36 171 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafrecht BES, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafvordering BES in verband met de strafbaarstelling van het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden (strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1

Vastgesteld 21 maart 2023

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het stemt de leden positief dat voor de invulling van het begrip persoonsgegevens gekozen is om aan te sluiten op de Algemene verordening gegevensbescherming. Ook waarderen ze de gegeven duidelijkheid omtrent de positie van journalisten, klokkenluiders en betrokken burgers die maatschappelijke misstanden aan de kaak willen stellen met betrekking tot dit wetsvoorstel. Desalniettemin hebben zij over het wetsvoorstel nog enkele vragen. De leden van 50PLUS-fractie sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA.

De D66-fractieleden hebben kennisgenomen van het voorstel en wensen hierover enkele vragen te stellen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de noodzaak van de strafbaarstelling van het gebruik van persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden. De leden van de SGP-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen met betrekking tot het wetsvoorstel.

De leden van de 50PLUS-fractie sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van de SGP-fractie.

2. Dwangmiddelen en strafmaxima

Allereerst vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA of, en zo ja, welke gevolgen de twee in de Tweede Kamer aangenomen amendementen2 hebben voor de mogelijke inzet van dwangmiddelen. Voorts vragen deze leden hoe de regering de twee elkaar in strafmaximumverhogende werking versterkende amendementen waardeert? Wat is het oordeel over de intrinsieke strafwaardigheid van dit gedrag en hoe verhoudt het geamendeerde strafmaximum zich tot vergelijkbare strafbare feiten?

Met het amendement onder nummer 10 worden categorieën geïntroduceerd waarvoor een verhoogd strafmaximum geldt. Kan de regering het onderscheid in ernst van het delict dan wel te beschermen belang motiveren tussen de in het amendement genoemde categorieën en bijvoorbeeld wetenschappers, medici, leden van het OMT of anderen die niet tot de in het amendement genoemde beroepsgroepen behoort en ook een relevant belang heeft om publiekelijk stelling te nemen of een beroep uit te oefenen? Vindt de regering het met het amendement gecreëerde onderscheid te rechtvaardigen?

3. Opzet en bewijs

Kan de regering twee concrete voorbeelden geven van feitelijkheden die als voldoende bewijs kunnen dienen van het oogmerk (op vrees, overlast of hinder), zo vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA.

Hoe verhoudt «het oogmerk» zich tot «opzet» of «voorwaardelijk opzet»? Wanneer heeft een journalist in de uitoefening van zijn/haar beroep het oogmerk op de hier bedoelde effecten? Wanneer is hiervan sprake bij een klokkenluider? Welke criteria moet de rechter aanhouden om te beoordelen of iemand handelt vanuit journalistieke motieven?

Vormt het retweeten of anderszins verder verspreiden van persoonsgegevens een zelfstandig strafbaar feit? Welke rol speelt de omvang van de verspreiding (bijvoorbeeld het aantal volgers)? Hoe wordt de impact van de verspreiding meegenomen in de strafbepaling? Alleen bij de weging van de ernst of ook bij een van de elementen van de bewezenverklaring?

Kan de regering met het oog op de rechtspraktijk een voorbeeld geven van zowel vrees, ernstige overlast en ernstige hinder? Kan de regering voorts een concreet voorbeeld geven van gedragingen die (net) niet zijn bedoeld te vallen onder vrees, ernstige hinder of ernstige overlast?

Waarom heeft de regering in de delictsomschrijving de afbakening gemaakt bij «ernstige» overlast en «ernstige» hinder, zo vragen de leden van de D66-fractie. Wordt de rechter hier niet met een lastige afweging opgezadeld, wanneer de verdachte zich er in de rechtszaal op beroept dat hij slechts geringe overlast of geringe hinder wilde veroorzaken?

De schadelijke gevolgen van doxing treden niet op wanneer de verdachte niets doet met de persoonsgegevens die hij zich verschaft heeft. Welke rol speelt hier het oogmerk van intimidatie zoals dat in de delictsomschrijving staat? De regering heeft in haar reactie op advies van de Raad van State aangegeven dat zij de strafbaarstelling van het zich verschaffen niet uit de bepaling wil schrappen ondanks de problematiek met het bewijzen hiervan. De leden van de D66-fractie hebben twijfels bij de handhaafbaarheid hiervan en vragen de regering of zij de handhaving van de strafbaarstelling van het zich verschaffen nader kan toelichten.

