36 194 Wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van een epidemie van infectieziekten behorend tot groep A1, of een directe dreiging daarvan

J VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1 VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT2 EN VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT / ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING3

Vastgesteld 11 mei 2023

De nadere memorie van antwoord4 geeft de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid (J&V), voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De PVV-fractieleden hebben kennisgenomen van de nadere memorie van antwoord en hebben naar aanleiding daarvan nog een aantal vragen.

De leden van de fractie van de PvdD waarderen het dat de regering op zo korte termijn op zoveel vragen heeft geantwoord. Een aantal antwoorden geeft aanleiding voor vervolgvragen. Op enkele vragen werd niet specifiek geantwoord, zodat deze fractieleden zich genoodzaakt zien alsnog een reactie te vragen. De leden van de Fractie-Nanninga sluiten zich graag bij de volgende vragen van de PvdD-fractieleden aan: vraag 1, vraag 3d tot en met 3f, vraag 4 tot en met vraag 5, vraag 7 tot en met vraag 11, en vraag 13 tot en met vraag 17.

Het lid van de FVD-fractie heeft naar aanleiding van de nadere memorie van antwoord nog een aantal nadere vragen en wenst ten dele vragen uit het nader voorlopig verslag te herhalen met betrekking tot Ct5-waarden, rechtsbescherming en bestuurlijke boetes. Aangezien dit lid bezwaar heeft tegen de behandeling van het wetsvoorstel vooruitlopend op afronding van de evaluatie van de covid-19-pandemie, neemt deze de vrijheid buiten het bestek van het wetsvoorstel in te gaan op enkele covid-19-brieven, temeer daar er volgende wijzigingen van de Wet publieke gezondheid in voorbereiding zijn in het kader van het versterken van de pandemische paraatheid.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

1.

De PVV-fractieleden merken op dat op pagina 2 van de nadere memorie van antwoord de regering alsnog geen specifieke reactie op het volgende door de VVD-fractieleden gevraagde aspect geeft:

«De regering gaat echter bij de beantwoording niet in op de mate waarin er op dat moment sprake was van een directe dreiging van de volksgezondheid en of die dreiging van dien aard was dat collectieve maatregelen noodzakelijk waren.»

In plaats daarvan schetst de regering slechts het proces van besluitvorming. Kan zij alsnog specifiek ingaan op de onderbouwing van de elementen «directe dreiging van de volksgezondheid» en «noodzakelijkheid van collectieve maatregelen» in deze situatie?

2.

Op pagina 3 van de nadere memorie van antwoord geeft de regering aan ten aanzien van de «daadwerkelijke effectiviteit» van de maatregelen, dat aansluiting wordt gezocht bij (internationale) jurisprudentie. Kan zij dit concretiseren door specifiek de betreffende passages uit de jurisprudentie te benoemen en nader toe te lichten in de context van dit wetsvoorstel en het aangenomen amendement-Pouw-Verweij6?

3.

Op pagina 4 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Daarnaast zijn er op mondiaal en EU-niveau allerlei ontwikkelingen die tot veranderingen in internationale regels en afspraken kunnen leiden, ook op het gebied van internationale gegevensuitwisseling. Deze ontwikkelingen kunnen mogelijk leiden tot aanpassing van Nederlandse wet- en regelgeving, waaronder de Wpg. Voorbeelden hiervan zijn de herziening International Health Regulations (IHR, 2005), de Verordening European Health Data Space (EHDS) en de Verordening 2022/2371 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen die op 26 december 2022 is vastgesteld.»

Kan de regering nader duiden in hoeverre deze ontwikkelingen ook betrekking (kunnen) hebben op de voorliggende eerste tranche van de wijziging van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg)? Indien dit leidt tot aanpassing van de Wpg, is het dan niet zorgvuldiger om voorliggend wetsvoorstel in te trekken en deze internationale ontwikkelingen intrinsiek mee te laten wegen in de behandeling van dit wetsvoorstel? Kan de regering duiden in hoeverre het risico bestaat dat door nu de Wpg aan te nemen, Nederland voorsorteert op deze internationale ontwikkelingen en hierdoor in de bestuurlijke fuik terechtkomt?

4.

Op pagina 5 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«In voorbereiding op dit wetsvoorstel zijn expertsessies georganiseerd met deskundigen met een epidemiologische of virologische achtergrond en juristen. Uit de expertsessies kwam naar voren dat de grondslag voor het beperken van fysiek onderwijs of de kinderopvang zinvol kan zijn, en dat hiernaar nader onderzoek nodig is.»

Over deze expertsessies en de daar gedeelde informatie en onderzoeksvragen heeft de regering vooralsnog geweigerd nadere informatie aan de Eerste Kamer te verstrekken.7 Wel worden er aan deze sessies conclusies («zinvol») verbonden die gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van de Wpg. Is de regering bereid alsnog de eerder gevraagde informatie volledig te verstrekken? Kan zij daarnaast uitsluiten dat (leden van) de onlangs in opspraak geraakte Denktank Desinformatie8 bij deze expertsessies betrokken waren?

5.

Voorts stelt de regering op pagina 5 van de nadere memorie van antwoord:

«Wil de crisisbeheersing aanvaardbaar en effectief zijn, dan zal daarvoor steeds voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak moeten bestaan. Het parlement speelt daarin een cruciale rol.»

In dezelfde alinea stelt de regering echter ook:

«De regering heeft het wenselijk geacht om ook te voorzien in parlementaire betrokkenheid bij de maatregelen met zeggenschap van de Tweede Kamer in de vorm van een blokkeringsrecht.»

Het parlement betreft de gehele Staten-Generaal, dus óók de Eerste Kamer. Als de parlementaire betrokkenheid volgens de regering cruciaal is, dan zou ook het volledige parlement betrokken moeten worden en dus niet alleen een blokkeringsrecht voor de Tweede Kamer. Kan zij aangeven hoe deze «cruciale rol» van het parlement zich verhoudt tot het uitsluiten van het blokkeringsrecht voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal?

6.

Op pagina 8 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«De bepaling of een maatregelenpakket daadwerkelijk geschikt voor het bestrijden van een epidemie, wordt door de Ministers van VWS en BZK bepaald bij het opstellen van de ministeriële regeling. Zij betrekken daarbij alle relevante wetenschappelijke inzichten, mede bestaande uit de adviezen van het RIVM en een adviescommissie die adviseert over sociaal-maatschappelijke en economische impact (het MIT). De Ministers leggen de ministeriële regeling met bijbehorende toelichting, waarin de geschiktheid van het maatregelenpakket wordt gemotiveerd, middels de voor- of nahangprocedure voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De Kamers kunnen zich daarbij onder andere uitspreken over de door de Ministers gemaakte bepaling omtrent de effectiviteit, waarbij de Tweede Kamer de mogelijkheid heeft om de regeling te blokkeren. De beoordeling van de effectiviteit van een maatregelenpakket is aldus een regulier onderdeel van het besluitvormingssysteem, net als de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit.»

De regering voert de parlementaire betrokkenheid aan als een waarborg voor de daadwerkelijke effectiviteit van maatregelen. Parlementaire betrokkenheid geeft echter géén inhoudelijke houvast voor die effectiviteit. Bovendien kan in de besluitvorming de politieke dimensie – coalitietrouw en fractiediscipline – de doorslag geven boven inhoudelijke afwegingen. Kan de regering nader verduidelijken hoe en op basis van welke criteria de daadwerkelijke geschiktheid van maatregelen vooraf bepaald dient te worden, dus voorafgaand aan de parlementaire toetsing?

7.

Op pagina 9 van de nadere memorie van antwoord is te lezen:

«Ik bevestig dan ook dat het kabinet de belangen van kinderen in de door deze leden genoemde besluitvorming zal meewegen.»

Kan de regering ook aangeven op welke wijze dit zal gebeuren, in welke mate dit criterium meeweegt en hoe dit bepaald zal worden? Kan zij daarbij ook specifiek ingaan op het belang van kinderen bij de afweging tussen collectieve verplichtende maatregelen en niet-collectieve en/of individuele maatregelen en wat daarvoor de toetsingskaders zijn?

8.

Op 5 mei 2023 maakte de World Health Organization bekend dat covid-19 niet langer wordt aangemerkt als een «global health emergency».9 Kan de regering aangeven of zij nu ook bereid is om per ommegaande covid-19 te schrappen als A-infectieziekte? Kan zij tevens aangeven hoe in de gewijzigde Wpg voorkomen kan worden dat infectieziekten onnodig lang een A1- of A2-status zullen kennen?

9.

Op pagina 11 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«De instelling, taakomschrijving en samenstelling van het OMT en het MIT zijn op verschillende wijzen georganiseerd. Het Centrum voor infectieziektebestrijding (hierna: CIb) organiseert en faciliteert het OMT. De samenstelling van het OMT wordt bepaald door het CIb en het OMT zelf. Naast de vaste deskundigen bestaat het OMT uit ad hoc op te roepen deskundigen.»

Kan de regering aangeven in hoeverre in dit verband sprake kan zijn van sturing of betrokkenheid van de regering en/of het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en meer specifiek ook bij de door het Outbreak Management Team (hierna: OMT) vast te stellen indicatoren? Is die betrokkenheid uit te sluiten? Kan zij tevens uitsluiten dat hierbij constructies worden gehanteerd zoals bij de Denktank Desinformatie?

10.

Voorts stelt de regering op pagina 11 van de nadere memorie van antwoord:

«Proportionaliteit betreft het evenwicht tussen de beperking van grondrechten en het doel dat daarmee is gediend. Dit evenwicht is te allen tijde afhankelijk van de concrete omstandigheden en kan niet vooraf en in abstracte zin worden ingevuld.»

Deze uitleg is zeer summier: kan de regering een kader met motiveringsgronden voor de proportionaliteitsvraag verstrekken, met daarin een aantal vragen die ten principale altijd afgewogen moeten worden voor een zorgvuldige beoordeling van de proportionaliteit?

11.

Op pagina 12 van de nadere memorie van antwoord spreekt de regering over het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg Infectieziektenbestrijding (hierna: BAO). Kan zij aangeven hoe de positie van dit BAO zich verhoudt tot het OMT? Welke waarborgen zijn er dat het OMT en het Maatschappelijk Impact Team niet overruled kunnen worden door het BAO? Kan de regering uitsluiten dat het BAO een bestuurlijk verlengstuk is van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die de onafhankelijkheid van adviezen kan doorkruisen?

12.

Voorts stelt de regering op pagina 12 van de nadere memorie van antwoord:

«Het RIVM ressorteert onder de Minister van VWS. Op basis van artikel 5 van de Wet op het RIVM is het RIVM onafhankelijk in haar onderzoeksmethoden. In dit artikel is namelijk geregeld dat de Minister geen aanwijzingen mag geven met betrekking tot de methoden en resultaten van het onderzoek van het RIVM.

Er bestaat geen specifieke wettelijke grondslag voor het OMT. Zoals in het vorige antwoord toegelicht is, wordt het OMT georganiseerd en gefaciliteerd door het CIb. Het CIb is onderdeel van het RIVM. Het RIVM is ingesteld in de Wet op het RIVM. De rol van het OMT is uiteengezet in de toelichting op het instellingsbesluit van het BAO. Op basis van artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit BAO, komt het BAO bijeen naar aanleiding van een advies van het CIb. Volgens de toelichting op dit besluit is dit advies afkomstig van het OMT.»

De regering geeft dus aan dat de onafhankelijkheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) ten opzichte van de Minister geldt ten aanzien van onderzoeksmethoden en resultaten. Maar in hoeverre geldt dat ook ten aanzien van andere rollen en taken van het RIVM, zoals beleidsadvisering en het management van infectieziektebestrijding? Kan de regering dat verduidelijken? Kan zij daarbij tevens aangeven hoe de positie van het RIVM zich vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid zich verhoudt tot de ministeriële verantwoordelijkheid, nu het RIVM ressorteert onder de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

13.

Tevens stelt de regering op pagina 12 van de nadere memorie van antwoord:

«Er is geen wettelijke bepaling waarin geregeld is dat de directeur van het centrum infectieziektebestrijding van het RIVM verantwoordelijk is voor de samenstelling van het OMT. Dit is enerzijds teveel detail voor wetgeving en anderzijds volstrekt logisch gezien de informatiepositie en verantwoordelijkheden van deze directeur.»

Er is in dit verband niet gevraagd naar een wettelijke bepaling, maar naar een wettelijke grondslag. Als deze positie van de directeur niet direct volgt uit de wet, dan moet dit anderszins formeel ingebed zijn. Graag ontvangen de PVV-fractieleden alsnog een duidelijk antwoord hoe deze verantwoordelijkheid van de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM voor de samenstelling van het OMT formeel is ingebed en aan welke formele voorwaarden deze directeur gebonden is bij de samenstelling van het OMT en op welke wijze dit getoetst wordt.

14.

Op pagina 13 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Het hiervoor te betrekken afwegingskader is reeds opgenomen in het wetsvoorstel. Het volgen van de nahangprocedure kan immers alleen indien er sprake is van 1) afschaling of 2) een ernstige ontwrichting van de maatschappij of een directe dreiging daarvan en onverwijld toepassing van een bij of krachtens paragraaf 8 van dit hoofdstuk toegekende bevoegdheid noodzakelijk is.»

Kan de regering een nadere definiëring geven van «directe dreiging» van ernstige ontwrichting, daartoe een afwegingskader en afwegingsproces duiden en dit nader inkleuren met voorbeelden van situaties?

15.

Voorts stelt de regering op pagina 13 van de nadere memorie van antwoord:

«Het kabinet zegt toe om aandacht te blijven besteden aan de dilemma’s en overwegingen die bij het instellen van maatregelenpakketten komen kijken. Het beoogde effect van maatregelen maakt daar een onderdeel van uit. Het kabinet zal zich blijven inspannen om bij het instellen van maatregelen duidelijk te zijn over de beoogde effecten en daar waar mogelijk indicatoren, zoals R-waarde, aantal besmettingen, aantal ziekenhuisopnames, aan te koppelen. Hierbij past de opmerking dat de effectiviteit van een maatregel sterk afhankelijk is van het totale pakket van maatregelen én van de specifieke context waarin deze genomen worden. Dat compliceert de relatie tussen maatregelen en indicator.»

Kan de regering aangeven waarom in dit verband alleen wordt uitgegaan van een «maatregelenpakket» en waarom niet van overwegen en toetsen van individuele maatregelen (die evengoed een samenhangend pakket kunnen vormen)? Ziet zij mogelijkheden om per maatregel (eventueel binnen een pakket) vooraf indicatoren vast te kunnen stellen zonder a priori enkel van een pakket uit te gaan?

16.

Daarnaast wordt gesteld op pagina 13 van de nadere memorie van antwoord:

«Ik deel het belang dat deze leden hechten aan openbare publicatie van de informatie waarop maatregelen gebaseerd zijn en getoetst kunnen worden. Het kabinet publiceert daarom onverwijld de adviezen van OMT en MIT, voordat besluitvorming over maatregelen plaatsvindt. Ook bij nader wetenschappelijk onderzoek, door het RIVM of bijvoorbeeld via ZonMW, is het uitgangspunt altijd openbaarmaking. Verder kunnen ook technische briefings (zoals bij covid-19) hier meer inzicht in geven.»

Kan de regering aangeven waarom zij gelet op deze uitgangspunten nog steeds weigert10 om de informatie over onder andere de door het RIVM gehanteerde modellen en de Ct-factor (PCR11-test) openbaar te maken? Is zij bereid dit alsnog zo snel mogelijk te doen?

17.

Op pagina 14 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Vaccinatiedrang als neveneffect van een andere maatregel die wel via de noodbevoegdheid kan worden ingezet, kan echter niet worden uitgesloten, omdat er geen objectieve maatstaf is voor wanneer sprake is van drang.»

Kan de regering aangeven hoe bij een eventuele maatregel waar vaccinatiedrang als neveneffect kan optreden, wordt omgegaan met verantwoordelijkheid van de veiligheid van de vaccins (ten aanzien van de rol van de overheid en de producent, die op de website van de rijksoverheid ten aanzien van coronavaccinaties nu bij de producent wordt gelegd12) en informatievoorziening naar burgers rond bijwerkingen van vaccinaties?

18.

Voorts wordt gesteld op pagina 14 van de nadere memorie van antwoord:

«Ik deel niet het standpunt van deze leden dat het rapport van de TU Delft heeft aangetoond dat een toegangsbewijs ineffectief is.»

Kan de regering dit nader toelichten, nu uit dat onderzoek is gebleken dat van in ieder geval het 2G-beleid de effectiviteit niet is aangetoond? Kan de regering aangeven op welke gronden zij baseert dat een toegangsbewijs wel effectief zou kunnen zijn? Door welke instelling, welke onderzoekers en met welke onderzoeksopdracht laat zij het door haar bedoelde onderzoek naar een grondslag voor een toegangsbewijs uitvoeren? Kan de regering uitsluiten dat met de voorliggende wijziging van de Wpg een bestuurlijke kapstok tot stand wordt gebracht om alsnog een grondslag voor een toegangsbewijs te kunnen scheppen?

19.

Daarnaast stelt de regering op pagina 14–15 van de nadere memorie van antwoord:

«De experts die samenkomen in het OMT bepalen zelf welke aspecten zij voor hun advies over de indeling van een bepaald pathogeen van belang vinden. De indicatoren die nu concreet in beeld zijn hangen samen met de vraag hoeveel gezondheidsschade een infectieziekte kan veroorzaken, zoals immuniteit in de bevolking, de manier van verspreiding en het ziekteverwekkend vermogen.»

Kan de regering aangeven op welke wijze voorkomen wordt dat hierbij een tunnelvisie kan ontstaan en/of dat er binnen het OMT geen ruimte is voor afwijkende of alternatieve standpunten?

20.

Op pagina 15 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Uit verschillende wetenschappelijke studies blijkt overigens wel dat vaccinatie tegen covid-19 zorgt voor een iets minder grote kans op besmetting door en overdracht van het SARS-CoV-2-virus en ernstige ziekte en sterfte kan voorkomen. Een dergelijk positief effect kan ook optreden bij toekomstige vaccinaties tegen toekomstige A1-infectieziektes. Dit maakt het wenselijk om in dit wetsvoorstel een uitzonderingsgrondslag op inreisverplichtingen op te nemen.»

Kan de regering nader onderbouwen waarom zo’n geringe «iets minder grote kans op besmetting» wordt aangeduid als een «positief effect» dat sterk genoeg zou zijn om een uitzonderingsgrondslag op te nemen, terwijl de kans op besmetting er geenszins mee wordt uitgesloten?

21.

Verder stelt de regering op pagina 15 van de nadere memorie van antwoord:

«Kenmerkend is dat het daarbij gaat om een infectieziekte waartegen onder de bevolking geen of weinig immuniteit aanwezig is, deze infectieziekte mensen infecteert en zware klachten veroorzaakt (bij een deel van de besmettingen) en deze infectieziekte zich gemakkelijk verspreidt onder de bevolking. Bij een infectieziekte van dergelijke aard is het noodzakelijk om collectieve maatregelen op landelijk niveau te kunnen treffen.»

Kan de regering aangeven of bij de toetsing van deze criteria ook niet de afweging moet worden gemaakt in hoeverre een infectieziekte een daadwerkelijk risico is voor de gehele bevolking, of slechts voor bepaalde kwetsbare groepen en/of onder bepaalde omstandigheden?

22.

Voorts stelt de regering op pagina 15 van de nadere memorie van antwoord:

«De voorzitter van de veiligheidsregio is in eerste instantie het bevoegd gezag. Als de bestrijding niet meer vereist dat de uitoefening van bevoegdheden plaatsvindt door de voorzitter, komen de bevoegdheden bij uitsluiting toe aan de burgemeester. Deze bevoegdheden zijn complementair aan de nationale bevoegdheden. Daarmee verhouden de taken en bevoegdheden van de verschillende overheidslagen zich op een logische wijze tot elkaar en sluit het wetsvoorstel aan bij een belangrijk principe: wat lokaal kan, moet lokaal.»

De Wpg ziet bij collectieve maatregelen vooral op een nationale aanpak en de daarbij behorende parlementaire betrokkenheid. Hoe kan, gelet op voornoemde uitgangspunten, de lokale democratie effectief betrokken worden en blijven in die situaties?

23.

