeringspad vermogenswinstbelasting

  • 1. Kan de regering aangeven wat het vroegst haalbare én het realistisch te verwachten jaar is voor invoering van een volledige vermogenswinstbelasting?

    Indien dat nog niet kan: welke informatie ontbreekt daarvoor en wanneer wordt die verwacht?

  • 2. Kan de regering toezeggen dat de aangekondigde brief16 vóór het zomerreces een concreet invoeringspad bevat, inclusief beoogd jaar van inwerkingtreding, belangrijkste mijlpalen (wetgeving, Raad van State, parlementaire behandeling, implementatie, gegevensaanlevering) en een uiterste termijn?

  • 3. De regering geeft aan dat wetgeving en implementatie van vermogenswinstbelasting meerdere jaren vergen. Kan zij dit nader specificeren, door afzonderlijk aan te geven:

    • de duur van het wetgevingstraject;

    • de duur van de implementatie en gegevensaanlevering

  • 4. De motie-Vermeer roept op om uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een op vermogenswinst gebaseerde systematiek te hanteren.17 Is de regering voornemens dit ook daadwerkelijk te doen? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de tekst en strekking van de motie?

Budgettaire voorwaarden

  • 5. Klopt het dat de invoering van een vermogenswinstbelasting afhankelijk is van het vinden van structurele dekking? Zo ja, wat gebeurt er met het invoeringspad als die dekking niet tijdig wordt gevonden?

  • 6. Kan de regering een indicatie geven van de incidentele derving en structurele derving, die samenhangt met de overgang naar een vermogenswinstbelasting?

  • 7. De regering erkent dat overgang kan leiden tot blijvend lagere belastingontvangsten.18 Welke financiële kaders gelden voor het vinden van dekking?

  • 8. Welk risico ziet de regering dat de vermogensaanwasbelasting feitelijk het eindstadium wordt? Welke waarborgen zijn er dat de overgang naar vermogenswinstbelasting daadwerkelijk plaatsvindt?

  • 9. Kan de regering bevestigen dat de budgettaire derving die optreedt tijdens de overgang naar een vermogenswinstbelasting primair tijdelijk van aard is, aangezien een stelsel dat uitgaat van gerealiseerde vermogenswinsten op langere termijn juist tot hogere en stabielere belastingopbrengsten leidt? Kan de regering uiteenzetten hoe dit structurele opbrengstpotentieel wordt meegewogen bij de beoordeling van de benodigde dekking voor de transitiefase?

Rechtszekerheid en overgangsrecht

  • 10. Welke zekerheid kan de regering bieden over de duur van het hybride stelsel voor belastingplichtigen die investeringsbeslissingen moeten nemen?

  • 11. Kan de regering de hoofdlijnen schetsen van het overgangsrecht, met name voor vermogensaanwas die al belast is maar nog niet gerealiseerd? Hoe wordt voorkomen dat deze bij realisatie nogmaals wordt belast?

  • 12. Kan de regering bevestigen dat de aangekondigde novelle geen belemmering vormt voor de overgang naar een vermogenswinstbelasting?

  • 13. Hoe wordt gewaarborgd dat de besluitvorming over het invoeringspad transparant en afzonderlijk kan plaatsvinden, gezien de koppeling met het Belastingplan 2027?19

Uitvoerbaarheid en invoering per 2028

  • 14. Kan de regering de uitkomsten van de voortgangsrapportage over de Opgaaf Werkelijk Rendement delen en aangeven wat deze betekenen voor de uitvoerbaarheid van het stelsel?

  • 15. Acht de regering inwerkingtreding per 1 januari 2028 nog haalbaar, mede gelet op de aangekondigde novelle en afhankelijkheden met ketenpartners?

  • 16. Welk terugvalscenario is voorzien als gegevensaanlevering aan de Belastingdienst niet tijdig gereed is?

  • 17. Hoe verhoudt eventueel uitstel van invoering van het wetsvoorstel zich tot de genoemde derving en de begrotingsregels?

