36 725 Voorjaarsnota 2025

I VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 juli 2025

De vaste commissie voor Financiën1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Financiën over de Voorjaarsnota 2025. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 3 juni 2025.

  • De antwoordbrief van 27 juni 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Minister van Financiën

Den Haag, 3 juni 2025

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van de Voorjaarsnota 2025.2 De leden van de volgende fracties hebben hierover een aantal vragen: GroenLinks-PvdA, CDA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD, JA21, SGP, Volt en 50PLUS. Ook wordt een aantal vragen gezamenlijk gesteld door de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, ChristenUnie, SP, PvdD, SGP en Volt. De leden van de fracties van D66 en ChristenUnie sluiten zich tot slot aan bij de vragen van de CDA-fractie.

Vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben thematisch een aantal vragen over de Voorjaarsnota:

Huurbevriezing

Bij de Voorjaarsnota zijn afspraken gemaakt over een huurbevriezing voor de sociale huurwoningen voor 2025 en 2026. Hierdoor is bij veel huurders de verwachting gewekt dat er dit jaar en volgend jaar geen huurverhoging plaats zal vinden. Inmiddels is er veel commotie ontstaan in de samenleving over deze afspraak in de Voorjaarsnota. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben hierbij de volgende vragen:

  • 1. Klopt het dat deze huurbevriezing alleen zal gelden voor de woningen die verhuurd worden door de woningcorporaties? Of is de regering voornemens in ieder geval in 2026 deze bevriezing voor álle sociale huurwoningen te laten gelden? Is er geen sprake van ongelijke c.q. oneerlijke behandeling op deze wijze tussen huurders in de private sector en in de corporatiesector?

  • 2. Klopt het dat de regering voornemens is deze maatregel nog vóór 1 juli 2025 te publiceren in de Staatscourant? Zo ja, staat dat zorgvuldige behandeling in het parlement niet in de weg?

  • 3. Wat zijn de consequenties als 1 juli onhaalbaar blijkt?

Woningcorporaties geven aan dat zij door deze maatregel ernstig beperkt worden in de mogelijkheden nieuwe woningen te bouwen en/of woningen te verduurzamen. Dit zou alleen voorkomen kunnen worden als de corporaties minstens 30 jaar gecompenseerd worden voor de gederfde inkomsten.

  • 4. De bouw van hoeveel woningen komt op deze manier in gevaar?

  • 5. Welke compensatie zou nodig zijn om dit te voorkomen?

  • 6. Hoe denkt de regering deze compensatie te gaan dekken in de rijksbegroting?

«Het Rijk, overheden, corporaties en marktpartijen hebben op de Woontop concrete afspraken gemaakt over hoe ze de realisatie van nieuwe woningen versnellen naar 100.000 woningen per jaar. Twee derde van alle nieuwe woningen moet betaalbaar zijn en het bouwtempo gaat flink omhoog. Doorbraken zijn bereikt in Utrecht, Lisserbroek en Nieuw-Vennep West en Lansingerland, in totaal voor bijna 75.000 extra woningen. In de gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid komen tussen 2025 en 2029 – bovenop bestaande afspraken – nog eens 10.000 extra woningen. Daarnaast zijn in deze gebieden 40.000 woningen versneld klaar».3

  • 7. Welke van deze afspraken komen in gevaar als woningcorporaties veel minder kunnen investeren?

  • 8. Is er dan nog wel spraken van «wederzijdse afspraken»? Of, hoe betrouwbaar is de Rijksoverheid als afspraken van nog maar een paar maanden oud, door een schijnbaar ondoordachte maatregel uit de Voorjaarsnota, gedwarsboomd worden?

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft tijdens het commissiedebat in de Tweede Kamer en ook publiekelijk in de pers aangegeven zelf niet achter deze afspraak uit de Voorjaarsnota te staan. In de zogenoemde dilemmanotitie van 20 mei jl. aan de ministerraad schetst deze Minister in feite de onmogelijkheid van deze maatregel. Ook de juridische houdbaarheid wordt als uiterst kwetsbaar ingeschat.

  • 9. Wat brengt de regering ertoe (behoudens: het staat nu eenmaal in de Voorjaarsnota en het is dus zo afgesproken) vast te houden aan dit voornemen?

  • 10. Is het niet veel verstandiger dit voornemen ijlings in te trekken nu zoveel organisaties hebben aangegeven dat het onverstandig is, nu de juridische houdbaarheid zeer ongewis is én nu er geen dekking is voor voldoende compensatie van de corporaties?

Gemeentefonds

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA, D66, CU, Volt, OPNL, PvdD, SP, CDA, SGP en JA21 hebben onderstaande vragen naar aanleiding van de motie-Fiers c.s. over het gemeentefonds.4 In deze motie wordt de regering verzocht om «het financiële advies van de commissie-Van Ark integraal en volledig over te nemen en dit bij de Voorjaarsnota te regelen».

De aan het woord zijnde leden constateren dat deze motie (nog) niet volledig is uitgevoerd. Daarmee blijft de onzekerheid omtrent de financiën van de jeugdzorg voortbestaan.

  • 1. Kan de regering aangeven hoe en wanneer deze motie alsnog uitgevoerd gaat worden?

Onderwijs

In de Voorjaarsnota is een bezuiniging opgenomen op de Onderwijskansenregeling. De korting bedraagt 90 miljoen in 2027 en vanaf 2028 structureel 177 miljoen. De leden van de GroenLinks-PvdA- fractie hebben hierover de volgende vragen:

  • 1. Heeft de regering in beeld welk type scholen voornamelijk geraakt worden door deze bezuiniging? Hoeveel arbeidsplaatsen zijn hiermee gemoeid? Wat betekent het schrappen van deze regeling voor de druk op het reguliere onderwijspersoneel?

  • 2. Hoeveel leerlingen maken op dit moment gebruik van de onderwijskansenregeling? Heeft de regering een duidelijk beeld van de effecten van deze regeling, die al 35 jaar bestaat? Is deze geëvalueerd? Zo ja, kunt u deze evaluatie met de Kamer delen? Zo nee, is de regering bereid dit alsnog te onderzoeken?

  • 3. Heeft de regering laten onderzoeken wat de gevolgen zijn van het schrappen van de onderwijskansenregeling, die al decennia onderdeel uitmaakt van de onderwijsfinanciering? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?

  • 4. Kent de regering de dringende oproep van de schoolleiders van het voortgezet onderwijs in de vijf grote steden om deze regeling te behouden? Wat gaat de regering doen aan de, door hun gesignaleerde, zorgen voor de meest kwetsbare jongeren die door het schrappen van deze maatregel nog verder op achterstand komen? Op welke manier komt de regering deze jongeren tegemoet? Wat gaat de regering doen aan de toenemende kansenongelijkheid die het gevolg is van deze bezuiniging?

Buitenland

  • 1. Kan de regering toelichten hoe zij de gewijzigde motie-Huizinga c.s.5 over de koppeling van het ODA-budget aan het BNI precies heeft uitgevoerd. Kan de regering dit toelichten met berekeningen voor de aankomende jaren tot 2030 (zoals gebruikelijk is in de Voorjaarsnota)?

Asiel

  • 1. Volgens berichtgeving zou er sprake zijn van stijgende opvangkosten per asielzoeker. Hoe verklaart de regering de stijgende kosten van opvang per asielzoeker?

  • 2. Kunt u de kosten voor asielopvang per asielzoeker (in de zin van totale uitgaven gedeeld door het aantal opgevangen asielzoekers in dat jaar) weergeven voor de jaren vanaf 2015 en verder?

  • 3. De Voorjaarsnota meldt diverse aanvullende uitgaven van honderden miljoenen euro's aan asiel bij COA én IND. In de ogen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie is dat veroorzaakt door onrealistisch begroten. Staat de regering voor de begroting voor komende jaren zoals die nu is opgenomen in de Voorjaarsnota? Hoe voorkomt de regering dat er ieder jaar geld bij moet?

Lelylijn

  • 1. Het baart de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zorgen dat zelfs opname in het regeerprogramma en een Tweede Kamermotie die met 150 tegen 0 stemmen6 is aangenomen blijkbaar geen zekerheid biedt voor belangrijke langlopende projecten. Kan de regering aangeven wanneer medeoverheden er wel vanuit mogen gaan dat voornemens van de regering rond specifieke infrastructuur vaststaan? Staat het voornemen de Nedersaksenlijn aan te leggen wel, of gaat de regering dat ook nog heroverwegen? In welke processtap worden infrastructurele projecten onherroepelijk?

  • 2. Het is naar voren gekomen dat de eerder voorgenomen jaarlijkse bezuiniging op het studentenreisproduct van 225 miljoen euro doorwerkt naar de regionale en nationale OV-bedrijven. Klopt dit? In het kader van realistisch begroten: is deze verkapte en wellicht onbedoelde bezuiniging te dragen, of kan dit later tot een tegenvaller leiden? Kan de regering de gevolgen voor het OV kwantificeren?

Begroting

  • 1. Wat is voor de jaren vanaf 2015 de jaarlijkse nominale uitgavengroei? Ligt dat gemiddeld hoger of lager dan de jaarlijkse nominale uitgavengroei deze kabinetsperiode afgaande op de meest actuele inschattingen daarvan in de Budgettaire Analyse van de Voorjaarsnota door het CPB?

  • 2. De regering kiest er in de Voorjaarsnota op diverse punten voor de inkomensbelasting te gebruiken als dekking. Wat is de totale extra verhoging van de inkomstenbelasting ten opzichte van het regeerakkoord?

  • 3. De Nederlandse begroting is via het indienen van het zogenaamde financiële steunplan (FSP) afgewezen door de Brusselse begrotingsautoriteiten. Kunt u feitelijk aangeven hoe groot de financiële inspanning is die nodig is om tot een goed te keuren begroting te komen?

Vragen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Voorjaarsnota 2025 en de suppletoire begrotingen. Deze leden zouden hier graag de volgende vragen bij stellen. De leden van de D66-fractie sluiten zich bij deze vragen aan.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de extra voorgestelde bezuinigingen op Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarbij hebben deze leden een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat middels het aangenomen amendement-Bontenbal c.s.7 de voorgestelde bezuinigingen op OCW verminderd zijn. De leden van deze fractie hebben er kennis van genomen dat in de Voorjaarsnota nieuwe bezuinigingen op OCW zijn opgenomen van 400 miljoen, ondanks dat middels het amendement-Bontenbal c.s. 748 miljoen van de oorspronkelijk voorgestelde bezuinigingen is teruggedraaid. De leden van de CDA-fractie constateren dat de Minister van OCW in de Eerste Kamer heeft aangegeven te willen werken aan herstel van vertrouwen.

  • 1. De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op de voorgestelde extra bezuinigingen met betrekking tot het onderdeel internationalisering in het amendement-Bontenbal c.s.

  • 2. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe het staat met de uitvoering van de toezegging8 die de Minister van OCW in de derde termijn heeft gedaan aan de heer Rietkerk, dat hij nog voordat het zelfregieplan van de universiteiten zou komen, bestuurlijk overleg zou plegen met de hoger onderwijsorganisaties in de genoemde regio’s uit het amendement-Bontenbal c.s.

  • 3. Er wordt fors extra bezuinigd op de onderwijskansenregeling. Hoe reflecteert de regering op deze extra voorgestelde bezuiniging met het oog op het vertrouwen dat hij in de Eerste Kamer had toegezegd te willen herstellen?

In het verlengde van de vorige vraag heeft de Minister van OCW tijdens een Tweede Kamerdebat9 aangegeven dat hij moeite heeft met het schrappen van de Onderwijskansenregeling en hij zich afvraagt hoe je dat zou willen beargumenteren, ondanks dat hij niet de verantwoordelijke bewindspersoon is.

  • 4. De leden van de CDA-fractie vragen de regering dit te beargumenteren met het oog op zowel de uitvoerbaarheid als de rechtmatigheid.

  • 5. Meer specifiek willen de leden van de CDA-fractie ingaan op de rechtmatigheid van de voorgenomen bezuiniging op de Onderwijskansenregeling. Een bezuinigingsmaatregel die resulteert in het beëindigen of verminderen van een bekostigingsaanpak moet altijd inhoudelijk gemotiveerd worden. Bij het uitfaseren van de Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs ontbreekt een inhoudelijke motivering. Eerder heeft het Ministerie van OCW deze regeling noodzakelijk geacht ter bevordering van de kansengelijkheid, waardoor er sprake is van een harde juridische kern en een motivering vereist is bij een bezuiniging erop.10 Tot op heden ontbreekt deze motivering. Hoe motiveert de regering het uitfaseren van de Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs in het licht van de bezuinigingen?

  • 6. De leden van de CDA-fractie vragen de regering uit te leggen of, en zo ja hoe, de doelen die gediend werden met de Onderwijskansenregeling nog behaald zullen worden met deze voorgestelde bezuiniging. De leden constateren dat het een effectieve regeling was en vragen in het licht hiervan met een motivering te komen.

Voorts constateren de leden van de CDA-fractie dat in de Voorjaarsnota een aanvullende structurele korting van 9 miljoen euro in 2026 oplopend tot 21 miljoen euro in 2030 heeft aangekondigd met betrekking op het mbo.

  • 7. De leden vragen om een nadere toelichting voor de bezuinigingen op het gebied van praktijkleren en doorstroming beroepskolom (vo/mbo/hbo). Wordt hierop bezuinigd, en zo ja, kan de regering hier op reflecteren?

Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering op het gebied van VRO ombuigingen wil realiseren, mede op het gebied van de huurbevriezing. De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft geconstateerd dat de huurbevriezing grote gevolgen zal hebben voor woningcorporaties, aangezien de investeringsruimte van corporaties substantieel afneemt. Dit heeft directe gevolgen voor landelijke doelstellingen, waaronder de bouw van sociale huurwoningen en het verduurzamen van bestaande woningen. Nationale ambities op het gebied van nieuwbouw en verduurzaming zijn hierdoor niet meer haalbaar, het heeft een negatieve impact op wooncondities en beleidswijzigingen zoals de huurbevriezing leiden ertoe dat de bereidheid tot investeren daalt.

  • 8. De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op deze gevolgen en nader te motiveren waarom zij de huurbevriezing wil doorzetten.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering op dit moment onvoldoende middelen heeft om woningcorporaties te compenseren. Woningcorporaties menen dat er sprake is van geschonden afspraken. Er wordt een grote ingreep gedaan in de investeringscapaciteit en daarmee in het eigendom van woningcorporaties. In de Tweede Kamer heeft de regering voorts in een Kamerdebat11 aangegeven dat het ingrijpen in de huren het eigendomsrecht van corporaties aantast. Dit is niet toegestaan zonder redelijke termijn. Woningcorporaties hebben aangegeven naar de rechter te zullen stappen.

  • 9. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hier op te reageren en in te gaan op een mogelijke schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en hoe het voorgestelde ingrijpen een inbreuk maakt op het eigendomsrecht.

  • 10. De leden van de CDA-fractie lezen dat de huurbevriezing niet zal gelden voor particuliere verhuurders, maar nog wel voor woningcorporaties. De leden van de CDA-fractie wensen op dit punt graag een motivering op het gebied van het gelijkheidsbeginsel.

Infrastructuur en waterstaat en Mobiliteitsfonds

Bij de begrotingsstaten van het Mobiliteitsfonds 2025 hebben de leden van de CDA-fractie vragen gesteld aan de regering over de uitvoering van MIRT-projecten.12 In de nota naar aanleiding van het verslag13 bleek dat de stikstofproblematiek vaak een obstakel is bij de uitvoering en realisatie van MIRT-projecten. Deze leden constateren dat de stikstofproblematiek nog niet is opgelost.

  • 1. Hoe reflecteert de regering op de uitvoerbaarheid van investeringen in het Mobiliteitsfonds in relatie tot de stikstofproblematiek?

  • 2. Hoe wil de regering de investeringen gaan uitvoeren?

De leden van de CDA-fractie constateren op basis van de beantwoording op eerdere vragen over de voortgang van het MIRT-project N35 Wijthmen-Nijverdal dat de financiële middelen voor dit project ontoereikend waren.14 De regering antwoordde dat onderzocht zou worden welke alternatieven mogelijk zijn binnen het bestaande budget. Deze leden lezen in de stukken geen nieuwe informatie over de N35.

  • 3. In hoeverre heeft de regering aanvullende middelen gezocht voor de uitvoering van dit project en in hoeverre acht de regering aanvullende middelen noodzakelijk voor een succesvolle uitvoering van het project?

Klimaatfonds

Deze leden constateren dat dat de Minister geen ruimte ziet om een aangenomen motie van het lid Bovens c.s.15 uit te voeren die oproept om vijf miljard euro van het Klimaatfonds te bestemmen voor activiteiten en maatregelen in de landbouw die een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het Klimaatfonds. Deze leden constateren ook dat bij de Voorjaarsnota geld uit het Klimaatfonds wordt bestemd voor de verlaging van de energierekening via een generale korting van het fonds van 600 miljoen euro.

  • 4. De leden van de CDA-fractie vragen of deze constateringen kloppen.

  • 5. Bovendien vragen deze leden aan de regering hoe zij de klimaatdoelstellingen wil behalen, in relatie tot de korting van het Klimaatfonds en het niet openstellen van het Klimaatfonds aan de landbouw.

Vragen van de D66-fractie

Naast de toetsingscriteria van rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid toetsen de leden van de Eerste Kamerfractie van D66 voorstellen ook op toekomstgerichtheid. In dat verband verheugde het de leden van deze fractie dat de regering in de Voorjaarsnota spreekt van «toekomstgericht begroten».

  • 1. Hoe verenigt de regering dit toekomstgericht begroten met de frontale aanval op de toekomst van ons land door nogmaals fors te bezuinigen op de kansen voor en het onderwijs van kinderen, jongeren en studenten? Graag een uitgebreide verklaring.

  • 2. Deelt de regering het standpunt van de leden van de D66-fractie dat de overheid er juist dient te zijn voor de meest kwetsbaren in onze samenleving? En dat dat bij onderwijs bijvoorbeeld kinderen in het praktijkonderwijs en het vmbo, kinderen met ondersteuningsbehoefte, en kinderen die in armoede leven zijn?

  • 3. Zo ja, kan de regering uitleggen waarom zij juist op het onderwijs van deze kinderen bezuinigt door de onderwijskansenregeling af te schaffen?

De bezuinigingen op het onderwijs in de Voorjaarsnota hebben voor heel veel scholen en heel veel leerlingen enorme gevolgen. Tot wel 455.000 leerlingen worden door deze bezuinigingen geraakt. De VO-raad verzamelt praktijkvoorbeelden van de desastreuze gevolgen van de voorgenomen bezuinigingen van de regering, onder meer voor kinderen met een achterstand16, kinderen in kleinere gemeenten17, en kinderen die nu al thuis zitten18.

  • 4. Hoe denkt de regering te voorkomen dat deze kinderen het kind van de rekening worden? Graag een uitgebreide reactie.

De leden van de aan het woord zijnde fractie zien dat de regering voornemens is opnieuw te bezuinigen op het hoger onderwijs. De regering toont zich, naar de opvatting van de leden van de fractie van D66, doof en blind voor de protesten van studenten, docenten en onderzoekers in het hele land én in de Eerste Kamer. De gevolgen van deze bezuinigingen zullen opnieuw vernietigend zijn.

  • 5. Hoe rechtvaardigt de regering deze bezuinigingen, nadat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het debat over de Begroting OCW19 nog aangaf het vertrouwen van de hoger onderwijsinstellingen in hem te willen herstellen?

  • 6. Is de regering bereid deze bezuinigingen te heroverwegen?

Vragen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de Voorjaarsnota 2025 en spreken hun zorgen uit over de daarin opgenomen bezuinigingen voor zowel het lopende jaar en de jaren daarna, en hebben daarover de volgende opmerkingen en vragen:

Algemeen

  • 1. Kan de regering een duidelijke (financieel) overzicht geven van de doorgeschoven verplichtingen enerzijds en de daadwerkelijke bezuinigingen anderzijds?

  • 2. Wat zijn de gevolgen van het doorschuiven op de begrotingen in de jaren tot 2030? Moeten doorgeschoven middelen niet nu al worden gereserveerd voor deze jaren?

  • 3. Welke effecten zijn te verwachten van het niet volledig compenseren van ministeries bij prijsontwikkelingen? Hoeveel dekking verwacht de regering hiermee te realiseren in relatie tot een verdere kostenstijging bij uitstel van initiatieven of projecten?

  • 4. Waarom is ervoor gekozen om tot 2030 400 miljoen euro te bezuinigen op de envelop Groepen in de knel? Welk budget blijft nog over en welk effect gaat deze bezuiniging hebben op deze groepen?

I&W/VRO

  • 5. Klopt het dat de huurbevriezing na twee jaar compensatie voor corporaties een feitelijke bezuiniging op de huurtoeslag is? Zo ja, wat is hier de reden voor?

  • 6. Klopt het dat door de huidige financieringssystematiek corporaties minder kunnen investeren in onderhoud en nieuwbouw bij het huidige kabinetsbeleid?

  • 7. Op welke wijze is de regering voornemens de investeringsruimte van corporaties te verbeteren?

  • 8. Welke gevolgen heeft het inzetten van de reservering voor de Lelylijn voor de realisatie van de Lelylijn?

  • 9. Welk effect heeft het schrappen van de Lelylijn op het aantrekken van Europese middelen?

SZW

  • 10. Is bij de bezuiniging op de WW door de looptijd met maar liefst een kwart te verlagen ook rekening gehouden met het effect hiervan op andere uitkeringen zoals de bijstand en zo ja, met welk effect is rekening gehouden?

  • 11. Welke effecten verwacht de regering dat het uitstellen van de «bijna gratis kinderopvang» zal hebben op de arbeidsdeelname van ouders?

I&A

  • 12. In 2025 is 800 miljoen euro meer nodig voor de opvang van asielzoekers en in 2026 nog eens 400 miljoen euro. Kan de regering aangeven wat de oorzaak is van deze kostenstijging voor de opvang van asielzoekers en hoeveel van deze middelen moeten worden ingezet voor noodopvang?

  • 13. Hoe moeten de leden van de SP-fractie de zin «Het budget voor de IND wordt opgehoogd om personeel te behouden»20 lezen in relatie tot de structurele verhoging van het budget met 374 miljoen per jaar, wat gemiddeld een loonsverhoging van ruim € 60.000 per jaar zou betekenen?

  • 14. Hoeveel middelen worden er jaarlijks uitgegeven aan dwangsommen aan asielzoekers waarvan de asielaanvraag niet binnen de wettelijke beslistermijn wordt afgehandeld? En wat is de oorzaak van de verhoging met 100 miljoen in 2026?

  • 15. Waarom wordt er 100 miljoen euro gereserveerd in 2025 voor onder andere het tweestatenstelsel dat in 2025 nog niet van kracht is?

VWS

  • 16. Welke groepen in de samenleving worden benadeeld door het beperken van de aanspraak op zelfzorggeneesmiddelen in de Zorgverzekeringswet? Welke effecten gaat deze bezuiniging van 400 miljoen tot 2030 hebben op de overige zorgverlening? Bestaat niet het risico dat deze maatregel leidt tot het gebruik van veel duurdere medicijnen via een recept van een huisarts?

  • 17. Kan de regering aangeven hoe de verdeling van de 98,4 miljoen euro intensivering op de VWS-begroting naast de 17 miljoen euro voor palliatieve zorg, de apparaatstaakstelling van 15 miljoen euro en de dienstverlening aan huis van 10,8 miljoen euro, precies in elkaar steekt?

  • 18. Op welke wijze wordt de 17 miljoen euro voor vrijwilligers in de palliatieve zorg precies ingezet?

  • 19. Dit kabinet trekt structureel ruim 400 miljoen euro uit ter ondersteuning van de gemeenten ten behoeve van de jeugdzorg. Daarnaast is sprake van een gedeelde bijdrage, waardoor ook de gemeenten extra moeten bijdragen. Kan de regering aangeven hoeveel de gemeenten extra moeten gaan bijdragen aan de jeugdzorg en in hoeverre kunnen gemeenten ook daadwerkelijk deze bijdrage leveren, gezien de naderende korting op het gemeentefonds?

  • 20. Kan de regering aangeven welke gevolgen de eigen bijdrage van de jeugdzorg in 2028 van 260 miljoen euro gaat hebben voor de wachtlijsten en werkdruk in de jeugdzorg?

LVVN

  • 21. Kan de regering aangeven op welke wijze de 600 miljoen euro voor stikstofaanpak gaat worden ingezet en op welke termijn? Wat is de relatie tussen dit bedrag en de ombuiging op het Klimaatfonds van eveneens 600 miljoen?

OCW

De leden van de SP-fractie zijn geschokt over de in de Voorjaarsnota opgenomen extra onderwijsbezuinigingen van 400 miljoen bovenop de 1,1 miljard aan bezuinigingen die zijn opgenomen in de onlangs door de Eerste Kamer aangenomen OCW-begroting.21 Het meest kwalijke hierbij is volgens voornoemde leden dat de grootste van deze extra onderwijsbezuinigingen die groep van kwetsbare leerlingen in het voortgezet onderwijs treffen die extra ondersteuning krijgen via de onderwijskansenregeling. Daarnaast betreuren voornoemde leden ook de verdere bezuinigingen op het MBO, HBO en WO. De leden van de SP-fractie hebben de volgende vragen over deze voorgenomen extra bezuinigingen:

  • 22. Kan de regering de motivatie toelichten voor de voorgenomen onderwijsbezuinigingen, en met name die op de onderwijskansenregeling? Wat is de ratio van deze voorgenomen bezuiniging? Waarom heeft de regering ervoor gekozen juist deze groep van de 455.000 meest kwetsbare leerlingen te treffen?

  • 23. Welke resultaten heeft de onderwijskansenregeling tot nu toe opgeleverd en hoe weegt de regering deze resultaten in relatie tot de voorgenomen afschaffing van de regeling? Wat gaat volgens de regering deze bezuiniging betekenen voor de kansen van de meest kwetsbare leerlingen in onze samenleving? Is de regering het met voornoemde leden eens dat de kansen van die groep van bijna een half miljoen leerlingen ten gevolge van deze bezuiniging zullen afnemen? Wat zegt dit over kansengelijkheid als doel van het funderend onderwijs? Deelt de regering dat doel, en zo ja hoe kunnen zij deze bezuiniging dan rechtvaardigen? Hoe schat u de gevolgen in van deze bezuiniging voor die scholen waarvan de leerlingen extra ondersteuning het hardst nodig hebben?

