Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135900 nr. 3

35 900 Wijziging van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 in verband met de toebedeling van wettelijke taken op het gebied van internationalisering binnen het onderwijs (Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

In de kabinetsreactie op het interdepartementaal beleidsonderzoek Internationalisering van het hoger onderwijs1 is aangegeven dat de regering van mening is dat, hoewel internationalisering ook risico’s in zich kan hebben, de internationale dimensie van het hoger onderwijs van grote waarde is voor de Nederlandse kenniseconomie, het onderwijs en de wetenschap. Het is bovendien van belang dat talent aangetrokken wordt voor de Nederlandse wetenschap en arbeidsmarkt om de Nederlandse positie als kenniseconomie te behouden.

Als internationalisering met zorg wordt geïmplementeerd, kan het op verschillende manieren van toegevoegde waarde zijn voor de student, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van internationale en interculturele vaardigheden. Ook kan sprake zijn van inhoudelijke verrijking door kennis van elders op te doen, in Nederland of in het buitenland. Internationalisering betreft in de definitie van de Onderwijsraad «de versterking van internationale dimensies in het onderwijs ten behoeve van het internationaal competent worden van leerlingen en studenten».2 Er zijn mogelijkheden om internationale vaardigheden binnen Nederland op te doen, of om een (deel van een) studie in het buitenland te volgen, bijvoorbeeld via uitwisseling en stages in het buitenland, of via joint programmes. Het is voor de regering van belang dat deze mogelijkheden voor alle studenten toegankelijk zijn (inclusieve mobiliteit) en dat belemmeringen voor mobiliteit zo veel mogelijk worden weggenomen. Met het oog hierop worden bijvoorbeeld mobiliteitsbeurzen binnen verschillende beurzenprogramma’s verstrekt. Daarnaast wordt door middel van beursverstrekking ook de inkomende mobiliteit bevorderd, dit ter versterking van de Nederlandse kenniseconomie. Ook is het voor het maken van keuzes met betrekking tot internationalisering van het hoger onderwijs van belang dat informatie over het onderwerp beschikbaar is, zowel voor onderwijsinstellingen als voor het maken van effectief overheidsbeleid.

Niet alleen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (verder te noemen: de Minister van OCW) geeft uitvoering aan internationale afspraken middels haar internationaliseringsbeleid, maar delen van de internationale afspraken of samenwerkingen worden soms uitgevoerd door een private partij. Het betreft dan bijvoorbeeld het adviseren van onderwijsinstellingen met betrekking tot het waarderen van getuigschriften die in een ander land zijn behaald, of het voorzien in informatie voor studenten over de mogelijkheden rondom mobiliteit. Deze taken worden sinds jaar en dag door Nuffic uitgevoerd. Het betreffen taken die de internationalisering van het onderwijs raken, in het bijzonder de internationale mobiliteit van leerlingen, studenten en onderzoekers.

Naar aanleiding van het in 2018 door de Auditdienst Rijk (hierna: ADR) uitgevoerde onderzoek naar de sturingsrelatie tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: het Ministerie van OCW) en Nuffic,3 is de sturingsrelatie herzien. Dit wetsvoorstel is daar onder andere een uitvloeisel van. De ADR constateerde onder andere dat sprake is van versnippering van taken en van verschillen in de aansturing van Nuffic vanuit de diverse beleidsdirecties binnen het Ministerie van OCW. Naar aanleiding van deze constateringen van de ADR en een interne heroverweging is er met ingang van 2021 één accounthouder Nuffic binnen het Ministerie van OCW ingesteld. Daarnaast was het ADR-rapport aanleiding om de subsidierelatie te heroverwegen. Ook is een deel van de diensten die Nuffic verrichtte aanbesteed, omdat bij nadere bestudering bleek dat dit economische diensten zijn die eveneens door andere marktpartijen kunnen worden uitgevoerd. Om dezelfde reden en omdat er vanwege veranderende geopolitieke verhoudingen bij de regering behoefte bestaat om de aanwezigheid in het buitenland op het gebied van onderwijs en onderzoek op een meer strategische manier vorm te geven, wordt de subsidie voor de neso-kantoren afgebouwd en omgezet in inzet door middel van onderwijs- en wetenschapsattachés. Verder is in de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps een grondslag gecreëerd op grond waarvan Nuffic kan worden aangewezen als nationaal agentschap Erasmus+ onderwijs en training.4 Met de aanwijzing wordt Nuffic verantwoordelijk voor de uitvoering van de in de Erasmusverordening neergelegde taak tot subsidieverlening. Het onderhavig wetsvoorstel betreft de overige taken van Nuffic die de internationalisering van het onderwijs, in het bijzonder de internationale mobiliteit, zodanig raken dat vanwege het publieke belang en het belang van continuering, wettelijke verankering door de regering noodzakelijk wordt geacht.

Om de continuering van de taken rondom internationalisering en mobiliteit te verzekeren wordt voorgesteld deze taken wettelijk te borgen. Daarmee wordt tevens uitvoering gegeven aan de Lissabon Erkenningsconventie.5 Daarnaast wordt voorgesteld voornoemde wettelijke taken bij Nuffic neer te leggen, omdat Nuffic naar het oordeel van de regering de enige instelling is die – op basis van de jarenlang opgebouwde ervaring en expertise, onder andere via het uitvoeren van het Europese programma Erasmus+ en als nationaal informatiecentrum – deze taken op het gewenste kwaliteitsniveau uit kan voeren. Voorts wordt met onderhavig wetsvoorstel geregeld dat de Minister subsidie kan verstrekken voor de uitvoering van deze taken. Hiermee wordt een rechtspersoon met een wettelijke taak in het leven geroepen, waardoor het toezicht op de bestedingen en de uitvoering van de taken geborgd is conform de Comptabiliteitswet 2016.

Tot slot regelt het wetsvoorstel dat de Minister van OCW een rechtspersoon kan aanwijzen die als taak krijgt om het Nederlandse kennisveld te informeren over het beleid van de Europese Unie op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie.6 Onder onderzoek valt zowel wetenschappelijk- en praktijkgericht onderzoek aan onderwijsinstellingen als onderzoek door onafhankelijke onderzoeksorganisaties. Op basis van het beleid van de Europese Unie op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie verleent de Europese Unie via verschillende programma’s subsidie. Het is voor het kennisveld van groot belang om tijdig op de hoogte te zijn van de beleidsvoorbereiding, het beleid en de programma’s van de Europese Unie en de mogelijkheden die deze beleidskaders en programma’s bieden. Door de juiste informatie op het juiste moment te krijgen kan het kennisveld zich op Europees niveau optimaal positioneren. Hierdoor kunnen de mogelijkheden die zich voordoen maximaal worden benut. Daarom wordt beoogd de informatievoorziening aan het kennisveld wettelijk te borgen. De instellingen verzorgen onderwijs en verrichten onderzoek in voorkomende gevallen met kennisveldpartners. De informatie die aan het kennisveld, de instellingen, wordt verstrekt, zal ook publiekelijk beschikbaar worden gemaakt, zodat een breed publiek, waaronder de kennisveldpartners, zoals bijvoorbeeld TNO, hier ook gebruik van kan maken. Dit in het belang van de bredere kenniseconomie.

Omdat artikel 3b van het wetsvoorstel naast onderwijs en onderzoek betrekking heeft op innovatie, wordt deze toelichting gegeven in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt een aantal taken op het gebied van de internationalisering van het onderwijs wettelijk verankerd. Het betreffen met name taken die betrekking hebben op het hoger onderwijs, maar op onderdelen zijn de taken ook breder en beslaan zij ook het funderend en middelbaar beroepsonderwijs, of wetenschappelijk onderzoek. De taken worden hieronder toegelicht.

2.1 Nationaal informatiecentrum op grond van de Lissabon Erkenningsconventie

Om de internationale mobiliteit te bevorderen is het van belang dat landen elkaars diploma’s erkennen. Dit is ook een belangrijke doelstelling binnen de European Higher Education Area (ook wel: EHEA). Een belangrijk kader omtrent diplomaerkenning ten aanzien van het hoger onderwijs is de Lissabon Erkenningsconventie.7 De Lissabon Erkenningsconventie heeft tot doel de erkenning van diploma’s tussen de verdragsluitende partijen te vereenvoudigen en te verbeteren. De 54 deelnemende landen8 accepteren elkaars onderwijsdiploma’s en getuigschriften, tenzij er wezenlijke verschillen in studieduur of leeruitkomsten zijn. Het betreft het wederzijds erkennen van kwalificaties van afgeronde opleidingen in het hoger onderwijs, van diploma’s die toelating geven tot het hoger onderwijs, van diploma’s die toegang geven tot een vervolgopleiding (bijvoorbeeld de wetenschappelijke promotie) en het erkennen van studietijdvakken binnen opleidingen in het hoger onderwijs.

Op grond van Artikel IX.2, eerste lid, van de Lissabon Erkenningsconventie is vereist dat een informatiecentrum wordt aangewezen die de taken vervult zoals opgenomen in de Lissabon Erkenningsconventie zelf. Nuffic is de organisatie die deze taken uitvoert.9 Voor de taakvervulling is het eveneens relevant dat hiervoor een grondslag in nationale regelgeving wordt gecreëerd. Daarin wordt voorzien door middel van dit wetsvoorstel.

Op grond van Artikel IX.2, tweede lid, van de Lissabon Erkenningsconventie bestaat de taak van het nationaal informatiecentrum uit het faciliteren van de toegang tot authentieke en accurate informatie over het hogeronderwijsstelsel van het land waarin het informatiecentrum is gevestigd (in dit geval Nederland), en van andere Verdragspartijen. Daarnaast behoort tot de taak van het nationaal informatiecentrum het geven van advies of informatie met betrekking tot de erkenning en het beoordelen van kwalificaties, in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving. Hoewel een diploma uit een andere verdragsstaat in beginsel wordt erkend – en dus toelating geeft tot het onderwijs – moet het diploma wel worden gewaardeerd om vast te stellen dat het van een gelijkwaardig niveau is en geen sprake is van een aanzienlijk verschil tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen voortvloeiende uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Voor een nadere toelichting op de taak met betrekking tot het waarderen van diploma’s, wordt verwezen naar paragraaf 2.2.1.

