36 067 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met herziening van het pensioenstelsel, standaardisering van het nabestaandenpensioen, aanpassing van de fiscale behandeling van pensioen en enige andere wijzigingen ten aanzien van pensioen (Wet toekomst pensioenen)

Nr. 186 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 februari 2023

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen over de brief van 6 oktober 2022 over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen en ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen. (Kamerstuk 36 067, nr. 28)

De vragen en opmerkingen zijn op 27 oktober 2022 aan de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen voorgelegd. Bij brief van 2 februari 2023 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kuzu

De griffier van de commissie, Post

Inhoudsopgave

 

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

4

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

10

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

12

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

12

     

II

Antwoord/Reactie van de Minister

12

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen en ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen (Kamerstuk 36 067, nr. 28). De leden hebben hierover nog een aantal verdiepende vragen.

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de VVD-fractie onderschrijven de noodzaak van het borgen van fiscale hygiëne bij nettopensioenen. Zij hechten er waarde aan dat het wijzigen van de regeling voor nettopensioen zich hiertoe beperkt. Kan de Minister in dit verband bevestigen dat er geen herverdeling plaats mag vinden (van bruto- naar nettopensioen of andersom) in de nieuwe situatie en dat na wijziging pensioenfondsen niet ingeperkt worden in de mogelijkheden tot het aanbieden van nettopensioenregelingen? Kan de Minister daarop aanvullend toelichten dat het herverzekeren van sterfterisico bij de basisregeling toegestaan blijft?

Voorgenoemde leden merken op dat in de toelichting onder «Samenloop» voorwaarden worden omschreven die ook zien op andere pensioenregelingen dan de nettopensioenregeling zoals de bruto-vrijwillige pensioenregeling. Kan de Minister toelichten waarom er niet voor gekozen is om in de toelichting enkel de gevolgen van de wijziging voor de nettopensioenregeling nader toe te lichten? Verder lezen voorgenoemde leden in dezelfde paragraaf dat «in beginsel» dezelfde regels en voorwaarden voor de basispensioenregeling op de nettopensioenregeling toepasbaar zijn. Kan de Minister toelichten in welke situaties hier geen sprake van zou zijn?

Voorgenoemde leden hechten waarde aan keuzevrijheid voor pensioendeelnemers. Kan de Minister in dat verband toelichten in hoeverre deelnemers aan een nettopensioenregeling dezelfde keuzevrijheid zoals opgenomen in het nieuw voorgestelde artikel 61a van de Pensioenwet, te weten het keuzerecht voor de uitruil van een ouderdomspensioen voor een partnerpensioen op risicobasis, toekomt?

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

De leden van de VVD-fractie zijn enthousiast over de experimenteerruimte, die zelfstandigen meer ruimte biedt om pensioen op te bouwen. Zij hechten waarde aan het terugdringen van het aantal werkenden dat op dit moment geen pensioen opbouwt. Voorgenoemde leden onderschrijven daarmee de doelstelling van het Ontwerpbesluit. Zij hechten er eveneens waarde aan om te benadrukken dat pensioenopbouw voor zelfstandigen altijd een individuele en vrije keuze moet blijven en dat aan zelfstandigen nooit een pensioenplicht opgelegd moet worden.

Voorgenoemde leden vragen of de Minister kan toelichten op welke wijze getoetst wordt of een aspirant-deelnemer in aanmerking komt voor vrijwillige toetreding tot een pensioenregeling en of indien iemand eenmaal als zelfstandige deelnemer aan een pensioenregeling is, of het mogelijk is dat deze deelname tegen de zin van de deelnemer beëindigt wordt. Deze vraag stellen de leden met het oog op eventuele aanpassingen in het regelgevende kader rondom zelfstandigheid, die ervoor kan zorgen dat iemand die op de startdatum gekwalificeerd is als zelfstandige dit misschien op een later moment tijdens de experimenteerperiode niet meer is. Kan de Minister toelichten hoe wordt omgegaan met deze gevallen? En wat gebeurt er met hun ingelegde premie?

De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan deelname van (vertegenwoordigers van) zelfstandigen aan het besluitvormingsproces rondom het sociaal-economische besluitvormingsproces. In dit verband vragen zij of de Minister kan toelichten op welke wijze (vertegenwoordigers van) zelfstandigen betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het Ontwerpbesluit en de voorwaarden die voor de experimenteerruimte gelden. Tevens vragen zij of de Minister kan toelichten welke bezwaren (vertegenwoordigers van) zelfstandigen hebben geuit ten aanzien hiervan en op welke wijze de Minister door middel van aanpassingen aan het Ontwerpbesluit al dan niet tegemoetgekomen is aan deze bezwaren.

2.1.2

In deze paragraaf lezen de leden van de VVD-fractie dat vrijwillige toetreding van zelfstandigen aan het collectief gevolgen kan hebben voor de zittende (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden en de verantwoording van het bestuur aan het verantwoordings- en belanghebbendenorgaan, de raad van toezicht en niet-uitvoerende bestuursleden. Kan de Minister deze passage nader toelichten en daarbij ingaan op de gevolgen waarmee gedoeld wordt?

Kan de Minister toelichten welk afwegingskader het verantwoordingsorgaan, belanghebbendenorgaan en de raad van toezicht dienen te hanteren bij het beoordelen van een verzoek tot vrijwillige toetreding van zelfstandigen? Onder welke omstandigheden zou het weigeren van een dergelijk verzoek redelijk en billijk zijn en onder welke omstandigheden niet?

2.3.1

De leden van de VVD-fractie vragen of zelfstandigen die werkzaam zijn in de werkingssferen van verschillende pensioenfondsen de mogelijkheid krijgen om het aanbod van pensioenaanbieders te vergelijken. De leden vragen of de Minister hierop kan reflecteren. Daarnaast vragen voorgenoemde leden of voor zelfstandigen dezelfde keuzevrijheid die ook deelnemers in loondienst toekomen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibele inleg, beleggingsmogelijkheden of beleggingsprofiel of andere keuzevrijheden, zullen gelden?

2.4

Ten aanzien van automatisch aanschrijven vragen de leden van de VVD-fractie op welke wijze pensioenfondsen (kunnen) beoordelen in welke bedrijfstak een zelfstandige hoofdzakelijk actief is. Voorts merken zij op dat het geheel vormvrij laten van het akkoord gaan met een aanbod tot deelname onwenselijk is. Zij vragen of de Minister kan toelichten op welke wijze een pensioenfonds zich zeker kan stellen van het feit dat de deelname een weloverwogen keus van de zelfstandige is, indien deze deelname bijvoorbeeld door middel van een enkel woord of enkel het «doorgeven van een rekeningnummer» kennelijk kenbaar gemaakt is. Kan de Minister toelichten waarom niet is gekozen voor enige vormvereisten rondom het kenbaar maken van deze instemming, zonder dat dit tot gevolg heeft dat als gevolg van deze vereisten de drempel tot instemming te hoog wordt?

2.5

De leden van de VVD-fractie vragen op welke termijn de Minister voornemens is of verwacht de eerste resultaten van de evaluatie te kunnen publiceren.

2.6.1

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister nader kan toelichten onder welke omstandigheden zij het wenselijk acht dat een pensioenuitvoerder overgaat tot het stoppen van het aanbieden van een regeling voor zelfstandigen. Voorts vragen zij of pensioenuitvoerders kunnen stoppen met het experiment indien zelfstandigen deelnemen aan de regeling, de oorspronkelijk beoogde looptijd van het experiment verlopen is maar besloten is tot verlenging overeenkomstig de in paragraaf 2.6 besproken methode.

2.6.2

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat bij beëindiging van het experiment door de pensioenuitvoerder de zelfstandige dezelfde keuzemogelijkheden toekomen ten aanzien van de ingelegde premie als bij beëindiging omdat de experimenteerwetgeving beëindigd is en niet is omgezet in structurele wetgeving.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Naast de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en bijbehorende stukken die reeds met de Kamer waren gedeeld, hebben de leden van de fractie van D66 met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen (ontwerpbesluit netto-pensioen) en het ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling. Omdat deze leden het van belang vinden dat zelfstandigen betere mogelijkheden krijgen om pensioen op te bouwen, zeker nu pensioenopbouw voor werknemers verbeterd wordt met de Wtp, hebben deze leden hier nog een aantal vragen en opmerkingen bij.

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verpl.ichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

Omdat de leden van de D66-fractie in het ontwerpbesluit netto-pensioen lezen dat dezelfde regels van toepassing blijven op vaste uitkeringen, dus ook de regels voor het korten van pensioenen en voor toekomstbestendige indexatie, vragen deze leden naar deze regels in het stelsel uit de Wtp, waarin niet meer op dezelfde manier met rekenrentes wordt gewerkt. Deze leden vragen of zij correct begrijpen dat de regels voor de aankoop van een vaste uitkering in de flexibele premieregeling hetzelfde zijn voor zelfstandigen als voor werknemers binnen die regeling.

De taakafbakeningseis, waarover de leden van de fractie van D66 lezen dat deze past bij de kenmerken van de pensioenvoorziening, roept bij deze leden de vraag op of deze taakafbakeningseis gevolgen heeft voor mogelijke selectie-effecten van zelfstandigen in verschillende sectoren die al dan niet deelnemen aan de pensioenopbouw in de tweede pijler. Voorts vragen deze leden of deze mogelijke selectie-effecten worden betrokken bij de evaluaties van de experimenten en de evaluatie van de experimenteerbepaling.

Het vaststellen van de risicohouding van de deelnemers in het kader van de netto-pensioenregeling kan op steun rekenen van de leden van de D66-fractie. Deze leden achten het positief dat de risicohouding van deelnemers aan het netto-pensioen niet gelijk hoeft te zijn aan de risicohouding van deelnemers aan het basispensioen. Daarom vragen deze leden of dezelfde deelnemer een verschillende risicohouding kan hebben voor beide onderdelen van haar of zijn pensioen. Ook vragen deze leden naar de gevolgen voor de risicohouding als er erg weinig deelnemers zijn binnen een cohort van de netto pensioenregeling. Kan dan (deels) worden aangesloten bij de risicohouding van de basispensioenregeling, zo vragen deze leden.

Omdat de leden van de D66-fractie op pagina zes van het ontwerpbesluit netto-pensioen lezen dat een collectieve reserve optioneel is in de flexibele premieregeling, vragen deze leden of dit enkel geldt voor niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Deze leden begrijpen immers dat inmiddels wordt voorgeschreven dat een risicodelingsreserve een verplicht element is van de flexibele premieregeling voor verplicht gestelde fondsen. Kan verder worden verduidelijkt hoe in een nettopensioenregeling, die alleen nettopartnerpensioen betreft, omgegaan moet worden met een solidariteitsreserve. De leden van de D66-fractie vragen voorts of zij het juist zien dat voor een aparte nettopartnerpensioenregeling geen solidariteitsreserve aangehouden hoeft te worden. Tot slot vragen deze leden hoe de Minister de vul- en uitdeelregels van een solidariteitsreserve van een nettopensioenregeling voor zich ziet naast de regels voor de reserve uit de basispensioenregeling.

De gevolgen van de keuzes die sociale partners en pensioenuitvoerders maken kunnen gevolgen hebben voor pensioenuitvoerders die vrijwillige netto-pensioenregelingen aanbieden, zo lezen de leden van de fractie van D66. Daarom vragen deze leden op welke manier deelnemers (huidig, toekomstig en voormalig) van netto-pensioenregelingen kunnen meepraten bij de keuzes die sociale partners en pensioenuitvoerders maken.

Uit de toelichting op artikel I, onderdeel B, begrijpen de leden van de D66-fractie dat zowel oud als nieuw recht van toepassing kunnen zijn op verschillende fondsen en verschillende tijdstippen. Deze leden vragen naar de gevolgen van deze complexiteit voor de begrijpelijkheid van deelnemers aan netto-pensioenregelingen. Wat zijn de gevolgen voor het invaren van verschillende netto-pensioenregelingen en het samengaan van deze regelingen bij één nieuwe pensioenuitvoerder, zo vragen deze leden verder. Acht de Minister het wenselijk dat de netto-pensioenen gelijktijdig worden ingevaren nadat alle basispensioenen zijn ingevaren, zo vragen deze leden tot slot.

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

Kan de Minister de verwachting van de leden van de D66-fractie bevestigen dat de experimenteerbepaling niet langer in werking treedt op 1 januari 2023 maar op 1 juli 2023. Indien dit niet het geval is, vragen deze leden naar de gevolgen van inwerkingtreding van de experimenteerbepaling voordat de pensioenregelingen zijn aangepast aan de Wtp.