  • 24. Heeft de regering een inschatting gemaakt van de effecten van de in totaal meer dan 80 miljoen euro aan bezuinigingen op het HBO en het MBO? Wat zullen de gevolgen hiervan zijn voor zowel studenten als voor onderwijzend personeel?

  • 25. Welk effect gaat het schuiven met middelen voor loon- en prijscompensatie hebben op de motivatie van het onderwijspersoneel en de werkdruk? Deelt de regering de zorgen van de leden van de fractie van de SP hierover? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt de regering de negatieve gevolgen van deze bezuinigingen te gaan opvangen?

  • 26. Binnen welke termijn zal de tegenvaller van 5 miljoen euro in 2025 door de bijstelling op de leerling- en studentenraming oplopen tot structureel 125,2 miljoen euro en op welke wijze zal deze tegenvaller de komende jaren wordt gedekt?

Vragen van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de Voorjaarsnota en hebben daarover de volgende vragen.

Huurbevriezing sociale huur

De veelbesproken huurbevriezing heeft vergaande gevolgen voor de woningbouwsector. Woningbouwcorporaties kunnen minder investeren in het bouwen en verduurzamen van woningen, waardoor de gemaakte nationale prestatieafspraken (NPA) in het gedrang komen.

  • 1. Kan de regering toelichten waarom er niet voor gekozen is om de lastenverlichting via een verlaging van de huurtoeslag te bewerkstelligen?

  • 2. Hoewel de regering voornemens is om de sociale huur te bevriezen, zijn er geen middelen beschikbaar gesteld voor de 500.000 sociale woningen in de particuliere verhuur. Daar gaat de huurstijging per 1 juli 2025 door. Hoe wil de regering voorkomen dat deze groep huurders op ongelijke wijze wordt behandeld ten aanzien van de huurders onder de woningbouwcorporaties?

Asiel & migratie

  • 3. De regering heeft in de Voorjaarsnota middelen vrijgemaakt voor het COA. Betekent dit dat het COA in staat wordt gesteld om de vaste voorraad van 41.000 opvangplekken te realiseren? Als dat niet het geval is, hoe geeft de regering dan uitvoering aan de motie-Huizinga c.s.?22

Onderstaande vragen over ontwikkelingssamenwerking worden mede namens de leden van de fracties van PvdD en SP gesteld.

Ontwikkelingssamenwerking

Met betrekking tot het ODA-budget wordt de koppeling met het bruto nationaal inkomen hersteld. Hierbij wordt echter wel een lager percentage gehanteerd dan de beoogde OESO-norm van 0,7%.

  • 4. Gaat deze koppeling pas in vanaf 2026, of ook terugwerkend per 2025? Indien dit niet terugwerkt, waarom is ervoor gekozen om de koppeling niet per 2025 te herstellen?

De OESO-norm voor ontwikkelingssamenwerking is in VN-verband in 1970 vastgesteld op 0,7% van het bruto nationaal product (bnp). De huidige begroting laat zien dat Nederland in 2028 nog maar 0,42% van haar bnp beschikbaar stelt: een derde onder de norm. De OESO-norm is weliswaar niet afdwingbaar, maar bevat wel een inspanningsverplichting van lidstaten om 0,7% na te streven.

  • 5. De regering laat het streefcijfer van 0,7% definitief los. Hoe voldoet de regering dan nog aan die inspanningsverplichting?

  • 6. Het loslaten van de koppeling in de Miljoenennota 2024 heeft als effect gehad dat de BNI-ontwikkelingen over 2025 niet zijn meegenomen en het ODA-budget niet is meegestegen. Nu wordt de koppeling hersteld, maar niet op het oorspronkelijke niveau. Met de aangenomen motie Huizinga c.s.23 vroeg een meerderheid van de Eerste Kamer om de huidige koppelingssystematiek structureel te waarborgen, met «huidig» doelend op de standaard die in 2025 is losgelaten. Kan de regering uitleggen hoe zij met deze nieuwe, versoberde koppeling gehoor geeft aan de oproep vanuit de Eerste Kamer?

Vragen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Voorjaarsnota 2025 en hebben hierover een aantal vragen:

  • 1. De Minister van VWS zegde eerder toe om de bezuiniging van 300 miljoen op pandemische paraatheid in de Voorjaarsnota te corrigeren.24 Dit is niet gebeurd. Hoe is de regering voornemens om deze bezuiniging alsnog te herstellen? En op welke termijn?

  • 2. In de Voorjaarsnota is 51 miljoen gereserveerd voor «dierwaardigheid». Waar wordt dit bedrag precies aan besteed?

  • 3. Voor de Landelijke Aanpak Wolf is 28 miljoen euro gereserveerd. Kan de regering deze 28 miljoen specificeren? Waar wordt deze aan besteed?

  • 4. Vijf ambassades en twee consulaten-generaal worden gesloten: in Bujumbura (Burundi), Havana (Cuba), Juba (Zuid-Soedan), Tripoli (Libië), Yangon (Myanmar) en de consulaten in Antwerpen (België) en Rio de Janeiro (Brazilië). Op termijn verdwijnen nog vier posten. Ook op andere ambassades wordt gesneden in personele capaciteit. In totaal moet deze operatie 25 miljoen euro opleveren. Is de regering het met de leden van de PvdD-fractie eens dat in tijden van geopolitieke spanningen bezuinigen op ambassades en consulaten onverstandig is? Hoe worden de werkzaamheden van deze ambassades/consulaten gewaarborgd?

  • 5. De aan het woord zijnde leden zijn verbaasd dat de SDE+-subsidie voor houtige biomassa wordt verlengd. Hoeveel subsidie is voorzien voor de Duitse RWE-centrale in 2025, 2026 en 2027? En in hoeverre acht de regering dit besluit in overeenstemming met de motie-Koffeman c.s., waarin het kabinet werd opgeroepen om nieuwe subsidies op houtige biomassa te stoppen en huidige subsidies niet te verlengen?25

  • 6. Waar zijn de investeringen in luchthaven Groningen airport Eelde voor bedoeld?

  • 7. Waarom kiest het kabinet voor een verlaging van de bijdragen aan de UNRWA terwijl er juist nu hard hulp nodig is in Gaza?

  • 8. Hoe beïnvloedt het naar achter schuiven van de reservering van 400 miljoen euro (van 2026 naar 2029 en 2030) op stikstofmiddelen op de Aanvullende Post het behalen van de stikstofdoelen?

Vragen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben de volgende vragen over de Voorjaarsnota:

  • 1. Waarom blijft de regering de huurtoeslag als lapmiddel inzetten in plaats van te kiezen voor structurele hervorming van het toeslagenstelsel, dat een bureaucratisch moeras is geworden waarin werken nauwelijks loont?

  • 2. Kan de regering bevestigen dat de eenmalige «boodschappenbonus» in feite een koopkrachtpleister is voor expansieve overheidsuitgaven die de inflatie mede aanjagen?

  • 3. In de Voorjaarsnota valt te lezen: «Ter compensatie van de terugvallende huurinkomsten door de huurbevriezing wordt geld gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur».26 Kan de regering hierop reflecteren? Zou het niet verstandiger zijn om de huren niet te bevriezen, opdat er ook geen reserveringen nodig zijn om de terugvallende huurinkomsten te compenseren?

  • 4. Wat is het effect van deze incidentele verhoging op het aantal huishoudens dat langdurig afhankelijk blijft van huurtoeslag? Wordt armoede hier bestreden of juist bestendigd?

  • 5. Hoe geloofwaardig is het beroep op «trendmatig begroten» als de regering tegelijk incidentele lastenverlichting financiert met structurele lastenverzwaringen, zoals het niet-indexeren van de inkomstenbelasting via de tabelcorrectiefactor?

  • 6. Is de regering bereid om een plafond te zetten op het totaal aan inkomensafhankelijke regelingen (huurtoeslag, zorgtoeslag, KOT, WKB), om de werkende middenklasse te beschermen tegen een permanente herverdeling naar de onderkant en bovenkant van de samenleving?

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van de Voorjaarsnota 2025. Nu reeds stellen deze leden enkele vragen.

  • 1. Hoe rijmt de regering de bezuiniging op het kindgebonden budget voor (hogere) middeninkomens met de ambities om middeninkomens beter te ondersteunen?

  • 2. Hoe ondersteunt de regering gezinnen met deze Voorjaarsnota?

  • 3. Is de regering voornemens om in de augustusbesluitvorming meer budget te reserveren voor gezinnen?

  • 4. In hoeverre wordt de BNI-koppeling voor het budget van Ontwikkelingshulp hersteld?

  • 5. En is de regering met de leden van de SGP-fractie van mening dat er bij de augustusbesluitvorming meer budget gereserveerd moet worden?

Vragen van de leden van de Volt-fractie

De leden van de Volt-fractie nemen met interesse kennis van de door de regering voorgelegde Voorjaarsnota. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is hoe de begrotingsvoorstellen eruit zullen zien na behandeling in de Tweede Kamer willen de leden van deze fractie de vragen beperken tot twee elementen. In het eerste element hebben de aan het woord zijnde leden vragen over het algehele begrotingsbeleid op lange termijn. In het tweede element vragen zij zich af of en hoe de verschillende moties vanuit de Eerste Kamer zijn uitgevoerd.

De eerste groep van vragen betreft het algehele begrotingsbeleid. Het kabinet zegt zich vast te houden aan het trendmatige begrotingsbeleid. Het kabinet zegt ook dat de stand van de overheidsfinanciën goed is, maar dat saldo en schuld in de toekomst zullen verslechteren. De Raad van State stelt in haar Voorjaarsrapportage27 dat Nederland niet voldoet aan de Europese begrotingsregels voor de preventieve arm van de begrotingsregels. De Raad van State vraagt de regering ook meer rekening te houden met de landen-specifieke aanbevelingen van de Europese Unie.

  • 1. Hoe reageert de regering hierop? Hoe schat de regering de houdbaarheid van de Nederlandse begrotingen in op middellange termijn in het licht van de noodzaak tot hogere defensie-inspanningen en de optimistisch ingeboekte besparingen op het asiel- en migratiebeleid en de afdrachten aan de EU?

Het IMF spreekt in haar rapport28 over Nederland over «kortzichtig» beleid. Het is gericht op korte termijndoelen die op de lange termijn meer kwaad dan goed doet voor de Nederlandse economie.

  • 2. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Hoe denkt de regering deze kritiek te kunnen weerleggen?

De tweede groep vragen betreft de uitvoering van de door de Eerste Kamer aangenomen moties. De leden van de Volt-fractie hebben allereerst een aantal vragen met betrekking tot de btw op cultuur, media en sport. De regering geeft in de Voorjaarsnota aan dat de voorgenomen verhoging hiervan in 2026 niet doorgaat. Dat betekent ook dat de overgangsregeling die per 1 juli 2025 zou ingaan via een goedkeurend beleidsbesluit wordt gecorrigeerd.

  • 3. Hebben de leden van de Volt-fractie het juist begrepen dat het handhaven van het huidige btw-tarief op cultuur, media en sport geheel wordt gefinancierd door een verhoging van de inkomstenbelasting? Is het juist dat dit zowel gebeurt via de 0,03% verhoging van de loonbelasting voor middeninkomens, zoals aangegeven in het eerdere beleidsbesluit, als door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in 2026? Kan de regering aangeven (in euro) hoeveel belasting hierdoor meer moet worden betaald voor een persoon met een minimuminkomen, een persoon met een modaal inkomen, een persoon met een inkomen van twee keer modaal en een persoon met een inkomen van 1 miljoen euro?

Vervolgens hebben de leden van de Volt-fractie vragen over de indexering van de ODA-middelen op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.

  • 4. Heeft de regering aan de motie-Huizinga-Heringa29 volledig gevolg gegeven? Zo nee, welk deel van de indexering wenst de regering niet toe te passen?

Vragen van de 50PLUS-fractie

Het lid van de 50PLUS-fractie heeft de volgende vragen over de voorliggende Voorjaarsnota:

  • 1. Klopt het dat de verwachting voor het EMU-saldo in 2028 en 2029 (tabel 3) is verbeterd met 0,3% van het BBP in 2028 en met 0,6% van het BBP in 2029? Is bij deze raming al volledig rekening gehouden met de extra uitgaven die vanwege onderbesteding of veranderingen van het kasritme naar latere jaren zijn verschoven?

  • 2. Kan op basis van recente ervaringen met economische verslechtering (2009, 2012, 2020) worden aangegeven hoe het EMU-saldo zich ontwikkelt als er zich een recessie manifesteert?

  • 3. Met hoeveel procent kan (of zal) de raming van het EMU-saldo redelijkerwijs of grofweg verslechteren bij een BBP groei van – 1% voor twee jaar?

  • 4. Is het volgens de regering denkbaar dat de ingezette aanpassingen van het kasritme, leiden tot extra bestedingen in jaren dat het EMU-saldo de grenswaarde van – 3% reeds heeft overschreden? Het klopt toch dat Nederland dan ook vrijwel onmiddellijk moet gaan bezuinigen, omdat de grenswaarde van – 3% dan snel en ruimschoots wordt overschreden? Zijn de uitgaven in het kader van «veranderen van het kasritme» voor deze regering dan ook nog belangrijk of worden dat dan de eerste bezuinigingsposten?

  • 5. Kan de regering aangeven hoeveel fte in 2019, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 in dienst waren van het Rijk, respectievelijk voor de collectieve sector? Kunt u tevens aangeven hoeveel procent van het totaal aantal werknemers in Nederland werkzaam is voor het Rijk, respectievelijk voor de collectieve sector, over de genoemde jaren? Ligt de regering op koers ten aanzien van haar ambities op dit punt? Graag een toelichting.

  • 6. Kan de regering aangeven hoeveel fte in 2019, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 werden ingehuurd als externen binnen het Rijk respectievelijk binnen de collectieve sector? Is het mogelijk om aan deze aantallen fte per jaar, ook de totale kosten in euro weer te geven? Ligt de regering op koers ten aanzien van haar ambities op dit punt? Graag een toelichting.

  • 7. Kan een lijst worden gegeven van alle lastenverhogingen waartoe de regering heeft besloten sinds haar aantreden in juli 2024, die geen onderdeel uitmaakten van het hoofdlijnenakkoord? Zijn er sinds het aantreden van deze regering ook lastenverlichtingen bij gekomen die geen onderdeel uitmaakten van het hoofdlijnenakkoord, zo ja welke?

  • 8. In tabel 2 en 12 van de Voorjaarsnota staat een bedrag van 1.336 miljoen vermeld in het kader van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in 2026. Verderop in dezelfde tabel staat een bedrag van 126 miljoen vermeld, eveneens gelabeld als «beperkt toepassen tabelcorrectiefactor». Dit komt dan toch neer op een totaalbedrag van 1.462 miljoen wat wordt opgehaald met het «beperkt toepassen» van de tabelcorrectiefactor in 2026?

  • 9. Deelt de regering de mening dat de beperking van de tabelcorrectiefactor met 54% in 2026 voor een eerlijke beeldvorming eigenlijk moet worden afgetrokken van het bedrag dat in het hoofdlijnenakkoord vermeld staat onder «Koopkracht en lastenverlichting voor werkende middeninkomens»? Door de beperking van de tabelcorrectiefactor, is er toch nog maar 0,5 miljard van de oorspronkelijke 2 miljard euro beschikbaar voor netto lastenverlichting voor werkende middeninkomens?

  • 10. Kunt u weerleggen dat bijna driekwart van het bedrag wat in het hoofdlijnenakkoord staat gereserveerd voor «lastenverlichting voor werkende middeninkomens» nu indirect is uitgegeven aan het in stand houden van het lage BTW tarief voor sport, cultuur en boeken?

  • 11. Klopt het dat bij de staatsgaranties, ook wel genaamd «risicoregelingen van het Rijk», in het kader van de risicoregeling «Next Generation EU» een totale garantie van 28,45 miljard euro is verstrekt? Klopt het dat deze garantie of risicoregeling pas afneemt als de Europese Commissie de hiervoor aangegane schulden heeft afgelost, naar verwachting rond 2058?

  • 12. Klopt het dat de Europese Commissie, onder deze garantie of risicoregeling, zelf geld ophaalt op de kapitaalmarkten? Kan worden aangegeven hoeveel de Europese Commissie in het kader van «Next Generation EU» op dit moment heeft geleend en hoeveel ruimte de commissie nog over heeft op deze post?

  • 13. Wat is het (gemiddelde) rentepercentage dat door de Nederlandse Staat wordt betaald over de huidige Nederlandse staatsschuld?

  • 14. Leidt het nieuwe Europese defensieplan genaamd «Re-arm Europe» naar verwachting tot een toename van de door de Nederlandse staat afgegeven garanties? Zo ja, met hoeveel ongeveer?

  • 15. Wordt verwacht dat de Europese Commissie al een deel van de schulden in het kader van «Next Generation EU» heeft afgelost op het moment dat zij haar deel van de uitgaven voor «Re-arm Europe» gaat plegen? Indien dit niet het geval is, wanneer wordt verwacht dat de Europese Commissie begint met het aflossen van haar schulden in het kader van «Next Generation EU»?

  • 16. Klopt het dat er nog geen enkel concreet zicht is op de additionele kosten, afdrachten of garanties die (mogelijk moeten) worden verstrekt in het kader van de adviezen uit het rapport van Mario Draghi «The future of European competitiveness»?30

  • 17. Heeft de regering de verwachting dat de additionele kosten van de adviezen uit het rapport van Mario Draghi volledig gedragen zullen worden door de eigen begroting van de Europese Commissie of wordt verwacht dat de lidstaten hiervoor additionele middelen (geld of garanties) ter beschikking moeten stellen?

  • 18. Wat is het (gemiddelde) rentepercentage dat door de Europese Commissie wordt betaald over de schulden die zijn aangegaan in het kader van «Next Generation EU»? Hoeveel is dat bedrag in euro's per jaar? Wat is de gemiddelde looptijd van de leningen in dit verband?

  • 19. Hoeveel euro en hoeveel procent van het BBP heeft de Europese Commissie in totaal geleend op de kapitaalmarkten, per jaar in de jaren 2020 tot en met 2024 en hoeveel is de «(staats)schuld» van de Europese Commissie per eind 2024 en wat is de gemiddelde looptijd van de totale schuld?

  • 20. Hoeveel procent van de jaarlijkse begroting van de Europese Commissie werd in 2019 uitgegeven aan rentelasten, hoeveel was dat in 2024 en naar verwachting in 2025? Hoe luiden deze cijfers (ter vergelijking) voor Nederland?

  • 21. Kan een overzicht worden gegeven van de jaarlijkse rente- en aflossingsverplichtingen van de Europese Commissie in het kader van «Next Generation EU» per jaar van heden tot het verwachte moment van aflossing. Deelt de regering de mening dat deze, relatief nieuwe verplichting, een aanzienlijke kostenpost is voor de begroting van de Europese Commissie tot 2058?

  • 22. Deelt de regering de zienswijze dat de optelsom van de rente en aflossingsverplichtingen in het kader van «Next Generation EU» en de extra kosten die de Europese Commissie gaat dragen in het kader van «Re-arm Europe» een behoorlijk groot beslag leggen op de bescheiden begroting van de Europese Commissie, zeker als ook (nog een deel van) de plannen van Mario Draghi door de Europese Commissie worden gefinancierd? Op deze wijze wordt een groeiende Europese gefinancierde «staatsschuld» toch een «fait accompli»?

  • 23. Kan de ontwikkeling van het totaal aan staatsgaranties of «risicoregelingen van het Rijk» in EU-verband worden weergegeven in een grafiek vanaf 2008? Graag in euro’s en in percentages van het BBP.

  • 24. Erkent de regering dat het verhogen en nakomen van een nieuwe NAVO-norm van 2% naar 3,5%, meer inflatie zal opleveren als daar geen besparingen tegenover worden gezet in vergelijking met de situatie dat de extra uitgaven één op één gedekt worden met bezuinigingen?

  • 25. Erkent de regering dat extra middelen voor defensie sneller tot goede besteding zouden kunnen komen als er elders op de begroting ruimte wordt vrijgespeeld in vergelijking met de situatie dat dit helemaal niet wordt gedaan?

  • 26. Kan een serieuze groeivertraging of een recessie ertoe leiden dat de extra defensie-inspanningen sneller en/of beter tot besteding komen?

  • 27. De voorgenomen verhoging van de huurtoeslag met 1 miljard euro in 2026 leidt volgens de huidige inzet ook weer tot een verlaging van de huurtoeslag met eveneens 1 miljard euro in 2027? Is dit correct? Zo nee, waarom niet?

  • 28. Op pagina 10 van de Voorjaarsnota staat: «Ter compensatie van de terugvallende huurinkomsten door de huurbevriezing wordt geld gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur».

    • a. Hoeveel geld is precies gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur in het kader van het bevriezen van de huren in 2025 en 2026?

    • b. Betreft het een volledige compensatie voor het verlies van inkomsten door woningcorporaties?

    • c. Klopt het dat de bevriezing van de huren een veel groter nadelig effect heeft op de investeringscapaciteit van woningcorporaties, dan het positieve effect van de voorgenomen compensatie?

  • 29. Erkent de regering dat het aantal belastingplichtigen dat gebruik zal willen maken van de tegenbewijsregeling mede afhankelijk is van uiterst volatiele rendement op aandelen en dat het aantal zal toenemen als het rendement op aandelen veel lager of zelfs negatief wordt?

  • 30. Dit lid van de 50PLUS-fractie constateert dat het kabinet «hoopt» op een mooi werkelijk aandelenrendement voor beleggers in 2026, omdat er anders een storm van aanvragen voor de tegenbewijsregeling zal optreden waar onvoldoende rekening mee wordt gehouden en die de Belastingdienst mogelijk niet aan kan. Is de regering ervan overtuigd dat zij de aanvragen in het kader van de tegenbewijsregeling ook bij negatieve rendementen op aandelen kan verwerken?

  • 31. Wanneer belastingplichtige aandelenbeleggers in 2026 een werkelijk rendement hebben dat slechts iets lager is dan het fictief rendement van 7,78%, dan zullen zij geen gebruik maken van de tegenbewijsregeling als het relatief teveel gedoe oplevert en te weinig voordeel. Heeft de regering een inschatting gemaakt vanaf welke negatieve afwijking van het fictieve rendement, belastingplichtigen aandelenbeleggers massaal gebruik zullen willen maken van de tegenbewijsregeling?

  • 32. Erkent de regering dat risicovolle investeringen worden ontmoedigd door een veel hoger fictief rendement te hanteren voor aandelen en andere beleggingen? Is dit een beleidsdoel van de Nederlandse regering?

  • 33. In hoeverre is het verhogen van het fictief rendement voor aandelen direct in conflict met het beleidsdoelen van de Nederlandse regering en van de Europese Commissie om meer private investeringen en durfkapitaal beschikbaar te maken? De verhoging van het fictief rendement voor aandelen bevoordeeld toch juist investeringen in risico arme of risico mijdende vermogenstitels?

  • 34. Een rendement van 7,78% komt bij een belastingtarief van 36% toch neer op een vermogensbelasting van 2,8% op aandelenbeleggingen? Indien deze berekening niet klopt, waarom niet?

  • 35. Deelt de regering de visie dat met een effectieve vermogensheffing van 0,5% op spaargeld en 2,8% op aandelenbeleggingen, risico nemen fiscaal bestraft wordt en risico mijden fiscaal wordt beloond? Indien dit niet wordt gedeeld, waarom niet?

  • 36. Ziet de regering juridische risico’s voor de vermogensheffing op aandelenbeleggingen wanneer het rendement voor meerdere jaren zwaar negatief is? Zo ja welke risico’s?

  • 37. Klopt het dat buitenlandse studenten die in Nederland studeren en voor minimaal 6 uur per week een dienstverband hebben, AOW rechten opbouwen van 2% per jaar? Indien dit het geval is, wat vindt de regering daarvan?

  • 38. Kan een lijst worden gegeven van landen waar Nederlandse studenten met een lokaal dienstverband van 24 uur per maand, rechten opbouwen voor het nationale staatspensioen? Zijn er landen waar buitenlandse studenten überhaupt rechten op kunnen bouwen voor het lokale staatspensioen? Worden hier grenzen gehanteerd? En zo ja, kan gezegd worden of Nederland hierin strenger is of juist minder streng dan andere landen van binnen of buiten de Europese Unie?

Vragen van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, ChristenUnie, SP, PvdD, SGP en Volt

De leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, ChristenUnie, SP, PvdD, SGP en Volt gezamenlijk hebben met belangstelling kennisgenomen van de Voorjaarnota 2025 en de bijhorende stukken. Zij wensen hierover de volgende opmerking te maken.

Uit de stukken blijkt dat nog niet is voldaan aan de toezegging die de Minister van Financiën aan de Kamer heeft gedaan tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen op 19 november 2024.31 In de Voorjaarsnota ontbreekt namelijk zowel een Regioparagraaf als een tabel waarin de doelstellingen uit het rapport «Elke regio telt!» zijn uitgewerkt.32 Hierdoor blijven de financiële effecten van het kabinetsbeleid op de verschillende regio’s in deze Voorjaarnota onvoldoende inzichtelijk. Op de noodzaak daarvan had de Eerste Kamer al bij de Algemene Financiële Beschouwingen van 31 oktober 2023 aangedrongen via een motie.33

De leden van de aan het woord zijnde fracties wensen hierover de volgende vragen te stellen:

  • 1. Kan de regering toelichten op welke termijn zij voornemens is om uitvoering te geven aan toezegging T03968?

  • 2. Denkt de regering daarbij aan een addendum op of bijlage bij de Voorjaarsnota, waarin het ontbreken van de Regioparagraaf en de bijbehorende tabel worden opgenomen?

  • 3. Kan de Eerste Kamer de gevraagde informatie nog in de loop van juni 2025 tegemoet zien, zodat daarmee aan de toezegging wordt voldaan?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk vrijdag 27 juni 2025 in verband met een te plannen plenair debat over de Voorjaarsnota op dinsdag 1 juli 2025.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, W.T. van Ballekom

BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2025

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen die de Eerste Kamer heeft gesteld over de Voorjaarsnota 2025. Daarnaast bevat deze brief hieronder conform het verzoek van de Eerste Kamer naar aanleiding van een motie van het lid Van der Goot een regioparagraaf.