Op pagina 17 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Het wetsvoorstel is met name gebaseerd op de algemene inzichten rondom de bestrijding van infectieziekten, gecombineerd met de ervaringen die zijn opgedaan bij de bestrijding van de covid-19-epidemie. De OVV pleit in haar tweede deelrapport voor een monitoring van de effecten van maatregelen. Deze aanbeveling is overgenomen en verwerkt in artikel 58y van dit wetsvoorstel.»

Kan de regering specifiek aangeven op welke ervaringen wordt gedoeld en op welke wijze deze ervaringen zijn doorvertaald in dit wetsvoorstel? Artikel 58y gaat uit van een rapportageplicht: kan de regering aangeven of de monitoring van effecten van maatregelen ook per maatregel zal plaatsvinden of alleen per maatregelenpakket? Kan zij aangeven hoe de monitoring moet plaatsvinden? Worden hierbij nulmetingen en indicatoren vastgesteld? Kan zij tevens ingaan op de vraag in hoeverre er naar neveneffecten van maatregelen moet worden gekeken?

24.

Op pagina 17 van de nadere memorie van antwoord noemt de regering voorliggend wetsvoorstel een «voldoende gevulde gereedschapskist». Kan zij nader toelichten hoe zij tot deze beoordeling komt en op basis van welke criteria? Kan zij nader toelichten op welke gronden de maatregelen daadwerkelijk effectief zouden zijn, of dat er alleen sprake is van een veronderstelling van effectiviteit van maatregelen? Kan zij hiervoor een methodologische onderbouwing geven en nader ingaan op kritiek op de RIVM-data13?

25.

Op pagina 18 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering dat thans over IHR14-amendementen wordt gesproken. Kan zij nader ingaan op wat de inhoud van deze amendementen is en wat de insteek van de regering in dit kader is, en in hoeverre het parlement nog bij deze ontwikkelingen betrokken wordt?

26.

Voorts stelt de regering op pagina 18 van de nadere memorie van antwoord:

«Als uitgangspunt blijven de algemene principes van infectieziektenbestrijding overeind. Deze liggen ook ten grondslag aan dit wetsvoorstel. Over deze uitgangspunten bestaat brede wetenschappelijke consensus.»

Kan de regering aangeven wat deze uitgangspunten concreet zijn en op welke «wetenschappelijke consensus» wordt gedoeld? In hoeverre biedt dit vasthouden aan veronderstelde consensus ruimte aan nieuwe (kritische) inzichten? Kan zij tevens aangeven in hoeverre in dit kader ruimte bestaat om van de algemene principes af te wijken en met welke (wetenschappelijke) waarborgen dit omkleed is?

27.

Ook stelt de regering op pagina 18 van de nadere memorie van antwoord:

«Gedurende de bestrijding van de epidemie van covid-19 zijn de effecten van de maatregelenpakketten en de verspreiding van het virus gemonitord. Hierbij is gebruik gemaakt van modellering door het RIVM en evaluatie van eerdere maatregelen. Deze modellering wordt voortdurend geëvalueerd en gevalideerd aan de hand van het daadwerkelijke verloop van de epidemie en de actuele context. Inzichten hieruit worden meegenomen bij het opstellen van nieuwe maatregelen.»

Zijn al deze monitoringsgegevens, evaluaties en inzichten openbaar beschikbaar? Zo niet, is de regering bereid om deze gegevens alsnog zo snel mogelijk openbaar beschikbaar te stellen?

28.

Verder geeft de regering op pagina 18 van de nadere memorie van antwoord aan:

«Bij het nemen van maatregelen op basis van de grondslagen zoals deze in dit wetsvoorstel worden voorgesteld laat de regering zich adviseren door het OMT, het MIT, het BAO en verschillende uitvoeringspartners, zoals de politie, de NVWA en het rijkskernteam communicatie.»

Kan de regering aangeven wat dit antwoord zegt over de gestelde vraag ten aanzien van de selectie(criteria) van specifieke wetenschappelijke experts? Kan zij nader verduidelijken wat de rol en positie van het rijkskernteam communicatie in deze context is?

29.

Op pagina 19 van de nadere memorie van antwoord geeft de regering aan dat wordt getoetst aan proportionaliteit en subsidiariteit, maar niet hoe. Kan zij nader duiden hoe aan deze toetsing invulling zal worden gegeven en op basis van welke af te wegen aspecten en criteria?

30.

De regering stelt op pagina 20 van de nadere memorie van antwoord:

«Deze modellering wordt doorlopend geëvalueerd en gevalideerd aan de hand van het daadwerkelijke verloop van de epidemie en de actuele context.»

Kan de regering nader aangeven door wie deze doorlopende evaluatie van modellering zal plaatsvinden? Wordt dit door een onafhankelijke derde gedaan? Kan zij aangeven of de evaluaties en de gegevens van de modellering ook tijdens de epidemie actief door de overheid openbaar beschikbaar worden gesteld, zodat externen hier ook kritisch naar kunnen kijken?

31.

Op pagina 20 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering voorts:

«Zo wordt steeds wetenschappelijke toetsing uitgevoerd om te controleren of het vooraf gemodelleerde effect in werkelijkheid ook uitpakt zoals voorspeld.»

Kan de regering aangeven door wie/welke wetenschappelijke instellingen deze toetsing wordt uitgevoerd en hoe deze wetenschappelijke toetsers geselecteerd worden?

32.

Daarnaast stelt de regering op pagina 20 van de nadere memorie van antwoord:

«Tot slot voorziet artikel 58y in een bepaling in verband met de monitoring van maatregelen. Hiermee is deze bepaling in lijn gebracht met een belangrijke aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV), waarin onder andere wordt gepleit voor een monitoring van de effecten van maatregelen. Het kabinet heeft begin januari een reactie op dit rapport naar de beide Kamers der Staten-Generaal gestuurd.»

Kan de regering aangeven waarom niet eerst het volledige evaluatieproces wordt voltooid en gewacht wordt tot dit rapport ook in beide Kamers behandeld is, voordat de behandeling van dit wetsvoorstel afgerond wordt? Is zij bereid de behandeling aan te houden?

33.

Op pagina 21 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«De toets aan artikel 58b van het wetsvoorstel zal worden gedaan door het kabinet bij de besluitvorming over in te zetten collectieve maatregelen. Indien van toepassing worden hierbij ook de privacyaspecten van burgers meegenomen.»

Vervolgens gaat de regering slechts in op individuele maatregelen zoals (thuis)quarantaine. Kan zij alsnog duidelijk ingaan op welke wijze de privacyaspecten geborgd worden bij collectieve maatregelen en welke procedures hierbij gevolgd zullen worden, en in samenspraak met welke instanties?

34.

Kan de regering aangeven wat de criteria zullen zijn voor de op te stellen factsheets en het dashboard als bedoeld op pagina 22 van de nadere memorie van antwoord en of deze gegevens ook actief openbaar beschikbaar zullen worden gesteld?

35.

Op pagina 24 van de nadere memorie van antwoord stelt de regering:

«Tijdens de covid-19-epidemie hebben we echter ook geleerd, dat ook met een hogere IC- of ziekenhuiscapaciteit, de zorg in geval van exponentiële groei in besmettingen alsnog op zeer korte termijn vastloopt. Daarom gaat inzet op de IC- en ziekenhuiscapaciteit altijd gepaard met onder meer het treffen van (contact beperkende) maatregelen en inzet op vaccinaties, zodat ziekenhuis- en IC-opname als gevolg van een coronabesmetting zoveel als mogelijk kan worden voorkomen.»

Kan de regering concreet de momenten en situaties benoemen waarbij specifiek door exponentiële groei de zorg is vastgelopen en nader onderbouwen waarom uitbreiding van IC- en ziekenhuiscapaciteit in dat kader niet effectief zou zijn? Kan zij tevens aangeven hoe zij in dit kader uitwerking geeft aan de aangenomen motie-Van Hattem (PVV) c.s.15 over het structureel investeren in de basis van de zorg?

36.

Kan de regering aangeven waarop zij baseert dat de in artikel 58c bedoelde termijn van een week voldoende is voor het parlement om een effectieve beoordeling te laten plaatsvinden over maatregelen? Kan de regering ook aangeven hoe voorkomen wordt dat het parlement onder (politieke) druk komt te staan om in te stemmen en de zorgvuldigheid tekortschiet? Kan zij daarnaast puntsgewijs aangeven in hoeverre de in dit kader bedoelde ministeriële regelingen voldoen aan de Aanwijzingen voor de regelgeving?

37.

Onder vigeur van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 was het bepaalde van het in de Tweede Kamer aangenomen amendement-Van der Staaij16 van toepassing, betreffende een verbod om in openbare of publieke plaatsen onverplicht toegangsbeleid te voeren. Kan de regering aangeven of met de uitgangspunten van dit amendement en de uitleg van de indiener van dit amendement ook onder de gewijzigde Wpg het principe geldt dat bijeenkomsten van bestuurders en volksvertegenwoordigers toegankelijk moeten blijven ondanks een in een maatregel afgekondigd verbod? Kan zij aangeven of voorkomen moet worden dat bij verkiezingsdebatten verkiesbare volksvertegenwoordigers vanwege Wpg-maatregelen geweigerd kunnen worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

Vraag 1

De PvdD-fractieleden kunnen de regering volgen waar zij in haar antwoord op vraag 1 van deze leden erop wijst dat ook in de huidige Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg) bevoegdheden zijn opgenomen die betrekking hebben op maatregelen die genomen kunnen worden met betrekking tot gebouwen, goederen, vervoermiddelen, havens en luchthavens. Ook onderschrijven zij dat – zoals de regering het uitdrukt – het een feit is «dat in de moderne, geglobaliseerde wereld bepaalde infectieziektes zich veel sneller onder de bevolking kunnen verspreiden dan in de Wpg tot nog toe is voorzien.»17

Maar de kwestie die voornoemde leden onder de aandacht van de regering wensten te brengen, betrof een andere. In dat licht stellen zij de volgende vragen.

Vraag 1a

Wanneer het voorstel wet wordt en vervolgens bevoegdheden geactiveerd en gebruikt worden, geldt het volgende. Als een veilige afstand van 1,5 meter is vastgesteld, mogen twee schoolvriendinnen niet hand in hand op straat lopen. Als een mondkapje is voorgeschreven, moet de burger het opzetten, omdat hij anders in overtreding is. Voetballen met een grote groep in het park kan verboden zijn. Een vriendin van een oude dame in een verzorgingshuis mag die dame niet bezoeken als de Minister bezoek verboden heeft.

Met betrekking tot de burger tot wie het gebod of verbod zich richt, is niet vastgesteld dat deze besmet is en ook niet dat aannemelijk is dat deze recentelijk in dusdanig contact is geweest met een lijder aan een infectieziekte dat hij mogelijk met dezelfde infectieziekte is geïnfecteerd. Is de regering dat met de fractieleden van de PvdD eens?

Vraag 1b

Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat ingevolge de huidige Wpg overheidsbesluiten die zich rechtstreeks tot de burger richten en zijn handelings- en bewegingsvrijheid beperken, pas mogen worden genomen als is vastgesteld dat die burger lijdt aan de infectieziekte of dat aannemelijk is dat deze recentelijk in dusdanig contact is geweest met een lijder aan een infectieziekte dat hij mogelijk met dezelfde infectieziekte is geïnfecteerd? Zo nee, op welke gronden komt de regering tot haar conclusie?

Vraag 1c

Zo ja, is de regering het dan met de leden van de PvdD-fractie eens dat de enkele door de staat gevoelde noodzaak om (zoals de regering schrijft) «de maatschappij te beschermen tegen een gevaarlijke, maatschappij ontwrichtende epidemie»18 ertoe kan leiden dat vrijheden van burgers ernstig worden beperkt terwijl op geen enkele wijze is komen vaststaan dat die specifieke burgers een gevaar voor de samenleving vormen? Zo nee, op welke wijze is dan vastgesteld dat zij een gevaar vormen?

Vraag 1d

Zo ja, kan de regering dan onderschrijven dat aan de voorgestelde Wpg een andere grondhouding tegenover de relatie staat-burger ten grondslag ligt dan de «klassieke» grondhouding die inhoudt dat een burger in zijn grondrechtelijke vrijheden pas mag worden beperkt als vaststaat dat de uitoefening van zijn vrijheid een gevaar oplevert voor het algemeen belang? Graag ontvangen de PvdD-fractieleden een reflectie daarop.

Vraag 1e

Deelt de regering het oordeel van de leden van de PvdD-fractie dat als de uitoefening van de bevoegdheden waarin dit wetsvoorstel voorziet, meebrengt dat grondrechten worden beperkt van burgers van wie niet is vastgesteld dat zij besmettelijk zijn, terwijl de vrijheidsbeperkende maatregelen erin voorzien dat burgers die kunnen aantonen dat zij niet besmettelijk zijn, gevrijwaard worden van de beperking van hun grondrecht, de burger moet aantonen dat hij niet gevaarlijk is in plaats van dat de staat moet aantonen dat hij gevaarlijk is? Hoe verhoudt zich dit tot de fundamentele uitgangspunten die aan de erkenning van de klassieke vrijheidsrechten ten grondslag liggen?

Vraag 2

De leden van de PvdD-fractie hadden in het kader van de toepassing van het voorzorgsbeginsel vragen gesteld over het uit voorzorg verbieden of beperken van intensieve pluimveehouderij als blijkt dat er een variant van de vogelgriep ontstaat die van mens op mens overdraagbaar is. In eerdere antwoorden heeft de regering toegegeven dat het ontwikkelen van een vaccin dat mensen tegen zo’n variant beschermt, minstens zes maanden zal kosten.

Vraag 2a

Deelt de regering het oordeel van de leden van de PvdD-fractie dat als zo’n variant ontstaat, het voorzorgsbeginsel vereist dat zo spoedig mogelijk de intensieve pluimveehouderij dient te worden verboden?

Vraag 2b

Waarom is de vraag of zo’n besluit moet worden genomen mede afhankelijk van adviezen van veterinaire experts, zoals de regering schrijft?

Vraag 2c

Is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (mede)bevoegd om over het moment waarop zo’n besluit moet worden genomen, te beslissen? Zo ja, waarom?

Vraag 3

De aanwijzing van een ziekte als A1-ziekte geschiedt bij ministeriële regeling. In het antwoord op vraag 16 van de leden van de PvdD-fractie schrijft de regering terecht:

«Gelet op de Grondwet en de Europese en internationale mensenrechtenverdragen is het noodzakelijk om voor eventuele toekomstige maatregelen die raken aan grondrechten een formele wettelijke basis te creëren. In deze wettelijke grondslag moeten ook uitdrukkelijk inhoudelijke criteria worden opgenomen om voorzienbaar te maken welke maatregelen met lagere regelgeving kunnen worden getroffen.»19

In artikel 20 wordt aan de Minister de bevoegdheid toegekend om een ziekte als A1-ziekte aan te wijzen «indien het belang van de volksgezondheid dit vordert». Aangezien alle in de Wpg vervatte bevoegdheden alleen mogen worden aangewend in het belang van de volksgezondheid, is deze wettelijke grond niet specifiek van aard. Die grond geldt ook voor aanwijzing van ziekten als A2-, B1- en B2-ziekte.

Om een ziekte als een A1-ziekte aan te wijzen, gelden andere inhoudelijke criteria dan die voor aanwijzing als een A2-, B1- en B2-ziekte. Uit de memorie van toelichting blijkt dat aanwijzing als een A1-ziekte vereist dat is vastgesteld dat de betreffende ziekte «pandemisch potentieel» heeft en «dreigende ontwrichting van het maatschappelijk leven» in het leven kan roepen.20

Volgens de leden van de PvdD-fractie en ook volgens het eigen oordeel van de regering – zoals hierboven geciteerd – vereisen de Europese en internationale mensenrechtenverdragen dat in artikel 20 van de Wpg voor de aanwijzing van een ziekte als A1-ziekte «uitdrukkelijke inhoudelijke criteria» dienen te zijn opgenomen.

In haar antwoord op vraag 5 geeft de regering toe dat de criteria «pandemisch potentieel» en «dreigende ontwrichting van het maatschappelijk leven» echter niet in de wettekst zijn opgenomen, maar slechts in de memorie van toelichting.

Vraag 3a

Hoe verdraagt zich het ontbreken van wettelijke criteria voor aanwijzing als A1-ziekte met de eisen die voortvloeien uit het in het kader van de mensenrechtenbescherming gehanteerde lex certa-beginsel en met de rechtspraak die betrekking heeft op de eisen die bij grondrechtbeperking door de wetgever in acht moeten worden genomen?

Vraag 3b

Als in de incorporatiewet mogelijk wel de inhoudelijke bevoegdheidscriteria worden opgenomen, in hoeverre kan dat dan het juridische gebrek wegnemen dat kleeft aan het besluit op het moment dat de Minister tot aanwijzing overgaat op grondslag van een wettelijk voorschrift dat niet voldoet aan het lex certa-beginsel en de andere in de rechtspraak geformuleerde eisen, en dus geen rechtsgrondslag kan bieden? Kan de regering de rechtspraak aangeven waarop zij haar antwoord op deze vraag baseert?

Vraag 3c

Aangenomen dat de Nederlandse rechter het oordeel van de leden van de PvdD-fractie deelt dat artikel 20 geen rechtens aanvaardbare grondslag biedt voor een besluit van de Minister tot aanwijzing als A1-ziekte, omdat de criteria «pandemisch potentieel» en «dreigende ontwrichting van het maatschappelijk leven» niet in de wettekst zijn opgenomen, bestaat dan het risico dat de rechter de aanwijzing door de Minister zolang de wijziging van de Wpg door de incorporatiewet niet in werking is getreden, onverbindend oordeelt of – zo tegen de aanwijzing beroep openstaat – het besluit schorst of in beroep vernietigt?

Vraag 3d

Uit welk wettelijk voorschrift blijkt dat het aanwijzen als A1-ziekte gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke inzichten?

Vraag 3e

Is de vraag of een ziekte zal leiden tot een dreigende ontwrichting van het maatschappelijk leven, een vraag die uitsluitend op basis van wetenschappelijke inzichten kan worden beantwoord, dus zonder dat een politieke weging vereist is? Zo ja, op grond van welke argumenten komt de regering tot dat antwoord?

Vraag 3f

Zo nee, zien de leden van de PvdD-fractie het dan goed dat bij het beantwoorden van de vraag of een ziekte als A1-ziekte mag worden aangemerkt, het oordeel van de World Health Organization (hierna: WHO) (bijvoorbeeld de toekenning van de status van public health emergency of international concern) nimmer van doorslaggevend belang mag zijn?

Vraag 4

Leiden de leden van de PvdD-fractie uit het antwoord van de regering op vraag 10b terecht af dat leerlingen/studenten de toegang tot hun onderwijsinstelling kan worden verboden als niet verzekerd kan worden dat de leerlingen/studenten in de gangen, lokalen en andere ruimten de veilige afstandsnorm in acht zullen kunnen nemen?

Vraag 5

In haar antwoord op vraag 11c van de leden van de PvdD-fractie, schrijft de regering: «Onderhavig wetsvoorstel biedt geen basis voor een toegangsbewijs. Dat geen toegangsbewijs mag worden gevraagd, volgt dus reeds uit het wetsvoorstel.»21

Vraag 5a

Uit welk wettelijk voorschrift van het voorstel volgt dat geen toegangsbewijs mag worden gevraagd?

Vraag 5b

De regering erkent in haar antwoord op vraag 11b dat als een ondernemer uitsluitend mensen tot de door hem geëxploiteerde ruimte wil toelaten als deze een vaccinatiebewijs kunnen tonen, dat leidt tot «een aanzienlijke inperking van de grondrechten op privacy en lichamelijke integriteit.»22

Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat als het de ondernemer verboden zou worden om een vaccinatiebewijs te eisen, dat verbod geen inbreuk maakt op een grondrecht van die ondernemer?

Vraag 5c

Wat staat eraan in de weg om in de Wpg het voorschrift op te nemen, luidende: «Het is verboden iemand de toegang tot een publieke of besloten ruimte te weigeren op de grond dat de betrokkene geen vaccinatiebewijs kan tonen.»?

Vraag 5d

De regering stelt dat de vraag of de «redelijkheid en billijkheid» kan meebrengen dat de ondernemer het tonen van een vaccinatiebewijs niet mag verlangen, een afweging van feiten en omstandigheden van het geval vereist. Geldt dat niet evenzeer bij de beantwoording van de vraag welke eisen dienen te worden gesteld aan exploitanten van evenementen, van publieke ruimten en van besloten ruimten als de Minister gebruikmaakt van de in de artikelen 58h tot en met 58k van het wetsvoorstel vervatte bevoegdheden?

Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zouden op basis van die artikelen wel algemene eisen mogen worden gesteld die de exploitant beperken in de wijze van exploitatie, terwijl de eis van belangenafweging in concreto in de weg zou staan aan een algemeen voorschrift dat het verlangen van een vaccinatiebewijs verbiedt?

Vraag 6

De regering schrijft dat de Minister kan beslissen om de veilige afstandsnorm voor vliegtuigen niet te hanteren.

Vraag 6a

Op grond van welke in de Wpg beschermde belangen kan in de regeling die een veilige afstand voorschrijft, worden bepaald dat die norm niet geldt voor vervoer in vliegtuigen?

Vraag 6b

Is het besmettingsgevaar dat reden vormt voor het vereisen van een veilig afstand voor personen die in een theater of een horecagelegenheid naast elkaar zitten, groter dan voor personen die in een vliegtuig naast elkaar zitten? Zo ja, op welke studies of onderzoeksresultaten baseert de regering dat oordeel?

Vraag 6c

Zo nee, leidt dat dan niet tot de conclusie dat als personen in een theater of een horecagelegenheid op grond van de bescherming van de volksgezondheid een veilige afstand in acht moeten nemen, dat ook behoort te gelden voor personen die in een vliegtuig naast elkaar zitten?

Vraag 7

In vraag 15 hebben de leden van de PvdD-fractie de situatie geschetst van drie naast elkaar gelegen ruimten: een horecagelegenheid, een (kantoor)ruimte met werkplekken voor zzp’ers die deze werkplekken voor een dag(deel) kunnen huren, en een bioscoop. In alle drie de ruimten worden de veilige afstand en de voorschriften betreffende hygiëne en persoonlijke beschermingsmiddelen in acht genomen. Blijkens haar antwoord erkent de regering dat de kans op verspreiding van de ziekte in alle drie de ruimten gelijk zal zijn.

Vraag 7a

Kunnen er uit hoofde van het belang van het tegengaan van verspreiding van de ziekte redenen zijn om de toegang tot of het gebruik van de ruimten te beperken?

Vraag 7b

Zo ja, gelden die redenen voor elk van de ruimten gelijkelijk? Zo nee, waarom niet? Uit welke wettelijke voorschriften blijkt dat?

Vraag 7c

Zo ja, waarom is in het wetsvoorstel voorzien in de bevoegdheid om de toegang tot of het gebruik van de horecagelegenheid en de bioscoop te beperken, terwijl die bevoegdheid niet nodig wordt geacht voor de (kantoor)ruimte met werkplekken voor zzp’ers die deze voor een dag(deel) kunnen huren?

Vraag 8

De vragen 17 tot en met 20 van de leden van de PvdD-fractie hadden betrekking op de rechtspositie en rechtsbescherming van een bewoner van een zorglocatie. De antwoorden van de regering roepen de volgende vragen op.

Vraag 8a

Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat toepassing van artikel 58n niet ertoe kan leiden dat het een bewoner verboden kan worden om de zorglocatie te verlaten om daarna daarin weer terug te keren? Zo nee, uit welk wettelijk voorschrift volgt dan dat zo’n verbod in het leven mag worden geroepen?

Vraag 8b

Zo ja, moet dan worden geoordeeld dat de zorgaanbieder rechtens niet de vrijheid heeft om een bewoner te verbieden de zorglocatie te verlaten om daarna daarin weer terug te keren, nu uit de Wpg volgt dat het belang van de volksgezondheid – in casu het tegengaan van de verspreiding van een ziekte – kennelijk onvoldoende grondslag kan bieden voor zo’n verbod?

Vraag 8c

In de antwoorden verwijst de regering naar de artikelen 58r en 58t. Dat zijn voorschriften die in paragraaf 8.3 zijn vervat en die betrekking hebben op inreizigers. Deelt de regering het oordeel van de leden van de PvdD-fractie dat die voorschriften niet gelden voor bewoners van zorglocaties?

Vraag 8d

Zo ja, dan blijft de vraag onbeantwoord of het aanvaardbaar is dat de Wpg wel in strenge procedurele waarborgen en bijzondere beroepsmogelijkheden voorziet als de individuele maatregel van quarantaine of isolatie wordt opgelegd, terwijl die waarborgen en beroepsmogelijkheden ontbreken indien een bewoner van een zorglocatie feitelijk wordt «geïsoleerd» doordat de betrokkene geen gewoon bezoek meer mag ontvangen of – indien wettelijke toelaatbaar – de zorglocatie niet meer mag verlaten om er daarna terug te keren. Voornoemde leden vragen de regering om daarop te reflecteren en daarin te betrekken welke rechtsbescherming voor de bewoner openstaat als deze geen familieleden heeft en bezoek door vrienden is verboden, zodat de bewoner feitelijk «geïsoleerd» raakt. En welke bescherming heeft de betrokkene als het verboden wordt de zorglocatie te verlaten om daarna daarin terug te keren?

Vraag 9

Vraag 23 van de leden van de PvdD-fractie had betrekking op de eis van «daadwerkelijke geschiktheid». Het antwoord geeft aanleiding tot de volgende vragen.

Vraag 9a

In vraag 23a was gevraagd om rechtspraak aan te halen waaruit expliciet zou blijken dat – zoals de regering stelt – de eis van «geschiktheid» hetzelfde inhoudt als de eis van «daadwerkelijke geschiktheid». In het antwoord van de regering is daar niet op ingegaan. Gaarne ontvangen de leden van de PvdD-fractie alsnog een reactie op de vraag.

Vraag 9b

«De bepaling of een maatregelenpakket daadwerkelijk geschikt is voor het bestrijden van een epidemie, wordt door de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaald bij het opstellen van de ministeriële regeling», zo schrijft de regering in haar antwoord.

Welke criteria worden gehanteerd bij het bepalen of een maatregel «geschikt» is? Een welke criteria bij het bepalen of de maatregel ook «daadwerkelijk» geschikt is?

Vraag 9c

Kan een maatregel «daadwerkelijk geschikt» worden geoordeeld als de effectiviteit van de maatregel niet kan worden vastgesteld? Zo ja, kan de regering daar een voorbeeld van geven?

Vraag 10

De regering deelt de opvatting van de PvdD-fractieleden dat bij de totstandbrenging van een maatregel die in paragraaf 8.2 wordt geregeld, het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in acht moet worden genomen.

Voornoemde leden verzoeken de regering per maatregel afzonderlijk aan te geven wat de «nodige kennis» is, die ingevolge artikel 3:2 van de Awb zal moeten worden vergaard, voorafgaande aan het nemen van elk van de volgende maatregelen:

  • (a) de maatregel van veilige afstand;

  • (b) hygiënemaatregelen;

  • (c) toepassing en gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;

  • (d) beperking van openstelling van publieke plaatsen;

  • (e) beperking van evenementen;

  • (f) de handhaving van de zorgplicht voor publieke en besloten plaatsen;

  • (g) het toepassen van bevelen voor besloten en openbare plaatsen;

  • (h) het treffen van maatregelen in zorglocaties;

  • (i) het treffen van maatregelen voor bedrijfsmatig personenvervoer.

Vraag 11

Vraag 26 had betrekking op wetenschappelijke toetsing die volgens de regering zou zijn uitgevoerd.

Vraag 11a

Vraag 26a heeft de regering niet beantwoord. Graag vernemen de PvdD-fractieleden op welke kenbare studies en onderzoeksresultaten de regering zich beroept.

Vraag 11b

De leden van de PvdD-fractie hadden gevraagd (vraag 26d) hoe het effect van de maatregelenpakketten in de door de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OVV) gepubliceerde interactieve tijdlijn terug te zien is in de waarde van het reproductiegetal. Op die vraag is niet geantwoord. Graag ontvangen zij alsnog een antwoord.

Vraag 11c

In haar antwoord op vraag 26d schrijft de regering met betrekking tot «de reconstructie van het OVV»: «Hierop zijn geen specifieke vervolg analyses gemaakt.»23

Op welke analyse is dan de conclusie gebaseerd dat «de effectiviteit van de ingevoerde maatregelenpakketten voor het terugdringen van het aantal besmettingen evident is»24?

Vraag 11d

Deelt de regering het oordeel van de leden van de PvdD-fractie dat als voor het terugdringen van het aantal besmettingen niet de effectiviteit van het maatregelenpakket als geheel is aangetoond, de noodzaak en daadwerkelijke geschiktheid van de diverse in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen (nog) onvoldoende is komen vaststaan om bevoegdheden die leiden tot beperking van grondrechten, aan de Minister toe te kennen?

Vraag 11e

Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat uit het antwoord op vraag 26e volgt dat de OVV inderdaad niet zelf de conclusie heeft getrokken?

Vraag 11f

De regering schrijft in haar antwoord op vraag 26e: «Deze conclusie volgt uit»25. Een conclusie wordt door iemand getrokken. Door wie is de conclusie getrokken en op welke gronden?

Vraag 12

De regering schrijft dat voordat de Eerste Kamer een incorporatiewet heeft goedgekeurd, er collectieve maatregelen kunnen worden getroffen die grondrechten van burgers beperken en weerspreekt niet dat het wetsvoorstel de mogelijkheid openlaat dat er een periode van maanden voorbij kan gaan voordat de Eerste Kamer – indien deze zich tegen de beperking van de grondrechten wenst te verzetten – door afwijzing van de incorporatiewet aan die beperking een einde kan maken.

Vraag 12a

Als het uitgangspunt is dat het toekennen van diepingrijpende bevoegdheden dient te geschieden bij formele wet, die slechts na instemming door beide Kamers tot stand zal kunnen komen, hoe verhoudt zich daarmee dat zulke bevoegdheden maandenlang zouden kunnen worden uitgeoefend zonder instemming door de Eerste Kamer? De regering schrijft dat er in die maanden «effectieve parlementaire controle» kan worden uitgeoefend, maar dat laat toch onverlet dat er een juridische basis is voor diepingrijpende grondrechtbeperkingen zonder dat de Eerste Kamer daarmee heeft ingestemd?

Vraag 12b

Wat is ertegen om in het wetsvoorstel een bepaling op te nemen die erin voorziet dat het besluit tot aanwijzing van een ziekte als A1-ziekte en het besluit tot inwerkingtreding van bepalingen van paragraaf 8 vervallen indien het wetsvoorstel tot incorporatie en bekrachtiging niet binnen een periode van acht weken na indiening daarvan door de Eerste Kamer is aanvaard?

Vraag 13

Artikel 20b van het wetsvoorstel voorziet erin dat de Minister als het belang van de volksgezondheid niet langer vordert dat een ziekte de status van A1-ziekte heeft, een besluit neemt inhoudende dat de ziekte niet langer als A1-ziekte wordt aangemerkt. Artikel 20a, tweede lid verplicht tot buiten werking stellen van in werking gestelde bepalingen van paragraaf 8 als de volksgezondheid niet langer die werking vereist.

Vraag 13a

Kan de Tweede Kamer bepalen dat een incorporatiewet en een bekrachtigingswet slechts voor een bepaalde periode gelden?

Vraag 13b

Onder welke omstandigheden zal de regering kunnen besluiten om in het voorstel voor een incorporatiewet en een bekrachtigingswet op te nemen dat deze voor een beperkte duur zullen gelden?

Vraag 13c

Als de Minister niet bereid is tot afschaling, dan kan de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel tot intrekking van de incorporatiewet en de bekrachtigingswet indienen of in een motie verlangen dat de Minister tot afschaling overgaat. Zolang de initiatiefwet niet in werking is getreden en zolang de Minister weigert om de motie uit te voeren, blijven de grondrechtbeperkende maatregelen echter gelden, ook al is de meerderheid van het parlement en de meerderheid van de bevolking daar tegen. Is de regering het met de leden van de PvdD-fractie eens dat dit een onaanvaardbare situatie zou opleveren?

Vraag 13d

De Eerste Kamer heeft geen recht van initiatief. Indien de Eerste Kamer de inperking van grondrechten op grond van de Wpg niet meer aanvaardbaar vindt, beschikt deze niet over een bevoegdheid om de wettelijke bevoegdheden ongedaan te maken. Op grond van welke argumenten wordt zeggenschap op dit punt aan de Eerste Kamer ontzegd, terwijl juist van de Eerste Kamer wordt verwacht dat zij de rechtsstatelijkheid van wetgeving controleert?

Vraag 14

Het antwoord op vraag 30 die de leden van de PvdD-fractie hadden gesteld, is verwarrend. De regering schrijft namelijk in het antwoord op vraag 30a: «Als het gaat om ingrijpende maatregelen geldt er namelijk een wettelijke vervaltermijn.»26 Maar uit het antwoord op vraag 30b blijkt dat voornoemde leden het goed zien dat het derde lid (de vervaltermijn van acht weken) alleen geldt als er een vervaltermijn is vastgesteld. In het licht hiervan hebben de leden van de PvdD-fractie de volgende vraag. Kent het wetsvoorstel een voorschrift dat de Minister verplicht om een vervaltermijn aan een ministeriële regeling te verbinden? Zo ja, welk? Zo nee, dan klopt het antwoord luidende «Als het gaat om ingrijpende maatregelen geldt er namelijk een wettelijke vervaltermijn» toch niet?

Vraag 15

Het antwoord op de vragen van de leden van de PvdD-fractie die betrekking hebben op de adviesorganen en de verplichting tot het vragen van advies geeft hen aanleiding tot de volgende vragen.

Vraag 15a

De leden van de PvdD-fractie zijn het met de regering eens dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb kunnen vereisen dat een bestuursorgaan gehouden is om advies in te winnen. Maar dat geldt voor alle bevoegdheidsuitoefeningen, dus ook in gevallen waarin de wetgever (zoals in vraag 31b is toegelicht) ervoor gekozen heeft om in de wet adviesorganen aan te wijzen en voor te schrijven op welke wijze deze dienen te worden ingeschakeld. De verwijzing van de regering naar het zorgvuldigheidsbeginsel kan dus niet een grond opleveren voor de beslissing om – anders dan in de genoemde voorbeelden – in de Wpg geen regeling over adviesorganen op te nemen. Wat is daar tegen, zeker nu in de praktijk is gebleken dat het Outbreak Management Team (hierna: OMT) zo’n belangrijke functie heeft vervuld? Kan de regering in haar antwoord ook aangeven of bij de volgende wijziging van de Wpg alsnog zo’n regeling zal worden voorgesteld?

Vraag 15b

De regering schrijft: «De verplichte advisering van het MIT27 is geborgd in artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit van MIT.»28 Dat besluit regelt de adviestaak binnen de ambtelijke organisatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; het MIT adviseert aan de ambtelijke top van dit ministerie.

Uit welk voorschrift volgt dat en met betrekking tot welke besluiten de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die bevoegd zijn tot het treffen van in de Wpg geregelde maatregelen, wettelijk verplicht zijn advies in te winnen bij het MIT?

Vraag 15c

Uit welk voorschrift volgt dat en met betrekking tot welke besluiten de ministers die bevoegd zijn tot het treffen van in de Wpg geregelde maatregelen, wettelijk verplicht zijn advies in te winnen bij het OMT?

Vraag 16

In een notitie van 1 mei 2023 van de «Vierde Golf», namens welke organisatie mevrouw Smits aan de deskundigenbijeenkomst van de Eerste Kamer op 14 maart 2023 heeft deelgenomen, wordt het volgende gesteld:

«Tegenspraak organiseer je door gericht naar perspectieven te zoeken die vanuit andere veronderstellingen vertrekken. Het betekent zowel dat serieus naar tegenstanders van een bepaald beleid wordt geluisterd als het betrekken van bezwaren van tegenstanders in de overwegingen. Door het organiseren van zulke systematische tegenspraak verbetert in de regel de kwaliteit van de meningsvorming en de daaropvolgende bestuurlijke beleids- en besluitvorming».29

In dat kader hebben de PvdD-fractieleden de volgende vragen.

Vraag 16a

Onderschrijft de regering het belang van zulke tegenspraak juist in situaties waarin een onbekende pandemische dreiging zich voordoet?

Vraag 16b

Deelt de regering het oordeel van mevrouw Smits, zoals toegelicht tijdens de deskundigenbijeenkomst30, en de beschouwing31 van professor Van der Steen dat een ongekende pandemische dreiging (zoals die bij corona) een zogeheten «wicked problem» oplevert?

Is de regering het met de leden van de PvdD-fractie (en overigens ook met de fractieleden die al eerder vroegen om inbreng op het gebied van zingeving) eens dat juist in zulke situaties inbreng niet beperkt moet worden tot experts op het gebied van volksgezondheid en sociaal-maatschappelijke problematiek, maar moet worden uitgebreid met deskundigen op het gebied van filosofie en zingeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan die inbreng worden gerealiseerd?

Vraag 16c

Als het bij «wicked problems» aankomt op een verschuiving van anticipatie naar improvisatie en van draaiboeken naar scenario’s, deelt de regering dan het oordeel van de leden van de PvdD-fractie dat juist kunstenaars die werken met verbeelding en met het bedenken van scenario’s, een belangrijke bijdrage zullen kunnen leveren aan het meedenken over oplossingen waartoe de ambtelijke organisatie minder goed geëquipeerd zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan die inbreng worden gerealiseerd?

Vraag 17

De laatste vraag van de leden van de PvdD-fractie had betrekking op eventuele binding aan wijziging van de International Health Regulations van de WHO (hierna: IHR). In haar antwoord stelt de regering voor het geval dat voor die wijziging goedkeuring van de Staten-Generaal vereist zal zijn, het volgende:

«Bij deze goedkeuring kan het parlement de regering ertoe bewegen om een wijziging te verwerpen of om een voorbehoud te maken. Wanneer het parlement besluit dit niet te doen, dan zal Nederland zich verbinden aan de wijziging en zal – indien van toepassing – ook vertaling moeten plaatsvinden naar de Wpg of andere relevante wetgeving.»32

Het antwoord geeft aanleiding tot de volgende vragen.

Vraag 17a

Als vervolgens die aanpassing van de Wpg uitblijft, welke gevolgen voor Nederland kan de World Health Assembly/WHO dan daaraan verbinden?

Vraag 17b

Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat de IHR geen voor burgers rechtsreeks verbindende voorschriften inhoudt?

Vraag 17c

Als een voorschrift van de Wpg niet in overeenstemming is met voorschriften van de IHR, kan de rechter dat voorschrift dan buiten toepassing laten?

Vragen en opmerkingen van het lid van de FVD-fractie

A. Vragen naar aanleiding van de nadere memorie van antwoord van 14 april 2023

Met betrekking tot de onderbouwing van de effectiviteit heeft het lid van de FVD-fractie enkele vragen. In antwoord op vraag 25e van de PvdD-fractie: «Moeten voornoemde leden uit de memorie van antwoord afleiden dat van geen van de maatregelen afzonderlijk op enig moment is vastgesteld dat die maatregel op zich «daadwerkelijk effectief» is gebleken? Zo nee, op grond van welke argumenten wordt die conclusie getrokken?» antwoordt de regering: «Het is niet mogelijk om de genomen maatregelen afzonderlijk empirisch te testen op effectiviteit omdat de maatregelen als samenhangend geheel zijn ingezet. Welke maatregel in precies welke mate heeft bijgedragen is niet vast te stellen. In algemene zin gelden voor de effectiviteit van maatregelen de basisprincipes van infectieziekten bestrijding. Het meest effectief zijn bronmaatregelen. Deze maatregelen, zoals thuisblijven en direct testen bij klachten en in isolatie gaan na een positieve test, zorgen ervoor dat een besmetting zich niet verder kan verspreiden. In effectiviteit volgen daarop collectieve maatregelen zoals het beperken van het aantal contacten en het hanteren van een veilige afstand. Het gaat hier om maatregelen die van belang zijn om het risico op verspreiding vanuit personen die zelf (nog) niet weten dat ze besmettelijk zijn te voorkomen. Ze beperken ook het risico op overdracht als de bronmaatregelen onvoldoende opgevolgd worden. Tot slot volgen individuele maatregelen zoals het dragen van een medisch mondneusmasker in drukke binnenruimtes.» En: «Deze rangorde in maatregelen en de logica bij infectieziekten bestrijding vormen het uitgangspunt bij de voorgestelde bevoegdheidsgrondslagen.»

Vraag A1

Wat is of zijn de (wetenschappelijke) bron(nen) van deze uitspraak?