De leden van de fractie van D66 steunen de Minister in het voorschrijven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van een experiment. Deze leden vragen of de toelichting dat «sociale partners en werkgevers in overleg treden met zelfstandigenorganisaties over hoe de pensioenregeling voor zelfstandigen er uit moet komen te zien» betekent dat de overleggen over nieuwe solidaire of flexibele contracten in de pensioenregelingen te allen tijde gevoerd moeten worden door zowel werkgevers, als vakbonden, als zelfstandigenorganisaties. Hoe ziet de Minister de praktische uitvoering hiervan, ook met het oog op de snelheid van de transitie, zo vragen deze leden. Voorts vragen deze leden hoe de verschillen in het aantal zelfstandigen dat in een sector actief is worden meegenomen in de vertegenwoordiging van zelfstandigen bij overleggen tussen sociale partners.

Omdat de leden van de D66-fractie begrijpen dat sociale partners en werkgevers, samen met de zelfstandigenorganisaties, kunnen besluiten om een bestaande pensioenregeling voor zelfstandigen open te stellen of een aparte pensioenregeling voor zelfstandigen aan te bieden, vragen deze leden naar de voor- en nadelen van beide opties. Wanneer is het wenselijker om risico’s niet enkel binnen de groep zelfstandigen te delen maar ook met de groep werknemers en wanneer kunnen de risico’s beter door zelfstandigen onderling worden gedeeld in een eigen pensioenregeling, zo vragen deze leden. Krijgt een aparte pensioenregeling ook een apart verantwoordings- of belanghebbendenorgaan dat bestaat uit zelfstandigen, zo vragen deze leden verder.

De leden van de fractie van D66 begrijpen dat het verantwoordingsorgaan, het belanghebbendenorgaan, de raad van toezicht en de niet-uitvoerende bestuursleden de mogelijkheid krijgen om een oordeel te geven over de vrijwillige toetreding van zelfstandigen aan een pensioenregeling bij het betreffende pensioenfonds. Deze leden vragen hoe de zelfstandigen die hierdoor geraakt worden in deze fase kunnen meepraten over de besluitvorming. Voorts vragen deze leden naar de wenselijkheid van de verschillende bestuursmodellen voor betrokkenheid van zelfstandigen bij de pensioenregeling. Wordt deze meegenomen in de evaluatie van de regelingen, zo vragen deze leden.

Het stemt de leden van de D66-fractie tevreden dat pensioenuitvoerders zijn verplicht om een melding te doen bij het Ministerie van SZW over deelname aan het experiment middels een pensioenregeling voor zelfstandigen of het openstellen van een bestaande regeling. Deze leden vragen naar de maatregelen die de Minister neemt om ervoor te zorgen dat het overzicht van de Minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen over de experimenteerbepaling volledig is. Welke sancties kunnen worden opgelegd als een pensioenuitvoerder deelname aan een experiment niet of te laat meldt bij de Minister, zo vragen deze leden, en is daar een rol voor de toezichthouder voor weggelegd. De leden van de fractie van D66 zijn geïnteresseerd in de verschillen tussen regelingen die aangeboden worden en de effecten daarvan. Deze leden vragen of de Minister ook geïnteresseerd is in (de gevolgen van) deze verschillen en hoe deze inzichtelijk worden middels de evaluaties.

Op pagina 10 van het ontwerpbesluit over de experimenteerbepaling voor zelfstandigen lezen de leden van de D66-fractie dat relevante informatie over het beleggingsbeleid, de onderliggende beleggingsmix en de beleggingsresultaten onderdeel zijn van de informatievoorziening die een zelfstandige voorafgaand aan de deelneming ontvangt. Deze leden vragen of (individuele) deelnemers aan pensioenfondsen, werknemers en zelfstandigen, ook tijdens de pensioenopbouw geïnformeerd kunnen blijven worden over de onderliggende beleggingsmix, bijvoorbeeld op mijnpensioenoverzicht.nl. Specifiek vragen deze leden hoe deelnemers aan regelingen bij pensioenfondsen, waaronder zelfstandigen, geïnformeerd kunnen blijven over de mate waarin het pensioenfonds belegt in stranded assets of activa met het risico om stranded assets te worden.

Verder lezen de leden van de fractie van D66 dat ook de keuzemogelijkheden een belangrijk onderdeel zijn van de informatievoorziening. Is de Minister het met deze leden eens dat de aanwezigheid van keuzemogelijkheden ook een belangrijk onderdeel zijn van de vormgeving van de pensioenregeling en zo ja, hoe hebben (vertegenwoordigers van) zelfstandigen een stem in de aanwezigheid van keuzemogelijkheden binnen de pensioenregeling, zo vragen deze leden. In het bijzonder zijn de leden van de D66-fractie geïnteresseerd in de mogelijkheid van een flexibele inleg door zelfstandigen, omdat dit een van de belangrijkste punten was dat naar voren kwam tijdens het rondetafelgesprek over de Wtp in de Tweede Kamer. Daarom vragen deze leden naar het beeld van de Minister om voor te schrijven dat alle deelnemers aan dit experiment in ieder geval moeten zorgen voor de mogelijkheid van een flexibele inleg door zelfstandigen.

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van vrijwilligheid en de expliciete vermelding daarvan bij de informatie die de zelfstandige ontvangt. Wel vragen deze leden naar de maatregelen die worden genomen om te voorkomen dat zelfstandigen, bijvoorbeeld vanwege een overvloed aan opties, geen keuze maken voor een pensioenregeling of deze keuze (blijven) uitstellen. Hoe kijkt de Minister naar keuzebegeleiding, onafhankelijk, voor zelfstandigen om hen te helpen de juiste keuze te maken, bijvoorbeeld door de Kamer van Koophandel, zo vragen de leden van de fractie van D66.

In paragraaf 2.4 op pagina 13 van het ontwerpbesluit lezen de leden van de D66-fractie over voorwaarden die aan «automatisch aanschrijven» zijn verbonden. Omdat deze leden uit de tekst op pagina 13 begrijpen dat een zelfstandige «op het moment van aanschrijven» werkzaamheden moet verrichten in de betreffende sector maar in de artikelsgewijze toelichting op pagina 32 niets over «op het moment van aanschrijven» lezen, vragen zij naar de concrete betekenis van «op het moment van aanschrijven». Kan dit bijvoorbeeld betekenen dat iemand in de maand waarin zij of hij wordt aangeschreven, werkzaamheden moet hebben verricht in de betreffende sector, of gaat het om de specifieke dag waarop iemand wordt aangeschreven, zo vragen deze leden.

In navolging van opmerkingen van anderen, waarover de leden van de D66-fractie lezen in paragraaf 4 van het ontwerpbesluit, vragen de leden van de D66-fractie naar de gevolgen van de samenhang van de start van de experimenteerruimte met het invaren vanuit de Wtp voor de monitoring door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Naast de samenhang met het invaren, zien deze leden mogelijke gelijktijdige maatregelen vanuit het aanvalsplan witte vlek. Hoe zorgt de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen voor de samenhang tussen deze verschillende maatregelen zodat zelfstandigen niet verdwalen door alle nieuwe acties en mogelijkheden, zo vragen deze leden.

Vanwege de samenhang met de Wtp en de beperkte looptijd waarover de leden van de fractie van D66 lezen in paragraaf 2.6, vragen deze leden naar de start van de experimenten met het oog op de beperkte looptijd van de experimenten. Wanneer verwacht de Minister dat de eerste zelfstandigen zullen deelnemen aan een pensioenregeling in de tweede pijler, zo vragen deze leden. Voorts lezen zij dat een experiment ook kan eindigen als de uitvoerder hiertoe beslist. Daarom vragen de leden van de D66-fractie of de pensioenuitvoerder deze beslissing moet motiveren, bijvoorbeeld in de richting van de toezichthouder, en hoe de belangen van zelfstandigen worden meegewogen in deze beslissing door de pensioenuitvoerder. Hoe worden zelfstandigen beschermd tegen plotselinge opzegging van hun pensioenregeling, zo vragen deze leden.

Uit de afspraken die zijn gemaakt in het pensioenakkoord, begrijpen de leden van de D66-fractie dat er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering komt voor zelfstandigen. Voorts begrijpen deze leden dat deze verplichte verzekering nog niet geïntroduceerd kon worden omdat de uitvoering ervan complex is. Uit paragraaf 2.7 van het ontwerpbesluit begrijpen deze leden dat zelfstandigen er ook voor kunnen kiezen om een arbeidsongeschiktheidspensioen (op risicobasis) te nemen via vrijwillige aansluiting bij een tweede-pijler-pensioenregeling. Hoe worden de voordelen over het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidspensioen gecommuniceerd richting zelfstandigen (zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering) en hoe wordt het belang van een arbeidsongeschiktheidspensioen voor zelfstandigen zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering betrokken in de vormgeving van de pensioenregeling door sociale partners en zelfstandigen(organisaties), zo vragen de leden van de D66-fractie.

Aangezien de leden van de fractie van D66 in paragraaf 3.3.1. lezen dat veel van de terugkerende regeldrukkosten vergelijkbaar zijn met de kosten die pensioenuitvoerders nu ook maken voor de uitvoering van de pensioenregeling voor werknemers, vragen deze leden naar de gevolgen hiervan voor de kosten die zelfstandigen moeten betalen. Immers, een deel van de terugkerende regeldrukkosten voor werknemers wordt betaald door werkgevers waar zelfstandigen zowel de rol van werkgever als werknemer hebben. Hoe worden de kosten voor zelfstandigen geminimaliseerd om ervoor te zorgen dat vrijwillige deelname aan een pensioenregeling in de tweede pijler aantrekkelijk blijft voor zelfstandigen, zo vragen deze leden.

Ook de leden van de D66-fractie achten het wenselijk dat niet gewacht wordt met deze experimenteerbepaling, maar nu te bezien hoe pensioenopbouw onder zelfstandigen kan worden gestimuleerd. Deze leden vragen naar de andere oplossingsrichtingen die de Minister gelijktijdig onderzoekt. Daarnaast begrijpen deze leden dat deelname aan het experiment een keuze is van sociale partners en pensioenuitvoerders, terwijl ook de Minister een belang heeft bij voldoende deelname aan het experiment. Hoeveel fondsen moeten minimaal ook een regeling voor zelfstandigen openstellen om de experimenteerbepaling een succes te laten zijn volgens de Minister, vragen de leden van de fractie van D66. Ziet de Minister een mogelijkheid om geen streefwaarde voor het aantal deelnemende zelfstandigen, maar wel voor het aantal deelnemende fondsen, op te nemen zoals wordt geadviseerd door de ATR, zo vragen deze leden. Hoe stuurt de Minister hierop om ervoor te zorgen dat er genoeg informatie wordt vergaard voor een structurele oplossing voor pensioenopbouw door zelfstandigen, zo vragen deze leden verder.

De leden van de D66-fractie lezen dat «automatisch gegevensuitwisseling tussen pensioenfondsen en de Kamer van Koophandel niet kan plaatsvinden» en vragen de Minister waarom dit niet mogelijk is. Deelt de Minister de mening dat deze gegevensuitwisseling (grote) voordelen kan bieden om deelname aan pensioenregelingen in de tweede pijler door zelfstandigen te bevorderen en wordt eraan gewerkt om gegevensuitwisseling tussen pensioenfondsen en de Kamer van Koophandel wel plaats te kunnen laten vinden. Is de mogelijkheid van gegevensuitwisseling volgens de Minister van belang bij een structurele oplossing, zo vragen deze leden.

Voorts lezen de leden van de D66-fractie dat verschillende partijen de derde pijler passender achten voor zelfstandigen dan de tweede pijler. Omdat welke pijler passender is volgens deze leden per zelfstandige kan verschillen, zijn deze leden benieuwd hoe de nadelen van het introduceren van een extra optie voor zelfstandigen zijn meegewogen in de vormgeving van deze experimenteerbepaling. Hoe rijmt de Minister de introductie van een extra mogelijkheid met de constatering tijdens het rondetafelgesprek over de Wtp dat zelfstandigen moeite hebben met het grote aantal opties voor pensioenopbouw door hen. Kan de Minister reflecteren op het voorkomen dat zelfstandigen verdwalen in alle opties terwijl werknemers helemaal geen keus hebben voor een pensioenuitvoerder of -fonds.

De Autorteit Financiele Markten (AFM) heeft de Minister geadviseerd om de norm van keuzebegeleiding reeds te laten gelden bij het maken van de keuze om al dan niet toe te treden tot de regeling, maar de Minister neemt dit advies niet over en wil de norm niet verbreden tot keuzes bij toetreding tot de regeling. In aanvulling op eerdere vragen over keuzebegeleiding voor zelfstandigen, bijvoorbeeld door de Kamer van Koophandel, vragen de leden van de D66-fractie naar de manier waarop goede begeleiding van zelfstandigen in de fase voorafgaand aan mogelijke toetreding op dit moment is verankerd in het voorliggende besluit en of de Minister overweegt om keuzebegeleiding in een andere vorm vast te leggen voor de precontractuele fase.