De Minister van Financiën, E. Heinen

Regioparagraaf

In het rapport Elke regio telt! dat op 23 maart 2023 verscheen is geconstateerd dat de relatieve verschillen in welvaart en welzijn in Nederland groot zijn. In reactie hierop heeft het kabinet Rutte IV aangegeven dat het anders en beter moet en dat het hiermee aan de slag gaat. In onderstaande tabel staat de inzet van het huidige kabinet uitgewerkt langs de lijnen van de aanbevelingen uit het rapport Elke Regio Telt.

Aanbeveling

Aanpak Rijk

Herijk de beleids- en investeringslogica

Naast het NPVR werken departementen aan een fundamentele beweging met de aanpassing van eigen beleid en investeringen voor belangrijke regionale opgaven, om aan te sluiten bij regionale context en verschillen. Er zijn veel recente voorbeelden van beleid dat bijdraagt aan het verkleinen van de relatieve regionale verschillen. Met het amendement Bontenbal1 is vanaf 2026 12 miljoen euro oplopend tot 125 miljoen euro structureel in 2031 vrijgemaakt om een deel van de ombuiging op het hoger onderwijs terug te draaien. Daarnaast heeft de invulling van het amendement een inhoudelijke component: in het wetsvoorstel Internationalisering in Balans (WIB) wordt de ruimte voor anderstalige opleidingen binnen instellingen in grens- en krimpregio’s wettelijk verankerd. Hierdoor worden instellingen in staat gesteld internationale instroom in de betreffende regio’s te behouden. Ook op het gebied van infrastructuur wordt veel gedaan om te investeren in de regio, zo heeft het kabinet besloten fors te investeren (ca. 2,5 miljard euro) in de noordelijke provincies van Nederland (Drenthe, Groningen, Friesland en Overijssel). Het kabinet kiest er voor om het budget voor de Lelylijn anders in te zetten zodat op korte termijn gestart kan worden met de aanleg van verschillende investeringen in deze regio. De volgende projecten worden gestart: de Nedersaksenlijn, de sluis bij Kornwerderzand, het veiliger maken van de N36 tussen Almelo en Ommen en de flessenhals bij Meppel wordt aangepakt. Naast onderwijs en infrastructuur wordt er ook op het gebied van zorg gewerkt met het Elke Regio Telt gedachtengoed. Het kabinet wil ervoor zorgen dat ziekenhuizen meer samenwerken en dat streekziekenhuizen in zo volwaardig mogelijke vorm behouden blijven. Specifiek in de acute zorg worden de eerste stappen gezet om budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp (SEH), acute verloskunde (AV) en intensive care (IC) gefaseerd en zo snel mogelijk in te voeren. Dit heeft als doel zekerheid te geven aan kleinere ziekenhuizen en de samenwerking gemakkelijker te maken.

Investeer in langjarige en substantiële programma’s voor regionale ontwikkeling

Als onderdeel van de uitwerking van NPVR zijn er in het najaar van 2024 regiodialogen gevoerd met elf verschillende regio’s. Deze regiodialogen hadden als doel om als regio en Rijk met elkaar over de opgaven en ook vooral over de samenwerking en interactie te spreken om inzicht te krijgen in wat er beter of anders zou kunnen en moeten. Over de uitkomsten van deze gesprekken is de Tweede Kamer geïnformeerd afgelopen december2. Met het NPVR wordt ingezet op langjarig commitment en samenwerking van het Rijk voor de regio’s aan de randen van het land, met uitgangspunten die meer passend zijn voor de specifieke context, kenmerken, kansen en uitdagingen voor deze regio’s. Dit wordt onder andere gedaan door «langjarige agenda’s» met deze regio’s tot stand te brengen. Op dit moment werkt het Rijk samen met de regio’s aan de plannen voor de regio, op basis van de plannen voor de regio’s worden de actieagenda’s opgesteld. In de eerste maanden van 2025 heeft een bestuurlijke bijeenkomst plaatsgevonden, die de start vormt van het NPVR. Het streven is om in de tweede helft van 2025 over de voortgang te rapporteren.

Werk aan een vitale relatie tussen regio’s en Rijksoverheid

Om de relatie tussen de regio’s en Rijksoverheid te versterken stelt het Rijk per regio een ambtelijk regioadviseur en een Rijksvertegenwoordiger als bestuurlijk aanspreekpunt aan, om de verbinding tussen regio en rijk zo goed en laagdrempelig mogelijk vorm te geven. Daarnaast wordt er gewerkt aan de betere spreiding van de Rijkswerkgelegenheid. Bij keuzes voor de locatie van een rijksdienst zullen het regiobelang en de meerwaarde van de aanwezigheid van een rijksdienst in een regio een zwaarder gewicht hebben. Hiermee vergroot het kabinet een betere regionale aanwezigheid, zichtbaarheid en directe nabijheid van de Rijksoverheid, óók in regio’s buiten de Randstad. Diverse acties hiertoe zijn opgepakt, zoals het openen van zogenoemde rijksontmoetingspleinen verspreid over het land.

X Noot
1

Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141

X Noot
2

Kamerbrief 29 697, nr. 158.

In de recent verschenen Kabinetsreactie op de Monitor Brede Welvaart en (Sustainable Development Goals) SDG’25 werd ook specifiek ingegaan op hoe het Kabinet bijdraagt aan de brede welvaart in het land. Onderdeel van de Monitor Brede Welvaart van het CBS is de monitor regionale brede welvaart, zie figuur 1. Hierin concludeert het CBS onder andere dat in landelijke regio’s de brede welvaart hoger is dan in stedelijke regio’s. Echter, er zijn ook landelijke regio’s waarin de brede welvaart substantieel lager ligt dan in andere landelijke regio’s. Dit geldt ook voor de sterk en zeer sterk stedelijke gemeenten die gemiddeld een lagere brede welvaart hebben ten opzichte van minder stedelijke en landelijke gemeenten. Het laat zien dat de wijze waarop brede welvaart uitpakt verschilt van regio tot regio. In haar brief uit maart 2024 stelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan ook dat er regio’s zijn waar de brede welvaart in het algemeen redelijk tot goed kan zijn, maar dat een combinatie van factoren van grote invloed kan zijn op de regionale ontwikkeling. Hierbij valt te denken aan een grotere afstand tot economisch kerngebied, ontgroening, vergrijzing en dunbevolktheid van het gebied, bereikbaarheid en verschraling van het voorzieningenaanbod en de mate waarin deze combinatie van factoren de draagkracht van de regio’s overstijgt.

Het is daarom van belang om oog te blijven houden voor regionale verschillen en hoe het rijk in positieve zin kan bijdragen aan regionale ontwikkeling. Dat betekent niet dat het Rijk altijd het voortouw moet hebben, maar wel vanuit een goede samenwerking tussen regio en Rijk moet bijdragen. Met het NPVR en de bredere beweging rondom de doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica zet het kabinet hier op in.

Antwoorden schriftelijke Kamervragen Voorjaarsnota

Eerste Kamer

Vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie

Huurbevriezing

Vraag 1

Klopt het dat deze huurbevriezing alleen zal gelden voor de woningen die verhuurd worden door de woningcorporaties? Of is de regering voornemens in ieder geval in 2026 deze bevriezing voor álle sociale huurwoningen te laten gelden? Is er geen sprake van ongelijke c.q. oneerlijke behandeling op deze wijze tussen huurders in de private sector en in de corporatiesector?

Antwoord op vraag 1

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 2

Klopt het dat de regering voornemens is deze maatregel nog vóór 1 juli 2025 te publiceren in de Staatscourant? Zo ja, staat dat zorgvuldige behandeling in het parlement niet in de weg?

Antwoord op vraag 2

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 3

Wat zijn de consequenties als 1 juli onhaalbaar blijkt?

Antwoord op vraag 3

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 4

De bouw van hoeveel woningen komt op deze manier in gevaar?

Antwoord op vraag 4

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 5

Welke compensatie zou nodig zijn om dit te voorkomen?

Antwoord op vraag 5

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 6

Hoe denkt de regering deze compensatie te gaan dekken in de rijksbegroting?

Antwoord op vraag 6

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 7

Welke van deze afspraken komen in gevaar als woningcorporaties veel minder kunnen investeren?

Antwoord op vraag 7

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 8

Is er dan nog wel spraken van «wederzijdse afspraken»? Of, hoe betrouwbaar is de Rijksoverheid als afspraken van nog maar een paar maanden oud, door een schijnbaar ondoordachte maatregel uit de Voorjaarsnota, gedwarsboomd worden?

Antwoord op vraag 8

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 9

Wat brengt de regering ertoe (behoudens: het staat nu eenmaal in de Voorjaarsnota en het is dus zo afgesproken) vast te houden aan dit voornemen?

Antwoord op vraag 9

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 10

Is het niet veel verstandiger dit voornemen ijlings in te trekken nu zoveel organisaties hebben aangegeven dat het onverstandig is, nu de juridische houdbaarheid zeer ongewis is én nu er geen dekking is voor voldoende compensatie van de corporaties?

Antwoord op vraag 10

Zie het antwoord op vraag 1.

Gemeentefonds

Vraag 1

Kan de regering aangeven hoe en wanneer motie Fiers die vraagt «het financiële advies van de commissie-Van Ark integraal en volledig over te nemen en dit bij Voorjaarsnota te regelen» alsnog uitgevoerd gaat worden?

Antwoord op vraag 1

Het kabinet zet in op goede en beheersbare jeugdzorg en een gezonde financiële positie voor gemeenten. De afgelopen maanden hebben het Rijk en medeoverheden intensieve gesprekken gevoerd om invulling te geven aan onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. Naar aanleiding van deze overleggen heeft het kabinet in de Voorjaarsnota 2025 besloten voor 2025 tot en met 2027 in totaal circa 3 miljard euro cumulatief beschikbaar te stellen voor jeugdzorg en gemeenten, waarvan ook middelen voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Deze reeksen zijn gebaseerd op het advies van de commissie-Van Ark. Verder worden de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt op inhoud en beheersbaarheid en vanaf 2028 worden aanvullende maatregelen ingevoerd. Zo gaat het Rijk aan de slag met een wetsvoorstel voor de invoering van een eigen bijdrage en met de sturing op trajectduur en zorgintensiteit. Deze maatregelen helpen om bewuster te kijken naar welke hulp passend en effectief is.

De komende periode praten Rijk en VNG nog door over de compensatie voor de uitgaven van gemeenten aan jeugdzorg in de jaren 2023–2024. Uiterlijk in augustus van dit jaar trekt het kabinet hierover conclusies.

Onderwijs

Vraag 1

Heeft de regering in beeld welk type scholen voornamelijk geraakt worden door deze bezuiniging? Hoeveel arbeidsplaatsen zijn hiermee gemoeid? Wat betekent het schrappen van deze regeling voor de druk op het reguliere onderwijspersoneel?

Antwoord op vraag 1

Bijna driekwart van de scholen voor voortgezet onderwijs ontvangt aanvullende bekostiging vanuit de onderwijskansenregeling, voor ruim de helft van de vestigingen. Het is niet mogelijk om exact aan te geven in welke mate de verschillende schoolsoorten geraakt worden door de bezuiniging op de onderwijskansenregeling. De bekostiging wordt namelijk bepaald per vestiging en vestigingen omvatten vaak meerdere schoolsoorten. Wel kan worden vastgesteld dat het merendeel van de leerlingen die van de regeling profiteren onderwijs op vmbo-niveau volgt. Zo ontvangt circa 90 procent van de vestigingen die uitsluitend vmbo-onderwijs verzorgt, middelen op basis van de regeling onderwijskansen. Daarnaast geldt dat 9 procent van het totale budget bestemd is voor praktijkonderwijs, waarmee alle leerlingen die praktijkonderwijs volgen kunnen worden bereikt.

Scholen geven de structurele bekostiging van de onderwijskansenregeling niet alleen aan leraren en onderwijsondersteuners uit, maar ook aan materiële onderwijsmiddelen (zoals laptops), daarom is er geen aantal arbeidsplaatsen te noemen. In 2025 ontvangen 470 scholen voor voortgezet onderwijs voor één of meer vestigingen in totaal 177 miljoen euro aanvullende bekostiging vanuit de huidige onderwijskansenregeling.

De middelen van de Regeling onderwijskansen zijn bedoeld om scholen in staat te stellen passende ondersteuning (zoals kleinere klassen of meer onderwijstijd) te bieden aan leerlingen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden. Met de bezuiniging op de onderwijskansenregeling stopt structurele bekostiging voor deze ondersteuning per 2027. Indien de ondersteuning daardoor niet langer of in mindere mate gerealiseerd kan worden, is dan het ook aannemelijk dat het schrappen van de regeling de druk op het reguliere onderwijspersoneel in de betreffende scholen verhoogt. Tegelijkertijd zal het kabinet de andere investeringen die zij reeds doet in ondersteuning van kwetsbare leerlingen voortzetten. Zo zijn er recent subsidies geïntroduceerd, waaronder School en Omgeving, de Brugfunctionaris en het programma Schoolmaaltijden. Deze subsidiegelden zijn geoormerkt voor specifieke doelen die anders zijn dan de doelen van de onderwijskansenregeling maar komen wel gedeeltelijk terecht bij de scholen die nu middelen uit de onderwijskansenregeling ontvangen.

Vraag 2

Hoeveel leerlingen maken op dit moment gebruik van de onderwijskansenregeling? Heeft de regering een duidelijk beeld van de effecten van deze regeling, die al 35 jaar bestaat? Is deze geëvalueerd? Zo ja, kunt u deze evaluatie met de Kamer delen? Zo nee, is de regering bereid dit alsnog te onderzoeken?

Antwoord op vraag 2

Het totaal aantal leerlingen op de vestigingen waarover de middelen uit de regeling onderwijskansen in 2024 zijn verdeeld, was circa 452.000 op basis van de definitieve bekostigingstelling op 1 oktober 2023. Scholen verantwoorden zich over de besteding van de middelen van de onderwijskansenregeling via de jaarverslaglegging en het XBRL-beleidsportaal waarmee ze aanvullende informatie verstrekken over de inzet van deze middelen. Scholen zetten deze middelen onder andere in op: kleinere klassen, onderwijsassistenten of extra onderwijstijd. De Onderwijskansenregeling in de huidige vorm is een opvolger van het Leerplusarrangement en is in 2024 in werking getreden. De evaluatie heeft dus nog niet plaats kunnen vinden. Wel wordt in de strategische evaluatie van het kansengelijkheidsbeleid Kiezen voor kansen de huidige vormgeving van de regeling beoordeeld als «aannemelijk doeltreffend» en «in theorie doeltreffend» en het CPB heeft eerder ook onderzoek gedaan naar vergelijkbare type maatregelen.3435

Vraag 3

Heeft de regering laten onderzoeken wat de gevolgen zijn van het schrappen van de onderwijskansenregeling, die al decennia onderdeel uitmaakt van de onderwijsfinanciering? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 3

Er is geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van het beëindigen van de onderwijskansenregeling.

Vraag 4

Kent de regering de dringende oproep van de schoolleiders van het voortgezet onderwijs in de vijf grote steden om deze regeling te behouden? Wat gaat de regering doen aan de, door hun gesignaleerde, zorgen voor de meest kwetsbare jongeren die door het schrappen van deze maatregel nog verder op achterstand komen? Op welke manier komt de regering deze jongeren tegemoet? Wat gaat de regering doen aan de toenemende kansenongelijkheid die het gevolg is van deze bezuiniging?

Antwoord op vraag 4

Het kabinet is bekend met de dringende oproep van schoolleiders van het voortgezet onderwijs in de vijf grote steden om deze regeling te behouden.

De onderwijskansenregeling betreft structurele bekostiging voor scholen met leerlingen met risico op leerachterstanden. De bezuiniging gaat in per 2027. Tegelijkertijd zal de regering de andere investeringen die zij reeds doet in ondersteuning van kwetsbare leerlingen voortzetten. Zo zijn er recent subsidies geïntroduceerd, waaronder School en Omgeving, de Brugfunctionaris en het programma Schoolmaaltijden. Deze subsidiegelden zijn geoormerkt voor specifieke doelen die anders zijn dan de doelen van de onderwijskansenregeling, zoals het bieden van een kwalitatief programma van activiteiten rond de school, het versterken van de verbinding tussen school, kind en gezin en de ondersteuningsstructuur op school, en het verstrekken van maaltijden. De middelen komen gedeeltelijk bij de scholen terecht die nu de Onderwijskansenregeling ontvangen. De middelen van de laatste drie programma’s zijn structureel beschikbaar op de OCW-begroting en, zoals aangekondigd in de Kamerbrief over de duurzame vormgeving van School & Omgeving, wordt bezien hoe de programma’s gezamenlijk het beste kunnen worden omgezet naar structurele bekostiging. Daarnaast worden er andere instrumenten ingezet om de kansengelijkheid te bevorderen. Zo blijkt uit de eerste cijfers van de nieuwe doorstroomtoetsen dat leerlingen met een lage sociaaleconomische status, leerlingen op het platteland, leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond en meisjes vaker een bijgesteld schooladvies krijgen. Verder stimuleren we scholen om de ruimte die er is te benutten om de overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs te versoepelen.

Buitenland

Vraag 1

Kan de regering toelichten hoe zij de gewijzigde motie-Huizinga c.s. over de koppeling van het ODA-budget aan het BNI precies heeft uitgevoerd. Kan de regering dit toelichten met berekeningen voor de aankomende jaren tot 2030 (zoals gebruikelijk is in de Voorjaarsnota)?

Antwoord op vraag 1

Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluitvorming besloten om het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni), in lijn met de motie Huizinga c.s. Het ODA-budget is in de jaren 2026–2030 bijgesteld op basis van de verwachte volume- en prijsontwikkeling van het bni. Dit is gedaan door de bni-ontwikkeling van de meest recente raming van het CPB, het CEP’25, af te zetten tegenover de laatste raming van het CPB, de MEV’25.

De koppeling aan de ontwikkeling van het bni betekent dat de verhouding tussen het ODA-budget (teller) en bni (noemer) relatief gelijk blijven aan elkaar. Als het bni met 1% stijgt, stijgt het ODA-budget ook met dezelfde 1%. De bijstellingen zijn berekend door het ODA-budget vanaf 2026 ieder jaar te vermenigvuldigen met het groeipercentage van het bni tussen de stand van het bni geraamd bij CEP’25 ten opzichte van MEV’25. Deze berekeningswijze in een formule ziet er als volgt uit:

ODA-budget bij Voorjaarsnota 2025 = ODA-budget bij MJN’25* % ontwikkeling van het bni t.o.v. MEV’25.

Asiel

Vraag 1

Volgens berichtgeving zou er sprake zijn van stijgende opvangkosten per asielzoeker. Hoe verklaart de regering de stijgende kosten van opvang per asielzoeker?

Antwoord op vraag 1

De afgelopen jaren zijn meerkosten gerealiseerd voor (crisis)noodopvangplekken, aangezien er onvoldoende reguliere opvangplekken waren. Dit verklaart de stijging van de opvangkosten per asielzoeker. In onderstaande tabel zijn de opvangkosten weergegeven tussen 2020 en 2024, op basis van gegevens van het Ministerie van Asiel en Migratie en het COA.

Tabel 1 Overzicht opvangkosten reguliere opvang en noodopvang

Jaar

Totale opvangkosten

Totale kosten reguliere opvang

Totale meerkosten (crisis)noodopvang

Gemiddelde totale bezetting

Gemiddelde bezetting reguliere opvang

Gemiddelde bezetting (crisis)noodopvang

Gemiddelde kosten reguliere opvang

Gemiddelde meerkosten (crisis)noodopvang

2020

€ 698.197.451

€ 698.197.451

 

27.302

27.302

 

€ 25.573

 

2021

€ 812.483.590

€ 812.483.590

 

29.400

29.400

 

€ 27.635

 

2022

€ 1.531.001.402

€ 1.178.233.808

€ 352.767.594

43.420

30.000

13.420

€ 27.136

€ 26.287

2023

€ 2.660.350.415

€ 1.691.317.157

€ 969.033.258

55.600

30.757

24.843

€ 30.419

€ 39.006

2024

€ 3.490.782.024

€ 2.286.759.094

€ 1.204.022.930

68.868

33.609

35.259

€ 33.205

€ 34.148

Vraag 2

Kunt u de kosten voor asielopvang per asielzoeker (in de zin van totale uitgaven gedeeld door het aantal opgevangen asielzoekers in dat jaar) weergeven voor de jaren vanaf 2015 en verder?

Antwoord op vraag 2

In onderstaande tabel staat de gerealiseerde bijdrage vanuit de begroting van Justitie en Veiligheid aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) per asielzoeker in de periode 2015 tot en met 2024.

Tabel 2 Gemiddelde bijdrage aan het COA per asielzoeker vanaf 2015
 

Gerealiseerde bijdrage aan het COA

Gerealiseerde gemiddelde bezetting COA

Gemiddelde bijdrage per asielzoeker

2024

€ 3.932.169.000

69.448

€ 56.620

2023

€ 2.549.415.000

55.690

€ 45.779

2022

€ 1.576.971.000

43.550

€ 36.211

2021

€ 744.188.000

29.440

€ 25.278

2020

€ 758.808.000

27.370

€ 27.724

2019

€ 637.789.000

24.670

€ 25.853

2018

€ 702.162.000

21.200

€ 33.121

2017

€ 964.901.000

23.150

€ 41.680

2016

€ 1.124.049.000

37.160

€ 30.249

2015

€ 1.267.861.000

30.280

€ 41.871

Vraag 3

De Voorjaarsnota meldt diverse aanvullende uitgaven van honderden miljoenen euro's aan asiel bij COA én IND. In de ogen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie is dat veroorzaakt door onrealistisch begroten. Staat de regering voor de begroting voor komende jaren zoals die nu is opgenomen in de Voorjaarsnota? Hoe voorkomt de regering dat er ieder jaar geld bij moet?

Antwoord op vraag 3

Er is bij uw Kamer asielwetgeving aangeboden, zoals het tweestatusstelsel en de asielnoodmaatregelenwet, die als doel heeft de asielinstroom en asielopvang te beperken.

Via reguliere financiële besluitvormingsmomenten besluit het kabinet over de benodigde bijstellingen voor o.a. het COA en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Bij deze besluitvormingsmomenten wordt onder andere gebruik gemaakt van de meest actuele prognoses uit de Meerjaren Productie Prognose (MPP) en de realisatiecijfers.

Lelylijn

Vraag 1

Het baart de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zorgen dat zelfs opname in het regeerprogramma en een Tweede Kamermotie die met 150 tegen 0 stemmen is aangenomen blijkbaar geen zekerheid biedt voor belangrijke langlopende projecten. Kan de regering aangeven wanneer medeoverheden er wel vanuit mogen gaan dat voornemens van de regering rond specifieke infrastructuur vaststaan? Staat het voornemen de Nedersaksenlijn aan te leggen wel, of gaat de regering dat ook nog heroverwegen? In welke processtap worden infrastructurele projecten onherroepelijk?

Antwoord op vraag 1

Voor de besluitvorming over grote infrastructuurprojecten van het Rijk wordt de MIRT-systematiek doorlopen, die bestaat uit vier fases: voorbereidingsfase, verkenningsfase, planning- en studiefase en aanlegfase. Na elke fase van het MIRT wordt een besluit genomen of het project naar de volgende fase gaat. De planning- en studiefase wordt afgerond met een besluit over het vervolg: de projectbeslissing. Wanneer er een positieve projectbeslissing wordt genomen en het projectbesluit is juridisch onherroepelijk, wordt er besloten om het project te gaan realiseren in de aanlegfase. Een infrastructuurproject wordt pas onherroepelijk als tegen het juridische projectbesluit in de beroepstermijn van zes weken geen beroep is ingesteld of, als er wel beroep is ingesteld, dit beroep wordt afgewezen. Dit is nog niet aan de orde voor de Nedersaksenlijn, omdat het project zich pas in de voorbereidingsfase van het MIRT bevindt.

Bij de start van een MIRT-verkenning moet er zicht zijn op minimaal 75% van de aanlegkosten en de dekking van de structurele beheer- en onderhoudskosten. Voor de Nedersaksenlijn is bij de Voorjaarsnota 2025 geld gereserveerd. Het demissionaire kabinet is niet voornemens dit te heroverwegen. Nadat de middelen voor de Nedersaksenlijn door zowel de Tweede als Eerste Kamer zijn bekrachtigd, ontstaat er zicht is op voldoende financiering en kan de verkenningsfase gestart worden. De Tweede Kamer heeft per motie verzocht om de verkenning voor de Nedersaksenlijn uiterlijk bij Prinsjesdag te starten. Met de regio en ProRail wordt op dit moment deze verkenningsfase voorbereid, zodat deze na autorisatie van de eerste suppletoire begroting van IenW door beide Kamers, zo snel mogelijk gestart kan worden.

Vraag 2

Het is naar voren gekomen dat de eerder voorgenomen jaarlijkse bezuiniging op het studenten-reisproduct van 225 miljoen euro doorwerkt naar de regionale en nationale OV-bedrijven. Klopt dit? In het kader van realistisch begroten: is deze verkapte en wellicht onbedoelde bezuiniging te dragen, of kan dit later tot een tegenvaller leiden? Kan de regering de gevolgen voor het OV kwantificeren?

Antwoord op vraag 2

De Staat, vertegenwoordigd door de Minister van OCW, heeft een contract met (verenigingen van) vervoerders en vergoedt deze vervoerders zo voor het gebruik van het OV door studenten. De vergoeding per kaartsoort wordt gebaseerd op het gemiddeld aantal gereisde kilometers per kaartsoort en wordt ook jaarlijks geïndexeerd. Deze vergoeding wordt periodiek herijkt, zodat de vergoeding in lijn is met het gemiddelde van het door studenten gereisde aantal kilometers. Uit het herijkingsonderzoek over juli 2022-juni 2023 bleek dat het reisgedrag van studenten is verminderd. Op grond van deze herijking zou de voorlopige vergoeding (voorschotbetaling) voor 2024 207,5 miljoen euro lager komen te liggen dan wanneer niet zou zijn herijkt. Dit is geen bezuiniging, maar een bijstelling van de raming volgens de systematiek die het ov-contract voorschrijft. Zo ontvangen de vervoerders een contractvergoeding voor het studentenreisproduct dat berekend wordt op basis van het aantal reisrechthouders (studenten) tegen de geldende kaartprijs. Met andere woorden, het totaalbedrag dat vervoerders ontvangen fluctueert mee met het aantal studenten.