In Artikel X.3 van de Lissabon Erkenningsconventie is bepaald dat het aangewezen nationaal informatiecentrum deelneemt aan het Europees netwerk van Nationale Informatie Centra (ook wel het ENIC-netwerk). Naast het ENIC-netwerk bestaat het (niet-bindende) netwerk van National Academic Recognition and Information Centres (NARIC), dat al eerder op initiatief van de Europese Commissie tot stand is gekomen. Het gaat om dezelfde type activiteiten, maar in het kader van de Europese Unie. Deze twee netwerken worden in Nederland gecombineerd uitgevoerd (ENIC-NARIC), en spelen een rol in het signaleren en oplossen van knelpunten rondom de erkenning van diploma’s. Het delen van kennis over bijvoorbeeld diplomafraude levert zowel binnen ENIC als NARIC belangrijke toegevoegde waarde bij het behalen van het hoofddoel om de internationale mobiliteit te bevorderen, doordat landen elkaars diploma’s erkennen.

Met het aanwijzen van Nuffic als nationaal informatiecentrum, alsmede het verankeren van de adviestaak met betrekking tot diplomawaardering, wordt derhalve toepassing gegeven aan internationale afspraken. Deze taken worden sinds jaar en dag uitgevoerd door Nuffic. Ten behoeve van de continuïteit wordt ervoor gekozen deze taken bij wet op te dragen aan Nuffic. Het vereist een dusdanige expertise die in jaren is opgebouwd door Nuffic dat het niet opportuun is de taak als overheid zelf uit te voeren of de taak aan een andere organisatie op te dragen. Nuffic is thans zo ingebed in het systeem, dat de aanwijzing als nationaal informatiecentrum in de rede ligt.

2.2. Kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationalisering in het onderwijs

Naast de taaktoebedeling aan Nuffic ter uitvoering van de Lissabon Erkenningsconventie wordt met het wetsvoorstel geregeld dat Nuffic het kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationalisering van het onderwijs is. Dit kennis- en expertisecentrum focust zich op internationalisering van het onderwijs, waaronder in het bijzonder de mobiliteit van leerlingen, studenten, onderzoekers en medewerkers. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om diplomawaardering en de informatievoorziening voor leerlingen, studenten en onderzoekers rondom de mogelijkheden voor mobiliteit. Dit zijn taken die zodanig de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs en onderzoek raken, dat continuering van deze taken van publiek belang wordt geacht.

Om te kunnen fungeren als kennis- en expertisecentrum en dit te kunnen blijven is het van het grootste belang dat Nuffic middels onderzoek haar kennis op peil houdt, nieuwe kennis en expertise verwerft en ook de verspreiding daarvan bevordert. Het kan daarbij bijvoorbeeld van belang zijn dat Nuffic, op eigen initiatief en zonder opdracht vanuit de Minister, feiten en cijfers rondom internationalisering verzamelt en analyseert, en trends in beeld brengt. Alleen op deze manier kan Nuffic ook in de toekomst het kennis- en expertisecentrum zijn en blijven en dat is nodig om de taken die binnen deze hoofdtaak worden gespecificeerd, zoals het voorzien van informatie rondom internationalisering, op het gewenste expertiseniveau uit te kunnen voeren. Het is van belang dat middels onderzoek verkregen informatie breed wordt gedeeld zodat eenieder daarmee zijn of haar voordeel kan doen. Het is niet de bedoeling van de regering om Nuffic een uitsluitend recht toe te kennen om alle onderzoeken in opdracht van het ministerie op het gebied van internationalisering in het onderwijs uit te voeren. De onderzoeken die Nuffic uitvoert doet zij primair om aan haar wettelijke hoofdtaak, het zijn van een kennis- en expertisecentrum, te kunnen voldoen. Opdrachtverstrekking voor onderzoeken die voor het ministerie moeten worden uitgevoerd, zullen conform de daarvoor geldende regels worden verstrekt.

De in de volgende sub-paragraaf genoemde taken worden met onderhavig wetsvoorstel direct aan Nuffic opgedragen. Allereerst vanwege de synergievoordelen die dit met zich meebrengt, omdat de taken veelal in het verlengde van die van het nationaal informatiecentrum (paragraaf 2.1) liggen. Voorts vanwege de reeds opgebouwde expertise – die dusdanig specifiek van aard is – dat, mede gelet op de vitale functie in het kader van de internationale mobiliteit, toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs, aanwijzing van Nuffic als kennis- en expertisecentrum het meest in de rede ligt. Dit wordt hierna per wettelijke (sub)taak nader toegelicht.

2.2.1 Diplomawaardering en onderwijsvergelijking

Diplomawaardering10 ten behoeve van hogeronderwijsinstellingen

Op grond van de WHW beslist een instelling voor hoger onderwijs over de toelating van studenten. Daarbij kan het gaan om studenten die in het buitenland een diploma hebben behaald. Wanneer het gaat om een diploma behaald in een land dat partij is bij de Lissabon Erkenningsconventie en in dat land toegang geeft tot het hoger onderwijs is een student in principe toelaatbaar, tenzij er een aanzienlijk verschil kan worden aangetoond tussen de toegangsvereisten van het land waar het diploma is behaald en die van Nederland.11 Daarnaast kan het gaan om diploma’s behaald in een land dat geen verdragspartij is van de Lissabon Erkenningsconventie. Het instellingsbestuur van de hogeronderwijsinstelling beoordeelt of een student op basis van een in het buitenland verworven diploma toegelaten kan worden tot de betreffende opleiding. Het is van belang dat deze diplomawaardering op een uniforme en deskundige wijze plaatsvindt. Omdat de kennis en expertise rondom diplomawaardering niet altijd beschikbaar is bij de onderwijsinstelling zelf, wordt geregeld de uitvoering van deze taak wettelijk te borgen en deze taak – in aansluiting op de taken als nationaal informatiecentrum onder de Lissabon Erkenningsconventie en als deelnemer aan het ENIC/NARIC-netwerk – bij Nuffic neer te leggen.

De taak betreffende het desgevraagd adviseren rondom de waarde en authenticiteit van een in het buitenland behaald diploma heeft een directe relatie met de internationale mobiliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs. Daarnaast is erkenning van diploma’s van belang voor het bevorderen van mobiliteit. Het is van groot belang dat sprake is van continuïteit en consistentie in de uitvoering van deze taak. Het wordt derhalve door de regering van belang geacht dat deze taak op structurele basis kan worden uitgevoerd door één organisatie. Diplomawaarderingen kunnen dan plaatsvinden op basis van eerder gegeven waarderingen, waardoor de continuïteit en consistentie wordt geborgd. Op deze manier wordt voorkomen dat hogeronderwijsinstellingen, en indirect tevens aspirant-studenten, te maken krijgen met verschillende waarderingen. Iedere student met hetzelfde diploma krijgt daarmee dezelfde diplomawaardering en instellingen kunnen op basis daarvan een consistent toelatingsbeleid voeren.

Zoals reeds aangegeven is het waarderen van diploma’s ook buiten de werkingssfeer van de Lissabon Erkenningsconventie relevant. Zo heeft een student uit een land dat niet is aangesloten bij de Lissabon Erkenningsconventie ook de mogelijkheid om in Nederland te gaan studeren indien het diploma dat deze student bezit vergelijkbaar is met een in Nederland behaald diploma dat toegang geeft tot het hoger onderwijs. Het wordt door de regering van belang geacht, in het kader van de internationale mobiliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs, dat de organisatie die de diplomawaarderingen op grond van de Lissabon Erkenningsconventie uitvoert, ook de partij is die de diplomawaarderingen uitvoert buiten de werkingssfeer van het verdrag (zie verder paragraaf 2.2.1). De regering acht dit in het kader van de consistentie, efficiëntie en doelmatigheid en het belang dat aan de advisering wordt gehecht, noodzakelijk. Bovendien kan op deze manier voldoende expertise worden opgebouwd en behouden blijven voor de hogeronderwijsinstellingen en de overheid. Omdat Nuffic wordt aangewezen als nationaal informatiecentrum als bedoeld in de Lissabon Erkenningsconventie ligt het derhalve voor de hand om ook de taak met betrekking tot het waarderen van diploma’s in situaties waarin de Lissabon Erkenningsconventie niet van toepassing is, bij Nuffic te beleggen. Nuffic heeft de noodzakelijke ervaring en expertise op het gebied van de internationalisering van het hoger onderwijs en zij voert al sinds jaar en dag op verzoek van hogeronderwijsinstellingen diplomawaarderingen uit.

In dit wetsvoorstel wordt voorzien in een specifieke grondslag op basis waarvan Nuffic hogeronderwijsinstellingen desgevraagd adviseert omtrent de waarde en authenticiteit van in het buitenland behaalde diploma’s. Op basis van het advies van Nuffic over de waarde en de authenticiteit van het diploma neemt het instellingsbestuur vervolgens een beslissing om een student al dan niet toe te laten en weegt in dat kader het advies mee.12 Het advies van Nuffic is geen formeel besluit in de zin dat hier rechtstreeks rechtsgevolgen uit voortvloeien; het rechtsgevolg vloeit voort uit de beslissing van het instellingsbestuur om al dan niet tot inschrijving over te gaan.13 Tegen deze laatstgenoemde beslissing kan de student dan ook bezwaar maken.14

De hogeronderwijsinstelling (in veel gevallen de zogenoemde admission officer van de onderwijsinstelling) kan een adviesaanvraag indienen bij Nuffic. Niet altijd is het nodig om per individueel diploma Nuffic om advies te vragen. Nuffic heeft diverse landenmodules beschikbaar gesteld, zodat instellingen informatie kunnen opzoeken over het waarderen van diploma’s uit een bepaald land. Ook heeft Nuffic een zogenoemde wizard ontwikkeld, waarbij individuele diploma-adviezen per opleiding ontdaan van tot personen herleidbare gegevens, in een database zijn opgenomen. Nuffic houdt voor dit doel een archief bij zowel van onderzochte diploma's als van toegekende waarderingen. Indien de instelling met behulp van bovengenoemde mogelijkheden onvoldoende kan beoordelen of een aspirant-student op basis van het betreffende diploma kan worden toegelaten, is het mogelijk om een adviesaanvraag in te dienen bij Nuffic. De bovengenoemde procedure geldt zowel voor diploma’s uit landen die onder de werking van de Lissabon Erkenningsconventie vallen als voor diploma’s uit landen waarbij dat niet het geval is.