In de artikelsgewijze toelichting lezen de leden bij artikel drie dat de zelfstandige werkzaamheden moet verrichten binnen de statutaire werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds. Hoewel de leden van de D66-fractie dat begrijpen, kunnen deze leden zich voorstellen dat er meningsverschillen kunnen ontstaan over grensgevallen waarbij een zelfstandige van mening is wel werkzaamheden te verrichten binnen de statutaire werkingssfeer van het fonds maar dat het bestuur van het fonds daar anders over denkt. Is de geschilleninstantie van de Wet toekomst pensioenen ook in dit gevallen in staat om hier een bindende uitspraak over te doen, is hier een rol voor de ombudsman pensioenen weggelegd of moet een zelfstandige in een dergelijk geval op een andere manier proberen toe te kunnen treden tot dit fonds. Is voor zelfstandigen duidelijk waar zij aan moeten kloppen in dit soort gevallen vragen deze leden verder.

Naast toestemming voor deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds door zelfstandigen, kunnen de leden van de D66-fractie zich ook meningsverschillen voorstellen over de vormgeving van de regeling. Waar moet een (grote) groep zelfstandigen aankloppen als zij willen deelnemen aan een pensioenregeling in de tweede pijler maar het pensioenfonds uit hun sector daar geen (adequate) regeling voor aan wil bieden en waar kunnen (grote groepen) deelnemers aankloppen als zij het niet eens zijn met de vormgeving van hun pensioenregeling, zo vragen deze leden. Kan de Minister reflecteren op de rol die het Verantwoordingsorgaan of Belanghebbendenorgaan hierbij heeft en de positie die zelfstandigen hier al dan niet in kunnen bekleden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen en ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen. Zij maken gelegenheid gebruik voor het stellen van vragen.

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de CDA-fractie zijn blij dat er een alternatief is gevonden voor de zogenaamde taakafbakeningseis in het solidaire pensioencontract van de Wet toekomst pensioenen. Gelet op de zeer beperkt doelgroep en het zeer beperkte gebruik van de nettopensioenregeling vragen de eerder genoemde leden zich wel af of deze extra complexiteit in de regeling op de lange termijn wel uitvoerbaar blijft?

Kan de Minister bevestigen dat het uitgangspunt blijft bestaan dat er ex ante geen herverdeling plaats mag vinden (van bruto naar netto of andersom? Betekent dat het sterfterisico zowel in de opbouw- als de uitkeringsfase herverzekerd mag worden bij het collectief (op basis ex-ante fiscaal hygiënische premie)? Zo ja, is de Minister voornemens dit in de toelichting op het Besluit nettopensioen vast te leggen?

In het Besluit nettopensioen wordt in de Nota van toelichting een paragraaf gewijd aan de samenloop van nieuwe regels voor de taakafbakening van vrijwillige regelingen en nieuwe regels voor nettopensioen. Waarom is ervoor gekozen om ook passages op te nemen in dit besluit terzake taakafbakening vrijwillige regelingen? Zou dit besluit niet beperkt moeten blijven tot nettopensioen?

Er wordt in de nota van toelichting bij het Besluit nettopensioen (alsook in het voorgestelde artikel 120 tweede lid onderdeel b PW) vermeld dat op de nettopensioenregeling in beginsel dezelfde regels en voorwaarden van toepassing zijn als op de basispensioenregeling. Wat betekent «in beginsel» in dit verband? Kan de Minister hier op ingaan?

Kan verduidelijkt worden hoe in een nettopensioenregeling die alleen nettopartnerpensioen betreft omgegaan moet worden met een solidariteitsreserve? Is het juist dat voor een aparte nettopartnerpensioenregeling geen solidariteitsreserve aangehouden hoeft te worden? Als wel een solidariteitsreserve moet worden aangehouden, kan de Minister dan aangeven hoe zij de werking hiervan (de vul- en uitdeelregels) voor zich ziet?

In hoeverre geldt voor nettopartnerpensioenregelingen in de vorm van een vrijwillige pensioenregeling ook een verplichting om gedurende 3 maanden na einde deelneming de gewezen deelnemer aan nettopartnerpensioen een risicodekking te bieden (op kosten pensioenfonds)? Dezelfde vraag geldt voor de periode dat de gewezen deelnemer direct na einde deelneming recht heeft op een WW-uitkering. Hierbij biedt het onder punt 1 genoemde mogelijk de oplossing, namelijk het herverzekeren bij de basisregeling van het sterfterisico. Ziet de Minister deze oplossing ook?

Kan de Minister ook aangeven in hoeverre de gewezen deelnemer aan een nettopensioenregeling het recht heeft om jaarlijks te kiezen voor ruil van netto ouderdomspensioen voor netto partnerpensioen als bedoeld in het nieuw voorgestelde artikel 61 a Pensioenwet?

Kan verduidelijkt worden hoe dit dan werkt als er alleen een netto partnerpensioenregeling is en geen netto ouderdomspensioenregeling waaruit de premie voor voortzetting onttrokken kan worden? Is denkbaar dat de premie aan het persoonlijk vermogen in de bruto-regeling wordt onttrokken? Welke voorwaarden zouden hierbij moeten gelden om de fiscale hygiëne in stand te houden?

Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels omtrent experimenten voor een pensioenregeling voor zelfstandigen (Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen)

De leden van de CDA-fractie vinden het wenselijk dat meer ZZP’ers pensioen gaan opbouwen. Echter hebben de eerdergenoemde leden vragen omtrent de experimenten. In de sector wordt deze experimentenregeling als te strikt ervaren én slecht getimed, kan hierop gereflecteerd worden?

De eerder genoemde leden vragen of de experimenten daadwerkelijk leiden naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen? Kan dit onderbouwd worden?

Kan inzichtelijk gemaakt worden of er animo is om mee te doen aan deze experimenten en zo ja, welke organisaties doen hier aan mee en welke experimenten zijn zij voornemens te ondernemen?

De leden van de CDA-fractie zien risico’s in de mogelijke verruiming van het huidige tweede pijlerpensioen. Klopt het dat de vrijwillige deelname van zelfstandigen in combinatie met een verplichte deelname voor werknemers kan leiden tot ongelijke behandeling, hogere uitvoeringskosten en calculerend gedrag? Zo ja, is de Minister dan ook van mening dat dit ondermijnend is voor de huidige deelnemer populatie van een pensioenfonds? Zij dragen immers wel deze extra risico’s, terwijl zij de flexibelere aansluitingsvormen van de zelfstandigen niet mogen benutten.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de kracht van de tweede pijler zit in de kenmerkende eigenschappen als solidariteit, collectiviteit en de daarmee samenhangende schaalvoordelen. Daaraan gekoppeld zijn voorwaarden voor representativiteit. De eerdergenoemde leden vragen of de vormgeving van de vertegenwoordiging van zelfstandigen bij pensioenenuitvoerders, in combinatie met de betreffende organisatiegraad, consequenties heeft voor de representativiteit en behouden we de hiervoor benoemde eigenschappen?

De leden van de CDA-fractie zien het verruimen van de mogelijkheden van de tweede pijler voor ZZP’ers zeker als een optie, maar vragen wel of de specifieke wensen van zelfstandigen met betrekking tot pensioenopbouw niet beter geaccommodeerd kunnen worden in de derde pijler?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de ontwerpbesluiten vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen en experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen, en hebben hier geen vragen over.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben de ontwerpbesluiten met interesse gelezen. Zij hebben enkele vragen.

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

Deze leden vragen de Minister om toe te lichten in hoeverre zij de nettopensioenregeling noodzakelijk acht. Is de Minister het ermee eens dat het faciliteren van nettopensioen ingaat tegen de systematiek van het fiscaal gefaciliteerd opbouwen van pensioen, waarbij juist bewust is gekozen voor het begrenzen van de pensioengrondslag? Is het daarom niet vreemd om dan toch een vorm van fiscale facilitering aan te bieden voor pensioen dat opgebouwd wordt boven die grens?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaast of het klopt dat het nettopensioen in het nieuwe stelsel complexer wordt om uit te voeren. Heeft de Minister overwogen om als onderdeel van de stelselvoorziening de nettopensioenregeling af te schaffen? De leden van de GroenLinks-fractie vragen om een raming van de budgettaire gevolgen van het afschaffen van de regeling, en om een inschatting van de gevolgen voor de uitvoering. Klopt het dat het afschaffen van de nettopensioenregeling zowel bij de Belastingdienst als bij de pensioenuitvoerders uitvoeringscapaciteit zou vrijmaken?

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

Met betrekking tot de experimenten voor een pensioenregeling voor zelfstandigen vragen de leden van de GroenLinks-fractie of de Minister kan reflecteren op de eerdere problemen rondom gegevensuitwisseling die het organiseren van deze experimenten bemoeilijkten. Kan de Minister beschrijven wat die problemen precies waren? Welke lessen zijn daaruit getrokken? Hoe wordt nu omgegaan met privacy en gegevensuitwisseling? Kan de Minister daarnaast toelichten in hoeverre deze thematiek relevant is voor een eventuele opt-out pensioenregeling (auto enrollment) voor zelfstandigen? Kan de ervaring die is opgedaan bij het vormgeven van de experimenten toegepast worden bij het vormgeven van de opt-out regeling?

II Antwoord / Reactie van de Minister

Ik dank de leden van uw Kamer voor de vragen en opmerkingen bij beide ontwerpbesluiten.

Ik beantwoord de vragen per fractie, en per ontwerpbesluit.

Reactie op de inbreng van de leden van de VVD-fractie

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de VVD-fractie vragen of ik kan bevestigen dat er geen herverdeling tussen bruto- en nettopensioen optreedt en dat pensioenfondsen niet ingeperkt worden in de mogelijkheden tot het aanbieden van nettopensioenregelingen.

Ja, dat kan ik bevestigen. Het oogmerk van het onderhavige ontwerpbesluit is om de mogelijkheden voor opbouw van nettopensioen te handhaven onder het nieuwe stelsel. Vanwege de kenmerken van dat nieuwe stelsel is een aantal technische aanpassingen noodzakelijk om fiscale hygiëne te borgen,. Deze aanpassingen zijn in dit ontwerpbesluit uitgewerkt, zodat ook in het nieuwe stelsel nettopensioenregelingen zonder problemen uitgevoerd kunnen blijven worden.

De leden van de VVD-fractie vragen of ik kan toelichten dat herverzekeren van sterfterisico bij de basisregeling toegestaan blijft.

De bepalingen in het ontwerpbesluit leggen geen beperkingen op ten aanzien van het herverzekeren van sterfterisico voor de basisregeling. Net als op basis van het huidige artikel 41 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling dient bij de verwerking van de ontwikkeling van het sterfteresultaat en de ontwikkeling van de levensverwachting in de nettopensioenregeling uitsluitend rekening te worden gehouden met het sterfteresultaat en de levensverwachting van de groep deelnemers aan het nettopensioen.

De leden van de VVD-fractie vragen of ik kan toelichten waarom er niet voor gekozen is om in de toelichting enkel de gevolgen van de wijziging voor de nettopensioenregeling nader toe te lichten.

Nettopensioen mag uitsluitend uitgevoerd worden in de vorm van een vrijwillige pensioenvoorziening die aanvullend op de basisregeling door de werkgever kan worden aangeboden. Op alle vrijwillige pensioenvoorzieningen zijn taakafbakeningseisen van toepassing die borgen dat voldoende collectiviteit en solidariteit in vrijwillige voorzieningen van pensioenfondsen aanwezig is ten behoeve van een gelijk speelveld met verzekeraars. Om deze reden zijn op nettopensioenregelingen ook altijd de genoemde taakafbakeningseisen van toepassing. Dit geldt ook voor vrijwillige bruto pensioenregelingen die voorkomen bij pensioenfondsen waar de verplichte pensioenopbouw is begrensd tot een bepaald inkomen (zogenoemde excedentenregelingen). Om de werking van deze taakafbakeningseisen ten aanzien van nettopensioen goed te kunnen uitleggen, waarbij er alleen in het specifieke geval van nettopensioen sprake is van samenloop met de eisen van fiscale hygiëne, kunnen deze twee onderdelen niet volledig gescheiden worden. Bepaalde partijen in het veld hebben ook om een toelichting gevraagd, waarbij de samenloop van alle eisen integraal wordt uitgelegd.

De leden van de VVD-fractie vragen om toe te lichten in welke situaties geen sprake zou zijn van toepassing van dezelfde regels en voorwaarden als gelden voor de basispensioenregeling.

