36 600 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

36 602 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2025)

U1 VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG

Vastgesteld 5 december 2024

De vaste commissie voor Financiën2 heeft op 22 oktober 2024 overleg gevoerd met de heer Idsinga, Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, over:

  • de motie-Van Meenen c.s. over een separaat wetsvoorstel in het Belastingplan 2025 over verhoging btw-tarief (EK 36 600, E);

  • de brief van de Minister van Financiën en de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst d.d. 11 oktober 2024 inzake kabinetsreactie op de motie-Van Meenen over een separaat wetsvoorstel verhoging btw-tarief (EK 36 602/36 600, A);

  • het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2025) (36 602);

  • de nota naar aanleiding van het verslag d.d. 15 oktober 2024 (TK 36 602, nr. 26).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van Ballekom

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, De Man

Voorzitter: Van Ballekom

Griffier: De Man

Aanwezig zijn 21 leden der Kamer, te weten: Aerdts, Van Apeldoorn, Van Ballekom, Baumgarten, Bovens, Crone, Geerdink, Griffioen, Hartog, Heijnen, Holterhues, Janssen, Kroon, Martens, Moonen, Van den Oetelaar, Van Rooijen, Schalk, Van Strien, Visseren-Hamakers en Vogels,

en de heer Idsinga, Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst.

Aanvang 17.12 uur.

De voorzitter:

Ik heet u allen van harte welkom bij de vergadering van de commissie voor Financiën, met name natuurlijk de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst. We gaan op verzoek van de fractie van D66 spreken over de uitvoering van de motie-Van Meenen. Ik wilde de Staatssecretaris eerst de gelegenheid geven om een korte toelichting te geven op dit onderwerp. Daarna zal ik mevrouw Moonen het woord geven. En daarna staat het u vrij om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Zijn er nog collega’s die hierover suggesties hebben? Zo niet, dan is het woord aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Idsinga:

Dank u wel, voorzitter. In de eerste plaats wil ik graag de leden van de commissie Financiën bedanken voor de uitnodiging. We zijn hier om te spreken over het Belastingplan 2025. Dit wetsvoorstel wordt momenteel in de Tweede Kamer behandeld. Gisteren vond het eerste wetgevingsoverleg plaats en daarbij is ook uitvoerig gesproken over de btw-voorstellen. Er zijn ook veel vragen gesteld, waar we ons nu over buigen. Het is gebruikelijk dat ik het inhoudelijke debat eerst voer met de Tweede Kamer. Daarna kom ik in het reguliere proces uiteraard graag naar uw Kamer. Maar ik ga vanzelfsprekend ook graag vandaag al het gesprek aan. De aanleiding daarvoor is natuurlijk de motie van het lid Van Meenen.

Op dinsdag 8 oktober heeft uw Kamer bij de APB de motie van het lid Van Meenen aangenomen. In de motie wordt het kabinet verzocht om de voorgenomen btw-verhogingen in een separaat wetsvoorstel op te nemen. Op vrijdag 11 oktober is deze motie besproken in de ministerraad. Na afloop daarvan hebben de Minister van Financiën en ik uw Kamer geïnformeerd dat het kabinet besloten heeft geen uitvoering te geven aan de motie. Ik moet de Minister van Financiën vandaag excuseren, want die is op een reis in het buitenland.

In de brief heeft het kabinet toegelicht waarom de btw-voorstellen integraal onderdeel uitmaken van het Belastingplan, en ik licht dat graag toe. Volgens het kabinet zijn er zwaarwegende redenen om de btw-maatregelen integraal onderdeel te laten uitmaken van het Belastingplan. Ten eerste vormen de maatregelen uit het Belastingplan één pakket. Tegenover maatregelen die geld opleveren, staan maatregelen die zorgen voor lastenverlichting en meer koopkracht. Loskoppeling van maatregelen met een budgettaire samenhang kan dekkingsproblemen opleveren. Verder is dit een tariefmaatregel en geen stelselwijziging. Daarom is het Belastingplan een passend wetstraject. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot het separate wetsvoorstel over de salderingsregeling. Dat betreft echt een stelselwijziging. Verder is bij deze maatregel overgangsrecht vereist, dat op 1 januari aanstaande in het Staatsblad moet staan. Zo niet, dan zijn ook daar budgettaire consequenties, waar ik straks nog even op terugkom. Ondernemers hebben voldoende tijd nodig om hun ICT-systemen aan te passen. Zij moeten transparant kunnen zijn over de prijsstelling richting consument of bereid zijn in een ultiem geval om de btw zelf uit eigen zak te voldoen. Bij een separaat wetsvoorstel is dit niet gegarandeerd, aangezien dit wetsvoorstel vertraging kan oplopen.

Maar dat neemt niet weg dat het kabinet oog heeft voor de wens die achter de motie staat. Het kabinet staat open voor een alternatieve dekking in plaats van de btw, of onderdelen daarvan. Dat gesprek vindt op dit moment plaats in de Tweede Kamer. Daar had ik dus gister dat wetgevingsoverleg over. De uitkomsten daarvan nemen we uiteraard mee in de verdere behandeling van het Belastingplan.

Ik zou het hier even bij willen laten, voorzitter.

De voorzitter:

Dank je wel voor de toelichting. Dan is nu het woord aan mevrouw Moonen van D66.

Mevrouw Moonen (D66):

Dank, voorzitter. Dank ook, Staatssecretaris, voor uw korte toelichting. Namens de fractie van D66 wil ik graag een viertal korte opmerkingen maken en uiteindelijk drie vragen stellen. Allereerst moge duidelijk zijn dat de motie van D66, hier aangenomen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, brede steun kent in deze Kamer. Alle partijen hebben voorgestemd, met uitzondering van de coalitiepartijen.

Als je ernaar kijkt, is het ook heel begrijpelijk dat deze motie zo veel steun krijgt. De Raad van State is namelijk kraakhelder en zegt heel duidelijk in zijn advies over het Belastingplan 2025 dat onderwerpen die inhoudelijk complex zijn, en ook complex in de uitvoering, die omvangrijk zijn en ook nog eens politiek omstreden, en waarvan we de effecten op de samenleving niet kennen, een eigen separaat wetstraject dienen te doorlopen. De Raad van State noemt ook met name dit voorbeeld: de btw-verhoging.

Dan het tweede punt, dat ik ook interessant vind om te noemen. De regering schrijft zelf in de toelichting op het Belastingplan 2025 dat omvangrijke en ingrijpende wetsvoorstellen een eigen wetstraject dienen te krijgen. Het is dus eigenlijk ook uw eigen beleid dat deze btw-verhoging een eigen wetstraject dient te krijgen.