Waarderen van onderwijsdocumenten ten behoeve van titelerkenning

Degene die in een ander land een graad verwerft, kan de Minister verzoeken om hem toestemming te verlenen de Nederlandse titulatuur te voeren en in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.15 De Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) behandelt deze verzoeken namens de Minister. Bij de afhandeling van verzoeken om erkenning worden de uitgangspunten van de Lissabon Erkenningsconventie gevolgd. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld of het onderwijsdocument, veelal een diploma, authentiek is en de opleiding gelijkwaardig is met een Nederlandse opleiding. Nuffic heeft ervaring in het beoordelen van de waarde van buitenlandse diploma’s, vandaar dat ook in dit kader gebruik kan worden gemaakt van de expertise van Nuffic. Door de kennis van de buitenlandse onderwijsstelsels kan Nuffic hierbij expertise leveren die niet direct altijd voorhanden zal zijn bij DUO.

Onderwijsvergelijking in het kader van meeneembare studiefinanciering

Een vergelijking van de onderwijssystemen kan ook relevant zijn voor de eventuele meeneembaarheid van studiefinanciering. Op grond van artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000)16 en artikel 2.9 van de Wet studiefinanciering BES17 kan een student onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs in het buitenland.

Op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 is van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend sprake, indien:

  • in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt;

  • het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW;

  • het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.

Namens de Minister van OCW worden besluiten omtrent de meeneembaarheid van de studiefinanciering genomen door DUO. DUO beschikt niet altijd over de specifieke kennis en expertise met betrekking tot het vergelijken van individuele buitenlandse opleidingen met een Nederlandse opleiding. Om die reden is het van belang dat over de vergelijkbaarheid van een opleiding door DUO advies kan worden gevraagd aan Nuffic, die deze expertise wel bezit.18 DUO kan namens de Minister, aan de hand van het advies, een besluit nemen op de studiefinancieringsaanvraag van de student die hoger onderwijs volgt. Omdat de specifieke kennis en expertise rondom buitenlandse onderwijsstelsels en het waarderen van buitenlandse hoger onderwijs diploma’s en getuigschriften, gelet op bovenstaand, bij Nuffic aanwezig is, ligt het voor de hand dat de hiergenoemde advisering aan de Minister, ook bij Nuffic wordt belegd.

2.2.2 Het publiekelijk beschikbaar stellen van informatie omtrent internationalisering

Van belang is dat de kennis die Nuffic heeft als kennis- en expertisecentrum omtrent internationalisering wordt gedeeld met belanghebbende partijen in Nederland. Voor onderwijsinstellingen en de overheid is het van belang dat informatie en data rondom internationalisering en mobiliteit publiekelijk beschikbaar zijn zodat de informatie behulpzaam kan zijn voor het vormen van beleid. Van groot belang is ook het publiek beschikbaar stellen van informatie over mobiliteit aan studenten, onderzoekers en leerlingen. Brede informatievoorziening aan bijvoorbeeld studenten zorgt ervoor dat zij toegang hebben tot de informatie die nodig is om geïnformeerde keuzes te maken rondom het opdoen van internationale ervaring binnen het onderwijs. Hiermee wordt ook optimale benutting van de mogelijkheden die er zijn, geborgd. De website Wilweg.nl is een voorbeeld dat aan deze doelstelling bijdraagt. Het waarborgen van de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs is een stelselverantwoordelijkheid van de Minister.

2.2.3 Het ontwikkelen en uitvoeren van overige activiteiten ter bevordering van de internationalisering in het onderwijs

Internationalisering van het onderwijs draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs in Nederland, maar draagt ook bij aan de (positionering van de) Nederlandse kenniseconomie. Ook kan een student internationale en interculturele competenties opdoen, bijvoorbeeld door middel van studiepunt- of diplomamobiliteit. Het is van belang dat deze mogelijkheden voor alle studenten toegankelijk zijn (inclusieve mobiliteit) en dat belemmeringen voor mobiliteit zo veel mogelijk worden weggenomen. Het bevorderen van de mobiliteit van leerlingen, studenten, docenten en onderzoekers is daarom een taak die de regering als een taak van publiek belang beschouwt. Gelet op de in de voorgaande deelparagrafen genoemde taken ligt het voor de hand om ook de taak met betrekking tot het ontwikkelen van overige activiteiten ter bevordering van de internationalisering in onderwijs en onderzoek, met name de mobiliteit, bij Nuffic te beleggen.

Bij deze categorie kan gedacht worden aan deelname aan en coördinatie van de activiteiten van Euraxess in Nederland. Euraxess betreft een initiatief van de Europese Commissie om de mobiliteit van onderzoekers te stimuleren. Ook kan het gaan om activiteiten in het kader van het bevorderen van een Europese Hoger Onderwijsruimte (European Higher Education Area, EHEA), het streven van het Bolognaproces.19 Binnen het Bolognaproces wordt gestreefd naar het dichter bij elkaar brengen van de verschillende onderwijssystemen van de deelnemende landen, om zo een ruimte te creëren met vergelijkbare academische graden, waarin de mobiliteit wordt bevorderd en de onderwijskwaliteit wordt gewaarborgd. Om deze doelstellingen te bevorderen kan het voorkomen dat taken dienen te worden uitgevoerd ter bevordering van de erkenning van vaardigheden, kwalificaties en diploma’s, bijvoorbeeld ten behoeve van het Bolognaproces.20

Tevens kan het bijvoorbeeld gaan om E-twinning, een online community voor scholen in ruim 40 Europese landen en voor iedereen die verbonden is aan het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het mbo en lerarenopleidingen die hun leerlingen of studenten binnen hun eigen omgeving een internationale ervaring willen meegeven en online willen samenwerken. Ook kan er bij deze categorie gedacht worden aan activiteiten ter bevordering van de mobiliteit met partnerlanden. Meer specifiek gaat het dan bijvoorbeeld over activiteiten waarin leerlingen, studenten of onderzoekers uit Nederland en partnerlanden gezamenlijk en multidisciplinair aan de slag gaan met maatschappelijke uitdagingen. Dit soort programma’s bevorderen de uitwisseling van kennis en ervaring en leiden tot een internationaal netwerk.

2.2.4 Beurzenprogramma’s

Om internationalisering te bevorderen zijn soms afspraken tussen landen gemaakt. In veel van deze afspraken is een wederzijdse inspanningsverplichting opgenomen ter bevordering van internationalisering en mobiliteit in het onderwijs en onderzoek. In een enkel geval worden ook over concrete acties afspraken gemaakt. Een voorbeeld is de ondersteuning door middel van beurzenprogramma’s, zoals het Van Gogh-beurzenprogramma. Met dit programma wordt de uitwisseling tussen Nederlandse en Franse onderzoekers financieel ondersteund. Naast deze internationale afspraken worden ook vanuit het nationale beleid beurzen verstrekt ter bevordering van uitgaande mobiliteit. Een voorbeeld hiervan is het Holland Scholarship programma, bedoeld voor buitenlandse studenten die aan een Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs studeren en Nederlandse studenten die buiten de Europese Economische Ruimte (EER) willen studeren, stage lopen of een onderzoek willen doen. De regering stimuleert middels de beurzen de mobiliteit van studenten. Dat kan gaan om inkomende en uitgaande mobiliteit. In algemene zin dient uitvoering geven aan internationale verplichtingen het algemene en publieke belang, in het bijzonder wordt middels de beurzenprogramma’s de kansengelijkheid bevorderd. Door de financiële ondersteuning die studenten kunnen krijgen, is een internationale ervaring breder bereikbaar.

In een aantal beurzenprogramma’s dient de beslissing tot het verstrekken van een beurs plaats te vinden door de Minister van OCW. De Minister van OCW bezit niet in alle gevallen de specifieke kennis en expertise om zelfstandig tot een beoordeling van een beursaanvraag te komen. Mede gelet op de verscheidenheid in de programma’s, dient de Minister daarover geadviseerd te worden. Gelet op de samenhang van de verschillende uitvoeringsactiviteiten rondom deze programma’s, is het vanwege synergievoordelen van belang dat zo veel mogelijk dezelfde rechtspersoon deze activiteiten uitvoert. Vanwege de ervaring en expertise van Nuffic wordt deze taak bij Nuffic belegd. Van belang is op te merken dat de beursverlening in die gevallen niet door Nuffic geschiedt, maar door de Minister van OCW.21

Een taak met betrekking tot de beurzenprogramma’s kan ook het beheren van een beurzenprogramma inhouden. In dit geval betreft de taak niet het adviseren van de Minister in het kader van het verlenen van een beurs aan een individu. In het kader van het Holland Scholarship programma adviseert Nuffic bijvoorbeeld over het beschikbaar stellen van een bijdrage via de Rijksbekostiging aan de instellingen.22 Ook kan Nuffic in voorkomende gevallen verantwoordelijk zijn voor de informatievoorziening over de programma’s. Deze taken vallen in dit wetsvoorstel onder de taak tot het ontwikkelen en uitvoeren van overige activiteiten ter bevordering van de internationalisering bedoeld in paragraaf 2.2.3.

2.3 Internationale kennispositie onderwijs, onderzoek en innovatie

De Minister van OCW draagt de stelselverantwoordelijkheid voor het goed kunnen functioneren van het kennisveld, zoals gedefinieerd in de begripsbepalingen (de onderwijsinstellingen, de KNAW en de NWO). Het is daarbij van groot belang dat het kennisveld optimaal de mogelijkheden die vanuit de Europese Unie geboden worden kan benutten, ter verrijking van het kennisveld. Al geruime tijd functioneert de vereniging naar Belgisch recht Neth-ER als informatiemakelaar tussen het kennisveld in Nederland en de beleidsontwikkeling op Europees niveau.

In deze vereniging zijn relevante stakeholders binnen het publiek gefinancierde Nederlandse kennisveld verenigd. Door de bundeling van de kennis en de centrale rol die Neth-ER speelt worden kansen benut die anders onbenut zouden blijven. De positionering van het Nederlandse kennisveld is van belang voor de ontwikkeling van het onderwijs en onderzoek, maar ook in bredere zin de kenniseconomie waarin onderwijs, onderzoek en innovatie sterk met elkaar verweven zijn. De positionering van het Nederlandse kennisveld, door te voorzien in een kennismakelaar op Europees niveau, dient daarmee een algemeen en publiek belang.

Het is, onder andere met oog op het gelijke speelveld, in het belang van de instellingen dat alle partijen in dezelfde mate worden voorzien van informatie over het Europees beleidsproces. Dat is dan ook de reden waarom de regering thans deze taak wettelijk wil borgen. Door een wettelijke borging wordt de informatievoorziening, en daarmee de ontwikkeling van het kennisveld, stevig verankerd. De informatie leidt tot het vergroten van de Nederlandse participatie in de Europese programma’s en tot het behalen van nationale beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in bijvoorbeeld de nationale wetenschapsagenda, de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek en de visie op internationalisering in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs. Ook vanwege de significante bijdrage die de kennispositie en informatievoorziening levert aan de verwezenlijking van nationale beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld op het gebied van toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid van het onderwijs, is de borging middels een wettelijke taak thans aangewezen.