Het genoemde bedrag van 225 miljoen euro herken ik niet. Het vorige kabinet heeft in 2023 besloten dat deze vermindering als gevolg van een herijking in 2022/2023 eenmalig via de IenW-begroting weer terug zou vloeien in het ov voor het jaar 2024. Datzelfde jaar zou opnieuw een herijking plaatsvinden voor bijstelling van de voorlopige vergoeding in 2025 (en niet regulier over 3 jaar). Hiervoor was een meerjarige reservering getroffen op de Aanvullende Post. Daarmee kreeg de sector ruimte om te anticiperen op het veranderde reisgedrag van studenten en een eventuele toename van gereisde kilometers zou gelijk verrekend kunnen worden. In de brief van 17 november 202336 is door het vorige kabinet ook aangegeven dat deze structurele verandering een transitie vereist waar het OV zich op dient voor te bereiden. Uit de herijkingsmeting over juli 2023-juni 2024 blijkt dat het gemiddelde aantal gereisde kilometers door studenten zeer beperkt verder is gedaald en de bij de vorige herijking gesignaleerde trend zich handhaaft. Hierdoor is de voorlopige vergoeding voor 2025 met 0,4 miljoen euro verminderd op grond van de herijking juli 2023-juni 2024. In totaal is de voorlopige vergoeding vanwege de twee meest recente herijkingsonderzoeken gedaald met 207,9 miljoen euro voor het regionaal en nationaal OV. De ramingen op de OCW begroting zijn hiervoor reeds bijgewerkt en de reservering voor het studentenreisproduct op de Aanvullende Post is door het kabinet in de tussentijd alternatief aangewend.

Begroting

Vraag 1

Wat is voor de jaren vanaf 2015 de jaarlijkse nominale uitgavengroei? Ligt dat gemiddeld hoger of lager dan de jaarlijkse nominale uitgavengroei deze kabinetsperiode afgaande op de meest actuele inschattingen daarvan in de Budgettaire Analyse van de Voorjaarsnota door het CPB?

Antwoord op vraag 1

In de budgettaire analyse van de Voorjaarsnota door het CPB wordt gekeken naar de groei van de netto primaire uitgaven. Dit uitgavenbegrip wordt sinds 2024 gebruikt in het kader van het herziene Europese Stabiliteits- en Groeipact (SGP), waarin de groei van deze netto primaire uitgaven de belangrijkste sturingsvariabele is. De door het CPB geraamde cumulatieve groei van de netto primaire uitgaven van 2024 tot en met 2028 bedraagt 26,9%.

De netto primaire uitgaven zijn overheidsuitgaven exclusief rentelasten, conjuncturele werkloosheidsuitgaven, uitgaven die worden gedekt met middelen uit de EU-begroting, cofinanciering van Europese subsidies en tijdelijke en eenmalige uitgaven («one-offs»). Daarnaast wordt bij dit uitgavenbegrip rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen. Beleidsmatige lastenverhogingen tellen in dat geval mee als ruimte voor extra uitgaven; lastenverlichtingen beperken juist de uitgavenruimte.

Omdat deze systematiek pas sinds 2024 wordt toegepast, zijn er voor eerdere jaren geen vergelijkbare cijfers beschikbaar op basis van dit specifieke uitgavenbegrip.

Wel kan er een overzicht worden gegeven van de bruto collectieve uitgaven en de nominale groei hiervan. Zie hiervoor onderstaande tabel (bron: CPB CEP 2025).

Tabel 3 Nominale uitgavengroei
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

bbp (miljard euro)

699,18

720,18

750,86

787,27

829,77

816,46

891,55

993,82

1067,60

1134,12

1196,00

1247,10

1297,10

1350,30

1399,80

Bruto collectieve uitgaven(%bbp)

45,5

44,2

43,1

42,8

42,4

48,1

46,2

43,6

43,4

43,5

44,0

45,2

44,8

45,0

45,4

Bruto collectieve uitgaven (miljard euro)

318,12

318,32

323,62

336,95

351,82

392,72

411,9

433,31

463,34

493,34

526,24

563,69

581,10

607,64

635,51

Nominale groei bruto collectieve uitgaven (% groei jaar op jaar)

 

0,10%

1,70%

4,10%

4,40%

11,60%

4,90%

5,20%

6,90%

6,5%

6,7%

7,1%

3,1%

4,6%

4,6%

Vraag 2

De regering kiest er in de Voorjaarsnota op diverse punten voor de inkomensbelasting te gebruiken als dekking. Wat is de totale extra verhoging van de inkomstenbelasting ten opzichte van het regeerakkoord?

Antwoord op vraag 2

In de Voorjaarsnota zijn drie dekkingsmaatregelen aangekondigd die leiden tot een lastenverzwaring in de inkomstenbelasting (IB), deze zijn weergegeven in onderstaande tabel. In totaal betreft het een lastenverzwaring van circa 1,7 miljard euro per jaar.

Tabel 4 Dekkingsmaatregelen IB Voorjaarsnota 2025

Maatregel

2026

2027

2028

2029

2030

Structureel

Beperkt toepassen tcf: dekking schrappen btw-verhoging op cultuur, media & sport

1.336

1.336

1.336

1.336

1.336

1.336

Beperkt toepassen tcf: dekking stelpost fiscale regelingen en constructies

126

126

126

126

126

126

Compensatie zorgpremies via tarief 1e en 2e schijf IB

264

253

237

237

237

237

Totaal

1.726

1.715

1.699

1.699

1.699

1.699

In het Belastingplan 2025 is een pakket koopkrachtmaatregelen opgenomen met lastenverlichting voor werkende middeninkomens oplopend tot een bedrag van circa 4,8 miljard euro in 2029. Hiervoor heeft het kabinet de verschillende gereserveerde middelen voor lastenverlichting uit het Hoofdlijnenakkoord ingezet. Deze lastenverlichting werd mede mogelijk gemaakt door de eveneens in het Belastingplan 2025 voorgestelde btw-verhoging op cultuur, media en sport. Omdat de btw-verhoging niet doorgaat, is ervoor gekozen om de lastenverlichting in de inkomstenbelasting terug te draaien door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Hierdoor is er sprake van minder lastenverlichting via de inkomstenbelasting, maar tegelijkertijd profiteren belastingplichtigen van lagere prijzen omdat de btw-verhoging niet doorgaat.

Het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor als dekking voor de stelpost fiscale regelingen en constructies is eveneens conform de afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord, waarin de noodremafspraak is opgenomen dat het deel van de stelpost dat niet wordt ingevuld, wordt gedekt door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in de IB.

Tot slot wordt het tarief in de eerste en tweede schijf van de IB iets verhoogd als compensatie voor de zorgpremies. Volgens de begrotingsregels moeten de lasten worden verzwaard voor het deel van de Zvw-meevaller dat elders is ingezet aan de uitgavenkant. Conform reguliere systematiek wordt dit gecompenseerd via de eerste en tweede schijf van de IB (voor het deel dat burgers afdragen) en de Aof-premie (voor het deel dat werkgevers afdragen).

Vraag 3

De Nederlandse begroting is via het indienen van het zogenaamde financiële steunplan (FSP) afgewezen door de Brusselse begrotingsautoriteiten. Kunt u feitelijk aangeven hoe groot de financiële inspanning is die nodig is om tot een goed te keuren begroting te komen?

Antwoord op vraag 3

Nederland heeft in oktober 2024 het budgettair-structureel plan voor de middellange termijn (medium-term fiscal-structural plan, FSP) bij de Europese Commissie ingediend. De Raad van de Europese Unie heeft vervolgens in januari 2025 een uitgavenpad aanbevolen waarmee het begrotingstekort en de overheidsschuld op middellange termijn binnen de Europese referentiewaarden van respectievelijk 3% en 60% van het bbp blijven. De aanbevolen maximale cumulatieve uitgavengroei tot en met 2028 is 21 procent. In de meest recente raming van het Centraal Planbureau (CPB), opgenomen in de jaarlijkse voortgangsrapportage (Annual Progress Report, APR), komt deze groei uit op 26,9 procentpunt. Om te voldoen aan het aanbevolen uitgavenpad, zou Nederland de netto primaire uitgaven tot en met 2028 cumulatief met 5,9 procentpunt minder moeten laten stijgen. Nederland voldoet dus niet aan het aanbevolen uitgavenpad maar zolang de Europese referentiewaarden van respectievelijk 3% en 60% bbp niet worden overschreden kunnen er geen handhavingsmaatregelen worden opgelegd door de Raad.

Vragen van de CDA-fractie

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Vraag 1

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op de voorgestelde extra bezuinigingen met betrekking tot het onderdeel internationalisering in het amendement-Bontenbal c.s.

Antwoord op vraag 1

Er zijn geen extra bezuinigingen met betrekking tot internationalisering. Het amendement-Bontenbal c.s. heeft de bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord die hierop zien juist verlaagd waardoor er, van de oorspronkelijke 293 miljoen euro, nog 168 miljoen euro structureel resteerde. De nieuwe referentieraming van studenten in het hbo en wo laat zien dat het aantal studenten lager zal zijn dan verwacht. Hierdoor wordt het grootste gedeelte van de resterende bezuiniging reeds gerealiseerd en resteert er structureel nog 6 miljoen euro. Dit wordt verwerkt in de OCW-begroting 2026. De verlaging van de hbo- en wo-bekostiging met 59 miljoen euro uit de Voorjaarsnota ziet niet op internationalisering. Met deze 59 miljoen euro wordt conform begrotingsregels een aantal tegenvallers binnen de begroting van het departement gedekt. Een deel hiervan (namelijk 18 miljoen euro) heeft betrekking op de zogenaamde 10 procent studievoorschotmiddelen die nog niet aan de reguliere bekostiging van de instellingen waren toegevoegd. Het overige deel betreft wel de reguliere bekostiging.

Vraag 2

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe het staat met de uitvoering van de toezegging die de Minister van OCW in de derde termijn heeft gedaan aan de heer Rietkerk, dat hij nog voordat het zelfregieplan van de universiteiten zou komen, bestuurlijk overleg zou plegen met de hoger onderwijsorganisaties in de genoemde regio’s uit het amendement-Bontenbal c.s.

Antwoord op vraag 2

Het Ministerie van OCW heeft op verschillende momenten met bestuurlijke vertegenwoordigers van de regio’s die worden genoemd in het amendement-Bontenbal c.s. gesproken en daarbij is ook de afspraak gemaakt in de aanloop naar de nota van wijziging op het Wetsvoorstel wet internationalisering in balans dit gesprek voort te zetten. Inmiddels is de motie-Krul c.s.37 met brede steun door de Tweede Kamer aangenomen naar aanleiding van het debat over DUO en Hoger Onderwijs. Deze motie stelt dat met het schrappen van de toets anderstalig onderwijs voor het bestaande aanbod invulling wordt gegeven aan de doelstelling uit het amendement-Bontenbal c.s. om het onderwijsaanbod in regio’s te borgen. De Minister van OCW is hierover in gesprek met de instellingen en stuurt de Tweede Kamer voor de zomer een update over het vervolg van het Wetsvoorstel wet internationalisering in balans.

Vraag 3

Er wordt fors extra bezuinigd op de onderwijskansenregeling. Hoe reflecteert de regering op deze extra voorgestelde bezuiniging met het oog op het vertrouwen dat hij in de Eerste Kamer had toegezegd te willen herstellen?

Antwoord op vraag 3

De bezuiniging op de onderwijskansenregeling is uitkomst van politieke besluitvorming bij de Voorjaarsnota. Deze maatregel gaat in vanaf 2027 en maakt daarmee geen onderdeel uit van de bijstelling van de begroting voor 2025 in de 1e suppletoire begroting. Op 18 juni jl. is er tijdens het Voorjaarsnotadebat in de Tweede Kamer gedebatteerd over alternatieve voorstellen en de benodigde dekking.

Vraag 4

In het verlengde van de vorige vraag heeft de Minister van OCW tijdens een Tweede Kamerdebat aangegeven dat hij moeite heeft met het schrappen van de Onderwijskansenregeling en hij zich afvraagt hoe je dat zou willen beargumenteren, ondanks dat hij niet de verantwoordelijke bewindspersoon is.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering dit te beargumenteren met het oog op zowel de uitvoerbaarheid als de rechtmatigheid.

Antwoord op vraag 4

In de Voorjaarsnota heeft het kabinet keuzes gemaakt voor een aantal investeringen, die zijn gedekt met bezuinigingen, waaronder de bezuiniging op de onderwijskansenregeling. De bezuiniging gaat in vanaf het schooljaar 2027/2028 en door de bezuiniging nu aan te kondigen wordt een redelijke termijn in acht genomen. Daarmee is de bezuiniging volgens het kabinet uitvoerbaar en rechtmatig.

Vraag 5

Meer specifiek willen de leden van de CDA-fractie ingaan op de rechtmatigheid van de voorgenomen bezuiniging op de Onderwijskansenregeling. Een bezuinigingsmaatregel die resulteert in het beëindigen of verminderen van een bekostigingsaanpak moet altijd inhoudelijk gemotiveerd worden. Bij het uitfaseren van de Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs ontbreekt een inhoudelijke motivering. Eerder heeft het Ministerie van OCW deze regeling noodzakelijk geacht ter bevordering van de kansengelijkheid, waardoor er sprake is van een harde juridische kern en een motivering vereist is bij een bezuiniging erop. Tot op heden ontbreekt deze motivering. Hoe motiveert de regering het uitfaseren van de Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs in het licht van de bezuinigingen?

Antwoord op vraag 5

Zie ook het antwoord op de vorige vraag (nummer 3 en 4) van het CDA. Er zijn in de Voorjaarsnota keuzes gemaakt om uiteenlopende maatschappelijke opgaven en politieke wensen mogelijk te maken. Hierbij is ook een deel van de rekening bij OCW neergelegd, zoals het afschaffen van de onderwijskansenregeling. Om de overheidsfinanciën te beheersen, is het van belang dat de investeringen en tegenvallers voorzien zijn van budgettaire dekking.

Vraag 6

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uit te leggen of, en zo ja hoe, de doelen die gediend werden met de Onderwijskansenregeling nog behaald zullen worden met deze voorgestelde bezuiniging. De leden constateren dat het een effectieve regeling was en vragen in het licht hiervan met een motivering te komen.

Antwoord op vraag 6

De onderwijskansenregeling betreft structurele bekostiging voor scholen met leerlingen met risico op leerachterstanden. Scholen mogen zelf bepalen waar ze het geld aan uitgeven, maar moeten jaarlijks aangeven hoe zij de middelen inzetten en hoe zij zicht houden op de effecten. Uit onderzoek blijkt dat scholen dit met name inzetten voor extra onderwijspersoneel voor ondersteuning, voor extra onderwijstijd, of voor het verkleinen van klassen. Bijna driekwart van de scholen voor voortgezet onderwijs ontvangt middelen uit de onderwijskansenregeling, voor ruim de helft van de vestigingen. Het merendeel van de leerlingen die van de regeling profiteren zijn leerlingen op vmbo-niveau. Op basis van de achterstandsscore van het CBS wordt deze structurele aanvullende bekostiging toegekend voor passende ondersteuning voor leerlingen die vanwege omgevingsfactoren hun leerpotentie niet optimaal kunnen benutten. In de toekomst zullen scholen geen middelen meer ontvangen ten behoeve van dit specifieke doel. Tegelijkertijd zal het kabinet de andere investeringen die zij reeds doet in ondersteuning van kwetsbare leerlingen voortzetten. Zo zijn er recent subsidies geïntroduceerd, waaronder School en Omgeving, de Brugfunctionaris en het programma Schoolmaaltijden. Deze subsidiegelden zijn geoormerkt voor specifieke doelen die anders zijn dan de doelen van de onderwijskansenregeling maar komen wel gedeeltelijk terecht bij de scholen die nu middelen uit de onderwijskansenregeling ontvangen.

Vraag 7

De leden vragen om een nadere toelichting voor de bezuinigingen op het gebied van praktijkleren en doorstroming beroepskolom (vo/mbo/hbo). Wordt hierop bezuinigd, en zo ja, kan de regering hier op reflecteren?

Antwoord op vraag 7

Er vindt een ombuiging plaats op de subsidieregeling praktijkleren en de regeling doorstroom beroepskolom. Het budget voor de subsidieregeling praktijkleren is vanaf 2030 met 20 miljoen euro naar beneden bijgesteld op basis van de nieuwe referentieraming van april 2025. Er worden meer Beroepsopleidende Leerweg (bol)-studenten en minder Beroepsbegeleidende Leerweg (bbl)-studenten geraamd. Door het lagere aantal bbl-studenten blijft het budget van praktijkleren toereikend om de maximale vergoeding van 2.700 euro per leerwerkplek toe te kennen aan bedrijven. Voor bekostigde mbo-instellingen neemt het budget vanaf 2030 structureel toe met 85 miljoen euro.

De regeling doorstroom beroepskolom biedt scholen en instellingen de mogelijkheid om binnen een opleidingsroute die opleidt voor een tekortsector de overgangen vo-mbo en mbo-hbo te verbeteren. Toegekende aanvragen worden niet geraakt door de bezuiniging. De regeling heeft van 2025 tot en met 2029 ruimte voor 31 opleidingen per jaar, om aan te sluiten bij het aantal aanvragen dat in de eerste jaren is gedaan. Het aantal opleidingen wordt in de periode 2025 tot en met 2029 constant gehouden. Daarmee wordt beter aangesloten bij het absorptievermogen van de onderwijssectoren. Dit levert een incidentele extensivering van 19,8 miljoen euro op ter (gedeeltelijke) dekking van de intensivering van 47,2 miljoen euro op basisvaardigheden voor het mbo. Vanaf 2030 is er structureel voor de regeling Doorstroom Beroepskolom 42,2 miljoen euro (33 opleidingen) beschikbaar.

Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening

Vraag 8

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op deze gevolgen en nader te motiveren waarom zij de huurbevriezing wil doorzetten.

Antwoord op vraag 8

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 9

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hier op te reageren en in te gaan op een mogelijke schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en hoe het voorgestelde ingrijpen een inbreuk maakt op het eigendomsrecht.

Antwoord op vraag 9

Zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 10

De leden van de CDA-fractie lezen dat de huurbevriezing niet zal gelden voor particuliere verhuurders, maar nog wel voor woningcorporaties. De leden van de CDA-fractie wensen op dit punt graag een motivering op het gebied van het gelijkheidsbeginsel.

Antwoord op vraag 10

Zie het antwoord op vraag 8.

Infrastructuur en waterstaat en Mobiliteitsfonds

Vraag 1

Hoe reflecteert de regering op de uitvoerbaarheid van investeringen in het Mobiliteitsfonds in relatie tot de stikstofproblematiek?

Antwoord op vraag 1

IenW loopt tegen verschillende uitvoeringsbeperkingen aan, o.a. een tekort aan beschikbaar personeel en de beperkte tot niet beschikbare stikstofruimte. Daarnaast zijn de middelen binnen het Mobiliteitsfonds schaars. De drie factoren (tekort aan beschikbaar personeel, zeer beperkte stikstofruimte en de schaarse middelen) hebben geleid tot een pauzering van zeventien projecten (veertien weg- en drie vaarwegprojecten) in 2023 en vijf wegprojecten in 2025. Het demissionaire kabinet richt zich op de afronding van projecten en programma’s binnen het MIRT die geen belemmeringen ondervinden op het vlak van stikstof en tekorten aan beschikbare arbeidskrachten. Bij weg- en vaarwegprojecten betekent dit dat de focus ligt op projecten binnen het MIRT die zich in de realisatiefase bevinden of deze naderen en op het uitvoeren van instandhoudingsprojecten. Bij spoorprojecten vormt stikstof een minder grote rol en zijn er daarom nog diverse lopende verkenningen. De gepauzeerde weg- en vaarwegprojecten zullen op termijn gefaseerd herstarten, mits sprake is van voldoende stikstofruimte, financiële middelen en genoeg uitvoeringscapaciteit. Om de gevolgen van het pauzeren in tussentijd te verzachten, investeert het kabinet 206 miljoen euro in alternatieve maatregelen die in overleg tussen Rijk en regio zijn opgesteld.

Vraag 2

Hoe wil de regering de investeringen gaan uitvoeren?

Antwoord op vraag 2

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 3

In hoeverre heeft de regering aanvullende middelen gezocht voor de uitvoering van dit project N35 en in hoeverre acht de regering aanvullende middelen noodzakelijk voor een succesvolle uitvoering van het project?

Antwoord op vraag 3

In 2024 is conform het amendement Heutink c.s. (36 410 A, nr. 27) aan het project N35 Wijthmen-Nijverdal 94 miljoen euro toegekend. De verkenning wordt eind 2025 of begin 2026 afgerond. Bij het uitwerken van de plannen is het tracé (onder andere) opgedeeld in twee varianten, zodat na afronding van de verkenning bezien kan worden welke variant binnen het beschikbare budget past.

Klimaatfonds

Vraag 4

De leden van de CDA-fractie vragen of deze constateringen kloppen.

Antwoord op vraag 4

Ja, deze kloppen.

Vraag 5

Bovendien vragen deze leden aan de regering hoe zij de klimaatdoelstellingen wil behalen, in relatie tot de korting van het Klimaatfonds en het niet openstellen van het Klimaatfonds aan de landbouw.

Antwoord op vraag 5

Het kabinet heeft op 25 april jl. een brief aan de Tweede Kamer verzonden met daarin een pakket voor groene groei.38 Dit pakket is ook bedoeld om het doel van 55% CO2-emmissiereductie in 2030 binnen bereik te krijgen. Het PBL zal in de nieuwe Klimaat- en Energieverkenning, die op Prinsjesdag zal worden gepubliceerd, inzichtelijk maken in hoeverre Nederland op koers ligt om dit doel te halen. De dekking die uit het Klimaatfonds is gehaald om de energierekening te dempen doet niets af aan de inzet van het kabinet ten aanzien van de klimaatdoelen. Ten slotte ziet ook het kabinet dat de landbouw een belangrijke bijdrage kan leveren aan de klimaatdoelen. Voor het verduurzamen van het energiegebruik in de landbouw is het Klimaatfonds reeds beschikbaar. Het kabinet beziet de opgaven op het gebied van stikstof en klimaat in de landbouw in samenhang, aangezien de maatregelen overlap en interactie kennen. Voor verduurzaming in alle sectoren geldt dat deze niet alleen bereikt kan worden met subsidies, maar ook met normerend of beprijzend beleid.

Vragen van de D66-fractie

Vraag 1

Hoe verenigt de regering dit toekomstgericht begroten met de frontale aanval op de toekomst van ons land door nogmaals fors te bezuinigen op de kansen voor en het onderwijs van kinderen, jongeren en studenten? Graag een uitgebreide verklaring.

Antwoord op vraag 1

Het kabinet heeft met de maatregelen in het hoofdlijnenakkoord een eerste stap gezet in de richting van begrotingsdiscipline door het structureel beperken van de groei van de Rijksuitgaven. Dit zorgt ervoor dat huidige generaties, maar in het bijzonder ook onze jongeren, kinderen en kleinkinderen niet worden opgezadeld met een hogere staatsschuld of hogere toekomstige belastingen. Juist het doorschuiven van rekeningen is schadelijk voor toekomstige generaties. In de Voorjaarsnota heeft het kabinet mee- en tegenvallers tegen elkaar afgewogen. Ook zijn er investeringen gedaan en gedekt met ombuigingen. Om de overheidsfinanciën te beheersen, is het van belang dat de investeringen en tegenvallers worden voorzien van budgettaire dekking.

Vraag 2

Deelt de regering het standpunt van de leden van de D66-fractie dat de overheid er juist dient te zijn voor de meest kwetsbaren in onze samenleving? En dat dat bij onderwijs bijvoorbeeld kinderen in het praktijkonderwijs en het vmbo, kinderen met ondersteuningsbehoefte, en kinderen die in armoede leven zijn?

Antwoord op vraag 2

In totaal gaat er 17 miljard euro per jaar naar het primair onderwijs en 11 miljard euro per jaar naar het voortgezet onderwijs. Dit budget is bestemd voor ruim 2,4 miljoen kinderen. OCW werkt in alle onderwijssectoren aan hoge kwaliteit en investeert in alle leerlingen, zodat zij de basisvaardigheden taal, rekenen-wiskunde, digitale geletterdheid en burgerschap beter gaan beheersen. Iedereen moet mee kunnen doen, waar nodig met extra hulp of ondersteuning.

Vraag 3

Zo ja, kan de regering uitleggen waarom zij juist op het onderwijs van deze kinderen bezuinigt door de onderwijskansenregeling af te schaffen?

Antwoord op vraag 3

De bezuiniging op de onderwijskansenregeling is uitkomst van politieke besluitvorming bij de Voorjaarsnota. Deze maatregel gaat in vanaf 2027 en maakt daarmee geen onderdeel uit van de bijstelling van de begroting voor 2025 in de 1e suppletoire begroting. Op 18 juni jl. is er tijdens het Voorjaarsnotadebat in de Tweede Kamer gedebatteerd over alternatieve voorstellen en de benodigde dekking.

Vraag 4

De bezuinigingen op het onderwijs in de Voorjaarsnota hebben voor heel veel scholen en heel veel leerlingen enorme gevolgen. Tot wel 455.000 leerlingen worden door deze bezuinigingen geraakt. De VO-raad verzamelt praktijkvoorbeelden van de desastreuze gevolgen van de voorgenomen bezuinigingen van de regering, onder meer voor kinderen met een achterstand, kinderen in kleinere gemeenten, en kinderen die nu al thuis zitten.

Hoe denkt de regering te voorkomen dat deze kinderen het kind van de rekening worden? Graag een uitgebreide reactie.

Antwoord op vraag 4

OCW zet op allerlei andere manieren in op versterking van de kwaliteit van het onderwijs en kansengelijkheid. Zo is het Masterplan Basisvaardigheden op volle stoom, waarmee nu al zo’n 1,5 miljoen leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs geholpen worden. Op deze manier blijft het kabinet zoals in het Hoofdlijnenakkoord staat prioriteit geven aan de basisvaardigheden. Daarnaast blijft het kabinet met de programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden in aanvullende ondersteuning voor kwetsbare leerlingen investeren. Deze regeling hebben gedeeltelijk dezelfde doelgroep als de Onderwijskansenregeling. Ook investeert het kabinet met de aanpak lerarenbeleid in de kwaliteit van het onderwijs en het terugdringen van het lerarentekort.

