36 263 Tijdelijke regels inzake specifieke wettelijke voorzieningen voor het uitvoeren van onderzoeken door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst naar landen met een offensief cyberprogramma tegen Nederland of Nederlandse belangen alsmede voorzieningen inzake de mogelijkheid tot vaststelling van een nieuwe eindtermijn voor gebruik door de diensten van in het kader van hun taakuitvoering met bijzondere bevoegdheden verworven bulkdatasets en de invoering van een bindende toets ex ante van verleende toestemmingen voor de real time interceptie van verkeers- en locatiegegevens (Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen)

Q VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 maart 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie over de invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 3 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 2 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 3 februari 2026

De leden van de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 19 december 2025 waarmee u en de Minister van Defensie de resultaten van de verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen met de Kamer deelt.2 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de PvdD gezamenlijk, D66 en JA21 hebben naar aanleiding van de voorgenoemde brief enkele vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD

In de brief van 19 december jl. staat dat bij de onderzoeken waarbij gebruikt gemaakt wordt van bulkintercepties het werken met twee wettelijke regimes, de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet, tot problemen in de uitvoering leidt. Om hier een beter beeld van te krijgen hebben deze leden enkele vragen. In de brief staat te lezen dat dit knelpunt ten grondslag ligt aan een «(...) specifieke toezegging, op grond waarvan de diensten verplicht zijn om naast de al bestaande waarborgen gegevensverkeer van download- en streamingdiensten negatief te filteren.».3 Hoe is deze toezegging precies verankerd in wet- en regelgeving? In welke concrete artikelen is dit geregeld?

Bij de totstandkoming van de Tijdelijke Wet is uitgebreid (schriftelijk en mondeling) gesproken over de mogelijke knelpunten van het werken met twee wettelijke regimes. Uit de beantwoording van vele vragen hierover is af te leiden dat dit niet tot (te) grote uitvoerbaarheidsknelpunten zouden leiden. Was dit specifieke knelpunt bij de voorbereidingen van de Tijdelijke Wet in beeld? Is dit door een van de betrokkenen genoemd? Zo ja, hoe is daar over geoordeeld en welke oplossingen waren hiervoor bedacht? Zo nee, is te verklaren waarom dit niet vooraf gesignaleerd is?

Er wordt in de brief gesteld dat «(...) voor verwerving onder de twee regelingen een apart verwervingssysteem zou moeten worden opgetuigd.».4 Was dit niet voorzien? Zo nee, is te verklaren waarom dit niet voorzien was? Zo ja, was hierbij de omvang van de (nu gesignaleerde) operationele knelpunten niet in beeld?

Ook wordt gesteld dat «Het moeten onderhouden van twee verwervingssystemen strookt niet met de operationele uitvoering van bulkinterceptie onder de Tijdelijke wet en heeft gezorgd voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten.».5 Kunt u aangeven op welke manier dit niet strookt met de operationele uitvoering? Wat wordt hier precies mee bedoeld? Wat vindt u een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten? Graag ontvangen de leden een nadere toelichting. Wat is er nodig om dit wel uit te kunnen voeren? In hoeverre speelt de tijdelijkheid van de wet mee in deze afweging? Wordt hier al vooruitgelopen op de herziene Wiv 2017?

Verderop in de brief stelt u dat op dit punt de wet niet uitvoerbaar is gebleken. Dat is een stevige bewering. Wat is er precies onuitvoerbaar aan deze twee verwervingssystemen? Hoe verhoudt de term «onuitvoerbaar» zich tot de minder zware wegingscriteria «er wordt een onevenredig beroep gedaan op de technische capaciteit» en «het strookt niet met de operationele uitvoering»?

U stelt dat in de praktijk blijkt dat actoren gebruik maken van streaming- en downloaddiensten, waardoor dit verkeer relevante inlichtingen bevat voor de diensten. In het debat over de Wiv 2017 is door uw voorganger gesteld dat de diensten geen belangstelling hebben voor deze reguliere streamingsdata van burgers. Is er dus sprake van nieuwe informatie ten opzichte van 2017 dan wel een gewijzigde situatie? Maken actoren op grote schaal gebruik van deze streamings- en downloaddiensten? En, dan wel of, is er sprake van een nieuwe afweging? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Dit operationele knelpunt gaat om enorme hoeveelheden data van burgers die, zonder twee verschillende verwerkingsregimes, per bulk verzameld worden. Hoe verhoudt dit zich tot het vereiste gerichtheidscriterium?

De leden lezen in uw brief het volgende: «Daarom willen wij verduidelijken dat het niet meer negatief filteren van streaming- en downloadverkeer, zoals dat in de Tijdelijke wet is vastgelegd, nu ook gaat gelden voor onderzoeken die niet vallen onder de Tijdelijke wet.».6 Is hiervoor aanpassing van de wet- en regelgeving nodig? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke onderdelen?

De mogelijkheid bestaat dat de Eerste Kamer, naar aanleiding van de antwoorden op deze vragen nader in overleg wil treden. Kunt u toezeggen hier rekening mee te houden alvorens tot aanpassingen over wordt over te gaan?