  • 18. Kan de regering bevestigen dat de implementatie van box 3 niet ten koste gaat van andere ICT-prioriteiten en dat deze prioriteiten op hun beurt de invoering niet vertragen?

  • 19. Is er een actuele uitvoeringstoets beschikbaar voor de huidige vorm van het wetsvoorstel?

  • 20. De regering erkent dat het stelsel een groter beroep doet op het doenvermogen van belastingplichtigen, met name bij groepen met weinig vermogen en volatiel rendement en bij belastingplichtigen die voorheen niet aangifteplichtig waren.20 Tegelijkertijd stelt zij dat geen sprake is van een onevenredige belasting van het doenvermogen. Kan de regering deze spanning nader toelichten en uiteenzetten waarom deze groepen desondanks niet onevenredig worden belast?

  • 21. Voorts baseert de regering zich mede op de veronderstelling dat belastingplichtigen met complexer vermogen over het algemeen een hoger doenvermogen hebben.21 Kan de regering deze veronderstelling onderbouwen?

  • 22. Hoe voorkomt de regering dat belastingplichtigen zonder fiscale expertise, maar met complex vermogen als een geërfde woning, familielening of buitenlands vermogen, worden geconfronteerd met fouten, correcties of verzuimboetes als gevolg van de toegenomen administratieve lasten?

  • 23. Acht de regering in dergelijke gevallen de kosten van professionele bijstand, afgezet tegen het te verwachten rendement, nog steeds proportioneel?

Juridische houdbaarheid

  • 24. Kan de regering nader motiveren waarom de vastgoedbijtelling, ondanks het forfaitaire karakter, in haar ogen verenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het discriminatieverbod?

  • 25. Acht de regering het aanvaardbaar dat het stelsel, ondanks de doelstelling van heffing op werkelijk rendement, forfaitaire elementen blijft bevatten die tot nieuwe procedures kunnen leiden? Hoe is dit risico meegenomen in raming en uitvoering?

Investeringsklimaat en gedragseffecten

  • 26. Kan de regering de verwachte gedragseffecten nader kwantificeren? Het gaat met name om: de verschuiving tussen box 2 en box 3 rond de 5%-grens, lock-in-effecten bij vermogenswinstbelasting en mogelijke emigratie van vermogen of belastingplichtigen.

  • 27. Ziet de regering het risico dat belastingplichtigen hun gedrag aanpassen door hun belang boven 5% te brengen, waarmee zij in box 2 ouden worden belast, of vermogen naar het buitenland te verplaatsen?

  • 28. Wat betekenen dergelijke grondslagverschuivingen voor de stabiliteit en robuustheid van de box 3-opbrengst op langere termijn?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Tijdens de deskundigenbijeenkomsten is uitgebreid gesproken over de tijdelijke Wet werkelijk rendement.22 De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat de gevolgen van het wetsvoorstel in de praktijk goed in kaart zijn gebracht. Kan de regering nader toelichten welke gevolgen de mogelijke overgang van een vermogensaanwasbelasting naar een vermogenswinstbelasting heeft voor burgers, bedrijven en scale-ups? Hoe wordt daarbij voorkomen dat belastingplichtigen te maken krijgen met dubbele heffing, bijvoorbeeld wanneer waardestijgingen eerst jaarlijks in de heffing worden betrokken en later, bij een wet op basis van werkelijk rendement, opnieuw bij realisatie? Welke gevolgen heeft dit voor rechtszekerheid, uitlegbaarheid en de administratieve lasten voor burgers?