Dan over de samenhang. U geeft aan dat het niet uitvoerbaar is om een aantal redenen. Maar dat is heel goed oplosbaar. Dat is mijn volgende punt. Het is heel wel mogelijk om het separate, eigenstandige wetstraject mee te laten lopen in de tijdlijn van het Belastingplan. Daar is op zich niets op tegen. Sterker nog, als je dat zou doen, loopt het ook verder geen vertraging op. Het zou ook nog in de maanden erna kunnen, maar als de regering het heel wenselijk acht dat zaken in samenhang worden bezien, is het zelfs mogelijk, ook technisch, om het separate wetsvoorstel voor de btw-verhoging mee te laten lopen – wel als afzonderlijk wetsvoorstel – bij de behandeling van het Belastingplan. Ziedaar ook alle kwesties voor ondernemers, die overigens dit voorstel niet willen. Zij zijn dan nog steeds op tijd met de noodzakelijke voorbereidingen die ze straks dienen te treffen.

Tot slot, voorzitter, heb ik drie vragen aan de Staatssecretaris. De eerste vraag is: gelet op de brede steun en het feit dat de regering zelf in de toelichting aangeeft dat omvangrijke wetsvoorstellen een eigen wetstraject dienen te kennen, wat maakt dan dat u deze motie toch niet uitvoert?

In tweede instantie is mijn vraag of u zich ervan bewust bent dat u ook de Eerste Kamer nodig heeft. Wat ook nog kan, is dat de regering de motie niet uitvoert en dit onderdeel laat zijn van het Belastingplan. Uiteindelijk wordt er gestemd over het Belastingplan en dan kan het zijn dat de Eerste Kamer niet voor maar tegen het Belastingplan gaat stemmen.

Tot slot mijn derde punt. Gisteren hoorden we u nog antwoord geven op een vraag van de heer Vijlbrief in de Tweede Kamer. Daarin gaf u aan dat u niet bereid bent een impactanalyse te doen, terwijl we hier te maken hebben met een omvangrijk wetsvoorstel. Dat gaat heel veel ondernemers raken in het land, maar ook de mensen achter de ondernemers, namelijk de lezers van boeken, de kinderen die boeken lezen. Het gaat ook over de mensen die willen sporten, die naar de fitness gaan. Het gaat over mensen die een museum willen bezoeken. Het gaat over het lezen van je eigen regionale krant, in Limburg, Brabant, Zeeland en Friesland. Al deze mensen gaan last krijgen van deze btw-verhoging.

Dat maakt dat wij een impactanalyse van deze voorgestelde wetswijziging noodzakelijk vinden, zowel maatschappelijk als financieel. Het is ook denkbaar dat de geraamde inkomsten veel lager uitvallen, omdat de consumptie van al die maatschappelijke diensten die ik zojuist noemde, gaat kelderen. Dan worden er zowel lagere btw-opbrengsten als een lagere winstbelasting geïnd. Wij vinden een impactanalyse dus in alle gevallen noodzakelijk.

Hier wou ik het bij laten, voorzitter.

De voorzitter:

Zullen we eerst de Staatssecretaris hierop laten reageren en dan collega’s de gelegenheid geven om aanvullende, additionele, nieuwe vragen te stellen, die dan nog niet beantwoord zijn door de Staatssecretaris? Kunnen jullie daarmee instemmen? Oké. Dan is het woord aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Idsinga:

Dank aan het lid van D66 voor haar inleiding en haar vragen. Ik wil op beide even reageren, als u mij toestaat.

Eerst even het punt van de Raad van State. Er is vaker discussie geweest, ook in het verleden, over de omvang en de samenstelling van het Belastingplan. Dit komt ook aan de orde in de adviezen van de Raad van State. De Raad van State heeft door de jaren heen consistent benadrukt dat het wetsvoorstel Belastingplan maatregelen moet bevatten waar een wezenlijk budgettair belang mee gemoeid is en welke direct verband houden met de begroting. Daarbij moeten maatregelen zo veel mogelijk worden beperkt tot maatregelen die per 1 januari van het volgend jaar in werking moeten treden – op het punt van 1 januari kom ik zo even terug. Dit is in het verleden niet altijd strikt toegepast door kabinetten. Ik beloof wat dat betreft ook echt beterschap. In de rol van Tweede Kamerlid heb ik me er ook over opgewonden dat er grote pakketten wetgeving op je af komen die je dan in korte tijd moet behandelen. We hebben ook gezien dat daar ongelukken kunnen gebeuren. Maar ik vraag ook om uw begrip voor het feit dat het kabinet er nog maar relatief kort zit. Het Belastingplan bevat voor een deel ook maatregelen van het vorige kabinet, uit de voorjaarsbesluitvorming. Daarom is het pakket meer omvangrijk dan ik persoonlijk graag had gezien.

Voorgaande kabinetten hebben naar aanleiding van adviezen van de Raad van State maatregelen met geen of beperkte budgettaire belangen en die niet per se op 1 januari dienen in te gaan, uit het wetsvoorstel en soms uit het hele pakket Belastingplan gehaald. Daar hebben we nu ook voorbeelden van. Ik heb ook een aantal wetsvoorstellen uit het pakket gehaald, bijvoorbeeld over de Wsnp en over de ambtshalve aanslagen.

Met dit btw-voorstel is echter een wezenlijk budgettair belang gemoeid, dat ook samenhangt met de lastenverlichting die we willen bewerkstelligen. Er is ook nog de noodzaak om dit per 1 januari in te laten gaan; dat is wederom dat overgangsrecht, waar ik zo nog op kom. Om die reden zijn wij echt van mening – ik herhaal mijzelf een beetje – dat het wetsvoorstel echt in dit Belastingplan hoort.

Dan nog even over wat dit betekent voor ondernemers, want daar werd ook naar gevraagd. Waarom is er overgangsrecht nodig? Laat ik even vooropstellen dat de maatregel lijkt in te gaan per 2026, maar dat is niet zo. Hij gaat al in per 2025, want per 2025 is namelijk overgangsrecht nodig om ervoor te zorgen dat vooruitbetalingen in 2025 voor prestaties die vanaf 2026 plaatsvinden, of voor producten die worden verkocht, ook tegen het juiste tarief worden belast.