Het is van belang dat de taak wordt belegd bij een organisatie met een grote mate van betrokkenheid bij het kennisveld. Deze organisatie dient geregeld overleg met de vertegenwoordiging van het kennisveld te plegen met oog op de uitvoering van haar taak. Hierdoor krijgen de instellingen de mogelijkheid om vanuit hun eigen belang aan te geven waar de kennisbehoefte ligt waarin de aan te wijzen organisatie in dient te voorzien. Ook wordt hiermee voorzien in de actieve betrokkenheid van de instellingen. Daarmee is de aan te wijzen organisatie goed op de hoogte van welke informatie voor instellingen van beroepsonderwijs en hoger onderwijs relevant is. Met andere woorden, de uitvoering van de wettelijke taak dient plaats te vinden in nauwe samenwerking en afstemming met de vertegenwoordigers van de instellingen. Het is dus voor het verzamelen en verspreiden van informatie belangrijk dat de aan te wijzen rechtspersoon zich midden in dit netwerk van het Nederlandse kennisveld bevindt en dit netwerk betrekt bij het uitvoeren van de taak. Op die manier kan de wettelijke taak op een optimale wijze worden uitgevoerd, aangezien direct op de behoeften aan de kant van de instellingen kan worden gereageerd.

Neth-ER is een vereniging die al sinds 2006 haar leden (ISO, LSVb, JOB, VH, VSNU, MBO Raad, Nuffic, KNAW, NFU, TNO en NWO) en het brede Nederlandse kennisveld vanuit Brussel informeert op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie. Deze vereniging beschikt daardoor over veel specialistische kennis en een relevant netwerk op dit vlak. Het is echter niet mogelijk gebleken om de buitenlandse rechtspersoon die Neth-ER is, te belasten met een wettelijke taak. Om die reden is in dit wetsvoorstel voorzien in een aanwijzingsbevoegdheid. Thans wordt bezien op welke wijze de opgebouwde expertise van Neth-ER optimaal kan worden benut bij de uitvoering van deze wettelijke taak.

De situatie waarin per instelling deze informatie zou worden verzameld is onwenselijk. Dit zou namelijk zowel financieel als administratief niet doelmatig zijn, omdat dit in algemene zin meer inzet kost. Er wordt daarom beoogd om de met de taak belaste organisatie te laten fungeren als een overkoepelende kennismakelaar. Op deze manier zal de informatiestroom, die nodig is om zo optimaal mogelijk op de kansen in te spelen die op Europees niveau worden aangeboden, op een efficiënte manier worden ingericht.

Onderwijsinstellingen werken in voorkomende gevallen samen met bedrijven en (andere) onderzoeksinstellingen (kennisveldpartners). Niet alleen de onderwijsinstellingen die onder de directe stelselverantwoordelijkheid van de Minister van OCW vallen, maar ook het bredere kennisveld, waaronder organisaties als bijvoorbeeld TNO, profiteert van de informatieverstrekking vanuit de nog aan te wijzen rechtspersoon. Hiermee wordt ook de samenwerking tussen de instellingen en het bredere kennisveld bevorderd.

3. Verhouding tot het hoger recht

Onderhavig wetsvoorstel is voor een deel een uitwerking van de Lissabon Erkenningsconventie, een internationaal verdrag waarbij op dit moment 54 landen partij zijn. Op grond van deze Erkenningsconventie dient een nationaal informatiecentrum te worden aangewezen die de taken vervult zoals opgenomen in de Conventie. Tevens zijn door de Nederlandse Staat bilaterale afspraken gemaakt rondom het bevorderen van mobiliteit (bijvoorbeeld de zogenoemde Culturele Verdragen23) waaruit een inspanningsverplichting of een concrete actie voor de Nederlandse overheid volgt.

In het kader van in ieder geval de uitvoering van de taken diplomawaardering en advisering omtrent beurzenverlening worden persoonsgegevens uitgewisseld. Dit dient binnen de kaders van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) plaats te vinden. Hier wordt in paragraaf 5 nader op ingegaan.

4. Verhouding tot nationale regelgeving

In titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn algemene regels gesteld met betrekking tot subsidiebesluiten. Met onderhavig wetsvoorstel wordt een aantal wettelijke taken ondergebracht in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsactiviteiten 2013 (hierna: Wet SLOA) en wordt voorgesteld de Minister van OCW de bevoegdheid te geven subsidie te verstrekken voor deze taken. Afdeling 4.2.8 van de Awb is van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. Deze titel zal niet van toepassing worden verklaard op de instellingssubsidies met betrekking tot de wettelijke taken genoemd in dit wetsvoorstel, omdat de relevante voorschriften in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn opgenomen. Deze regeling zal worden aangepast teneinde de subsidieverlening voor de met dit wetsvoorstel geregelde wettelijke taken onder het toepassingsbereik van deze regeling te brengen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 7.1.

Nuffic en de organisatie die op grond van artikel 3b van dit wetsvoorstel wordt aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke taak, krijgen de status van een rechtspersoon met een wettelijke taak, als bedoeld in de Comptabiliteitswet 2016. Er is geen sprake van het instellen van een adviescollege, bedoeld in de Kaderwet adviescolleges.

De taken van Nuffic die met dit wetsvoorstel worden geborgd moeten worden onderscheiden van de taak tot subsidieverlening die Nuffic heeft als nationaal agentschap Erasmus+ onderwijs en training als bedoeld in de Erasmusverordening. In dit verband fungeert Nuffic als zelfstandig bestuursorgaan. Naar aanleiding van de heroverweging van de subsidie- en sturingsrelatie met Nuffic is in de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps een wettelijke grondslag gecreëerd voor aanwijzing van het nationale agentschap (Nuffic). De beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van het Erasmusprogramma is een aparte taak en interfereert niet met de overige werkzaamheden. De Erasmusverordening en het Financieel Reglement van de EU bevatten regels over verslaglegging en verantwoording met betrekking tot deze taak. Zo moet een gescheiden boekhouding worden gevoerd en moet jaarlijks verslag worden gedaan aan de Europese Commissie en OCW over de uitvoering van het Erasmusprogramma.

Voor zover het de taken betreft die met dit wetsvoorstel wettelijk worden verankerd, wordt Nuffic een rechtspersoon met een wettelijke taak (zie tevens paragraaf 5.1) en geen zelfstandig bestuursorgaan, nu Nuffic geen beslissingen met rechtsgevolgen neemt op grond waarvan Nuffic beschouwd dient te worden als bestuursorgaan in de zin van de Awb.

In het middelbaar beroepsonderwijs wordt op basis van de algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (hierna: SBB) diploma’s vergeleken en gewaardeerd, een taak die Nuffic thans via deze wet opgedragen krijgt voor het hoger onderwijs.24

5. Gevolgen

5.1 Rechtspersoon met een wettelijke taak

Zowel Nuffic als de organisatie die op grond van artikel 3b van dit wetsvoorstel wordt aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke taken is een rechtspersoon met een wettelijke taak als bedoeld in de Comptabiliteitswet 2016. Dit heeft verschillende gevolgen voor de verantwoording van en het toezicht op de aangewezen organisaties. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 7.2 van deze toelichting.

5.2 Regeldruk

De gevolgen voor de regeldruk zijn naar verwachting beperkt. De wettelijke taken zoals opgenomen in onderhavig wetsvoorstel, worden ingebed in de Wet SLOA. Tevens zal de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS worden aangepast teneinde de subsidieverlening voor de in het wetsvoorstel genoemde wettelijke taken onder het toepassingsbereik van deze regeling te brengen. Hieruit volgt een aantal verplichtingen voor Nuffic en de nog aan te wijzen rechtspersoon, die te maken hebben met de aanvraag van de subsidie. Dit zal in de praktijk in de regel niet tot een significante toename van de regeldruk leiden, omdat deze verplichtingen reeds in lijn zijn met de bestaande praktijk van subsidieaanvraag en -verlening. Wel kan de tweejaarlijkse Kaderbrief tot extra regeldruk leiden, nu Nuffic en de nog aan te wijzen rechtspersoon kennis van deze brief dienen te nemen en omdat deze Kaderbrief gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de wettelijke taken. Verder is op rechtspersonen met een wettelijke taak de Comptabiliteitswet 2016 van toepassing. Dit kan leiden tot een marginale extra regeldruk.

5.3 Privacy

Nuffic krijgt met dit wetsvoorstel de opdracht om te adviseren omtrent diplomawaarderingen indien een instelling voor hoger onderwijs dit aan Nuffic vraagt. Bovendien kan door de Minister van OCW aan Nuffic worden gevraagd om adviezen te verstrekken omtrent de beursverlening in het kader van internationalisering van het onderwijs, specifiek mobiliteitsbeurzen. In het kader van deze taken zal Nuffic in voorkomende gevallen persoonsgegevens verwerken, en treedt daarbij op als verwerker voor de verwerkingsverantwoordelijke (de hogeronderwijsinstelling dan wel de Minister van OCW). Voor deze verwerkingen is een data protection impact assessment (DPIA) opgesteld. Nuffic mag de gegevens niet verder verwerken dan voor het doel (advisering omtrent diplomawaardering of advisering omtrent beursverlening) noodzakelijk is.25 Ten aanzien van de diplomawaardering worden de gegevens, zoals deze zijn vermeld op het aangeleverde diploma, verwerkt. Het spreekt voor zich dat een ieder van wie de gegevens worden verwerkt (denk aan: aspirant-studenten, studenten, onderzoekers of medewerkers aan instellingen) het recht heeft om bij de verwerkingsverantwoordelijke een verzoek te doen op grond van de AVG.

In het wetsvoorstel worden – naast advisering rondom beurzen en diplomawaardering -informatievoorziening en het uitvoeren van overige activiteiten omtrent het bevorderen van internationalisering in het onderwijs, onderdeel van de wettelijke taak. Voor de uitvoering van deze taken worden niet in alle gevallen persoonsgegevens verwerkt. Het kan echter wel voorkomen dat in het kader van deze taken voor bepaalde activiteiten persoonsgegevens moeten worden verwerkt. Daarnaast kan het in het kader van het beheer van een beurzenprogramma nodig zijn om gegevens te verwerken. In het kader van het Holland Scholarship programma is het noodzakelijk dat de Minister van OCW bepaalde persoonsgegevens ontvangt van de geselecteerde studenten ten behoeve van het beschikbaar stellen van een bijdrage via de Rijksbekostiging aan de onderwijsinstellingen. Het is afhankelijk van de specifieke taakuitoefening of en welke persoonsgegevens door Nuffic in dat kader worden verwerkt. Om die reden is dit niet nader uitgewerkt in deze toelichting. De grondslag voor deze verwerkingen dient dan in het individuele geval te worden beoordeeld, waarbij de rollen (verwerkingsverantwoordelijke dan wel verwerker) afhankelijk zijn van wie het doel en de middelen voor de verwerking vaststelt.