In geval van een solidaire premieregeling of een flexibele premieregeling als basisregeling dient in de nettoregeling ook een solidariteits- of risicodelingsreserve aanwezig te zijn met dezelfde vulregels (financieringsbron(nen) van de solidariteits- of risicodelingsreserve en vulpercentage(s)) in aansluiting op de kenmerken van de solidariteits- of risicodelingsreserve in de basisregeling en in beginsel dezelfde vormgeving van het collectieve beleggingsbeleid, in combinatie met toedelingsregels in geval van de solidaire premieovereenkomst. Als echter de risicohoudingen die worden vastgesteld in het kader van de nettopensioenregeling aantoonbaar afwijken van de vastgestelde risicohoudingen in de collectieve basispensioenregeling, mag voor de nettopensioenregeling een afwijkend beleggingsbeleid – met afwijkende toedelingsregels in geval van de solidaire premieovereenkomst – worden gevolgd dat aansluit op de risicohoudingen, die specifiek voor de nettopensioenregeling zijn vastgesteld. Ook de voorschriften inzake fiscale hygiëne zorgen voor verschillen tussen de basisregeling en de nettoregeling, omdat een gescheiden administratie moet worden aangehouden, bijvoorbeeld om verschillen in levensverwachting niet te vermengen.

De leden van de VVD-fractie vragen om toe te lichten in hoeverre deelnemers aan een nettopensioenregeling dezelfde keuzevrijheid hebben, zoals opgenomen in het nieuw voorgestelde artikel 61a van de Pensioenwet, te weten het keuzerecht voor de uitruil van een ouderdomspensioen voor een partnerpensioen op risicobasis.

In het voorgestelde artikel 61a van de Pensioenwet wordt geen onderscheid gemaakt tussen bruto- en nettopensioen. Voortzetting van een netto partnerpensioen is op grond van dit artikel dus mogelijk, mits er sprake is van een netto ouderdomspensioen van waaruit de premie ten behoeve van deze voortzetting gefinancierd kan worden.

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan toelichten op welke wijze getoetst wordt of een aspirant-deelnemer in aanmerking komt voor vrijwillige toetreding tot een pensioenregeling.

Bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen en algemeen pensioenfondsen (in geval van een single client kring) mogen alleen een pensioenregeling aanbieden aan zelfstandigen die actief zijn binnen de werkingssfeer van het pensioenfonds. Deze pensioenfondsen stellen uiterlijk bij de start van de verwerving van de pensioenaanspraken vast of een zelfstandige in aanmerking komt voor vrijwillige toetreding tot de betreffende pensioenregeling. De wijze waarop pensioenuitvoerders toetsen of de aspirant-deelnemers in aanmerking komen voor de vrijwillige toetreding is de verantwoordelijkheid van de pensioenuitvoerders zelf.

De leden van de VVD-fractie vragen of indien iemand eenmaal als zelfstandige deelnemer aan een pensioenregeling is, of het mogelijk is dat deze deelname tegen de zin van de deelnemer beëindigd wordt. De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt omgegaan met de situatie dat een zelfstandige op de startdatum zich kwalificeert als zelfstandige maar op een later moment tijdens de experimenteerperiode niet meer is. Zij vragen wat er dan gebeurt met de ingelegde premie.

De pensioenuitvoerder kan de pensioenregeling beëindigen als (1) het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen komt te vervallen als gevolg van het einde van de looptijd van de wetgeving of als (2) het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling en de pensioenuitvoerder gebruik maakt van haar recht om de pensioenregeling niet voort te zetten. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de pensioenuitvoerder de zelfstandige hierover informeert voorafgaand aan de deelneming; dit als onderdeel van het aanbod om deel te nemen.

Ten aanzien van de tweede vraag van de leden van de VVD-fractie wordt opgemerkt dat de vaststelling of een zelfstandige aan de voorwaarden van een vrijwillige toetreding voldoet uiterlijk plaatsvindt bij de start van de verwerving van de pensioenaanspraken. Gelet op de duur van het experiment kan de zelfstandige pensioen blijven opbouwen als de zelfstandige op een later moment geen werkzaamheden meer verricht die onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds of onderneming vallen. Als de zelfstandige echter op een later moment ophoudt een zelfstandige te zijn en zich daardoor niet meer kwalificeert aan de voorwaarden van een zelfstandige, dan kan de pensioenopbouw op grond van 54 Pensioenwet vrijwillig worden voortgezet, indien de pensioenregeling hier in voorziet.

Tot slot, reeds opgebouwde pensioenaanspraken blijven in beginsel bij de betreffende pensioenuitvoerder staan. De zelfstandige kan gebruik maken van de mogelijkheden van afkoop, waardeoverdracht en de vrijwillige voortzetting.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan toelichten op welke wijze (vertegenwoordigers van) zelfstandigen betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het Besluit en de voorwaarden die voor de experimenteerruimte gelden.

De experimenteerwetgeving is tot stand gekomen met inbreng van betrokken partijen (pensioenkoepels, pensioenuitvoerders en zelfstandigenorganisaties). Daarnaast hebben enkele zelfstandigenorganisaties van de gelegenheid gebruik gemaakt om op de voorgestelde wetgeving te reageren via de internetconsultatie van het wetsvoorstel toekomst pensioenen en het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen.

De leden van de VVD-fractie vragen welke bezwaren (vertegenwoordigers van) zelfstandigen hebben geuit ten aanzien van het Besluit en de voorwaarden die voor de experimenten gelden. Daarnaast vragen de leden op welke wijze de Minister door middel van aanpassingen aan het Ontwerpbesluit al dan niet tegemoetgekomen is aan deze bezwaren.

Op het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen zijn geen reacties gekomen vanuit zelfstandigenorganisaties. Zij hebben reeds op het wetsvoorstel toekomst pensioenen, experimentbepaling, gereageerd. De belangrijkste opmerkingen vanuit de zelfstandigenorganisaties heeft te maken met het bieden van flexibiliteit om tegemoet te komen aan de wensen en behoeften van zelfstandigen, het vergroten van het pensioenbewustzijn, het mogelijk maken van flexibele premie inleg (bij vrijwillige voortzetting) en het werken met een forfaitair vrijgesteld bedrag. In paragraaf 16.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt inhoudelijk ingegaan op deze bezwaren vanuit de zelfstandigenorganisaties.

De leden van de VVD-fractie vragen of een toelichting kan worden gegeven op het besluitvormingsproces bij pensioenfondsen, zoals beschreven in paragraaf 2.1.2 van het Besluit, met betrekking tot de gevolgen voor het collectief en de governance aspecten daarbij.

De vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenregeling in de tweede pijler, uitgevoerd door een bedrijfstakpensioenfonds, ondernemingspensioenfonds of in geval van een single client kring door een algemeen pensioenfonds, heeft gevolgen voor het collectief. De zelfstandigen nemen immers deel aan hetzelfde financiële geheel als de werknemers. De incasso- en administratiekosten voor zelfstandigen kunnen bijvoorbeeld hoger liggen. Daarnaast bestaat het risico dat alleen zelfstandigen met slechte risico’s deel zullen nemen. Uit de evaluatie van de experimenten zal moeten blijken welke effecten voor het collectief concreet optreden. Voor wat betreft het besluitvormingsproces over het openstellen van een pensioenregeling wordt er aangesloten bij de bestaande besluitvormingsprocessen. Het bestuur neemt het besluit of zij uitvoering wil en kan geven aan het verzoek van sociale partners om een pensioenregeling voor zelfstandigen aan te bieden. De verantwoording op dit bestuursbesluit vindt achteraf plaats aan de fondsorganen. Vanwege de mogelijke impact van de vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan het collectief wordt het wenselijk geacht om de fondsorganen een informatierecht te geven. Op die manier worden de fondsorganen vooraf betrokken. Omdat het hier gaat om kortdurende experimenten, is een advies- of goedkeuringsrecht specifiek ten aanzien van het besluit tot openstellen van een pensioenregeling voor zelfstandigen voor een van deze organen een in verhouding tot de experimenten te zware bevoegdheid.

De leden van de VVD-fractie vragen welk afwegingskader het verantwoordingsorgaan, belanghebbendenorgaan en de raad van toezicht dienen te hanteren bij het beoordelen van een verzoek tot vrijwillige toetreding van zelfstandigen. Daarnaast vragen deze leden onder welke omstandigheden het weigeren van een dergelijk verzoek redelijk en billijk zou zijn en onder welke omstandigheden niet.

Ik merk op dat de fondsorganen een informatierecht hebben ten aanzien van het bestuursbesluit om een pensioenregeling open te stellen voor vrijwillige toetreding door zelfstandigen. De fondsorganen hebben geen advies- of goedkeuringsrecht. In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen is dan ook geen afwegingskader opgenomen voor fondsorganen om een oordeel te kunnen geven. Onder welke omstandigheden weigering van het verzoek van sociale partners om een pensioenregeling open te stellen voor zelfstandigen redelijk zou zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het verzoek van sociale partners wordt in ieder geval door het bestuur van het pensioenfonds getoetst op de evenwichtige belangenafweging. Daarin zal worden meegenomen wat de impact van de vrijwillige toetreding door zelfstandigen is voor de zittende deelnemers. Ook zal het bestuur beoordelen of zij de pensioenregeling kunnen uitvoeren.

De leden van de VVD-fractie vragen of zelfstandigen, die werkzaam zijn in de werkingssferen van verschillende pensioenfondsen, de mogelijkheid krijgen om het aanbod van pensioenaanbieders te vergelijken.

Naast de huidige informatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders zijn in het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen nog een aantal aanvullende voorschriften. De informatie is erop gericht dat (1) een zelfstandige in staat wordt gesteld om een weloverwogen keuze te kunnen maken en (2) dat een zelfstandige deelname aan een specifieke pensioenregeling kan vergelijken met andere vormen van pensioensparen. Op basis van de ontvangen informatie zou een zelfstandige ook in staat moeten worden gesteld om aanbiedingen van verschillende pensioenuitvoerders met elkaar te kunnen vergelijken als dat het geval is.

De leden van de VVD-fractie vragen of zelfstandigen dezelfde keuzevrijheid krijgen als die deelnemers in loondienst ook hebben, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibele inleg, beleggingsmogelijkheden en beleggingsprofiel.

In beginsel geldt dezelfde keuzevrijheid binnen de pensioenregeling voor zelfstandigen als voor deelnemers in loondienst. De mate van keuzevrijheid is afhankelijk van de pensioenregeling. Sociale partners gaan in overleg met zelfstandigenorganisaties over de inhoud van de pensioenregeling voor zelfstandigen.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze pensioenfondsen ten behoeve van het automatisch aanschrijven kunnen beoordelen in welke bedrijfstak een zelfstandige hoofdzakelijk actie is.

Bij de inschrijving als zelfstandige in het Handelsregister wordt aan de hand van de omschreven (hoofd- en neven)activiteiten een zogenoemde SBI-code toegekend. Pensioenuitvoerders hebben de mogelijkheid het Handelsregister in te zien met daarin de NAW-gegevens van zelfstandigen met een bepaalde SBI-code. Een pensioenuitvoerder kan vervolgens op basis van die SBI-code en de feitelijke activiteiten beoordelen of een zelfstandige onder de werkingssfeer van het pensioenfonds valt.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze een pensioenfonds zich zeker kan stellen van het feit dat de deelname een weloverwogen keus van de zelfstandige is, indien deze deelname bijvoorbeeld door middel van een enkel woord of enkel het «doorgeven van een rekeningnummer» kennelijk kenbaar gemaakt is. Tevens vragen deze leden waarom niet is gekozen voor enige vormvereisten rondom het kenbaar maken van deze instemming, zonder dat dit tot gevolg heeft dat als gevolg van deze vereisten de drempel tot instemming te hoog wordt.

In geval van automatisch aanschrijven kan een pensioenuitvoerder een concreet voorstel doen aan de zelfstandige om deel te nemen aan een pensioenregeling bij de betreffende pensioenuitvoerder. Dit voorstel dient alle relevante informatie te bevatten, zoals benoemd in hoofdstuk 2.3 van de toelichting bij het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen. Op basis van deze informatie zou een zelfstandige een weloverwogen keuze moeten kunnen maken. In het kader van aanbod en aanvaarding zijn de algemene beginselen van het contractenrecht van toepassing. Kenmerkend voor automatische aanschrijving is dat een actieve handeling van de zelfstandige is vereist. Als een zelfstandige niets doet, dan neemt hij ook niet deel aan de pensioenregeling. Met andere woorden, een zelfstandige moet zelf aangeven deel te willen nemen. Op welke manier hij deel kan nemen moet duidelijk uit de informatie blijken, hetgeen ook is voorgeschreven in artikel 3, derde lid, sub a van het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen. Daarmee blijft deelname aan de pensioenregeling een vrijwillige keuze voor een zelfstandige, hetgeen ook expliciet in de informatie vermeld moet worden. Door de actieve handeling die vereist is, de informatie die moet worden gegeven en het van toepassing zijnde contractenrecht acht ik het niet nodig om extra regels te stellen aan de instemming.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke termijn naar verwachting de eerste resultaten van de evaluatie worden gepubliceerd.

Op grond van artikel 150a, zesde lid, van de Pensioenwet wordt uiterlijk negen maanden voor het einde van de werkingsduur van het Besluit experiment pensioenregeling zelfstandigen een verslag aan de Staten-Generaal verstuurd over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk alsmede een standpunt of de voortzetting ervan in structurele wetgeving wordt omgezet of niet. Het experiment wordt daarnaast gedurende de experimenteerperiode door een onafhankelijk onderzoeksbureau gemonitord. De gegevens die hierbij verzameld worden, worden gebruikt ten behoeve van de evaluatie.