Daarbij zijn veel deskundigen bezorgd over de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst.23 Welke extra gegevens zullen financiële instellingen, platforms en belastingplichtigen moeten aanleveren om een systeem van werkelijk rendement uitvoerbaar te maken? Hoe waarborgt de regering dat belastingaangiften zoveel mogelijk vooraf kunnen worden ingevuld en belastingplichtigen niet genoodzaakt worden een financieel adviseur in te huren tegen mogelijk hoge kosten? Hoe waarborgt de regering daarbij dat deze tussenstap, gevolgd door een stelsel op basis van werkelijk rendement enkele jaren later, niet leidt tot langdurige onzekerheid voor burgers, hogere uitvoeringslasten en een toename van bezwaar- en beroepsprocedures?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van CDA en 50PLUS

De regering geeft aan dat er voor de overgangsperiode tot aan de invoering van een integrale vermogenswinstbelasting geen eenvoudiger systeem is te bedenken zoals een bronheffing. De regering wijst erop dat werkelijk rendement moet worden bepaald bij een bronheffing over werkelijk rendement, hetgeen onvermijdelijk complexiteit met zich mee brengt.24 Weliswaar zou, aldus de regering, deze berekening door de financiële instellingen worden gedaan die de bronbelasting over de inkomsten uit het bij hen gespaarde of belegde vermogen uit die inkomsten moeten inhouden en afdragen aan de fiscus, maar dat zou volgens de regering een «enorme inspanning van de ketenpartners vragen». Dat roept de vraag op welke ervaringen met een vergelijkbare bronheffing in het buitenland, bijvoorbeeld in Duitsland, bestaan? Kan de regering hier een overzicht van geven?

De regering geeft aan dat het uitgangspunt bij een volledige vermogenswinstbelasting is «het mitigeren van de kwetsbaarheden van de vermogenswinstsystematiek», waarbij «mogelijkheden voor belastingheffing uit te stellen» wordt genoemd als mogelijk voorbeeld.25 Te denken valt dan volgens de regering aan het omzetten van (jaarlijks belaste) reguliere voordelen in waardestijgingen, waarover in dat jaar nog geen belasting wordt geheven. Kan de regering met enkele concrete voorbeelden aangeven aan wat voor soort maatregelen zij in dit verband precies denkt?

Door de regering wordt opgemerkt dat ook ongerealiseerde waardestijgingen feitelijk de draagkracht verhogen van belastingplichtigen, waarbij het geen verschil zou uitmaken of een belastingschuld wordt voldaan door het vermogensbestanddeel te verkopen of uit ander inkomen zoals rente en dividend.26 Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot het «praktisch empirisch inkomensbegrip» dat de wetgever steeds voor ogen heeft gehad als uitgangspunt voor de inkomstenbelasting? Op grond daarvan wordt, volgens de aan het woord zijnde leden, een ongerealiseerde waardestijging op zijn minst als een zwakkere vorm van inkomen gezien dan reguliere inkomsten zoals rente, dividend en huur.

Waarom zou het volgens de regering «lastig uitlegbaar» zijn om bij deflatie extra belasting te heffen?27

Bij de belastingheffing over onroerende zaken doet zich bij de leden van de fracties van CDA en 50PLUS de vraag voor hoe de regering aankijkt tegen de opvatting van veel fiscalisten dat bij een vakantiewoning die alleen voor eigen gebruik wordt benut er geen belaste bron van inkomen is, met als gevolg dat dan geen vastgoedbijtelling aan de orde zou moeten zijn en ook geen aftrek van kosten (defiscalisering).28

In een artikel van de heer Overduin wordt de vastgoedbijtelling herrekend op basis van actuele marktwaarden en marktinformatie. 3,35% wordt dan 2,25% en 5,06% wordt dan 3,40%.29 De aan het woord zijnde leden vernemen graag de mening van de regering betreffende dit standpunt. Ook legt de auteur maar liefst acht zijns inziens zwakke plekken bloot, die schuilgaan in de huidige vormgeving van de vastgoedbijtelling, waaronder het ontbreken van enige vorm van tegenbewijs. Wat is de mening van de regering over deze acht punten?

In een andere publicatie op internet stelt dezelfde auteur dat de regering zichzelf tegenspreekt.30 De regering stelt in de nota naar aanleiding van het verslag dat «de WOZ-waarde bij woningen in veel gevallen overeenkomt met de werkelijke waarde».31 Echter wordt ook aangegeven door de regering aangegeven dat «de WOZ-waarde vaak niet gelijk is aan de waarde in het economische verkeer»?32 Hoe rijmt de regering deze twee stellingen met elkaar? Welke bewering is nu juist, volgens de regering?