Vraag A2

Indien dit, zoals de regering stelt, «basisprincipes van infectieziekten bestrijding» betreft, wat is de reden dat onder andere collectieve maatregelen niet eerder opgenomen zijn in de Wet publieke gezondheid?

Vraag A3

In het antwoord komt daarbij alleen aan bod waarom afzonderlijke maatregelen niet getoetst kunnen worden op effectiviteit. Wat is de reden dat de effectiviteit van maatregelenpakketten niet onderzocht is?

In antwoord op vraag 26a van de PvdD-fractie: «Op welke studies en onderzoeksresultaten beroept de regering zich waaruit blijkt dat «de effectiviteit van de ingevoerde maatregelenpakketten voor het terugdringen van het aantal besmettingen evident is?» stelt de regering: «Gedurende de bestrijding van de epidemie van covid-19 zijn de effecten van de maatregelenpakketten en de verspreiding van het virus gemonitord. Hierbij is gebruik gemaakt van modellering door het RIVM en evaluatie van eerdere maatregelen. Deze modellering wordt voortdurend geëvalueerd en gevalideerd aan de hand van het daadwerkelijke verloop van de epidemie en de actuele context. Inzichten hieruit worden meegenomen bij het opstellen van nieuwe maatregelen. Zo wordt steeds wetenschappelijke toetsing uitgevoerd om te controleren of het vooraf gemodelleerde effect in de werkelijkheid ook uitpakt zoals voorspeld. Deze wetenschappelijke toetsing laat zien dat de effectiviteit van de ingevoerde maatregelenpakketten voor het terugdringen van het aantal besmettingen evident is. Mede door de grote druk waaronder het RIVM in deze periode werkte om het kabinet te informeren, is definitieve rapportage in vorm van peer reviewed artikelen een doorlopend proces dat nu nog gaande is. Echter resultaten zijn steeds gerapporteerd via technische briefings aan de Tweede Kamer.»

Vraag A4

Welke resultaten over de evaluatie van de effectiviteit van maatregelen zijn concreet gerapporteerd tijdens de technische briefings? Kan de Minister hiervan meerdere voorbeelden geven? Op welke termijn verwacht de Minister dat deze resultaten de vorm krijgen van peer reviewed artikelen?

In een recent artikel van de Volkskrant «Contactonderzoek GGD en corona-app dempten epidemie maar matig»33 wordt op basis van onderzoek van meerdere universiteiten en het RIVM34geconcludeerd dat bron- en contactonderzoek en de CoronaMelder-app maar heel weinig effect had, ondanks dat «Modelling studies showed great potential but empirical evidence of DCT and MCT impact is scarce». In het Volkskrantartikel staat verder dat «Vooral de teleurstellende cijfers van het bron- en contactonderzoek zijn «verrassend», vindt arts-epidemioloog Janneke van de Wijgert (UMC Utrecht), leider van het onderzoek. «De reflex bij een crisis als deze is altijd: bron- en contactonderzoek hoort erbij. Maar je kunt je afvragen of het later in de epidemie nog steeds zinvol was. Die bron- en contactonderzoekers werden immers wel weggehaald uit andere sectoren».»

Vraag A5

In hoeverre kan vertrouwd worden op ervaringen bij andere epidemieën of kleinschalige uitbraken van infectieziekten wat betreft welke maatregelen effectief zijn?

Vraag A6

Onderschrijft deze uitkomst niet dat de RIVM-modellering niet gelijk staat aan «wetenschappelijke toetsing van de effectiviteit van maatregelen» zoals eerder door de regering gesteld is en die gebruikt wordt als onderbouwing voor het opnemen van collectieve maatregelen in de Wet publieke gezondheid? Welke onderbouwing van de noodzaak van het opnemen van verplichtende collectieve maatregelen in de Wet publieke gezondheid blijft sinds het opstellen van het wetsvoorstel nog overeind?

Vraag A7

Aangezien de covid-19-pandemie sinds begin mei ook door de WHO niet meer als Public health emergency of international concern (PHEIC) wordt gezien, wat is de noodzaak van het nu doorzetten van dit wetsvoorstel en niet eerst de evaluaties van de effectiviteit van collectieve maatregelen afwachten?35

B. Vragen naar aanleiding van de brief van de Minister van VWS over diverse onderwerpen met betrekking tot het COVID-19-virus van 25 april 202336 en de RIVM-brief van 12 januari 2023 betreffende aanbeveling 7 coronacrisis deel 2 van de OVV37

Met betrekking tot het onderzoek naar de effecten van maatregelen heeft het lid van de FVD-fractie de volgende vragen. In de brief van 25 april 2023 over diverse onderwerpen met betrekking tot het COVID-19-virus staat dat de Minister van VWS in zijn brief aan de Kamer van 11 november 202238 een aantal vervolgacties heeft beschreven naar aanleiding van de aanbevelingen over de effectiviteit van maatregelen in het tweede deelrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV): «Om hier uitvoering aan te geven heb ik aan ZonMw opdracht gegeven om 2 mln euro additioneel budget binnen het ZonMw COVID-19 programma in 2023 te gebruiken voor onderzoek naar effecten van maatregelen en inrichting van duurzame monitoring. Daarnaast ben ik met het RIVM in gesprek om vanuit hun wettelijke taak de mogelijkheden te verkennen om effectiviteit van combinaties van verschillende maatregelen te onderzoeken, evenals de timing hiervan, mede vanuit de internationale context. Over het vervolg hiervan zal ik uw Kamer eind 2023 informeren.»

Vraag B1

Wat is de reden dat evaluatie van de effectiviteit van combinaties van maatregelen door het RIVM nog niet heeft plaatsgevonden?

Vraag B2

Kan de conclusie van dit gesprek zijn dat het niet mogelijk is of niet nuttig is om het effect van combinaties van maatregelen te onderzoeken, zoals eerder bleek na een toezegging over de evaluatie door het RIVM van de effectiviteit van de avondklok?39

Vraag B3

Wat is de reden dat collectieve maatregelen die tijdens de covid-19-pandemie genomen zijn al opgenomen worden in de Wet publieke gezondheid zonder dat voorafgaand hiervan een uitgebreide evaluatie van de effectiviteit van deze maatregelen is gedaan en geconcludeerd is dat de voordelen van deze maatregelen opwegen tegen de (grote) nadelen en schadelijke effecten? Bij de expertsessies die voorjaar 2022 plaatsvonden waren onvoldoende (wetenschappelijke) gegevens om dit te kunnen beoordelen en waren ook de (lange termijn) negatieve gevolgen van maatregelen nog niet geheel bekend. Aangezien de expertise van de betrokken experts onbekend is, is daarnaast onduidelijk of de schadelijke gevolgen van collectieve maatregelen door hen is meegewogen in de besluitvorming.

Vraag B4

Kan de regering een zo volledig mogelijk overzicht geven van geplande, lopende en afgeronde evaluaties van de effectiviteit van maatregelen (zowel individuele maatregelen als combinaties van maatregelen) op basis van het budget dat aan ZonMw toegekend is, inclusief de vindplaatsen van de opzet van deze evaluaties en eventuele uitkomsten? In de beantwoording van deze vraag kan niet volstaan worden met een verwijzing naar een toekomstige Kamerbrief die pas beschikbaar is na de geplande plenaire behandeling van het huidige wetsvoorstel.

Vraag B5

Van welke geplande, lopende of afgeronde evaluaties van de effectiviteit van (individuele of combinaties van) maatregelen tijdens de covid-19-pandemie door universiteiten of andere kennisinstituten is de regering op de hoogte? En waar zijn deze te vinden?

In de brief over diverse onderwerpen met betrekking tot het COVID-19-virus van 25 april 2025 staat: «De Raad van State heeft in haar advies op het wetsvoorstel opgemerkt dat de gereedschapskist met maatregelen in het wetsvoorstel beperkt is in omvang. In de memorie van toelichting, het nader rapport en de nota naar aanleiding van het verslag heb ik om deze reden toegezegd dat bij volgende tranches wordt onderzocht of het toevoegen van nieuwe specifieke bevoegdheidsgrondslagen, noodzakelijk en proportioneel is voor het bestrijden van een toekomstige epidemie van een A1-infectieziekte. In de eerste fase van de verkenning wordt aan epidemiologische experts gevraagd welke bevoegdheidsgrondslagen dienen te worden verkend als aanvulling op de gereedschapskist in de Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid. Vervolgens wordt deze inventarisatie beoordeeld door experts uit verschillende disciplines, zoals medisch-ethische, sociaal-maatschappelijke en economische, juridische en uitvoeringsaspecten. Voor de zomer start de verkenning naar de aanvullende bevoegdheidsgrondslagen. Afronding van deze verkenning wordt voorzien in het voorjaar van 2024. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten.»

Vraag B6

Worden hiervoor dezelfde epidemiologische, virologische en juridische experts benaderd als die genoemd worden in de memorie van antwoord, waarin vermeld staat dat «expertsessies georganiseerd [zijn] met deskundigen met een epidemiologische of virologische achtergrond en juristen. Tijdens deze sessies hebben genoemde deskundigen aangegeven welke maatregelen zij effectief achten om de epidemie van covid-19 op langere termijn te kunnen bestrijden en welke maatregelen effectief kunnen zijn ter bestrijding van andere A1-infectieziekten. Hieruit kwam naar voren dat de instrumenten uit de destijds voorgenomen zesde verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm), een gedegen grondslag zijn voor de bestrijding van een toekomstige epidemie van een A1-infectieziekte. [...] Uit de expertsessies kwam ook naar voren dat andere grondslagen, anders dan opgenomen in de voorgenomen zesde verlenging, zinvol kunnen zijn, en dat hiernaar nader onderzoek nodig is.»?

Vraag B7

Aangezien de Minister in dezelfde brief aangeeft dat pas eind 2023 informatie bekend wordt over het gesprek van de Minister met het RIVM «om vanuit hun wettelijke taak de mogelijkheden te verkennen om effectiviteit van combinaties van verschillende maatregelen te onderzoeken, evenals de timing hiervan, mede vanuit de internationale context», worden al voor eind 2023 daadwerkelijk resultaten verwacht van het RIVM over de effectiviteit van maatregelenpakketten die ingezet zijn tijdens de covid-19 pandemie? Zo niet, op basis waarvan worden de genoemde deskundigen geacht te adviseren over de wenselijkheid dan wel noodzaak van aanvullende bevoegdheidsgrondslagen?

Vraag B8

Wordt er bij deze beoordeling ook ingezet op het organiseren van wetenschappelijke tegenspraak? Worden de wetenschappelijke publicaties of andere bronnen op basis waarvan de door de Minister gevraagde experts zouden oordelen dat aanvullende bevoegdheidsgrondslagen noodzakelijk zijn ook vrijgegeven? In de memorie van antwoord staat immers dat «de regering onderschrijft dat tegenspraak tijdens een nieuwe A1-infectieziekte zeer belangrijk is. Ik acht tegenspraak – of beter gezegd: onafhankelijke en deskundige advisering op basis van actuele wetenschappelijke kennis, zonder politieke inmenging of andere niet-wetenschappelijke beïnvloeding - van groot belang om te komen tot gedegen besluitvorming over te nemen maatregelen, zowel ten tijde van een epidemie als daarbuiten.» De Minister lijkt daarbij wel een eigen invulling te geven aan het begrip tegenspraak door te suggereren dat deze vormgegeven is door de inzet van het RIVM, OMT en het MIT. In een notitie van de Vierde Golf van 1 mei staat hierover: «Democratische controle wordt, ten slotte, bemoeilijkt, doordat geen tegenspraak wordt georganiseerd, zoals tijdens de expertmeeting van 14 maart bepleit door Vierde Golf lid dr. M. Smits. De Minister doet het voorkomen of die tegenspraak moet komen van haar eigen adviseurs maar dat is uiteraard niet wat dr. Smits bedoelde. Tegenspraak organiseer je door gericht naar perspectieven te zoeken die vanuit andere veronderstellingen vertrekken. Het betekent zowel dat serieus naar tegenstanders van een bepaald beleid wordt geluisterd als het betrekken van bezwaren van tegenstanders in de overwegingen. Door het organiseren van zulke systematische tegenspraak verbetert in de regel de kwaliteit van de meningsvorming en de daaropvolgende bestuurlijke beleids- en besluitvorming.»40 Hoe wenst de regering deze tegenspraak te organiseren en daarmee de besluitvorming te verbeteren en het draagvlak voor beleid te vergroten?

Vraag B9

Worden de adviezen van deze deskundigen en de aanvullende beoordelingen door experts uit andere disciplines wel openbaar gemaakt, in tegenstelling tot de adviezen van experts op basis waarvan dit wetsvoorstel tot stand is gekomen?

Vraag B10

Op basis waarvan stelt de Raad van State dat de gereedschapskist met maatregelen in het huidige wetsvoorstel beperkt is in omvang? Is de regering het hiermee eens en op basis waarvan? Is er naast dit advies van de Raad van State – die geen epidemiologische of virologische expertise heeft – of de twee expertsessies waarvan de onderbouwing niet vrijgegeven is, aanleiding om te onderzoeken of aanvullende bevoegdheidsgrondslagen voor controversiële maatregelen zoals schoolsluitingen en de inzet van toegangsbewijzen nodig zijn?

In de brief van 25 april jl. over diverse onderwerpen met betrekking tot het COVID-19-virus staat voorts dat voor verslagen van het OMT geldt dat deze na een termijn van 20 jaar openbaar worden. In de brief staat tevens vermeld dat deze termijn in het openbare reglement van het RIVM over het OMT opgenomen is en dat het RIVM dit reglement nog in april zal publiceren.

Vraag B11

Op basis van welke juridische grondslag is voor deze termijn gekozen? En wat de onderbouwing voor deze termijn?

Vraag B12

Zijn OMT-verslagen daarmee niet toegankelijk voor de parlementaire enquête?

Vraag B13

Waar is het openbare reglement van het RIVM over het OMT te vinden?

Vraag B14

In de RIVM-brief van 12 januari 2023 betreffende aanbeveling 7 uit het rapport coronacrisis deel 2 staat dat het RIVM een evaluatie van het functioneren van het OMT door een derde partij heeft laten doen en dat dat advies is uitgebracht op 7 oktober 2021.41 Waar is het rapport van dit advies te vinden?

C. Vrijheidsbeperkende maatregelen

Het lid van de FVD-fractie heeft enkele vragen over vrijheidsbeperkende maatregelen zoals quarantaine, schoolsluitingen, avondklokken en mondmaskers. De burger die zich tegen deze maatregelen wil verzetten kan naar de voorzieningenrechter, maar de rechter zegt niet te kunnen oordelen over wetenschappelijke adviezen. Om de wet te kunnen beoordelen, moet de vraag gesteld worden wat het risico is dat een regering in deze context repressieve maatregelen laat «inpakken» in een wetenschappelijk advies en daarmee de rechtsbescherming van de burger ondermijnt. De volgende vragen hebben veelal betrekking op dit scenario en betreffen ook de ervaring met de recente coronapandemie.

Vraag C1

Wat is de precieze wetenschappelijke basis voor het invoeren van enige vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens een pandemie?

Vraag C2

Welke wetenschappelijke experts dient de regering te raadplegen bij het nemen van deze maatregelen?

Vraag C3

In welke mate dient de regering te overwegen om ook andere experts dan de wetenschappelijke experts te raadplegen, zoals juridische experts en mensenrechtenexperts?

Vraag C4

Wat zijn de rechtsnormen die de regering in acht moet nemen bij het invoeren van deze maatregelen?

Vraag C5

Hoe verhouden de vrijheidsbeperkende maatregelen zich tot de internationale en nationale mensenrechtenverdragen?

Vraag C6

Wat zijn de scenario's waarbij de regering de vrijheidsbeperkende maatregelen kan versoepelen of opheffen?

Vraag C7

Hoe zorgt de regering ervoor dat de vrijheidsbeperkende maatregelen niet onevenredig zijn ten opzichte van de beheersing van een virus? Hoe wordt de evenredigheid gemeten en hoe wordt transparantie van de afweging gegarandeerd?

Vraag C8

Hoe zorgt de regering ervoor dat de vrijheidsbeperkende maatregelen geen discriminatie veroorzaken op basis van bijvoorbeeld etniciteit, nationaliteit, religie, geslacht of leeftijd?

Vraag C9

Wat gebeurt er met de mensen die zich verzetten tegen de vrijheidsbeperkende maatregelen? Welke rechtsbescherming hebben zij als zij collectieve maatregelen betwisten, met name als het gezonde individuen betreft?

Vraag C10

Hoe voorziet de wetswijziging in de totstandkoming van een plan om de situatie te herstellen, zodat de mensenrechten die tijdens een pandemie zijn geschonden worden hersteld?

Vraag C11

Hoe evalueert de regering de effectiviteit van de vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens een pandemie en op welke manier worden de bevindingen ervan bekendgemaakt?

Vraag C12

Welke prikkel bestaat er onder deze wetswijziging voor een regering om alternatieve oplossingen te overwegen om een pandemie te bestrijden die geen vrijheidsbeperkende maatregelen vereisen?

Vraag C13

Hoe voorkomt een regering dat zij daarbij automatisch in de fuik gedwongen wordt van vrijheidsbeperkende maatregelen, terwijl maatwerk op basis van vrijwilligheid ruim afdoende kan zijn? Een van de dwingende automatismen kan bijvoorbeeld gedreven worden door aansprakelijkheidsstelling op gronden van vermeende veiligheid onder vrijheidsbeperkende maatregelen (i.c. schijnveiligheid).

Vraag C14

Hoe zit het met de privacy van de burgers bij de invoering van vrijheidsbeperkende maatregelen?

Vraag C15

Welke gegevens worden er verzameld en hoe worden deze gebruikt bij het nemen van de vrijheidsbeperkende maatregelen?

Vraag C16

Hoe worden deze gegevens beveiligd?

Vraag C17

Hoe zit het met de juridische basis van het verzamelen van gegevens voor deze doeleinden?

Vraag C18

Is de regering bereid de burgers te informeren over wat er met hun persoonlijke gegevens gebeurt?

Vraag C19

Hoe worden de economische gevolgen van deze vrijheidsbeperkende maatregelen gemonitord en beoordeeld door de regering?

Vraag C20

Hoe worden de gevolgen voor het onderwijs, de werkgelegenheid, de gezondheid en het welzijn van de burgers gemeten?

Vraag C21

Hoe snel kunnen de burgers weer naar het normale leven terugkeren als de pandemie afneemt?

Vraag C22

Heeft de regering een plan om de economische gevolgen te verzachten voor de burgers en bedrijven die hard getroffen worden?

Vraag C23

Hoe zorgt de regering ervoor dat de vrijheidsbeperkende maatregelen niet leiden tot een toename van huiselijk geweld?

Vraag C24

Zijn er specifieke maatregelen genomen om de rechten van minderjarigen te beschermen tijdens een pandemie waarbij vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen?

Vraag C25

Hoe zorgt de regering ervoor dat de vrijheidsbeperkende maatregelen niet leiden tot een toename van de geestelijke gezondheidsproblemen van de burgers?

Vraag C26

Hoe gaat de regering om met de uitdagingen van mensen die in armoede leven of dakloos zijn?

Vraag C27

Hoe wordt de handhaving van de vrijheidsbeperkende maatregelen georganiseerd en zorgt de regering ervoor dat er geen gebruik wordt gemaakt van excessief geweld?

Vraag C28

Is er voldoende capaciteit bij de politie en justitie om de vrijheidsbeperkende maatregelen te handhaven?

Vraag C29

Hoe werkt de regering samen met lokale autoriteiten om de vrijheidsbeperkende maatregelen te implementeren?

Vraag C30

Is er voldoende capaciteit bij de gezondheidsdiensten om een pandemie effectief te bestrijden en de vrijheidsbeperkende maatregelen te handhaven?

Vraag C31

Hoe worden de burgers geïnformeerd over de vrijheidsbeperkende maatregelen en worden de communicatiestrategieën van de regering beoordeeld op effectiviteit?

Vraag C32

Heeft de regering een plan om burgers te helpen bij het begrijpen en naleven van de vrijheidsbeperkende maatregelen?

Vraag C33

Wat is de rol van het parlement bij het invoeren van de vrijheidsbeperkende maatregelen en hoe is het toezicht en de beoordeling van deze maatregelen geregeld?

Vraag C34

Wat zijn de gevolgen voor de persvrijheid en de toegang tot informatie tijdens een pandemie?

Vraag C35

Hoe zit het met de verantwoording van de regering tijdens een pandemie waarbij vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen?