De leden van de SGP-fractie lezen dat strafbaar wordt gesteld het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel te laten hinderen. Deze leden vragen de regering wanneer het zich verschaffen van persoonsgegevens onder dit wetsvoorstel strafbaar wordt. Intimiderende doeleinden openbaren zich pas na het verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde. Het verschaffen van persoonsgegevens openbaart zich niet aan de buitenwereld waardoor controle derhalve vrijwel onmogelijk wordt. Het verschaffen van gegevens zonder oogmerk om iemand vrees aan te jagen is niet strafbaar, maar wanneer verdachte later het oogmerk krijgt om deze gegevens te gebruiken met het oogmerk een ander vrees aan te jagen is het verschaffen wel strafbaar. Wordt het reeds verschafte met terugwerkende kracht strafbaar? En hoe wordt deze strafbaarheid aangetoond?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het vergaren, samenbrengen en publiceren van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang kan dienen. Deze leden lezen dat indien degene in het algemeen belang handelt niet het oogmerk heeft om te intimideren, en dus geen kwaadaardige bedoelingen heeft. Op hem is de voorgestelde strafbaarstelling niet van toepassing. Deze leden vragen de regering of de strafbaarstelling wel ziet op het delen van persoonsgegevens met een ander die daarom vraagt, waarvan de verstrekker geen weet heeft van de intimiderende doeleinden van de ontvanger. Kan de regering aangeven, met meer duidelijkheid dan in de Tweede Kamer, of opzet vereist moet zijn om tot een bewezen feit te komen.

4. Delictsomschrijving

Bij de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de Minister aangegeven dat het dreigen met doxing ook binnen de delictsomschrijving van de strafbaarstelling valt. Is dat wel zo, vragen de leden van de D66-fractie. Er is namelijk een scenario denkbaar waarbij een bedreiging met doxing niet binnen de delictsomschrijving valt. Namelijk wanneer iemand dreigt om persoonsgegevens van een ander te zullen delen, zonder dat deze de persoonsgegevens zich reeds heeft verschaft, verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld. Bijvoorbeeld de situatie dat iemand op internet een bericht van een anoniem account krijgt met het dreigement waarin staat dat zijn/haar persoonsgegevens openbaar zullen worden gemaakt, zonder dat degene die hiermee dreigt de persoonsgegevens reeds heeft verschaft, verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld. Dit dreigement kan dezelfde schadelijke gevolgen hebben voor het slachtoffer als bij echte doxing. De leden van de D66-fractie vragen de regering te reflecteren op deze casus en de reikwijdte van de strafbaarstelling.

Tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer werd stilgestaan bij persoonsgegevens die in een besloten app-groep worden gedeeld. De leden van de D66-fractie vragen de regering of het verspreiden dan wel in bezit hebben van die persoonsgegevens onder de reikwijdte van de strafbaarstelling vallen als degene van wie die persoonsgegevens zijn, van niets weet en geen deel uitmaakt van de besloten app-groep. Is het element van intimidatie uit de strafbaarstelling in dit voorbeeld aanwezig? Hoe denkt de regering daarover?

5. BES

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA begrijpen dat de hier aan de orde zijnde wet op gelijke wijze het Wetboek van Strafvordering BES wijzigt. Op welke wijze is met de bestuurscolleges en/of de eilandsraden van de BES overleg geweest over de vraag of deze strafbaarstelling op gelijke wijze wenselijk is in Caribisch Nederland en of er wellicht lokale aanpassingen nodig waren?

6. Verhouding andere wetgeving

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen zich af in hoeverre de nieuwe wetgeving en wetgevingsvoorstellen vanuit de Europese Unie met betrekking tot sociale media en het internet, zoals de Digital Markets Act en de Digital Services Act, een bijdrage leveren aan het voorkomen van strafbare doxing, alsmede het snel offline halen van content die strafbare doxing inhoudt?

De leden delen de zorgen van de Afdeling advisering van de Raad van State omtrent het apart strafbaar stellen van het «zich verschaffen» van persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om strafbare doxing te plegen. De leden zijn het met de regering eens dat het verschaffen van persoonsgegevens een noodzakelijke voorfase is voor strafbare doxing, maar zou dat dan niet al strafbaar zijn als strafbare poging op grond van art. 45 Sr, als het «zich verschaffen» niet in de delictsomschrijving zou zijn opgenomen? Is het wenselijk om tevens de «poging tot verschaffen» van persoonsgegevens met het oogmerk om – kort gezegd – strafbare doxing te plegen, ook al strafbaar te stellen? Hoe strookt dit met het wettelijke systeem waarin alleen voor ernstige delicten met een strafbedreiging van 8 jaar of meer ook de voorbereiding strafbaar gesteld is via art. 46 Sr.?