In het voorliggende wetsvoorstel wordt rente voor box 3-schulden aangemerkt als negatief inkomen. Dat zou, volgens deze leden, betekenen dat ook consumptieve rente aftrekbaar is. Hoe is dat te rijmen met het uitgangspunt dat de inkomstenbelasting inkomensverwervende en niet inkomensbestedende activiteiten belast? Consumptieve rente ziet immers op inkomensbesteding.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van SP

De regering erkent dat een vermogenswinstbelasting kan leiden tot belastinguitstel, afstel, economische verstoringen en een minder bestendige belastingopbrengst. Ook noemt de regering de belastinggrondslag «zeer kwetsbaar».33 Kan de regering nader toelichten waarom zij desondanks van oordeel is dat een vermogenswinstbelasting op langere termijn wenselijker is dan een vermogensaanwasbelasting? Welke zwaarwegende voordelen acht de regering uiteindelijk doorslaggevend tegenover de door haarzelf geschetste substantiële nadelen en waarom?

De leden van de SP-fractie constateren dat de nadelen van een vermogenswinstbelasting omvangrijker en fundamenteler lijken dan de nadelen van een vermogensaanwasbelasting in het door de regering opgenomen overzicht van voor- en nadelen van beide systemen.34 Kan de regering toelichten op basis van welke inhoudelijke afweging zij desondanks concludeert dat een vermogenswinstbelasting uiteindelijk de voorkeur verdient?

De regering verwijst naar «maatschappelijke onrust» over de effecten van een vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat.35 Kan de regering nader specificeren op welke delen van de maatschappij zij hierbij doelt? Welke concrete groepen, sectoren of maatschappelijke organisaties hebben deze zorgen naar voren gebracht?

Kan de regering nader toelichten hoe zij bij haar afweging het onderscheid maakt tussen algemene maatschappelijke belangen enerzijds en meer specifieke deel- of sectorbelangen anderzijds? Op welke wijze heeft de regering gewogen of de genoemde zorgen primair het algemeen belang betreffen dan wel de belangen van specifieke vermogende belastingplichtigen, beleggers of financiële instellingen?

De leden van de SP-fractie hebben eerder gevraagd met welke organisaties en personen contact is geweest over het wetsvoorstel sinds het aanbieden daarvan op 19 mei 2025 en welke rol deze contacten hebben gespeeld in de besluitvorming om het wetsvoorstel aan te passen.36 De beantwoording blijft naar het oordeel van deze leden echter zeer algemeen en beperkt zich tot enkele categorieën organisaties. Kan de regering alsnog een zo volledig mogelijk overzicht verstrekken van organisaties, instellingen en vertegenwoordigers waarmee over dit onderwerp contact is geweest, inclusief de aard van deze contacten, eventuele schriftelijke inbreng en de wijze waarop deze inbreng is meegewogen in de uiteindelijke beleidswijziging richting een volledige vermogenswinstbelasting? Kan tevens worden aangegeven welke van deze partijen expliciet hebben gepleit vóór een (volledige) vermogenswinstbelasting en welke juist vóór handhaving van een vermogensaanwasbelasting?

De Raad van State merkt op dat het eerdere box 3-stelsel in feite reeds uitging van een forfaitaire vermogensaanwassystematiek en dat de maatschappelijke weerstand zich vooral richtte op het forfaitaire karakter daarvan, en niet zozeer op de onderliggende aanwassystematiek.37 Hoe verhoudt deze observatie zich tot de huidige stelling van de regering dat een vermogensaanwasbelasting op onvoldoende maatschappelijk draagvlak zou kunnen rekenen?

De aan het woord zijnde leden vragen de regering nader toe te lichten waarom zij niet heeft gekozen voor een progressief stelsel voor het belasten van vermogen in box 3. In de beantwoording van de eerdere vraag hierover missen voornoemde leden de onderbouwing van deze keuze.38 Welke nadelen zou het invoeren van verschillende tarieven op basis van het draagkrachtsbeginsel hebben volgens de regering?