Omdat het over veel data van burgers en bedrijven gaat hechten deze leden aan het oordeel van de CITVD en TIB ten aanzien van dit voornemen. Hoe oordelen de TIB en de CITVD, vanuit hun expertise, over dit voornemen? Indien dit niet bekend is, bent u bereid om hier navraag naar te doen. Zo nee, waarom niet? In de brief van de CITVD van 5 december 2025 lezen de leden dat er een verschil van inzicht bestaat tussen de TIB en CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds over de reikwijdte van artikel 50, eerste lid, sub b, Wiv 2017.7 Wat is precies het verschil van inzicht? En hoe worden door de betrokken partijen de gevolgen van dit verschil van inzicht geapprecieerd?

Ook de gegevensdeling, inclusief de bulkinterceptie, met andere inlichtingendiensten is een relevant onderdeel van de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet. Gezien de gewijzigde verhoudingen met Amerika is het belangrijk om te kijken of de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet toegerust zijn op het omgaan met deze gewijzigde situatie. Is dit onderdeel geweest van de invoeringstoets? Zo nee, waarom niet en acht u dit alsnog relevant? Is dit aspect meegewogen in het voornemen om niet te gaan werken met twee verwervingsregimes? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?

Tot slot lezen deze leden dat door omstandigheden de invoeringstoets te vroeg komt en er geen volledig beeld is. Acht u het verstandig om op enig moment een nieuwe invoeringstoets uit te voeren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66

In hoeverre heeft het niet toepassen van de geautomatiseerde data-analyse op bukinterceptie gevolgen voor de nationale veiligheid? Kunt u ingaan op het verschil van inzicht dat bestaat over de toepassing van artikel 50 Wiv 2017 tussen de diensten enerzijds en de CTIVD en TIB anderzijds? Het verbaasde deze leden dat de CTIVD in haar brief d.d. 5 december 2025 aangeeft het voortouw te nemen als het gaat om de interpretatie van artikel 50, lid 1 sub B van de Wiv 2017. Dit lijkt deze leden in eerste instantie aan het parlement en/of verantwoordelijke Minister. Kunt u hierop ingaan? U gaat in op bepaalde onderdelen van de brieven van de CTIVD en de TIB. Kunt u een uitgebreidere appreciatie geven van de brieven die door de CTIVD en de TIB aan de Tweede Kamer zijn gestuurd? Worden alle beelden herkend en/of gedeeld? Zo nee, welke niet en waarom? Kunt u aangeven hoe de CTIVD en de TIB staan tegen het aanpassen van het negatief filterkader?

De tijdelijke wet heeft een tijdlang niet uitgevoerd kunnen worden door huisvestings- en capaciteitsproblemen bij de CTIVD. Hoe zal worden voorkomen dat rond de herziening opnieuw een wet in werking treedt die in het eerste jaar nauwelijks kan worden uitgevoerd? En welke consequenties zou dat mogelijk hebben met betrekking tot de horizonbepaling uit de Tijdelijke Wet?

Aan de Kamer is toegezegd dat geleerde lessen zullen worden meegenomen in het traject van de herziening van de Wiv 2017. Uit de invoeringstoets blijkt dat het eigenlijk nog te vroeg is om een compleet beeld te geven van de impact van deze wet. Wanneer en op welke wijze zullen de lessen die nu nog worden geleerd over de Tijdelijke wet met de Eerste Kamer worden gedeeld? En is het nog mogelijk om deze mee te nemen in de herziening?

Uit uw brief blijkt dat er in het geval van de verwervingsregimes niet gewacht kan worden op de herziening van de Wiv 2017. Is het de verwachting dat er in de komende tijd nog andere zaken zullen opkomen die niet kunnen wachten op de herziening? En zo ja, wat wordt dan het te volgen traject en hoe wordt de Eerste Kamer hierbij betrokken?

De Tijdelijke wet heeft een horizonbepaling en zal van rechtswege vervallen na 30 juni 2028. Valt op dit moment te voorzien dat de herziening niet op tijd gerealiseerd gaat worden? En wat zijn dan de gevolgen?

U heeft in de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de CTIVD en de TIB samen te voegen. De TIB geeft in haar brief, mede namens de CTIVD, aan ook een voorkeur te hebben voor een geïntegreerde toezichthouder. Echter, als deze leden naar de uitvoeringstoets kijken, en ook naar het verschil van inzicht dat blijkbaar kan bestaan tussen CTIVD en TIB (zie de kwestie die aan Raad van State is voorgelegd), dan vragen deze leden zich af of dat verstandig is. Blijkbaar kunnen er gevallen bestaan die zo onduidelijk zijn dat zowel de diensten en de toezichthoudende organen, als ook de CITVD en de TIB onderling, van mening verschillen. Zou het samengaan dan niet kunnen betekenen dat dit ten koste gaat van de mogelijkheid tot het bespreken van de dilemma’s die bestaan als het gaat om de uitvoering van de nieuwe Wiv, onder andere in beiden Kamers. Graag ontvangen de leden een reflectie hierop.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van JA21

U schrijft in uw brief dat het de bevoegdheid voor het verkennen bij bulkinterceptie (artikel 6), onderdelen van de hackbevoegdheid (artikel 5, eerste en tweede lid, en de artikelen 9 en 10) en het toepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata (artikel 8) niet of slechts in beperkte mate konden worden uitgeoefend. Kunt u toelichten waarom deze bevoegdheden niet of slechts beperkt konden worden toegepast? Is het inmiddels mogelijk dat deze bevoegdheden wel volledig kunnen worden gebruikt? Zo nee, welke maatregelen wilt u treffen, om te waarborgen dat deze bevoegdheden wel volledig kunnen worden benut?

