Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-X nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-X nr. E |
Ontvangen 14 februari 2025
Hierbij stuur ik u, mede namens de Staatssecretaris van Defensie, antwoorden op de in het verslag gestelde vragen over de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36 600 X, C).
De Minister van Defensie, R. Brekelmans
1.
Waarom heeft Nederland een eigen, afwijkende berekenwijze voor de NAVO-norm, wat is het doel hiervan?
Zowel de Nederlandse als de NAVO-berekeningswijze hanteren het beginsel defensie-uitgaven gedeeld door het bbp en zijn gebaseerd op dezelfde NAVO-richtlijn. De berekeningswijzen wijken echter op twee punten af. Omwille van de onderlinge vergelijkbaarheid tussen bondgenoten presenteert de NAVO de defensie-uitgaven in dollar en in een specifiek prijspeil (thans 2015). Hierdoor wordt gecorrigeerd voor prijseffecten in het bbp en zijn alleen de volume effecten consistent inzichtelijk voor alle bondgenoten. Daarnaast gebruikt de NAVO de raming van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor het bbp van de bondgenoten. Voor de onderlinge vergelijkbaarheid drukt de NAVO ook deze raming uit in dollar en een specifiek prijspeil (2015). Dit leidt tot verschillen in de uitkomsten van de Nederlandse en de NAVO-berekeningswijzen.
2.
De Eerste Kamer is tijdens een werkbezoek aan het NAVO-hoofdkwartier geïnformeerd dat de 2% (sterk) onvoldoende zou zijn om de door de NAVO gevraagde capaciteiten te kunnen leveren. Kunt u dit toelichten en de belangrijkste voorbeelden geven van welke capaciteiten met name onvoldoende aanwezig zijn?
Met de Defensienota 2024 investeert Defensie in de door NAVO gevraagde capaciteiten. Hoewel er een zekere voortgang is in het realiseren van de capaciteitendoelstellingen zijn er nog steeds tekortkomingen, waaronder capaciteiten voor joint enablement1 en slagkracht met bijbehorende ondersteuning voor de maneuvereenheden van de Landmacht (zie ook kamerbrief «Aanbieding NAVO-rapport Defence Planning Capability Review over 2023 en 2024», d.d. 5 augustus 2024). Recent heeft de NAVO daar bovenop, vanwege de verslechterde veiligheidssituatie, de capaciteitendoelstellingen opgeschroefd. Dit om op een geloofwaardige wijze invulling te kunnen geven aan de plannen voor collectieve afschrikking en verdediging van het bondgenootschappelijke grondgebied, voortkomend uit de vastgestelde «Political Guidance 2023». De voornaamste groeigebieden zijn capaciteiten voor grondgebonden lucht- en raketverdediging, landmaneuvereenheden, grondgebonden vuursteuneenheden en enablement. Specifiek voor Nederland is de grootste toename in capaciteitendoelstellingen waar te nemen op het gebied van grondgebonden lucht- en raketverdediging en joint enabling. In de Defensienota 2024 zijn hier al extra investeringen voor aangekondigd. Naast een kwantitatieve ophoging vraagt de NAVO in andere domeinen ook om een hogere gereedheid én is het van belang om in te spelen op conceptuele en technologische ontwikkelingen. De nieuwe capaciteitendoelstellingen vergen voor alle NAVO-lidstaten investeringen in hun krijgsmacht. Dit leidt ertoe dat ook met de huidige financiering er een onbalans is tussen de taken en middelen van de strijdkrachten. Daarom zijn keuzes nog steeds nodig. Niet alles kan en niet alles kan tegelijk. Bondgenoten blijven met elkaar in gesprek over wat het invullen van de NAVO-capaciteitendoelstellingen van hen vraagt.
3.
Indien de Verenigde Staten zijn NAVO-verdragsverplichtingen niet langer zouden nakomen liggen er scenario’s en plannen wat de kwetsbaarheden zijn die dan ontstaan en hoe die zo snel mogelijk ondervangen worden? Hoe opereert Nede-land hierop binnen NAVO-verband?