Om een heel simpel voorbeeld te geven, stel dat er in februari 2025, ik noem maar wat, een groot evenement wordt geboekt, bijvoorbeeld Dance Valley, en dat evenement vindt plaats in 2026, dan is het fiscaal van belang dat het btw-tarief voor 2026 daar al op wordt geheven. Daarom is die ingangsdatum per 2025 al van belang. Als we daarover onduidelijkheid laten ontstaan, kan dat leiden tot hele vervelende situaties, zowel voor de ondernemer die het betreft als voor de consument die een product koopt. Als dat niet op tijd is ingevoerd, kan dat erop uitdraaien dat de prijszetting van tevoren niet duidelijk is, nog even los van de ICT-systemen van de ondernemer, waar ik zo nog op kom. Dan moet die ondernemer proberen dat geld, die extra btw die hij had moeten berekenen, achteraf alsnog in rekening te brengen bij de consument. In de praktijk lukt dat vaak niet. Dat betekent dat die ondernemer zelf die btw moet betalen uit zijn eigen winstmarge.

De discussie over de ICT-systemen bij de Belastingdienst is u bekend, maar dat speelt uiteraard ook bij ondernemers. Ik heb in een vorig leven het genoegen gehad, en nu wordt het een persoonlijk voorbeeld, om de telecomsector in Nederland te helpen bij het doorvoeren van een btw-verhoging. Dat was in 2001. Dat was destijds van 17,5% naar 19%; dat waren nog eens tijden! Later, in 2012, ging het van 19% naar 21%. Ik heb toen als semibuitenstaander volledig onderschat wat voor impact dat heeft op het bedrijfsleven. Ik heb volledig onderschat dat er maanden nodig waren om deze simpele wijziging, in mijn optiek toen, goed doorgevoerd te krijgen in die systemen. Vaak werken ondernemers met meerdere systemen. Je kan je voorstellen dat je in de hotelsector te maken hebt met boekingssystemen en dergelijke. Dat kost tijd en dat kost ook geld. Deze telecomondernemers moesten daar behoorlijk voor investeren.

Dan kom ik op de meer concrete vragen die gesteld waren. Ik realiseer me heel goed dat ik uw steun nodig heb. Ik realiseer me dat terdege. Vanuit die positie denk ik dat het belangrijk is dat we nu in een proces zitten, ook met de Tweede Kamer, om te bekijken in hoeverre er eventueel nog alternatieven zijn voor dit voorstel. Daarover wordt nu gesproken met de Tweede Kamer. De partijgenoot van de mevrouw van D66 heeft daar ook een rol in in de Tweede Kamer en spreekt ook met andere partijen over wat daar de mogelijkheden zijn. Dat proces kan ik nu niet verstoren, en dat ga ik ook niet doen. Maar daar wordt in ieder geval over gesproken. Ik realiseer me terdege dat we daarna ook de steun van deze Kamer zeer nodig zullen hebben.

Dan de impactanalyse. Het kabinet is zich er terdege van bewust dat deze maatregelen impact zullen hebben. Ik ben ook zelf in gesprek geweest met vertegenwoordigers uit de betrokken sectoren. Mij is echt duidelijk geworden dat die impact er is en dat die van sector tot sector verschilt. Dat hangt van een aantal factoren af, bijvoorbeeld van de prijselasticiteit van het product. Tegelijkertijd is deze harde maatregel opgenomen in het hoofdlijnenakkoord. Er is geen flankerend beleid, behalve ten aanzien van schoolboeken. Daarvoor hebben we specifiek flankerend beleid getroffen. We snappen echt dat dit geen makkelijke boodschap is. Tegelijkertijd hebben we deze opbrengst budgettair echt nodig om mensen op andere aspecten van hun portemonnee wat verruiming te kunnen geven. Nogmaals, het is een pakket met zoet en het is een pakket, helaas, ook met zuur.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het nu aan de collega’s. Ik ga linksom. Meneer Van Rooijen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja.

De voorzitter:

We hebben een overleg tot uiterlijk 18.15 uur.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Genoteerd.

Dank voor de inleiding en de antwoorden op de vragen van de collega van D66. Het gaat hier om het primaat in de politiek van de volksvertegenwoordiging of van het Ministerie van Financiën, van de Belastingdienst daar en van de afdeling wetgeving. Wat heeft het primaat? De volksvertegenwoordiging, in casu de Eerste Kamer, die geen recht van amendement heeft? Dat is maar al te goed bekend op het Ministerie van Financiën. Dat is mij ook niet ontgaan in 1974, toen ik de btw van 12% naar 14% moest verhogen.

Dus waar ligt het primaat? Ik stel die vraag omdat het erom gaat of er rekening wordt gehouden met het feit dat de Eerste Kamer niet kan amenderen en dan alleen maar het hele pakket kan slikken of stikken. Dat zou niet moeten, want de volksvertegenwoordiging doet aan medewetgeving, ook via de Eerste Kamer. Als je in één pakket een aantal voorstellen stopt die eigenstandig zijn, komen we op de motie-Hoekstra, die hier unaniem is aangenomen. Collega Van Apeldoorn en ik waren allebei medeondertekenaar in 2015 van de motie-Hoekstra. Die motie is nooit uitgevoerd. Daarna zijn er moties geweest van Van Rooijen en van Mirjam Sent van de Partij van de Arbeid; nooit uitgevoerd. We krijgen elke keer een groot pakket. Ik heb even meegenomen het Belastingplan 2023, 2024 en 2025. Dat omvat ieder jaar minstens twintig voorstellen in het Belastingplan, nog los van het belastingpakket, dat nog veel meer is. Dat moeten wij er in drie weken doorheen jassen. De Tweede Kamer heeft daar twee of drie maanden voor. Met andere woorden, het is eigenlijk een mission impossible.

Het is eigenlijk de volksvertegenwoordiging die een medewetgevende taak heeft tegenover de wens – of ik zeg het nog sterker: de wil – van Financiën, die zegt: wij willen zekerheid hebben. Als eind november de Tweede Kamer heeft goedgekeurd, dan gaat de zaak in uitvoering, dan gaan de computers draaien, want de Eerste Kamer kan niet meer veranderen, niet amenderen. Ze hebben nog nooit een Belastingplan verworpen, voor zover ik mij herinner, en ik loop al een tijdje mee. Met andere woorden, moeders wil is wet op Financiën.

De voorzitter:

Hebt u een vraag?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja, twee vragen, voorzitter. De eerste vraag is: wat doet de Staatssecretaris als er een kans is op het verwerpen van het Belastingplan in de Eerste Kamer? Wordt dan de uitvoering eind november stilgezet, nadat de Tweede Kamer het aanvaard heeft? Wordt er rekening mee gehouden dat de Eerste Kamer het weleens kan verwerpen, en dat die kans wat groter is dan in het verleden? Gaat u dan de uitvoering stilzetten? Dat is de eerste vraag.