Kan de regering een aantal scenario’s schetsen waarin investeringen in vastgoed financieel meer rendabel zijn in het nieuwe stelsel dan het oude stelsel? Verwacht de regering een effect op de particuliere huurwoningvoorraad door de uitzonderingspositie van vastgoed in deze wetswijziging?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD

  • 1. Erkent de regering dat iedere jaarlijkse belastingonttrekking uit een groeiportefeuille direct ten koste gaat van het beleggingsvermogen van burgers, waardoor met name kleine beleggers over een horizon van tientallen jaren een aanzienlijk lager eindvermogen opbouwen? Kan de regering aangeven hoe dit effect zich verhoudt tot de begrijpelijke wens om burgers juist meer financiële zelfstandigheid en eigen vermogensopbouw te laten ontwikkelen?

  • 2. Kan de regering uiteenzetten hoe voorliggend wetsvoorstel bijdraagt aan het verminderen van de vermogensongelijkheid in Nederland, terwijl volgens de leden van de FVD-fractie juist startende en middenklasse beleggers worden geconfronteerd met een jaarlijkse belasting op ongerealiseerde waardestijgingen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De regering stelt uiteindelijk te streven naar een vorm van een vermogenswinstbelasting, maar kan niet uitsluiten dat de vermogensaanwasbelasting nog jarenlang de hoofdregel blijft.41 Kan de regering concreet aangeven binnen welke termijn zij overgang naar een vermogenswinststelsel realistisch acht? Is de regering bereid via de aangekondigde novelle vast te leggen dat de vermogensaanwasbelasting slechts tijdelijk bedoeld is, bijvoorbeeld via een horizonbepaling of evaluatiemoment? Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid de einddatum van het vermogensaanwasstelsel vast te zetten op ultimo 31 december 2027?

Erkent de regering het risico dat een als tijdelijk bedoeld vermogensaanwasstelsel in de praktijk permanent wordt, mede doordat dit stelsel in de eerste jaren naar verwachting hogere belastingopbrengsten genereert?

Kan de regering bevestigen dat een vermogenswinstbelasting volgens haar eigen ramingen in de eerste jaren miljarden euro’s minder opbrengt dan het voorgestelde stelsel? Zo ja, in hoeverre is de keuze voor vermogensaanwasbelasting dan ingegeven door budgettaire opbrengsten in plaats van fiscale rechtvaardigheid?

Op basis van welke overwegingen en/of principes acht de regering het gerechtvaardigd belasting te heffen over ongerealiseerde vermogenswinsten, terwijl zij tegelijkertijd aangeeft uiteindelijk toe te willen naar belastingheffing op basis van daadwerkelijk gerealiseerde winst? De leden van de fractie van JA21 wensen hierop een uitgebreide toelichting.

Heeft de regering een juridische toets verricht over de houdbaarheid van een vermogensaanwasbelasting? Zo ja, kan deze toets, de uitkomst hiervan en de bestuurlijke conclusies ter beschikking worden gesteld van de Eerste Kamer?

Heeft de regering een recente impactanalyse verricht op het vestigingsklimaat in Nederland na introductie van een Vermogensaanwasbelasting? Zo nee, waarom niet? Kan de regering toezeggen een dergelijke analyse op de kortst mogelijke termijn uit te voeren?

Is de regering het met deze leden eens dat het niet corrigeren voor inflatie bij een vermogensaanwasbelasting de facto neerkomt op een vorm van onteigening van vermogen? Hoe schat de regering de reactie van rechters in die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens breed toepassen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

Sinds de nota naar aanleiding hebben zich verdere ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de inkomensbelasting. De deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer heeft verdere inzichten gegeven, maar geeft ook de polarisatie op het thema van box 3 weer, menen de leden van de Volt-fractie.42

Ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek in box 1 zijn administratieve knelpunten naar voren gekomen. Allereerst vragen deze leden hoe de problemen rond het bewaren van bewijsstukken zich zullen voordoen bij de vermogenswinstcomponent in het voorliggende voorstel voor box 3. Stel dat een tweede woning pas in 2050 wordt verkocht, hoe kan het startpunt van de winstbelasting worden bewezen? Heeft de belastingdienst dan nog toegang tot de WOZ-waarde van deze woning in 2028? Hoe zit dat met aandelen in start-ups?