Ook wordt in de brief aangehaald dat er geen toepassing van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata heeft plaatsgevonden, doordat er een verschil van inzicht is ontstaan tussen de TIB en de CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds. Kunt u toelichten wat dit verschil in inzicht tussen de toezichthouders en de diensten concreet inhoudt? Welke gevolgen heeft dit verschil van inzicht voor de bescherming van de nationale veiligheid?

U geeft in de brief aan dat stappen worden gezet om de knelpunten die samenhangen met het werken met twee wervingssystemen op te lossen. Kunt u aangeven wanneer u verwacht dat deze knelpunten zijn weggenomen?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 maart 2026

Via deze brief reageren wij op vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, PvdD, D66 en Ja21 over de brief van 19 december 2025 over de invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (hierna: Tijdelijke wet).8 Gezien de vragen zowel de AIVD als de MIVD aangaan, gaan wij daar graag gezamenlijk op in. Waar dat dienstig is zullen gelijkluidende vragen van de leden van de diverse fracties in samengenomen vorm worden beantwoord.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD

In de brief van 19 december jl. staat dat bij de onderzoeken waarbij gebruikt gemaakt wordt van bulkintercepties het werken met twee wettelijke regimes, de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet, tot problemen in de uitvoering leidt. Om hier een beter beeld van te krijgen hebben deze leden enkele vragen. In de brief staat te lezen dat dit knelpunt ten grondslag ligt aan een «(...) specifieke toezegging, op grond waarvan de diensten verplicht zijn om naast de al bestaande waarborgen gegevensverkeer van download- en streamingdiensten negatief te filteren.» Hoe is deze toezegging precies verankerd in wet- en regelgeving? In welke concrete artikelen is dit geregeld?

Bij de totstandkoming van de Tijdelijke Wet is uitgebreid (schriftelijk en mondeling) gesproken over de mogelijke knelpunten van het werken met twee wettelijke regimes. Uit de beantwoording van vele vragen hierover is af te leiden dat dit niet tot (te) grote uitvoerbaarheidsknelpunten zouden leiden.

Was dit specifieke knelpunt bij de voorbereidingen van de Tijdelijke Wet in beeld? Is dit door een van de betrokkenen genoemd? Zo ja, hoe is daar over geoordeeld en welke oplossingen waren hiervoor bedacht? Zo nee, is te verklaren waarom dit niet vooraf gesignaleerd is?

Er wordt in de brief gesteld dat «(...) voor verwerving onder de twee regelingen een apart verwervingssysteem zou moeten worden opgetuigd.» Was dit niet voorzien? Zo nee, is te verklaren waarom dit niet voorzien was? Zo ja, was hierbij de omvang van de (nu gesignaleerde) operationele knelpunten niet in beeld?

De desbetreffende toezegging is niet verankerd in wet- en regelgeving. Het betreft een toezegging over de uitvoeringspraktijk omtrent download- en streamingsverkeer die is gedaan door de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de toenmalige Minister van Defensie, aan de Tweede Kamer.9 De toezegging was onderdeel van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2017 en de verhouding tot het regeerakkoord van kabinet Rutte III.10 De diensten hebben de bevoegdheid vervolgens uitgevoerd conform de beschrijving van de toezegging.

De Tijdelijke wet creëert toepassingsmogelijkheden passend bij de toenemende dreiging die uitgaat van landen met een offensief cyberprogramma. De Tijdelijke wet, die een aanvulling is op de Wiv 2017, is in systematiek bewust naast de Wiv 2017 ingericht om de geconstateerde operationele knelpunten specifiek voor de aard van de hiervoor genoemde dreiging op te lossen. Er is bij de totstandkoming en implementatie van de wet nadrukkelijk oog geweest voor de voorziene effecten van het werken met twee wettelijke regimes binnen de uitvoeringspraktijk. Er is expliciet aandacht besteed aan de afbakening van operaties; dit om te voorkomen dat in de praktijk onduidelijkheid zou bestaan over de toepassing van het vereiste regime.

Tijdens de behandeling van de Tijdelijke wet is de problematiek van negatieve filtering van download- en streamingsverkeer aan de orde geweest.11 Het probleem is dat de veronderstelling die ten grondslag ligt aan de toezegging hierover, namelijk dat dit soort informatie geen waarde zou hebben voor de onderzoeken van de diensten, niet altijd klopt. Deze informatie kan bijvoorbeeld wel waarde hebben, indien een buitenlandse actor een hackpoging verhult via download- en streamingsverkeer. Daarnaast is het technisch niet in alle gevallen goed mogelijk om vooraf te zien of een gegevensstroom niet-relevante gegevens bevat. Het is dan ook aangemerkt als een knelpunt voor de effectieve uitvoering van kabelgebonden bulkinterceptie, en daarom ook aangepast voor onderzoeken onder de Tijdelijke wet. De precieze gevolgen van het werken onder twee wettelijke regimes voor kabelgebonden bulkinterceptie zijn toentertijd nog niet in voldoende mate onderkend. Dat kwam onder meer doordat de diensten nog maar op beperkte wijze uitvoering konden geven aan deze bevoegdheid. Juist door de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet kunnen de diensten de bevoegdheid tot bulkinterceptie onder dat wettelijke kader effectiever uitvoeren, waardoor het knelpunt ten opzichte van de Wiv 2017 sterker dan eerder was voorzien naar voren is gekomen.