Als de computers eind november niet worden stilgezet, wat gebeurt er dan? Gaan dan de voorstellen die niet door de Eerste Kamer zijn aangenomen, gewoon in uitvoering? De computers gaan draaien. Dan kunnen we dat pas terugdraaien op 1 juli volgend jaar, en bij sommige voorstellen wellicht pas een jaar later, op kalenderbasis. Dit is natuurlijk waar het echt om gaat. Gaan de computers draaien als de Tweede Kamer ja zegt? Of zegt de Staatssecretaris: dat is in dit geval wat link, ik zet de zaak niet in gang? Als hij dat wel doet, en wij verwerpen het plan, hoe gaat dat dan volgend jaar? Wordt dan alles met nieuwe wetgeving weer teruggedraaid? Dat zou leiden tot twee keer onzekerheid.

Dat zijn mijn vragen, voorzitter.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Voorzitter. Ik wil me graag aansluiten bij de hele goede vragen die eerder zijn gesteld door mevrouw Moonen. Ik wil ook even ingaan op de beantwoording van die goede vragen van collega Moonen door de Staatssecretaris. Collega Moonen vroeg naar de advisering van de Raad van State; hoe de Staatssecretaris of de regering daarmee omgaat. Het antwoord was: dat nemen we heel serieus en we beloven ook verbetering, maar houd er alstublieft ook rekening mee dat we er nog maar net zitten. Ik vat het even kort samen.

Toen dacht ik: dat het kabinet er nog maar net zit, is toch geen reden om dit goede advies van de Raad van State naast zich neer te leggen? Ik haal nogmaals de woorden van de Raad van State aan. Die zegt: als het wetsvoorstel omvangrijk, complex en politiek omstreden is, dan is een los wetsvoorstel het aangewezen instrument, en dit geldt in ieder geval voor de maatregel «opheffen van meerdere posten verlaagd btw-tarief». «In ieder geval».

Hier heeft de Staatssecretaris een uitgelezen kans om te verbeteren, als het gaat om het uit elkaar halen van het belastingpakket en voorstellen die vallen onder die definitie van omvangrijk, complex of politiek omstreden, en om die separaat voor te stellen. Bij de eerste de beste gelegenheid die de Staatssecretaris heeft om het te verbeteren, want hij belooft verbetering, neemt hij die gelegenheid niet.

Vervolgens is zijn argument: wij moeten dit nu doorzetten als onderdeel van het pakket Belastingplan vanwege de uitvoering; dat is niet per 1 januari 2025 maar per 1 januari 2026; anders brengt dat te veel onzekerheid voor ondernemers met zich mee, omdat het allemaal complex is. Dat argument begrijp ik eerlijk gezegd niet zo goed. Als je het voorstel van collega Moonen volgt dat het een paralleltraject wordt van een los wetsvoorstel, maar parallel aan het traject van het Belastingplan, dan wordt het hier behandeld door de Eerste Kamer, als de Tweede Kamer voorstemt. Dan kunnen wij als Eerste Kamer al dan niet instemmen met dat wetsvoorstel. Als wij instemmen is die zekerheid er en als wij het wetsvoorstel verwerpen, is die zekerheid er ook. Dan is er bovendien ook heel veel opluchting bij diezelfde ondernemers, die in veel sectoren allemaal tegen dit wetsvoorstel zijn.

Dat argument van onzekerheid snap ik dus niet, temeer daar de Staatssecretaris vervolgens zegt dat hij geen impactanalyse gaat doen. Dus hij wil geen impactanalyse doen en tegelijkertijd zegt hij dat er veel onzekerheid is voor ondernemers, als we dit nu als los wetsvoorstel voorstellen. Ik zou zeggen: als je onzekerheid wil wegnemen, dan zou je toch op z’n minst een impactanalyse kunnen doen. Misschien kan de Staatssecretaris daar nog op reageren.

Dank.

Mevrouw Visseren-Hamakers (PvdD):

Voorzitter. Ik wilde nog even aandacht vragen voor de handreiking die mevrouw Moonen deed, namelijk om de timing van het wetsvoorstel mee te laten lopen met de behandeling van het Belastingplan, maar het wel separaat te behandelen. Volgens mij neemt ze daarmee aan aantal bezwaren van uw kant weg, zeg ik via de voorzitter tegen de Staatssecretaris. Ik zou daar graag nog een reactie op willen krijgen. Wat is er nou op tegen om het separaat maar parallel te behandelen?

De heer Bovens (CDA):

Ik sluit me bij de laatste vraag aan, en ook bij de woorden van mevrouw Moonen. Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording.

Ik heb nog een scenario in gedachten. Stel dat het inderdaad toch gezamenlijk zal worden behandeld en deze Kamer tegen een aantal onderdelen van het Belastingplan bezwaren heeft. We beginnen al een beetje met de inhoudelijke beantwoording, maar dat moeten we niet doen. Het gaat nu even om de procedure die erin zit. Dan lopen we inderdaad het risico dat de Kamer op de een of andere wijze het Belastingplan tegenhoudt. Dat doen ze niet, netjes gezien, want anders loopt Nederland vast. Dus dan wordt er gevraagd om een novelle. Dat betekent dat er gezegd zal worden tegen de Staatssecretaris: wij houden de wet tegen en kom met een reparatie. Wordt er al gewerkt aan een reparatie? Is er al een plan B?

(Hilariteit)

De heer Bovens (CDA):

Ik heb deze discussie twee of drie weken geleden ook gevoerd. Het lijkt mij toch verstandig om daar alvast aan te werken, want we moeten inderdaad geen vertraging oplopen. Ik weet bijna zeker dat er in deze Kamer over het aparte voorstel van de btw-verhoging nog een robbertje gevochten zal worden, te beginnen bij de Financiële Beschouwingen. Drie weken voor het Belastingplan wordt behandeld weten we hoe de stemming in deze Kamer is. Dan zou er toch langzamerhand naar een plan B gekeken moeten worden. Of kan dat niet meer? Als de Tweede Kamer morgen of deze week het Belastingplan als zodanig vaststelt, is er dan überhaupt nog de technische mogelijkheid om te knippen of niet meer?

De heer Hartog (Volt):

Voorzitter. Mijn vraag sluit eigenlijk aan bij wat de heer Bovens ook net zei. Als ik de brieven en de antwoorden van de Staatssecretaris goed begrijp, zegt hij: we hebben een coherent plan en we willen dat graag coherent houden. Maar je hebt ook een coherent pakket. Eerlijk gezegd, als ik dan zie dat de ene wet wel in het plan zit en de andere niet, dan is het een beetje alsof je twintig dubbeltjes hebt die je over je rug gooit, waarbij je een lijn in het zand trekt, en dan vallen de ene links en de andere rechts. Het is mij niet helemaal duidelijk hoe dat is bepaald. Wij zeggen eigenlijk heel simpel: ja, u heeft die lijn wel getrokken, maar misschien kunt u die lijn een klein beetje opzijzetten. Zo zie ik dat, ook bij de rest van de wetten, zoals iets van de inkomstenbelasting en zo. Kunt u misschien uitleggen hoe die lijn is getrokken?