Ook kan het voorkomen dat Nuffic, om haar hoofdtaak als kennis- en expertisecentrum rondom internationalisering van het onderwijs te kunnen uitvoeren, op eigen initiatief onderzoek doet, data of cijfers analyseert, of trends in beeld brengt. In deze gevallen treedt Nuffic op als verwerkingsverantwoordelijke.

De verwerkingen met betrekking tot de advisering rondom beurzen en diplomawaarderingen worden hieronder nader toegelicht.

Diplomawaarderingen

Instellingen voor hoger onderwijs kunnen Nuffic vragen om een diplomawaardering uit te voeren. Het gaat dan om een beoordeling van de waarde en de authenticiteit van een in het buitenland behaald diploma. Die waardering vindt plaats in het kader van de inschrijving van een aspirant-student. Niet ieder diploma wordt door Nuffic gewaardeerd, daar zit een zekere gelaagdheid in. In veel gevallen kan een instelling het diploma waarderen op basis van historische kennis, de landenmodules of de wizard. Als voorgaande instrumenten niet voldoende zijn voor het instellingsbestuur om tot een waardering van het diploma te komen of als er twijfel is over de authenticiteit van het diploma, wordt het diploma aan Nuffic voorgelegd ter beoordeling. Deze gelaagdheid moet ook gezien worden in het licht van de dataminimalisatie, proportionaliteit en subsidiariteit van de gegevensverwerking.26 In dat geval worden persoonsgegevens uitgewisseld tussen de onderwijsinstelling en Nuffic. Deze gegevensuitwisseling vindt plaats met als basis de in dit wetsvoorstel gecreëerde wettelijke taak van Nuffic om desgevraagd het instellingsbestuur van een advies te voorzien.

De gegevens zoals deze op het diploma vermeld staan worden verwerkt. Veelal zijn dat de naam, de geboorteplaats en -datum, het geslacht, het land van herkomst van het diploma, de instelling en de studierichting, de naam en het jaartal van het diploma en de studieresultaten. Ook kan het gaan om een handtekening van een rector of student. Ook dient in bepaalde gevallen de identiteit van de diplomahouder vastgesteld te worden. De gegevens zijn noodzakelijk om een diploma te beoordelen op waarde. Het is daarbij essentieel om ook de authenticiteit van een diploma te beoordelen om een (betrouwbare) waardering aan het diploma te kunnen verbinden.

In de wizard worden diplomawaarderingen opgenomen, zodat de informatie van een diplomawaardering breder beschikbaar wordt. Deze waarderingen worden ontdaan van iedere tot een persoon herleidbare gegevens.

Net als bij de diplomawaardering voor instellingen, kan Nuffic ook adviezen verstrekken aan Minister van OCW over de authenticiteit en de waarde van een buitenlands diploma of onderwijsdocument in het kader van een verzoek tot het mogen voeren van een Nederlandse titel. Daarbij kan het zijn dat dezelfde gegevens worden verwerkt als bij diplomawaarderingen het geval is. In de praktijk waardeert DUO reeds de authenticiteit van een diploma, in dat geval hoeven in beginsel geen persoonsgegevens te worden uitgewisseld.

Advisering omtrent beursverlening

De Minister van OCW kan Nuffic verzoeken om een advies te geven omtrent de beursverlening. Daarbij gaat het om advies over individuele beursverlening. Nuffic voorziet een aanvraag van een advies aan de Minister of een beurs al dan niet kan worden verleend. Als het gaat om de inhoudelijke beoordeling van een beursaanvraag kan het – zeker gelet op de individuele advisering – relevant zijn dat Nuffic de volledige aanvraag – inclusief persoonsgegevens – kan beoordelen. Hierbij zal het veelal gaan om naam-, adres- en woonplaatsgegevens, de geboorteplaats en geboortedatum, het e-mailadres, het telefoonnummer, en de gegevens over de gevolgde en de gewenste te volgen opleiding.

Voor een beursaanvraag dient in veel gevallen identificatie van de aanvrager plaats te vinden. In sommige gevallen is het noodzakelijk dat het persoonsgegeven nationaliteit27 wordt verwerkt: voor een beurs kan bijvoorbeeld enkel een persoon met een bepaalde nationaliteit in aanmerking komen.28 Deze gegevens staan vermeld in de aanvraag en dienen om de aanvraag te kunnen beoordelen. Welke persoonsgegevens per beurzenprogramma dienen te worden verwerkt, volgt derhalve uit de informatie en de bescheiden die een aanvrager bij de aanvraag van de beurs (in de vorm van een subsidieaanvraag op grond van een subsidieregeling) dient te verstrekken.

De betrokkenheid van Nuffic is per beurzenprogramma verschillend. Waar het niet nodig is dat Nuffic (naast de Minister van OCW) in het bezit komt van persoonsgegevens voor de uitvoering van haar taak, zullen deze gegevens ook niet aan Nuffic worden verstrekt. De precieze uitvoering van de beurzenprogramma’s is onderwerp van overleg. Ook hierbij zal de inhoud van de subsidieregeling behorende bij het beurzenprogramma, relevant zijn.

Bij de afhandeling van bezwaar en beroep tegen besluiten van de Minister van OCW kan de Minister opnieuw om advies aan Nuffic vragen. In het kader hiervan kan het voorkomen dat aanvullende gegevens worden verstrekt door de indiener van het bezwaar waaruit de onjuistheid van het besluit en de geschiktheid van de kandidaat moet blijken.

6. Uitvoering

6.1. DUO, Inspectie van het Onderwijs, ADR

Aan DUO is het wetsvoorstel voor een uitvoeringstoets voorgelegd. In de uitvoeringstoets is DUO ook ingegaan op het uitdrukkelijk opnemen van de taak van Nuffic met betrekking tot meeneembare studiefinanciering. DUO heeft in zijn uitvoeringstoets aangegeven dat voor het onderbrengen van deze taak onder de wettelijke taak van Nuffic geen wijzigingen hoeven te worden doorgevoerd in de bestaande uitvoeringspraktijk. Wel geeft DUO aan dat de afspraken rondom de financiering van de huidige adviestaak van Nuffic zullen moeten worden aangepast. Dit betreffen interne financieringsafspraken tussen het ministerie en DUO. Ook wordt in de uitvoeringstoets gevraagd hoe de adviseringstaak van Nuffic met betrekking tot meeneembare studiefinanciering zich verhoudt tot de taak van SBB met betrekking tot mbo-studenten die meeneembare studiefinanciering aanvragen. Het klopt dat deze taak voor het middelbaar beroepsonderwijs is belegd bij SBB en is geregeld in de WEB. Met dit wetsvoorstel wordt hierin geen wijziging voorzien.

Zowel de Inspectie van het Onderwijs als de Auditdienst Rijk (ADR) hebben aangegeven dat het wetsvoorstel geen gevolgen voor hen heeft.

6.2 Nuffic

Nuffic heeft bezien of het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Nuffic geeft aan dat het wetsvoorstel in beginsel uitvoerbaar is. Nuffic heeft wel aangegeven dat goed moet worden bezien hoe de adviestaak met betrekking tot de beursverlening wordt vormgegeven. Daarbij is het volgens Nuffic van belang dat de rollen, taken en systemen van de Minister van OCW en Nuffic goed en efficiënt op elkaar aansluiten. Nuffic heeft aangegeven dat bij de vormgeving de belangen van de beursaanvragers in ogenschouw dienen te worden genomen. Dit is onderwerp van nauw overleg tussen het Ministerie van OCW en Nuffic.

7. Sturing, verantwoording, en toezicht

7.1 Inbedding in de Wet SLOA

De in het wetsvoorstel opgenomen wettelijke taken worden ingebed in de Wet SLOA, waarin ook de wettelijke taken voor Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) en de Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling (Stichting Cito) zijn opgenomen.

Inbedding van de wettelijke taken zoals opgenomen in onderhavig wetsvoorstel in de Wet SLOA houdt in dat de Minister van OCW eenmaal per twee jaar voor 1 april een Kaderbrief SLOA internationalisering bekendmaakt. Deze brief heeft betrekking op de twee jaren die volgen op het jaar waarin de brief bekend is gemaakt. Met de Kaderbrief SLOA internationalisering kan de Minister van OCW inhoudelijke invulling geven aan de taken zoals die in onderhavig wetsvoorstel zijn neergelegd. Op deze manier kan door de Minister gestuurd worden op de inhoud van de taken. Het Besluit vaststelling beleidskader SLOA zal worden aangepast teneinde ook de subsidieverlening aan Nuffic en aan de op grond van het nieuwe artikel 3b van de Wet SLOA aan te wijzen rechtspersoon onder het in dit besluit neergelegde beleidskader te brengen. In dit beleidskader is opgenomen dat de betreffende instellingen ieder jaar een startbrief ontvangen van de Minister van OCW met daarin een verkenning van de trends en prioriteiten en een nadere concretisering van de doelen. Aan de hand van de Kaderbrief en de startbrief kunnen de rechtspersonen bedoeld in de Wet SLOA een subsidieaanvraag indienen. Ingevolgde de Wet SLOA kan subsidieverlening – onverminderd de mogelijkheden tot weigering van subsidieverlening ingevolge de Awb – worden geweigerd indien de aanvraag niet past binnen de Kaderbrief, of wanneer mag worden verwacht dat de met subsidiëring beoogde doelstellingen niet worden bereikt.

Voorts zijn regels op het gebied van subsidieverlening en subsidievaststelling vastgelegd in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS; deze regeling zal ook van toepassing worden verklaard op de in onderhavig wetsvoorstel genoemde wettelijke taken.