Vraag C36

Wat zijn de gevolgen voor de internationale betrekkingen van de regering tijdens een pandemie waarbij vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen?

Vraag C37

Hoe zorgt de regering voor een gecoördineerde en samenhangende Europese aanpak bij de bestrijding van een pandemie?

Vraag C38

Is de regering bereid om de internationale samenwerking te versterken bij de bestrijding van een pandemie?

Vraag C39

Wat zijn de gevolgen van de vrijheidsbeperkende maatregelen voor de rechten van de asielzoekers en migranten?

Vraag C40

Hoe zorgt de regering ervoor dat de mensenrechten van de asielzoekers en migranten worden gerespecteerd tijdens een pandemie?

Vraag C41

Bij het opbouwen van natuurlijke immuniteit speelt besmetting in milde vorm een belangrijke rol. Hoe wordt voorkomen dat maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan binnen detentiecentra en andere gesloten instellingen, contraproductief werken door gebrek aan blootstelling en training van immuunsystemen van individuen?

Vraag C42

Hoe zorgt de regering ervoor dat de mensenrechten van de gevangenen tijdens een pandemie worden gerespecteerd?

Vraag C43

Hoe wordt omgegaan met de situatie van burgers die vastzitten in het buitenland als gevolg van een pandemie?

Vraag C44

Hoe verhoudt de wet zich ten aanzien van de (internationale) samenwerking van vrije en onafhankelijke individuen en organisaties bij het vinden van een medicijn of vaccin tegen het virus? Hoe wordt de vrijheid van vroeg behandelende artsen daarbij gewaarborgd om hun eigen inzichten te volgen? En hoe wordt voorkomen dat politici als inkopers optreden bij enkele grote farmaceutische bedrijven?

Vraag C45

Hoe gaat de regering om met de medische ethische vragen bij het ontwikkelen en toedienen van het medicijn of vaccin?

Vraag C46

Hoe wordt de rol van wetenschap en technologie beoordeeld bij de bestrijding van een pandemie?

Vraag C47

Wat zijn de gevolgen van de in de wet geformuleerde wijze van pandemische paraatheid voor de toekomst van de gezondheidszorg?

Vraag C48

Is evaluatie van enige maatregel, in al zijn facetten, noodzakelijk alvorens deze verantwoord kan worden opgenomen in wetgeving?

Vraag C49

Hoe zorgt de regering ervoor dat de via expliciete evaluatie tot stand gekomen ervaringen tijdens de recente pandemie worden meegenomen in beleid en voorliggende wetgeving bij eventuele toekomstige crises?

D. International Health Regulations (IHR)

De International Health Regulations (IHR) hebben dwingende werking. De vraag dient gesteld te worden hoe wordt voorkomen dat de implementatie van de IHR bij een uitbraak van een besmettelijke ziekte inbreuk gaat maken op de grondrechten van burgers en ook hoe burgers zich daartegen kunnen beschermen? Hoe wordt een technocratie voorkomen?

Vraag D1

Hoe gaat een regering onder de wetswijziging ervoor zorgen dat de implementatie van de International Health Regulations niet leidt tot schending van de grondrechten van de burgers?

Vraag D2

Welke specifieke voorzorgsmaatregelen zijn er getroffen om ervoor te zorgen dat de IHR-regels niet ten koste gaan van de privacy van burgers?

Vraag D3

Zijn er duidelijke richtlijnen te geven aan zorginstanties met betrekking tot het respecteren van de grondrechten van patiënten?

Vraag D4

Hoe wordt voorkomen dat de implementatie van de IHR leidt tot discriminatie op basis van afkomst, geslacht of geloof?

Vraag D5

Wordt er voldoende feedback verzameld om de effecten van de IHR op de grondrechten van burgers te meten?

Vraag D6

Welke maatregelen worden gegarandeerd om burgers te beschermen tegen onrechtvaardige behandeling of schending van hun grondrechten?

Vraag D7

Zijn er stappen gegarandeerd om ervoor te zorgen dat burgers weten welke rechten ze hebben tijdens een uitbraak van een besmettelijke ziekte?

Vraag D8

De coronaperiode heeft duidelijk gemaakt dat de risico-inschatting van overheidswege eenzijdig werd benaderd en overdreven en lijkt ook onder de voorgestelde wetgeving aan willekeur onderhevig. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de rechten van burgers niet worden beperkt zonder dat er een dringende noodzaak is in het belang van «de volksgezondheid»?

Vraag D9

Welke maatregelen worden genomen om de bevolking te beschermen tegen een machtsmonopolie van experts en technocraten?

Vraag D10

Hoe wordt ervoor gezorgd dat burgers inspraak hebben bij de besluitvorming over maatregelen die worden genomen onder de IHR?

Vraag D11

Op welke wijze wordt er voldoende transparantie geboden bij de implementatie van de IHR-regels en welke informatie is beschikbaar voor burgers?

Vraag D12

Worden er effectieve klachtenprocedures ingesteld om te garanderen dat de rechten van burgers worden gerespecteerd?

Vraag D13

Wat is de mogelijkheid onder de wetswijziging om ervoor te zorgen dat burgers hun rechten kunnen verdedigen wanneer deze in het geding zijn?

Vraag D14

Zijn de nationale wetgeving en regelgeving die de IHR regelen voldoende duidelijk en toegankelijk voor burgers?

Vraag D15

Hoe garandeert de wet dat er geen misbruik wordt gemaakt van de IHR-regels om de vrijheid van meningsuiting of privacy van burgers te beperken?

Vraag D16

Welke maatregelen zijn er in het wetsvoorstel opgenomen om ervoor te zorgen dat de IHR niet ten koste gaat van de toegang tot medische zorg en behandeling van patiënten?

Vraag D17

Hoe wordt er rekening gehouden met kwetsbare groepen in de samenleving, gezien de economische repercussies van vrijheidsbeperkende maatregelen en hoe worden hun privacy en grondrechten beschermd?

Vraag D18

Op welke wijze kan de Nederlandse burger zich beroepen op de naleving van de International Health Regulations?

Vraag D19

Welke rol hebben burgers bij het implementeren van de IHR en hoe worden ze betrokken bij het proces?

Vraag D20

Worden er programma's opgezet om burgers te informeren over hun grondrechten tijdens een uitbraak van een besmettelijke ziekte?

Vraag D21

Hoe wordt ervoor gezorgd dat burgers zich bewust zijn van de noodzaak van de maatregelen die worden opgelegd op grond van de IHR?

Vraag D22

Op welke manier wordt de bescherming van grondrechten behandeld in de training van medische professionals na invoering van de voorgelegde wetswijziging?

Vraag D23

Welke rol hebben maatschappelijke organisaties (NGO’s) bij het toezien op de naleving van de implementatie van de IHR?

Vraag D24

Hoe vindt in de praktijk toezicht op en handhaving van plaats ten aanzien van de bescherming van de grondrechten van burgers gelet op dwingende werking van de IHR?

Vraag D25

Wat is het mechanisme voor de beslechting van geschillen die ontstaan tussen de staat en burgers over de bescherming van grondrechten tijdens een uitbraak van een besmettelijke ziekte, gelet op het feit dat de rechter niet treedt in de wetenschappelijke validiteit van maatregelen die voortvloeien uit wetenschappelijk advies van het OMT, maatregelen die verregaande inbreuk kunnen maken op grondrechten?

Vraag D26

Heeft de regering ervoor gezorgd dat er een budget is gereserveerd voor het bieden van ondersteuning en bijstand aan burgers die hun grondrechten geschonden zien tijdens een uitbraak van een besmettelijke ziekte?

Vraag D27

Hoe wordt ervoor gezorgd dat burgers op de hoogte zijn van de klachtenprocedures en voldoende toegang hebben tot rechtsmiddelen?

Vraag D28

Wat zijn de gevolgen voor burgers die zich verzetten tegen de maatregelen die worden opgelegd onder de IHR-regels?

Vraag D29

Worden er maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat burgers tijdig worden geïnformeerd over de getroffen maatregelen en de redenen daarvoor?

Vraag D30

Is er een plan om de burgerrechten te beschermen bij uitbraak van een besmettelijke ziekte in internationale samenwerking?

Vraag D31

Zijn de maatregelen die genomen worden onder de IHR proportioneel en redelijk en voldoen deze aan de internationaal geldende mensenrechtenverdragen zoals het VN-verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten?

Vraag D32

Zijn de IHR-maatregelen vooraf geanalyseerd en getoetst aan proportionaliteit en subsidiariteit en wat zijn de uitkomsten van deze analyse?

Vraag D33

Zijn de maatregelen onder de IHR tijdelijk en worden deze na afloop direct opgeheven?

Vraag D34

Hoe wordt voorkomen dat de IHR-maatregelen langdurig blijven voortduren zonder een zichtbaar gunstig resultaat?

Vraag D35

Wat is het beleid ten aanzien van het informeren van het publiek over medische procedures en technologieën die onderdeel zijn van de IHR-maatregelen?

Vraag D36

Wordt er rekening gehouden met het belang van het aanbieden van alternatieven voor burgers die zich niet kunnen vinden in bepaalde beslissingen die worden genomen onder de IHR?

Vraag D37

Is het reguleringskader voldoende privacy proof, met inachtneming van het beschermingsniveau dat in lijn is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van de EU?

Vraag D38

Zijn er waarborgen dat burgers op de hoogte worden gesteld in geval van een datalek?

Vraag D39

Hoe verbetert de regering de communicatie over de IHR-maatregelen ten opzichte van burgers die specifieke behoeften, talen en culturele achtergronden hebben?

Vraag D40

Is de persoonlijke levenssfeer van burgers gewaarborgd in geval van grensoverschrijdend gebruik van persoonsgegevens ten aanzien van de IHR-maatregelen?

Vraag D41

Heeft de regering een overzicht van wat er is geleerd uit de uitbraak van de COVID-19-pandemie en hoe is dit in lijn met de IHR?

Vraag D42

Wat zijn de kansen en risico's van de digitale toepassingen die in lijn zijn met de IHR-voorschriften voor de bescherming van burgerrechten?

Vraag D43

Hoe worden burgers volledig op de hoogte gesteld van de mogelijke gevolgen van het gebruiken van digitale tools ten behoeve van IHR-maatregelen?

Vraag D44

Hoe worden de digitale tools geëvalueerd, gemonitord en waar mogelijk verbeterd?

Vraag D45

Is er een procedure om ervoor te zorgen dat de IHR-maatregelen niet onrechtmatig worden gebruikt op het gebied van het uitoefenen van inlichtingenwerkzaamheden?

Vraag D46

Zijn de kaders en richtlijnen voor de IHR-maatregelen voldoende helder voor de instanties die deze uitvoeren en handhaven?

Vraag D47

Hoe wordt ervoor gezorgd dat er geen verschil is in de toepassing van de IHR-maatregelen ten aanzien van burgers in verschillende delen van het land?

Vraag D48

Is de regering zich bewust van de mogelijke spanning die kan ontstaan tussen het nastreven van volksgezondheid en het respecteren van de grondrechten van burgers?

Vraag D49

Op welke wijze is de regering van plan zich te committeren aan het beschermingsniveau van burgerrechten en -vrijheden ten aanzien van de IHR-regelgeving?

E. Transparantie

Bij de bestrijding van een epidemie is behoefte aan transparante informatie. Tot de «cruciale epidemiologische data» behoort onder meer:

  • informatie omtrent PCR-testen (waaronder de testwaarden, i.c. de Ct42-waarden);

  • ziekenhuisbezetting, details, casusdata;

  • predictiemodellen (RIVM) en gebruikte aannames en parameters;

  • informatie omtrent doodsoorzaken zoals bij het CBS verzameld via doodsoorzaakformulieren en de vertaling hiervan in classificatie naar coronadoden.

Het lid van de FVD-fractie ziet eigenlijk exclusief cijfers ter ondersteuning van het beleid (zoals de «casus landelijk»). Maar ook data ter controle van het beleid zou toegankelijk moeten zijn (bijvoorbeeld gegevens naar vaccinatiestatus, zoals een «vaccus landelijk»). Op al deze gebieden weigert de regering informatie publiek toegankelijk te maken, zelfs na Woo43-verzoeken daartoe en voert daarover rechtszaken om dat te verhinderen, tot aan de Raad van State toe.

Vraag E1

Wat zijn de criteria voor het openbaar maken van welk soort epidemiologische data? En wat zijn hier de afwegingscriteria voor?

Vraag E2

Welke soort data zijn er precies niet openbaar gemaakt in de afgelopen drie jaar? Vallen data die betrekking hebben op de oversterfte hier ook onder?

Vraag E3

Wat zijn de gevolgen van het achterhouden van deze data voor het onderzoek naar de effecten van de maatregelen?

Vraag E4

Op welke manier kunnen onderzoekers onafhankelijk onderzoek doen naar de effecten van de maatregelen als cruciale data achtergehouden worden?

Vraag E5

Wordt er momenteel gewerkt aan het vrijgeven van deze data en zo nee, waarom niet?

Vraag E6

Is er sprake geweest van politieke druk om deze data geheim te houden?

Vraag E7

Op welke manier is de regering van plan om in de toekomst meer transparantie te bieden met betrekking tot epidemiologische data?

Vraag E8

Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat de besluitvorming van de regering gebaseerd is op de meest accurate informatie?

Vraag E9

Zijn er bepaalde maatregelen die tot nu toe zijn genomen waarvan de regering geen resultaten deelt omdat de data daarover achtergehouden wordt?

Vraag E10

Kan de regering nog wel verantwoordelijkheid nemen voor genomen maatregelen als er geen objectieve data over de effecten van deze maatregelen beschikbaar zijn?

Vraag E11

Hoe verwacht de regering dat beleidsmakers en gezondheidsfunctionarissen adequaat kunnen reageren op veranderende pandemische omstandigheden zonder deze essentiële informatie?

Vraag E12

Hoe kan de regering beleid onderbouwen zonder alle benodigde gegevens daarover openbaar te maken?

Vraag E13

Wat zijn de gevolgen van het niet vrijgeven van deze data voor andere landen?

Vraag E14

In hoeverre is het achterhouden van deze data in lijn met internationale en nationale regelgeving, met name de EU-transparantierichtlijnen?

Vraag E15

Op welke manier past het achterhouden van deze data bij de transparantie en het principe van een open overheid? Wat zijn bijvoorbeeld positieve testuitslagen waard, als het onbekend is wat de drempelwaarde is en daarmee welk percentage van die positieve testuitslagen besmettelijke cases betreft?

Vraag E16

Welke resultaten zijn er wel beschikbaar en wat is de waarde van deze data zonder de achtergehouden gegevens?

Vraag E17

Wat is de reden dat de regering procedeert tot het hoogste bestuursorgaan om informatie achter te houden die in andere Europese landen gewoon openbaar is?

Vraag E18

Welke belangen worden er gediend bij het achterhouden van deze epidemiologische data anders dan het vaak gehoorde privacy-argument?

Vraag E19

Op welke manier kan de regering ervoor zorgen dat de reputatie van de staat in deze kwestie niet beschadigd wordt?

Vraag E20

Is er onderzoek gedaan naar de relevantie van de data die tot nu toe achtergehouden zijn? In een recente Woo-rechtszaak bij de Raad van State zei de Minister dat Ct-waarden van een PCR-test geen medische relevantie hebben, maar waarom worden Ct-waarden dan in ziekenhuizen (b.v. Amsterdam UMC) gebruikt bij de beoordeling van de vraag of herstellende patiënten uit isolatie kunnen worden gehaald?

Vraag E21

Is er sprake geweest van het tegenhouden van publicaties die door wetenschappers zijn ingediend? Zo ja, wat is de reden hiervoor?

Vraag E22

Op welke manier kan de regering er blijk van geven dat ze haar eigen verantwoordelijkheid heeft als het gaat om het toetsen van de effectiviteit van maatregelen tijdens een pandemie?

Vraag E23

Hoe kan de regering de schade die is aangericht door het achterhouden van deze data evalueren en herstellen?

Vraag E24

Waar kan de Nederlandse bevolking terecht voor accurate informatie over de effecten van de genomen maatregelen als de regering deze informatie niet geeft?

Vraag E25

Hoe gaat de regering om met wetenschappers en anderen die kritisch zijn over het ontbreken van data?

Vraag E26

Welke onderzoeksresultaten worden wel beschikbaar gesteld aan het publiek? Waarom werd er b.v. op casus niveau over besmettingen gerapporteerd (RIVM Casus Landelijk), maar was er geen rapportage van de effecten van vaccinatie op casusniveau?

Vraag E27

Hoe gaat de regering om met de dilemma's die voortkomen uit het ontbreken van data terwijl er wel beleid gemaakt moet worden?

Vraag E28

In hoeverre heeft het achterhouden van data bijgedragen aan de onzekerheid rondom het beleid?

Vraag E29

Op welke manier kan het achterhouden van zulke data in de toekomst worden voorkomen?

Vraag E30

Wanneer is de regering voornemens de Europese transparantierichtlijnen te implementeren?

Vraag E31

Heeft de regering wel eens rekening gehouden met de implicaties van het achterhouden van deze data voor de geloofwaardigheid van haar beleid en de samenleving?

F. Transparantie computermodellen

Het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt computermodellen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en kijkt naar scenario’s tijdens een pandemie. Op basis van deze scenario's worden maatregelen genomen. De modellen zijn echter niet openbaar. De volgende 43 vragen betreffen de mogelijke gevolgen die maatregelen kunnen hebben als ze gebaseerd zijn op modellen die niet openbaar zijn.

Vraag F1

Is het mogelijk dat de maatregelen die de regering neemt, gebaseerd zijn op onjuiste gegevens en dat deze verstrekkende gevolgen kunnen hebben?

Vraag F2

Hoe verantwoordt de regering het feit dat de modellen niet openbaar zijn voor het publiek?

Vraag F3

Zouden openbaar toegankelijke modellen zorgen voor meer transparantie en vertrouwen in de genomen maatregelen?

Vraag F4

Zijn de modellen gebaseerd op een worst-case scenario of op een realistisch scenario?

Vraag F5

Worden de modellen regelmatig bijgewerkt op basis van nieuwe informatie en ontwikkelingen?

Vraag F6

Zijn er onafhankelijke deskundigen die de modellen kunnen beoordelen en evalueren?

Vraag F7

Kan de regering garanderen dat de modellen niet worden beïnvloed door politieke overwegingen? En hoe precies?

Vraag F8

Zijn er alternatieve modellen beschikbaar die de regering overweegt bij het nemen van maatregelen?

Vraag F9

Hoe bepalen de modellen welke maatregelen moeten worden genomen en waarom?

Vraag F10

Worden de gevolgen van de genomen maatregelen regelmatig geëvalueerd en aangepast op basis van de nieuwste gegevens?

Vraag F11

Zijn er interne kwaliteitseisen en controlesystemen voor de modellen?

Vraag F12

Is er een onafhankelijk toezichthoudend orgaan dat de modellen en de genomen maatregelen controleert? Zo ja, welk orgaan is dat?

Vraag F13

Zijn er risico's verbonden aan het niet openbaar maken van de modellen?

Vraag F14

Zijn er andere landen waar de modellen wel openbaar zijn en wat zijn hun ervaringen hiermee?

Vraag F15

Heeft de regering overwogen om de modellen openbaar te maken en wat was hiervan de uitkomst?

Vraag F16

Zijn er wetenschappelijke publicaties die de modellen ondersteunen?

Vraag F17

Zijn er bepaalde wetenschappers of instanties die hebben aangegeven dat de modellen niet voldoen aan de normen van wetenschappelijke integriteit en transparantie?

Vraag F18

Zijn er gegevens of resultaten uit de modellen die bewust niet openbaar worden gemaakt?

Vraag F19

Bestaat er een mogelijkheid dat belangrijke informatie verloren gaat doordat de modellen niet openbaar zijn?

Vraag F20

Hoe beïnvloeden de modellen de economische maatregelen die de regering neemt?

Vraag F21

Hoe worden beslissingen genomen over de duur van de maatregelen en de beëindiging hiervan?

Vraag F22

Zijn de modellen gebaseerd op een specifiek virus of zijn ze generiek voor mogelijke pandemieën?

Vraag F23

Zijn de modellen gebaseerd op de Nederlandse samenleving of op een internationale populatie?

Vraag F24

Houdt de regering rekening met de gevolgen van de maatregelen op lange termijn, zoals economische schade en gezondheidsproblemen?

Vraag F25

Kan de regering garanderen dat de modellen geen bias hebben ten opzichte van bepaalde bevolkingsgroepen?