De voorbeelden die de regering geeft waarom het «zich verschaffen» wel opgenomen moet worden in het nieuwe delict, zijn vooral voorbeelden waarin iemand een oproep doet om persoonsgegevens te delen met het oogmerk om daar vervolgens strafbare doxing mee te plegen. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om het doen van een dergelijke oproep strafbaar te stellen, maar voor het strafbaar stellen van het «zich verschaffen» van de persoonsgegevens?

Kan de regering concreet aangeven in welke omstandigheden een (poging tot) het verschaffen van persoonsgegevens met het oogmerk om daar strafbare doxing mee te plegen, wel dermate laakbaar is dat deze strafbaar gesteld moet worden, maar niet al valt onder een ander strafbaar feit, en met name misdrijven met betrekking tot (persoons)gegevens zoals computervredebreuk (138ab Sr.) of het overnemen van niet-openbare computergegevens (138c Sr.)?

Hoe kan het oogmerk tot vrees, ernstige overlast of ernstige hinder worden bewezen bij alleen het verschaffen van persoonsgegevens? Kan de regering ook hier een concreet voorbeeld van geven. Wat is het onderscheid tussen deze specifieke strafbaarstelling (verschaffen) en strafrechtelijke afpersing of bedreiging?

Als zelflerende algoritmes de persoonsgegevens van iemand verspreiden teneinde te intimideren, wie is dan strafrechtelijk verantwoordelijk, zo vragen de leden van de D66-fractie. Wat is de rol van sociale media-platforms in deze?

De leden van de D66-fractie vragen zich af of, en zo ja, hoe algoritmes gaan worden ingezet bij de opsporing van doxing. Worden algoritmes bijvoorbeeld actief ingezet bij het zoeken naar persoonsgegevens die op het internet zijn gezet?

7. Aangifte

Wie kunnen allemaal aangifte doen van doxing behalve het slachtoffer? Kunnen dat ook maatschappelijke organisaties zijn of het in 2024 operationeel wordende meldpunt doxing, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Als een slachtoffer merkt dat haar/zijn persoonsgegevens op sociale media gedeeld zijn en dit intimiderend overkomt, en het slachtoffer het platform waar de gegevens op gedeeld zijn daarop aanspreekt en verzoekt de persoonsgegevens te verwijderen, wordt dat platform dan medeplichtig aan het misdrijf van doxing wanneer het die gegevens niet verwijdert? Als op basis van een rechterlijke machtiging de officier van Justitie een bevel geeft aan het platform de persoonsgegevens offline te halen, en het platform geeft daar uitvoering aan, kan het slachtoffer dan toch het platform (mede-) aansprakelijk stellen voor (inmiddels) geleden schade? Kan de regering daarop reflecteren?

De leden van de SGP-fractie lezen dat een zelfstandige strafbaarstelling noodzakelijk is vanwege de mate van impact van strafbare doxing op de slachtoffers, de inbreuk op fundamentele rechten van burgers en de invloed op het functioneren van onze democratische rechtsstaat en de instituties die daarvan deel uitmaken. Deze leden constateren dat een ieder aangifte kan doen van doxing. Dit brengt een hoge uitvoeringslast met zich. Deze leden vragen of opsporingsinstanties zoals de politie en het Openbaar Ministerie voldoende capaciteit hebben om van iedere aangifte serieus werk te maken? Deze leden wijzen op secundaire victimisatie wanneer slachtoffers zich melden, maar hun zaak op de plank blijft liggen en zij naast slachtoffer van doxing, ook slachtoffer van de capaciteitsproblemen in de strafrechtketen worden. Kan de regering aangeven of berekend is of er verhoogde inzet op dit dossier geraamd is en of het haalbaar is om iedere aangifte serieus te onderzoeken?

8. Geconsolideerde wettekst

De leden van de D66-fractie vragen de regering waarom zij geen geconsolideerde versie van dit wetsvoorstel ter beschikking heeft gesteld.

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Van den Berg (VVD), Arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU), Hiddema (Fractie-Frentrop) en Krijnen (GL).

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/23, 36 171, nr. 8; Kamerstukken II 2022/23, 36 171, nr. 10.

Naar boven