Kan de regering aangeven op welke wijze in de huidige voorstellen rekening wordt gehouden met vermogensinkomsten waarover in het buitenland al bronbelasting of andere belasting is betaald? Moet een belastingbetaler actief iets doen om dubbele belasting te vermijden?

Gezien de toenemende maatschappelijke discussie over het voorliggende voorstel, ziet de regering nog mogelijkheden voor flankerende maatregelen om het draagvlak voor de heffing in box 3 te verbreden? Ziet de regering bijvoorbeeld mogelijkheden om een (aangepaste) vorm van de in Zweden bestaande ISK-regeling in te voeren?43

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de nota naar aanleiding van het Tweede verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag zo spoedig mogelijk, maar niet later dan 12 juni 2026.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van Ballekom

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 27 & Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
3

HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.4.

X Noot
4

Position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, geraadpleegd via: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf. Ook besproken in de deskundigenbijeenkomst, gehouden in de Eerste Kamer op 19 mei, geraadpleegd via: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
5

Position paper deskundigenbijeenkomst Wet werkelijk rendement box 3, Prof Dr. B. Jacobs, 19 mei 2026, geraadpleegd via: Eerste Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
6

Interconsultatie Wet werkelijk rendement box 3, geraadpleegd via: Overheid.nl | Consultatie Wet werkelijk rendement box 3

X Noot
7

Verslag van een wetgevingsoverleg, 19 januari 2026, 2026D02330, geraadpleegd via: Wet werkelijk rendement box 3 (ongecorrigeerd) | Tweede Kamer der Staten-Generaal

X Noot
8

position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, zie: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf

X Noot
9

Cijfers en berekeningen aangeleverd door de fractie van GroenLinks-PvdA

X Noot
10

Hoge bomen vangen veel wind en publicaties daarover ook, Centraal PlanBureau, 21 mei 2026, geraadpleegd via: De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens | CPB Website

X Noot
11

Rapport Onderzoek 30-jaarstermijn Hypotheekrenteaftrek, bijlage bij Kamerstukken I, 2025/2026, 32 140, AP.

X Noot
12

position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, geraadpleegd via: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf

X Noot
13

Position paper deskundigenbijeenkomst Wet werkelijk rendement box 3, Prof Dr. B. Jacobs, 19 mei 2026, geraadpleegd via: Eerste Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
14

Zie onder meer: Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, p. 60–61 en p. 115.

X Noot
15

HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
16

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, p.2.

X Noot
17

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
18

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 71.

X Noot
19

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
20

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 74.

X Noot
21

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 75.

X Noot
22

Betreft de deskundigenbijeenkomst, gehouden in de Eerste Kamer op 19 mei, geraadpleegd via: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
23

O.a. genoemd in: Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4, p. 22.

X Noot
24

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 14.

X Noot
25

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 18.

X Noot
26

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 21.

X Noot
27

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 29.

X Noot
28

Kamerstukken I, 2025/2026, 36.748, F, p. 34 e.v.

X Noot
29

«Vastgoedbijtelling actualiseren? Dan wordt 3,35% nu 2,25% en wordt 5,06% nu 3,40%!», C. Overduin, Weekblad Fiscaal Recht, jaargang 2026, artikelnummer 118.

X Noot
31

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 40.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2024/2024, 36 938, nr. 3, p. 20.

X Noot
33

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 45.

X Noot
34

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 15.

X Noot
35

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 17.

X Noot
36

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 17.

X Noot
37

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4, p.25.

X Noot
38

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 29.

X Noot
41

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 14–17.