Vraag 5

Hoe rechtvaardigt de regering deze bezuinigingen, nadat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het debat over de Begroting OCW nog aangaf het vertrouwen van de hoger onderwijsinstellingen in hem te willen herstellen?

Antwoord op vraag 5

De Minister van OCW werkt zowel aan het herstellen van het vertrouwen van de hoger onderwijsinstellingen als aan het oplossen van de financiële problematiek op de OCW-begroting. In bestuurlijke overleggen wordt gesproken over internationalisering, regie op opleidingsaanbod, en hoe om te gaan met tekortsectoren en de bekostiging in het licht van de komende demografische krimp. Vanuit financieel perspectief kan worden gesteld dat per saldo het budget voor het hbo (artikel 6) en het wo (artikel 7) op de OCW-begroting met structureel 448 miljoen euro is gestegen. Aan de ene kant wordt de bekostiging voor het hbo en wo met 59 miljoen euro verlaagd. Aan de andere kant wordt er in deze Voorjaarsnota voor het hbo en wo samen ook ruim 400 miljoen euro aan loon- en prijsbijstelling toegevoegd en zijn er nog enkele andere technische wijzigingen, die niet in de genoemde verlaging van 59 miljoen euro zijn meegerekend. Er komen bijvoorbeeld meer studenten dan verwacht in het hbo waarvoor de hogescholen meer bekostiging zullen ontvangen. Deze verhoging van het budget voor de bekostiging van het hbo heet in begrotingstermen een autonome tegenvaller (onderdeel van de Referentieraming) en wordt onder meer gedekt door middel van de beleidsmatige mutatie van structureel 59 miljoen euro.

Vraag 6

Is de regering bereid deze bezuinigingen te heroverwegen?

Antwoord op vraag 6

Er zijn in de Voorjaarsnota keuzes gemaakt om uiteenlopende maatschappelijke opgaven en politieke wensen mogelijk te maken. Hierbij is ook een deel van de rekening bij OCW neergelegd, zoals het afschaffen van de onderwijskansenregeling. Als er een meerderheid in de Tweede Kamer is met een alternatief, inclusief deugdelijke dekking, dan is het kabinet altijd bereid dit te overwegen.

Vragen van de SP-fractie

Algemeen

Vraag 1

Kan de regering een duidelijke (financieel) overzicht geven van de doorgeschoven verplichtingen enerzijds en de daadwerkelijke bezuinigingen anderzijds?

Antwoord op vraag 1

Een samenvatting van de uitgavenbesluitvorming is opgenomen in tabel 1 in de Voorjaarsnota. Alle tegenvallers en nieuwe uitgaven zijn gedekt met meevallers en maatregelen. Zoals afgesproken in het HLA is de dekking deels gevonden door de loon- en prijsbijstelling bij departementen deels in te houden. Verder heeft het kabinet nieuwe stappen gezet om het kasritme van uitgaven op de begroting realistischer te maken. Voor 2025 en 2026 zijn in de Voorjaarsnota voor respectievelijk 2,1 en 7 miljard euro aan kasschuiven verwerkt. Deze uitgaven komen in latere jaren tot besteding. In de verticale toelichting (bijlage 1) is een overzicht per departement opgenomen.

Vraag 2

Wat zijn de gevolgen van het doorschuiven op de begrotingen in de jaren tot 2030? Moeten doorgeschoven middelen niet nu al worden gereserveerd voor deze jaren?

Antwoord op vraag 2

Door uitgaven naar andere jaren te verplaatsen, wordt de begroting realistischer gemaakt. Voor 2025 en 2026 zijn in de Voorjaarsnota voor respectievelijk 2,1 en 7 miljard euro aan kasschuiven verwerkt. Deze middelen zijn gereserveerd voor latere jaren, komen dan tot besteding en belasten dan het saldo.

Vraag 3

Welke effecten zijn te verwachten van het niet volledig compenseren van ministeries bij prijsontwikkelingen? Hoeveel dekking verwacht de regering hiermee te realiseren in relatie tot een verdere kostenstijging bij uitstel van initiatieven of projecten?

Antwoord op vraag 3

Het gedeeltelijk inhouden van de prijsbijstelling werkt als een generieke taakstelling met een beoogde besparing van circa 0,6 miljard in 2025 oplopen tot circa 0,7 miljard euro in 2030 (e.v.). Het effect op projecten en initiatieven zal afhangen van hoe de departementen het doorbelasten en dat is pas bij de Suppletoire Begroting September volledig bekend.

Vraag 4

Waarom is ervoor gekozen om tot 2030 400 miljoen euro te bezuinigen op de envelop Groepen in de knel? Welk budget blijft nog over en welk effect gaat deze bezuiniging hebben op deze groepen?

Antwoord op vraag 4

Het kabinet heeft bij de Voorjaarsbesluitvorming keuzes gemaakt. Daarbij is besloten om vanaf 2029 structureel 200 miljoen euro van de envelop Groepen in de knel af te romen. Dit was een reservering op de Aanvullende Post van Financiën die vóór de Voorjaarsbesluitvorming gedeeltelijk nog niet was ingevuld. Inmiddels zijn alle overgebleven middelen uit de envelop bestemd. Deze worden ingezet om onder andere het minimumjeugdloon te verhogen, de financiering van beschut werk te verbeteren en afgewezen Wajongeren in de Participatiewet te ondersteunen bij het ontwikkelen van arbeidsvermogen. Hiermee ondersteunt het kabinet huishoudens op het sociaal minimum.

I&W/VRO

Vraag 5

Klopt het dat de huurbevriezing na twee jaar compensatie voor corporaties een feitelijke bezuiniging op de huurtoeslag is? Zo ja, wat is hier de reden voor?

Antwoord op vraag 5

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 6

Klopt het dat door de huidige financieringssystematiek corporaties minder kunnen investeren in onderhoud en nieuwbouw bij het huidige kabinetsbeleid?

Antwoord op vraag 6

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 7

Op welke wijze is de regering voornemens de investeringsruimte van corporaties te verbeteren?

Antwoord op vraag 7

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 8

Welke gevolgen heeft het inzetten van de reservering voor de Lelylijn voor de realisatie van de Lelylijn?

Antwoord op vraag 8

Voor de Lelylijn is, net als voor de besluitvorming over elk ander groot infrastructuurproject, voor een vervolgstap naar een MIRT-verkenning zicht nodig op minimaal 75% van de aanlegkosten en de dekking van de structurele beheer- en onderhoudskosten. Met de inzet van een deel van de Lelylijn middelen voor de Nedersaksenlijn is deze vervolgstap niet dichterbij gekomen, maar ook met de eerdere reservering werd hier ruimschoots nog niet in voorzien. Er wordt nu gewerkt aan een Masterplan Lelylijn om een aantal verdiepende vragen in beeld te brengen. Dit betreft onder andere onderzoek naar de mogelijkheden voor alternatieve financiering en bekostiging. Het is aan een volgend kabinet om een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen voor de Lelylijn.

Vraag 9

Welk effect heeft het schrappen van de Lelylijn op het aantrekken van Europese middelen?

Antwoord op vraag 9

Zoals gesteld in de beantwoording op vraag 8 worden de mogelijkheden tot een vervolg van het project Lelylijn verkend in het Masterplan Lelylijn. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft eerder op Kamervragen van de Leden Olger van Dijk en Eerdmans aangegeven dat Europese middelen een (in dit geval waarschijnlijk beperkte) aanvulling op het nationale budget zijn. Europese fondsen moeten vooral als aanvullende bron van financiering worden gezien, die kan bijdragen aan de totale financieringsmix, maar niet als primaire dekking. Onder de lopende EU-meerjarenbegroting 2021–2027 kunnen bovendien geen aanvragen meer ingediend worden, omdat het huidige Europese budget inmiddels vrijwel is uitgeput. De Commissie heeft eerder bevestigd dat vanuit de Europese Unie geen toezeggingen vooraf gedaan kunnen worden over mogelijke financieringskansen van concrete infrastructuurprojecten, ook niet voor de Lelylijn. Het is daarnaast nog onzeker welke financiële ruimte de nieuwe EU-meerjarenbegroting 2028–2034 zal bieden voor Europese infrastructuurinvesteringen, ook gelet op de brede wens om de Europese begroting te vereenvoudigen. Uitdaging is daarbij dat de Lelylijn onderdeel is van het uitgebreide netwerk binnen TEN-T, waarvoor slechts een klein deel van het EU-budget beschikbaar is; het meeste budget zou beschikbaar komen voor het (uitgebreide) kernnetwerk waar al in 2030 aan harde doelen moet worden voldaan. Het inzetten van een deel van de reservering voor de Nedersaksenlijn heeft daarmee geen direct effect op de kans op Europees budget.

SZW

Vraag 10

Is bij de bezuiniging op de WW door de looptijd met maar liefst een kwart te verlagen ook rekening gehouden met het effect hiervan op andere uitkeringen zoals de bijstand en zo ja, met welk effect is rekening gehouden?

Antwoord op vraag 10

In de raming van de duurverkorting van de Werkloosheidswet (WW) en loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) uitkering naar 18 maanden is rekening gehouden met een toename van de uitgaven aan de bijstand, de Toeslagenwet (TW) en de inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) uitkering. Onderstaande tabel geeft per regeling de ingeboekte budgettaire effecten weer.

Tabel 5 Ingeboekte budgettaire effecten duurverkorting WW- en loongerelateerde WGA-uitkering

In mln. euro (prijspeil 2024)

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal

5

0

– 114,4

– 398,1

– 442,7

WW

   

– 115,2

– 438,5

– 453,8

IOW

     

38,1

6,5

Bijstand

   

16,2

61,6

63,7

WGA

   

– 16

– 61,6

– 61,2

TW

   

0,2

0,7

0,5

Uitvoeringskosten UWV

5

 

– 2,2

– 8,3

– 8,6

Uitvoeringskosten gemeente

   

2,6

10

10,3

Vraag 11

Welke effecten verwacht de regering dat het uitstellen van de «bijna gratis kinderopvang» zal hebben op de arbeidsdeelname van ouders?

Antwoord op vraag 11

De verwachting is dat door de verhoging van de kinderopvangtoeslag vergoedingspercentages naar 96%, ouders vaker gebruik zullen maken van de kinderopvang. Hierdoor is de verwachting dat de arbeidsdeelname van ouders verder toe zal nemen. Doordat er is besloten om meer tijd te nemen voor de juiste implementatie van het nieuwe stelsel, zal dit nieuwe stelsel ingaan per 2029. Het effect op de arbeidsdeelname is moeilijk te kwantificeren. Bij het besluit van het kabinet om te kiezen voor 2029 als invoeringsdatum heeft meegewogen dat de kinderopvangsector kampt met een krappe arbeidsmarkt. Om een hogere arbeidsdeelname mogelijk te maken, moeten er wel genoeg plaatsen beschikbaar zijn. Een te snelle invoering zou kunnen leiden tot een toename van wachtlijsten. Door meer tijd te nemen voor de implementatie van het nieuwe stelsel krijgt de sector meer tijd om het aanbod geleidelijk mee te laten groeien met de vraag.

I&A

Vraag 12

In 2025 is 800 miljoen euro meer nodig voor de opvang van asielzoekers en in 2026 nog eens 400 miljoen euro. Kan de regering aangeven wat de oorzaak is van deze kostenstijging voor de opvang van asielzoekers en hoeveel van deze middelen moeten worden ingezet voor noodopvang?

Antwoord op vraag 12

Uit de meest recente MPP en de realisatiecijfers volgt een lagere asielinstroom en bezetting dan waar in de huidige begroting rekening mee is gehouden. Hierdoor is bij Voorjaarnota 2025 besloten tot een verlaging van het budget voor reguliere opvang van het COA voor 2025 met 36 miljoen euro en voor 2026 met 356 miljoen euro. Omdat er onvoldoende reguliere opvangplekken zijn is (crisis)noodopvang nodig. Hiervoor wordt additioneel in 2025 815 miljoen euro (in totaal is daarmee ca. 1,5 miljard euro beschikbaar in 2025) en in 2026 758 miljoen euro beschikbaar gesteld aan het COA.

Vraag 13

Hoe moeten de leden van de SP-fractie de zin «Het budget voor de IND wordt opgehoogd om personeel te behouden» lezen in relatie tot de structurele verhoging van het budget met 374 miljoen per jaar, wat gemiddeld een loonsverhoging van ruim € 60.000 per jaar zou betekenen?

Antwoord op vraag 13

In de Ontwerpbegroting 2025 van Asiel en Migratie loopt het budget voor de IND af van 866 miljoen euro in 2025 naar 317 miljoen euro in 2029. Bij Voorjaarsnota 2025 is besloten om personeel te behouden om de asielaanvragen die volgen uit de MPP en de bestaande voorraad te verwerken. Hiervoor is budget beschikbaar gesteld ter hoogte van 34 miljoen in 2025 oplopend naar 590 miljoen euro in 2028 en vanaf 2029 structureel 374 miljoen euro. Dit is dus geen budget voor loonsverhoging.

Vraag 14

Hoeveel middelen worden er jaarlijks uitgegeven aan dwangsommen aan asielzoekers waarvan de asielaanvraag niet binnen de wettelijke beslistermijn wordt afgehandeld? En wat is de oorzaak van de verhoging met 100 miljoen in 2026?

Antwoord op vraag 14

In 2025 en 2026 is 50 miljoen euro per jaar gereserveerd op de begroting van Asiel en Migratie voor dwangsombetalingen door de IND. Deze raming is gebaseerd op de realisatie in 2024 van circa 37 miljoen euro, in combinatie met de gerealiseerde betalingen in de eerste vier maanden van 2025 van ongeveer 22 miljoen euro.

Vraag 15

Waarom wordt er 100 miljoen euro gereserveerd in 2025 voor onder andere het tweestatenstelsel dat in 2025 nog niet van kracht is?

Antwoord op vraag 15

Er is voor de uitvoering van de asielwetgeving, waaronder het tweestatusstelsel, in totaal 115 miljoen euro structureel geraamd, onder andere voor de IND en de rechtspraak. Over de precieze verdeling zal uw Kamer op een later moment geïnformeerd worden.

VWS

Vraag 16

Welke groepen in de samenleving worden benadeeld door het beperken van de aanspraak op zelfzorggeneesmiddelen in de Zorgverzekeringswet? Welke effecten gaat deze bezuiniging van 400 miljoen tot 2030 hebben op de overige zorgverlening? Bestaat niet het risico dat deze maatregel leidt tot het gebruik van veel duurdere medicijnen via een recept van een huisarts?

Antwoord op vraag 16

Deze maatregel heeft een beoogde opbrengst van 70 miljoen euro structureel. De specifieke geneesmiddelen waarmee deze wordt ingevuld zijn nog niet gekozen. De mogelijkheden tot invulling van de maatregel worden momenteel in kaart gebracht, mede in afstemming met het Zorginstituut Nederland. Het Zorginstituut adviseert het Ministerie van VWS over het opnemen of uitnemen van zorg. Hierbij brengt het Zorginstituut ook de gevolgen van de aanpassing van het pakket in kaart en het eventuele risico op substitutie door geneesmiddelen die wel binnen het verzekerde pakket vallen. Aangezien nog geen keuze is gemaakt voor specifieke geneesmiddelen is ook nog niet te zeggen welke gevolgen de uitnamen uit het pakket heeft voor specifieke groepen.

Vraag 17

Kan de regering aangeven hoe de verdeling van de 98,4 miljoen euro intensivering op de VWS-begroting naast de 17 miljoen euro voor palliatieve zorg, de apparaatstaakstelling van 15 miljoen euro en de dienstverlening aan huis van 10,8 miljoen euro, precies in elkaar steekt?

Antwoord op vraag 17

Voor een nadere uitsplitsing en toelichting van de intensiveringen op de VWS-begroting verwijs ik u naar de verticale toelichtingen van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de bijlagen (bladzijde 182 t/m 199).

Vraag 18

Op welke wijze wordt de 17 miljoen euro voor vrijwilligers in de palliatieve zorg precies ingezet?

Antwoord op vraag 18

De 17 miljoen euro voor vrijwilligers in de palliatieve zorg is bedoeld om de inzet, opleiding en coördinatie van vrijwilligers – actief in de palliatieve terminale zorg – te stimuleren en voortzetten. Met dit bedrag wordt tegemoetgekomen aan de groeiende vraag naar inzet van vrijwilligers in de laatste levensfase. In 2024 waren er 14.242 opgeleide vrijwilligers actief binnen de palliatieve terminale zorg39. Het beschikbare subsidiebedrag wordt jaarlijks verdeeld onder aanvragende hospices en vrijwilligersorganisaties en is afhankelijk van het aantal ondersteunde cliënten. Organisaties hebben de vrijheid om binnen de kaders van de regeling te bepalen hoe zij de subsidie besteden.

Vraag 19

Dit kabinet trekt structureel ruim 400 miljoen euro uit ter ondersteuning van de gemeenten ten behoeve van de jeugdzorg. Daarnaast is sprake van een gedeelde bijdrage, waardoor ook de gemeenten extra moeten bijdragen. Kan de regering aangeven hoeveel de gemeenten extra moeten gaan bijdragen aan de jeugdzorg en in hoeverre kunnen gemeenten ook daadwerkelijk deze bijdrage leveren, gezien de naderende korting op het gemeentefonds?

Antwoord op vraag 19

Zie ook het antwoord op vraag 1. Het kabinet zet in op goede en beheersbare jeugdzorg en een gezonde financiële positie voor gemeenten. In Voorjaarsnota 2025 is voor 2025 tot en met 2027 in totaal circa 3 miljard euro cumulatief beschikbaar gekomen voor jeugdzorg en gemeenten, waarvan ook middelen voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Verder worden de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt op inhoud en beheersbaarheid en vanaf 2028 worden aanvullende maatregelen ingevoerd.

De deskundigencommissie onder leiding van Tamara van Ark heeft geadviseerd om de geconstateerde tekorten van 2024 in het budget voor jeugdzorg in gelijke delen te verdelen over Rijk en gemeente. Onderdeel van de bij Voorjaarsnota 2025 vrijgemaakte middelen betreft 414 miljoen euro structureel voor het Rijk, en hetzelfde bedrag is de verantwoordelijkheid voor gemeenten. Hoe gemeenten deze tekorten invullen is aan gemeenten zelf.

Vraag 20

Kan de regering aangeven welke gevolgen de eigen bijdrage van de jeugdzorg in 2028 van 260 miljoen euro gaat hebben voor de wachtlijsten en werkdruk in de jeugdzorg?

Antwoord op vraag 20

Het kabinet heeft afgesproken dat een eigen bijdrage wordt ingevoerd waarvan de opbrengst 260 miljoen euro is. De eigen bijdrage zal met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden uitgewerkt, met oog voor jeugdigen en gezinnen in kwetsbare posities. Over de hoogte, de zorgvormen en de verschillende doelgroepen voor wie de eigen bijdrage geldt dient nog besloten te worden. Daarmee kan er nog niet worden aangegeven wat het eventuele effect is voor de wachtlijsten en werkdruk in de jeugdzorg. Over het algemeen kan worden gesteld dat een eigen bijdrage zal helpen om bewuster te kijken naar welke hulp passend en effectief is.

LVVN

Vraag 21

Kan de regering aangeven op welke wijze de 600 miljoen euro voor stikstofaanpak gaat worden ingezet en op welke termijn? Wat is de relatie tussen dit bedrag en de ombuiging op het Klimaatfonds van eveneens 600 miljoen?

Antwoord op vraag 21

Het kabinet kiest naast generiek beleid voor een regionale aanpak. Inzet op de juiste plekken is namelijk belangrijk om vergunningverlening weer op gang te brengen en additionaliteit aan te kunnen tonen. Hierbij wordt gedacht aan het instellen van een strook van 250 meter rond overbelaste hexagonen, met maatwerk per gebied. De precieze invulling wordt de komende tijd zorgvuldig samen met provincies uitgewerkt, inclusief de reductieopgave. Hierbij wordt ook de hydrologie betrokken. Juridische borging via de Omgevingswet is hierbij essentieel om sturing en maatwerk te combineren. Er is voor gekozen met deze aanpak te starten op de Veluwe en in de Peel. Voor deze aanpak is bij Voorjaarsnota 600 miljoen euro beschikbaar gesteld en de aanpak wordt momenteel verder uitgewerkt. U wordt op een later moment hier verder over geïnformeerd. De uitwerking van deze plannen zal volgen uit de Ministeriele Commissie Economie en Natuurherstel en worden meegenomen in de augustusbesluitvorming.

Er is geen directe relatie tussen dit bedrag en de ombuiging op het Klimaatfonds.

OCW

Vraag 22

Kan de regering de motivatie toelichten voor de voorgenomen onderwijsbezuinigingen, en met name die op de onderwijskansenregeling? Wat is de ratio van deze voorgenomen bezuiniging? Waarom heeft de regering ervoor gekozen juist deze groep van de 455.000 meest kwetsbare leerlingen te treffen?

Antwoord op vraag 22

De bezuiniging op de onderwijskansenregeling is uitkomst van politieke besluitvorming bij de Voorjaarsnota. Deze maatregel gaat in vanaf 2027 en maakt daarmee geen onderdeel uit van de bijstelling van de begroting voor 2025 in de 1e suppletoire begroting. Op 18 juni jl. is er tijdens het Voorjaarsnotadebat in de Tweede Kamer gedebatteerd over alternatieve voorstellen en de benodigde dekking.

Vraag 23

Welke resultaten heeft de onderwijskansenregeling tot nu toe opgeleverd en hoe weegt de regering deze resultaten in relatie tot de voorgenomen afschaffing van de regeling? Wat gaat volgens de regering deze bezuiniging betekenen voor de kansen van de meest kwetsbare leerlingen in onze samenleving? Is de regering het met voornoemde leden eens dat de kansen van die groep van bijna een half miljoen leerlingen ten gevolge van deze bezuiniging zullen afnemen? Wat zegt dit over kansengelijkheid als doel van het funderend onderwijs? Deelt de regering dat doel, en zo ja hoe kunnen zij deze bezuiniging dan rechtvaardigen? Hoe schat u de gevolgen in van deze bezuiniging voor die scholen waarvan de leerlingen extra ondersteuning het hardst nodig hebben?

Antwoord op vraag 23

De onderwijskansenregeling is structurele bekostiging voor scholen met leerlingen met risico op leerachterstanden. Scholen mogen zelf bepalen waar ze het geld aan uitgeven, maar moeten jaarlijks aangeven hoe zij de middelen inzetten en hoe zij zicht houden op de effecten. Uit onderzoek blijkt dat scholen dit met name inzetten voor extra onderwijspersoneel voor ondersteuning, voor extra onderwijstijd, of voor het verkleinen van klassen. Bijna driekwart van de scholen voor voortgezet onderwijs ontvangt middelen uit de onderwijskansenregeling, voor ruim de helft van de vestigingen. Het merendeel van de leerlingen die van de regeling profiteren zijn leerlingen op vmbo-niveau. Op basis van de achterstandsscore van het CBS wordt deze structurele aanvullende bekostiging toegekend voor passende ondersteuning voor leerlingen die vanwege omgevingsfactoren hun leerpotentie niet optimaal kunnen benutten. In de toekomst zullen scholen geen middelen meer ontvangen ten behoeve van dit specifieke doel. Tegelijkertijd zal het kabinet de andere investeringen die zij reeds doet in ondersteuning van kwetsbare leerlingen voortzetten. Zo zijn er recent subsidies geïntroduceerd, waaronder School en Omgeving, de Brugfunctionaris en het programma Schoolmaaltijden. Deze subsidiegelden zijn geoormerkt voor specifieke doelen die anders zijn dan de doelen van de onderwijskansenregeling maar komen wel gedeeltelijk terecht bij de scholen die nu middelen uit de onderwijskansenregeling ontvangen.

Vraag 24

Heeft de regering een inschatting gemaakt van de effecten van de in totaal meer dan 80 miljoen euro aan bezuinigingen op het HBO en het MBO? Wat zullen de gevolgen hiervan zijn voor zowel studenten als voor onderwijzend personeel?

Antwoord op vraag 24

We nemen aan dat er in de vraag wordt verwezen naar de beleidsmatige verlaging van de bekostiging van het mbo, hbo en wo, die optelt tot 80 miljoen euro in 2030 (21 miljoen euro voor het mbo, 59 miljoen euro voor het hbo en wo). De onderwijsinstellingen hebben een hoge mate van autonomie. Instellingen bepalen zelf hoe ze de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben bestedingsvrijheid. Dit betekent ook dat de instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het doorvoeren van bezuinigingen. Dankzij interne waarborgen, zoals de Raad van Toezicht en medezeggenschap, heeft het kabinet er vertrouwen in dat instellingen op een zorgvuldige wijze keuzes zullen maken ten aanzien van hun onderzoek en onderwijsaanbod. Overigens is per saldo het budget voor het hbo (artikel 6) en het wo (artikel 7) op de OCW-begroting met structureel 448 miljoen euro gestegen onder andere als gevolg van loon- en prijsbijstelling.

Vraag 25

Welk effect gaat het schuiven met middelen voor loon- en prijscompensatie hebben op de motivatie van het onderwijspersoneel en de werkdruk? Deelt de regering de zorgen van de leden van de fractie van de SP hierover? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt de regering de negatieve gevolgen van deze bezuinigingen te gaan opvangen?