De Verenigde Staten zijn een zeer belangrijke bondgenoot, onder andere vanwege de capaciteiten die het bij de NAVO inbrengt. Deze zouden niet allemaal direct door andere bondgenoten ingebracht kunnen worden. De NAVO stuurt aan op spreiding van de bondgenootschappelijke capaciteiten. Dit doet het onder andere via het NATO Defence Planning Process, door hierin bijvoorbeeld niet meer dan 50% van een capaciteitendoelstelling aan één bondgenoot toe te wijzen. Via ditzelfde proces krijgen bondgenoten ook priority targets toebedeeld. Beide maatregelen bevorderen de lastenverdeling binnen de NAVO. Europese bondgenoten moeten meer verantwoordelijkheid nemen voor Europese veiligheid. Daar investeren we stevig in. Dit moeten we intensiveren en versnellen.
4.
Bij het mogelijk wegvallen van Amerikaanse steun aan Oekraïne, welke middelen worden met name gemist en zijn er scenario’s en plannen gereed om dit te ondervangen?
Over het algemeen geldt dat de Verenigde Staten zowel zeer veel volume als militaire expertise bieden. Het is vanuit het oogpunt van operationele veiligheid en bondgenootschappelijke vertrouwelijkheid eveneens niet mogelijk om in detail in te gaan op de Amerikaanse militaire steunverlening aan Oekraïne, die daarnaast ook nog zeer omvangrijk en divers is. Daarbij geldt ook dat, mocht de Amerikaanse steun aan Oekraïne wegvallen, dat niet betekent dat materieel van Amerikaanse makelij niet meer te verkrijgen is. Het kabinet zal zich ervoor inzetten de nieuwe Amerikaanse administratie ervan te overtuigen dat Oekraïne blijvend in staat moet worden gesteld om de Russische agressie tegen te gaan. Een sterk Oekraïne is in het belang van de NAVO en Nederland.
5.
In 2025 wordt het Landelijk Crisisplan Militaire Dreiging (LCP-MD) en het National Defence Plan uitgewerkt. Wat is het onderscheid tussen beide? Gaan deze plannen ook in op weerbaarheid in de informatiesfeer in het geval van bewuste ondermijning van de samenleving door het verspreiden van valse nieuwsberichten, oproepen tot terrorisme, opruiing en dergelijke?
Het Landelijk Crisisplan Militaire Dreigingen (LCP-MD) is een kaderstellend civiel-militair politiek-bestuurlijk plan. Het biedt een leidraad voor de bestuurlijke aanpak en verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Koninkrijk bij een (statelijke) dreiging of daadwerkelijke aanval waarbij grootschalige inzet van de krijgsmacht noodzakelijk is. Dit plan wordt in nauwe samenwerking tussen Defensie, de NCTV en de Veiligheidsregio’s opgesteld.
Het LCP-MD beslaat een breed spectrum aan civiele en militaire aspecten die in aanloop naar of tijdens een conflict moeten worden geadresseerd. Weerbaarheid in de informatieomgeving is daar onderdeel van.
Onder de paraplu van het LCP-MD vindt nadere operationele planvorming plaats. Het Nationaal Defensieplan Kritieke Infrastructuur (NDP KI) is daar een voorbeeld van. De doelstellingen van het NDP KI zijn om aan te geven wat de rol is die Defensie speelt bij de bescherming van kritieke infrastructuur in het Koninkrijk der Nederlanden.
Er lopen diverse trajecten om de digitale weerbaarheid te versterken, zoals ook beschreven staat in de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen (kamerstuk 2024D48328 d.d. 6 december 2024).
6.
In het (recente) verleden waren signalen en berichten dat het Nederlandse voort-zettingsvermogen zeer kort zou zijn in geval van een militair conflict, hoe zal het voorzettingsvermogen zich ontwikkelen in dit begrotingsjaar 2025?
Grootschalige inzet in geval van een militair conflict zal voelbaar zijn in de hele maatschappij. Samenwerking met zowel civiele partners als andere overheidsinstanties is nodig om het noodzakelijke voortzettingsvermogen te garanderen en de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. De krijgsmacht draagt daarom actief bij aan de rijksbrede inspanning om de maatschappij als geheel te betrekken. Daarnaast wordt de komende jaren een forse inspanning geleverd om het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht zelf te versterken. Dit kost tijd en is niet in één begrotingsjaar te realiseren. Zo dienen integrale plannen te worden uitgewerkt en afgestemd met partners, kost de instroom en gereedstelling van benodigd personeel tijd en zijn we sterk afhankelijk van de levertijden van nieuw materieel en voorraden vanuit de schaarse defensie-industrie.