Ook wordt gesteld dat «Het moeten onderhouden van twee verwervingssystemen strookt niet met de operationele uitvoering van bulkinterceptie onder de Tijdelijke wet en heeft gezorgd voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten.» Kunt u aangeven op welke manier dit niet strookt met de operationele uitvoering? Wat wordt hier precies mee bedoeld? Wat vindt u een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten? Graag ontvangen de leden een nadere toelichting. Wat is er nodig om dit wel uit te kunnen voeren? In hoeverre speelt de tijdelijkheid van de wet mee in deze afweging? Wordt hier al vooruitgelopen op de herziene Wiv 2017? Wat is er precies onuitvoerbaar aan deze twee verwervingssystemen? Hoe verhoudt de term «onuitvoerbaar» zich tot de minder zware wegingscriteria «er wordt een onevenredig beroep gedaan op de technische capaciteit» en «het strookt niet met de operationele uitvoering»?

Het is belangrijk dat de diensten voor de bescherming van onze nationale veiligheid effectief en wendbaar kunnen optreden. In de praktijk hebben de diensten kennis opgedaan met de uitvoering van bulkinterceptie. Daaruit is onder meer gebleken dat negatieve filtering niet de meest effectieve manier is om download- en streamingsverkeer te reduceren. Dit kan beter plaatsvinden door middel van positieve filtering. Dat wil zeggen dat de gegevens niet van te voren al worden weggefilterd, maar dat de filtering later in het proces plaatsvindt. Alleen de gegevens die naar verwachting van waarde kunnen zijn voor de onderzoeken van de diensten worden opgeslagen en beschikbaar gesteld voor het inlichtingenproces voor verdere analyse en verwerking. De gegevens die daarbij evident en daarmee nadrukkelijk geen waarde hebben voor onderzoeken van de diensten, worden niet opgeslagen maar vernietigd. Bij deze methode wordt echter wel het verkeer dat in eerste instantie eruit ziet als download- en streamingsverkeer onderkend. In het geval van negatieve filtering gebeurt dat niet en gaan gegevens met potentiële inlichtingenwaarde gelijk verloren voor het inlichtingenproces. Dat zorgt voor verminderd zicht op dreigingen voor de nationale veiligheid, hetgeen onwenselijk is en niet strookt met het belang van effectieve operationele uitvoering door de diensten. Verder kost het werken met twee verschillende verwervingsregimes voor download- en streamingsverkeer de diensten veel extra technische en personele capaciteiten, die vanwege de specialistische kennis niet eenvoudig zijn te verkrijgen, en waaraan hoge kosten zijn verbonden. Dit brengt met zich dat deze werkwijze niet binnen operationeel realistische kaders kan worden verwezenlijkt.

De tijdelijkheid van de Tijdelijke wet speelt niet mee in de afweging om de methodiek van positieve filtering te willen gaan toepassen voor onderzoeken onder de Wiv 2017. Met de beoogde wijziging wordt vooruitgelopen op de herziene Wiv 2017, waarop op dit onderdeel niet kan worden gewacht. Hierbij onderstrepen wij dat de voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk past binnen de huidige wet- en regelgeving. Voor de lange termijn zijn we van mening dat ook onder de herziene Wiv 2017 het noodzakelijk zal blijven om uit te gaan van positieve filtering van potentieel relevant download- en streamingsverkeer. Dit zal dan ook onderdeel zijn van het wetsvoorstel.

U stelt dat in de praktijk blijkt dat actoren gebruik maken van streaming- en downloaddiensten, waardoor dit verkeer relevante inlichtingen bevat voor de diensten. In het debat over de Wiv 2017 is door uw voorganger gesteld dat de diensten geen belangstelling hebben voor deze reguliere streamingsdata van burgers. Is er dus sprake van nieuwe informatie ten opzichte van 2017 dan wel een gewijzigde situatie? Maken actoren op grote schaal gebruik van deze streamings- en downloaddiensten? En, dan wel of, is er sprake van een nieuwe afweging? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Sinds de invoering van de Wiv 2017 hebben de diensten, al was dat lang beperkt, ervaring opgedaan met de inzet van kabelgebonden bulkinterceptie. Daardoor zijn nieuwe inzichten opgedaan en is er sprake van een gewijzigde situatie en weging. Hierbij is tevens van belang dat statelijke actoren op veel verschillende manieren te werk gaan en dat de wijze waarop zij optreden voortdurend in ontwikkeling is. Het is niet effectief gebleken op voorhand bepaalde gegevensstromen enkel en alleen op basis van hun aard of oorsprong uit te sluiten voor het detecteren van gekende en ongekende dreigingen voor de nationale veiligheid.12

Dit operationele knelpunt gaat om enorme hoeveelheden data van burgers die, zonder twee verschillende verwerkingsregimes, per bulk verzameld worden. Hoe verhoudt dit zich tot het vereiste gerichtheidscriterium?