De leden van de VVD-fractie vragen onder welke omstandigheden de Minister het wenselijk vindt dat een pensioenuitvoerder overgaat tot het stoppen van het aanbieden van een pensioenregeling voor zelfstandigen.

Met de experimenteerbepaling zijn de kaders gegeven waarbinnen pensioenuitvoerders een pensioenregeling kunnen openstellen zodat zelfstandigen vrijwillig kunnen aansluiten. Het is aan sociale partners (in overleg met zelfstandigenorganisaties) en pensioenuitvoerders om te bepalen of zij daarvan gebruik maken. Na het einde van de looptijd van de experimenteerwetgeving kan een pensioenuitvoerder besluiten om de pensioenregeling die hij aanbiedt aan zelfstandigen te beëindigen. Een pensioenuitvoerder kan hier bijvoorbeeld toe overgaan, omdat blijkt uit een eigen evaluatie dat het specifieke experiment niet voldoet aan de verwachtingen of doelstellingen.

Voor de volledigheid opgemerkt kan een pensioenuitvoerder het experiment niet stoppen voor afloop van de looptijd van de experimenteerwetgeving indien er zelfstandigen deelnemen aan de pensioenregeling. De pensioenuitvoerder kan wel besluiten de toetreding tot de pensioenregeling voor nieuwe zelfstandigen te staken.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of pensioenuitvoerders kunnen stoppen met het experiment indien zelfstandigen deelnemen aan de pensioenregeling, de oorspronkelijk beoogde looptijd van het experiment verlopen is, maar besloten is tot verlenging overeenkomstig de in paragraaf 2.6 besproken methode.

De experimenteerbepaling is ten hoogste vijf jaar van kracht. Na die vijf jaar heeft de pensioenuitvoerder de mogelijkheid om het experiment te stoppen, ook als de looptijd wordt verlengd omdat de experimenteerwetgeving wordt omgezet in structurele wetgeving. De pensioenuitvoerder stelt de zelfstandige van deze mogelijkheid op de hoogte voorafgaand aan de deelneming; als onderdeel van het aanbod om deel te nemen aan de regeling. Daarnaast informeert de pensioenuitvoerder de zelfstandige tijdig als gebruik wordt gemaakt van het recht om de pensioenregeling te beëindigen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat bij beëindiging van het experiment door de pensioenuitvoerder de zelfstandige dezelfde keuzemogelijkheden toekomen ten aanzien van de ingelegde premie als bij beëindiging omdat de experimenteerwetgeving beëindigd is en niet is omgezet in structurele wetgeving.

In beide situaties geldt dat bij het stopzetten van het experiment de deelname van zelfstandigen in de pensioenregeling eindigt. Het uitgangspunt is dat de opgebouwde pensioenaanspraken bij de betreffende pensioenuitvoerder blijft staan. Indien een zelfstandige zelf kiest om de deelname te beëindigen of wanneer de pensioenuitvoerder ervoor kiest niet langer de pensioenregeling voor zelfstandigen aan te bieden, dan gelden de reguliere bepalingen uit de Pensioenwet over afkoop, waardeoverdracht en vrijwillige voortzetting (voor zover van toepassing) bij einde deelneming aan een pensioenregeling. In geval de experimenteerwetgeving niet tot een structurele wettelijke regeling leidt, wordt het wenselijk geacht afwijkingen toe te staan van de huidige bepalingen rondom afkoop en waardeoverdracht bij einde deelneming. Deze afwijkingen worden in artikel 9 van het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen geregeld. Deze afwijkingen zijn alleen aan de orde in het geval de experimenteerbepaling niet omgezet wordt in een structurele wettelijke regeling en hierdoor (buiten de invloedsfeer van de pensioenuitvoerder en de zelfstandige om) de deelname van zelfstandigen in de pensioenregeling eindigt. De keuzemogelijkheden in geval de experimenteerwetgeving niet tot een structurele wettelijke regeling leidt, zijn daarmee dus ruimer dan in de situatie dat de deelname wordt beëindigd op initiatief van de zelfstandige of de pensioenuitvoerder.

Reactie op de inbreng van de leden van de D66-fractie

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de D66-fractie vragen of zij correct begrijpen dat de regels voor de aankoop van een vaste uitkering in de flexibele premieregeling hetzelfde zijn voor zelfstandigen als voor werknemers binnen die regeling.

Het is juist dat ten aanzien van een vast pensioen op basis van een flexibele premieregeling, uitgevoerd door pensioenfondsen, de regels van het huidige financieel toetsingskader van toepassing blijven. Dat geldt voor bruto- en nettoregelingen. Voor zover zelfstandigen kunnen deelnemen aan een nettoregeling in de tweede pijler gelden voor hen dezelfde regels voor aankoop van een vaste uitkering als voor werknemers.

De leden van de fractie van D66 vragen of de taakafbakeningseis dat de nettopensioenregeling moet aansluiten bij de kenmerken van de basispensioenregeling gevolgen heeft voor mogelijke selectie-effecten van zelfstandigen in verschillende sectoren die al dan niet deelnemen aan de pensioenopbouw in de tweede pijler. Voorts vragen deze leden of deze mogelijke selectie-effecten worden betrokken bij de evaluaties van de experimenten en de evaluatie van de experimenteerbepaling.

Deze vraag is beantwoord in het kader van de vragen die zijn gesteld naar aanleiding van de voorhangprocedure van het Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen (zie hieronder).

De leden van de D66-fractie vragen of dezelfde deelnemer een verschillende risicohouding kan hebben voor een bruto- en nettopensioenregeling.

Dit kan inderdaad het geval zijn.

De leden van de D66-fractie vragen of bij het vaststellen van de risicohouding van de deelnemers in het kader van de nettopensioenregeling (deels) kan worden aangesloten bij de risicohouding van de basispensioenregeling.

Die mogelijkheid bestaat inderdaad.

De leden van de D66-fractie vragen of een risicodelingsreserve een verplicht element is van de flexibele premieregeling voor verplicht gestelde fondsen.

Dat is inderdaad het geval.

De leden van de D66-fractie vragen voorts of zij het juist zien dat voor een aparte nettopartnerpensioenregeling geen solidariteitsreserve aangehouden hoeft te worden.

Dit hangt af van keuzes die op decentraal niveau gemaakt worden. Zo kan nog steeds gebruik worden gemaakt van een 10% werkgeversbijdrage. In dat geval hoeft voor een nettopartnerpensioenregeling niet aangesloten te worden bij de kenmerken van de basisregeling. Ook als wel voor die optie wordt gekozen, hangt het af van de vraag welke basisregeling van toepassing is. Indien dat een flexibele premieregeling is, zal voor de nettopartnerpensioenregeling ook geen solidariteitsreserve van toepassing zijn. Dat is alleen het geval als decentrale partijen hebben gekozen voor de solidaire premieregeling als basisregeling, waarbij aan de taakafbakeningseisen wordt voldaan door de nettoregeling aan te laten sluiten op de kenmerken van de basisregeling. Bij een flexibele premieregeling kan wel sprake zijn van een risicodelingsreserve. Als deze ontbreekt in geval van een flexibele premieregeling als basisregeling, moet altijd sprake zijn van een 10%- werkgeversbijdrage bij de vrijwillige pensioenvoorziening, zoals een nettopartnerpensioen, omdat het direct aansluiten bij een flexibele premieregeling zonder risicodelingsreserve te weinig collectiviteit en solidariteit zou toevoegen aan deze vrijwillige pensioenvoorziening.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de vul- en uitdeelregels van een solidariteitsreserve van een nettopensioenregeling voor zich ziet naast de regels voor de reserve uit de basispensioenregeling.

De vulregels voor de nettoregeling moeten qua invulling aansluiten bij de vulregels van de basisregeling. Dat wil zeggen dat hetzelfde vulpercentage moet worden gehanteerd en dezelfde financieringsbronnen – premie en/of overrendement – moeten worden gehanteerd, waarbij een administratieve scheiding tussen de bruto- en nettoregeling dient te worden aangehouden vanwege de gewenste fiscale scheiding tussen beide regelingen. Zoals ook is aangegeven in de toelichting bij het ontwerpbesluit mogen de uitdeelregels eventueel wel afwijken.

De leden van de D66-fractie vragen op welke manier deelnemers (huidig, toekomstig en voormalig) van nettopensioenregelingen kunnen meepraten bij de keuzes die sociale partners en pensioenuitvoerders maken.

Hiervoor geldt in beginsel hetzelfde als voor deelnemers in brutopensioenregelingen. Pensioenfondsen kunnen kiezen uit verschillende bestuursmodellen. Het gekozen bestuursmodel bepaalt hoe een pensioenfonds intern toezicht en medezeggenschap heeft ingericht. Bij een pensioenfonds verrichten een raad van toezicht, een visitatiecommissie of in geval van een gemengd bestuursmodel, de niet-uitvoerende bestuurders het interne toezicht. De medezeggenschap bij een pensioenfonds vindt plaats in een verantwoordingsorgaan of een belanghebbendenorgaan. Overigens moeten nettopensioenregeling altijd op vrijwillige basis worden aangeboden aan deelnemers. Deelnemers kunnen dus zelf bepalen of ze aan die aanvullende regeling willen deelnemen of niet.

De leden van de D66-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor het invaren van verschillende nettopensioenregelingen en het samengaan van deze regelingen bij één nieuwe pensioenuitvoerder. Acht de Minister het wenselijk dat de netto-pensioenen gelijktijdig worden ingevaren nadat alle basispensioenen zijn ingevaren, zo vragen deze leden tot slot.

Invaren betekent dat de bestaande pensioenaanspraken worden ondergebracht in de nieuwe pensioenregeling van het betreffende pensioenfonds. Het is dus niet zo dat als een deelnemer pensioen heeft opgebouwd in meerdere nettoregelingen bij verschillende pensioenuitvoerders die als gevolg van invaren allemaal bij elkaar gebracht worden. Ik verwacht dat als pensioenuitvoerders zullen overgaan tot invaren van de oude pensioenaanspraken, ze dat gelijktijdig voor alle opgebouwde aanspraken van die deelnemer zullen doen (netto- en brutopensioenaanspraken).

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

De leden van de D66-fractie vragen of de experimenten op 1 juli 2023 in werking treden.

De experimenteerwetgeving is onderdeel van het wetsvoorstel toekomst pensioenen. De experimenteerwetgeving treedt daarom gelijktijdig in werking, 1 juli 2023. Een experiment van een pensioenuitvoerder kan evenwel ook op een later moment aanvangen.

De leden van de D66-fractie vragen of de overleggen over de nieuwe solidaire of flexibele contracten in de pensioenregelingen te allen tijde gevoerd moeten worden door zowel werkgevers, als vakbonden, als zelfstandigenorganisaties. Daarnaast vragen zij hoe de praktische uitvoering er dan uitziet, ook met het oog op de snelheid van de transitie.

In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen is voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van een experiment. Dit betekent dat sociale partners en werkgevers in overleg treden met zelfstandigenorganisaties over hoe de pensioenregeling voor zelfstandigen er uit moet komen te zien, dan wel in overleg treden over het openstellen van een bestaande pensioenregeling van de werknemers voor zelfstandigen. Dit gaat alleen over de pensioenregeling voor de zelfstandigen en dus niet over de nieuwe solidaire of flexibele contracten in het kader van het wetsvoorstel toekomst pensioenen.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de verschillen in het aantal zelfstandigen dat in een sector actief is, worden meegenomen in de vertegenwoordiging van zelfstandigen bij overleggen tussen sociale partners.

In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen is alleen voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van een experiment, de vormgeving van de pensioenregeling voor zelfstandigen, en of de keuze of de pensioenregeling van werknemers wordt opengesteld voor zelfstandigen of dat hiervoor een eigen pensioenregeling voor zelfstandigen wordt opengesteld. Die betrokkenheid van zelfstandigenorganisaties is onafhankelijk van het aantal zelfstandigen in de sector.

Voor de goede orde zij opgemerkt dat een verzekeraar of premiepensioeninstelling zelfstandig kan besluiten een pensioenregeling open te stellen voor zelfstandigen. Hiervoor is betrokkenheid van zelfstandigenorganisaties geen vereiste.

De leden van de D66-fractie vragen naar de voor- en nadelen van het openstellen van een bestaande pensioenregeling voor zelfstandigen en het openstellen van een aparte pensioenregeling voor zelfstandigen.

Ik wil er op wijzen dat het aan sociale partners samen met de zelfstandigenorganisatie is om te besluiten om een bestaande pensioenregeling voor zelfstandigen open te stellen, of om een aparte pensioenregeling voor zelfstandigen aan te bieden. Daarna beoordeelt het pensioenfonds het verzoek van sociale partners. Het is afhankelijk van bijvoorbeeld de sector, het huidige deelnemersbestand, de verwachte instroom, de wensen van zelfstandigen en de wijze van aansluiting (opt in of automatische aanschrijving) wat in dat geval het meest passend is.