Een daaraan gekoppelde vraag – en dat is ook een beetje wat de heer Bovens zei – is dat we nu in een bepaalde context zitten. Ik zou haast zeggen: daar kunt u misschien niets aan doen, maar we zitten in een politieke context die er is. Ik denk dat u weet wat ik wil gaan zeggen. Er is het idee, en daarover hebben we ook al eerder het debat gehad: wij willen gewoon regeren, laat ons nou aan de slag gaan, het parlement zit ons een beetje in de weg. Dat is de indruk die ik had uit de Algemene Politieke Beschouwingen en dat zie ik nu eigenlijk een klein beetje weer terugkomen. Dat is niet inhoudelijk op dit specifieke punt, maar dit is wel de tweede keer binnen een maand dat we dat hebben. Dat is de context die ik toch mee wil geven, die ook voor onze fractie een overweging moet zijn bij hoe we met dit pakket omgaan. Ik wil u dat meegeven, maar ik kijk met name uit naar het antwoord op de vraag hoe die lijn in het zand is getrokken tussen die dubbeltjes.

De voorzitter:

Ik zou u willen uitnodigen om vragen te stellen, maar kort en krachtig, want het moet niet tot onnodige vragen leiden.

De heer Van Strien (PVV):

Dank u wel, voorzitter, ik heb geen vragen.

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Natuurlijk ook dank aan de Staatssecretaris voor zijn toelichting. Ik wil even ingaan op een korte opmerking die hij maakte, namelijk dat er bij het ministerie wel oog is voor de problematiek. Hij zei dat nu met de Tweede Kamer wordt gekeken of daarvoor een oplossing kan worden bedacht. Wat doet het ministerie er zelf aan om ervoor te zorgen dat we dat probleem daar al oplossen in plaats van dat we het hier onder stoom en kokend water, of misschien wel met hele nare gevolgen, moeten oplossen? Zit er ook bij het ministerie zelf oplossingskracht?

De heer Baumgarten (JA21):

Voorzitter. Ik wil even via u reageren op een opmerking van de heer Bovens, en daardoor ook richting de Staatssecretaris. Als het Belastingplan 2025 niet door ons wordt aangenomen, dan rolt het huidige Belastingplan volgens mij in feite gewoon door, dus het land staat theoretisch niet in brand. De vraag aan de Staatssecretaris is vervolgens wat de dekkingsconsequenties zijn waar we tegenaanlopen, of de lastenverlichtingsconsequenties die u in ogenschouw had.

Dank u.

De heer Martens (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik reageer daar even op. Deze btw-verhoging is in onze ogen niet zomaar een tariefmaatregel, want er wordt jaarlijks aan de knoppen gedraaid van de algemene heffingskorting et cetera. Maar het verlaagde btw-tarief voor sport, cultuur et cetera is een instituut door heel Europa, al decennia. Ik weet niet hoelang, misschien sinds de oorlog. Dit is enorm ingrijpend voor sectoren, met grote grenseffecten. Een huisje in België is straks 15% minder belast. Dat is nogal wat. Dat gaat heel veel impact hebben. Dat raakt iedereen. Het is geen maatregel die een kleine elitegroep raakt, die dan niet naar de sportschool of naar een concert gaat, of die thuis een abonnement op de Donald Duck heeft. Dat heeft blijvende effecten en dat kan in onze ogen niet ingemetseld worden als opbrengstmaatregel in het Belastingplan. We hebben natuurlijk wel oog voor de positie van de Staatssecretaris, want het budgettair belang is ook groot. Dat probleem is ontstaan. Maar toch zeggen wij onder de streep dat de argumentatie, die nu aangevuld is, niet adequaat is om dat te handhaven. Dat is ook heel ongemakkelijk voor ons, want we stellen ons graag constructief op. We vragen ons wel af, als we dat zo horen, of de Staatssecretaris onze steun daarvoor zoekt, want daar is ook wat voor nodig.

De heer Holterhues (ChristenUnie):

Voorzitter. Het meeste is wel gezegd, denk ik. Nog even los van de inhoud zitten we er op dit moment vooral procedureel in. Ik heb toch echt onvoldoende argumenten gehoord om dit niet in een apart wetsvoorstel te gieten, zoals ook de Raad van State zegt. Ik zie dat u zegt dat het een coherent geheel moet zijn, maar dat kun je evengoed bereiken door het in een apart wetsvoorstel te zetten en het mee te laten lopen met de behandeling van het Belastingplan.

De voorzitter:

Het woord is aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Idsinga:

Ja, dat zijn heel veel vragen, voorzitter. Ik hoop dat ik ze allemaal in één keer mee kan nemen in mijn beantwoording.

De voorzitter:

Mijn collega’s zijn zo alert dat ze u er wel aan herinneren als dat niet het geval is.

Staatssecretaris Idsinga:

Voordat ik inga op de beantwoording, wil ik nog even het volgende noemen. Dat had ik eigenlijk al willen zeggen richting de mevrouw van D66 die mij die vraag stelde; mevrouw Moonen, excuus. Wij komen wel met een impactanalyse, alleen, die is pas in 2026. Daar wordt u nog steeds niet heel vrolijk van, denk ik, maar het is niet zo dat we de effecten van deze maatregel niet in kaart zullen gaan brengen.

De heer Van Rooijen triggerde mij. Het was niet zijn vraag, maar ik zou toch willen ingaan op hoe wij denken te voldoen aan de motie-Hoekstra, want die is belangrijk. Ik denk dat ik wel met enige zelfverzekerdheid durf te beweren dat we daar toch wel aan voldoen. Deze motie is in 2015 aangenomen door uw Kamer. De aanleiding was toen het Belastingplan 2016. Ik zie de heer Van Rooijen knikken, dus ik zit op het goede pad.

Het Belastingplan 2016 bestond eigenlijk maar uit één wet. In die ene wet zie je eigenlijk twee grote pakketten, als je het uit elkaar zou trekken. Ten eerste het reguliere Belastingplan, zoals ook vandaag, met de koopkrachtmaatregelen, de dekkingsvoorstellen en de uiteenlopende aanpassingen om bijvoorbeeld constructies tegen te gaan. Dat was deel één. En deel twee was box 3, juist. Box 3 was eigenlijk een beetje een vreemde eend in dat plan, want dat was een fundamentele stelselherziening, die overigens wel budgettair neutraal uitpakte, omdat de dekking binnen hetzelfde domein werd gevonden.