Vraag F26

Wat zijn de gevolgen van de maatregelen voor het dagelijks leven van de burgers?

Vraag F27

Is er sprake van groepsimmuniteit in de modellen en zo ja, wat is de mate hiervan?

Vraag F28

Zijn er modellen beschikbaar die specifiek gericht zijn op kwetsbare groepen zoals ouderen en zorgmedewerkers?

Vraag F29

Zijn er modellen die rekening houden met het risico van virusmutaties en de gevolgen hiervan voor mogelijke versoepelingen?

Vraag F30

Is er een mogelijkheid om de modellen te raadplegen voor burgers en organisaties die betrokken zijn bij de pandemiebestrijding?

Vraag F31

Hoe worden de modellen gebruikt om de genomen maatregelen te evalueren en, indien nodig, aan te passen?

Vraag F32

In hoeverre bepalen de modellen het tempo van de versoepelingen en welke factoren worden hierbij meegenomen?

Vraag F33

Hoe zijn de modellen van invloed op de beslissingen ten aanzien van het vaccinatiebeleid?

Vraag F34

Hoe worden de gevolgen van de maatregelen gemeten en wat zijn de evaluatiecriteria?

Vraag F35

Wordt er rekening gehouden met de gevolgen van de pandemie voor de lange termijn, zoals de economie en de mentale gezondheid van de burgers?

Vraag F36

Zijn er bepaalde groepen die onevenredig hard getroffen worden door de maatregelen en wat doet de regering hieraan?

Vraag F37

Zijn er bepaalde gebieden in Nederland die meer of minder worden getroffen door de pandemie en hoe zijn de maatregelen hierop afgestemd?

Vraag F38

In hoeverre zijn de modellen gebaseerd op gegevens uit andere landen en wat is de mate van relevantie hiervan voor Nederland?

Vraag F39

Welke deskundigen en instanties worden betrokken bij het ontwikkelen en evalueren van de modellen?

Vraag F40

Zijn er protocollen en procedures opgesteld in geval van een onjuiste uitkomst van de modellen?

Vraag F41

Welke maatregelen worden genomen om het vertrouwen in de genomen maatregelen te vergroten?

Vraag F42

In hoeverre worden burgers betrokken bij het ontwikkelen en evalueren van de modellen en wat is de rol van publieke participatie hierin?

Vraag F43

Zijn er mogelijkheden om de modellen in de toekomst openbaar te maken en hoe zou dit moeten worden georganiseerd?

G. Vragen over de Denktank Desinformatie

Vraag G1

Wat is de functie van de Denktank Desinformatie tijdens de covid-19-pandemie?

Vraag G2

Hoe is de Denktank samengesteld?

Vraag G3

Welke experts zitten er in de Denktank? Indien uit privacyoverwegingen geen namen gegeven kunnen worden, dan graag ten minste opleiding, ervaringsgebied en functie.

Vraag G4

Wie heeft het initiatief genomen om de Denktank op te richten? Van wie was het oorpsronkelijke idee? Werd er ook vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) aangedrongen op de oprichting van een dergelijke Denktank?

Vraag G5

Welke criteria worden gebruikt om te bepalen wat desinformatie is?

Vraag G6

Wie bepaalt deze criteria?

Vraag G7

Is er overleg geweest met andere belanghebbenden over deze criteria?

Vraag G8

Hoe verifiëren de experts of informatie juist is of niet?

Vraag G9

Hoe controleert de Denktank de betrouwbaarheid van de bronnen die ze raadplegen?

Vraag G10

Welke methoden gebruikt de Denktank om desinformatie op social media te bestrijden?

Vraag G11

Welke online platforms zijn betrokken bij de inspanningen van de Denktank?

Vraag G12

Hoeveel tijd besteedt de Denktank aan het monitoren en bestrijden van desinformatie?

Vraag G13

Welke resultaten heeft de Denktank geboekt in het bestrijden van desinformatie?

Vraag G14

Worden de resultaten van de Denktank gedeeld met het publiek?

Vraag G15

Is er een budget toegewezen aan de Denktank? Zo ja, bij welk Ministerie en om welk bedrag gaat het?

Vraag G16

Hoe wordt dit budget gebruikt?

Vraag G17

Wie betaalt de experts van de Denktank? Hoe worden, als de experts niet betaald worden, hun uren tijdens werkdagen gecompenseerd? Gebeurt dat door hun werkgever? Wordt de wergkever direct of indirect gecompenseerd door bijvoorbeeld gunning van onderzoeksgeld?

Vraag G18

Hoe verzekert de Denktank zich van de onafhankelijkheid van de experts?

Vraag G19

Is er een klachtenprocedure voor mensen die menen dat de Denktank geen onpartijdig oordeel over desinformatie geeft? Zo nee, waarom niet?

Vraag G20

Welke effecten heeft de aanpak van de Denktank op de vrijheid van meningsuiting?

Vraag G21

Is er een risico dat de Denktank legitieme opinies onterecht bestempelt als desinformatie?

Vraag G22

Heeft de Denktank een directe lijn met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

Vraag G23

Hoe vaak rapporteert de Denktank aan de Minister?

Vraag G24

Zijn er ooit meningsverschillen geweest tussen de Denktank en de Minister over desinformatie over de pandemie?

Vraag G25

Zijn er situaties geweest waarin de Denktank fouten heeft gemaakt bij het beoordelen van informatie? Hoe zijn deze fouten gecorrigeerd en zijn mensen die ten onrechte zijn beschuldigd van het verspreiden van desinformatie in ere hersteld? Zo nee, waarom niet?

Vraag G26

Hoe kan het publiek erop vertrouwen dat de Denktank volledig onafhankelijk opereert?

Vraag G27

Wordt er met andere landen samengewerkt op het gebied van bestrijding van desinformatie over covid-19?

Vraag G28

Hoe wordt de expertise van de Denktank gedeeld met andere landen?

Vraag G29

Is er een internationale standaard voor het beoordelen van desinformatie over de pandemie?

Vraag G30

Welke rol speelt de Wereldgezondheidsorganisatie in het bestrijden van desinformatie over covid-19?

Vraag G31

Hoeveel toegang heeft de Denktank tot gevoelige informatie over de pandemie?

Vraag G32

Wie heeft er toegang tot de informatie die de Denktank verwerkt?

Vraag G33

Is de Denktank verplicht om vertrouwelijke informatie te delen met andere instanties?

Vraag G34

Wat gebeurt er met informatie die niet kan worden geverifieerd?

Vraag G35

Zijn er situaties waarin de Denktank informatie achterhoudt?

Vraag G36

Hoe wordt de privacy van individuen beschermd die betrokken zijn bij desinformatie over covid-19?

Vraag G37

Hoe kan het publiek informatie inbrengen bij de Denktank?

Vraag G38

Hoe wordt de transparantie van de werkzaamheden van de Denktank gegarandeerd?

Vraag G39

Is er een klachtenprocedure voor mensen die vinden dat ze onterecht als verspreider van desinformatie worden bestempeld?

Vraag G40

Hoe beoordeelt de Denktank informatie die afkomstig is van individuen of kleine organisaties?

Vraag G41

Is de samenstelling van de Denktank openbaar? Zo nee, waarom niet? Indien het om privacy gaat van de leden, hoe zit het dan met privacy van de mensen die zij als verspreiders van desinformatie bestempelen?

Vraag G42

Wat zijn de achtergronden van de experts die in de Denktank zitten? Oordelen zij altijd binnen hun competentiegebied?

Vraag G43

Zijn leden van de Denktank onderworpen aan een gedragscode?

Vraag G44

Is er een protocol voor de omgang met informatie die de Denktank verwerkt?

Vraag G45

Hoe lang blijft informatie bewaard die door de Denktank is verwerkt?

Vraag G46

Wordt de effectiviteit van de Denktank periodiek geëvalueerd?

Vraag G47

Wie voert de evaluatie van de Denktank uit? Is dit bij de opdrachtgever belegd of bij een commissie of stuurgroep waarin onafhankelijke experts zitting hebben?

Vraag G48

Worden de resultaten van de evaluatie openbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?

Vraag G49

Is er een plan voor de afbouw van de activiteiten van de Denktank na de pandemie?

Vraag G50

Welke lessen kunnen worden getrokken uit de ervaringen van de Denktank?

H. Vragen over de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)

Vraag H1

Op welke manier heeft de NCTV zich bemoeid met het beleid van Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tijdens de pandemiebestrijding?

Vraag H2

Hoe is het mogelijk dat de NCTV zo'n sterke invloed had op het beleid, terwijl het parlement geen controle had over de NCTV?

Vraag H3

In hoeverre zijn de maatregelen die de NCTV doordrukte proportioneel en noodzakelijk geweest en welke garanties waren er dat deze maatregelen de mensrechten niet hebben geschaad?

Vraag H4

Op welke manier heeft de NCTV de mogelijkheid gehad om beleid door te drukken, terwijl er geen controle was vanuit het parlement?

Vraag H5

Wat wordt er gedaan om ervoor te zorgen dat de NCTV niet dezelfde invloed heeft op het beleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de toekomst?

Vraag H6

Zijn er nieuwe wetsvoorstellen of andere regelingen die op dit moment de NCTV in staat stellen om op dezelfde manier het beleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te beïnvloeden?

Vraag H7

In welke mate worden mensenrechten in overweging genomen bij het bestrijden van de pandemie?

Vraag H8

Wat zijn de belangrijkste punten waar de NCTV op moet letten om ervoor te zorgen dat het beleid dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voert, overeenkomt met internationale wetten en standaarden voor de mensenrechten?

Vraag H9

Kan de NCTV enige voorbeelden geven van beleidsmaatregelen die inbreuk hebben gemaakt op mensenrechten en achteraf onnodig bleken te zijn?

I. Borging mensenrechten en proportionaliteit

Vraag I1

Welke maatregelen zijn er in de gewijzigde Wet publieke gezondheid opgenomen die door de NCTV zijn bedacht of aanbevolen?

Vraag I2

In hoeverre zijn deze maatregelen in overeenstemming met internationale wetten en standaarden op het gebied van de mensenrechten?

Vraag I3

Welke garanties zijn er dat de gewijzigde Wet publieke gezondheid de mensrechten niet zal schaden?

Vraag I4

Hoe versterkt de gewijzigde Wet publieke gezondheid de controle van het parlement op de NCTV en eventuele andere organisaties die betrokken zijn bij het formuleren van volksgezondheidsbeleid?

Vraag I5

Op welke manier wordt er rekening gehouden met de privacy van burgers in de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I6

Komen de maatregelen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid overeen met de fundamentele vrijheden en rechten van burgers?

Vraag I7

Wat is er gedaan om ervoor te zorgen dat de gewijzigde Wet publieke gezondheid niet tot autoritaire praktijken leidt?

Vraag I8

Welke waarborgen voor een democratisch proces zijn er als de regering deze gewijzigde Wet publieke gezondheid invoert?

Vraag I9

Stel dat er een politieke aardverschuiving komt en een extremistische regering aan de macht komt, welke wetten of andere democratische instrumenten weerhouden een Minister ervan om een beleid van repressie en willekeur te voeren?

Vraag I10

Hoe ziet de regering de rol van de NCTV en andere organisaties in de formulering en uitvoering van volksgezondheidsbeleid?

Vraag I11

Zal de regering eventuele aanbevelingen van een in de toekomst in te stellen parlementaire commissie overwegen om de gewijzigde Wet publieke gezondheid te verbeteren en de controle van het parlement te versterken?

Vraag I12

Volgens welke procedure vindt de toetsing van de mensenrechten plaats bij de inwerkingstelling van de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I13

Hoe verhouden de maatregelen uit de gewijzigde Wet publieke gezondheid zich tot de fundamentele principes van de democratie en de rechtsstaat?

Vraag I14

In hoeverre zijn er checks and balances om ervoor te zorgen dat de regering niet te veel macht krijgt met de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I15

Kan de regering specifieke voorbeelden geven van hoe de gewijzigde Wet publieke gezondheid bijdraagt aan een holistische en evenwichtige benadering van de volksgezondheid tijdens een uitbraak? In de vorige pandemie is in eerste instantie alleen gelet op aantal besmettingen en ziekenhuisopnamen en niet op andere gezondheidsmetrics.

Vraag I16

Hoe zal de regering ervoor zorgen dat kwetsbare groepen niet onevenredig getroffen worden door de maatregelen van de gewijzigde Wet publieke gezondheid? Denk aan maatregelen waarvan de effecten onbekend zijn, maar waarvan we nu weten dat ze heel schadelijk zijn gebleken voor bijvoorbeeld kinderen of ouderen.

Vraag I17

Zijn er waarborgen om ervoor te zorgen dat de maatregelen die worden opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid, niet worden gebruikt als voorwendsel om de rechten van burgers te beperken?

Vraag I18

Hoe worden data en gegevens beschermd in het kader van de gewijzigde Wet publieke gezondheid? Waarom zijn de Europese transparantierichtlijnen nog niet geïmplementeerd?

Vraag I19

Kan de regering een update geven over eventuele wijzigingen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid als gevolg van hoorzittingen van stakeholders of commentaar van burgers?

Vraag I20

Is er ruimte in de gewijzigde Wet publieke gezondheid voor medische zorg die niet is gerelateerd aan covid-19 of andere infectieziekten, en zo ja, hoe wordt deze medische zorg tijdens een uitbraak gegarandeerd?

Vraag I21

In welke mate zijn internationale standaarden voor gezondheid en mensenrechten opgenomen in de Wet publieke gezondheid en klopt het dat hieraan uitsluitend op vrijwillige basis invulling wordt gegeven?

Vraag I22

Op welke manier worden beslissingen genomen over de maatregelen die worden opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid en wat is de rol van de NCTV hierbij?

Vraag I23

Zijn er recente voorbeelden waarbij de NCTV invloed heeft uitgeoefend op welke maatregelen worden opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid en zo ja, op wat voor manier?

Vraag I24

Hoe denkt de regering ervoor te zorgen dat toekomstige gezondheidscrises niet leiden tot dezelfde problemen als tijdens de covid-19-pandemie, met betrekking tot de maatregelen die genomen worden om de pandemie te beheersen, nu er van deze maatregelen geen uitgebreide evaluatie heeft plaatsgevonden ondanks diverse verzoeken daartoe vanuit het parlement en de samenleving?

Vraag I25

Hoe ziet de regering de rol van burgers en maatschappelijke organisaties bij het formuleren van volksgezondheidsbeleid?

Vraag I26

Zijn er gebieden waarin de regering van plan is de vrijheid van burgers verder in te perken onder het mom van de gezondheidszorg?

Vraag I27

Op welke manier zorgt de regering ervoor dat de noodzaak en proportionaliteit van de maatregelen die worden opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid worden aangetoond, en wie zal verantwoordelijk zijn voor deze taak? Wordt hierover transparant gerapporteerd en worden data die ten grondslag liggen aan een wetenschappelijke onderbouwing ook met het publiek gedeeld?

Vraag I28

Hoe verhouden eventuele beperkingen van de vrijheid van burgers zich tot het recht op vrije meningsuiting en het recht op privacy?

Vraag I29

In hoeverre zijn er waarborgen voor burgers om de maatregelen die zijn opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid aan te vechten? De voorzieningenrechter heeft in het verleden gezegd niet te oordelen over maatregelen die zijn geadviseerd door het OMT. Dat opent de mogelijkheid om maatregelen via het OMT een wetenschappelijk tintje te geven en deze zo uit de beoordelingscompetentie van de voorzieningenrechter te plaatsen.

Vraag I30

Hoe ziet de regering het evenwicht tussen volksgezondheid en economische belangen? Economische belangen zijn tijdens covid-19 ondergeschikt gemaakt aan niet altijd even duidelijke belangen (want niet met verifieerbare data onderbouwt) van de zorgsector.

Vraag I31

Op welke manier zorgt de gewijzigde Wet publieke gezondheid voor transparantie en verantwoordingsplicht van degenen die de maatregelen uitvoeren?

Vraag I32

Zijn er soortgelijke wetten in andere landen die als voorbeeld hebben gediend voor de gewijzigde Wet publieke gezondheid? En zo ja, op welke manier verschillen deze wetten van de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I33

Hoe ziet de regering de rol van digitale middelen bij het volgen van infectieziektes en hoe wordt privacy hierbij gewaarborgd?

Vraag I34

In welke mate zijn de analyses die de NCTV biedt, transparant en toegankelijk voor het Nederlandse volk en het parlement? Welke vertrouwelijkheidsstatus hebben deze analyses?

Vraag I35

Op welke manier is de regering van plan om de verantwoordelijkheid voor het volksgezondheidsbeleid te verdelen tussen de rijksoverheid, provinciale overheden en gemeenten?

Vraag I36

Op welke manier is de regering van plan om de weerbaarheid van de samenleving te versterken als het gaat om volksgezondheidskwesties?

Vraag I37

Hoe zorgt de gewijzigde Wet publieke gezondheid ervoor dat niet alle verantwoordelijkheid bij de overheid ligt in het oplossen van volksgezondheidsproblemen? De autonomie van artsen is in het recente verleden vaak in het geding geweest en vaak, zoals later bleek, ten onrechte.

Vraag I38

In hoeverre is er ruimte voor het maatschappelijk debat over de wijzigingen van de Wet publieke gezondheid?

Vraag I39

Op welke manier wordt de internationale samenwerking op het gebied van volksgezondheid bevorderd door de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I40

Wat zijn de belangrijkste beoordelingscriteria voor het vaststellen van de noodzaak en proportionaliteit van volksgezondheidsmaatregelen?

Vraag I41

Op welke manier zorgt de regering ervoor dat de nationale belangen niet in conflict komen met internationale wetten en standaarden voor de mensenrechten bij de uitvoering van de Wet publieke gezondheid?

Vraag I42

Wat is de rol van burgerparticipatie in de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I43

Zijn er belemmeringen voor burgers en maatschappelijke organisaties om deel te nemen aan het debat over de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I44

Op welke manier worden de belangen van burgers die actief worden beperkt door de covid-19-maatregelen, beschermd en gewaarborgd onder de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

Vraag I45

Op welke manier zorgt de gewijzigde Wet publieke gezondheid ervoor dat het justitiële systeem niet wordt overbelast door mensen die de maatregelen van de wet betwisten?

Vraag I46

In hoeverre hebben andere landen, zoals België en Frankrijk, die soortgelijke wetten hebben ingevoerd, te maken gehad met vragen over de inbreuk op de mensenrechten?

Vraag I47

Hoe zorgt de regering ervoor dat de maatregelen op basis van de gewijzigde Wet publieke gezondheid worden uitgevoerd op een manier die niet discriminerend is?

Vraag I48

Zijn er alternatieve benaderingen voor de volksgezondheidszorg die minder beperkend kunnen zijn voor de vrijheid van burgers dan de maatregelen die worden opgenomen in de gewijzigde Wet publieke gezondheid?

J. Vragen Ct-waarden

De Minister heeft in een brief aan de Raad van State aangegeven dat de Ct-waarden van positieve covid-19-PCR44-testuitslagen, gegevens die hij niet wil publiceren of meeoverwegen in zijn beleid, geen relevante medische waarde hebben. Deze stelling wordt alom betwist en is niet in overeenstemming met consensus in de wetenschappelijke wereld.

De Ct-waarde vertegenwoordigt immers de cyclusdrempel waarbij viraal RNA45 wordt gedetecteerd, en een lagere Ct-waarde geeft een hogere hoeveelheid viraal RNA aan, waardoor het een essentiële indicator is van virale belasting en besmettelijkheid. Daarom kan een Minister die geen rekening houdt met de Ct-waarden bij het nemen van beslissingen over pandemiemaatregelen, mogelijk niet over alle benodigde informatie beschikken om de meest effectieve en proportionele maatregelen te nemen. Het negeren van de Ct-waarden kan leiden tot ineffectieve en zelfs schadelijke interventies die niet zijn gericht op de gebieden waar het virus het meest voorkomt in de bevolking. Het is daarom cruciaal dat beleidsmakers een duidelijk begrip hebben van de beschikbare gegevens, inclusief de Ct-waarden, om geïnformeerde beslissingen te nemen over de maatregelen die nodig zijn om de pandemie effectief te beheersen.

Het lid van de FVD-fractie stelt de vragen over Ct-waarden nogmaals. De vragen 24, 40 en (deels) 44 zijn niet eerder gesteld.