De leden van de D66-fractie vragen wanneer het wenselijker is om risico’s niet enkel binnen de groep zelfstandigen te delen maar ook met de groep werknemers en wanneer de risico’s beter door zelfstandigen onderling kunnen worden gedeeld in een eigen pensioenregeling.

Op grond van de Pensioenwet geldt voor pensioenfondsen, met uitzondering van een algemeen pensioenfonds, dat indien een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen uitvoert deze pensioenregelingen één financieel geheel vormen. Bij een algemeen pensioenfonds geldt dat de regelingen binnen één collectiviteitkring als één financieel geheel worden gezien. De risico’s worden daarmee binnen het pensioenfonds dan wel de collectiviteitkring gedeeld. Het openstellen van een aparte pensioenregeling voor zelfstandigen kan vanuit uitvoeringsperspectief of vanuit de gedachte om een meer op zelfstandigen gerichte pensioenregeling in te richten, wenselijk zijn.

De leden van de D66-fractie vragen of een aparte pensioenregeling voor zelfstandigen ook een eigen verantwoordings- of belanghebbendenorgaan krijgt, bestaande uit zelfstandigen.

Een pensioenfonds met een paritair bestuur en een paritair gemengd dan wel omgekeerd gemengd bestuursmodel heeft een verantwoordingsorgaan. Bij een algemeen pensioenfonds geldt in dat geval dat een verantwoordingsorgaan per collectiviteitkring wordt ingesteld. Een pensioenfonds met een onafhankelijk of een onafhankelijk gemengd bestuur heeft een belanghebbendenorgaan. Bij een algemeen pensioenfonds geldt in dat geval dat een belanghebbendenorgaan per collectiviteitkring is ingesteld. Een verantwoordingsorgaan en belanghebbendenorgaan zijn niet gekoppeld aan een pensioenregeling. Er hoeft daarom geen verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan voor de pensioenregeling voor zelfstandigen te worden ingesteld. Dit neemt niet weg dat de belangen van zelfstandigen als belanghebbenden meegewogen dienen te worden door het verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan. Ook biedt de Pensioenwet de ruimte voor zelfstandigen om zitting te nemen in een verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan.

In geval een aparte collectiviteitkring bij een algemeen pensioenfonds voor alleen zelfstandigen wordt opengesteld, wordt voor deze collectiviteitkring dus een verantwoordingsorgaan dan wel een belanghebbendenorgaan ingesteld. Vanwege de betrokkenheid van enkel zelfstandigen zullen zelfstandigen hierin zitting nemen.

De leden van de D66-fractie refereren naar het informatierecht voor medezeggenschapsorganen bij een pensioenfonds dat met het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen wordt geïntroduceerd. Deze leden vragen in dat kader hoe zelfstandigen bij het pensioenfonds kunnen meepraten over de vrijwillige toetreding van zelfstandigen.

In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen is voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van een experiment. Op deze wijze wordt er voorzien in de mogelijkheid van inspraak door zelfstandigen. Aangezien de aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenfonds ook gevolgen kan hebben voor de zittende (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden wordt het wenselijk geacht dat de medezeggenschapsorganen tijdig worden geïnformeerd over de mogelijkheid van aansluiting door zelfstandigen. Op die manier kunnen ook de medezeggenschapsorganen, net zoals de zelfstandigenorganisaties, inspraak hebben in de aansluiting door zelfstandigen.

De leden van de D66-fractie vragen naar de wenselijkheid van de verschillende bestuursmodellen voor betrokkenheid van zelfstandigen bij de pensioenregeling. Deze leden vragen of dit wordt meegenomen in de evaluatie van de regelingen.

Met de experimenteerwet en -regelgeving wordt geen aanpassing in bestuursmodellen voorzien. Desalniettemin is inspraak en vertegenwoordiging een relevant onderwerp. Het besluit zal daarom worden aangescherpt op dit punt zodat inspraak en vertegenwoordiging meegenomen wordt in de evaluatie van de experimenten.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie naar de maatregelen die de Minister neemt om ervoor te zorgen dat het overzicht over de experimenten volledig is. Deze leden vragen welke sancties kunnen worden opgelegd als een pensioenuitvoerder een experiment niet of te laat meldt bij de Minister, en of daar een rol is weggelegd voor de toezichthouder.

Pensioenuitvoerders zijn bij wet verplicht om een melding te doen bij de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen over deelname aan het experiment middels een pensioenregeling voor zelfstandigen of het openstellen van een bestaande regeling voor zelfstandigen. Deze melding is zeer eenvoudig te maken via een opengesteld e-mailadres. Er staat geen sanctie op het niet of te laat melden van een experiment. Er is dan ook geen rol voor de toezichthouder in deze.

De leden van de fractie van D66 geven aan geïnteresseerd te zijn in de verschillen tussen regelingen die aangeboden worden en de effecten daarvan. Deze leden vragen of de Minister ook geïnteresseerd is in (de gevolgen van) deze verschillen.

Een van de onderdelen van de evaluatie is het inzichtelijk maken van verschillen tussen experimenten die pensioenuitvoerders opzetten en de verschillende effecten. Dit wordt meegenomen bij de evaluatie van de wetgeving.

De leden van de D66-fractie vragen of (individuele) deelnemers aan pensioenfondsen, werknemers en zelfstandigen, ook tijdens de pensioenopbouw geïnformeerd kunnen blijven worden over de onderliggende beleggingsmix, bijvoorbeeld op mijnpensioenoverzicht.nl. In het verlengde hiervan vragen deze leden hoe deelnemers aan regelingen bij pensioenfondsen, waaronder zelfstandigen, geïnformeerd kunnen blijven over de mate waarin het pensioenfonds belegt in stranded assets of activa met het risico om stranded assets te worden.

Op grond van de huidige wetgeving verstrekt een pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en de gewezen partners op eigen verzoek de voor hen relevante informatie over beleggingen. Daarnaast stelt een pensioenuitvoerder op zijn website de verklaring inzake beleggingsbeginselen beschikbaar. Het staat pensioenuitvoerders daarnaast vrij om (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en de gewezen partners te informeren over de beleggingen via bijvoorbeeld een nieuwsbrief. Het doel van www.mijnpensioenoverzicht.nl is om inzicht te geven en overzicht van alle opgebouwde en te bereiken pensioenaanspraken. Op dit moment past het geven van informatie over de onderliggende beleggingsmix daar niet bij.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister vindt dat de aanwezigheid van keuzemogelijkheden ook een belangrijk onderdeel is van de vormgeving van de pensioenregeling. Daarnaast vragen deze leden hoe (vertegenwoordigers van) zelfstandigen een stem hebben in de aanwezigheid van keuzemogelijkheden binnen de pensioenregeling.

Ik vind het belangrijk dat de pensioenregeling aansluit bij de wensen en behoeften van zelfstandigen. Daarom is in het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties moeten worden betrokken bij de vormgeving van een experiment, de vormgeving van de pensioenregeling voor zelfstandigen, en of de keuze of de pensioenregeling van werknemers wordt opengesteld voor zelfstandigen of dat hiervoor een eigen pensioenregeling voor zelfstandigen wordt opengesteld. Dit betekent dat sociale partners en werkgevers in overleg treden met zelfstandigenorganisaties over hoe de pensioenregeling, waar keuzemogelijkheden een onderdeel van zijn, er uit moet komen te zien. Op die manier hebben zelfstandigen een stem in de aanwezigheid van keuzemogelijkheden binnen de pensioenregeling.

De leden van de D66-fractie vragen voor te schrijven dat een pensioenregeling voor zelfstandigen in het kader van de experimenteerwetgeving altijd voorziet in de mogelijkheid tot flexibele premie-inleg.

De wetgeving biedt de mogelijkheid om flexibele premie-inleg op te nemen in de pensioenregeling voor zelfstandigen, maar verplicht de pensioenuitvoerder hier niet toe. De reden hiervoor is dat sociale partners en de pensioenuitvoerder zelf het best in staat zijn te wegen wat in het geval van een specifiek experiment het meest passend is. Zij zullen daarbij ook oog hebben voor de belangen van zelfstandigen, maar ook voor eventuele andere deelnemers. Flexibele premie-inleg kan bijvoorbeeld kostenverhogend zijn. Sociale partners en pensioenuitvoerders zullen afwegen of de voordelen opwegen tegen mogelijk nadelen voor het collectief.

De leden van de D66-fractie wijzen er op dat er met de experimenten een extra mogelijkheid voor pensioensparen door zelfstandigen ontstaat. Zij vragen voorts of er maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zelfstandigen, bijvoorbeeld vanwege een overvloed aan opties, geen keuze maken voor een pensioenregeling of deze keuze (blijven) uitstellen of «verdwalen in alle opties».

De experimenteerwetgeving introduceert de mogelijkheid dat bedrijfstakpensioenfondsen zelfstandigen een (gericht) aanbod doen voor deelname aan een pensioenregeling in de tweede pijler. Dit noemen we automatisch aanschrijven. Automatisch aanschrijven kan drempelverlagend werken en ertoe leiden dat eerder de keuze wordt gemaakt om in te stappen in de regeling. De experimenteerwetgeving zal worden geëvalueerd. Onderdeel van deze evaluatie is ook de effectiviteit van het automatisch aanschrijven.

De leden van de D66-fractie vragen naar de keuzebegeleiding in het kader van een experimenteerregeling. Zij vragen specifiek of er een rol is bij keuzebegeleiding voor de Kamer van Koophandel.

Deelname door een zelfstandige aan een pensioenregeling in het kader van de experimenteerwetgeving is een vrijwillige keuze. De zelfstandige wordt door de pensioenuitvoerder ingelicht over de regeling. In het besluit zijn hiertoe informatiebepalingen opgenomen. De norm keuzebegeleiding, die met het wetsvoorstel toekomst pensioenen (Wtp) wordt geïntroduceerd, is niet van toepassing op de keuze die een zelfstandige zelf moet maken om in een regeling te stappen. Een zelfstandige dient zelf een keuze te maken voor pensioensparen die passend is bij zijn of haar financiële situatie nu en na pensionering.

Wel dient een concreet voorstel van een pensioenuitvoerder aan de zelfstandige om deel te nemen aan een pensioenregeling bij de betreffende pensioenuitvoerder alle relevante informatie te bevatten, zoals benoemd in hoofdstuk 2.3 van de toelichting bij het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen. Op basis van deze informatie zou een zelfstandige een weloverwogen keuze moeten kunnen maken.

Bij het maken van de keuze kan een zelfstandige op eigen initiatief de hulp inschakelen van een financieel adviseur, die de zelfstandige kan helpen in het maken van een passende keuze tussen de verschillende vormen van pensioensparen. Het inwinnen van een financieel advies is echter niet verplicht. De Kamer van Koophandel zal via algemene voorlichting ondernemers wijzen op de mogelijkheid van deelname aan pensioenregeling in de tweede pijler op basis van de experimenteerwetgeving.

De leden van de D66-fractie vragen naar voorwaarden die aan «automatisch aanschrijven» zijn verbonden. Specifiek vragen deze leden naar de concrete betekenis van de voorwaarde dat een zelfstandige «op het moment van aanschrijven» werkzaamheden moet verrichten in de betreffende sector.

De voorwaarde dat een zelfstandige werkzaamheden moet verrichten in de betreffende sector dient uiterlijk bij de start van de deelname te zijn vastgesteld. Als het bedrijfstakpensioenfonds echter gebruik maakt van «automatisch aanschrijven», dan ligt het op het moment van aanschrijven. In praktische zin: op moment van de check. Dit betreft het moment dat het bedrijfstakpensioenfonds de check doet of een gewezen deelnemer in zijn deelnemersbestand als zelfstandige werkzaamheden verricht binnen de betreffende sector. Na deze check gaat de pensioenuitvoerder over tot het aanschrijven van de zelfstandige.

De leden van de D66-fractie vragen naar de de samenhang van de start van de experimenteerruimte met het invaren vanuit het wetsvoorstel toekomst pensioenen (de Wtp) voor de monitoring door een onafhankelijk onderzoeksbureau.

Zowel de Wtp als de experimenteerbepaling worden gemonitord en geëvalueerd. De experimenteerbepaling zal een eigenstandige evaluatie (en evaluator) kennen.

De leden van de D66-fractie vragen ook hoe wordt gezorgd voor samenhang tussen de maatregelen in het kader van de witte vlek en de experimenteerruimte.

Beide onderdelen kennen een andere doelgroep. Het aanvalsplan witte vlek is gericht op werkgevers en werknemers zonder pensioenregeling. De experimenteerruimte geeft pensioenuitvoerders de mogelijkheid een pensioenregeling in de tweede pijler open te stellen voor aansluiting door zelfstandigen.