7.2 Comptabiliteitswet 2016

Nuffic en de organisatie die op grond van artikel 3b wordt aangewezen voor de uitvoering van de in dit wetsvoorstel vervatte wettelijke taken, krijgen de status van een rechtspersoon met wettelijke taak (ook wel: RWT), in de zin van de Comptabiliteitswet 2016. Op een rechtspersoon met een wettelijke taak wordt toezicht gehouden. Het extern toezicht vindt plaats door de Minister van OCW op grond van de artikel 6.1 van de Comptabiliteitswet 2016. Het gaat hier om toezicht op de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de wettelijke taak en de naleving van de voorwaarden die aan het beheer van de publieke financiële middelen worden gesteld door rechtspersonen met een wettelijke taak.29 De Minister heeft hierbij verschillende bevoegdheden, zoals neergelegd in artikel 6.3 van de Comptabiliteitswet 2016. De aangewezen rechtspersonen dienen bijvoorbeeld op verzoek aan de Minister onder andere de volgende informatie te verstrekken: het activiteitenplan, de begroting, het jaarverslag en andere nadere informatie die de Minister van belang acht. Zo nodig heeft de Minister tevens de bevoegdheid om nadere inlichtingen in te winnen of een onderzoek in te stellen.

7.3 Sturing en interventie

Algemeen

Zoals reeds hierboven beschreven vindt de inhoudelijke sturing vanuit het Ministerie van OCW met betrekking tot de in dit wetsvoorstel neergelegde wettelijke taken plaats aan de hand van een tweejaarlijkse Kaderbrief aan de Tweede Kamer, en een jaarlijkse startbrief aan de rechtspersonen met een wettelijke taak. In het kader van deze brieven vinden gesprekken plaats met de betreffende rechtspersonen. Gelet hierop wordt er vanuit gegaan dat de rechtspersonen conform de Kaderbrief, de startbrief en overeenkomstig de wet hun taken zullen uitvoeren.

Met beide organisaties wordt op ambtelijk niveau periodiek overleg gevoerd. Ook kan op het niveau van de Minister overleg worden gevoerd over de taakuitoefening. Daarnaast kan – indien daar aanleiding toe is – ad hoc overleg worden gevoerd op zowel ambtelijk niveau als op het niveau van de Minister, om in onderling overleg eventueel bij te sturen in de taakuitoefening.

Nuffic

De in dit wetsvoorstel geregelde sturing ten aanzien van Nuffic geldt slechts voor de taken zoals opgenomen in dit wetsvoorstel. Het Ministerie van OCW heeft ook buiten dit wetsvoorstel een relatie met Nuffic, namelijk als opdrachtgever in het kader van een aanbesteding. Ook zijn middels de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps,30 een aantal taken aan Nuffic toebedeeld als zijnde het nationaal agentschap Erasmus+. Nuffic fungeert in dat kader als (deeltijd) zelfstandig bestuursorgaan. Daarmee is er thans een relatie met Nuffic die rust op drie verschillende grondslagen. Intern is de sturing ten opzichte van Nuffic belegd bij één accounthouder. Voor alle drie de «stromen» bestaat een aparte sturings- en verantwoordingsrelatie. Hiermee wordt gezorgd voor een zuivere scheiding van taken en middelen, zowel de publieke en private als de nationale en Europese middelen en taken. Hierna zal ingegaan worden op de sturing en interventie in het kader van de in dit wetsvoorstel geregelde taken.

De regering acht het wenselijk om te voorzien in een interventie-instrument met betrekking tot de aan Nuffic opgedragen taken teneinde in geval van ernstige nalatigheid de continuïteit in de uitvoering van deze taken te verzekeren. Overigens benadrukt de regering dat er op dit moment geen enkele aanleiding bestaat te veronderstellen dat Nuffic in de toekomst deze taken niet in lijn met de inhoudelijke sturing via eerder genoemde Kader- en startbrief en overeenkomstig de wet naar behoren zal uitvoeren.

Van nalatigheid of taakverwaarlozing kan blijken uit eigen ervaringen van de Minister31 of uit de op grond van de Comptabiliteitswet 2016 door de rechtspersonen aan de Minister te verstrekken informatie.32 Ook kan het voorkomen dat de Minister van andere partijen signalen ontvangt over het niet naar behoren uitvoeren van de taak.33 Indien dit aan de orde is, is het van belang dat de Minister niet enkel financieel (via de subsidie) kan ingrijpen, maar ook een instrumentarium ter beschikking heeft om inhoudelijk in te grijpen.

Er is sprake van een getrapte werkwijze. Op grond van het wetsvoorstel zal de Minister van OCW allereerst, wanneer naar aanleiding van de gevoerde gesprekken de taken of een deel van de taken nog niet naar behoren worden uitgevoerd, aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de taken. Dit kunnen nadere instructies zijn over de wijze van uitvoering van de wettelijke taak. Wanneer hier geen gevolg aan wordt gegeven door Nuffic kan – indien naar het oordeel van de Minister de taken of een deel daarvan ernstig worden verwaarloosd – de Minister de taakverwaarlozingsregeling inroepen en de noodzakelijke voorzieningen treffen. Deze voorzieningen dienen van tijdelijke aard te zijn. Dit kan inhouden dat het Minister zelf of een andere organisatie de taken of een deel van de taken – tijdelijk – overneemt, vanwege het publieke belang dat wordt gehecht aan deze taken. Afhankelijk van de precieze (sub)taak dient bezien te worden wie deze taak tijdelijk kan overnemen. Dergelijke voorzieningen worden gezien als sluitstuk van de interventieladder; namelijk wanneer andere instrumenten zijn uitgeput en er geen zicht is op verbetering. Indien daartoe noodzaak bestaat kan voor de lange termijn gelden dat de Wet SLOA wordt gewijzigd in die zin dat de taken niet meer aan Nuffic worden opgedragen.

Als gevolg van de veranderde sturings- en financieringsrelatie met Nuffic zijn er drie stromen ontstaan die inhoudelijk en financieel gescheiden moeten worden verantwoord. Door de strikte inhoudelijke en financiële scheiding van de taken en diensten moet worden voorkomen dat publieke en private middelen met elkaar vermengd raken. Tevens moet deze scheiding ervoor zorgen dat een afgescheiden en aparte verantwoording aan de Europese Commissie kan worden verstrekt en dat daarmee voldaan wordt aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Erasmusverordening.

Aan te wijzen rechtspersoon

Wat betreft de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon geldt als ultimum remedium dat de aanwijzing van de rechtspersoon kan worden ingetrokken. Bij aanwijzingsbesluit kunnen nadere verplichtingen en voorwaarden omtrent toezicht en verantwoording worden bepaald. Indien deze niet naar behoren worden nagekomen, kan de Minister van OCW de aanwijzing intrekken. Alvorens de Minister hiertoe overgaat, zal hij eerst een waarschuwing geven.

8. Financiële gevolgen

De uitvoering van de met dit wetsvoorstel geregelde wettelijke taken wordt gefinancierd door het Ministerie van OCW. Onderdeel van deze financiering zijn de programmagelden. De financiering is onderdeel van de huidige begroting van OCW en heeft daardoor geen gevolgen voor de rijksbegroting. De rechtspersonen met wettelijke taak moeten zich houden aan de financiële regels die voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2016.

9. Evaluatie

De wettelijke taak van de aangewezen rechtspersonen, zoals beschreven in dit wetsvoorstel, wordt uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet geëvalueerd.

10. Advies en consultatie

10.1 Openbare internetconsultatie

Het conceptwetsvoorstel heeft voorgelegen voor openbare internetconsultatie van 29 oktober 2020 tot en met 26 november 2020. Dit heeft geleid tot zes reacties, waarvan vier openbare reacties.

Voor wat betreft het onderdeel in het wetsvoorstel waarin een aantal wettelijke taken bij Nuffic worden belegd, hebben de reacties niet geleid tot aanpassingen in het wetsvoorstel of in de memorie van toelichting. De Vereniging van Universiteiten (hierna: VSNU) geeft aan dat Nuffic een belangrijke rol speelt in het faciliteren van en adviseren over internationalisering in het hoger onderwijs. De VSNU deelt dan ook de overtuiging van de regering dat de genoemde taken bij Nuffic belegd moeten blijven.

Verschillende organisaties, zoals de Vereniging Hogescholen, de VSNU, de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) verwelkomen het voorstel om een rechtspersoon aan te wijzen die informatie verstrekt over Europese ontwikkelingen op het gebied van onderwijs en onderzoek. Zij moedigen hierbij tevens de aanwijzing van Neth-ER aan. Als aandachtspunt wordt meegegeven dat het aangewezen is om naast onderwijs en onderzoek ook het kennisdomein innovatie expliciet te verankeren in het wetsvoorstel. De Minister van OCW onderschrijft dat innovatie nauw verbonden is met de onderwerpen onderwijs en onderzoek. Het betreft hier een wisselwerking die noodzakelijk is voor de optimale informatiepositie. Met het oog hierop is, in overleg met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, innovatie ook expliciet toegevoegd aan het wetsvoorstel.

10.2 ATR

Het conceptwetsvoorstel is voor toetsing aan ATR voorgelegd, maar het is niet geselecteerd voor formele advisering. Wel is een aantal opmerkingen van ATR verwerkt in de paragraaf 5.2 van de toelichting (regeldruk).

10.3 Autoriteit Persoonsgegevens

Een conceptwetsvoorstel is voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP). De AP heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben.

10.4 Algemene Rekenkamer

Een conceptwetsvoorstel is op grond van artikel 7.40 van de Comptabiliteitswet 2016 voor overleg voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer brengt een aantal punten onder de aandacht34.

Sturing en toezicht

De Algemene Rekenkamer geeft aan dat het uitvoeren van de in het wetsvoorstel beschreven taken voor Nuffic en de nog aan te wijzen organisatie niet (enkel) een aan de subsidie verbonden verplichting is. Beide organisaties zijn na inwerkingtreding van deze wet op grond van de wet gehouden hun wettelijke taken uit te voeren en van taakverwaarlozing mag geen sprake zijn. Het inhouden van de subsidie is naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer niet het meest passende middel om te interveniëren op de taakuitvoering. De Algemene Rekenkamer beveelt aan om andere interventiemogelijkheden in de wet te regelen. Te denken valt aan een aanwijzingsbevoegdheid en een taakverwaarlozingsregeling.