Vraag J1

Kan de regering uitleggen waarom zij Ct-waarden niet in overweging neemt bij het nemen van beslissingen over maatregelen die zij neemt tijdens een uitbraak of een vergevorderde pandemie?

Vraag J2

Heeft de regering ooit Ct-waardegegevens bekeken of laten bekijken en vond zij dat deze niet relevant of nutteloos waren bij het nemen van pandemische beslissingen? Hoe verhoudt zich dat tot wetenschappelijk onderzoek waar Ct-waarden als zeer waardevol worden beschouwd in zowel medische als epidemiologische settings?

Vraag J3

Kan de regering het proces beschrijven dat zij gebruikt om prioriteit te geven aan verschillende soorten epidemiologische gegevens en waarom zij Ct-waarden niet in dit proces opneemt?

Vraag J4

Welke stappen onderneemt de regering om ervoor te zorgen dat haar maatregelen goed onderbouwd zijn en heeft zij er vertrouwen in dat dit bewijs rekening houdt met alle relevante factoren, inclusief Ct-waarden?

Vraag J5

Welke feedback of kritiek heeft de regering ooit gekregen over dat zij geen rekening houdt met de Ct-waarden bij het nemen van beslissingen over een pandemie, en hoe heeft zij op deze feedback gereageerd?

Vraag J6

Welke specifieke voorbeelden kan de regering noemen over pandemiegerelateerde beslissingen of beleidsmaatregelen die zij heeft genomen zonder de Ct-waardegegevens te bekijken, en welke alternatieve gegevens of factoren zij heeft gebruikt bij het nemen van deze beslissingen die de Ct-waarden als indicator voor besmettelijkheid bij een positieve testuitslag zouden kunnen vervangen?

Vraag J7

Hoe reageert de regering op zorgen dat het negeren van de Ct-waarden zou kunnen leiden tot minder effectieve pandemische bestrijdingsmaatregelen, of dat deze niet gericht zouden kunnen zijn op de gebieden met het grootste risico onder de bevolking?

Vraag J8

Heeft de regering ooit overleg gepleegd met of advies gekregen van volksgezondheidsdeskundigen die het belang benadrukken van het overwegen van Ct-waarden en, zo ja, hoe heeft zij dit advies afgewogen tegen andere factoren? Zo nee, waarom niet?

Vraag J9

Op welke wijze kan de regering technische of methodologische problemen met betrekking tot Ct-waardeanalyse uitleggen die het moeilijk of onpraktisch maken om deze gegevens op te nemen in de besluitvorming over een pandemie? Zijn deze problemen onoverkomelijk en, zo nee, waarom heeft de regering de Ct-waarden na de nodige correcties of bewerkingen nog steeds niet meegewogen in de besluitvorming bij het instellen van maatregelen?

Vraag J10

Hoe reageert de regering op belanghebbenden die om meer transparantie of verantwoording vragen bij uw pandemie gerelateerde besluitvorming, inclusief haar overweging – of het ontbreken daarvan – van Ct-waarden?

Vraag J11

Is de regering problemen of beperkingen tegengekomen bij het verzamelen, analyseren of interpreteren van Ct-waardegegevens die het moeilijk maken om op deze gegevens te vertrouwen bij het nemen van pandemische beslissingen?

Vraag J12

Hoe zorgt de regering ervoor dat het publiek de gegevens vertrouwt en begrijpt die zij gebruikt om pandemiegerelateerde beslissingen te nemen, zelfs als deze gegevens geen Ct-waarden bevatten?

Vraag J13

Welk wetenschappelijk onderzoek of welke studies kan de regering beschrijven die haar beslissing ondersteunen om geen rekening te houden met Ct-waarden bij haar pandemiegerelateerde besluitvorming?

Vraag J14

Hoe reageert de regering op kritiek dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot een overschatting of onderschatting van de werkelijke prevalentie van het virus, waardoor het moeilijk wordt om effectieve interventies te ontwerpen om de pandemie onder controle te krijgen?

Vraag J15

Kan de regering uitleggen hoe zij prioriteit geeft aan verschillende soorten pandemische gegevens, zoals het aantal gevallen of het aantal ziekenhuisopnames, en waarom deze factoren belangrijker zijn dan de Ct-waarden?

Vraag J16

Hoe zorgt de regering ervoor dat bij pandemiegerelateerde beslissingen rekening wordt gehouden met de behoeften en vooruitzichten van achtergestelde of kwetsbare bevolkingsgroepen, die mogelijk onevenredig zwaar worden getroffen door het virus?

Vraag J17

Welke specifieke voorbeelden kan de regering noemen over hoe zij feedback of suggesties van volksgezondheidsdeskundigen of andere belanghebbenden heeft verwerkt die het belang benadrukken van het overwegen van Ct-waarden?

Vraag J18

Hoe zorgt de regering ervoor dat haar pandemiegerelateerde beslissingen niet worden beïnvloed door politieke of ideologische overwegingen, maar in plaats daarvan prioriteit geven aan zorgen over de volksgezondheid?

Vraag J19

Is er ooit een situatie geweest waarin het overwegen van Ct-waarden nuttig of informatief zou zijn geweest?

Vraag J20

Kan de regering enige ethische of morele overwegingen toelichten die een rol spelen bij de beslissing om al dan niet Ct-waarden in overweging te nemen bij het nemen van pandemische beslissingen?

Vraag J21

Hoe reageert de regering op kritiek dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot een gebrek aan transparantie of verantwoording bij pandemiegerelateerde besluitvorming?

Vraag J22

Hoe zorgt de regering ervoor dat haar pandemische beslissingen datagedreven en evidence-based zijn, zelfs als dit bewijs geen Ct-waarden bevat?

Vraag J23

Hoe zorgt de regering er, gezien de snel evoluerende aard van de covid-19-pandemie, voor dat haar pandemiegerelateerde beslissingen up-to-date blijven en rekening houden met de laatste wetenschappelijke onderzoeken en inzichten?

Vraag J24

Kan de regering een specifieke training of opleiding beschrijven die zij heeft gevolgd over het onderwerp Ct-waarden en hun relevantie voor pandemiegerelateerde besluitvorming?

Vraag J25

Hoe reageert de regering op belanghebbenden die beweren dat het niet overwegen van Ct-waarden een gemiste kans is om meer genuanceerde of gerichte pandemische controlemaatregelen te ontwerpen?

Vraag J26

Op welke wijze worden mogelijke risico's of negatieve gevolgen besproken die samenhangen met het negeren van Ct-waarden bij het nemen van pandemische beslissingen?

Vraag J27

Hoe reageert de regering op de kritiek dat het negeren van de Ct-waarden zou kunnen leiden tot een gebrek aan innovatie of creativiteit bij pandemische controlemaatregelen, en in plaats daarvan zou kunnen leiden tot een afhankelijkheid van meer algemene of simplistische interventies?

Vraag J28

Hoe geeft de regering prioriteit aan de behoeften van verschillende belanghebbenden, zoals gezondheidswerkers, het publiek en andere overheidsfunctionarissen, bij het nemen van pandemische beslissingen waarbij Ct-waardeanalyse betrokken is?

Vraag J29

Zijn er specifieke uitdagingen of kansen in verband met het gebruik van niet-Ct-waardegegevens om pandemische besluitvorming te onderbouwen? Zo ja, welke?

Vraag J30

Hoe reageert de regering op zorgen dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot een gebrek aan betrokkenheid of buy-in van het publiek, dat mogelijk sceptisch staat tegenover pandemische controlemaatregelen die geen rekening houden met deze gegevens?

Vraag J31

Kan de regering uitleggen hoe zij gegevens met betrekking tot het virus verzamelt en analyseert, en hoe dit proces anders zou kunnen zijn als zij Ct-waarden als factor mee zou nemen?

Vraag J32

Kan de regering specifieke gebieden van onzekerheid of ambiguïteit bespreken waarmee zij te maken kreeg bij het nemen van pandemische beslissingen zonder rekening te houden met de Ct-waarden?

Vraag J33

Hoe reageert de regering op zorgen dat het negeren van Ct-waarden een ongelijke of oneerlijke verdeling van pandemische middelen of interventies zou kunnen veroorzaken, aangezien verschillende regio's of bevolkingsgroepen verschillende niveaus van virale prevalentie kunnen hebben?

Vraag J34

Hoe prioriteert de regering pandemische controlemaatregelen die haalbaar en praktisch uitvoerbaar zijn, en hoe kan het opnemen van Ct-waarden deze prioritering beïnvloeden?

Vraag J35

Kan de regering eventuele beperkingen of gebieden van onzekerheid in verband met niet-Ct-waarde pandemische gegevens bespreken en wat doet de regering om deze beperkingen aan te pakken bij het nemen van beslissingen?

Vraag J36

Kan de regering mogelijke onbedoelde gevolgen of negatieve gevolgen beschrijven die samenhangen met het negeren Ct-waarden bij het nemen van beslissingen tijdens een pandemie?

Vraag J37

Kan de regering uitleggen hoe zij de noodzaak van snelle pandemiegerelateerde besluitvorming in evenwicht brengt met het belang van doordachte analyse en overweging van alle beschikbare gegevens, inclusief Ct-waarden?

Vraag J38

Hoe reageert de regering op de kritiek dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot een gebrek aan innovatie of vooruitgang bij de besluitvorming in verband met een pandemie, en in plaats daarvan een afhankelijkheid van de status quo in stand zou houden?

Vraag J39

Welke specifieke uitdagingen of kansen houden verband met het gebruik van niet aan de Ct-waarde gerelateerde pandemische gegevens om de besluitvorming tijdens een pandemie te onderbouwen?

Vraag J40

Hoe zorgt de regering ervoor dat haar pandemiegerelateerde beslissingen transparant zijn en verantwoording afleggen aan het publiek, zelfs als de regering geen rekening houdt met Ct-waarden?

Vraag J41

Kan de regering eventuele verstorende factoren of variabelen uitleggen die het moeilijk kunnen maken om Ct-waardegegevens te interpreteren in de context van een pandemie? Zijn die factoren voldoende reden om die waarden niet eens te willen weten?

Vraag J42

Hoe reageert de regering op de kritiek dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot ontoereikende maatregelen ter bestrijding van de pandemie die de verspreiding van het virus niet tegengaan of de schade voor individuen verminderen?

Vraag J43

Hoe zorgt de regering ervoor dat haar pandemische beslissingen ethisch en moreel zijn, zelfs als Ct-waarden niet in uw analyse zijn opgenomen? Hoe kan de regering maatregelen aan proportionaliteit testen als zij niet geïnteresseerd is in dergelijke cruciale epidemiologische data?

Vraag J44

Kan de regering eventuele methodologische of praktische beperkingen uitleggen die haar ervan weerhouden Ct-waarden in overweging te nemen bij het nemen van pandemische beslissingen? Een streven naar dataminimalisatie, zoals eerder door het RIVM werd aangevoerd, houdt geen stand omdat de Ct-waarden voor de hele pandemie op een USB-stick zouden passen.

Vraag J45

Kan de regering mogelijke voordelen of positieve effecten bespreken die samenhangen met het minder vertrouwen op Ct-waarden bij het nemen van pandemische beslissingen? Het FVD-fractielid denkt daarbij ook aan voordelen die niets met pandemiebestrijding te maken hebben.

Vraag J46

Hoe reageert de regering op zorgen dat het negeren van Ct-waarden zou kunnen leiden tot een verlies van het vertrouwen van het publiek in pandemiegerelateerde besluitvorming of tot een aantasting van het vertrouwen in overheidsinstellingen?

Vraag J47

Kan de regering enige technische of wetenschappelijke vooruitgang met betrekking tot de Ct-waardeanalyse toelichten waardoor deze in de toekomst beter toepasbaar of relevanter zou kunnen worden voor de besluitvorming over een pandemie?

Vraag J48

Kan de regering specifieke maatstaven of indicatoren beschrijven die zij gebruikt om pandemische controlebeslissingen te onderbouwen bij gebrek aan Ct-waardegegevens?

Vraag J49

Hoe probeert de regering mogelijke risico's of negatieve effecten te beperken die samenhangen met het negeren van Ct-waarden bij het nemen van pandemische beslissingen?

K. Rechtsbescherming Wpg

Delegatiebevoegdheid en rechtsbescherming

Volgens de artikelen in dit wetsvoorstel mag de betrokken Minister regels instellen die de grondrechten ernstig inperken. Dit soort maatregelen werden al ingezet via de Tijdelijke Wet maatregelen Covid-19 (Twm). In de memorie van toelichting bij de Twm valt te lezen dat de delegatie en ingrijpende regelgevende bevoegdheid ongebruikelijk en vergaand zijn.46 De Afdeling advisering van de Raad van State stelde in haar advies omtrent de Twm dat, gelet op de tijdelijkheid en de bijzondere omstandigheden van dat moment, de delegatie toelaatbaar was.47 Dit impliceert dat deze delegatie in de regel en als permanente situatie niet zomaar is toegestaan. De aanvaardbaarheid hangt af van de tijdelijkheid en bijzondere omstandigheden van dat moment. Daarvan is heden geen sprake meer. Toch beoogt het huidige wetsvoorstel hetzelfde als de Twm.

Het is in het staatsrechtelijk bestel onjuist om grondrechten te kunnen beperken door middel van een ministeriële regeling waarin die beperkingen worden ingevuld en uitgewerkt. De Nederlandse orde van advocaten vatte deze onjuiste wijze van delegeren in haar advies van 3 november 2020 goed samen:

«Een democratisch parlement dient die bevoegdheid niet uit handen te geven aan ministers. Het parlement dient om te beginnen te oordelen over de vraag of de beoogde maatregelen noodzakelijk en evenredig geacht moeten worden en opwegen tegen de schadelijke gevolgen ervan op velerlei gebied.»48

Het invoegen van hoofdstuk Va bij de Wpg en de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 hebben de Minister destijds gemachtigd tot het maken van uitzonderingen op wettelijke en grondwettelijke rechten en vrijheden. De Nederlandse orde van advocaten schreef: «Zo’n machtiging dient uiterst zorgvuldig en zo concreet mogelijk te worden omschreven en de te verbieden of voor te schrijven gedragingen die beperkingen van de grondwettelijke rechten en vrijheden meebrengen dienen in de wet zelf te worden omschreven.»49

Ondanks al deze opvattingen neemt het huidige wetsvoorstel de delegatiebevoegdheid van de Twm zo goed als een op een over, en regelt deze permanent. De definities in het wetsvoorstel zijn ruim en het delegeren is ongeclausuleerd. Daardoor krijgt de Minister zo goed als een carte blanche om binnen de beschreven onderwerpen grondrechten in te perken.

Het lid van de FVD-fractie stelt vraag K1 t/m K4 nogmaals en voegt er een viertal nieuwe vragen (K5 t/m K8) aan toe.

Vraag K1

De Minister krijgt met dit wetsvoorstel alle bevoegdheid om te besluiten of beoogde maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn, en of ze opwegen tegen de schadelijke gevolgen op allerlei gebieden. Is deze delegatiebevoegdheid toegestaan in het staatsrechtelijk bestel? Zo ja, is het wenselijk dat een Minister uitzonderingen mag maken op wettelijke en grondwettelijke rechten en vrijheden, zonder dat diens bevoegdheden met waarborgen en clausuleringen zijn vervat? Moet een dergelijke machtiging niet zo concreet mogelijk worden omschreven?

Volgens artikel 58c kan een ministeriële regeling die een Minister met deze delegatiebevoegdheid heeft vastgesteld «niet eerder» dan een week in werking gaan, nadat deze aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft een week de tijd om tegen de regeling te stemmen. Is die week voorbij en is er niet tegengestemd, dan gaat de regeling in.

Vraag K2

Is één week genoeg voor beide Kamers om te beoordelen of de beoogde maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn, en opwegen tegen de schadelijke gevolgen ervan op allerlei gebieden? En moet het in een democratie niet zo zijn dat de Tweede Kamer eerst instemt met een regeling, voordat deze wordt vastgesteld?

Vraag K3

Welke rol speelt de controlerende bevoegdheid van Eerste Kamer na het toezenden van de regeling? Heeft de Eerste Kamer wel de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de regeling voordat de Minister deze vaststelt?

Wetgevingsjuristen van de centrale overheid horen de Aanwijzingen voor de regelgeving in acht te nemen bij het opstellen van regelgeving. In gerechtelijke procedures werd gesteld dat de door de Minister uitgevaardigde ministeriële regelingen (op grond van de Twm) niet voldeden aan aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Volgens die aanwijzing mag regelgevende bevoegdheid alleen worden gedelegeerd aan een Minister als er sprake is van administratieve voorschriften, het uitwerken van de details van een regeling, voorschriften die vaak wijziging behoeven en voorschriften die mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.

Ook werd gesteld dat met de gevolgde wetssystematiek, die ook het huidige wetsvoorstel mogelijk maakt, niet voldeed aan aanwijzing 2.19. Volgens deze aanwijzing moet de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling bevatten bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en bij welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtlijn.

Uit het recente verleden blijkt dat de Minister door deze ruime definities en de ruime bevoegdheid de grondrechten op grove wijze en geheel naar eigen invulling kan inperken. Namelijk met maatregelen zoals het sluiten van winkels en horeca, het verbieden van evenementen, en het dragen van mondneusmaskers voor iedereen van welke leeftijd dan ook, op elk tijdstip en waar dan ook buiten de woning. Om nog maar niet te spreken van de noodbevoegdheid in artikel 58d, waarbij het volstrekt onbekend is welke maatregelen de Minister kan treffen.

Vraag K4

In hoeverre voldoen de ministeriële regelingen die de Minister kan uitvaardigen aan de Aanwijzingen voor de regelgeving? Hoe kan de Tweede Kamer binnen een week voldoende controleren of de aanwijzingen in de regeling zijn gevolgd?

In de kort geding procedure jegens de Staat die tot het gerechtshof in Den Haag door de Stichting «Ik wil gewoon naar school» is gevoerd50, werd gevorderd dat je kinderen niet mag verplichten op school een mondkapje te dragen. Dit kan namelijk psychisch en lichamelijk schadelijk voor kinderen zijn. In die gerechtelijke procedure is gesteld dat de destijds gehanteerde ministeriële regelging in strijd was met de Aanwijzingen voor de regelgeving. Namens de Minister werd in deze procedure aangevoerd dat als van dergelijke strijdigheid sprake zou zijn, dit de regeling niet onmiskenbaar onverbindend maakt. De Minister stelde dat voor onverbindendheid van de regeling nodig is dat de regeling strijdig is met hogere regelgeving. De Aanwijzingen voor de regelgeving is geen algemeen verbindend voorschrift, maar heeft het karakter van een interne regeling en is hoe dan ook geen hogere regeling, aldus de Minister in die procedure.

Op basis van het huidige wetsvoorstel kan een Minister dus ministeriële regelingen uitvaardigen die niet voldoen aan de Aanwijzingen voor de regelgeving, zonder dat partijen zich hier juridisch tegen kunnen weren. Dit kan door de onderhavige wetssystematiek en het principe dat de aanwijzingen «slechts het karakter hebben van een interne regeling».

Vraag K5

Is het, gezien de rechtsbescherming en grondrechtinperkingen, mogelijk voorschriften en clausuleringen in het wetsvoorstel op te nemen waardoor de Minister zo in zijn bevoegdheid wordt ingeperkt dat hij bij het uitvaardigen van een ministeriële regeling gebonden is aan de Aanwijzingen voor de regelgeving? Waarom wordt er niet voor gekozen om in het wetsvoorstel te duiden welke gedragingen kunnen worden verboden of geboden, gezien de mogelijke invloed op grondwettelijke rechten en vrijheden? En is het niet mogelijk om concreet uit te schrijven onder welke omstandigheden de Minister deze mag uitvaardigen?

Gelet op de ongeclausuleerdheid van de delegatiebevoegdheid, dient de Minister acht te slaan op (internationale) grondrechten en in hoeverre hij deze kan en mag inperken. Uit de recente praktijk blijkt dat via een ministeriële regeling algemene maatregelen kunnen worden ingesteld zonder te kijken naar mogelijke uitzonderingen voor bijzondere groepen. Kinderen zijn hiervan een voorbeeld. Volgens artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind moeten bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ongeacht of deze maatregelen worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen.

In de kort geding procedure door de Stichting «Ik wil gewoon naar school» jegens de Staat werd door de Minister gesteld dat kinderen mondkapjes droegen ter bescherming van anderen en niet ten behoeve hunzelf. De belangen van het kind stonden dus niet voorop. Daarmee erkende de Staat dat de regelgeving in strijd was met het internationale grondrecht.