Defensie heeft de afgelopen jaren stapsgewijs geïnvesteerd in het opbouwen van de voorraden. Daarnaast wordt in lijn met de Defensienota 2024 de komende periode een forse inspanning geleverd om het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht verder te versterken. Zo investeert Defensie o.a. in logistieke en andere ondersteunende capaciteiten voor de strategische verplaatsing en instandhouding van in te zetten operationele capaciteiten via land, over zee en door de lucht. Verder wordt de komende jaren significant geïnvesteerd in de versterking van de geneeskundige keten, de materieel logistieke keten en de (directe) ondersteuning van onze operationele eenheden. Tevens zet Defensie in op schaalbaarheid, de minimalisering van de logistieke voetafdruk en de implementatie van nieuwe technologieën zoals een combinatie van bemenste en onbemenste systemen. Dit alles draagt de komende jaren bij aan de versterking van het voortzettingsvermogen en een hogere operationele gereedheid.
7.
Beschikt Defensie over voldoende capaciteiten om kabels en andere onderzeese infrastructuur in (het Nederlandse deel van) de Noordzee te bewaken, zo nee welke uitgaven en investeringen worden in de begroting van 2025 gedaan om dit te verbeteren?
De bescherming van vitale infrastructuur op zee vergt een civiel-militaire aanpak, waarbij er ook een belangrijke verantwoordelijkheid is weggelegd voor de infrastructuurbeheerders met betrekking tot de weerbaarheid van de infrastructuur. Met het oog op het efficiënt en gericht inzetten van middelen, brengt Defensie samen met partners mogelijke dreigingen op de Noordzee in beeld. Waar nodig ontmoedigt Defensie de mogelijke ontplooiing van heimelijke kwaadwillende activiteiten door schepen te escorteren door het Nederlandse deel van de Noordzee. Om de vitale infrastructuur op de Noordzee verder te beschermen, treft Defensie eigenstandige maatregelen en levert Defensie een bijdrage aan de interdepartementale aanpak bescherming Noordzee infrastructuur.
De eigenstandige maatregelen van Defensie betreffen veelal langdurige inspanningen, waarvan de uitgaven niet enkel in de begroting van 2025 vallen. Zo investeert Defensie in additionele waarnemingscapaciteit op zee, in de vorm van sensoren, de verwerving van commerciële satellietdata en digitale transformatie.2 Ook verwerft Defensie laagbemande multifunctionele ondersteuningsvaartuigen, die worden uitgerust met onderwatercapaciteiten om dreigingen op zee op te sporen en nader te onderzoeken.3 Tot slot verwerft Defensie in de komende jaren verschillende hoogwaardige capaciteiten, zoals mijnenbestrijdingsvaartuigen, hulpvaartuigen voor hydrografische taken, ASW-fregatten en NH90-helikopters. Deze capaciteiten hebben een bredere taakstelling, maar zijn ook geschikt voor de bescherming van de infrastructuur op de zeebodem en kunnen ook als zodanig worden ingezet.
Daarnaast draagt Defensie bij aan het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur. Voor 2025 heeft Defensie een bijdrage van 6,2 miljoen euro geleverd aan het programma. Met deze middelen wordt uitvoering gegeven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur. Zo wordt er bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de meest kwetsbare infrastructuurpunten en het uitrollen van additionele sensoren op de Noordzee. Ook wordt er gewerkt aan het inhuren van tijdelijke patrouillecapaciteit voor de Koninklijke Marine om beeldopbouw op de Noordzee te verbeteren, tot de komst van de Multifunctionele Ondersteuningsschepen.
Ondersteunende capaciteiten benodigd voor effectieve inzet van de gevechtseenheden, zoals: sensor- en analysecapaciteit, medische faciliteiten en bevoorradings- en transportcapaciteit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-X-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.