Toen heeft uw Kamer er terecht op gewezen dat er eigenlijk twee eigenstandige wetsvoorstellen zouden moeten worden opgenomen. Als we dat niet zouden doen, zou uw Kamer de mogelijkheid worden ontnomen om een separaat politiek oordeel te vellen over die wetsvoorstellen, en ik begrijp heel goed dat dat onwenselijk is.

Daarom bestaat juist dat wetsvoorstel met het pakket Belastingplan 2025, maar bestaan ook de eerdere belastingplannen sinds de motie-Hoekstra, uit meerdere wetsvoorstellen. Grote, losstaande wijzigingen worden zo veel mogelijk in afzonderlijke wetsvoorstellen opgenomen. En dan is het ook aan uw Kamer om te beslissen welke wetsvoorstellen u wel en niet aanneemt. Maar wat wij niet in de motie-Hoekstra lezen is dat we iedere maatregel in een separaat wetsvoorstel zouden moeten opnemen. Dan hebben we namelijk een veelvoud aan wetsvoorstellen. Dat is in mijn optiek ook niet wat de motie-Hoekstra beoogde. Ook in 2016 was er een fors pakket van samenhangende lastenverzwaringen en lastenverlichtingen. Die zijn in samenhang in één voorstel tot u gekomen. Het voorbeeld van de grote lastenverzwaring in dat beruchte pakket was de volledige afbouw van de algemene heffingskorting. Dat was toen een lastenverzwaring van 2 miljard euro.

Het kabinet is dan ook van mening dat het wetsvoorstel Belastingplan dit jaar bestaat uit een samenhangend pakket, met een budgettaire samenhang. De lastenverlichtingen worden bekostigd met de lastenverzwaringen. Door deze in één voorstel op te nemen is duidelijk wat de financiële onderbouwing is. Als die lastenverlichtingen de eindstreep halen maar de dekkingsvoorstellen niet, dan ontstaan er omvangrijke begrotingstekorten. Het kabinet acht dat niet verantwoord.

Dan even ingaand op de vraag die werd gesteld: wat nou als het voorstel niet wordt meegenomen? Ik had die in de voorbereiding meegenomen, maar ik vind het toch altijd moeilijk om te zeggen. Die vraag werd gesteld. Als die niet gesteld was, zou ik die niet hier op tafel hebben gelegd. Ik vind het een onaangenaam vooruitzicht dat dat niet zou gebeuren. Nogmaals, ik probeer er echt samen met u en ook samen met de Tweede Kamer uit te komen, dus laten we er allen naar streven dat dit niet bewaarheid wordt.

Maar als het Belastingplan 2025 niet zou worden aangenomen, heeft dat grote gevolgen voor de begroting. Allereerst zorgt het Belastingplan zoals het er nu ligt, voor de lastenverlichting van 2,8 miljard euro structureel en in 2025 zelfs 5,8 miljard. En dat zou dan niet doorgaan. Qua onderwerpen betekent het verwerpen van het Belastingplan dat een groot deel van het koopkrachtpakket van volgend jaar niet wordt ingevuld, bijvoorbeeld het verlagen van tarieven in de inkomstenbelasting en de koppeling van de algemene heffingskorting aan het wettelijk minimumloon. Uw Kamer heeft vorig jaar tijdens de behandeling van het toenmalige Belastingplan verzocht om een aantal voorstellen terug te draaien, en dat kan dan ook geen doorgang vinden. Dat zijn bijvoorbeeld de lastenverzwaringen die volgen uit de zogenaamde 30%-regeling, de expatregeling, de tariefverhogingen in box 2 en in box 3 en ook de inkoopfaciliteit.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Verlagingen in box 2.

Staatssecretaris Idsinga:

Sorry. De verlaging gaat dan niet door; excuus. Ik zal mij zorgvuldiger uitdrukken. Dank voor de correctie.

De aanpak van een aantal belastingconstructies zal dan ook niet doorgevoerd kunnen worden, waaronder bijvoorbeeld constructies bij de kavelruilvrijstelling, de overdrachtsbelasting en diensten aan onroerende zaken in de btw.

Qua losse maatregelen betekent het verwerpen van het Belastingplan ook dat er geen fiscale oplossing komt, waar al zo lang op gerekend wordt, voor de eenverdieners; geen tariefkorting voor emissievrije auto’s en geen verlaging van de brandstofaccijns. Ik vind het vervelend om dit lijstje zo helemaal te moeten noemen, maar u vraagt mij ernaar en dit zouden de consequenties kunnen zijn van het niet aannemen van het hele plan. Nogmaals, laten we hopen dat het zover niet komt.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik heb geen antwoord gehoord op mijn vraag over de uitvoering.

De voorzitter:

Dat doen we zo.

Staatssecretaris Idsinga:

Over het antwoord op uw vraag over de uitvoering heb ik ook een analyse. Ik moet eerlijk bekennen dat die vrij gedetailleerd is. Het zijn ook kleine lettertjes. Ik wil het voorlezen, maar ik stuur het ook met alle liefde naar u toe.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Maar de kern ...

Staatssecretaris Idsinga:

De kern is dat er voor de uitvoering een groot probleem ontstaat, omdat processen in gang worden gezet die dan teruggedraaid zullen moeten worden. U kent de uitdagingen die op dit moment spelen bij de Belastingdienst. Die leveren veel gedoe op. Ik heb een hele lange, gedetailleerde analyse van wat dat zou betekenen. Die zal ik u met uw instemming toesturen.

De voorzitter:

Stuurt u die naar de commissie toe? Dan kan iedereen daar nota van nemen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag, maar dank voor de uitvoerige beschrijving die wij krijgen. Mijn vraag was of u rekening houdt met de kans dat de Eerste Kamer het niet goedkeurt. En als dat gebeurt, zet u dan de zaak stil? Of zegt u dan: nee, de Tweede Kamer heeft het aangenomen; de computers gaan draaien, en dan kom ik volgend jaar wel met een hele terugdraai-exercitie? Dat was mijn vraag.

Staatssecretaris Idsinga:

Ik denk niet dat wij nu de luxe hebben om te zeggen: de computers gaan niet draaien. Die moeten draaien. Als het plan niet wordt aangenomen, betekent dat dat we de computers moeten terugdraaien. Zeg ik dat goed? Ja, dat zeg ik goed, hoor ik. Dat zou zeer onfortuinlijk zijn, maar dat is wel het eerlijke antwoord.

Voorzitter. Staat u mij toe even een blik op mijn papieren te werpen. We hebben het al gehad over de budgettaire impact.