Van belang is te benoemen dat door middel van de Kaderbrief internationalisering en een startbrief aan de in onderhavig wetsvoorstel bedoelde rechtspersonen met een wettelijke taak, inhoudelijk sturing kan worden gegeven aan de bedoelde rechtspersonen. Aan de hand van de Kaderbrief ontvangen Nuffic en de aan te wijzen rechtspersoon jaarlijks een startbrief met daarin een verkenning van de trends en prioriteiten en een nadere concretisering van de doelen. Dit biedt de leidraad voor Nuffic en de aan te wijzen rechtspersoon om het jaarplan en de begroting op te stellen, op basis waarvan de Minister van OCW subsidie verstrekt. Onderkend wordt dat het enkel financieel kunnen interveniëren indien sprake is van taakverwaarlozing onvoldoende kan zijn, omdat met deze interventie niet zonder meer wordt bereikt dat de taak alsnog wordt uitgevoerd. Derhalve is naar aanleiding van dit aandachtspunt van de Algemene Rekenkamer een bevoegdheid opgenomen om aanwijzingen te geven aan Nuffic en is er een taakverwaarlozingsregeling opgenomen. In paragraaf 7.3 van deze toelichting wordt dit nader toegelicht. Mocht zich in de toekomst een situatie voordoen die het noodzakelijk maakt te interveniëren, dan is dat op grond van de met dit wetsvoorstel gecreëerde voorziening mogelijk. Een uitwerking van het geheel aan instrumenten voor sturing en toezicht zal – zoals geadviseerd door de Algemene Rekenkamer – worden vastgelegd in een separaat toezichtarrangement.

Waarborgen rondom de inrichting en werkwijze van de rwt’s

De nog aan te wijzen rechtspersoon krijgt tot taak het kennisveld te voorzien van informatie over het beleid van de Europese Unie op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie. De Minister van OCW vindt het van belang dat deze taak zal worden uitgevoerd in nauwe samenwerking en afstemming met de vertegenwoordigers van de instellingen, en dat de organisatie zich midden in dit netwerk bevindt. De Algemene Rekenkamer onderschrijft het belang van een goede dialoog tussen rechtspersonen met een wettelijke taak en belanghebbenden, maar merkt ook op dat de voorgestelde wettekst hierover niets regelt. Aan deze aanbeveling is gehoor gegeven door in de wettekst op te nemen dat de aan te wijzen rechtspersoon geregeld overleg dient te plegen met de vertegenwoordiging van het kennisveld. Indien aan dit vereiste niet wordt voldaan, kan de aanwijzing door de Minister van OCW worden ingetrokken.

Daarnaast geeft de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de nog aan te wijzen rechtspersoon aan dat het van belang is om te waarborgen dat de organisatie de elementen waarop ze beoordeeld is bij de aanwijzing niet zonder medeweten dan wel instemming van de Minister kan wijzigen, bijvoorbeeld door aanpassing van de statuten. In de concept statuten van de vereniging waarvan de Minister voornemens is om deze te belasten met de uitvoering van de taak wordt opgenomen dat de statuten alleen kunnen worden gewijzigd met instemming van de Minister. Bij het besluit tot aanwijzing van de rechtspersoon die de taak gaat uitoefenen, zal de Minister van OCW acht slaan op het feit of een dergelijke regeling ook in de definitieve statuten is vervat.

De Algemene Rekenkamer geeft verder aan dat nu ervoor wordt gekozen taken bij wet bij Nuffic te beleggen, het wenselijk is om na te gaan of de huidige governance en statutaire bepalingen van Nuffic voldoende waarborgen bevatten om de wettelijke taken op (onafhankelijke) wijze uit te voeren. Verder acht de Algemene Rekenkamer het van belang dat de Minister van OCW kaders stelt aan de wijze waarop Nuffic en de nog aan te wijzen rechtspersoon de publieke middelen dienen te beheren. Te denken valt aan het administratief gescheiden houden van publieke en eventuele private middelen. Ook dient te worden nagegaan of de organisaties in aanmerking komen voor schatkistbankieren en hoe bij intrekking van de aanwijzing of opheffing van de organisatie wordt omgegaan met reeds verstrekte publieke middelen.

Relevant te benoemen is dat door de Minister van OCW en Nuffic gezamenlijk en in overleg veel aandacht wordt besteed aan de governance die past bij de hernieuwde verhoudingen en met een passende overlegstructuur. Wat betreft de interne structuur van Nuffic is het van belang te noemen dat Nuffic in het jaarverslag verantwoording aflegt over de activiteiten en de resultaten. Ook heeft Nuffic als zelfstandige stichting een raad van toezicht ingesteld. Het jaarlijks in te dienen jaarplan is op dit moment reeds voorzien van een meerjarenbegroting en ook worden in het jaarverslag de belangrijkste risico’s benoemd. Hiermee geeft Nuffic al invulling aan de belangrijkste elementen die de regering heeft onderkend in het gemeenschappelijk normenkader voor goed financieel beheer.35 De regering is het met de Algemene Rekenkamer eens dat het van belang is dat de in onderhavig wetsvoorstel bedoelde rechtspersonen op een juiste wijze de publieke middelen dienen te beheren. Voor wat betreft de private activiteiten die Nuffic ontplooit betekent dit dat deze niet mogen interfereren met de wettelijke taken. Daarnaast geldt dat private activiteiten met private middelen worden gefinancierd. Dat publieke middelen, die middels een subsidie worden verstrekt, niet aangewend mogen worden voor private activiteiten zal onderdeel uitmaken van de subsidievoorwaarden. Op de te verstrekken subsidie zal de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing zijn. Hierin is onder andere ook geregeld op welke wijze verantwoording wordt afgelegd over de besteding van de middelen. Met betrekking tot de opmerking van de Algemene Rekenkamer over schatkistbankieren is relevant dat op grond van artikel 5.1 van de Comptabiliteitswet 2016 de Minister van Financiën de rechtspersonen aanwijst die schatkistbankieren. In artikel 5.2 en artikel 5.4 van die wet is geregeld wanneer een rechtspersoon verplicht is te schatkistbankieren dan wel een verzoek hiertoe kan indienen. Dit wordt niet met onderhavig wetsvoorstel geregeld.

11. Inwerkingtreding

Het wetsvoorstel zal bij koninklijk besluit in werking treden. Er wordt naar gestreefd het wetsvoorstel per 1 januari 2022 in werking te laten treden.

II Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Met wijziging van de begripsbepaling «instelling» worden zowel Nuffic als de op grond van het nieuwe artikel 3b van de Wet SLOA aan te wijzen rechtspersoon instelling in de zin van de Wet SLOA. Waar in de Wet SLOA wordt gesproken van instelling wordt aldus bedoeld Cito, SLO, Nuffic en de op grond van artikel 3b van de Wet SLOA nog aan te wijzen rechtspersoon.

Met de nieuwe begripsbepaling «kennisveld» wordt de taak die de op grond van het voorgestelde artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon heeft, afgebakend. De taak betreft uitsluitend de informatievoorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen, KNAW en NWO.

Artikel I, onderdeel B

Met het invoegen van de nieuwe artikelen 3a en 3b in de Wet SLOA worden taken omtrent de internationalisering binnen het onderwijs wettelijk geborgd. Voor de inhoud van de taken wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel 3a

In het algemene deel van deze toelichting (paragrafen 2.1 en 2.2) zijn de taken toegelicht die aan Nuffic worden opgedragen. In lijn met de systematiek van de Wet SLOA is er voor gekozen om Nuffic bij wet deze taken op te dragen. Dit wordt geregeld met het nieuwe artikel 3a van de Wet SLOA. In deze bepaling is voorzien in een bevoegdheid van de Minister om aanwijzingen te geven over de taakuitoefening en is voorzien in een taakverwaarlozingsregeling. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 7.3 van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel 3b

In het algemene deel van deze toelichting (paragraaf 2.3) is de taak op het gebied van Europese ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie toegelicht. Thans wordt – vanwege de omstandigheden als omschreven in paragraaf 2.3 – voorzien in een bevoegdheid voor de Minister van OCW om een rechtspersoon aan te wijzen die met voornoemde taak is belast. Dit zal geschieden middels een aanwijzingsbesluit. Vanwege het belang van een goede afstemming met het kennisveld is voorzien in een overlegverplichting (derde lid). Mocht de nog aan te wijzen rechtspersoon niet in voldoende mate invulling geven aan deze verplichting of aan overige bij aanwijzingsbesluit te stellen verplichtingen, dan kan de Minister de aanwijzing intrekken.

Artikel I, onderdeel C

In artikel 4 van de Wet SLOA is het uitgangspunt neergelegd dat subsidieverlening per boekjaar geschiedt. Voor Nuffic en de op grond van het nieuwe artikel 3b van de Wet SLOA nog aan te wijzen rechtspersoon wordt bij dit uitgangspunt aangesloten.

Artikel I, onderdeel D

Met deze wet wordt een kaderbrief SLOA internationalisering ingevoegd voor de organisaties die de taken uitvoeren als omschreven in de artikelen 3a en 3b. Met het oog op het invoegen van deze kaderbrief is ten aanzien van de bestaande kaderbrief verduidelijkt dat deze kaderbrief ziet op de taken van SLO en Cito.

Artikel I, onderdeel E

Thans voorziet de Wet SLOA ten aanzien van SLO en Cito in een kaderbrief. Die kaderbrief is bedoeld om de Minister van OCW de mogelijkheid te bieden inhoudelijke sturing te geven aan de taakvervulling door voornoemde organisaties. Daarnaast heeft de kaderbrief tot doel om een meerjarenperspectief te bieden voor deze organisaties. In de subsidieaanvraag komen de accenten uit de kaderbrief tot uitdrukking.

In het kader van de taken op het gebied van internationalisering, te vervullen door Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon, wordt eveneens voorzien in een kaderbrief. Hiermee wordt aangesloten bij de reeds bestaande systematiek van de Wet SLOA.

Gelet op de beoogde inwerkingtredingsdatum is het pas mogelijk om per 1 april 2022 de eerste kaderbrief bekend te maken. In het tweede lid is geregeld dat deze eerste kaderbrief betrekking heeft op de kalanderjaren 2023 en 2024.

Artikel I, onderdeel F

In aanvulling op de weigeringsgronden voor subsidieverlening zoals deze uit de Awb voortvloeien, is in artikel 6 van de Wet SLOA geregeld dat de Minister van OCW de subsidie voor Cito en SLO eveneens kan weigeren indien de subsidieaanvraag niet past binnen de Kaderbrief SLOA. Door de introductie van een Kaderbrief internationalisering wordt artikel 6 van de Wet SLOA aangevuld in die zin dat de Kaderbrief internationalisering eenzelfde functie heeft met betrekking tot subsidie voor Nuffic en de op grond van het nieuwe artikel 3b van de Wet SLOA aan te wijzen rechtspersoon.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat wijziging van artikel 6 van de Wet SLOA niet beoogt een extra weigeringsgrond te creëren voor subsidieverlening aan Cito en SLO. Het kader voor die subsidieverlening blijft de Kaderbrief SLOA. Het kader voor de subsidieverlening aan Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon is de Kaderbrief internationalisering. Dit volgt uit de systematiek van het introduceren van een extra kaderbrief in artikel 5a welke slechts betrekking heeft op de instellingen, bedoeld in artikel 3a en 3b, en uit het gebruik van het woord «respectievelijk».