De leden van de D66-fractie vragen wanneer de Minister verwacht dat de eerste zelfstandigen zullen deelnemen aan een pensioenregeling in het kader van de experimenteerwetgeving.

De beoogde inwerkingtreding van de experimenteerwetgeving is 1 juli 2023. Vanaf dat moment hebben pensioenuitvoerders de mogelijkheid pensioenregeling in de tweede pijler open te stellen voor aansluiting door zelfstandigen. Deze mogelijkheid is er voor vijf jaar. Een regeling voor zelfstandigen kan ook nog na 1 juli 2023 aanvangen.

De leden van de D66-fractie vragen hoe zelfstandigen worden beschermd tegen plotselinge opzegging van hun pensioenregeling door de pensioenuitvoerder.

Een pensioenuitvoerder die een regeling voor zelfstandigen aanbiedt in het kader van de experimenteerwetgeving kan deze regeling na het einde van de looptijd van de experimenteerwetgeving beëindigen. Een pensioenuitvoerder kan hier bijvoorbeeld toe overgaan, omdat blijkt uit een eigen evaluatie dat het specifieke experiment niet voldoet aan de verwachtingen of doelstellingen. Indien er zelfstandigen deelnemen aan de pensioenregeling, kan de pensioenuitvoerder het experiment niet stoppen voor afloop van de looptijd van de experimenteerwetgeving. De uitvoerder kan wel beslissen de toetreding tot de regeling voor nieuwe zelfstandigen te staken. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.6.1 van het besluit.

De leden van de D66-fractie vragen naar het belang van een arbeidsongeschiktheidspensioen voor zelfstandigen. Ik begrijp zo dat de leden vragen hoe het belang van een arbeidsongeschiktheidspensioen voor zelfstandigen zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt betrokken in de vormgeving van de pensioenregeling door sociale partners en zelfstandigen(organisaties) en op welke wijze zelfstandigen worden geïnformeerd over de voordelen van een arbeidsongeschiktheidspensioen.

Binnen het kader van de experimenteerwetgeving is het mogelijk dat de partijen die de pensioenregeling voor zelfstandigen maken (sociale partners en/of pensioenuitvoerders in samenspraak met zelfstandigen(organisaties), een arbeidsongeschiktheidspensioen opnemen in de regeling. Zelfstandigen zullen hier als onderdeel van het aanbod door de pensioenuitvoerder over geïnformeerd.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe de kosten voor zelfstandigen worden geminimaliseerd om ervoor te zorgen dat vrijwillige deelname aan een pensioenregeling in de tweede pijler aantrekkelijk blijft.

Minimale kosten zal een belangrijk aandachtspunt zijn voor de uitvoerders van pensioenregeling voor zelfstandigen. Uitvoerders gaan over de kosten van de regeling. Het besluit stelt hier geen voorwaarden aan.

De leden van de D66-fractie vragen welke andere oplossingsrichtingen gelijktijdig worden verkend teneinde pensioenopbouw door zelfstandigen te stimuleren.

In de Wtp worden naast de experimenteerwetgeving ook andere maatregelen met dit doel voorgesteld: het vergroten van de fiscaal gefaciliteerde premieruimte in de derde pijler en het verbeteren van de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting door zelfstandigen. Daarnaast komt de Stichting van de arbeid in het voorjaar van 2023 met een advies over het verder verbeteren van de toegang van zelfstandigen tot een pensioenvoorziening in de tweede pijler en heeft de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen in de brief van 17 oktober jl. aangegeven om de default vrijwillige voortzetting nader uit te werken (Kamerstuk 36 067, nr. 41).

De leden van de D66-fractie vragen hoeveel fondsen minimaal een regeling voor zelfstandigen moeten openstellen om de experimenteerbepaling een succes te laten zijn volgens de Minister. De leden van de D66-fractie vragen voorts of de Minister een mogelijkheid ziet om geen streefwaarde voor het aantal deelnemende zelfstandigen, maar wel voor het aantal deelnemende fondsen op te nemen. Ook vragen deze leden hoe ervoor wordt gezorgd dat er genoeg informatie wordt vergaard voor een structurele oplossing voor pensioenopbouw door zelfstandigen.

Succes is niet alleen afhankelijk van hoeveelheid fondsen met een experiment, maar ook van succes binnen een experiment. Daarom wordt er ook geen minimum aantal zelfstandigen of deelnemende pensioenuitvoerders vastgesteld. De pensioenregelingen voor zelfstandigen worden geëvalueerd. Ook zal er doorlopende monitoring plaatsvinden.

De leden van de D66-fractie vragen waarom automatisch gegevensuitwisseling tussen pensioenfondsen en de Kamer van Koophandel niet kan plaatsvinden. Deze leden vragen voorts of deze gegevensuitwisseling (grote) voordelen kan bieden om deelname aan pensioenregelingen in de tweede pijler door zelfstandigen te bevorderen en of er wordt gewerkt om gegevensuitwisseling tussen pensioenfondsen en de Kamer van Koophandel wel plaats te kunnen laten vinden, ook met het oog op een structurele oplossing.

Gegevensuitwisseling met de Kamer van Koophandel is nodig voor de mogelijkheid tot automatisch aanschrijven van zelfstandigen, een optie die mogelijk wordt op basis van de experimenteerwetgeving. Ook is gegevensuitwisseling nodig voor pensioenfondsen om te bepalen of een zelfstandige die wil aansluiten werkzaam is binnen de werkingssfeer van het pensioenfonds. De experimenteerwetgeving maakt deze vormen van gegevensuitwisseling mogelijk. Dit wordt nader toegelicht in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij de Wtp1.

De leden van de D66-fractie vragen hoe begeleiding van zelfstandigen in de fase voorafgaand aan mogelijke toetreding op dit moment is verankerd in het voorliggende besluit en of de Minister overweegt om keuzebegeleiding in een andere vorm vast te leggen voor de precontractuele fase.

De zelfstandige wordt door de pensioenuitvoerder ingelicht over de pensioenregeling. In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen zijn hiertoe informatiebepalingen opgenomen. Een zelfstandige dient zelf een keuze te maken voor pensioensparen die passend is bij zijn of haar financiële situatie nu en na pensionering. Daarbij kan een zelfstandige op eigen initiatief de hulp inschakelen van een financieel adviseur, die de zelfstandige kan helpen in het maken van een passende keuze tussen de verschillende vormen van pensioensparen. Het inwinnen van een financieel advies is echter niet verplicht.

Het verbreden van de norm keuzebegeleiding naar de precontractuele fase wordt niet overwogen, zoals ook is toegelicht in paragraaf 4.3 van het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen.

De leden van de D66-fractie vragen waar een zelfstandige naartoe kan in geval van een meningsverschil met het bestuur van het pensioenfonds over het wel of niet binnen de statutaire werkingssfeer van het pensioenfonds vallen.

De leden van de D66-fractie refereren bij hun vraag aan de externe geschilleninstantie, zoals geïntroduceerd in de Wtp, en de Ombudsman pensioenen. De mogelijkheid om een klacht of geschil voor te leggen aan de Ombudsman Pensioenen of de externe geschilleninstantie staat alleen open wanneer het een klacht of geschil over de uitvoering van het pensioenreglement betreft. Een meningsverschil over het wel of niet binnen de statutaire werkingssfeer ziet op de precontractuele fase en daarmee in beginsel niet op de uitvoering van het pensioenreglement. Een klager zou in dat geval dan ook niet bij de Ombudsman pensioenen of de externe geschilleninstantie terecht kunnen. Wel staat de weg naar de civiele rechter open voor een dergelijke klacht of geschil.

De leden van de D66-fractie vragen waar een (groep) zelfstandigen terecht kan als zij willen deelnemen in de tweede pijler maar het pensioenfonds uit hun sector geen (adequate) pensioenregeling aanbiedt. Ook vragen deze leden waar (grote groepen) zelfstandigen terecht kunnen als ze het niet eens zijn met de vormgeving van hun pensioenregeling. Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie wat de rol van het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan hierin is en of zelfstandigen hierbij een rol kunnen hebben.

Met de experimenteerbepaling zijn de kaders gegeven waarbinnen pensioenuitvoerders een pensioenregeling kunnen openstellen zodat zelfstandigen vrijwillig kunnen aansluiten. Sectorale pensioenfondsen hebben die mogelijkheid, maar ook verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemene pensioenfondsen. Als in een sector geen pensioenregeling door een pensioenfonds wordt aangeboden, staan voor (een groep) zelfstandigen andere mogelijkheden open om pensioen op te bouwen, zoals bij een verzekeraar, algemeen pensioenfonds of premiepensioeninstelling.

In het Besluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen is voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van een experiment. Dit betekent dat sociale partners en werkgevers en pensioenuitvoerders in overleg treden met zelfstandigenorganisaties over hoe de pensioenregeling voor zelfstandigen er uit moet komen te zien. Op deze wijze wordt er voorzien in de mogelijkheid van inspraak door zelfstandigen. De rol van het verantwoordingsorgaan en belanghebbendenorgaan gaat pas spelen op het moment dat sociale partners c.q. de werkgever het verzoek tot het openstellen van een pensioenregeling bij het pensioenfonds hebben ingediend. Aangezien de aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenfonds ook gevolgen kan hebben voor de zittende (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden wordt het wenselijk geacht dat de medezeggenschapsorganen tijdig worden geïnformeerd over de mogelijkheid van aansluiting door zelfstandigen. Op die manier kunnen ook de medezeggenschapsorganen, net zoals de zelfstandigenorganisaties, inspraak hebben in de aansluiting door zelfstandigen.

Tot slot vragen de leden van de fractie van D66 naar de taakafbakeningseisen in relatie tot mogelijke selectie-effecten die kunnen optreden wanneer zelfstandigen deelnemen aan de tweede pijler. Ik begrijp deze vraag zo dat de leden van de D66-fractie vragen of eventuele selectie-effecten (a.g.v. vrijwillige deelname door zelfstandigen) worden betrokken bij de evaluaties van de experimenten en de evaluatie van de experimenteerbepaling.

Bij de evaluatie van de experimenten worden ook de eventuele selectie-effecten meegenomen.

Reactie op de inbreng van de leden van de CDA-fractie

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of gelet op de zeer beperkte doelgroep en het zeer beperkte gebruik van de nettopensioenregeling de extra complexiteit die de taakafbakeningseis met zich meebrengt deze regeling op de lange termijn wel uitvoerbaar blijft.

Ook nu gelden taakafbakeningseisen ten aanzien van nettopensioenregelingen, omdat deze regelingen altijd op basis van vrijwilligheid moeten worden aangeboden. Naast een werkgeverspremie van minimaal 10 procent kan nu gekozen worden voor inkoop in de basisregeling. Deze laatstgenoemde eis wordt vervangen door een alternatieve taakafbakeningseis, omdat inkoop in de basisregeling niet goed meer past bij de kenmerken van het nieuwe stelsel. In die zin is geen sprake van toevoeging van complexiteit, maar wordt alleen voor een deel een andere technische invulling gegeven aan de taakafbakeningseisen voor vrijwillige pensioenregelingen, zoals die nu ook al gelden voor nettopensioenregelingen.

De leden van de CDA-fractie vragen of ik kan bevestigen dat het uitgangspunt blijft bestaan dat er ex ante geen herverdeling plaats mag vinden (van bruto naar netto of andersom).

Dat kan ik inderdaad bevestigen. Het blijft van belang dat geen vermenging optreedt tussen bruto- en nettopensioenregelingen, waardoor middelen structureel fiscaal onbelast zouden kunnen blijven. Betekent dat dat het sterfterisico zowel in de opbouw- als de uitkeringsfase herverzekerd mag worden bij het collectief (op basis ex-ante fiscaal hygiënische premie), zo vragen deze leden. Het voorliggende ontwerpbesluit beoogt geen wijzigingen aan te brengen op dit vlak. Herverzekering van het sterfterisico is toegestaan, waarbij het van belang blijft dat het sterfterisico voor de nettopensioenregeling apart wordt geadministreerd, zodat wordt voorkomen dat er subsidiestromen gaan ontstaan tussen bruto- en nettopensioenregeling als gevolg van een verschillend sterfterisico in beide regelingen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om in de Nota van toelichting bij het onderhavige besluit ook passages op te nemen over de taakafbakening ten aanzien van vrijwillige regelingen.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar een eerder antwoord op dezelfde vraag die de leden van de VVD-fractie hebben gesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen wat «in beginsel» betekent naar aanleiding van de passage in de Nota van toelichting dat op de nettopensioenregeling in beginsel dezelfde regels en voorwaarden van toepassing zijn als op de basispensioenregeling.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar een eerder antwoord op dezelfde vraag die de leden van de VVD-fractie hebben gesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen of in de situatie dat alleen sprake is van een nettopartnerpensioenregeling geen solidariteitsreserve aangehouden hoeft te worden en als dit wel het geval is, hoe dit werkt.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar een eerder antwoord op dezelfde vraag die de leden van de D66-fractie hebben gesteld.