Wij benadrukken met klem dat de aanname dat de diensten hierdoor enorme hoeveelheden bulkdatasets van (Nederlandse) burgers verzamelen en verder verwerken onjuist is. We onderstrepen dat bij kabelgebonden bulkinterceptie sprake is van een ketenbevoegdheid, waarbij in die keten invulling wordt gegeven aan het vereiste gerichtheidscriterium. Daarin zijn verschillende, specifiek daarop toegesneden opeenvolgende fasen en bijbehorende handelingen te onderkennen van verkennen, verwerven, verrichten van identificatieonderzoek en vervolgens selectie. De diensten maken aan de voorkant al keuzes en prioriteren dusdanig om zoveel mogelijk bij internationaal, en derhalve niet nationaal, gegevensverkeer te komen. Verworven gegevens, waarvan geen indicatie bestaat dat zij van waarde kunnen zijn voor onderzoeken van de diensten, worden niet verder verwerkt. Immers, deze gegevens worden door de positieve filtering niet opgeslagen en daardoor vernietigd. Dit soort gegevens komt dus niet terecht in het inlichtingenproces. Gegevens worden alleen tijdens de positieve filtering opgeslagen, indien de diensten een indicatie hebben dat er relevante gegevens in kunnen zitten. Vervolgens worden deze gegevens enkel betrokken in het inlichtingenproces, indien de gegevens toe te schrijven zijn aan kenmerken van organisaties en personen waar de diensten onderzoek naar verrichten in het belang van de bescherming tegen gekende en ongekende dreigingen voor de nationale veiligheid. Door voorgaande werkwijze wordt concreet invulling gegeven aan het vereiste gerichtheidscriterium.

De leden lezen in uw brief het volgende: «Daarom willen wij verduidelijken dat het niet meer negatief filteren van streaming- en downloadverkeer, zoals dat in de Tijdelijke wet is vastgelegd, nu ook gaat gelden voor onderzoeken die niet vallen onder de Tijdelijke wet.» Is hiervoor aanpassing van de wet- en regelgeving nodig? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke onderdelen?

Nee, dit betreft een toezegging over de uitvoeringspraktijk, die niet verankerd is in wet- en regelgeving en vereist dan ook geen aanpassing ervan. De voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk past binnen de huidige wet- en regelgeving.

De mogelijkheid bestaat dat de Eerste Kamer, naar aanleiding van de antwoorden op deze vragen nader in overleg wil treden. Kunt u toezeggen hier rekening mee te houden alvorens tot aanpassingen over wordt over te gaan?

Wij kunnen uw Kamer toezeggen rekening te houden met de mogelijkheid hierover nader in overleg te willen treden, alvorens tot aanpassing van de werkwijze van de diensten wordt overgegaan die geen wetswijziging vergt.

Omdat het over veel data van burgers en bedrijven gaat hechten deze leden aan het oordeel van de CITVD en TIB ten aanzien van dit voornemen. Hoe oordelen de TIB en de CITVD, vanuit hun expertise, over dit voornemen? Indien dit niet bekend is, bent u bereid om hier navraag naar te doen. Zo nee, waarom niet?

Kunt u aangeven hoe de CTIVD en de TIB staan tegen het aanpassen van het negatief filterkader? (D66)

De gezamenlijke inbreng van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) is separaat met ons gedeeld en als bijlage toegevoegd. In hun bijdrage concluderen zij geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen wijziging. Ook onderschrijft de CTIVD dat het download- en streamingsverkeer wel degelijk relevante inlichtingen kan bevatten.

In de brief van de CITVD van 5 december 2025 lezen de leden dat er een verschil van inzicht bestaat tussen de TIB en CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds over de reikwijdte van artikel 50, eerste lid, sub b, Wiv 2017. Wat is precies het verschil van inzicht? En hoe worden door de betrokken partijen de gevolgen van dit verschil van inzicht geapprecieerd?

In hoeverre heeft het niet toepassen van de geautomatiseerde data-analyse op bukinterceptie gevolgen voor de nationale veiligheid? Kunt u ingaan op het verschil van inzicht dat bestaat over de toepassing van artikel 50 Wiv 2017 tussen de diensten enerzijds en de CTIVD en TIB anderzijds? (D66)

Ook wordt in de brief aangehaald dat er geen toepassing van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata heeft plaatsgevonden, doordat er een verschil van inzicht is ontstaan tussen de TIB en de CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds. Kunt u toelichten wat dit verschil in inzicht tussen de toezichthouders en de diensten concreet inhoudt? Welke gevolgen heeft dit verschil van inzicht voor de bescherming van de nationale veiligheid? (JA21)

Het verschil van inzicht tussen de TIB en CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds betreft de grondslag van de toepassingen van geautomatiseerde data-analyse (GDA) in de verschillende fasen van bulkinterceptie. De diensten en de TIB en CTIVD zijn het niet eens over wat precies onder het toepassingsbereik van GDA valt onder artikel 50, eerste lid, onder b, van de Wiv 2017.

De diensten stellen zich daarbij op het standpunt dat het hierbij concreet gaat om de uitvoering van GDA op metadata, die is verworven door middel van bulkinterceptie ter identificatie van personen of organisaties in het kader van het beantwoorden van onderzoeksvragen in lopende onderzoeksopdrachten van de diensten. In andere gevallen is sprake van (voorgenomen) technische handelingen ter ondersteuning en/of ter facilitering van het inlichtingenonderzoek, waarbij sprake is van GDA op basis van artikel 60 van de Wiv 2017.

De TIB en CTIVD stellen zich op het standpunt dat het regime onder artikel 50, eerste lid, onder b, van de Wiv 2017 breder van toepassing is bij de toepassing van GDA en betrekking heeft op alle fasen voorafgaand aan de fase waarbij gegevens kunnen worden betrokken in inlichtingenonderzoeken en inlichtingenproducten.