Vraag K6

De vraag die tot op de dag van vandaag blijft staan, is hoe de gekozen maatregelen voor kinderen proportioneel konden zijn, als zij er zelf geen baat bij hadden en er eerder schade aan ondervonden. De Kamerstukken bij dit wetsvoorstel geven geen antwoord op deze vraag. Is de huidige wetssystematiek niet in strijd met hogere regelgeving en internationale grondrechten?

Vraag K7

Waarom eerbiedigt het huidige wetsvoorstel deze internationale grondrechten niet, en geeft zij zo veel ruimte aan delegatiebevoegdheid dat deze opnieuw kan leiden tot inperking van grondrechten? Waarom staan er geen voorschriften in over maatregelen die betrekking hebben op kinderen, zoals sluiting van scholen, of voorschriften die tegengaan dat maatregelen via scholen worden opgelegd, zodat de school vrij en toegankelijk blijft?

Vraag K8

Heeft de rechter, in het licht van de wetsystematiek en de ongeclausuleerdheid daarvan, genoeg houvast om ten volle de wetmatigheid te toetsen van ministeriële regelingen die ruimte geven aan het inperken van grondrechten, ten opzichte van de in de Wpg gegeven bevoegdheid?

L. Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie51 (Wamca) en toegang tot het recht

Aanvechting van maatregelen op grond van de voorgestelde wijziging van de Wet publieke gezondheid zal waarschijnlijk vooral gebeuren via ideële stichtingen of verenigingen. Zij behartigen de belangen van personen die zich niet kunnen verenigen met de maatregelen. In het wetsvoorstel staan zorgplichtbepalingen (zie artikel 58j en 58k). De beheerder moet een bepaalde zorgplicht vervullen, dan pas wordt de publieke of besloten plaats opengesteld. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van maatregelen liggen volgens dit wetsvoorstel bij bedrijven, organisaties en particulieren. Als zij de zorgplicht niet vervullen is een sanctionering mogelijk.

Op basis van deze zorgplichtbepaling heeft de regering in het recente verleden scholen, winkels, horeca en werkgevers verplicht om maatregelen uit te voeren. Als zij dat niet deden, kregen zij boetes en/of was er bestuursdwang. De maatregelen raakten meestal kwetsbare personen, zoals kinderen op school die verplicht zijn onderwijs te volgen, werknemers in een hiërarchische situatie die niet konden opkomen voor hun grondrechten, reizigers in het openbaar vervoer die strafrechtelijke sancties niet konden betalen. Om deze groepen te helpen, zochten partijen die een collectief ideëel belang nastreven hun toegang tot het recht.

Met de inwerkingtreding van de Wamca is onvoldoende rekening gehouden met deze partijen en hun toegang tot het recht. Een van de belangrijkste problemen is het wettelijk voorgeschreven, getrapte regime. Eerst moet namelijk de dagvaarding gepubliceerd worden en drie maanden ter inzage liggen, pas daarna kan worden doorgeprocedeerd, maar dan alleen over de ontvankelijkheid. Dit leidt tot grote vertraging en enorme kosten.

Volgens artikel 1018c, lid 5, sub a zijn er twee mogelijke situaties. De eerste is de «gewone» situatie, waarbij wordt getoetst of een partij voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a, lid 1 tot en met 3 BW. De tweede is de uitzonderingssituatie, zoals geregeld in artikel 3:305a lid 6 BW. Dit artikel verwijst naar de vereisten van artikel 3:305a lid 2 en 5 BW. Als getoetst is dat dit artikel van toepassing is, kan de rechter besluiten om de vereisten artikel 3:305a lid 2, subonderdelen a tot en met e BW en lid 5 BW en 5 BW buiten beschouwing te laten.

Partijen die een collectief ideëel belang nastreven kunnen vaak niet anders dan beroep doen op de uitzonderingssituatie. Meestal kunnen zij door gebrek aan mensen en middelen geen belangenorganisatie oprichten die voldoet aan de zeer scherpe ontvankelijkheidseisen van de «gewone» situatie. De uitzonderingssituatie houdt in dat de rechter alleen gebruik mag maken van de discretionaire bevoegdheid (i) wanneer de rechtsvordering is ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of (ii) wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon of van de belanghebbende personen tot bescherming daartoe aanleiding geeft. In beide gevallen is de eis dat de rechtsvordering niet strekt tot schadevergoeding in geld.

Aan die vereisten wordt meestal voldaan. Wrang is echter dat het dan de rechter moet zijn die via discretionaire bevoegdheid beslist of zij de partij toestaat in de procedure.

Door de Wamca is er nu ook nog eens een strengere en intensievere toets voor ontvankelijkheid. Die houdt onder andere een representativiteitstoets in. Representativiteit gaat over het gezag van de organisatie op het terrein waarop zij actief is, en haar geschiktheid om dit belang te vertegenwoordigen. Dat gezag wordt ontleend aan de combinatie van deugdelijke organisatie en inhoudelijke expertise.

Wat ook van belang is volgens de jurisprudentie, is de omvang en omschrijving van de vertegenwoordigde gedupeerden in verhouding met het totaal aantal gedupeerden. Dit is vaak problematisch voor het voldoen aan representativiteit. Deze toets maakt het ideële organisaties uiterst moeilijk om een ontvankelijkheidsverklaring te krijgen. Volgens de wet moet een rechter eerst besluiten dat aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan, voordat de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering plaats kan vinden. Het maakt niet uit of de wederpartij een verweer voert tegen ontvankelijkheid: de rechter kan niet van deze eis afwijken.

In de praktijk met de Twm is daarom gebleken dat de Staat alle ontvankelijkheidsargumenten aanvoert om niet tot inhoudelijke behandeling van de zaak te komen. In de bodemprocedure van de Stichting Ademvrij leidde dit ertoe dat de ontvankelijkheidszaak nog liep terwijl de Twm al was komen te vervallen.52 De rechter dient ambtshalve de ontvankelijkheidseisen te toetsen.

Vraag L1

Is in het wetsvoorstel de toegang van het recht genoeg verzekerd voor partijen die een collectief ideëel belang nastreven, zeker gezien de strengere en intensievere toets voor ontvankelijkheid die de Wamca behelst? En is de Wamca en de vertragende werking daarvan voor de procedure, niet een enorme belemmering voor de toegang tot het recht? Hoe staat dat in relatie tot de bevoegdheid van de Minister om na een termijn van één week maatregelen in te voeren die een grove inperking op grondrechten zijn?

Volgens artikel 13 EVRM (effective remedy) moet de drempel voor het handhaven van mensenrechten laag zijn. Het rechtsmiddel dat de klager ter beschikking staat, moet verdragsschending kunnen verhelpen en moet ook in de praktijk effectief zijn. Het moet toegankelijk zijn en er mogen geen onredelijke voorwaarden gesteld worden om er een beroep op te doen. Het rechtsmiddel moet genoegdoening kunnen bieden en een redelijke kans van slagen hebben.

Vraag L2

Is de Wamca in combinatie met de bevoegdheid van de Minister om al na een week grondrecht inperkende maatregelen uit te vaardigen, in lijn met artikel 13 EVRM?

Vraag L3

Is de Wamca in combinatie met de bevoegdheid van de Minister om al na een week grondrecht inperkende maatregelen uit te vaardigen, in lijn met artikel 6 EVRM? Dat eist dat het recht op toegang tot een rechter «praktisch en doeltreffend» is? Is het niet wenselijk om een rechtsmiddel te organiseren waarin de rechterlijke procedure is vereenvoudigd en versneld, zodat de procedures van partijen die voor de belangen van kwetsbare groepen mensen opkomen, daadwerkelijk een kans van slagen hebben?

Vraag L4

Is het wenselijk dat er een risico bestaat dat de politieke mening van de rechter een rol speelt bij het wel of niet buiten beschouwing laten van de ontvankelijkheidseisen?

Vraag L5

Leidt de Wamca en de vertraging in de procedure er niet toe dat het recht op toegang tot een rechter onbetekenend wordt? Of het recht op de toegang tot een rechter zelfs beperkt? Vormt de Wamca niet een barrière, waardoor een procespartij haar zaak niet inhoudelijk door de bevoegde rechter kan laten beoordelen?

Op 21 februari 2023 nam de Tweede Kamer een motie aan53 waarin zij de regering vraagt te verkennen of het wenselijk is om nadere regelgeving te maken met betrekking tot het representativiteitsvereiste voor ideële belangenorganisaties.

Vraag L6

Erkent de Tweede Kamer daarmee dat de rechtsbescherming voor partijen die een collectief ideëel belang nastreven niet op orde is? Is het wel wenselijk het wetsvoorstel door te laten gaan zolang de Wamca de toegang tot een rechter bij grove grondrecht inperkende maatregelen tegenhoudt?

M. Gevoerde rechterlijke procedures en rechtsbescherming

In artikel 58b gaat over het doel, de noodzaak, geschiktheid, proportionaliteit en subsidiariteit van een maatregel. Een dergelijk artikel was eerder ook in de al vervallen Twm opgenomen. Uit de gevoerde rechtszaken is echter gebleken dat de rechterlijke macht geen grondige materiële grondrechtentoetsing uitvoerde. Met uitzondering van een enkel geval in de avondklokprocedure (in eerste aanleg), werd een proportionaliteitstoets nooit uitgevoerd. De rechterlijke toetsing van coronamaatregelen richtte zich in de praktijk slechts op de vraag of het advies van het OMT evident onjuist was. Het OMT diende echter maar één belang en dat was bestrijding van de pandemie. Het gevolg is dat dit smalle belang alle rechtsvorming bepaalde. De geschiktheid, subsidiariteit en de belangenafweging werden effectief genegeerd. Het opnemen van een artikel met reikwijdte en doel is dus onvoldoende voor een volledige en geschikte rechterlijke toetsing.

Het lid van de FVD-fractie legt de regering hierover nogmaals twee vragen (M1 en m2) voor (K5 en K6 uit het nader voorlopig verslag) en voegt hier een nieuwe vraag (m3) aan toe.

Vraag M1

Hoe wordt voorkomen dat deze rechtspraak in de toekomst weer wordt gevolgd (het betreft heden standaardjurisprudentie) en dat bij het opleggen van maatregelen de volledige en geschikte rechterlijke toetsing uitblijft? Maakt recente rechtspraak, waarbij het advies van het OMT als leidraad werd genomen, artikel de 58b niet betekenisloos?

Vraag m2

In hoeverre zijn deze wetssystematiek en de ongeclausuleerdheid de oorzaak van het uitblijven van een volledige en geschikte rechterlijke toetsing?

In de kort geding procedure door de Stichting «Ik wil gewoon naar school» jegens de Staat werd door de Minister gesteld dat kinderen mondkapjes droegen ter bescherming van anderen en niet ten behoeve van hunzelf. Kinderen moesten maatregelen zoals schoolsluiting, de 1,5 meter afstand en het dragen van mondkapjes ondergaan, ter bescherming van de kwetsbaren en ouderen. Daarmee waren de maatregelen voor kinderen nooit proportioneel.

Vraag m3

Hoe wordt voorkomen dat er op basis van dit wetsvoorstel wederom disproportionele maatregelen voor kinderen worden opgelegd? Is het niet wenselijk ten behoeve van kwetsbare groepen zoals kinderen en jongeren extra waarborgen op te nemen ter bescherming van hun lichamelijk en psychisch welzijn?

N. Bestuurlijke handhaving en boetes

Met het wetsvoorstel kunnen personen en rechtspersonen meteen worden beboet als zij geen uitvoering geven aan nieuwe maatregelen van de Minister en kan er handhaving tegen hen worden ingezet. Voor ondernemingen betekent dit hoge dwangsommen of zelfs gedwongen sluitingen.

De in dit wetsvoorstel vervatte zorgplichtbepalingen dwingt scholen, werkgevers en winkels ertoe om de uitgevaardigde maatregelen op te leggen aan leerlingen, werknemers en klanten. Dat impliceert dus dat in Nederland door middel van wetgeving een samenleving kan ontstaan waarin haar ingezetenen onderling tegenover elkaar komen te staan. Kinderen tegenover leraren, reizigers tegenover vervoerders, werknemers tegenover werkgevers. Een samenleving waarin scholen, winkels, horeca, werkgevers en conducteurs moeten optreden als toezichthouder, zonder de benodigde vaardigheden en bevoegdheden. Als zij deze rol niet op zich nemen, riskeren zij handhaving en boetes.

Het FVD-fractielid heeft hierover een vraag (N1), die al eerder werd voorgelegd (K7 uit het nader voorlopig verslag).

Vraag N1

In hoeverre is het wenselijk in een democratische samenleving om wetgeving zo vorm te geven dat inwoners tegenover elkaar komen te staan bij de toepassing van maatregelen?

O. Mondkapjes

Het lid van de FVD-fractie legt de regering nogmaals enkele vragen (O1 t/m O6) over de mondkapjes voor (vragen K8 t/m K13 uit het nader voorlopig verslag).

Vraag O1

Werkgevers moesten in het recente verleden onder straffe van handhaving hun werknemers verplichten om in een aantal omstandigheden mondkapjes te dragen. Waren deze verplichtingen in lijn met Arbowetgeving?

In de recent uitgevaardigde mondkapregeling bestond een uitzonderingsartikel. Inwoners die een beroep deden op deze uitzondering moesten in veel gevallen medische gegevens verstrekken om de verbalisant, organisatie of winkel bereid te vinden te accepteren dat zij geen mondneusmasker konden dragen.

Vraag O2

Schuurde dit niet met de geldende privacywetgeving? Inzage geven in medische stukken behoeft toestemming, rechtshandeling zijnde «wil en verklaring», van de betrokkene in kwestie. Maar hier kwam de wil van de betrokkenen duidelijk gebrekkig tot stand. Het is zeer aannemelijk dat de betrokkene slechts inzage gaf om onder een opgelegde boete uit te komen, of toestemming te krijgen tot toegang.

Redenen waarom een persoon geen mondneusmasker kan dragen, zijn van buitenaf niet altijd zichtbaar. Toch kwamen alle chronisch zieken, gehandicapten en mensen met beperkingen waarbij het dragen van een mondneusmasker niet van hen gevergd kan worden omdat dit leidt tot psychische en lichamelijke klachten, de afgelopen jaren ten tijde van de mondkapjesplicht in een intimiderende situatie terecht. Zij werden gedwongen om privacygevoelige informatie te overleggen, of om een boete te krijgen omdat de verbalisant in kwestie het bewijs niet afdoende achtte.

Vraag O3

In hoeverre was de mondkapregeling, die op basis van dit wetsvoorstel opnieuw kan worden uitgevaardigd, niet in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van een handicap of chronische ziekte?

Vraag O4

Hoe kan worden voorkomen dat de Minister algemene maatregelen uitvaardigt zonder wordt onderzocht in hoeverre dit in lijn is met privacywetgeving, een goede werkomgeving dan wel wetgeving gericht op het tegengaan van discriminatoire uitlatingen en handelingen?

Bij het tegengaan van oplegging van een lastgeving of sluiten van een gelegenheid moet eerst de algemene bestuursrechtelijke procedure van de Algemene wet bestuursrecht worden doorlopen. Dit terwijl de lastgeving meteen grote gevolgen heeft voor de betreffende onderneming. De rechtszoekende heeft recht op een gerechtelijke toetsing van de noodzaak, geschiktheid, proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel, maar in de praktijk duurt het, gezien de druk op de rechterlijke macht, weken zo niet maanden voordat de rechter uitspraak doet. De Wet tijdelijk huisverbod gebiedt daarentegen dat de uithuisgeplaatste binnen drie dagen door de voorzieningenrechter moet worden gehoord en dat de voorzieningenrechter binnen 24 uur na de behandeling van de zaak uitspraak doet.

Vraag O5

Is het niet wenselijk om, gezien de mogelijk zeer vergaande maatregelen, het wetsvoorstel dezelfde procedure als in de Wet tijdelijk huisverbod hanteert?

Op basis van dit wetsvoorstel kan de Minister, gelijk als in het recente verleden, de grondrechten van inwoners van Nederland op grove wijze en geheel naar eigen invulling inperken. Namelijk via maatregelen als het sluiten van winkels, horeca, het verbieden van evenementen, dragen van mondneusmaskers voor iedereen van welke leeftijd dan ook, op elk tijdstip en waar dan ook buiten de woning.

Vraag O6

Waarom is ter rechtsbescherming van de inwoner niet gekozen voor een uiterst zorgvuldig en zo concreet mogelijke omschrijving van de te verbieden of voor te schrijven gedragingen, aangezien die eisen grote beperkingen meebrengen voor de grondwettelijke rechten en vrijheden?

P. Overige vragen

Vraag P1

De inreisbeperkingen die destijds zijn opgelegd aan China hadden een onduidelijke grondslag. Deze werden collectief ingevoerd. Welke borging is er voor de toekomst om een onrechtmatige toepassing van een maatregel te voorkomen?

Vraag P2

Waarom worden er in de gewijzigde Wpg andere pathogenen (ook die minder snel besmettelijk zijn) dan alleen specifiek respiratoire pathogenen toegevoegd?

Vraag P3

Op welke wijze is de juridische bescherming van de burger geregeld als het gaat om de uitvoering van maatregelen van A-1 infectieziekten door de burgemeester?

Vraag P4

In hoeverre maakt de gewijzigde Wpg het mogelijk om een vaccinatieplicht op te leggen?

Tot slot

De vaste commissies voor Justitie en Veiligheid (J&V), voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ) zien de nota naar aanleiding van het verslag uiterlijk vrijdag 12 mei 2023 met belangstelling tegemoet. Onder voorbehoud van tijdige ontvangst van deze nota kan het plenaire debat over het wetsvoorstel op 15/16 mei 2023 plaatsvinden.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Klip-Martin

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich

De griffier voor dit verslag, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Van den Berg (VVD), Arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU), Hiddema (Fractie-Frentrop) en Krijnen (GL).

X Noot
2

Samenstelling:

Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD) (voorzitter), Vos (VVD), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Prast (PvdD), Van Pareren (Fractie-Nanninga) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Krijnen (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van der Voort (D66), Keunen (VVD), Hermans (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Karakus (PvdA).

X Noot
3

Samenstelling:

Kox (SP), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Bezaan (VVD), Van den Berg (VVD), Crone (PvdA), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (Fractie-Frentrop), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Talsma (CU) en Dessing (FVD).

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I.

X Noot
5

Cycle-treshold.

X Noot
6

Kamerstukken II 2022/23, 36 194, nr. 22.

X Noot
7

Handelingen I 2021/22, nr. 36, item 14, p. 43.

X Noot
11

Polymerase chain reaction.

X Noot
14

International Health Regulations.

X Noot
15

Kamerstukken I 2021/22, 25 295, AS.

X Noot
16

Kamerstukken II 2020/21, 35 807, nr. 34.

X Noot
17

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 32.

X Noot
18

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 33.

X Noot
19

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 47.

X Noot
20

Kamerstukken II 2021/22, 36 194, nr. 3, p. 12.

X Noot
21

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 43.

X Noot
22

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 42.

X Noot
23

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 56.

X Noot
24

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 56.

X Noot
25

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 57.

X Noot
26

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 59.

X Noot
27

Maatschappelijk Impact Team.

X Noot
28

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 29.

X Noot
29

Ter inzage gelegd onder griffienummer 170150.166, p. 4.

X Noot
30

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, G, p. 9.

X Noot
31

Preadviezen Vereniging voor Administratief Recht nummer 166 – Bestuursrecht in crisistijd – p. 381 e.v.

X Noot
32

Kamerstukken I 2022/23, 36 194, I, p. 65.

X Noot
36

Kamerstukken I 2022/23, 25 295, BW.

X Noot
37

Bijlage bij brief van 13 januari 2023 met de kabinetsreactie op het tweede deelrapport over de aanpak coronacrisis van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Kamerstukken I 2022/23, 25 295, BJ).

X Noot
38

Kamerstuk 25 295, nr. 1966.

X Noot
39

Kamerstukken I 2022/2023, 35 899 / 25 295, O.

X Noot
42

Cycle-treshold.

X Noot
43

Wet open overheid.

X Noot
44

Polymerase chain reaction.

X Noot
45

Ribonucleïnezuur.

X Noot
46

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 8.

X Noot
47

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 4, p. 7.

X Noot
51

Stb. 2019, 130 (Kamerstukdossier 34 608).

X Noot
53

Kamerstukken II 2022/23, 36 169, nr. 37.

Naar boven