Antwoord op vraag 25

De loonbijstelling tranche 2025 is rijksbreed voor alle begrotingen, waaronder voor de onderwijssectoren, door het kabinet onverkort uitgekeerd en door OCW doorverdeeld. Hier vindt dus geen bezuiniging op plaats. Het kabinet heeft besloten over de gehele Rijksbegroting 50 procent te bezuinigen op de prijsbijstelling tranche 2025. OCW heeft daardoor bij Voorjaarsnota een gehalveerde tranche prijsbijstelling op de begroting ontvangen. De korting van de prijsbijstelling leidt tot aanpassing van de begroting die per artikel verschilt, omdat er bij de doorverdeling hiervan rekening is gehouden met een aantal specifieke omstandigheden. Allereerst is OCW wettelijk verplicht tot het uitkeren van prijsbijstelling op de bekostiging van het primair onderwijs, de studiefinanciering en de mediabekostiging. Na uitkering van het wettelijk verplichte deel van de prijsbijstelling resteert er een beperkt bedrag voor de rest van de begroting. Voor artikel 3 (voortgezet onderwijs) is besloten de prijsbijstelling volledig uit te keren, gedekt uit andere bezuinigingen binnen artikelen 1 (primair onderwijs), 3 (voortgezet onderwijs) en 9 (arbeidsmarkt en personeelsbeleid). Voor de artikelen 6 (hoger beroepsonderwijs) en 7 (wetenschappelijk onderwijs) is ervoor gekozen eerst volledige loonbijstelling uit te keren op de bekostigingsbudgetten die zijn verhoogd in het amendement Bontenbal c.s. Deze budgetten hebben namelijk bij Voorjaarsnota geen loonbijstelling ontvangen, omdat de hoogte van de loonbijstelling wordt bepaald op basis van de stand ontwerpbegroting exclusief amendementen. De keuze om met de resterende prijsbijstelling eerst op deze budgetten loonbijstelling uit te keren is ingegeven door de wens om op deze budgetten – in lijn met het amendement Bontenbal c.s. – geen reële bezuiniging te laten plaatsvinden.

Vraag 26

Binnen welke termijn zal de tegenvaller van 5 miljoen euro in 2025 door de bijstelling op de leerling- en studentenraming oplopen tot structureel 125,2 miljoen euro en op welke wijze zal deze tegenvaller de komende jaren wordt gedekt?

Antwoord op vraag 26

De tegenvaller op de Referentieraming (de raming van de leerling- en studentenaantallen) is 4,7 miljoen euro in 2025 en loopt op tot structureel 125,2 miljoen euro vanaf 2030. Dit betekent dat er meer geld gaat naar instellingen voor de bekostiging van het onderwijs aan deze leerlingen en studenten.

Conform de begrotingsregels van het kabinet is deze tegenvaller meerjarig en structureel gedekt binnen de OCW-begroting. Het is niet mogelijk precies aan te geven welke maatregelen als dekking hebben gediend. Dit komt omdat er een integrale afweging is gemaakt over de OCW-begroting, waarbij ook andere tegenvallers en problematiek gedekt moesten worden. Nadat meevallers en de eindejaarsmarge als dekking zijn ingezet resteerde een OCW-brede dekkingsopgave, die zoals gezegd niet specifiek toegewezen kan worden aan de tegenvaller op de Referentieraming.

Tabel 6 Bijstelling leerling- en studentenraming

+ = saldoverslechterend, bedragen x miljoen euro,

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Bijstelling leerling- en studentenraming

4,7

16,2

35,2

59,1

83,1

125,2

Vragen van de ChristenUnie-fractie

Huurbevriezing sociale huur

Vraag 1

Kan de regering toelichten waarom er niet voor gekozen is om de lastenverlichting via een verlaging van de huurtoeslag te bewerkstelligen?

Antwoord op vraag 1

Op 3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 2

Hoewel de regering voornemens is om de sociale huur te bevriezen, zijn er geen middelen beschikbaar gesteld voor de 500.000 sociale woningen in de particuliere verhuur. Daar gaat de huurstijging per 1 juli 2025 door. Hoe wil de regering voorkomen dat deze groep huurders op ongelijke wijze wordt behandeld ten aanzien van de huurders onder de woningbouwcorporaties?

Antwoord op vraag 2

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Asiel & migratie

Vraag 3

De regering heeft in de Voorjaarsnota middelen vrijgemaakt voor het COA. Betekent dit dat het COA in staat wordt gesteld om de vaste voorraad van 41.000 opvangplekken te realiseren? Als dat niet het geval is, hoe geeft de regering dan uitvoering aan de motie-Huizinga c.s.?

Antwoord op vraag 3

Bij Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet incidenteel extra budget beschikbaar gesteld aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) om in 2025 ca. 83.000 plekken en in 2026 ca. 103.000 plekken te realiseren. Structureel is het budget voor het COA niet gewijzigd, zoals ook blijkt uit de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van Asiel en Migratie40. Er is daarmee niet voldoende budget om structureel 41.000 opvangplekken te exploiteren. Zoals gebruikelijk beziet het kabinet op reguliere financiële besluitvormingsmomenten of bijstellingen voor het COA nodig zijn, onder andere op basis van de meest actuele prognoses uit de Meerjaren Productie Prognose (MPP). De bewindspersonen verantwoordelijk voor Asiel en Migratie informeren uw Kamer over ontwikkelingen ten aanzien van motie-Huizinga c.s.

Ontwikkelingssamenwerking

Vraag 4

Gaat deze koppeling pas in vanaf 2026, of ook terugwerkend per 2025? Indien dit niet terugwerkt, waarom is ervoor gekozen om de koppeling niet per 2025 te herstellen?

Antwoord op vraag 4

In lijn met de motie Huizinga c.s., is het ODA-budget voor 2026 en verder bijgesteld.

Vraag 5

De regering laat het streefcijfer van 0,7% definitief los. Hoe voldoet de regering dan nog aan die inspanningsverplichting?

Antwoord op vraag 5

De 0,7% verwijst naar de systematiek van voorgaande kabinetten, waarbij er een koppeling was op basis van de streefwaarde van de Verenigde Naties: 0,7% van het bni. Ombuigingen werden van het ODA-budget afgehaald en intensiveringen toegevoegd. Hierdoor heeft de ODA-prestatie sinds 2013 afgeweken van de 0,7%.

Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluitvorming besloten om het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni). Het budget is vervolgens bijgesteld op basis van de verwachte volume- en prijsontwikkeling van het bni ten opzichte van MEV’25. Conform de berekening getoond bij vraag 1 (GL-PVDA), wordt er op deze manier langjarig een gelijkblijvende ODA-prestatie gerealiseerd.

Vraag 6

Het loslaten van de koppeling in de Miljoenennota 2024 heeft als effect gehad dat de BNI-ontwikkelingen over 2025 niet zijn meegenomen en het ODA-budget niet is meegestegen. Nu wordt de koppeling hersteld, maar niet op het oorspronkelijke niveau. Met de aangenomen motie Huizinga c.s. vroeg een meerderheid van de Eerste Kamer om de huidige koppelingssystematiek structureel te waarborgen, met «huidig» doelend op de standaard die in 2025 is losgelaten. Kan de regering uitleggen hoe zij met deze nieuwe, versoberde koppeling gehoor geeft aan de oproep vanuit de Eerste Kamer?

Antwoord op vraag 6

Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluitvorming besloten het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni), in de geest van het verzoek uit de Eerste Kamer. Het ODA-budget is vervolgens bijgesteld op basis van de verwachte bni-ontwikkeling ten opzichte van MEV’25. Op deze manier blijft de verhouding tussen het bni en het ODA-budget langjarig op peil.

Vragen van de leden van de PvdD-fractie

Vraag 1

De Minister van VWS zegde eerder toe om de bezuiniging van 300 miljoen op pandemische paraatheid in de Voorjaarsnota te corrigeren. Dit is niet gebeurd. Hoe is de regering voornemens om deze bezuiniging alsnog te herstellen? En op welke termijn?

Antwoord op vraag 1

De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid zijn dit jaar ingegaan en nemen de komende jaren toe. Vanaf 2029 is sprake van een structurele bezuiniging van het gehele budget voor pandemische paraatheid. Als er meer duidelijk is over een mogelijke alternatieve dekking zal uw Kamer door het Ministerie van VWS hierover geïnformeerd worden.

Vraag 2

In de Voorjaarsnota is 51 miljoen gereserveerd voor «dierwaardigheid». Waar wordt dit bedrag precies aan besteed?

Antwoord op vraag 2

Het budget voor dierwaardigheid wordt besteed aan een verschillende zaken. Ten eerste het opstellen van een kennisagenda en een daarop gebaseerd meerjarig onderzoeksprogramma. Ten tweede het doen van praktijkpilots en sluiten van ketendeals. De pilots hebben tot doel om te kijken of met beoogde maatregelen daadwerkelijk ook het beoogde effect voor dierenwelzijn wordt bereikt. Bij de pilots zal ook worden gekeken hoe de maatregelen op te schalen zijn. De ketendeals hebben tot doel te komen tot verwaarding van dierwaardig geproduceerde producten. Tot slot wordt de totstandkoming en voortgang van de invoering van de dierinhoudelijke maatregelen gemonitord en wordt gekeken hoe onafhankelijke toetsing en advisering hierover door een nog op te richten autoriteit vorm kan krijgen.

Vraag 3

Voor de Landelijke Aanpak Wolf is 28 miljoen euro gereserveerd. Kan de regering deze 28 miljoen specificeren? Waar wordt deze aan besteed?

Antwoord op vraag 3

Het budget voor de Landelijke Aanpak Wolf zal worden ingezet voor het opzetten van een Landelijk Informatiepunt Wolf, dat zal voorzien in neutrale en eenduidige informatie over wolven voor overheden en burgers. Daarnaast wordt kennis en expertise ontwikkeld als basis voor een effectief wolvenbeleid. Ook voorziet de aanpak in een Landelijk Team Veebescherming, dat veehouders moet ondersteunen in het treffen van maatregelen om wolvenaanvallen op vee te voorkomen. Tot slot wordt een Landelijk Deskundigenteam opgericht, dat overheden deskundige en onafhankelijke duiding en advies kan geven bij incidenten met wolven.

Vraag 4

Vijf ambassades en twee consulaten-generaal worden gesloten: in Bujumbura (Burundi), Havana (Cuba), Juba (Zuid-Soedan), Tripoli (Libië), Yangon (Myanmar) en de consulaten in Antwerpen (België) en Rio de Janeiro (Brazilië). Op termijn verdwijnen nog vier posten. Ook op andere ambassades wordt gesneden in personele capaciteit. In totaal moet deze operatie 25 miljoen euro opleveren. Is de regering het met de leden van de PvdD-fractie eens dat in tijden van geopolitieke spanningen bezuinigen op ambassades en consulaten onverstandig is? Hoe worden de werkzaamheden van deze ambassades/consulaten gewaarborgd?

Antwoord op vraag 4

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zet in op een adequaat postennet. Dit betekent dat het ministerie posten heeft op plekken waar Nederland beschikt over handelingsperspectief: we moeten daar aanwezig zijn, waar we effectief kunnen opkomen voor de belangen van het Koninkrijk. De nadruk van het werk komt meer te liggen op veiligheid en welvaart. Hiermee vullen we de Nederlandse defensie-inzet aan: via diplomatie, hulp en handel zijn we erop gericht te voorkomen dat Nederland verstrikt raakt in conflicten, crises of oorlog. Daarnaast focust het Ministerie van Buitenlandse Zaken op consulaire dienstverlening en belangenbehartiging van Nederlanders en Nederlandse bedrijven in het buitenland. De Kamerbrief «Adequaat postennet in tijden van taakstelling» van 17 april 2025 gaat verder in op de afwegingen en belangen bij het invullen van de taakstelling.

Vraag 5

De aan het woord zijnde leden zijn verbaasd dat de SDE+-subsidie voor houtige biomassa wordt verlengd. Hoeveel subsidie is voorzien voor de Duitse RWE-centrale in 2025, 2026 en 2027? En in hoeverre acht de regering dit besluit in overeenstemming met de motie-Koffeman c.s., waarin het kabinet werd opgeroepen om nieuwe subsidies op houtige biomassa te stoppen en huidige subsidies niet te verlengen?

Antwoord op vraag 5

De SDE+-subsidie (Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie) aan RWE betreft afgegeven beschikkingen uit 2016 voor bij- en meestook (houtige biomassa) van installaties in Nederland met een looptijd van acht jaar na ingebruikname. De categorie voor bij- en meestook is al jaren niet meer open voor nieuwe subsidieaanvragen. De openbare informatie over deze beschikkingen wordt gepubliceerd op de website van RVO en wordt samengevat in onderstaande tabel. De daadwerkelijk uitgekeerde subsidie is veel lager dan de maximale subsidie in de tabel doordat de subsidie wordt gecorrigeerd voor inkomsten uit de verkoop van elektriciteit en warmte, of omdat de installatie mogelijk niet altijd op volledige capaciteit produceert. Het gaat hierbij dus om bestaande beschikkingen die nog een aantal jaren doorlopen en niet om een nieuwe of verlengde subsidie en daarbij behorende nieuwe kasuitgaven in de genoemde jaren.

Daarnaast heeft het demissionaire kabinet in het regeerprogramma aangegeven zich te houden aan de bestaande afspraken voor de klimaatdoelen van 2030 en 2050. Onderdeel daarvan is de afspraak om in Nederland een start te maken met negatieve emissies door BECCS (bioenergy Carbon Capture Storage). Het reductiedoel hiervoor is 1,5 Mton in 2030. Dit zal ook nieuwe subsidies voor de afvang, transport en opslag van de CO2 die vrijkomt bij de verbranding van houtige biomassa vergen. Voor de productie van elektriciteit en warmte die vrijkomt bij de verbranding van houtige biomassa voor lagetemperatuurtoepassingen in de glastuinbouw en gebouwde omgeving wordt geen nieuwe subsidie meer verstrekt.

Tabel 7 Afgegeven SDE+-beschikkingen voor bij- en meestook houtige biomassa

Referentie

Aanvrager Naam

Maximale subsidie (€)

Ingebruikname jaar

SDE1620600

Uniper Benelux N.V.

630.086.160,00

2019

SDE1623123

RWE Generation NL B.V.

539.000.000,00

2019

SDE1626567

RWE Generation NL B.V.

392.104.487,00

2019

SDE1640163

RWE Generation NL B.V.

720.859.584,00

2018

SDE1648907

Power Plant Rotterdam B.V.

295.976.379,00

2019

SDE1693517

RWE Eemshaven Holding II B.V.

930.222.223,00

2019

SDE1724670

Power Plant Rotterdam B.V.

27.812.260,00

2020

Vraag 6

Waar zijn de investeringen in luchthaven Groningen airport Eelde voor bedoeld?

Antwoord op vraag 6

De investeringen in luchthaven Groningen airport Eelde zijn specifiek bedoeld om de landzijdige bereikbaarheid van het vliegveld te verbeteren, n.a.v. het amendement van het Lid Peter de Groot (36 600 A, nr. 11). Het gaat hierbij om een bijdrage voor de aanleg van een verkeersveilige ontsluitingsweg naar de nabijgelegen N-weg, een verkeersveilige rotonde voor het nieuwe Bravo Businesspark alsook de aanleg van een OV-hub.

Vraag 7

Waarom kiest het kabinet voor een verlaging van de bijdragen aan de UNRWA terwijl er juist nu hard hulp nodig is in Gaza?

Antwoord op vraag 7

Toekomstige steun aan UNRWA is middels het aangenomen amendement (36 600 XVII, nr. 49) op de BHO-begroting door de Tweede Kamer vastgesteld. De verhoging van het budget voor noodhulpprogramma’s van 4 miljoen euro in 2025 die volgt uit dit amendement zal worden ingezet voor hulp aan Gaza via UNICEF.

Vraag 8

Hoe beïnvloedt het naar achter schuiven van de reservering van 400 miljoen euro (van 2026 naar 2029 en 2030) op stikstofmiddelen op de Aanvullende Post het behalen van de stikstofdoelen?

Antwoord op vraag 8

Het behalen van de stikstofdoelen behoeft een langjarige aanpak. Middels deze kasschuif worden de middelen in een realistisch ritme gezet dat aansluit bij deze aanpak. Het kabinet maakt tegelijkertijd ook extra middelen vrij, bijvoorbeeld de met Voorjaarsnota vrijgemaakte middelen voor Veluwe en de Peel.

Vragen van de leden van de JA21-fractie

Vraag 1

Waarom blijft de regering de huurtoeslag als lapmiddel inzetten in plaats van te kiezen voor structurele hervorming van het toeslagenstelsel, dat een bureaucratisch moeras is geworden waarin werken nauwelijks loont?

Antwoord op vraag 1

Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel, en uw Kamer ontvangt conform de planning van de in oktober verstuurde taakopdracht voor de zomer een brief van het kabinet met als doel de eerste stap te zetten richting concrete besluitvorming hierover.

Vraag 2

Kan de regering bevestigen dat de eenmalige «boodschappenbonus» in feite een koopkrachtpleister is voor expansieve overheidsuitgaven die de inflatie mede aanjagen?

Antwoord op vraag 2

Op 3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties. Deze opbrengsten kunnen derhalve nu ook niet ingezet worden voor het verhogen van de huurtoeslag, de zogenoemde boodschappenbonus.

Vraag 3

In de Voorjaarsnota valt te lezen: «Ter compensatie van de terugvallende huurinkomsten door de huurbevriezing wordt geld gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur». Kan de regering hierop reflecteren? Zou het niet verstandiger zijn om de huren niet te bevriezen, opdat er ook geen reserveringen nodig zijn om de terugvallende huurinkomsten te compenseren?

Antwoord op vraag 3

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 4

Wat is het effect van deze incidentele verhoging op het aantal huishoudens dat langdurig afhankelijk blijft van huurtoeslag? Wordt armoede hier bestreden of juist bestendigd?

Antwoord op vraag 4

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties. Deze opbrengsten kunnen derhalve ook niet ingezet worden voor het verhogen van de huurtoeslag, de zogenoemde boodschappenbonus.

Vraag 5

Hoe geloofwaardig is het beroep op «trendmatig begroten» als de regering tegelijk incidentele lastenverlichting financiert met structurele lastenverzwaringen, zoals het niet-indexeren van de inkomstenbelasting via de tabelcorrectiefactor?

Antwoord op vraag 5

Het demissionaire kabinet acht het beroep op trendmatig begroten passend in dezen. Een belangrijk principe bij het trendmatig begrotingsbeleid is het scheiden van inkomsten en uitgaven. Conform dit principe en de bijbehorende begrotingsregels is het pakket aan maatregelen aan de inkomstenkant, waaronder het structureel niet verhogen van het btw-tarief op cultuur, media en sport, ook gedekt aan de lastenkant met het niet volledig toepassen van de tabelcorrectiefactor. Daarnaast zijn ook enkele incidentele maatregelen opgenomen in het lastenpakket. Het totaal van het pakket is conform de begrotingsregels voorzien van structurele budgettaire dekking, zie daarvoor tabel 2 van de VJN 2025. Er vindt hierbij per saldo geen structurele lastenverzwaring plaats.

Vraag 6

Is de regering bereid om een plafond te zetten op het totaal aan inkomensafhankelijke regelingen (huurtoeslag, zorgtoeslag, KOT, WKB), om de werkende middenklasse te beschermen tegen een permanente herverdeling naar de onderkant en bovenkant van de samenleving?

Antwoord op vraag 6

Inkomensafhankelijke regelingen maken het mogelijk om gerichte inkomensondersteuning te bieden, zonder dat dit in buitenproportionele mate ten koste gaat van de overheidsfinanciën. Een nadeel is dat de arbeidsmarktprikkels verslechteren voor een specifieke groep. Het is vervolgens een politieke afweging om te bepalen hoe groot deze ondersteuning en de mate van inkomensafhankelijkheid zijn. Gezien de demissionaire status van het kabinet is terughoudendheid gepast. Daarbij is het technisch gezien zo dat niet de hoeveelheid regelingen, maar de hoogte van de ondersteuning iets zeggen over de mate van herverdeling.

Vragen van de leden van de SGP-fractie

Vraag 1

Hoe rijmt de regering de bezuiniging op het kindgebonden budget voor (hogere) middeninkomens met de ambities om middeninkomens beter te ondersteunen?

Antwoord op vraag 1

In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken de uitgaven aan het kindgebonden budget te verhogen met 300 miljoen euro structureel vanaf 2025. In de Voorjaarsnota is besloten om onder andere het kindgebonden budget steiler af te bouwen en daarmee op dit budget om te buigen met circa 300 miljoen euro structureel per 2027. Het kabinet hecht groot belang aan het ondersteunen van de positie van middeninkomens en neemt meerdere maatregelen om dit te bereiken, zoals het verhogen van de vergoedingspercentages in de Kinderopvangtoeslag en het terugdraaien van het niet indexeren van de maximum uurprijzen in de kinderopvang in 2026. Er bestaan echter meer grote opgaven en daarom heeft het kabinet in de voorjaarsbesluitvorming keuzes gemaakt.

Vraag 2

Hoe ondersteunt de regering gezinnen met deze Voorjaarsnota?

Antwoord op vraag 2

Gezinnen worden door een aantal maatregelen uit de Voorjaarsnota ondersteund. Zo wordt onder andere de voorgenomen ombuiging uit het hoofdlijnenakkoord op de kinderopvang, door het niet-indexeren van de kinderopvangtoeslag (KOT), geschrapt. Daarnaast wordt ook de energiebelasting (incidenteel) verlaagd.

Koopkrachtbesluitvorming vindt jaarlijks plaats in de augustusbesluitvorming, wanneer het CPB een nieuwe raming publiceert. Het kabinet loopt niet vooruit op deze besluitvorming en maakt in augustus een integrale afweging over het koopkrachtbeeld voor 2026. Vanwege de demissionaire status van het kabinet is daarnaast enige terughoudendheid gepast.

Vraag 3

Is de regering voornemens om in de augustusbesluitvorming meer budget te reserveren voor gezinnen?

Antwoord op vraag 3

Zie antwoord op vraag 2.

Vraag 4

In hoeverre wordt de BNI-koppeling voor het budget van Ontwikkelingshulp hersteld?

Antwoord op vraag 4

Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluitvorming gekozen om het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bni. Het ODA-budget is bijgesteld op basis van de verwachte volume- en prijsontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni). Dit is gedaan door de bni-ontwikkeling van de meest recente raming van het CPB, het CEP’25, af te zetten tegenover de laatste raming van het CPB, de MEV’25. Daarmee is het ODA-budget gekoppeld aan het bni.

Vraag 5

En is de regering met de leden van de SGP-fractie van mening dat er bij de augustusbesluitvorming meer budget gereserveerd moet worden?

Antwoord op vraag 5

Dit voorjaar is het ODA-budget bijgesteld op basis van de verwachte volume- en prijsontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni) op basis van de meest recente raming van het CPB, het CEP’25 ten opzichte van MEV’25. Conform de kabinetsreactie op het AIV-advies41 wordt het ODA-budget voortaan elk voorjaar bij de CEP meerjarig bijgesteld op basis van de bni-ontwikkelingen sinds de CEP van het jaar ervoor. Voor intensiveringen op het ODA-budget is budgettair geen ruimte

Vragen van de leden van de Volt-fractie

Vraag 1

Hoe reageert de regering hierop? Hoe schat de regering de houdbaarheid van de Nederlandse begrotingen in op middellange termijn in het licht van de noodzaak tot hogere defensie-inspanningen en de optimistisch ingeboekte besparingen op het asiel- en migratiebeleid en de afdrachten aan de EU?

Antwoord op vraag 1

De maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord verminderen de groei van de overheidsuitgaven structureel vanaf 2027. Tegelijkertijd zijn er verdere stappen nodig om de schuldquote te stabiliseren bij een toenemende vergrijzing.

Zolang de basisprincipes van het trendmatig begrotingsbeleid worden gerespecteerd leiden eventuele hogere defensie-uitgaven, of budgettaire tegenvallers op de EU-afdrachten en het asiel- en migratiebeleid niet tot een verslechtering van de houdbaarheid van de Nederlandse begroting. Het trendmatig begrotingsbeleid schrijft namelijk voor dat additionele intensiveringen en tegenvallers op de begroting dienen te worden ingepast binnen de vooraf afgesproken budgettaire kaders. Bij aanvang van een volgend kabinet zullen de budgettaire kaders opnieuw worden vastgesteld.

Vraag 2

Het IMF spreekt in haar rapport over Nederland over «kortzichtig» beleid. Het is gericht op korte termijndoelen die op de lange termijn meer kwaad dan goed doet voor de Nederlandse economie. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Hoe denkt de regering deze kritiek te kunnen weerleggen?

Antwoord op vraag 2

Het demissionaire kabinet onderschrijft het belang van beleid maken voor de lange termijn. Tegelijkertijd zijn er ook uitdagingen die op de korte termijn om een antwoord vragen, zoals de effecten van de geopolitieke onzekerheden van dit moment. In het Hoofdlijnenakkoord en tijdens daaropvolgende besluitvormingsmomenten heeft het kabinet een integrale afweging gemaakt hoe goed met dit balanceervraagstuk om te gaan. Het is aan een volgend kabinet om verdere keuzes te maken in het vinden van een verstandig evenwicht tussen beide.

Vraag 3

Hebben de leden van de Volt-fractie het juist begrepen dat het handhaven van het huidige btw-tarief op cultuur, media en sport geheel wordt gefinancierd door een verhoging van de inkomstenbelasting? Is het juist dat dit zowel gebeurt via de 0,03% verhoging van de loonbelasting voor middeninkomens, zoals aangegeven in het eerdere beleidsbesluit, als door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in 2026? Kan de regering aangeven (in euro) hoeveel belasting hierdoor meer moet worden betaald voor een persoon met een minimuminkomen, een persoon met een modaal inkomen, een persoon met een inkomen van twee keer modaal en een persoon met een inkomen van 1 miljoen euro?

Antwoord op vraag 3

Het terugdraaien van de btw-verhoging op cultuur, media en sport wordt volledig gedekt door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting.

De btw-verhoging op cultuur, media en sport per 2026 ging gepaard met overgangsrecht om te zorgen dat vanaf 1 januari 2025 vooruitbetalingen voor activiteiten die vanaf 2026 zouden plaatsvinden, belast zouden worden met het algemene btw-tarief. Het kabinet achtte het niet in lijn met de motie Van Dijk c.s., die verzocht om een alternatieve invulling voor de afschaffing van de verlaagde btw-tarieven, om dit overgangsrecht onverkort toe te passen. Door middel van een beleidsbesluit heeft het kabinet het overgangsrecht daarom opgeschort. Hierdoor mag het verlaagde btw-tarief, in tegenstelling tot wat er in de wet staat, worden toegepast op vooruitbetalingen en bij verkoop van tickets voor prestaties die plaatsvinden in 2026.

Het opschorten van het overgangsrecht ging gepaard met een incidentele budgettaire derving die gedekt zou worden met de incidentele verhoging van het tarief in de eerste en tweede schijf van de IB met 0,03%-punt. Deze derving ontstaat echter alleen wanneer geen alternatieve invulling voor de btw-verhoging gevonden zou zijn. Belastingplichtigen zouden dan gebruik hebben kunnen maken van de mogelijkheid om het lage btw-tarief toe te passen voor prestaties die plaatsvinden in 2026, terwijl in 2026 het algemene btw-tarief zou gelden. Nu de btw-verhoging geschrapt wordt, ontstaat geen budgettaire derving als gevolg van het opschorten en vervalt daarmee ook de tariefsverhoging.