De leden van de |CDA-fractie vragen in hoeverre voor nettopartnerpensioenregelingen in de vorm van een vrijwillige pensioenregeling ook een verplichting geldt om gedurende drie maanden na einde deelneming de gewezen deelnemer aan nettopartnerpensioen een risicodekking te bieden (op kosten pensioenfonds).

De verplichting van voortzetting risicodekking tijdens uitloopperiode, WW en ZW geldt ook wanneer bij het einde van de dienstbetrekking de deelneming in die netto/vrijwillige partnerpensioenregeling wordt beëindigd.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de gewezen deelnemer aan een nettopensioenregeling het recht heeft om jaarlijks te kiezen voor ruil van netto ouderdomspensioen voor netto partnerpensioen als bedoeld in het nieuw voorgestelde artikel 61a Pensioenwet.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar een eerder antwoord op dezelfde vraag die de leden van de VVD-fractie hebben gesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen om te verduidelijken hoe het werkt als er alleen een netto partnerpensioenregeling is en geen netto ouderdomspensioenregeling waaruit de premie voor voortzetting onttrokken kan worden. Is denkbaar dat de premie aan het persoonlijk vermogen in de bruto-regeling wordt onttrokken, zo vragen deze leden. Tevens vragen zij welke voorwaarden zouden hierbij moeten gelden om de fiscale hygiëne in stand te houden.

In de hier geschetste casus is voortzetting van een netto partnerpensioenregeling niet mogelijk. Onttrekking van premies uit het persoonlijk vermogen in de bruto regeling leidt altijd tot fiscale vermenging en staat haaks op het uitgangspunt van fiscale hygiëne.

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

De leden van de CDA-fractie vragen te reflecteren op bezwaren bij de experimenteerwetgeving die door de sector zijn geuit. Ook de leden van de GroenLinks-fractie vragen te reflecteren op de gegevensuitwisseling in het kader van de experimenteerwetgeving.

Naar aanleiding van overleg met de pensioensector is een eerder voorstel van de experimenteerwetgeving aangepast waarbij het experimenteerkader is verruimd: (1) de experimenteerperiode is met één jaar verlengd, (2) er is een aanpassing gedaan aan het fiscaal kader (t-1), (3) het is mogelijk om een regeling aan te bieden alleen voor zelfstandigen (ook binnen het collectief van een fonds), en (4) er is een AVG-uitzondering opgenomen waardoor automatisch aanschrijven van zelfstandigen door bedrijfstakpensioenfondsen mogelijk is. Dit zijn stappen in de richting van de wensen van de pensioensector. De sector heeft daarnaast aangegeven een grondslag voor gegevensuitwisseling met de Kamer van Koophand op bsn-niveau te willen. Hierin is niet voorzien. Dit zou strijdigheid opleveren met de Wet algemene bepalingen bsn. Daarbij is gegevensuitwisseling mogelijk, maar op niveau van naw-gegevens. Dit wordt nader toegelicht in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij de Wtp.2 De sector had daarnaast de wens om opname van pensioenvermogen voor pensioendatum mogelijk te maken. Hierin is niet voorzien. Dit is strijdig met het principe dat pensioen voor de oude dag is (daarom wordt de inleg ook niet belast en is afkoop maar zeer beperkt mogelijk). Het kan ook strijdigheid opleveren met de taakafbakeningsafspraken. Beheren van gelden die niet de pensioenbestemming hebben, is geen toegestane taak voor pensioenfondsen. Tot slot had de sector nog de wens om het fiscaal faciliteren van de premie-inleg door zelfstandigen onafhankelijk te maken van het gerealiseerd inkomen door een fiscaal forfait te hanteren. Dit is door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst als onuitvoerbaar bestempeld. Ook beleidsmatig zijn er bezwaren. Voor deelnemers aan een experimentregeling gelden dan andere regels dan voor andere zelfstandigen en werknemers. Dit is onwenselijk.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de experimenten daadwerkelijk leiden naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen.

Of de experimenten leiden tot een structurele oplossing moet blijken uit de evaluatie van experimenteerwetgeving. Met deze wetgeving wordt een nu nog niet bestaande mogelijkheid tot pensioensparen voor zelfstandigen geïntroduceerd – vrijwillige aansluiting aan tweedepijlerpensioenregelingen. Er is gekozen voor experimenteerwetgeving en een evaluatie om proefondervindelijk vast te kunnen stellen of en op welke manier binnen de tweede pijler aan zelfstandigen een passende pensioenvoorziening kan worden geboden. Dit staat op voorhand niet vast; in de praktijk blijkt het vrijwillig aansluiten van zelfstandigen tot de tweede pijler geen sinecure. De tweede pijler kent immers een arbeidsvoorwaardelijk karakter.

De leden van de fractie van het CDA vragen ook of inzichtelijk gemaakt kan worden of er animo is om mee te doen aan deze experimenten en zo ja, welke organisaties hier aan meedoen en welke experimenten zij voornemens zijn te ondernemen.

Ik heb op dit moment geen inzicht in concrete plannen van pensioenuitvoerders. Pensioenuitvoerders zullen deze mogelijkheid naar verwachting bezien naar aanleiding van de definitieve wet- en regelgeving. Ik wijs er op dat het met de experimenteerwetgeving ruimte biedt aan pensioenuitvoerder om zelfstandigen een pensioenregeling aan te bieden in de tweede pijler. Het is aan pensioenuitvoerders om concrete experimenten vorm te geven.

De leden van de CDA-fractie vragen naar mogelijke risico’s van het verruimen van de toegang tot de tweede pijler. Zij wijzen op hogere uitvoeringskosten (mede als gevolg van calculerend gedrag van zelfstandigen die de mogelijkheid hebben op vrijwillig toe te treden) die in voorkomende gevallen gedeeld worden met andere deelnemers.

Het is inderdaad zo dat vanwege het verbod op ringfencing voor pensioenfondsen, met uitzondering van algemeen pensioenfondsen, zelfstandigen die bij een pensioenfonds pensioen opbouwen onderdeel uitmaken van het zelfde collectief als werknemers. Risico’s worden hierdoor over een grote groep van deelnemers gedeeld. Bij het inrichten van een pensioenregeling voor zelfstandigen zullen sociale partners en pensioenfondsen eventuele risico’s van toetreding van zelfstandigen tot het collectief moeten wegen en mitigeren. Zo kunnen zij bijvoorbeeld voorwaarden stellen aan beëindiging van deelname aan de pensioenregeling door zelfstandigen. Op welke manier pensioenuitvoerders deze risico’s vervolgens mitigeren zal onderdeel zijn van de evaluatie.

De leden van de CDA-fractie vragen of de vormgeving van de vertegenwoordiging van zelfstandigen bij pensioenuitvoerders, in combinatie met de betreffende organisatiegraad, consequenties heeft voor de representativiteit en of de kenmerkende eigenschappen van een tweedepijlerpensioenregeling behouden blijven.

In het kader van de verplichtstelling wordt met een representativiteitstoets beoordeeld of er een belangrijke meerderheid binnen de bedrijfstak achter de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds staat. De vertegenwoordiging van zelfstandigen bij pensioenuitvoerders, in combinatie met de betreffende organisatiegraad, staat los van de representativiteitstoets voor zover de verplichtstelling geen betrekking heeft op zelfstandigen.

De vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenregeling bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds zal in beginsel geen afbreuk doen aan de essentiële functie die deze pensioenfondsen hebben. Het doel van de verplichtstelling is het uitvoeren van een pensioenregeling voor een collectief tegen economisch aanvaardbare kosten. De uiteindelijke beoordeling welke gevolgen aansluiting van zelfstandigen heeft voor de verplichtstelling is mede afhankelijk van de inhoud van de pensioenregeling, waarbij de kenmerkende eigenschappen van een tweede pijler pensioen (solidair en collectief) behouden moeten blijven. De beoordeling is niet afhankelijk van de vertegenwoordiging of organisatiegraad van zelfstandigen.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of de specifieke wensen van zelfstandigen met betrekking tot pensioenopbouw niet beter geaccommodeerd kunnen worden in de derde pijler.

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht kan pensioenopbouw in de tweede pijler voordelen hebben voor zelfstandigen (Kamerstuk 36 067, nr. 3). Zelfstandigen kunnen op deze manier profiteren van het collectieve karakter van tweedepijlerpensioenregelingen en de (solidariteits)voordelen die daarmee samenhangen, zoals de voordelen van risicodeling tussen deelnemers(groepen). Bovendien kan het voor zelfstandigen die deels in loondienst werkzaam zijn, aantrekkelijk zijn als zij over hun gehele inkomen pensioen kunnen opbouwen bij dezelfde pensioenuitvoerder. Ook kan het aantrekkelijk zijn voor zelfstandigen om pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds van de sector of onderneming waar(in) ze werken wanneer zij een sterke mate van binding ervaren met die sector of onderneming. Daarnaast kan het voor zelfstandigen die in het verleden enige pensioenaanspraken hebben opgebouwd in de sector waar ze werkzaam zijn en zich vertrouwd mee voelen, aantrekkelijk zijn opnieuw aan te sluiten bij de pensioenregeling. De experimenteerwetgeving biedt deze mogelijkheden.

Reactie op de inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister om toe te lichten in hoeverre zij de nettopensioenregeling noodzakelijk acht. De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaast of het klopt dat het nettopensioen in het nieuwe stelsel complexer wordt om uit te voeren en of ik overwogen heb om als onderdeel van de stelselvoorziening de nettopensioenregeling af te schaffen.

Een heroverweging van het fiscale regime voor nettopensioenregelingen vormt geen onderdeel van het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen. Naar aanleiding van de evaluatie van nettopensioenregelingen heeft de regering het belang onderschreven van de mogelijkheid om een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen. Om die reden is het voorliggende ontwerpbesluit getroffen, waarmee de fiscale hygiëne – het voorkomen van vermenging tussen bruto- en nettopensioenregelingen – in het nieuwe stelsel geborgd blijft. In de toelichting bij het ontwerpbesluit is dit ook als zodanig aangegeven.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben gevraagd naar een raming van de budgettaire gevolgen van het afschaffen van het nettopensioen. Ook vragen deze leden om een inschatting van de gevolgen voor de uitvoering.

Het afschaffen per 2023 van het nettopensioen (inclusief de nettolijfrente waarvan in de praktijk vrijwel geen gebruik wordt gemaakt) leidt tot een opbrengst van € 10 miljoen in 2023 oplopend tot € 30 miljoen structureel vanaf 2061. Dit is een gevolg van het vervallen van de huidige vrijstelling van vermogensrendementsheffing. Voor de Belastingdienst is het afschaffen van nettoregelingen complexiteitsverlagend. Het klopt dat dit een positief effect heeft op de uitvoeringscapaciteit. Vanwege het beperkte gebruik van nettoregelingen zal dit positieve effect echter zeer beperkt zijn.3

Ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen

De leden van de GroenLinks-fractie vragen te reflecteren op de gegevensuitwisseling in het kader van de experimenteerwetgeving.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de CDA-fractie. Zij vroegen mij te reflecteren op bezwaren bij de experimenteerwetgeving die door de sector zijn geuit. Ik sta in mijn antwoord ook stil bij het vraagstuk van gegevensuitwisseling.

Tot slot vragen de leden van GroenLinks-fractie in hoeverre het vraagstuk van gegevensuitwisseling relevant is voor een eventuele opt-out pensioenregeling (auto enrollment) voor zelfstandigen. Kan de ervaring die is opgedaan bij het vormgeven van de experimenten toegepast worden bij het vormgeven van de opt-out regeling, zo vragen deze leden.

Bij een pensioenregeling voor zelfstandigen op basis van automatische deelname, zal de deelname automatisch tot stand moeten komen. Bij een dergelijke regeling op basis van opt-out zal een of meerdere pensioenuitvoerders moeten beschikken over de contact- en bedrijfsgegevens van zelfstandigen die automatisch dienen te worden aangeschreven. Een eventuele wettelijke regeling die automatische deelname voor zelfstandigen aan een pensioenvoorziening regelt zal in de hiervoor benodigde gegevensuitwisseling moeten voorzien. Uiteraard is de ervaring die met gegevensuitwisseling in dit experiment wordt opgedaan behulpzaam bij het vormgeven van een dergelijke regeling.


X Noot
1

Kamerstuk 36 067, nr. 11. Pagina 108.

X Noot
2

Kamerstuk 36 067, nr. 11. Pagina 108.

X Noot
3

Zie ook het op 8 juli 2022 aan uw Kamer verstuurde interdepartementale beleidsonderzoek Vermogensverdeling, Kamerstuk 35 925 IX, nr. 38. In bijlage 15 van dit onderzoek is een fichebundel opgenomen waarin onder punt 15 wordt ingegaan op het afschaffen van de nettoregelingen.

Naar boven