Het gevolg van dit verschil van inzicht is dat de diensten deze bevoegdheid niet inzetten waardoor zij minder effectief gekende en ongekende dreigingen voor de bescherming van de nationale veiligheid kunnen onderkennen.

Ook de gegevensdeling, inclusief de bulkinterceptie, met andere inlichtingendiensten is een relevant onderdeel van de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet. Gezien de gewijzigde verhoudingen met Amerika is het belangrijk om te kijken of de Wiv 2017 en de Tijdelijke Wet toegerust zijn op het omgaan met deze gewijzigde situatie. Is dit onderdeel geweest van de invoeringstoets? Zo nee, waarom niet en acht u dit alsnog relevant? Is dit aspect meegewogen in het voornemen om niet te gaan werken met twee verwervingsregimes? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?

Gegevensdeling met andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten is een belangrijk onderdeel voor de taakoefening van de diensten. Het voornemen om niet te blijven werken met twee verwervingsregimes voor download- en streamingsverkeer heeft geen impact op de bestaande mogelijkheid van gegevensdeling met andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten op basis van een gewijzigde situatie. We benadrukken dat de Wiv 2017 al daarop is toegerust; onder meer door middel van de wegingsnotities en de continue monitoring ervan hebben de diensten voldoende middelen om hier goed mee om te gaan. Verder zijn in de Tijdelijke wet omtrent de waarborgen van gegevensdeling met andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten geen gewijzigde bepalingen aangebracht ten opzichte van de Wiv 2017, en dat was om die reden dan ook geen onderdeel van de invoeringstoets.

Tot slot lezen deze leden dat door omstandigheden de invoeringstoets te vroeg komt en er geen volledig beeld is. Acht u het verstandig om op enig moment een nieuwe invoeringstoets uit te voeren?

Aan de Kamer is toegezegd dat geleerde lessen zullen worden meegenomen in het traject van de herziening van de Wiv 2017. Uit de invoeringstoets blijkt dat het eigenlijk nog te vroeg is om een compleet beeld te geven van de impact van deze wet. Wanneer en op welke wijze zullen de lessen die nu nog worden geleerd over de Tijdelijke wet met de Eerste Kamer worden gedeeld? En is het nog mogelijk om deze mee te nemen in de herziening? (D66)

De diensten evalueren en monitoren de Tijdelijke wet gedurende de gehele looptijd ervan. Als de resultaten van de monitoring daar aanleiding toe geven, houden wij daar in de verschillende stadia van het al in gang gezette wetgevingsproces tot herziening van de Wiv 2017 rekening mee. Wij zullen uw Kamer via dat proces informeren over eventuele aanvullende geleerde lessen met de Tijdelijke wet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66

Het verbaasde deze leden dat de CTIVD in haar brief d.d. 5 december 2025 aangeeft het voortouw te nemen als het gaat om de interpretatie van artikel 50, lid 1 sub B van de Wiv 2017. Dit lijkt deze leden in eerste instantie aan het parlement en/of verantwoordelijke Minister. Kunt u hierop ingaan?

Met de leden van de fractie van D66 zijn wij van mening dat het in eerste instantie aan de wetgever, zijnde de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk, is om bij de totstandkoming van de wet een toelichting te geven op de bedoeling van wet- en regelgeving. Na de totstandkoming van de wet is de interpretatie van de wet een samenspel tussen de betrokken Ministers, het parlement, de uitvoerende en toezichthoudende instanties, en – sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet – de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op dit moment is er nog geen gedragen interpretatie van artikel 50, eerste lid, onder b, van de Wiv 2017. Wij hechten eraan dat op korte termijn wel duidelijkheid komt over het verschil van inzicht over de toepassing van GDA in de verschillende fasen van bulkinterceptie. Ook de CTIVD is die mening toegedaan. Daarom vinden hierover op dit moment gesprekken plaats tussen de TIB, CTIVD en beide diensten. Indien dit niet leidt tot een overeenkomst van inzicht, dan is uiteindelijk de geëigende weg om op grond van de Tijdelijke wet beroep in stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak tegen een eventueel bindend onrechtmatigheidsoordeel van de TIB of CTIVD op dit punt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan dan duidelijkheid geven over de interpretatie. Uiteindelijk vinden wij het aangewezen dat voor de lange termijn bij de herziening van de Wiv 2017 ook de wetgever de nodige duidelijkheid geeft, in de wettekst, toelichting en verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel.

U gaat in op bepaalde onderdelen van de brieven van de CTIVD en de TIB. Kunt u een uitgebreidere appreciatie geven van de brieven die door de CTIVD en de TIB aan de Tweede Kamer zijn gestuurd? Worden alle beelden herkend en/of gedeeld? Zo nee, welke niet en waarom?

Wij herkennen ons in de meeste beelden van de CTIVD en TIB over de invoering van de Tijdelijke wet, en dan met name het geschetste algemene beeld van de CTIVD en de conclusie van de TIB dat, gelet op de beperkte mate waarin de Tijdelijke wet invulling heeft gekregen, er geen compleet beeld is wat de consequenties voor de uitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. Wij vinden het dan ook te vroeg om conclusies te trekken over de door de CTIVD in haar bijlage geadresseerde zaken met betrekking tot de effectiviteit van (bindend) toezicht in het algemeen, en gegevensverstrekking aan buitenlandse partners in het bijzonder. Het positieve beeld dat de CTIVD benoemt over het vaststellen van de nieuwe eindtermijn van bulkdatasets delen wij eveneens.