Onderstaande tabel toont de verschuldigde inkomstenbelasting voor de gevraagde inkomensniveaus in 2026 voor en na het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor als dekking voor het schrappen voor de btw-verhoging. Hierbij is aangenomen dat het inkomen arbeidsinkomen betreft. Het betreft voorlopige cijfers, de tabelcorrectiefactor voor 2026 is nog niet definitief. De rekenvoorbeelden zijn op basis van CEP2025. Hierin is nog geen rekening gehouden met het overige beleid uit de Voorjaarsnota. Tegenover de lastenverzwaring in de inkomstenbelasting staat een lastenverlichting in de btw, waarbij de hoogte van de lastenverlichting afhangt van het uitgavenpatroon van een belastingplichtige.

Tabel 8 Verschuldige inkomstenbelasting per inkomensniveau in 2026
 

WML (voor)

WML (na)

Modaal (voor)

Modaal (na)

2x Modaal (voor)

2x Modaal (na)

1 Miljoen (voor)

1 Miljoen (na)

Bruto inkomen

29.700

29.700

48.500

48.500

97.000

97.000

1.000.000

1.000.000

Belasting

10.326

10.325

16.751

16.757

35.288

35.411

480.962

481.085

Heffingskortingen

8.515

8.409

7.730

7.624

2.692

2.633

0

0

Totaal betaalde belasting

1.811

1.916

9.021

9.133

32.596

32.778

480.962

481.085

Verschil in betaalde belasting

 

105

 

112

 

182

 

123

Vraag 4

Heeft de regering aan de motie-Huizinga-Heringa volledig gevolg gegeven? Zo nee, welk deel van de indexering wenst de regering niet toe te passen?

Antwoord op vraag 4

Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluitvorming besloten om het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni), in lijn met de motie Huizinga c.s. Het ODA-budget is in de jaren 2026–2030 bijgesteld op basis van de verwachte volume- en prijsontwikkeling van het bni. Dit is gedaan door de bni-ontwikkeling van de meest recente raming van het CPB, het CEP’25, af te zetten tegenover de laatste raming van het CPB, de MEV’25.

Vragen van de 50PLUS-fractie

Vraag 1

Klopt het dat de verwachting voor het EMU-saldo in 2028 en 2029 (tabel 3) is verbeterd met 0,3% van het BBP in 2028 en met 0,6% van het BBP in 2029? Is bij deze raming al volledig rekening gehouden met de extra uitgaven die vanwege onderbesteding of veranderingen van het kasritme naar latere jaren zijn verschoven?

Antwoord op vraag 1

De raming van het EMU-saldo voor 2028 en 2029 is in de Voorjaarsnota inderdaad met respectievelijk 0,3% en 0,6% verbeterd ten opzichte van de Miljoenennota 2025. Alle kasschuiven uit de Voorjaarnota zijn in deze raming verwerkt.

Vraag 2

Kan op basis van recente ervaringen met economische verslechtering (2009, 2012, 2020) worden aangegeven hoe het EMU-saldo zich ontwikkelt als er zich een recessie manifesteert?

Antwoord op vraag 2

Het is op basis van specifieke economische verslechteringen moeilijk om voorspellingen te maken over de effecten van een nieuwe economische verslechtering op het EMU-saldo. Een gangbare manier om dit te doen is door middel van de begrotingselasticiteit. Deze meet de impact van de groei van het bruto binnenlands product (bbp) op het EMU-saldo als percentage van het bbp. Volgens een schatting van de Europese Commissie is de Nederlandse begrotingselasticiteit gemiddeld 60%. Dit betekent dat een daling van het bbp met 1% leidt tot een verslechtering van het saldo met 0,6%.

Vraag 3

Met hoeveel procent kan (of zal) de raming van het EMU-saldo redelijkerwijs of grofweg verslechteren bij een BBP groei van – 1% voor twee jaar?

Antwoord op vraag 3

Om het effect van economische schokken op het EMU-saldo inzichtelijk te maken, kan de begrotingselasticiteit worden gebruikt. De begrotingselasticiteit meet de impact van de groei van het bruto binnenlands product (bbp) op het overheidssaldo als percentage van het bbp. Volgens een schatting van de Europese Commissie is de Nederlandse begrotingselasticiteit gemiddeld 60%. Dit betekent dat een daling van het bbp met 1% leidt tot een verslechtering van het saldo met 0,6%. Als de economische groei in 2025 afneemt met 1% bbp afneemt betekent dit dat het EMU-saldo in 2025 afneemt met grofweg 0,6% bbp. Dit zou betekenen dat het EMU-saldo in 2025 uitkomt op – 3,2% bbp (– 2,6% bbp in de Voorjaarsnota). Indien de economische verslechtering zich in 2026 doorzet verslechtert het bbp in 2026 met 2% bbp vanwege een jaar op jaar effect van 2025 op 2026. Dit betekent dat het EMU-saldo in 2026 zou verslechteren met 1,2% bbp en uitkomt op grofweg – 4,2% bbp (-3,0% bbp in de Voorjaarsnota). Deze berekeningen zijn zeer indicatief en gaan uit van ongewijzigd beleid.

Vraag 4

Is het volgens de regering denkbaar dat de ingezette aanpassingen van het kasritme, leiden tot extra bestedingen in jaren dat het EMU-saldo de grenswaarde van – 3% reeds heeft overschreden? Het klopt toch dat Nederland dan ook vrijwel onmiddellijk moet gaan bezuinigen, omdat de grenswaarde van – 3% dan snel en ruimschoots wordt overschreden? Zijn de uitgaven in het kader van «veranderen van het kasritme» voor deze regering dan ook nog belangrijk of worden dat dan de eerste bezuinigingsposten?

Antwoord op vraag 4

In de Voorjaarsnota zijn opnieuw stappen gezet om de begroting middels kasschuiven realistischer te maken. Het effect van deze kasschuiven is in de Voorjaarsnota reeds opgenomen in het EMU-saldo. In geen van de komende vijf jaar wordt de grenswaarde van – 3% overschreden. Wanneer in de toekomst een overschrijding van deze grenswaarde dreigt, zal in de integrale besluitvorming worden bezien hoe hiermee om te gaan.

Vraag 5

Kan de regering aangeven hoeveel fte in 2019, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 in dienst waren van het Rijk, respectievelijk voor de collectieve sector? Kunt u tevens aangeven hoeveel procent van het totaal aantal werknemers in Nederland werkzaam is voor het Rijk, respectievelijk voor de collectieve sector, over de genoemde jaren? Ligt de regering op koers ten aanzien van haar ambities op dit punt? Graag een toelichting.

Antwoord op vraag 5

In onderstaande tabel wordt het aantal fte voor het Rijk, inclusief uitvoeringsorganisaties, en overige collectieve sectoren weergegeven, voor zover centraal beschikbaar. Hierin zitten bijvoorbeeld geen gegevens over de sociale zekerheidsinstellingen. De aantallen over 2024 zijn nog niet in alle gevallen bekend. Deze zullen in het najaar worden gepubliceerd op de website van Kennis van de Overheid.

Tabel 9 Aantal fte Rijk en overige collectieve sectoren
 

2019

2019

2021

2022

2023

2024

Rijk

119.185

119.185

131.132

138.376

147.841

157.019

Gemeenten

138.377

138.377

148.028

155.854

165.570

 

Provincies

10.129

10.129

10.986

11.427

11.886

 

Rechterlijke Macht

3.332

3.332

3.449

3.538

3.605

 

Waterschappen

9.945

9.945

10.538

10.895

11.384

 

Defensie

58.021

58.021

60.709

60.860

62.909

66.569

Politie

61.997

61.997

63.134

63.194

63.407

 

Gemeenschappelijke Regelingen

41.678

41.678

44.206

44.139

45.279

 

Bron: Rijk: P-Direkt; Defensie: personeelssysteem Defensie; overige sectoren: ABP.

In onderstaande tabel wordt het aandeel medewerkers van de collectieve sectoren weergegeven ten opzichte van de werkende beroepsbevolking. De gegevens over de werkende beroepsbevolking zijn ontleend vanuit de StatLine kennisbank van het CBS.

Tabel 10 Aandeel medewerkers collectieve sectoren als percentage van de beroepsbevolking Nederland (o.b.v. het aantal personen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Rijk

1,4%

1,5%

1,5%

1,5%

1,6%

1,7%

Gemeenten

1,7%

1,7%

1,8%

1,8%

1,9%

 

Provincies

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

 

Rechterlijke Macht

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

 

Waterschappen

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

 

Defensie

0,6%

0,7%

0,7%

0,6%

0,7%

0,7%

Politie

0,7%

0,7%

0,7%

0,7%

0,7%

 

Gemeenschappelijke Regelingen

0,5%

0,5%

0,5%

0,5%

0,5%

 

Bron: Rijk: P-Direkt; Defensie: personeelssysteem Defensie; overige sectoren: ABP, CBS.

Op de vraag of de regering op koers ligt ten aanzien van haar ambities geldt dat aan de taakstelling geen concrete fte doelstelling is verbonden. De taakstelling is oplopend ingeboekt voor de jaren 2025 tot en met 2029 en daarna structureel. De komende jaren wordt duidelijk wat hiervan de effecten zijn. Decentrale overheden zijn, als autonome bestuurslaag, zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering.

Vraag 6

Kan de regering aangeven hoeveel fte in 2019, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 werden in-gehuurd als externen binnen het Rijk respectievelijk binnen de collectieve sector? Is het mogelijk om aan deze aantallen fte per jaar, ook de totale kosten in euro weer te geven? Ligt de regering op koers ten aanzien van haar ambities op dit punt? Graag een toelichting.

Antwoord op vraag 6

Centraal worden geen gegevens verzameld over het aantal fte externe inhuur. Elke vakminister legt in het eigen jaarverslag verantwoording af over de uitgaven aan externe inhuur, in de bijlage externe inhuur in het jaarverslag. Een totaal overzicht van de uitgaven aan externe inhuur Rijksbreed is opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR).42 Decentrale overheden zijn, als autonome bestuurslaag, zelf verantwoordelijk voor hun uitgaven en bedrijfsvoering. Uit de personeelsmonitor gemeenten van A&O-fonds gemeenten blijkt wel dat de uitgaven aan externe inhuur ten opzichte van de loonsom ongeveer 17,5% bedraagt in 2024. In de voorafgaande jaren was dat percentage ongeveer gelijk.

Tabel 11 De totale uitgaven aan externe inhuur Rijksbreed voor de jaren 2019 t/m 2024 zijn (bedragen x € 1.000)

Jaar

Totale uitgaven aan externe inhuur

Percentage van totale personele kosten

2019

€ 1.664.492

10,3%

2020

€ 1.944.359

12,2%

2021

€ 2.286.462

13,4%

2022

€ 2.678.352

14,2%

2023

€ 3.259.711

15,4%

2024

€ 3.667.996

15,4%

Bron jaarrapportages bedrijfsvoering Rijk 2019 t/m 2024

In de brief aan de Tweede Kamer over terugdringen externe inhuur d.d. 18 april 202543heeft de Minister van BZK aangegeven het van belang te vinden dat de trend van het overschrijden van de Roemernorm te doorbreken en een daling te realiseren. De stand ten opzichte van de Roemernorm in 2024 is de zogenaamde 0-meting, deze staat in de recentelijk gepubliceerde Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024. In de daaropvolgende rapportages wordt de voortgang gemonitord. Indien daaruit blijkt dat de stijgende trend niet wordt doorbroken, zal de Minister van BZK op dat moment in overleg met de collega's bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn.

Vraag 7

Kan een lijst worden gegeven van alle lastenverhogingen waartoe de regering heeft besloten sinds haar aantreden in juli 2024, die geen onderdeel uitmaakten van het hoofdlijnenakkoord? Zijn er sinds het aantreden van deze regering ook lastenverlichtingen bij gekomen die geen onderdeel uitmaakten van het hoofdlijnenakkoord, zo ja welke?

Antwoord op vraag 7

In de bijlagen bij de Miljoenennota 2025 is in tabel 4.1 een overzicht opgenomen van alle nieuwe beleidsmaatregelen en mee- en tegenvallers sinds het hoofdlijnenakkoord. In de Voorjaarsnota 2025 is een vergelijkbare lijst opgenomen in tabel 12, waarin het kabinet de besluitvorming aan de inkomstenzijde van de begroting inzichtelijk maakt. Aan het begin van de kabinetsperiode is met het inkomstenkader het lastenpad vastgesteld. Daar is het kabinet niet van afgeweken.

Vraag 8

In tabel 2 en 12 van de Voorjaarsnota staat een bedrag van 1.336 miljoen vermeld in het kader van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in 2026. Verderop in dezelfde tabel staat een bedrag van 126 miljoen vermeld, eveneens gelabeld als «beperkt toepassen tabelcorrectiefactor». Dit komt dan toch neer op een totaalbedrag van 1.462 miljoen wat wordt opgehaald met het «beperkt toepassen» van de tabelcorrectiefactor in 2026?

Antwoord op vraag 8

Het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting wordt ingezet als dekkingsmaatregel voor twee verschillende posten: het schrappen van de btw-verhoging op cultuur, media en sport en het invullen van de resterende dekkingsopgave binnen de stelpost voor fiscale regelingen en constructies. De budgettaire opbrengst bedraagt voor beide maatregelen samen inderdaad 1.462 miljoen euro per jaar.

Vraag 9

Deelt de regering de mening dat de beperking van de tabelcorrectiefactor met 54% in 2026 voor een eerlijke beeldvorming eigenlijk moet worden afgetrokken van het bedrag dat in het hoofdlijnenakkoord vermeld staat onder «Koopkracht en lastenverlichting voor werkende middeninkomens»? Door de beperking van de tabelcorrectiefactor, is er toch nog maar 0,5 miljard van de oorspronkelijke 2 miljard euro beschikbaar voor netto lastenverlichting voor werkende middeninkomens?

Antwoord op vraag 9

In het Belastingplan 2025 is een pakket koopkrachtmaatregelen opgenomen met lastenverlichting voor werkende middeninkomens. Hiervoor heeft het kabinet de verschillende gereserveerde middelen voor lastenverlichting uit het Hoofdlijnenakkoord ingezet. Deze lastenverlichting werd mede mogelijk gemaakt door de eveneens in het Belastingplan 2025 voorgestelde btw-verhoging op cultuur, media en sport. Omdat de btw-verhoging niet doorgaat, is ervoor gekozen om de lastenverlichting in de inkomstenbelasting terug te draaien door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Hierdoor is er inderdaad sprake van minder lastenverlichting via de inkomstenbelasting, maar tegelijkertijd profiteren belastingplichtigen van lagere prijzen omdat de btw-verhoging niet doorgaat.

Vraag 10

Kunt u weerleggen dat bijna driekwart van het bedrag wat in het hoofdlijnenakkoord staat gereserveerd voor «lastenverlichting voor werkende middeninkomens» nu indirect is uitgegeven aan het in stand houden van het lage BTW tarief voor sport, cultuur en boeken?

Antwoord op vraag 10

Het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor is ingezet als dekkingsbron voor het niet doorgaan van de voorgenomen BTW-verhoging op cultuur media en sport. Per saldo levert dit geen significant verschil op in de koopkracht voor middeninkomens.

Het kabinet heeft bij het opstellen van het regeerprogramma gekozen om lastenverlichting ten goede te laten komen aan werkende middeninkomens. Deze lastenverlichting is met name verwerkt in de tarieven in de inkomstenbelasting, voor bijna 6 miljard euro, oplopend tussen 2025 en 2028. Ook zijn de accijns op brandstoffen niet verhoogd en is de energiebelasting verlaagd. Ook zijn toeslagen verhoogd, waar ook werkende middeninkomens profijt van hebben.

Vraag 11

Klopt het dat bij de staatsgaranties, ook wel genaamd «risicoregelingen van het Rijk», in het kader van de risicoregeling «Next Generation EU» een totale garantie van 28,45 miljard euro is verstrekt? Klopt het dat deze garantie of risicoregeling pas afneemt als de Europese Commissie de hiervoor aangegane schulden heeft afgelost, naar verwachting rond 2058?

Antwoord op vraag 11

In artikel 4 van het Jaarverslag 2024 van het Ministerie van Financiën is de meest actuele garantiestand voor Next Generation EU (NGEU) terug te vinden, zoals die door Nederland zelf in de administratie is verwerkt. Deze stand bedraagt 27,2 miljard euro. Bij de Miljoenennota 2026 wordt de stand opnieuw geactualiseerd.

De garantiestand betreft een raming van het meerjarige cumulatieve maximale risico op hogere afdrachten aan de Unie tot en met 2058. Deze raming fluctueert op basis van ontwikkelingen in de marktrente, het aandeel van het Nederlandse bni in het Europese bni en de mate waarin de Unie de leningen die nu worden aangegaan voor het leningendeel van de faciliteit voor herstel en veerkracht (HVF) weer zijn afgelost. De raming van de garantie zal als gevolg van het aflossen van de schuld geleidelijk tot en met 2058 afnemen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 12 is de risicoregeling alleen van toepassing op het leningendeel van de HVF. Voor de leningen die de Unie voor het leningendeel van de HVF is aangegaan wordt aangenomen dat de aflossingen vanaf 2031 beginnen. Dat is het verwachte moment dat de lidstaten beginnen met het aflossen van de HVF-leningen.

Vraag 12

Klopt het dat de Europese Commissie, onder deze garantie of risicoregeling, zelf geld ophaalt op de kapitaalmarkten? Kan worden aangegeven hoeveel de Europese Commissie in het kader van «Next Generation EU» op dit moment heeft geleend en hoeveel ruimte de commissie nog over heeft op deze post?

Antwoord op vraag 12

De Commissie is in het Eigenmiddelenbesluit44 gemachtigd om voor Next Generation EU45 op de kapitaalmarkt leningen aan te gaan. Een deel van deze leningen wordt gebruikt voor het verhogen van bepaalde programma’s van de EU-begroting en voor het subsidiegedeelte van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF). Rente en aflossing van deze leningen worden via de EU-begroting gedaan en zijn onderdeel van de raming van de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie op artikel 3.1 van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor het leningendeel van de HVF worden rente en aflossing op de leningen die de Unie is aangegaan gedaan met de middelen die de Unie als rente en aflossing van de lidstaten ontvangt die leningen zijn aangegaan binnen de HVF. In het uitzonderlijke geval dat een lidstaat daarbij in gebreke blijft voorziet het Eigenmiddelenbesluit erin dat de Europese Commissie bij de lidstaten de benodigde middelen op kan vragen om zeker te stellen dat de Unie de rente en aflossing op de leningen die zij is aangegaan kan voldoen. Het risico op hogere afdrachten dat vanuit dit perspectief in het Eigenmiddelenbesluit ligt besloten, is als risicoregeling op de begroting van het Ministerie van Financiën opgenomen.

Uit de meest recente halfjaarlijkse rapportage van de Europese Commissie46 blijkt dat eind 2024 ten behoeve van NGEU 366 miljard euro is geleend, van een totaalbedrag van 712 miljard euro. Het publiek meer bekende bedrag van 750 miljard euro was een bedrag in prijzen van 2018. In lopende prijzen is NGEU daarom groter. Daar staat tegenover dat het leningendeel van de HVF niet volledig is benut, waardoor het bedrag weer is gedaald.

Vraag 13

Wat is het (gemiddelde) rentepercentage dat door de Nederlandse Staat wordt betaald over de huidige Nederlandse staatsschuld?

Antwoord op vraag 13

Op 31 mei 2025 bedroeg het rentepercentage (de effectieve rente) op de Nederlandse staatsschuld gemiddeld 1,5%.

Vraag 14

Leidt het nieuwe Europese defensieplan genaamd «Re-arm Europe» naar verwachting tot een toename van de door de Nederlandse staat afgegeven garanties? Zo ja, met hoeveel ongeveer?

Antwoord op vraag 14

De leningen die de Europese Unie aan kan gaan voor de financiering van het SAFE-instrument wordt gegarandeerd binnen de bestaande headroom van de Europese begroting. Deze headroom is het verschil tussen het jaarlijks maximum voor de eigen middelen die de Unie op mag vragen bij de lidstaten (vastgelegd in het Eigenmiddelenbesluit, EMB) en het maximale jaarlijkse uitgavenplafond van de EU (vastgelegd in het Meerjarig Financieel Kader, MFK). Nederland is reeds aansprakelijk voor het Nederlandse aandeel in de headroom, op grond van de EU-verdragen en specifiek het Eigenmiddelenbesluit dat in 2020 door de Raad is vastgesteld en in 2021 door Nederlandse het parlement bij wet is goedgekeurd. Zoals gebruikelijk worden instrumenten onder de headroom inzichtelijk gemaakt op de begroting van het Ministerie van Financiën (artikel 4) door deze op te voeren als garantieregeling. Het SAFE-instrument (onderdeel van Re-arm Europe) wordt na inwerkingtreding in het eerste reguliere begrotingsloket verwerkt als risicoregeling. Dit zal inzichtelijk worden bij Miljoenennota 2026.

Vraag 15

Wordt verwacht dat de Europese Commissie al een deel van de schulden in het kader van «Next Generation EU» heeft afgelost op het moment dat zij haar deel van de uitgaven voor «Re-arm Europe» gaat plegen? Indien dit niet het geval is, wanneer wordt verwacht dat de Europese Commissie begint met het aflossen van haar schulden in het kader van «Next Generation EU»?

Antwoord op vraag 15

In het huidig Meerjarig Financieel Kader (MFK) zijn geen afspraken gemaakt over de terugbetaling van het Herstel en Veerkrachtfaciliteit (HVF). In het Eigenmiddelenbesluit (EMB) is opgenomen dat de schulden die aangegaan zijn voor het HVF uiterlijk op 31 december 2058 moeten zijn terugbetaald. Terugbetaling van het HVF zal onderdeel zijn van de aanstaande onderhandelingen over een volgend MFK. Het volgend MFK zal ingaan vanaf 2028. De Commissie betaalt, vanuit de EU-begroting, nu al wel rente over het subsidiedeel van de schuld die aangegaan is voor het HVF. Voor de leningen die de Unie voor het leningendeel van de HVF is aangegaan wordt aangenomen dat de aflossingen vanaf 2031 beginnen. Dat is het verwachte moment dat de lidstaten beginnen met het aflossen van de HVF-leningen.

De aflossing van de schuld in het Kader van Next Generation EU staat los van het Re-arm Europe programma.

Vraag 16

Klopt het dat er nog geen enkel concreet zicht is op de additionele kosten, afdrachten of garanties die (mogelijk moeten) worden verstrekt in het kader van de adviezen uit het rapport van Mario Draghi «The future of European competitiveness»?

Antwoord op vraag 16

Het rapport van Draghi stelt dat er sprake is van een investeringsopgave van 750–800 miljard euro per jaar. In het Draghi-rapport wordt een historische verdeling van de kosten benoemd; 80% private financiering en 20% publiek. De Europese Commissie werkt echter niet álle adviezen uit het Draghi rapport uit. Bovendien is de financieringswijze en de verdeling van kosten sterk afhankelijk van de concrete uitwerking van de individuele voorstellen door de Europese Commissie. De verwachting is bovendien dat de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader ná 2027, die deze zomer van start zullen gaan en naar verwachting ca. 2 jaar gaan duren, invloed zullen hebben op de financieringswijze van de (grotendeels nog uit te werken) voorstellen. Tegen deze achtergrond is er geen zicht op additionele kosten, afdrachten of garanties die de Europese Commissie mogelijk voor zal stellen als reactie op de adviezen uit het Draghi rapport. Over voorstellen van de Europese Commissie wordt uw Kamer zoals gebruikelijk via BNC-fiches op de hoogte gebracht.

Vraag 17

Heeft de regering de verwachting dat de additionele kosten van de adviezen uit het rapport van Mario Draghi volledig gedragen zullen worden door de eigen begroting van de Europese Commissie of wordt verwacht dat de lidstaten hiervoor additionele middelen (geld of garanties) ter beschikking moeten stellen?

Antwoord op vraag 17

Zie antwoord op vraag 16.

Vraag 18

Wat is het (gemiddelde) rentepercentage dat door de Europese Commissie wordt betaald over de schulden die zijn aangegaan in het kader van «Next Generation EU»? Hoeveel is dat bedrag in euro's per jaar? Wat is de gemiddelde looptijd van de leningen in dit verband?

Antwoord op vraag 18

De Commissie maakt gebruik van een gediversifieerde financiering strategie waarbij middelen voor verschillende doeleinden tegelijkertijd op de kapitaalmarkt worden opgehaald.47 Een specifiek rentepercentage voor de herstel en veerkrachtfaciliteit is er daarom niet. Het gemiddelde rentepercentage over de totale uitgegeven leningen door de Commissie tot en met Q1 2025 is 2,4%.

Vraag 19

Hoeveel euro en hoeveel procent van het BBP heeft de Europese Commissie in totaal geleend op de kapitaalmarkten, per jaar in de jaren 2020 tot en met 2024 en hoeveel is de «(staats)schuld» van de Europese Commissie per eind 2024 en wat is de gemiddelde looptijd van de totale schuld?

Antwoord op vraag 19

De onderstaande tabel toont per jaar (2021 t/m 2024) het bedrag in euro's en het percentage van het BBP dat de Europese Commissie heeft geleend via de uitgifte van obligaties (bonds) en schatkistpapieren (bills). Voor het jaar 2020 zijn de gegevens onvolledig.

Tabel 12 Lening EC via uitgifte obligaties (bonds) en schatkistpapieren (bills) in euro's en als percentage van het BBP

Jaren in mln. euro’s

Totaal uitgegeven bonds/bills1:

EU-BBP (Nominaal)

Als percentage van het EU-BBP2

2021

156.544

14.790.402,4

1,1%

2022

171.027

16.138.001,7

1,1%

2023

159.495

17.202.667,7

0,9%

2024

196.096

17.941.888,7

1,1%

De Europese Commissie rapporteert halfjaarlijks aan de Raad en het Europees Parlement over de leenactiviteiten die zij namens de Unie onderneemt48. Op 31 december 2024 bedroeg het uitstaande totaal aan langlopende obligaties onder alle uitgifteprogramma’s 578,2 miljard euro, of circa 3,2% van het bbp van de EU. Dit betreft dus niet alleen NGEU maar ook leningen die zijn aangegaan voor het financieren van EFSM, SURE, betalingsbalanssteun, macrofinanciële bijstand en de Oekraïnefaciliteit. Daarvan was 430,4 miljard euro uitgegeven via de gediversifieerde financiering strategie. Daarnaast had de Commissie op 31 december 2024 voor 23,1 miljard euro aan EU-schuldpapieren (EU-Bills) uitstaan. De gewogen gemiddelde resterende looptijd was 12 jaar.