X Noot
42

De deskundigenbijeenkomst vond plaats op 19 mei in de Eerste Kamer, zie: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
43

De Zweedse ISK-regeling is een beleggingsrekening waarbij niet de daadwerkelijk gerealiseerde dividenden en vermogenswinsten per transactie worden belast, maar jaarlijks een forfaitair rendement over de waarde van de rekening.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 27 & Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
3

HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.4.

X Noot
4

Position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, geraadpleegd via: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf. Ook besproken in de deskundigenbijeenkomst, gehouden in de Eerste Kamer op 19 mei, geraadpleegd via: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
5

Position paper deskundigenbijeenkomst Wet werkelijk rendement box 3, Prof Dr. B. Jacobs, 19 mei 2026, geraadpleegd via: Eerste Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
6

Interconsultatie Wet werkelijk rendement box 3, geraadpleegd via: Overheid.nl | Consultatie Wet werkelijk rendement box 3

X Noot
7

Verslag van een wetgevingsoverleg, 19 januari 2026, 2026D02330, geraadpleegd via: Wet werkelijk rendement box 3 (ongecorrigeerd) | Tweede Kamer der Staten-Generaal

X Noot
8

position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, zie: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf

X Noot
9

Cijfers en berekeningen aangeleverd door de fractie van GroenLinks-PvdA

X Noot
10

Hoge bomen vangen veel wind en publicaties daarover ook, Centraal PlanBureau, 21 mei 2026, geraadpleegd via: De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens | CPB Website

X Noot
11

Rapport Onderzoek 30-jaarstermijn Hypotheekrenteaftrek, bijlage bij Kamerstukken I, 2025/2026, 32 140, AP.

X Noot
12

position paper van prof. E.J.W. Heithuis voor de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer over de Wet werkelijk rendement box 3, prof. E.J.W. Heithuis, 12 mei 2026, geraadpleegd via: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nvi0xeni9vr2l_j9vvkfvj6b325az/vmxjn6vn0lt1/f=/vmxjn78umotl.pdf

X Noot
13

Position paper deskundigenbijeenkomst Wet werkelijk rendement box 3, Prof Dr. B. Jacobs, 19 mei 2026, geraadpleegd via: Eerste Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
14

Zie onder meer: Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 3, p. 60–61 en p. 115.

X Noot
15

HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
16

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B, p.2.

X Noot
17

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 748, nr. 35.

X Noot
18

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 71.

X Noot
19

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, B.

X Noot
20

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 74.

X Noot
21

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 75.

X Noot
22

Betreft de deskundigenbijeenkomst, gehouden in de Eerste Kamer op 19 mei, geraadpleegd via: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
23

O.a. genoemd in: Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4, p. 22.

X Noot
24

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 14.

X Noot
25

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 18.

X Noot
26

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 21.

X Noot
27

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 29.

X Noot
28

Kamerstukken I, 2025/2026, 36.748, F, p. 34 e.v.

X Noot
29

«Vastgoedbijtelling actualiseren? Dan wordt 3,35% nu 2,25% en wordt 5,06% nu 3,40%!», C. Overduin, Weekblad Fiscaal Recht, jaargang 2026, artikelnummer 118.

X Noot
31

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 40.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2024/2024, 36 938, nr. 3, p. 20.

X Noot
33

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 45.

X Noot
34

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 15.

X Noot
35

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 17.

X Noot
36

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 17.

X Noot
37

Kamerstukken II, 2024/2025, 36 748, nr. 4, p.25.

X Noot
38

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 29.

X Noot
41

Kamerstukken I, 2025/2026, 36 748, F, p. 14–17.

X Noot
42

De deskundigenbijeenkomst vond plaats op 19 mei in de Eerste Kamer, zie: Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal

X Noot
43

De Zweedse ISK-regeling is een beleggingsrekening waarbij niet de daadwerkelijk gerealiseerde dividenden en vermogenswinsten per transactie worden belast, maar jaarlijks een forfaitair rendement over de waarde van de rekening.

Naar boven