Daarnaast hebben we aangegeven dat de nieuw in de Tijdelijke wet opgenomen mogelijkheid van het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een positief effect heeft gehad, omdat een geschil zo snel kan worden voorgelegd aan de hoogste bestuursrechter. De TIB zoomt daarbij met name in op de verdere juridisering van het proces. Het trekken van deze conclusie vinden wij, naast de waarde die we hechten aan het eerder genoemde positief effect, gelet op voorgaande, op dit moment te vroeg. Verder (h)erkent de TIB op haar beurt ons beeld dat in een beperkt aantal operaties sprake is van een langere doorlooptijd van de beoordeling van toestemmingsverzoeken onder de Tijdelijke wet. Het belang van de inzet van kabelgebonden bulkinterceptie om beter gekende en ongekende dreigingen te onderkennen achten wij samen met de diensten verder onverminderd groot. Het beeld dat de TIB daaromtrent schetst komt daarmee niet overeen en delen we niet. Ten aanzien van het verschil van inzicht tussen de TIB en CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds over (de interpretatie van) de grondslag van de toepassingen van GDA in de verschillende fasen van bulkinterceptie verwijzen we naar de beantwoording daaromtrent, zoals eerder in deze brief vermeld.

De tijdelijke wet heeft een tijdlang niet uitgevoerd kunnen worden door huisvestings- en capaciteitsproblemen bij de CTIVD. Hoe zal worden voorkomen dat rond de herziening opnieuw een wet in werking treedt die in het eerste jaar nauwelijks kan worden uitgevoerd? En welke consequenties zou dat mogelijk hebben met betrekking tot de horizonbepaling uit de Tijdelijke Wet?

De eerdere huisvestingsproblematiek van de CTIVD is, in overleg met alle betrokken partijen, inmiddels opgelost met tijdelijke voorzieningen. Voor de aankomende periode is reeds een permanente oplossing gevonden. De CTIVD zal per 1 juli 2026 definitief worden gehuisvest op de Turfmarkt te Den Haag.13 Daarnaast worden met de CTIVD en TIB gesprekken gevoerd over de herziening van de Wiv 2017, en de uitvoeringseffecten die dat voor hen teweeg kan brengen. Hiermee wordt voorkomen dat rond de herziening dezelfde problematiek zich kan voordoen, zoals die zich heeft voorgedaan bij de Tijdelijke wet. De beoogde inwerkingtredingdatum van de nieuwe en versterkte Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is uiterlijk 1 juli 2028, de datum dat de Tijdelijke wet van rechtswege vervalt vanwege de horizonbepaling in die wet. Dat is ruim na de periode van 1 juli 2026, zodat er op dit moment geen consequenties zijn voorzien met betrekking tot de horizonbepaling.

Uit uw brief blijkt dat er in het geval de verwervingsregimes niet gewacht kan worden op de herziening van de Wiv 2017. Is het de verwachting dat er in de komende tijd nog andere zaken zullen opkomen die niet kunnen wachten op de herziening? En zo ja, wat wordt dan het te volgen traject en hoe wordt de Eerste Kamer hierbij betrokken?

Het werken met twee wettelijke kaders met twee verschillende verwervingsregimes voor download- en streamingsverkeer heeft tot problemen geleid in de uitvoeringspraktijk. Op dit moment zijn er uit de invoeringstoets van de Tijdelijke wet of de uitvoering van de Wiv 2017 geen indicaties dat er andere knelpunten zijn die, vooruitlopend op de herziening van de Wiv 2017, versneld moeten worden geadresseerd. Het is met name belangrijk dat de herziening van de Wiv 2017 voortvarend ter hand wordt genomen. Het eerder opheffen van verschillende andere knelpunten zou er daarnaast voor zorgen dat de daarvoor benodigde capaciteit niet kan worden ingezet voor de herziening van de Wiv 2017, waardoor deze vertraging oploopt. Dit achten wij onwenselijk.

De Tijdelijke wet heeft een horizonbepaling en zal van rechtswege vervallen na 30 juni 2028. Valt op dit moment te voorzien dat de herziening niet op tijd gerealiseerd gaat worden? En wat zijn dan de gevolgen?

De beoogde inwerkingtredingdatum van de nieuwe en versterkte Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is uiterlijk 1 juli 2028, de datum dat de Tijdelijke wet van rechtswege vervalt vanwege de horizonbepaling in die wet. De planning van dit wetstraject is geënt op het behalen van die datum.

U heeft in de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de CTIVD en de TIB samen te voegen. De TIB geeft in haar brief, mede namens de CTIVD, aan ook een voorkeur te hebben voor een geïntegreerde toezichthouder. Echter, als deze leden naar de uitvoeringstoets kijken, en ook naar het verschil van inzicht dat blijkbaar kan bestaan tussen CTIVD en TIB (zie de kwestie die aan Raad van State is voorgelegd), dan vragen deze leden zich af of dat verstandig is. Blijkbaar kunnen er gevallen bestaan die zo onduidelijk zijn dat zowel de diensten en de toezichthoudende organen, als ook de CITVD en de TIB onderling, van mening verschillen. Zou het samengaan dan niet kunnen betekenen dat dit ten koste gaat van de mogelijkheid tot het bespreken van dit dilemma’s die bestaan als het gaat om de uitvoering van de nieuwe Wiv, onder andere in beiden Kamers. Graag ontvangen de leden een reflectie hierop.