Vraag 20

Hoeveel procent van de jaarlijkse begroting van de Europese Commissie werd in 2019 uitgegeven aan rentelasten, hoeveel was dat in 2024 en naar verwachting in 2025? Hoe luiden deze cijfers (ter vergelijking) voor Nederland?

Antwoord op vraag 20

In 2019 stonden rentelasten nog niet op de begroting van de Europese Unie. In 2022 zijn de eerste rentebetalingen gedaan. In het huidig Eigenmiddelenbesluit (EMB, ingang vanaf 2021) is afgesproken dat de rentelasten van het subsidiedeel van het Herstel en Veerkrachtfaciliteit worden voldaan vanuit de EU-begroting. De rentelasten voor het de middelen die zijn geleend voor het leningendeel van de HVF worden voldaan met de rente die de Unie van de lidstaten ontvangt die binnen de HVF een lening zijn aangegaan en drukken niet op de EU-begroting. In 2024 is in de EU-begroting 3,3 miljard euro uitgegeven aan rentelasten, dit is 1,7% van de EU-begroting van 2024. Naar verwachting zullen deze rentelasten in 2025 4,9 miljard euro zijn. Dit is 2,5% van de ontwerpbegroting van 2025.49 Bij Miljoenennota waren de Nederlandse rentelasten geraamd op 8,7 miljard euro. Afgezet tegen de Rijksbegroting is dit 1,9% (van de totale geraamde uitgaven).

Vraag 21

Kan een overzicht worden gegeven van de jaarlijkse rente- en aflossingsverplichtingen van de Europese Commissie in het kader van «Next Generation EU» per jaar van heden tot het verwachte moment van aflossing. Deelt de regering de mening dat deze, relatief nieuwe verplichting, een aanzienlijke kostenpost is voor de begroting van de Europese Commissie tot 2058?

Antwoord op vraag 21

In het huidig Meerjarig Financieel Kader (MFK) zijn geen afspraken gemaakt over de aflossing van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF). In het Eigenmiddelenbesluit (EMB) is wel een afspraak opgenomen dat de schulden die aangegaan zijn voor het HVF uiterlijk op 31 december 2058 moeten zijn terugbetaald. De Commissie betaalt, vanuit de EU-begroting, nu al wel rente over het subsidiedeel van de schuld die aangegaan is voor het HVF. Het is de verwachting dat de terugbetaling van het HVF onderdeel zal worden van de aanstaande onderhandelingen over een volgend MFK en EMB. Het volgend MFK zal ingaan vanaf 2028.

Vraag 22

Deelt de regering de zienswijze dat de optelsom van de rente en aflossingsverplichtingen in het kader van «Next Generation EU» en de extra kosten die de Europese Commissie gaat dragen in het kader van «Re-arm Europe» een behoorlijk groot beslag leggen op de bescheiden begroting van de Europese Commissie, zeker als ook (nog een deel van) de plannen van Mario Draghi door de Europese Commissie worden gefinancierd? Op deze wijze wordt een groeiende Europese gefinancierde «staatsschuld» toch een «fait accompli»?

Antwoord op vraag 22

In de huidige meerjarige begroting van de EU (het meerjarig financieel kader – MFK) zijn er geen aflossingsverplichtingen vanuit Next Generation EU (NGEU). De Commissie betaalt, vanuit de EU-begroting, nu al wel rente over het subsidiedeel van de schuld die aangegaan is voor NGEU.

De Commissie heeft in haar mededeling van 12 februari jl. geschreven dat de terugbetaling van leningen in het kader van NextGenerationEU in het volgende MFK zal starten. De hoofdsom zal uiterlijk 2058 volledig zijn terugbetaald, in overeenstemming met het Eigenmiddelbesluit (EMB). Hoeveel beslag de rente- en aflossingsverplichtingen zullen leggen op het de EU-begroting is afhankelijk van de uitkomst van de onderhandeling van het volgende MFK.

Re-arm Europe legt geen beslag op de EU-begroting. Onderdeel van het ReArm Europe plan is het Security Action for Europe (SAFE)-instrument. Het SAFE-instrument betreft een leningen-voor-leningen-instrument. De EU leent op de kapitaalmarkt om vervolgens deze middelen door te lenen aan lidstaten op vrijwillige basis. Lidstaten die gebruik maken van het instrument staan zelf aan de lat voor terugbetaling en de rentekosten; dit vormt dus geen belasting voor de EU-begroting. De financiële zekerheid dat de Unie aan haar financiële verplichtingen kan voldoen in het onwaarschijnlijke geval dat een lidstaat die een lening is aangegaan in gebreke blijft komt voort uit de headroom binnen het Eigenmiddelenbesluit (zie beantwoording vraag 14 voor uitleg headroom).

Vraag 23

Kan de ontwikkeling van het totaal aan staatsgaranties of «risicoregelingen van het Rijk» in EU-verband worden weergegeven in een grafiek vanaf 2008? Graag in euro’s en in percentages van het BBP.

Antwoord op vraag 23

De onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van het totaal van risicoregelingen in EU-verband in de periode van 2013 tot en met 2024. De gegevens zijn gebaseerd op het overzicht van risicoregelingen uit de jaarverslagen van het Ministerie van Financiën. Aangezien deze overzichten ontbreken in de jaarverslagen van 2008–2012, zijn deze jaren niet in de grafiek verwerkt.

Figuur 1

Figuur 1

Op de begroting van Financiën (artikel 4) is terug te vinden welke garantiestanden Nederland heeft opgenomen in het kader van de financiële instrumenten die in EU-verband zijn overeengekomen. De volgende risicoregelingen zijn meegenomen in de totaalstanden van grafiek:

  • EIB – kredietverlening in ACP en OCT

  • EIB – pan-Europees Garantiefonds

  • European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

  • European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM)

  • European Financial Stability Facility (EFSF)

  • European Investment Bank (EIB)

  • European Stability Mechanism (ESM)

  • Headroomgarantie macro-financiële bijstand (MFB)

  • Kredieten EU-betalings-balanssteun (BoP-faciliteit)

  • Bilaterale garantie Macro-financiële bijstand (MFB)

  • Next Generation EU (NGEU)

  • Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)

  • Oekraïne Faciliteit

  • MFB-ULCM

Verschillende ontwikkelingen hebben invloed gehad op deze garantiestanden, zoals de (negatieve) bijstelling van het garantieplafond voor EFSF (in 2016), de instelling van de Europese herstel- en veerkrachtfaciliteit onder NextGenerationEU en SURE (in 2020) en de Europese steunmaatregelen voor Oekraïne. Daarnaast is de manier waarop Nederland de garantiestanden berekent in de loop der tijd gewijzigd. Zo werden eerder bijvoorbeeld rentebetalingen nog niet meegenomen in de berekening van de garantiestand.

Tot slot zijn er op EU-niveau in verschillende samenwerkingsverbanden verschillende soorten garanties tot stand gekomen (bilateraal, intergouvernementeel, via de EU-begroting en via de Europese Investeringsbank (EIB)).

Tabel 13 Risicoregelingen in EU-verband

Jaar

Bedrag (in mld. euro’s)

Als %bbp

bbp (in mld. euro's)1

2013

100,8

15,10%

665,567

2014

100,8

14,90%

678,627

2015

100,9

14,40%

699,175

2016

85,3

11,80%

720,175

2017

85,3

11,40%

750,861

2018

85,4

10,80%

787,273

2019

85,5

10,30%

829,767

2020

123,3

15,10%

816,463

2021

123,6

13,90%

891,55

2022

134,3

13,50%

993,82

2023

124,8

11,90%

1.050,13

2024

129,3

11,50%

1.122,46

X Noot
1

Bron: CBS

Vraag 24

Erkent de regering dat het verhogen en nakomen van een nieuwe NAVO-norm van 2% naar 3,5%, meer inflatie zal opleveren als daar geen besparingen tegenover worden gezet in vergelijking met de situatie dat de extra uitgaven één op één gedekt worden met bezuinigingen?

Antwoord op vraag 24

Een verhoging van de NAVO-norm van 2% naar 3,5% bbp betekent een forse macro economische impuls. Wat de macro-economische effecten van deze verhoging voor Nederland zijn hangt af van verschillende factoren. Het maakt bijvoorbeeld uit waar en waaraan het geld wordt uitgeven. Hoe groter het aandeel van de uitgaven dat in het buitenland wordt besteed, hoe kleiner het effect op de eigen economie en hoe minder inflatoire druk in Nederland.

Daarnaast maakt het uit of de extra uitgaven worden ingepast in de begroting. Het klopt dat, zeker in de huidige krappe macro economische omgeving, de verwachting is dat een verhoging van de defensie uitgaven naar 3,5% bbp zonder financiële dekking leidt tot meer inflatie dan wanneer deze wordt ingepast in de begroting door lagere uitgaven elders. Momenteel zit Nederland in een hoogconjunctuur met krapte in onder meer de arbeidsmarkt, wat een uitdaging kan betekenen voor het realiseren van hogere defensie-uitgaven in Nederland aan bijvoorbeeld extra personeel. Een recessie of groeivertraging kan betekenen dat uitgaven makkelijker inpasbaar zijn, maar het exacte effect daarvan is niet op voorhand te geven. Dit hangt ook af wat de gevolgen zijn hiervan voor arbeidsmarktkrapte en andere knelpunten die uitgaven in Nederland moeilijker te realiseren maken (zoals netcongestie en beperkingen fysieke ruimte).

Vraag 25

Erkent de regering dat extra middelen voor defensie sneller tot goede besteding zouden kunnen komen als er elders op de begroting ruimte wordt vrijgespeeld in vergelijking met de situatie dat dit helemaal niet wordt gedaan?

Antwoord op vraag 25

De onderuitputting van de afgelopen jaren – die voornamelijk plaatsvond op investeringsmiddelen – toont dat de overheid en markt qua uitvoeringskracht gelimiteerd waren. Dit gold ook voor de defensiebegroting (inclusief Defensiematerieelbegrotingsfonds), waar significant meer aanvullende middelen beschikbaar gesteld zijn. De uitgaven van Defensie zijn in 2024 gestegen naar 20,0 miljard euro ten opzichte van 15,3 miljard euro in 2023.50 Ondanks deze groei blijft het realisatievermogen van Defensie gehinderd door de krapte op de arbeidsmarkt en met name de krapte op de defensiemarkt. Dit alles constaterende is het van belang om tijdig duidelijkheid te verschaffen over het beschikbare Defensiebudget en eventuele additionele uitgaven in te passen binnen de Rijksbegroting. Hierbij dient rekening gehouden te worden met factoren als beslag op beschikbare fysieke en juridische ruimte, arbeidscapaciteit en het absorptievermogen van Defensie. Dit is conform de begrotingsregels, en leidt ertoe dat we geen rekeningen doorschuiven naar toekomstige generaties.

Vraag 26

Kan een serieuze groeivertraging of een recessie ertoe leiden dat de extra defensie-inspanningen sneller en/of beter tot besteding komen?

Antwoord op vraag 26

Zie antwoord op vraag 24.

Vraag 27

De voorgenomen verhoging van de huurtoeslag met 1 miljard euro in 2026 leidt volgens de huidige inzet ook weer tot een verlaging van de huurtoeslag met eveneens 1 miljard euro in 2027? Is dit correct? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 27

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties. Deze opbrengsten kunnen derhalve ook niet ingezet worden voor het verhogen van de huurtoeslag, de zogenoemde boodschappenbonus.

Vraag 28

Op pagina 10 van de Voorjaarsnota staat: «Ter compensatie van de terugvallende huurinkomsten door de huurbevriezing wordt geld gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur». Hoeveel geld is precies gereserveerd voor intensiveringen in de sociale huur in het kader van het bevriezen van de huren in 2025 en 2026? Betreft het een volledige compensatie voor het verlies van inkomsten door woningcorporaties? Klopt het dat de bevriezing van de huren een veel groter nadelig effect heeft op de investeringscapaciteit van woningcorporaties, dan het positieve effect van de voorgenomen compensatie?

Antwoord op vraag 28

3 juni jl. heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor de huurbevriezing niet wordt ingediend (Kamerstukken II 2024/2025, 27 926, nr. 395). Hiermee vervalt ook de 1,1 miljard euro compensatie voor woningcorporaties.

Vraag 29

Erkent de regering dat het aantal belastingplichtigen dat gebruik zal willen maken van de tegenbewijsregeling mede afhankelijk is van uiterst volatiele rendement op aandelen en dat het aantal zal toenemen als het rendement op aandelen veel lager of zelfs negatief wordt?

Antwoord op vraag 29

Ja. Bij een tegenvallend beursjaar zal het aantal belastingplichtigen dat gebruikmaakt van de tegenbewijsregeling hoger uitvallen. Andersom zullen bij een goed beursjaar minder belastingplichtigen gebruik maken van de tegenbewijsregeling.

Vraag 30

Dit lid van de 50PLUS-fractie constateert dat het kabinet «hoopt» op een mooi werkelijk aandelenrendement voor beleggers in 2026, omdat er anders een storm van aanvragen voor de tegenbewijsregeling zal optreden waar onvoldoende rekening mee wordt gehouden en die de Belastingdienst mogelijk niet aan kan. Is de regering ervan overtuigd dat zij de aanvragen in het kader van de tegenbewijsregeling ook bij negatieve rendementen op aandelen kan verwerken?

Antwoord op vraag 30

Vanaf het belastingjaar 2025 wordt de tegenbewijsregeling opgenomen in het reguliere aangifte- en aanslagenproces. Dat wil zeggen dat belastingplichtigen bij het indienen van de aangifte direct het werkelijke rendement kunnen opgeven in het aangifteformulier. Het is dus niet langer nodig om een afzonderlijk verzoek te doen. Bij het opleggen van de aanslag wordt direct rekening gehouden met het werkelijke rendement, als dit is opgegeven. Het verwerken van de aangifte is een geautomatiseerd proces.

Vraag 31

Wanneer belastingplichtige aandelenbeleggers in 2026 een werkelijk rendement hebben dat slechts iets lager is dan het fictief rendement van 7,78%, dan zullen zij geen gebruik maken van de tegenbewijsregeling als het relatief teveel gedoe oplevert en te weinig voordeel. Heeft de regering een inschatting gemaakt vanaf welke negatieve afwijking van het fictieve rendement, belastingplichtigen aandelenbeleggers massaal gebruik zullen willen maken van de tegenbewijsregeling?

Antwoord op vraag 31

Het meeste werk bij het indienen van tegenbewijs is het uitrekenen wat het daadwerkelijke rendement is. De regering heeft daarom bij de inschatting van het aantal tegenbewijzen niet gekeken naar hoeveel een belastingplichtige zou kunnen terugkrijgen met de tegenbewijsregeling, maar in hoeverre de informatie voor het berekenen van het daadwerkelijke rendement voorhanden is. Verondersteld wordt dat belastingplichtigen met een belastingconsulent en belastingplichtigen met een effectenportefeuille groter dan 500.000 euro altijd tegenbewijs indienen als dit gunstig is.

Voor effectenportefeuilles groter dan 500.000 euro geldt dat deze vaak belegd worden door een beleggingsadviseur en daarmee is de administratie vaak beter op orde. Vanwege de administratieve lasten die komen kijken bij het indienen van tegenbewijs, is de verwachting dat de overige belastingplichtigen niet allemaal tegenbewijs zullen indienen. In de raming is aangenomen dat 50% van hen tegenbewijs indient. Dit komt overeen met de met het CPB afgesproken vuistregel voor een aanzienlijk gedragseffect. Voor 2017 en 2018 is daarnaast aangenomen dat iedereen die in aanmerking komt voor herstel tegenbewijs indient, omdat zij expliciet een verzoek hebben moeten indienen na het eerder geboden herstel naar aanleiding van het kerstarrest.

Vraag 32

Erkent de regering dat risicovolle investeringen worden ontmoedigd door een veel hoger fictief rendement te hanteren voor aandelen en andere beleggingen? Is dit een beleidsdoel van de Nederlandse regering?

Antwoord op vraag 32

Het doel van de voorgenomen verhoging van het forfait voor de categorie overige bezittingen per belastingjaar 2026 is het dekken van de budgettaire derving die is ontstaan als gevolg van het later inwerkingtreden van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Het kabinet stelt voor om bij de berekeningsmethode van het forfait beter rekening te houden met de huuropbrengsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik bij de berekeningsmethode van het forfait. Voorgesteld wordt om de huurinkomsten of het voordeel van het eigen gebruik van onroerende zaken expliciet te incorporeren in de berekeningsmethode van het forfait. Als het werkelijke rendement lager is dan het (verhoogde) forfaitair berekende rendement, kan een belastingplichtige een beroep doen op de tegenbewijsregeling op grond van de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 202451 en 14 juni 202452. Deze arresten worden gecodificeerd via het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 353.

De Hoge Raad heeft aangegeven dat het forfaitaire rendement voor de categorie banktegoeden in de regel goed aansluit op het werkelijke rendement. Gebruikmaken van de tegenbewijsregeling zal daarom vooral tot vermindering van de aanslag kunnen leiden bij belastingplichtigen met overige bezittingen zoals aandelen, als in het betreffende jaar het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als een risicovolle investering een lager rendement oplevert dan het (verhoogde) forfait, dan kan een belastingplichtige gebruik maken van de tegenbewijsregeling en wordt de belasting gebaseerd op het werkelijke, lagere rendement. Als een risicovolle investering een hoger rendement oplevert dan het (verhoogde) forfait, dan is het meerdere echter niet belast.

Vraag 33

In hoeverre is het verhogen van het fictief rendement voor aandelen direct in conflict met het beleidsdoelen van de Nederlandse regering en van de Europese Commissie om meer private investeringen en durfkapitaal beschikbaar te maken? De verhoging van het fictief rendement voor aandelen bevoordeeld toch juist investeringen in risico arme of risico mijdende vermogenstitels?

Antwoord op vraag 33

Zie het antwoord op vraag 32. Als gevolg van de tegenbewijsregeling pakt de belastingheffing voor risicovolle investeringen altijd gunstig uit voor een belastingplichtige. Bij een lager rendement (ten opzichte van het forfait) is belasting verschuldigd over het werkelijke rendement en bij een hoger rendement (ten opzichte van het forfait) is slechts over een deel van het werkelijke rendement belasting verschuldigd.

Vraag 34

Een rendement van 7,78% komt bij een belastingtarief van 36% toch neer op een vermogensbelasting van 2,8% op aandelenbeleggingen? Indien deze berekening niet klopt, waarom niet?

Antwoord op vraag 34

Het forfait voor de categorie overige bezittingen geldt niet alleen voor aandelenbeleggingen, maar voor alle bezittingen, niet zijnde banktegoeden. In de vraagstelling wordt de belastingdruk berekend. De berekening klopt, alhoewel ook rekening moet worden gehouden met het heffingvrije vermogen van 57.684 euro (bedrag 2025). Bij de vermogensrendementsheffing in box 3 worden de inkomsten uit vermogen belast, niet het vermogen zelf zoals bij een vermogensbelasting.

Vraag 35

Deelt de regering de visie dat met een effectieve vermogensheffing van 0,5% op spaargeld en 2,8% op aandelenbeleggingen, risico nemen fiscaal bestraft wordt en risico mijden fiscaal wordt beloond? Indien dit niet wordt gedeeld, waarom niet?

Antwoord op vraag 35

Nee, deze visie deelt het kabinet niet. Zie de antwoorden op vragen 32 en 33.

Vraag 36

Ziet de regering juridische risico’s voor de vermogensheffing op aandelenbeleggingen wanneer het rendement voor meerdere jaren zwaar negatief is? Zo ja welke risico’s?

Antwoord op vraag 36

Nee, het kabinet ziet hier geen juridische risico’s. Als het box 3-vermogen van een belastingplichtige bestaat uit aandelenbeleggingen met een negatief rendement, dan is hij via de tegenbewijsregeling daarover geen belasting verschuldigd.

Vraag 37

Klopt het dat buitenlandse studenten die in Nederland studeren en voor minimaal 6 uur per week een dienstverband hebben, AOW rechten opbouwen van 2% per jaar? Indien dit het geval is, wat vindt de regering daarvan?

Antwoord op vraag 37

Om voor de AOW verzekerd te raken dient iemand in Nederland ingezetene te zijn of te werken. Studenten worden in het algemeen niet als ingezetene beschouwd en zijn om die reden niet verzekerd, tenzij ze hier (parttime) gaan werken. Op het moment dat zij loonbelasting en premie volksverzekeringen gaan betalen, raken zij verzekerd. Als een student maar een paar jaar in Nederland werkt, bouwt hij of zij slechts een klein AOW-pensioen op. Het gaat om een opbouw van 2% per jaar dat men hier heeft gewerkt.

Vraag 38

Kan een lijst worden gegeven van landen waar Nederlandse studenten met een lokaal dienstverband van 24 uur per maand, rechten opbouwen voor het nationale staatspensioen? Zijn er landen waar buitenlandse studenten überhaupt rechten op kunnen bouwen voor het lokale staatspensioen? Worden hier grenzen gehanteerd? En zo ja, kan gezegd worden of Nederland hierin strenger is of juist minder streng dan andere landen van binnen of buiten de Europese Unie?

Antwoord op vraag 38

Wereldwijd is sprake van een grote diversiteit aan stelsels rond het ouderdomspensioen. Als bij een dienstverband van 24 uur per maand premie afgedragen wordt in het betreffende land, dan zal in dat land over het algemeen staatspensioen opgebouwd worden.

Binnen de EU geldt dat Nederlandse studenten die werken in een andere EU-lidstaat voor de sociale zekerheid gelijk behandeld moeten worden als werkende studenten uit die lidstaat zelf. Als in een lidstaat iemand met een contract van 24 uur per maand niet verzekerd is voor het nationale ouderdomspensioen, dan geldt dit zowel voor de Nederlandse werkende student als voor de werkende student uit die lidstaat zelf met een soortgelijk dienstverband.

Vragen van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, ChristenUnie, SP, PvdD, SGP en Volt

Vraag 1

Kan de regering toelichten op welke termijn zij voornemens is om uitvoering te geven aan toezegging T03968?

Antwoord op vraag 1

De Regioparagraaf is gelijktijdig met de antwoorden op de Kamervragen met de Eerste Kamer gedeeld.

Vraag 2

Denkt de regering daarbij aan een addendum op of bijlage bij de Voorjaarsnota, waarin het ontbreken van de Regioparagraaf en de bijbehorende tabel worden opgenomen?

Antwoord op vraag 2

Zie antwoord vraag 1.

Vraag 3

Kan de Eerste Kamer de gevraagde informatie nog in de loop van juni 2025 tegemoetzien, zodat daarmee aan de toezegging wordt voldaan?

Antwoord op vraag 3

Zie antwoord vraag 1.


X Noot
1

Samenstelling:

Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (ChristenUnie), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie-Kemperman)

X Noot
2

Kamerstukken I 2024–2025, 36 725, A.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 B, F.

X Noot
5

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 XVII, M.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024–2025, 36 625 XII, 8.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 141.

X Noot
8

Handelingen I 2024–2025, nr. 24, item 4.

X Noot
12

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 A, C.

X Noot
13

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 A, D.

X Noot
14

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 A, D.

X Noot
15

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 M, E.

X Noot
19

Handelingen I 2024–2025, nr. 24, item 4.

X Noot
20

Kamerstukken I 2024–2025, 36 725, A.

X Noot
21

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 VIII, C.

X Noot
22

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600 XX, M.

X Noot
23

Kamerstukken I 2024–2025, 36 600, F.

X Noot
24

Handelingen II 2024–2025, nr. 40, item 10, pagina 20.

X Noot
25

Kamerstukken I 2020–2021, 35 668, F.

X Noot
26

Kamerstukken I 2024–2025, 36 725, A, pagina 204.

X Noot
27

Kamerstukken I 2024–2025, 36 725, B.

X Noot
29

Kamerstukken I 2024–2025 36 600 XVII, M.

X Noot
31

T03968 (Opnemen regioparagraaf bij de Voorjaarsnota).

X Noot
32

Handelingen I 2024–2025, nr. 8, item 9 – blz. 38.

X Noot
33

Kamerstukken I 2023–2024, 36 410, J.

X Noot
34

PB (2020) Kansrijk onderwijsbeleid update, p. 9–10 en 19–21; CPB (2016) Kansrijk onderwijsbeleid; CPB (2018) Effectieve interventies leerachterstanden in het primair onderwijs. Het NRO heeft ook een overzicht gemaakt van het wetenschappelijke bewijs voor de effecten van klassenverkleining (Kleine klassen: beter voor leerling en leraar | Onderwijskennis)en de inzet van onderwijsassistenten (Effectieve inzet van ondersteuners in het onderwijs | Onderwijskennis).

X Noot
35

Kamerstukken II, 2024–2025, 31 293, nr. 758.

X Noot
36

Brief van de Staatssecretaris van IenW van 17 november 2023 over de extra financiële middelen voor het openbaar vervoer (uitvoering motie Bikker en Krul) (Kamerstukken II, 23 645, nr. 811).

X Noot
37

Kamerstukken II, 2024/25, 31 288, nr. 1190

X Noot
38

Kamerstukken II 2024/25, 33 043, nr. 114.

X Noot
39

vptz.nl/vptz-in-cijfers

X Noot
40

Kamerstukken II, 2024–25 36 725 XX

X Noot
42

Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024, Tabel 61 op pagina 141.

X Noot
45

Formeel: herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex%3A32020R2094

X Noot
51

Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:771, ECLI:NL:HR:2024:756 en ECLI:NL:HR:2024:813.

X Noot
52

Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:855, ECLI:NL:HR:2024:856, ECLI:NL:HR:2024:857 en ECLI:NL:HR:2024:860.

X Noot
53

Kamerstukken II 2024/25, 36 706.

Naar boven