Zoekt de Staatssecretaris steun bij uw Kamer? Jazeker, absoluut. Ik heb uw Kamer heel hard nodig. Dat is om evidente redenen, die ik net ook al heb benadrukt.

Wat doet het ministerie zelf aan oplossingen? Denken wij mee? Wij hebben ten aanzien van het proces dat nu in de Tweede Kamer speelt een amendementenservice geopend. De voorstellen die ongetwijfeld zullen volgen ten aanzien van onder meer de btw-verhoging krijgen vanuit het ministerie volledige ondersteuning van de ambtenaren. Ik word daar inhoudelijk niet van op de hoogte gehouden, dus ik kan u daar ook verder niks over vertellen. Ik mag dat officieel ook niet weten, althans, niet tot in detail. Dat is de vorm van ondersteuning die wij bieden. En natuurlijk ben ik telefonisch bereikbaar. Als ik gebeld word met goede ideeën vanuit uw Kamer of vanuit de Tweede Kamer, dan neem ik de telefoon op. Ik ga daarover natuurlijk altijd graag met u in gesprek. Maar laat ik daar alvast bij zeggen dat de zoektocht naar alternatieve dekkingsmiddelen, die op dit moment plaatsvindt, een vrij lastige zoektocht is. We hebben zelf binnen de coalitie natuurlijk ook die zoektocht gedaan. Daarom zijn we ook op dit, toch vervelende, zuur uitgekomen in het plan. Maar goed, als er ideeën komen vanuit in eerste instantie de Tweede Kamer, dan zullen wij daar zeer constructief naar kijken.

Ik hoop dat ik de vragen heb beantwoord.

De voorzitter:

Ik weet niet of uw antwoord hierop ook de vraag van de heer Bovens over de novelle dekt.

De heer Bovens (CDA):

Als ik een aanvullende vraag mag stellen, dan is dat meteen gebeurd. U schetst een scenario van wat er zou gebeuren als de Kamer helemaal tegen zou zijn en u niks zou doen. Maar u kunt natuurlijk ook met een reparatie komen. Het gat dat geslagen wordt met de btw-verhoging in het jaar 2025, is namelijk niet de 5,6 miljard en de 2,7 miljard aan lastenverlichting en andere maatregelen. Dat is een veel kleiner bedrag. Dat moet u via een novelle repareren; dat is helder. Het is dus een alles-of-nietsverhaal. Ik blijf denken: waarom zou u dat risico lopen? U heeft nog een paar maanden de tijd en bij een novelle heeft u nog wat meer tijd. Ik zou toch, net zoals bij asiel nu ook aan een plan B wordt gewerkt, voorlopig maar eens aan een plan B beginnen. Want deze Kamer zal om procedurele redenen – misschien nog niet eens om inhoudelijke redenen – toch vrij stevig op dat Belastingplan blijven staan. Dat is niet nodig, zou ik bijna zeggen. Nederland heeft dit niet nodig. Maar als dat de wijze is waarop het kabinet al met het eerste Belastingplan omgaat ... De vorige keer hebben wij geloof ik veertien wetten gekregen in één pakket. Dat vonden wij heel veel. Zeventien wetten in één pakket zelfs. Deze Kamer heeft er in al haar verantwoordelijkheid eentje tegengehouden, die ging over de metallurgische industrie. Dat was uiteindelijk een gat van misschien 200 miljoen. Dat is vervolgens keurig gedekt. Als dit niet in een aparte wet zit, dan is het risico veel groter dan het risico dat we toen liepen. Ik snap dus niet dat dit niet parallel aan het Belastingplan in een apart besluit voorgeschreven kan worden. Nogmaals, dan is de ramp die zou kunnen gebeuren vele malen kleiner dan wanneer we nu gewoon op deze weg doorgaan.

Staatssecretaris Idsinga:

Ik hoor wat u zegt. Ik hou er rekening mee. Ik neem het mee. De weg van de novelle bestaat uiteraard; dat had ik even moeten zeggen. Het dekkingsbedrag waar het hier in zijn totaliteit om gaat, is wel vrij fors. Het gaat hier eigenstandig om 2,3 miljard euro voor het totale pakket. Dat is dus wel substantieel. Dat wil ik er even bij gezegd hebben. Maar ik hoor wat u zegt.

De voorzitter:

Maar het gaat ook over de parallelle behandeling, begreep ik. Dan is de budgettaire impact wellicht minder groot. Maar oké, neemt u dat vooral mee. Meneer Hartog is nog niet helemaal tevreden, zie ik.

De heer Hartog (Volt):

Ik ben niet tevreden, omdat ik geen antwoord heb gehoord op mijn vraag. Waar zit die lijn in het zand? U zei: in het ene geval gaat het om stelselwijzigingen en in het andere geval om cijfermatige wijzigingen. Daar kan ik me nog iets bij voorstellen. Maar waarom zie ik dan dingen in het pakket die over inkomstenbelastingen gaan, terwijl in het plan eigenlijk indirecte en directe belastingen gemengd zijn? Ik zie de logica niet. Mijn vraag was eigenlijk als volgt. Bij elkaar opgeteld zit er heel veel in het pakket. Kunt u een duidelijkere logica geven waarom het ene wel het in het plan zit en het andere niet? Ik kan die logica niet vinden. Ik zou op z’n minst hebben verwacht dat je de directe en de indirecte belastingen van elkaar zou scheiden, maar ik ben daar misschien iets te simpel in.

De voorzitter:

Laten we nu een voor een de vragen beantwoorden, voordat we straks weer iets vergeten. Anders blijven we bezig.

Staatssecretaris Idsinga:

Excuses. Ik denk dat ik uw vraag wel heb beantwoord, alleen had ik dat er even bij moeten zeggen. Ik denk dat ik met mijn antwoord in herhaling val, want dit heb ik ook in mijn inleiding gezegd. Wij hebben een aantal criteria toegepast. Dat zijn onder andere de budgettaire samenhang en de dekkingsproblemen. We hebben de vraag mee laten wegen of er sprake is van een stelselwijziging, zoals bij de salderingsregeling, of dat er, met alle respect, sprake is van puur een tariefmaatregel. Ook de impact van het overgangsrecht speelt mee. De budgettaire impact daarvan speelt mee, ook ten aanzien van die overgangsperiode. Daarnaast laten we de implicaties meewegen die het heeft voor ondernemers en voor mensen die met de producten zelf te maken krijgen. Dat is het onderscheid dat we hebben gemaakt. Excuses; ik dacht dat ik uw vraag beantwoord had, maar ik had mijn antwoord even aan u moeten richten.