Nu de eerste kaderbrief betrekking heeft op de jaren 2023 en 2024 kan vanwege het ontbreken van een kaderbrief de subsidie voor het jaar 2022 niet op die grond worden geweigerd.

Artikel I, onderdeel G

In het bestaande artikel 7, tweede lid, van de Wet SLOA wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij ministeriële regeling onderscheid te maken tussen regels die verbonden zijn aan structurele (onderdeel a) en incidentele subsidies (onderdeel b).

De subsidies die voor de taakvervulling van Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon worden verstrekt zijn structureel van aard, waardoor aangesloten is bij onderdeel a.

Artikel I, onderdeel H

Aan artikel 8 van de Wet SLOA wordt een lid toegevoegd. Hiermee wordt geregeld dat de Minister van OCW een subsidieplafond kan vaststellen voor de taken als bedoeld in artikel 3a en 3b. Dit plafond kan zowel betrekking hebben op het totale bedrag dat beschikbaar is voor de taakvervulling alsmede op deelbudgetten die beschikbaar zijn voor de afzonderlijke taken.

Artikel I, onderdeel I

De regering is van mening dat de te subsidiëren activiteiten van Nuffic en de op grond van artikel 3b van de Wet SLOA aan te wijzen rechtspersoon zodanig in het verlengde liggen van de zorg die de overheid draagt voor de toegankelijkheid van het onderwijs, dat die activiteiten het algemeen belang dienen. Dit is ook de opvatting van de wetgever ten aanzien van de activiteiten die door Cito en SLO worden verricht.36

De kennis die door Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon wordt vergaard, wordt bekostigd door de rijksoverheid middels een subsidie. Deze kennis dient vrij toegankelijk te zijn voor een ieder die daar baat bij kan hebben. Om de publieke kennisfunctie van de instellingen te borgen en de kennis algemeen toegankelijk te maken en houden, wordt thans ook ten aanzien van Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon bepaald dat in beginsel alle gegevens die zij voor de wettelijke taak gebruiken en de resultaten van die taken, openbaar zijn.

Reeds bij de invoering van de Wet SLOA is overwogen dat deze beginselopdracht van openbaarmaking niet absoluut is, namelijk bijzondere omstandigheden kunnen zich tegen openbaarmaking verzetten. Een uitzondering op openbaarmaking kan worden voorzien bij ministeriele regeling of subsidiebeschikking. Een van die bijzondere omstandigheden is de te beschermen belangen van derden, waaronder de privacy.37

Nuffic heeft onder andere tot taak om adviezen te verstrekken omtrent in een ander land dan Nederland verworven diploma’s en omtrent het verlenen van beurzen. In het kader van haar wettelijke taak dienen persoonsgegevens te worden verwerkt. Openbaarmaking blijft derhalve in ieder geval achterwege wanneer het gaat om persoonsgegevens die Nuffic ten behoeve van de diplomawaarderingen verwerkt, en persoonsgegevens die worden verwerkt door Nuffic in het kader van de advisering aan de Minister van OCW omtrent (individuele) beursverlening. Ook blijft openbaarmaking achterwege van de gegevens die de Minister van OCW verkrijgt omtrent de deelnemers aan het Holland Scholarship programma. Ten slotte blijft openbaarmaking achterwege van de persoonsgegevens die ten grondslag liggen aan de cijfermatige overzichten over mobiliteit.

Artikel I, onderdeel J

In de Wet SLOA is ten aanzien van Cito en SLO reeds een regeling omtrent het gebruik van de intellectuele eigendomsrechten opgenomen. De kern hiervan is dat de intellectuele eigendomsrechten van met publieke middelen vervaardigde producten, voor zover de Auteurswet dit mogelijk maakt, aan de Minister van OCW worden overgedragen. In het geval dat de rechten bij derden berusten en er geen sprake kan zijn van het overdragen van intellectuele eigendomsrechten door de instellingen, ligt de verplichting bij de instellingen om voor een adequaat gebruiksrecht zorg te dragen.38

Een dergelijke regeling maakt thans ook als voorwaarde onderdeel uit van de subsidiebeschikking voor Nuffic. Middels de in deze wet voorgestelde wijziging wordt de bestaande regeling omtrent intellectuele eigendomsrechten ook van toepassing op Nuffic en de op grond van artikel 3b aan te wijzen rechtspersoon.

Artikel I, onderdeel K

Het voorgestelde artikel 12, tweede lid, van de Wet SLOA verplicht tot evaluatie van de onderhavige wet binnen vijf jaren na de inwerkingtreding ervan.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kabinetsreactie op het interdepartementaal beleidsonderzoek Internationalisering van het (hoger) onderwijs, 6 september 2019, Kamerstukken II 2018/19, 31 288, 782.

X Noot
2

Onderwijsraad, Internationalisering met ambitie (2016).

X Noot
3

ADR, «Onderzoek naar de sturing richting Nuffic bij OCW», 17 januari 2018.

X Noot
4

Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps (Stb. 2021, 186).

X Noot
5

Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002,137).

X Noot
6

Dit beleid vindt haar grondslag in de titels XII en XIX van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

X Noot
7

Trb. 2002,137.

X Noot
8

De Conventie is ondertekend en geratificeerd door bijna alle Europese landen, en een aantal niet-Europese landen, zoals Nieuw-Zeeland en Canada.

X Noot
9

Zie Trb 2008, 82; bij de Lissabon Erkenningsconventie heeft het Koninkrijk der Nederlanden verklaard dat conform Artikel IX.2 van de Conventie Nuffic het nationaal informatiecentrum is. Zie ook Kamerstukken I/II 2007/08, 31 284 (R1841), nr. 1.

X Noot
10

Hierbij wordt uitgegaan van een brede definitie, namelijk buitenlandse getuigschriften, zoals diploma’s.

X Noot
11

Zie o.a. artikel 7.28 WHW en Artikel IV van de Lissabon Erkenningsconventie.

Overigens, op grond van de Beschikking van het Benelux-Comité van Ministers betreffende de automatische wederzijdse generieke niveauerkenning van diploma’s hoger onderwijs (de zogenoemde Benelux-beschikking) worden sinds 2015 binnen de Benelux hoger onderwijs bachelors en masters automatisch erkend; hetzelfde geldt sinds 2018 voor associate degrees en doctoraten. De automatische erkenning heeft betrekking op het niveau, de kwaliteit en de werklast van de kwalificatie, maar niet op het profiel en de leeruitkomsten.

X Noot
12

Artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, WHW.

X Noot
13

Vanwege het advieskarakter van de diplomawaarderingen is geen sprake van een handeling waarbij openbaar gezag wordt uitgeoefend. Daarom is geen sprake van een ZBO in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
14

Artikel 7.63a in samenhang gelezen met de artikelen 7.61 en 7.59a van de WHW.

X Noot
15

Artikelen 7.23 en 7.23a WHW.

X Noot
16

Ook wel «meeneembare studiefinanciering» genoemd.

X Noot
17

Zie tevens de begripsbepalingen. Zie verder artikel 2 van de Regeling studiefinanciering BES omtrent de vergelijkbaarheid van een opleiding met een opleiding bedoeld in de WHW.

X Noot
18

Op basis van een individuele aanvraag door DUO; of door middel van bijvoorbeeld het raadplegen door DUO van door Nuffic beschikbaar gestelde landenlijsten en -informatie.

X Noot
19

Zie onder andere de Bologna Verklaring van 19 juni 1999.

X Noot
20

Ter illustratie: dit kan bijvoorbeeld via projecten onder Key Action 3 («support for policy reform») van het Europese programma Erasmus+. Op basis van calls die worden aangevraagd bij de Europese Commissie (EACEA), en waarbij co-financiering door de lidstaat is vereist. Voorbeelden hiervan zijn de projecten I-comply en FaBoTo+, die op grond hiervan thans namens OCW door Nuffic worden uitgevoerd. FaBoTo+ staat voor Facilitating the use of Bologna Tools (for Higher Education Institutions and Quality Assurarance Organisations), binnen dit project bieden bijvoorbeeld Bologna-experts ondersteuning aan instellingen voor hoger onderwijs met betrekking tot de implementatie van de Bologna-instrumenten. Er zijn ook voorlopers van FaBoTo+ (zoals FaBoTo2). I-Comply betreft een project met als doel naleving van de Lissabon Erkenningsconventie te verbeteren.

X Noot
21

Bij de zogenoemde CV-beurzen wordt de beschikking gestuurd vanuit het andere land, maar kan het voorkomen dat vanuit het Ministerie van OCW een tegemoetkoming in de reiskosten wordt verstrekt.

X Noot
22

De beurzen worden in dit geval door de hogeronderwijsinstellingen verstrekt.

X Noot
23

Bijvoorbeeld: de Overeenkomst inzake culturele samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië ( Trb. 1968, 98).

X Noot
24

Artikel 7.4.7 Wet educatie beroepsonderwijs in samenhang gelezen met artikel 5 van de algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

X Noot
25

Doelbinding in de zin van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AVG.

X Noot
26

Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, AVG.

X Noot
27

Dan wel verblijfsvergunning als onderdeel van een nationaliteitsvereiste.

X Noot
28

Hierbij kan gedacht worden aan het Sino-Dutch Bilateral Exchange programma.

X Noot
29

Artikel 6.2 van de Comptabiliteitswet 2016.

X Noot
30

Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps (Stb. 2021, 186).

X Noot
31

Bijvoorbeeld ervaringen met betrekking tot de adviestaak van Nuffic omtrent beursverlening aan de Minister van OCW.

X Noot
32

Gedacht kan worden aan jaarverslagen.

X Noot
33

Bijvoorbeeld van onderwijsinstellingen, leerlingen, studenten of onderzoekers.

X Noot
34

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
35

Bijlage 1 bij Brief Financieel beheer en toezicht semipublieke sector van de Minister van Financiën, Kamerstukken II 2013/14, 33 822, nr. 1.

X Noot
36

Kamerstukken II 2012–13, 33 558, nr. 3, p. 15.

X Noot
37

idem.

X Noot
38

Kamerstukken II 2012–13, 33 558, nr. 3, p. 15.