Wij zijn van mening dat het bestaan van meningsverschillen tussen de diensten en de toezichthoudende organen als ook de CTIVD en de TIB onderling niet in de weg hoeft te staan aan het aangekondigde voornemen de CTIVD en de TIB samen te voegen in één robuuste organisatie, zoals inmiddels ook is opgenomen in het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten.14 Immers, ook met een nieuwe en versterkte Wiv blijft er ruimte om dilemma’s die zich in de uitvoering kunnen voordoen te bespreken onder andere in Uw beiden Kamers, zoals thans ook het geval is. De wetsherziening brengt daarin geen verandering.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van JA21

U schrijft in uw brief dat het de bevoegdheid voor het verkennen bij bulkinterceptie (artikel 6), onderdelen van de hackbevoegdheid (artikel 5, eerste en tweede lid, en de artikelen 9 en 10) en het toepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata (artikel 8) niet of slechts in beperkte mate konden worden uitgeoefend. Kunt u toelichten waarom deze bevoegdheden niet of slechts beperkt konden worden toegepast? Is het inmiddels mogelijk dat deze bevoegdheden wel volledig kunnen worden gebruikt? Zo nee, welke maatregelen wilt u treffen, om te waarborgen dat deze bevoegdheden wel volledig kunnen worden benut?

Voornoemde, verschillende bevoegdheden konden niet of slechts in beperkte mate worden uitgevoerd door de diensten vanwege de huisvestingsproblematiek bij de CTIVD, waarover de Tweede Kamer in een eerder stadium is geïnformeerd.15 Daardoor kon de CTIVD niet volledig toezicht houden op de uitvoering van de Tijdelijke wet door de diensten. De TIB had als voorwaarde gesteld voor de beoordeling van toestemmingsverzoeken, dat de CTIVD toezicht moet kunnen uitoefenen op de door de TIB beoordeelde toestemmingsverzoeken. Inmiddels heeft de CTIVD laten weten dat zij sinds 1 oktober 2025 klaar is voor een volledige toepassing van de Tijdelijke wet, met uitzondering van het toepassen van GDA op bulkinterceptiedata. Sinds die periode wordt de Tijdelijke wet gefaseerd tot volledig toegepast door de diensten. Er hoeven op dit moment daarom geen nadere maatregelen getroffen te worden.

U geeft in de brief aan dat stappen worden gezet om de knelpunten die samenhangen met het werken met twee wervingssystemen op te lossen. Kunt u aangeven wanneer u verwacht dat deze knelpunten zijn weggenomen?

In de brief over de invoeringstoets is kenbaar gemaakt dat deze wijziging niet zal worden doorgevoerd alvorens de Tweede Kamer de mogelijkheid heeft gehad hierover in een debat over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te spreken. Op het moment dat dit debat geen contra-indicatie geeft, zal de wijziging worden doorgevoerd in de uitvoeringspraktijk. Hierbij wijzen we uw Kamer ook op de gedane toezegging in antwoord op de eerder gestelde vraag van de fracties van GroenLinks-PvdA en de PvdD.

Wanneer de wijziging wordt doorgevoerd zal dit knelpunt direct zijn weggenomen. Immers, het verwervings- en verwerkingssysteem functioneert al onder de Tijdelijke wet zonder de verplichting van negatieve filtering aan de voorkant van het proces, maar met een systeem van positieve filtering met passende waarborgen verderop in het verwerkingsproces. De onderzoeken onder de Wiv 2017 zullen op dezelfde wijze worden vormgegeven. Dit behoeft geen wijziging van wet- of regelgeving.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

De Minister van Defensie, D. Yeşilgöz-Zegerius


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 5.

X Noot
4

Ibid.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 5.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 6.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 263, nr. P.

X Noot
9

Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 52 en Kamerstukken II 2017/18, 34 588, nr. 69,

Bijlage bij Brief Wiv 2017 en regeerakkoord, p. 3.

X Noot
10

Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst», VVD, CDA, D66 en ChristenUnie van 10

oktober 2017.

X Noot
11

Zie onder andere Kamerstukken II 2022/23, 36 263, nr. 3 en Kamerstukken I 2023/24, 36 263, E.

X Noot
12

Kamerstukken II 2022/23, 36 263, nr. 3, p. 47.

X Noot
13

Kamerstukken II 2023/24, 36 263, nr. 44.

X Noot
14

Coalitieakkoord «Aan de slag», D66, VVD en CDA van 30 januari 2026.

X Noot
15

Kamerstukken II 36 263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 5.

X Noot
4

Ibid.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 5.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P, p. 6.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstukken I 2025/25, 36 263, P.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 263, nr. P.

X Noot
9

Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 52 en Kamerstukken II 2017/18, 34 588, nr. 69,

Bijlage bij Brief Wiv 2017 en regeerakkoord, p. 3.

X Noot
10

Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst», VVD, CDA, D66 en ChristenUnie van 10

oktober 2017.

X Noot
11

Zie onder andere Kamerstukken II 2022/23, 36 263, nr. 3 en Kamerstukken I 2023/24, 36 263, E.

X Noot
12

Kamerstukken II 2022/23, 36 263, nr. 3, p. 47.

X Noot
13

Kamerstukken II 2023/24, 36 263, nr. 44.

X Noot
14

Coalitieakkoord «Aan de slag», D66, VVD en CDA van 30 januari 2026.

X Noot
15

Kamerstukken II 36 263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.

Naar boven