De heer Schalk (SGP):

Ik wil toch nog heel even terug naar de woorden rondom de novelle. Ik zou graag aan de Staatssecretaris willen meegeven dat de Eerste Kamer uiteindelijk geen novelle kan «bevelen», bij wijze van spreken. Ze kan er misschien wel op aankoersen, maar het is een besluit van de regering. Dat betekent nogal wat. Dat betekent dat die woorden van de heer Bovens extra zwaar gewogen moeten worden, als het gaat over die novelle.

De voorzitter:

Ik denk dat de Staatssecretaris zich daarvan wel bewust was. We gaan geen derde ronde houden, meneer Van Rooijen. Mevrouw Visseren heeft nog een vraag.

Mevrouw Visseren-Hamakers (PvdD):

Ik heb geen helder antwoord gehoord op mijn vraag over de handreiking van mevrouw Moonen. Ik zou de Staatssecretaris ook het volgende willen vragen. Is het kabinet, gehoord de discussie van vandaag, bereid om het besluit om die motie niet uit te voeren te heroverwegen, of in ieder geval samen te herkauwen, omdat nu voor het kabinet helder wordt wat de risico’s zouden kunnen zijn?

Staatssecretaris Idsinga:

Heroverwegen, daar zijn we nog niet. We zitten nu in de Tweede Kamer. Daarna kom ik deze kant op. Ik ben nu hier, ja. Ik ben nog niet voornemens om te gaan heroverwegen. Laat ik daar maar gewoon heel duidelijk in zijn. De bezwaren die ik heb genoemd en de lijn waar u terecht naar vroeg, hebben we gehanteerd en daar houden aan vast.

Dan was er nog een vraag over een handreiking van mevrouw Moonen.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik wil die best nog wel een keer herhalen, ook alle fracties gehoord hebbende. De handreiking die ik meteen al aan het begin van mijn betoog deed, is dat het heel wel mogelijk is, ook qua uitvoering, dat u een separaat wetsvoorstel maakt voor de verhoging van de btw en dat u dat gelijk in tijdlijn mee laat lopen van de behandeling van het Belastingplan. Er is eigenlijk niets wat zich hiertegen verzet. Voor alles wat u noemde, zoals effecten voor ondernemers, effecten voor ICT-systemen en andere effecten voor gebruikers, voor de sectoren en voor de gebruikers van die sectoren, is het in alle gevallen gunstig als we het separate wetsvoorstel hebben, zoals ook iedereen aanbeveelt: Raad van State, de Rekenkamer en u zelf eigenlijk ook als regering. Want u schrijft zelf in uw memorie van toelichting dat zo’n omvangrijk voorstel een eigen wetstraject verdient. Dan pleit alles er toch voor om dat separate wetsvoorstel op te stellen en in de tijdlijn mee te nemen van de reguliere behandeling van het Belastingplan?

De voorzitter:

Een afsluitende reactie van de zijde van de regering, van de Staatssecretaris voor Fiscaliteit. En de Belastingdienst inderdaad, Staatssecretaris. Daar gaan we het later nog een keer over hebben.

Staatssecretaris Idsinga:

Dank u wel, wil ik tegen mevrouw Moonen zeggen. Het probleem dat wij zien is dat wij ... In feite voert dit natuurlijk terug naar hoe wij de motie appreciëren. Wij zijn er bezorgd over dat je als je twee eigenstandige wetsvoorstellen maakt, de koppeling die wij hebben beoogd te maken toch loslaat. Dat kan ertoe leiden dat het wetvoorstel misschien, om wat voor reden dan ook, vertraging oploopt of uiteindelijk toch niet zou worden aangenomen, waardoor we toch qua dekking een probleem overhouden. Daar zijn we zeer beducht voor, vandaar dat wij vasthouden aan onze eerdere lijn.

Mevrouw Moonen (D66):

Maar ziet u wel het effect, vraag ik via de voorzitter, dat het niet uitvoeren van de motie ook kan leiden tot het totale afstemmen van het Belastingplan? U neemt dus enorm grote risico’s over het geheel, terwijl we u een heel elegante uitweg bieden met een separaat wetsvoorstel. We hebben als Kamer ook in het verleden vaak laten zien dat wij heel goed in staat zijn om die echt goed mee te laten lopen en dat niet onnodig te vertragen.

De voorzitter:

Ik denk dat de Staatssecretaris de suggestie heeft opgeslagen in zijn toolkit. Ik denk ook dat het verstandig is om af te wachten wat er uit de Tweede Kamer komt wanneer er gesproken wordt over alternatieve dekking. Misschien is die dekking wel zo alternatief dat mevrouw Moonen al juichend het Belastingplan aanvaardt. Dat zullen wij binnenkort weten, wanneer de Staatssecretaris zijn uiteindelijke Belastingplan, zoals aangenomen in de Tweede Kamer, hier komt verdedigen. Ik ben er zeker van, mevrouw Moonen, dat de Staatssecretaris alle suggesties meeneemt in zijn overwegingen.

Mevrouw Moonen (D66):

Voorzitter, ik zie dat toch echt anders.

De voorzitter:

U hebt nu het laatste woord en dan sluit ik de vergadering.

Mevrouw Moonen (D66):

We hebben een aangenomen motie van de Eerste Kamer, met brede steun. Ik neem dit mee terug naar mijn eigen fractie en ik raad de andere leden aan om dat ook te doen, om dit in de fractie hernemen en te zien wat er hierna nog mogelijk en noodzakelijk is om dit in een goede baan te leiden. Dat is anders dan alleen het proces in de Tweede Kamer afwachten. Wij hebben hier een eigenstandige verantwoordelijkheid, juist ook als het om de uitvoering gaat en complexiteit en die verantwoordelijkheid dienen wij te nemen. Ik zal het dus meenemen naar mijn eigen fractie en ik nodig iedereen uit om dat ook te doen en om dan met elkaar als fractievoorzitters met een voorstel te komen over hoe hiermee om te gaan.

De heer Baumgarten (JA21):

Ik sluit me hierbij aan.

De voorzitter:

Akkoord. Ik dank de Staatssecretaris voor zijn toelichting en voor dit overleg. Ik dank de staf van het departement van Financiën. Ik wens u allen nog een prettige avond en ik zie u, deo volente, na het reces, waarvan ik hoop dat u zult genieten, op 5 november in ieder geval weer terug. Tot ziens.

Sluiting 18.09 uur.


X Noot
1

De letter U heeft alleen betrekking op 36 600.

X Noot
2

Samenstelling:

Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van Wijk (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Geerdink (VVD), Vogels (VVD), Bovens (CDA), Bakker-Klein (CDA), Aerdts (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

Naar boven